‘Eerst wilde ik er niet aan: het was te pijnlijk’, vertelt de Afro-Amerikaanse schrijfster Toni Morrison (1931-2019) aan het begin van deze documentaire over Beloved (Beminde), het boek over de gruwelen van slavernij waarvoor ze in 1988 een Pulitzer Prize kreeg. ‘Als zij er hun hele leven mee moesten leven, dan kon ik er wel enkele jaren aan besteden om een boek te schrijven’.
In Toni Morrison, Black Matter(s) (52 min.) belicht regisseur Claire Laborey met enkele kenners het werk van de schrijfster die tevens als eerste zwarte vrouw de Nobelprijs voor de Literatuur won en die in 2012 van de zwarte Amerikaanse president Barack Obama de Presidential Medal Of Freedom kreeg. Morrison zelf komt natuurlijk ook veelvuldig aan het woord via interviews en fragmenten uit haar geschriften, ingesproken door actrice Fanny Gautier.
Deze verzorgde film, die verder een treffende mixture van foto’s, filmbeelden en animaties rond de beladen geschiedenis van Zwart Amerika bevat, richt zich overigens niet zozeer op Morrisons leven en carrière, maar op de inhoud en betekenis van haar werk en hoe ze daarmee het Amerikaanse verhaal heeft proberen te herschrijven. Met haar uitgesproken visie heeft de schrijvende denker bovendien aansluiting gevonden bij actuele maatschappelijke ontwikkelingen, zoals de Black Lives Matter-beweging.
En Toni Morrison, Black Matter(s) kan worden geboekstaafd als een gedegen weerslag van de erfenis van deze trotse, intelligente en welbespraakte vrouw, die tot op hoge leeftijd een krachtig zwart zelfbewustzijn heeft uitgedragen.
‘Nou, je ging wel lekker tekeer’, zegt de cameraman van dienst tegen AfD-parlementslid Norbert Kleinwächter, die zojuist voor een campagnefilmpje met gevouwen handen op zijn knieën is gegaan. ‘Als je iets wilt bereiken binnen de CDU’, riep Kleinwächter erbij, ‘moet je op je knieën gaan en de godheid Merkel bedanken!’ De cameraman vraagt of hij het filmpje misschien wil terugkijken. ‘Ik wil zien hoe ik uit mijn dak ga’, antwoordt de Duitse politicus, die opvallend snel weer is afgekoeld. ‘Je ging inderdaad helemaal uit je plaat’, constateert de cameraman verbaasd. ‘Het deed me een beetje aan Hitler denken.’
Die associatie proberen Kleinwächter en zijn partijgenoten van de rechts-populistische politieke partij Alternative für Deutschland natuurlijk koste wat het kost te vermijden. Toch is de vergelijking met het nationaalsocialisme nooit ver weg in de observerende documentaire Volksvertreter (Engelse titel: The Voice Of The People, 96 min.), waarvoor documentairemaker Andreas Wilcke drie jaar lang vier parlementariërs van de omstreden AfD heeft gevolgd. Is het niet doordat één van hen publiekelijk wordt uitgemaakt voor nazi, dan is het wel doordat ze zich er intern over beklagen dat die link voortdurend – en in hun ogen ten onrechte – wordt gelegd.
Beeldvorming is werkelijk alles, toont Wilcke, die zijn ogen op de bal houdt bij partijbijeenkomsten, mediatrainingen en interne verkiezingen en zich verder zelf onthoudt van commentaar. Bij hoe de partijleden elk onderwerp benaderen én bij hoe zijzelf door de buitenwereld, de pers in het bijzonder, worden benaderd. ‘De strijd is niet voorbij’, waarschuwt partijleider Alexander Gauland niet voor niets als de AfD bij de verkiezingen van 2017 de derde partij in de Bundestag is geworden, het startpunt van deze documentaire. ‘Ze zullen alles doen om ons als rechts-extremisten neer te zetten. Als je je vreugde over de verkiezingsuitslag wilt uitdrukken, doe het dan verstandig. En gebruik geen taal die tegen ons kan worden gebruikt.’
Dat is natuurlijk gemakkelijker gezegd dan gedaan. Als Norbert Kleinwächter bijvoorbeeld voor een interland van het Duitse voetbalelftal in een zaaltje nog even de verschillende culturele achtergronden van de spelers doorneemt – waarbij duidelijk doorklinkt dat hij liever een team met échte Duitsers had gezien – stimuleert dat de aanwezigen om tijdens de wedstrijd ongegeneerd los te gaan op verdediger Jerome Boateng, die met een rode kaart uit het veld wordt gestuurd. ‘Deporteer hem!’ roept één van de aanwezigen. ‘Flikker die n****r eruit’, floept een ander eruit. ‘Terug naar Afrika!’, ‘gooi ze allemaal het land uit’ en ‘als het toch zo gemakkelijk was: één rode kaart en hij is weg!’ zijn dan niet meer ver weg.
Kleinwächter – die achter de schermen, als er geen vuur uit zijn ogen spuit of vitriool uit zijn mond komt, soms wel wat weg heeft van Mr. Bean – hoort het glimlachend aan. Het komt niet in hem op om in te grijpen. Het is een ontluisterende scène. Waarin de AfD’er even zijn ware aard – en die van (een belangrijk deel van) zijn achterban – lijkt te onthullen. Dat is tevens de kracht van deze klassieke fly on the wall-film, waarin de ‘ausdauer’ van de maker ervoor zorgt dat zijn hoofdpersonen zich uiteindelijk niet meer (voortdurend) bewust zijn van de camera en dan hun authentieke zelf prijsgeven.
Wat zou je schrijven aan een man die het regime trotseerde waaronder je nu zelf gebukt gaat? Voor deze korte film nodigden Petr Lom en Corinne van Egeraat intimi van een Birmese kunstenaar en activist uit om hem een brief te schrijven. Ze doen dat uiteindelijk anoniem in Letter To San Zaw Htway (25 min.). Sinds de nieuwste militaire coup, van begin 2021, staat de vrijheid van meningsuiting wederom ernstig onder druk in hun land Myanmar.
San Zaw Htway ervoer aan den lijve hoe ’t eraan toe kan gaan als militairen de macht overnemen. In 1996 werd hij tot 36 jaar gevangenisstraf veroordeeld. Hij kwam pas twaalf jaar later vrij. ‘Meditatie en kunst zorgden ervoor dat je niet gek werd in de gevangenis’, schrijft een vrouw hem nu. ‘Jij weigerde om je te laten vergiftigen door haat.’ Intussen tonen de documentairemakers hoe hun hoofdpersoon, ontspannen en dus ongebroken, met vrienden een geïmproviseerde bal hooghoudt.
