Fashion Reimagined

The Rogovy Foundation

De No Frills Collection moet beslist duurzaam worden. De Britse modeontwerpster Amy Powney, creatief directeur van Mother Of Pearl, is op de Londen Fashion Week van 2017 uitgeroepen tot beste nieuwe jonge designer, maar realiseert zich maar al te goed dat ze werkzaam is in ‘één van de meest destructieve industrieën op aarde’. Ze wil die van binnenuit gaan veranderen met een duurzame kledingcollectie.

Dit heeft nogal wat voeten in de aarde: de herkomst van al het te gebruiken materiaal moet duidelijk zijn, de verwerking mag niet belastend zijn voor het milieu, er wordt bij voorkeur lokaal geproduceerd, de arbeidsomstandigheden van medewerkers dienen in orde te zijn, er mogen geen dieren mishandeld worden, het is niet de bedoeling dat de productie enorme hoeveelheden afval oplevert…

Powneys gedachtegang vraagt, kortom, om een fundamentele herbezinning op hoe de mode-industrie werkt. Ofwel: Fashion Reimagined (100 min.). En dat is, alle goede bedoelingen ten spijt, echt een stuk gemakkelijker gezegd dan gedaan. Regisseur Becky Hutner kijkt mee bij Mother Of Pearls soms frustrerende rondgang langs allerlei uithoeken van de modewereld – van Uruguay tot Turkije – waar mensen en bedrijven bereid lijken te zijn om op een meer duurzame manier te werken.

Daar is ook alle reden voor. Hutner lardeert haar film met ontluisterende feiten en statistieken. Van algemene constateringen – zoals: we kopen drie keer zoveel kleding als in 1980 en dragen die slechts half zo lang – tot hele concrete vaststellingen: schadelijke chemicaliën veroorzaken longziekten, oogschade en kanker bij de mensen die spijkerbroeken bleken. Tezamen schetsen die bijschriften een ontluisterend beeld van de schade die onze permanente behoefte aan meer, nieuwe en andere kleding aanricht.

Amy Powney’s idealisme levert bovendien handvatten op voor een heroriëntatie binnen de business als geheel. Die focus op het informeren en overtuigen zorgt er wel voor dat Fashion Imagined eerder informeert dan emotioneert. Al is het nog best een beetje spannend of het Mother Of Pearl, met alle zelf opgelegde beperkingen, lukt om op tijd een collectie op te leveren – en hoe die dan wordt ontvangen.

A World To Shape

Dave Hakkens bij Project Kamp / Newton Film

Een betere wereld. Voor minder doen ze het niet. Beter: een verbeterde wereld. Die de problemen van het heden achter zich heeft gelaten en klaar is voor een duurzame toekomst. Dat vraagt om designers die groot kunnen én durven te denken. A World To Shape (52 min.) is een dubbelportret van Nienke Hoogvliet en Dave Hakkens, twee jonge idealisten die samen een uitstekend uithangbord vormen voor die nieuwe generatie Nederlandse ontwerpers.

Toch lijkt hun benadering wezenlijk anders. Nienke Hoogvliet beijvert zich met haar vriend/werkpartner Tim Jongerius voor het verduurzamen van de ernstig vervuilende textielindustrie. Daarvoor probeert ze verschillende toepassingen van zeewier, zoals garen en verf, te ontwikkelen. Eerder maakte ze ook al schaaltjes van gebruikt wc-papier. Met haar eigen studio probeert Hoogvliet zo, via museumstukken en collector’s items, het systeem van binnenuit te veranderen en die duurzamere wereld dichterbij te brengen.

Dave Hakkens, die eerder van zich deed spreken met baanbrekende open source-projecten zoals Phonebloks en Precious Plastic, lijkt zich juist van de bestaande structuren af te wenden. Zoals het een echte wegbereider betaamt zorgde dat tijdens zijn studie voor de nodige weerstand, die door zijn succes overigens allang is weggenomen. Nu wil Hakkens een eigen parallelle wereld creëren. In Portugal heeft hij een stuk land opgekocht, waarop hij met medestanders het prototype voor een nieuwe, duurzame leefgemeenschap ontwikkelt: Project Kamp.