Zo zoeken Lom en Van Egeraat steeds de verbinding tussen de woorden van hun gezichtsloze brievenschrijvers en beelden van hun protagonist – werkend aan zijn kunst, rondreizend of al lopende mediterend – of de actuele situatie in hun gezamenlijke land. Soms komen die ook mooi samen: nadat hun hoofdpersoon zich tijdens een parade bijvoorbeeld uitgelaten heeft laten natspuiten door het publiek, volgt direct een shot van de politie die de brandslang richt op een menigte demonstranten.
Het verzet tegen de machtsovername is ook ditmaal weer strijdbaar en hoopvol begonnen. ‘Stop met het werken voor de dictators’, roept een demonstrant richting de oproerpolitie. ‘Wij betalen jullie salarissen wel.’ Mensen vegen intussen demonstratief hun voeten af op de beeltenis van de militaire leider. En overal zijn protestborden; van ‘Fuck the military coup’ tot ‘I don’t need boyfriend, I just need democracy’. Met harde hand trekken de machthebbers het initiatief daarna toch weer naar zich toe.
Wat kunnen de erfgenamen van San Zaw Htway leren van hoe hij zich na jaren van gevangenschap vernieuwde en toch zijn originaliteit en levenslust behield? ‘Je hield ons altijd voor om nooit met woede te reageren’, schrijft een vertwijfelde jonge man. ‘Hoe kunnen we dat nu doen?’ Terwijl hun democratische rechten worden vertrapt, vinden burgers zoals hij misschien geen concreet antwoord in het leven en werk van San Zaw Htway. Getuige deze kleine film over een groot thema kunnen ze er zeker inspiratie aan ontlenen.
Nu de politieke situatie in Myanmar opnieuw onrustig is, nodigden documentairemakers Petr Lom en Corinne van Egeraat de naasten van kunstenaar en activist San Zaw Htway uit om hem een brief te schrijven. Kijk de docu 'Letters to San Zaw Htway' nu online: https://t.co/AIkzdMQlSUpic.twitter.com/47dYXpITAr
‘Marco is heel slim als het op geld verdienen aankomt.’
‘Hij is de slang uit Jungle Boek.’
‘Als hij ergens opduikt, overleeft niets.’
Nee, als ze het hebben over Mardoché ‘Marco’ Mouly, een van oorsprong Tunesische kleine krabbelaar uit de Parijse wijk Belville met nét iets te veel bravoure en een héle gladde babbel, drukken zijn ‘vrienden’ zich bepaald niet mild uit. Van Guillaume Nicloux, de maker van Les Rois De L’Arnaque (Engelse titel: Lords Of Scam, 105 min.), hebben zij zelf overigens stuk voor stuk, als waren ze heuse tweederangsgangsters, een kekke bijnaam hebben gekregen: ‘De Oude Man’, ‘Dodo’ of De Playboy’.
‘Ik ben de mooiste leugenaar’, zingt Mouly in een theatraal lied dat hij op verzoek over zichzelf schreef en dat door anderen op muziek is gezet en uitgebracht. ‘Noem me dief of boef. Maar als ik je zie en ik mag je, stel ik je nooit teleur.’ Hij staat inmiddels luidkeels te galmen in een verder lege discotheek. Een hilarisch tafereel. Ook omdat hij er net zo enthousiast bij begint te dansen. ‘Ze wilden me afmaken’, zingt hij met een overdaad aan pathos recht in de camera. ‘Maar God liet me niet in de steek.’ En dan moet het Marco Mouly-ly-ly-ly refrein nog komen…
In zijn turbulente bestaan is deze onvervalste blaaskaak gaandeweg betrokken geraakt bij grootschalige fraude met BTW-heffingen op de – opgelet! – vervuilingsrechtenmarkt. Ettelijke honderden miljoenen euro’s werden weggesluisd. En als er zoveel geld in het spel is, willen de verhoudingen nog wel eens ernstig verzuren. Welnu, dat deden ze! En daarmee krijgt deze schelmendocu – denk: The Legend Of Cocaine Island, Heist of Cocaine Cowboys: The Kings Of Miami – gaandeweg een steeds grimmiger karakter. De lol is er dan wel even af.
Hoe ernstig de zaak ook uit de hand loopt – en dat doet ie – de aartszwendelaar Mouly blijft onverminderd praatjes en theater maken in dit smeuïge true crime-verhaal, dat zo uit de koker van Quentin Tarantino of Guy Ritch had kunnen komen en dat door Nicloux met veel zwier, vaart en humor wordt opgediend. Zonder dat het verder overigens komt tot een serieuze poging om de psychologie van de man te doorgronden of zijn wereld te begrijpen.
Dit komt niet in het minst door de hoofdpersoon zelf, die om het theater compleet te maken ook nog wel even aan de leugendetector wil worden gehangen.
Niets zo erg voor een ambachtsman als wanneer zijn instrumentarium hem in de steek dreigt te laten. Een fotograaf heeft behalve een werkend toestel bijvoorbeeld ook twee goed functionerende ogen nodig. Het ene om scherp te stellen, het andere om de situatie in zich op te nemen. Zoals kunstenaar Paul Klee het verwoordt in de opening van dit portret van fotograaf Koos Breukel: ‘Het ene oog ziet, het andere voelt.’
In 1992 raakte Breukel, op weg naar een fotoshoot met zakenvrouw Sylvia Tóth, betrokken bij een ernstig auto-ongeluk. Sindsdien heeft hij in zijn rechteroog ‘mouches volantes’, stippen in zijn gezichtsveld. Er moest een staaroperatie aan te pas komen om hem weer scherp te kunnen laten zien, vertelt de fotograaf in Het Oog Dat Voelt: De Portretten Van Koos Breukel (52 min.).
Zijn werk zou er persoonlijker door worden. Hij portretteerde bijvoorbeeld slachtoffers van de vliegramp bij Faro, die kort na zijn eigen ongeluk plaatsvond. De Amerikaanse performer Michael Matthews die overleed aan AIDS. En zijn eigen zoon Casper, aan wie inmiddels een complete expositie is gewijd. Via zijn fotografie, anekdotes daarover en scènes van de vakman in actie probeert regisseur Lex Reitsma vat te krijgen op Breukel.
Het Oog Dat Voelt concentreert zich volledig op het werk van de portretfotograaf. Over hoe hij een stoel gebruikt om de essentie van de mensen voor zijn lens te vangen, zijn grote inspiratiebronnen, de zielsverwantschap met z’n Belgische collega Stephan Vanfleteren en ‘s mans enige concept: dat alles eigenlijk per ongeluk gebeurt.
In deze verstilde en fraai ogende film gebeurt verder verrassend weinig. Via zijn protagonist kijkt Reitsma zorgvuldig, zonder dat dit verder heel enerverend wordt, naar de wereld en laat zien wat Koos Breukels ogen zien en voelen.
Hoewel er zeker eerder schietpartijen zijn geweest op Amerikaanse scholen – in 1966 bij de Universiteit van Texas bijvoorbeeld, opnieuw opgeroepen in de bloedstollende, deels geanimeerde documentaire Tower – geldt het bloedbad dat Eric Harris en Dylan Klebold in 1999 aanrichtten in de Columbine High School als de officieuze start van een eindeloze stroom ‘school shootings’ in de Verenigde Staten.
Behalve Columbine zijn ook plaatsnamen zoals Red Lake, Newtown en Parkland daarbij ernstig besmet geraakt. In Generation Columbine (89 min.) laat Matt McDonough overlevenden, nabestaanden en direct betrokkenen van deze school shootings aan het woord. Waarbij het meteen de vraag is of de leerlingen van de Marjory Stoneman Douglas High School in Parkland, die in 2018 het doelwit werden van een ontspoorde schutter en daarna nadrukkelijk het politieke debat probeerden te beïnvloeden, de ommekeer kunnen bewerkstelligen die zelfs na de twintig vermoorde basisschoolkinderen van ‘Sandy Hook’ in 2012 uitbleef?
Aan al die afzonderlijke ‘school shootings’ zijn zo ongeveer documentaires gewijd. Michael Moores Bowling For Columbine, natuurlijk. Het zielstriemende Newtown. Of Us Kids, over de Parkland-jongeren die hun gezamenlijke trauma omzetten in actie, met de succesvolle March Of Our Lives als voorlopig hoogtepunt. Verder belicht een film als Raising A School Shooter het vuurwapengeweld vanuit het perspectief van de ouders van daders en schetst Bulletproof op kille wijze de bizarre industrie die is ontstaan rond school shootings.
Wat heeft het traditioneel opgezette Generation Columbine daar nog aan toe te voegen? Wellicht oog voor de effecten op lange termijn voor mensen die waren betrokken bij een schietpartij, zoals bijvoorbeeld verslavingsproblematiek en zelfdoding. Verder schenkt de documentaire ook aandacht aan initiatieven om het leven van overlevenden draaglijk te maken en het wapenbezit in de Verenigde Staten, ondanks de bezwaren van The National Rifle Association, eindelijk – nu echt! – aan banden te leggen.
Intussen zijn de school shooters voorlopig nog niet te stoppen: gemiddeld eenmaal per twaalf dagen loopt er iemand gewapend een nietsvermoedende school binnen. De gevolgen daarvan worden treffend zichtbaar gemaakt in de lange en tragische slotsequentie van deze degelijke film.
De plaatselijke volwassenen zijn inmiddels immuun voor de ziekte. Daarom verwelkomt Benin gedurende anderhalf jaar, van de zomer van 2017 tot begin 2019, 700 Finse toeristen voor een heel bijzondere vakantie. Zij komen naar het West-Afrikaanse land om te helpen bij de ontwikkeling van een speciaal diarreevaccin.
De Finse arts Anu Kantele, de leider van het vaccinonderzoek Mama Jaakko, hoopt een vaccin te ontwikkelen dat miljoenen zieke kinderen in ontwikkelingslanden, waaronder 500.000 dodelijke slachtoffers, kan voorkomen. Het uitgangspunt van dit onderzoek is opmerkelijk: de Finse volwassenen stellen zich, onder medische begeleiding, beschikbaar als proefkonijn. Kantele realiseert zich dat ze daarmee een grote verantwoordelijkheid op zich neemt. ‘Maar als ik bang ben om fouten te maken, kan ik nooit iemand helpen’, zegt ze in People We Come Across (52 min.).
Terwijl de Europeanen zo hun bijdrage leveren om ‘een stille pandemie’ te voorkomen, ontdekken ze automatisch de schrijnende armoede in de gemeente Grand-Popo en besluiten ze om de plaatselijke bevolking te gaan helpen. Ze beginnen zwemles te geven, doen een fiets cadeau of leggen uit hoe je maandverband gebruikt. Initiatieven die niet per definitie succes hebben. Het komt zelfs tot een huwelijk. Tussen Heli, een laboratoriummedewerker die tijdens het onderzoek in Benin is gaan wonen, en de plaatselijke visser Gogo Agbodjakin, die eigenlijk ‘veel te jong en te knap voor me’ is.
Als het vaccinonderzoek naar zijn einde loopt zorgt dat in deze interessante documentaire van Mia Halme zowel bij de lokale bevolking als bij hun Finse gasten voor emoties. Hebben ze gezamenlijk een stap kunnen zetten in het bedwingen van een ernstige tropische ziekte? En hoe vervolgen ze hun leven nu los van elkaar, in werelden die in alle opzichten duizenden kilometers van elkaar zijn verwijderd?
Het is een brisante kwestie: na de Tweede Wereldoorlog smokkelden de Verenigde Staten stiekem vooraanstaande Duitse wetenschappers het land uit. De bekendste van hen, Wernher von Braun, zou de centrale figuur van het Amerikaanse ruimtevaartprogramma worden. Als voormalige nazi, verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de V2-raket en andere wapens die werden ingezet tegen de geallieerden, kon hij zich ontwikkelen tot vertegenwoordiger van het vrije westen in één van de meest zichtbare frontlinies van de Koude Oorlog.
In de korte film Camp Confidential: America’s Secret Nazi’s (36 min.), een hybride van documentaire en animatie, komen voormalige medewerkers van een geheim legerkamp, dat simpelweg PO Box 1142 werd genoemd, aan het woord. Zij waren destijds verantwoordelijk voor de opvang van deze (voormalige) nationaalsocialisten. Dat bracht hen regelmatig in gewetensnood. Het leeuwendeel van de kampmedewerkers was Joods en uit Europa gevlucht om Hitler en zijn trawanten te ontvluchten. Nu werden ze geacht om enkele kopstukken van dat kwaadaardige regime met alle egards te ontvangen en wegwijs te maken in hun nieuwe vaderland.
In 2006 interviewde The National Park Service enkele van deze Joodse veteranen. De audio-opnamen daarvan vormen de onderlegger voor deze film van Daniel Sivan en Mor Loushy, die is aangekleed met een combinatie van authentieke archiefbeelden en geanimeerde scènes (die soms nét iets te Disney worden). Verder konden ze spreken met twee nog levende oud-medewerkers van 1142. Die kijken verbitterd terug op hun werk in het geheime kamp, dat in 1946 werd gesloten. ‘Von Braun wist dat Auschwitz bestond’, zegt één van hen, Arno Mayer, met afgrijzen. Achter zijn rug noemden de Duitse gasten hem als medewerker soms rustig ‘de kleine Jodenjongen’.
Zulke uitingen, en de daaraan verbonden denkbeelden, zouden hen echter niet verhinderen om gewoon op te gaan in de Amerikaanse samenleving en er soms zelfs, zoals Von Braun, publiekelijk carrière te maken. Ook omdat, zo maakt deze aardige terugblik tevens duidelijk, hun begeleiders in Camp Confidential te verstaan hadden gekregen dat ze dit geheim toch echt mee hun graf in moesten nemen.