Regisseur Ton van Zantvoort plaatst de twee ontwerpers naast elkaar, als twee varianten op hetzelfde thema, in een film die zich volledig concentreert op hun werk en de idealen die daarin tot uiting worden gebracht. Hun persoonlijke beslommeringen of de professionele hobbels die ze onderweg moeten nemen blijven grotendeels achterwege in het fraai gefilmde en verzorgd gemonteerde A World To Shape, dat daardoor wel eerder aan het hoofd dan aan het hart appelleert.

De Stand Van Het Gras

SNG Film

Aan de andere kant van de schutting is het gras altijd groener. Op weg naar een perfect gazon zet menige Nederlander zijn beste beentje voor: knippen, harken, bemesten, sproeien, verticuteren en maaien natuurlijk. Handmatig, elektrisch of – als ie het doet – met een robot. En als het gewenste resultaat uitblijft, wordt er gewoon een compleet nieuwe grasmat gelegd.

De korte documentaire De Stand Van Het Gras (23 min.) toont allerlei gewone burgers – vanuit het perspectief van pieren, egels, mollen, eksters en slakken – terwijl ze dat eigen kleine stukje natuur onbekommerd hun wil opleggen. Regisseur Rashel van der Schaaf plaatst de camera regelmatig bijna op grondhoogte of juist in de lucht en vangt van daaruit de werkzaamheden in het groen en flarden van de gesprekjes die intussen worden gevoerd.

Het is Nederland in een notendop. Terwijl ze er voor waken dat het gras twee kontjes hoog wordt, harken al die tuiniers tevens hun eigen levens aan. Waarbij liefst niets aan het toeval wordt overgelaten. Dat is best een aardig gezicht. Herkenbaar. Lekker kneuterig ook. Al is het na dik twintig minuten – zonder duidelijke hoofdpersonen, helder narratief of heel bijzondere scènes – ook echt wel klaar.

Rouw

Marleen van der Werf

Wat eens vertrouwd was, heeft nu al zijn herkenbaarheid verloren. Filmmaker Marleen van der Werf gaat in de natuur van haar directe omgeving op zoek naar beelden die haar gevoel voor verlies en vergankelijkheid kunnen uitdrukken.

Het beeldessay Rouw (31 min.) blijft bijna volledig woordloos – wellicht omdat letters, in welke volgorde je ze ook zet, toch altijd tekort schieten – en is ook vrijwel ontdaan van kleur – zoals dat kan gebeuren als iets of iemand een krater in je bestaan slaat. Geluiden zijn eveneens nauwelijks te ontwaren.

Traag zinkt Van der Werf weg in die grauwe en onherbergzame wereld, waarin ze niettemin soms een teken van leven ontwaart. Een slak die stilletjes uit zijn huisje kruipt, het zwarte paard dat roerloos de regen trotseert en een os die tegen de gure wind in een besneeuwde heuvel oploopt. Tekenen van hoop of juist accentuering van wat was en nooit meer is?

Rouw is geen lineair proces. Zoals deze korte documentaire ook geen verhaal met een duidelijke kop en staart bevat. De goede verstaander zal zelf zin moeten geven aan de stelselmatig tussen donker en licht laverende ontdekkingstocht, die gaandeweg wel – of is dat de schijn die bedriegt? – iets aan kleur lijkt te winnen.

Pleistocene Park

VPRO

Hij speelt voor God op zijn eigen kleine stukje aarde. Geofysicus Sergej Zimov maakt zich zorgen over het ontdooien van het Permafrost, want daardoor komen er allerlei broeikasgassen vrij en warmt de aarde nóg sneller op dan gevreesd. Daarom heeft Sergej – type gekke wetenschapper, van Russische origine bovendien – een lumineus plan bedacht: hij wil een verloren gegaan ecosysteem herstellen, een mammoetsteppe uit de IJstijd.

In een uithoek van Siberië is Zimov, sinds hij werd bevrijd van zijn plichtplegingen als wetenschapper in de Sovjet-Unie, samen met zijn volwassen zoon Nikita druk doende om een succes te maken van hun Pleistocene Park (101 min.). Daarvoor halen de Zimovs, met veel pijn en moeite, op allerlei plekken dieren op, die vervolgens worden uitgezet in het gebied: rendieren, muskusossen, paarden, wisenten, jaks, bosbizons, elanden en wapiti’s (maar die bleken nogal gemakkelijk over de omheining te kunnen springen). En ook de mammoet is natuurlijk van harte welkom.