Een carrière van bijna zestig jaar eindigde op 16 november 2019 in Rotterdam Ahoy. Met Radar Love als slotakkoord, natuurlijk. Alleen wist niemand dat dit het allerlaatste optreden van Golden Earring was geweest. Ook de Haagse band zelf niet. Bijna vijftien maanden later moest de succesvolste Nederlandse rockgroep noodgedwongen de handdoek in de ring gooien. Gitarist George Kooymans bleek de ongeneeslijke spierziekte ALS te hebben. En zonder hem kon en mocht er geen Earring meer zijn.
Dat tragische vaarwel komt natuurlijk wel aan de orde in That Day: Afscheid Van Golden Earring (108 min.), maar is uiteindelijk niet meer dan een aanleiding om chronologisch de imposante carrière van de band te doorlopen. Het tweeluik van regisseur Marcel de Vré heeft daarbij een uitgesproken handicap: de bandleden zelf schitteren door afwezigheid. Hun perspectief op de ontwikkeling van de groep en het gedwongen einde daarvan ontbreekt dus.
De Vré moet het doen met archiefmateriaal van de Earring en beelden van dat laatste concert in Ahoy. Voor de bijbehorende verhalen zoekt hij zijn toevlucht tot oud-bandleden zoals Frans Krassenburg, Fred van der Hilst en Jaap Eggermont, vaste gastmuzikanten Bertus Borgers en Robert Jan Stips, platenbaas Willem van Kooten en allerlei bekende en minder bekende medewerkers van de band. Hun bijdragen zijn veelal anekdotisch en bevatten natuurlijk ook de verplichte gemeenplaatsen over het belang van de band.
Er is tenslotte, zo wordt telkenmale benadrukt, maar één Golden Earring. Zo’n essentiële band verdient dan eerlijk gezegd wel een grondiger portret, waarin ook de interne machinerie en beleving volledig tot hun recht komen. Tot die tijd is er deze echte (ouwe) jongensfilm – waarin letterlijk niet één vrouw aan het woord komt – die als doekje voor het bloeden kan dienen voor de rouwende liefhebber die na maar liefst zestig jaar (!) afscheid heeft moeten nemen van ‘zijn‘ band.
Het turbulente leven van Golden Earring wordt in That Day gereconstrueerd aan de hand van de persoonlijke getuigenissen van direct betrokkenen uit heden en verleden. Zie hier een deleted scene met drummer Sieb Warner (1969-1970). Kijk 8 en 9 november, om 20:25 op @NPO2. pic.twitter.com/GBORNenrq5
‘Dit is het decor van mijn film’, vertelt Ed van der Elsken (1925-1990) terwijl hij met zijn Austin Mini Moke-buggy door de Amsterdamse binnenstad rijdt. ‘Mijn jachtterrein.‘ Voor Een Fotograaf Filmt Amsterdam (57 min.) sjeest hij, ook lopend en met het vliegtuig, in de zomer van 1982 over zijn geboortegrond. Via mensen op straat probeert hij de tijdgeest te pakken te krijgen: punkers, nette heren, Hells Angels, gewone werkemannen, flanerende dames, straatmuzikanten, backpackers, kunstenaars aan het werk, levende standbeelden, skaters, verliefde stelletjes en heel veel leuke jonge vrouwen.
Sommige passanten kijken trots in de camera, pronkend met wie ze zijn en hoe ze zich hebben uitgedost. Een enkeling zwaait naar de camera. En anderen lopen dan weer met afgewend hoofd door, onverstoorbaar op weg naar hun bestemming. Niet gehinderd door die onbeschaamd door de lens turende man. ‘Jeetje’, roept die als hij een donkere vrouw spot. ‘Wat is er mooier, haar hoofd of haar lichaam?’ De filmmaker mengt zich wel vaker in wat hij vastlegt. Als er twee vrouwen hand in hand passeren, roept hij provocerend: ‘Welja, hand in hand. Die durven hoor!’ En tegen twee meisjes die hij bij een tramhalte filmt zegt ie: ‘Ja, is voor een televisiefilm.’ ‘Ja, tuurlijk’, reageren zij sceptisch. ‘Een verborgen camera, hè?’
Zo nu en dan loopt Ed van der Elsken ook bekenden tegen het lijf. Zijn ex bijvoorbeeld, die hij meteen even bijpraat over zijn dochter. En helden van een vergeten tijd, zoals Ischa Meijer en Leen Jongewaard. Een tijd waartoe hij zelf ook is gaan behoren. Als man achter de camera, in een stad die sindsdien helemaal is veranderd en toch uit duizenden herkenbaar blijft. Zo leeft hij voort, in zijn werk dat nog nauwelijks aan kracht lijkt te hebben ingeboet. ‘Iemand zei toen hij deze opname zag: net Superman, die door Amsterdam vliegt’, vertelt hij ongegeneerd bij een rijder door de Leidsestraat. ‘En zo is het ook.’
‘We kunnen niet zomaar weer de straat opgaan om doodgeschoten te worden’, zegt de anonieme verteller ‘Joshua’ van Burma VJ: Reporting From A Closed Country (85 min.), een documentaire van regisseur Anders Østergaard uit 2008. ‘Want we hebben geen mensen meer om te sterven.’ Hij vraagt zich ook af of zijn landgenoten, die sneuvelden bij de opstand tegen het militaire regime in 1988, tevergeefs zijn gestorven. Want wat heeft hun opoffering eigenlijk opgeleverd?
Joshua heeft een nieuw wapen gevonden: zijn (verborgen) camera. Zo kunnen hij en zijn collega’s van het illegale televisiestation Democratic Voice Of Burma van binnenuit laten zien hoe de militaire dictatuur werkt. Het is wel zaak om vooraf goed te bekijken waar en wanneer ze gaan filmen, vooral niet te lang en opzichtig door te gaan en het verzamelde materiaal daarna zo snel mogelijk clandestien naar het buitenland te transporteren.
De beelden worden via via naar Noorwegen gesmokkeld, van waaruit ze in de hele wereld kunnen worden uitgezonden. Zo tonen de burgerjournalisten de volledig geïsoleerde Aziatische natie Birma, ook wel Myanmar genoemd, een land dat leeft in angst. Elke kleine poging tot verzet wordt direct in de kiem gesmoord. En als je om je heen kijkt, op straat of in de trein, weet je nooit: wie is lid van de geheime politie of informant voor de machthebbers?
In het najaar van 2007 ontstaat er dan toch massaal verzet tegen het dictatoriale bewind, als ook Boeddhistische monniken zich ermee beginnen te bemoeien. Als zij met geweld worden opgewacht door handlangers van de macht, krijgt het protest zowaar momentum. Tienduizenden gewone burgers gaan de straat op en eisen bijvoorbeeld de vrijlating van de befaamde dissidente Aung San Suu Kyi. En Democratic Voice Of Burma staat vooraan om een wereldwijd publiek te bedienen.
Hoop maakt zich meester van de demonstranten in de straten van Rangoon: kan de volksheldin het land misschien naar democratie leiden? De machthebbers proberen de revolte echter met bruut geweld de kop in te drukken. Burma VJ brengt de (wan)hoop van die hete herfst van dichtbij in beeld en maakt tevens invoelbaar hoe de moedige filmers van Democratic Voice Of Burma daardoor steeds verder in de verdrukking komen. Totdat ze hun werk eigenlijk niet meer kunnen doen en de droom van een vrije staat opnieuw dreigt te vervliegen.
De geschiedenis heeft zich sindsdien alleen maar herhaald, getuige bijvoorbeeld de korte docu’s Sad Film en Letter To San Zaw Htway, beide uit 2021.
De held van hun Oscar-winnende vorige film Free Solo spot opzichtig met de dood: zonder enige vorm van zekering en met gevaar voor eigen leven beklimt Alex Honnold gevaarlijke bergwanden. Ook de protagonisten van de nieuwe documentaire van het echtpaar Elizabeth Chai Vasarhelyi en Jimmy Chin zoeken het gevaar op. John Volanthen en Rick Stanton, de twee Britse duikers die zich bij een immense grot in Thailand melden, doen dat echter niet (alleen) om zichzelf te bewijzen. Ze zijn er in eerste en laatste instantie voor The Rescue (107 min.).
Ergens in de kilometerslange Tham Luang-grot, die door moessonregens plotseling onder water is gelopen, bevindt zich namelijk een compleet jeugdvoetbalteam. De twaalf jongens en hun coach zitten als ratten in de val, verrast door het snel stijgende water. Rick en John zullen eerst de groep moeten traceren. Als dat lukt, ligt er nog andere grote uitdagingen. De jongens zijn verzwakt doordat ze al een hele tijd niet normaal hebben gegeten, in de grot dreigt een zuurstoftekort en het water blijft maar stijgen. Hoe krijgen ze de groep in godsnaam heelhuids naar buiten?
De zaak van het Thaise voetbalelftal dat ruim twee weken lang vastzat in een grot was natuurlijk wereldnieuws in 2018. De afloop van de onwaarschijnlijke reddingsoperatie die Rick, John en talloze andere betrokkenen uit binnen- en buitenland in gang zetten mag dus bekend worden verondersteld. Toch doet dat nauwelijks iets af aan de kijkervaring van The Rescue. Chai Vasarhelyi en Chin hebben vrijwel alle betrokken reddingswerkers gesproken en weten met hen echt tot het hart van hun levensgevaarlijke klus door te dringen – en de volstrekt onconventionele keuzes die daarbij zijn gemaakt.
Het beeldmateriaal dat de mannen zelf in de grot hebben gemaakt, door de filmmakers naadloos verbonden met nieuwe reconstructiebeelden, is bovendien onbetaalbaar. De hachelijke situatie van de voetballertjes en het eigenlijk onmogelijke karakter van de reddingsoperatie, in een ronduit claustrofobische omgeving, worden er echt tastbaar van. Paniek in de grot, zeggen de duikers niet voor niets, betekent onvermijdelijk de dood. Vanaf de allereerste seconde is dus duidelijk wat er op het spel staat en dat het ook hen als professionals – en helden van deze vertelling – de kop kan kosten.
Het resultaat is een verduiveld knappe film, die erin slaagt om van een wedstrijd waarvan de uitslag allang vaststaat tóch een enerverende en aangrijpende samenvatting te maken. Een overrompelend verhaal over moed en medemenselijkheid.
Handelde de jongen in een opwelling, was er sprake van een vooropgezet plan óf raakte hij – zoals hij zelf beweert – bevangen door de één of andere entiteit, ‘een groen wezen’? Op een willekeurige avond in 1986 in Jeruzalem doodde de veertienjarige zoon des huizes zijn ouders en twee zussen. Hij gebruikte daarvoor de M16, die zijn vader als reservist in het Israëlische leger tot zijn beschikking had gekregen. Een motief leek de tiener verder niet te hebben. ‘Ik deed het, maar ik was het niet’, zei hij volgens forensisch rechercheur Haim Siani, die een tijd wakker lag van de zaak.
De beleefde en intelligente jongen, wiens identiteit al die jaren zorgvuldig geheim is gehouden, wordt al sinds het begin bijgestaan door dezelfde advocaat. ‘U bent als een soort vader voor hem’, houden de filmmakers Tali Shemesh en Asaf Sudry, die eerder de bekroonde documentaire Death In The Terminal hebben gemaakt, hem voor. ‘Niet zijn vader’, antwoordt Yossi Arnon grinnikend, met een enigszins misplaatst gevoel voor humor. ‘Dan zou ik dood zijn, maar onze relatie is zoals je zou verwachten.’ De advocaat herpakt zich. ‘Wat kan ik doen?’ zegt hij verontschuldigend. ‘Het is de waarheid.’
In de vierdelige serie The Motive (171 min.) wordt de bizarre meervoudige moord tot leven gebracht met familievideo’s, nieuwsreportages en nooit eerder vertoonde beelden van een politiereconstructie met de jongen zelf en tegen het licht gehouden met direct betrokkenen. De centrale vraag daarbij is nu eens niet whodunnit?, maar whydunnit? Waarom? Wat heeft de jongen bewogen om zijn eigen familie uit te moorden? Eigenlijk tasten alle betrokkenen – zijn leerkracht, een klasgenoot, de rechercheurs, een begeleider in de jeugdgevangenis, de aanklager, z’n psychiater en een journaliste die de jongen interviewde – daarover in het duister.
Alleen Arnon zegt te weten wat de beweegredenen van de dader kunnen zijn geweest en waarom hij nooit last van wroeging lijkt te hebben gekregen. Hoezeer Shemesh en Sudry ook doorvragen, de sluwe advocaat wil het achterste van zijn tong echter niet laten zien. Zo ontwikkelt The Motive zich tot een interessant psychologisch steekspel. Waarbij het antwoord op die ene alles verterende vraag steeds meer in zicht komt: is de dader van dit familiedrama, die inmiddels allang weer op vrije voeten is, een psychopaat, volslagen geschift of toch een slachtoffer dat wraak heeft genomen?
Hij heeft een keer 49 uur lang gespeeld op één enkele munt. Normale mensen kunnen daarmee 3 a 4 minuten vooruit. Maar Kim Købke – herstel: Kim Cannon Arm – is geen normaal mens. Oké, hij mag dan inmiddels vier kinderen en één kleinkind hebben, nog steeds fan zijn van Iron Maiden en er een normale baan als laborant op nahouden, maar als Kim (leeftijd: onbekend) bij een speelautomaat plaatsneemt om de eighties-game Gyruss te gaan spelen komen er bovenmenselijke krachten in hem vrij. En enorme ambities, dat ook. Nu heeft hij zich bijvoorbeeld in zijn (langharige) kop gehaald dat hij honderd uur aan één stuk wil gaan spelen. Ga er maar aan staan!
En dat is precies wat Cannon Arm gaat doen voor een film met best wel een toepasselijke titel: Cannon Arm And The Arcade Quest (97 min.). Hij heeft overigens al drie keer geprobeerd om het Gyruss-record te breken. Tevergeefs dus. Gelukkig staan zijn vrienden van The Bip Bip Bar in Kopenhagen, een bonte verzameling gamenerds, hem terzijde. Behalve Thomas dan. Die heeft een tijdje geleden een einde aan zijn leven gemaakt. Op zijn grafsteen prijkt Pac-Man. Gelukkig voor Kim is Mads (Hedegaard) wél altijd in de buurt. En die heeft meteen deze héérlijke docu gemaakt. Waarvoor hij ook hoogstpersoonlijk de dolkomische voice-over heeft ingesproken. Alsof de film zelf al niet leuk genoeg was.
Dat is overigens net zo goed een portret van de goedmoedige Kanonarm – Kim dus – als van zijn vriendenkring geworden. Neem Carsten: hij analyseert het werk van Bach vanuit een geheel eigen optiek en speelt verder obsessief Donkey Kong. Totdat hij een zogenaamd ‘kill screen’ heeft bereikt. Of Dyst. Publiceerde al diverse dichtbundels, speelt met wisselend succes Puzzle Bobble en zou als hij een superheld was volgens eigen zeggen beslist Captain Obvious zijn. Hij is alleen geen superheld. En Svavar, die wel degelijk Europees kampioen Tetris is en bovendien helemaal in zijn element als hij mag bellen met de Amerikaanse Donkey Kong-legende Billy Mitchell (die zelf overigens de hoofdrol mocht spelen in de héérlijke documentaire The King Of Kong). Samen bereiden ze zich voor op Kims recordpoging.
Mads huppelt met veel humor langs de verschillende verhaallijntjes, maakt zo nu en dan een tijdsprongetje (hup!) en plamuurt de belevenissen van deze (buiten)gewone jongetjes in een volwassen lichaam tenslotte dicht met dikke klassieke muziek en eightiesklappers; van synthpop tot heavy metal (Iron Maiden, natuurlijk). Gaandeweg snijdt hij bovendien terloops, bijna zonder dat je het in de gaten hebt (bijna dan), ook enkele onderliggende thema’s aan. De voorliefde van de vrienden voor games, muziek en de grote vragen des levens en vooral de soms bijna mathematische manier waarop ze de wereld lijken te beschouwen verraden waar de film uiteindelijk ook naartoe wil. Behalve naar een nieuw wereldrecord Gyruss, bedoel ik. Zonder het expliciet uit te spreken, overigens. En daarbij speelt Kim natuurlijk een sleutelrol. Als dit doldwaze verhaal een superheld heeft, dan zou het Kim Købke zijn, gewoon een aardige vent. Herstel: Kim ‘Kanonarm’ Købke.
En op weg naar GAME OVER, bij voorkeur honderd uur lang, is het publiek zonder enige twijfel de grote winnaar. Zóveel spelvreugde (zeg maar gerust: joie de vivre. ‘Joie de vivre!’), zóveel denkvermogen en zóveel virtuositeit. En – bijna vergeten! – uithoudingsvermogen. Een beetje zoals bij dit stukje over Cannon Arm And The Arcade Quest nodig is (maar dat haal ik me vast maar in mijn weinig mathematisch aangelegde hoofd, ook wel ‘warhoofd’ genoemd). Zal ik de film tot slot nog een héérlijke ode aan mannenvriendschap noemen? Of nóg een keer de term ‘joie de vivre’ droppen?
In zijn aaibare jonge jaren was het luipaard te gast in zowel The Fran Drescher Show als de late night talkshow van Jimmy Kimmel, waar het roofdier nog even in de armen van niemand minder dan Paris Hilton mocht vertoeven. ‘Dit dier is wat ze een onderwijsdier noemen’, vertelde dierentrainer David Salmoni, vaste gast in allerlei televisieprogramma’s met uiteenlopende wilde dieren, er destijds bij. ‘Dus hij gaat straks het land rond om mensen te leren over natuurbehoud en dierenbeheer.’ In werkelijkheid leeft het luipaard nu alweer jaren onder erbarmelijke omstandigheden in een veel te benauwd hok op de Critter Country Animal Farm in Smithton, Pennsylvania.
Het luipaard is bepaald geen uitzondering, volgens Tim Harrison, een voormalige politieagent en wilde dierentrainer uit Ohio. Hij maakt zich boos over hoe er door vakbroeders als Jack Hanna, Jarod Miller en Grant Kemmerer wordt omgesprongen met deze zogenaamde ‘ambassador animals’. Eerst worden ze meegetroond naar televisieprogramma’s, sportwedstrijden en zelfs verjaardagsfeestjes. Zodra de dieren hun schattige fase zijn ontgroeid, worden ze echter rücksichtslos gedumpt. Niet in een nette dierentuin of een speciale opvang, maar op smoezelige achterafboerderijen. Óf ze worden stiekem verhandeld op één van de vele illegale markten, waar zowat elk wild dier te koop is: leeuwen, krokodillen en gifslangen. En die kunnen zomaar in een normale woonwijk belanden.
Waar de levensgevaarlijke dieren uiteindelijk terechtkomen, wordt in elk geval nergens fatsoenlijk geregistreerd, constateert Harrison verontwaardigd. Een gemiddelde poes is aan strengere regels gebonden dan een tijger. De dierenactivist gaat daarom in The Conservation Game (110 min.) op onderzoek uit, gevolgd door een (verborgen) camera. Het wordt een ontluisterende queeste in de schimmige wereld die tevens het decor vormde voor de publiekshit Tiger King: Murder, Mayhem And Madness (waarvan binnenkort overigens een tweede seizoen wordt uitgebracht). Sterker: Carole Baskin van de organisatie Big Cat Rescue, de grote Nemesis van de karikaturale tijgerkoning Joe Exotic, speelt met haar echtgenoot Howard zelfs een bescheiden rol in deze enerverende documentaire van Michael Webber.
De toonzetting is echter aanmerkelijk serieuzer. Geen kolderieke true crime-verwikkelingen in een white trash-setting, maar oprechte woede over en serieus onderzoek naar de dieronwaardige omstandigheden in de wereld van de grote katten. De film belandt zo in het vaarwater van andere documentairepamfletten zoals The Cove, Blackfish en The Walrus And The Whistleblower en werkt uiteindelijk toe naar de verplichte undercoveractie en een politieke vertaling van Harrisons stellingname: de Big Cat Public Safety Act.
Nadat ze zich eerst vol zelfspot heeft opgetut, even lekker met een plastic speelgoedhandje heeft zitten geinen en vervolgens behoedzaam op haar hoge hakken – en met een opvallende wandelstok – de trap is afgelopen, begint Selma Blair in een gemakkelijke rode fauteuil te vertellen over haar leven.
‘We hebben nog lang genoeg om dood te zijn’, zegt ze. ‘En ik ben zo lang bezig geweest met mezelf te doden, verdoven of dissociëren. Met uitzoeken hoe het leven werkt door halfdood te zijn. Nu wil ik anderen gewoon helpen om zich beter te voelen.’ En dan, als ze wil doorgaan met haar relaas, begint haar stem te trillen, verkrampen haar handen en komen er nauwelijks nog verstaanbare woorden uit haar mond.
Het is een indringende openingsscène: hier manifesteert zich de aandoening die Blair sinds enkele jaren definieert. In augustus 2018 kreeg ze na aanhoudende klachten de diagnose Multiple Sclerosis. De Amerikaanse actrice was op dat moment 46 jaar oud. Het leven zoals ze dat tot dan toe had gekend en dat haar had gebracht in Hollywood-hits als Cruel Intentions, Hellboy en Legally Blonde was voorbij.
Voor haar lag nu een onbestemde toekomst. Enkele maanden na de onheilstijding trad ze ermee naar buiten. ‘Ik ben gehandicapt’, schreef Selma Blair op Instagram. ‘Ik val soms. Ik laat dingen vallen. Mijn geheugen is wazig. Mijn linkerkant vraagt om richtingaanwijzingen van een kapot navigatiesysteem. Maar ik hoop dat ik wat hoop aan anderen kan geven. En zelfs aan mezelf.’
In de zomer van 2019 begint Blair aan het proces dat de basis vormt voor Introducing, Selma Blair (98 min.). Regisseur Rachel Fleit volgt haar terwijl ze zich onderwerpt aan een stamcelbehandeling. Die heeft tot doel om haar echt te genezen van de ziekte, die met medicijnen alleen kan worden vertraagd. Eerst krijgt de Amerikaanse bekendheid chemotherapie, daarna wordt bekeken of ze in aanmerking komt voor transplantatie.
Het hele proces, waarin de hoofdpersoon zich erg kwetsbaar toont, wordt vastgelegd, onder andere met een videodagboek. Tussen de behandelingen door blikt ze terug op een leven, dat haar nog weinig echt geluk lijkt te hebben gebracht. Eigenlijk is er maar één reden dat ze per se door wil: zoon Arthur, die vanwege haar behandeling tijdelijk bij zijn vader is ingetrokken.
Introducing, Selma Blair is de intieme weerslag van hoe zijn dappere moeder zich door diepe dalen moet worstelen, in de hoop nog eens bergtoppen te kunnen beklimmen. Of gewoon te overleven, als de vrouw die ze is geworden.
Domenico Lucano staat voor de rechter vanwege het verstrekken van verblijfsvergunningen aan illegalen en het onrechtmatig besteden van overheidsgeld. De Zaak Lucano (13 min.) lijkt echter eerst en vooral een politieke aangelegenheid. Een afrekening met het omstreden beleid dat de burgemeester van het Zuid-Italiaanse dorp Riace in gang had gezet.
Lucano’s redenering was tamelijk eenvoudig geweest: we hebben leegstaande huizen en vluchtelingen zonder woning. Één en één is twee, misschien zelfs wel drie. Immigratie in plaats van emigratie. Hij maakte van Riace een opvangdorp, dat in binnen- en buitenland bekend werd en als decor fungeerde voor een aflevering van Tegenlicht en documentaires zoals But Now Is Perfect en It Will Be Chaos.
De regio leefde meteen op, vertelt hij in deze aardige korte docu van Christine Pawlata, die ook meewerkte aan de Tegenlicht-aflevering. Ook in het nabijgelegen Camini zagen ze kansen om de gemeenschap nieuw leven in te blazen. Net als in Riaci begonnen ze daar gebruik te maken van eigen geldbiljetten, met de beeltenis van Martin Luther King, Che Guevara, Gandhi, Bob Marley of Nelson Mandela erop. Daarmee konden de nieuwkomers afrekenen bij plaatselijke ondernemers.
Het bleken plannen waarmee Lucano lof oogstte – en felle kritiek. ‘Ik heb geleerd dat als je bouwt aan een utopie, aan die droom, dat je dan wel elke dag ietsje verder komt’, vertelt hij aan Pawlata. ‘Maar dat je nooit dat prachtige doel bereikt dat je voor ogen stond.’ De man die jarenlang puur optimisme uitstraalde oogt terneergeslagen. Zijn politieke ideaal heeft hem zo’n beetje zijn halve leven gekost.
En nu zou zijn levenswerk ook nog wel eens tot een veroordeling kunnen leiden.
Een miljard exemplaren van de Monobloc zouden er rondzwerven op de wereld. Iedereen heeft ook wel eens (verplicht) op zo’n karakteristieke witte plastic stoel plaatsgenomen. Geen camping, tuin of festival kan eigenlijk zonder. Ook fijn: na gebruik kan ie netjes worden opgestapeld.
Het ding is dik een halve eeuw geleden in productie genomen door de Noord-Italiaanse broers Camillo, Serafino en Carlo Proserpio. Het kost volgens hen nog geen minuut om een exemplaar te fabriceren. Daarom is ie waarschijnlijk ook spotgoedkoop. De Monobloc werd echter niet door de Proserpio’s ontworpen, maar door hun Franse concullega Henry Massonnet. Hij won er een ‘Oscar des Meubles’ mee, maar slaagde er niet om een patent te verkrijgen voor deze stoel uit één stuk.
Monobloc: On The Trail Of 1.000.000 Plastic Chairs (53 min) had intussen een oersaai verhaal kunnen worden – over een massaproduct waarvan niemand echt houdt – ware het niet dat documentairemaker Hauke Wendler er een lekker losse en luchtige verteltrant op nahoudt. Zo heeft hij met witte stoeltjes bijvoorbeeld het woord Monobloc gevormd op het strand. ‘We moesten 150 plastic stoelen kopen voor de opnames op het Noordzeestrand’, vertelt hij er lekker droog bij. ‘Vermoedelijk zijn we nu de enige documentairemakers ter wereld die 150 plastic stoelen bezitten.’
Toch is Monobloc, opgeleukt met een kekke soundtrack en vermakelijke vox pops, ook geen melige bedoening geworden. De stoel, waarop westerlingen nogal eens spugen vanwege zijn lelijke ontwerp en milieuonvriendelijke basismateriaal, heeft in andere delen van de wereld juist bijgedragen aan maatschappelijke veranderen. In India hielp de Monobloc, beweert de plaatselijke fabrikant tenminste, bijvoorbeeld bij het verbeteren van de leefomstandigheden van de onderklasse. In Oeganda zijn de stoeltjes gebruikt als basismateriaal voor betaalbare rolstoelen. En in Brazilië kunnen mensen in hun inkomen voorzien door Monoblocs in te zamelen en worden ze vervolgens massaal gerecycled.
‘Voor de duidelijkheid: de Monobloc is nog steeds niet mijn favoriete stoel’, concludeert Heike Wendler, na zijn interessante rondgang langs de halve wereld. ‘Maar in onze huidige wereld vertrouwen miljoenen mensen op de Monobloc. Omdat ze geen geld hebben en simpelweg geen andere keus.’
Hoewel hun leider Paul Schäfer al 25 jaar geleden is vertrokken, zijn zo’n 120 leden van Colonia Dignidad altijd op hun plek gebleven. Ruim een halve eeuw nadat de voormalige nazi Schäfer begin jaren zestig de oversteek maakte van Europa naar Chili is de voertaal in de christelijke gemeenschap van Villa Baviera bovendien nog steeds Duits. De stemmen van de bewoners vloeien prachtig samen als ze traditionele liederen aanheffen.
Ooit leefden de mannen en vrouwen volledig van elkaar gescheiden. Op instigatie van de grote leider, die inspiratie had opgedaan bij de Hitlerjugend, groeiden ook de jongens en meisjes apart op. Zodat Paul Schäfer zich, kan er met de wijsheid van nu cynisch aan worden toegevoegd, ongestraft kon vergrijpen aan al die ontluikende jongenslijven. De meisjes en vrouwen, tweederangs burgers, werden vooral geslagen – en zonodig seksueel afgestraft.
Die tragische geschiedenis, inclusief Schäfers hechte band met de Chileense dictator Pinochet en het beulswerk dat zijn onderknuppels in de martelkelder uitvoerden voor diens regime, werd onlangs helemaal uit de doeken gedaan in de Netflix-serie Colonia Dignidad: Una Secta Alemana En Chile. Een naargeestig verhaal over een volledig ontspoorde religieuze groep, van binnenuit opgeroepen met een combinatie van getuigenissen en archiefmateriaal.
Songs Of Repression (89 min.) vertrekt echt vanuit het heden en tekent van daaruit, zonder oude beelden, de gevolgen van het leven in die gemeenschap op. Geduldig portretteren Marianne Hougen-Moraga en Estephan Wagner de leden in hun natuurlijke habitat en spreken met hen over de periode dat Schäfers wil wet was. De jaren waarin de één levenslange trauma’s heeft opgelopen worden door een ander beschouwd als ‘die goeie ouwe tijd’.
De harmonie die ze in hun samenzang zo gemakkelijk vinden is in werkelijkheid ver te zoeken. Daders en slachtoffers moeten samenleven. Net als mensen die Schäfer ‘een monster’ of ‘Hitler-type’ vinden en Pinochet ‘zo’n lieve man’. Terwijl het verleden zich blijft opdringen – ondanks de nadrukkelijke opdracht om te vergeten en vergeven – probeert de gespleten gemeenschap zich tegelijkertijd te vernieuwen als een ideale plek voor toerisme.
Wanneer in Villa Barbiera bijvoorbeeld een traditioneel Oktoberfest wordt gevierd, vindt er buiten de poort een stil protest plaats. Die schizofrenie – van een beladen plek en leefgemeenschap, die de toekomst desondanks zonnig tegemoet probeert te zien – geeft deze even subtiele als krachtige film een bijzonder ongemakkelijke ondertoon.
Over pakweg tien jaar, als al het stof is neergedaald, is waarschijnlijk duidelijk wat de betekenis is geweest van 6 januari 2021: één van de laatste oprispingen van een boze meute, opgehitst door een politicus die zojuist de verkiezingen heeft verloren? Of toch een cruciale stap in de verdere ontmanteling van de Amerikaanse democratie?
De reactie van de meeste Republikeinse kopstukken, die de aanval op het Amerikaanse Capitool inmiddels alweer hebben geframed als een min of meer geaccepteerd onderdeel van hun epische strijd tegen die verderfelijke Democraten, is in dat opzicht echt zorgwekkend. Net als de maatregelen die sindsdien op allerlei cruciale plekken zijn genomen om het stemmen, van met name zwarte Amerikanen, te bemoeilijken en de verkiezingsuitslag desnoods op een later moment nog te kunnen beïnvloeden.
Four Hours At The Capitol (92 min.) gaat terug naar de dag waarop de uitslag van de presidentsverkiezingen van 2020 definitief zou worden vastgesteld, de dag dus waarop Trump-supporters met alle mogelijke middelen de aftocht van hun held probeerden te voorkomen. Het sterke aan deze documentaire van Jamie Roberts is dat zij ook zelf aan het woord komen: vertegenwoordigers van de ultrarechtse Proud Boys, de extremistische website The Gateway Pundit en de steungroep Cowboys For Trump.
Het enge daarbij: behoudens een enkeling die meent dat iemand met een Trump-pet of shirt nog geen supporter van de president hoeft te zijn, blijken ze nog altijd trots op wat ze met intimidatie en bruut geweld teweeg hebben gebracht. Nick Alvear, een activistische filmmaker, klopt zichzelf bijvoorbeeld ongegeneerd op de borst dat hij in de frontlinie heeft gestaan van de strijd tegen pedonetwerken die jaarlijks ‘800.000 kinderen’ verkrachten, martelen en vermoorden. En hij heeft toch ook maar mooi wiet gerookt in het parlementsgebouw!
Behalve aan zulke zelfverklaarde patriotten geeft Roberts tevens het woord aan congres- en Senaatsleden van beide partijen, Capitool-medewerkers, journalisten, politieagenten en hun commandant. Sommigen hebben de dood in de ogen gekeken. ‘Ik was echt niet van plan om te sterven in het Huis van Afgevaardigden’, vertelt het Democratische congreslid Ruben Gallego, een voormalige marinier. ‘Ik had het plan om iemand in zijn oog en keel te steken, zijn wapen af te pakken en vervolgens het gevecht aan te gaan om te overleven.’
Zulke persoonlijke verhalen geven een menselijk gezicht aan de historische gebeurtenissen van 6 januari 2021, die minutieus worden gereconstrueerd met een uitgelezen selectie van nieuwsbeelden en materiaal dat mensen in en om het Capitool zelf hebben geschoten. De taferelen zijn bekend: hoe de QAnon-sjamaan zich de plek van Huis-voorzitter Nancy Pelosi toe-eigent. De koelbloedigheid waarmee politieman Eugene Goodman indringers de verkeerde kant op stuurt en waarschijnlijk het leven van talloze politici redt. En de schermutselingen bij een toegangsdeur, waarbij Trump-aanhanger Ashli Babbitt dodelijk wordt getroffen door een politiekogel.
De huiveringwekkende beelden voelen tegelijkertijd nog altijd onwerkelijk: is dit werkelijk gebeurd in het land dat geldt als de leider van het vrije westen? Daarmee is het ontluisterende Four Hours At The Capitol – net als deze waanzinnige reconstructie van The New York Times – een essentieel stuk voorlopige geschiedschrijving. Waarbij de tijd uiteindelijk zal uitwijzen wat de erfenis wordt van 6 januari en wie het voor te zeggen krijgt in het hedendaagse Amerika: de voorvechters van democratie, binnen beide politieke partijen? Of antidemocratische krachten die zich weinig gelegen laten liggen aan de mening van een ander?