Filmmaker Luke Griswold-Tergis laat zich rondleiden in het onherbergzame gebied van vader en zoon dat inmiddels zo’n 160 km2 beslaat, verdiept zich in hun bijzonder eigenzinnige wetenschappelijke experiment en raakt gaandeweg zelf ook steeds meer betrokken bij het project. Dit wordt met de ene na de andere uitdaging geconfronteerd: van geld- en logistieke problemen tot dwarsliggende dieren én een permanente stroom cameraploegen. Want zowel de hoekige Sergej Zimov als zijn wilde dieren en de ruige leefomgeving waarin zij leven zijn uiterst mediageniek.

Intussen zetten andere wetenschappers hun vraagtekens bij de missie van de Zimovs: is dit een reële oplossing voor het gehele Noordpoolgebied? En kan klimaatverandering hiermee werkelijk een halt toe worden geroepen? Pleistocene Park is desondanks geen topzware film. Griswold-Tergis hanteert een lichte toets: hij zet vol in op de kleurrijke personages, zoekt en vindt ook vaak de humor in wat er voor zijn camera gebeurt en verluchtigt het geheel bovendien met beurtelings vlotte en koddige muziekjes. Dit resulteert in een bijzonder amusante documentaire, die toch ook nog ergens over gaat.

Invisible Demons

WW Entertainment

Wie betaalt de prijs voor vooruitgang? India geldt als de snelst groeiende economie van de wereld, maar al die bedrijvigheid zorgt tevens voor ontzaglijke (klimaat)problemen. Met name de grote steden dreigen, getuige Invisible Demons (70 min.), echt onleefbaar te worden. De documentaire van Rahul Jain, die in zijn debuutfilm Machines (2016) de werkomstandigheden in een Indiase textielfabriek aan de kaak stelde, is niets minder/meer dan een pamflet tegen de consumptiemaatschappij, waarbij een enkeling profiteert van de voorspoed en de grote massa gebukt gaat onder de bijwerkingen daarvan: enorme drukte, hitte en vervuiling om maar eens wat te noemen.

Jain zet zijn boodschap kracht bij met een beeldenbombardement vanuit één van de meest vervuilde steden van de wereld, zijn geboortestad Delhi, een plek waar recordtemperaturen worden gemeten, droogte en overstromingen elkaar afwisselen en een dikke laag smog alles en iedereen bedekt. Een metropool ook die inmiddels wordt omkranst door vier kolossale vuilbergen. ‘Als dit is wat vooruitgang inhoudt’, verzucht de filmmaker daarbij, in één van zijn tamelijk gratuite voice-overs. ‘Laten we ons dan voorstellen hoe een wereld zónder vooruitgang eruit ziet.’

Jain laat ook enkele stadsbewoners aan het woord, maar neemt zijn toevlucht vooral tot iconische beelden. Van koeien op een gigantische vuilstort. De Yamuna-rivier met een dikke laag giftig schuim erop. Of muggenspray die zich over de straten verspreidt. Én hij schuwt ook krachtige clichés niet, zoals haringen in een ton en een mierenhoop. Jain slaagt er zelfs in om de ‘onzichtbare demonen’, de stofdeeltjes waardoor menigeen kortademig is, in beeld te brengen. Hij omschrijft ze als ‘giftige pijlen die onze longen doorboren’ en toont meteen de nefaste gevolgen daarvan: een hoest die bijna niet meer weg wil.

En dat is meteen een krachtige metafoor voor de schaduwzijden van de (waarden)vrije economie, die Rahul Jain met Invisible Demons opnieuw wil aankaarten: gewone mensen kunnen zich met steeds meer moeite staande houden in de tredmolen die ze draaiende moeten zien te houden. Totdat zij, en hun wereld met hen, plotsklaps omvallen…

Rockfield: The Studio On The Farm

‘Ik herinner me er eerlijk gezegd helemaal niets van’, zegt Liam Gallagher (Oasis), als de eeuwige puber die hij nu eenmaal is, aan het begin van de heerlijke documentaire Rockfield: The Studio On The Farm (92 min.). Zijn band nam nochtans z’n sleutelabums Definitely Maybe en (What’s The Story) Morning Glory op in de plattelandsstudio van de Welshe broers Kingsley en Charles Ward. Zij bouwden het boerenbedrijf van hun familie eind jaren zestig om tot een opnamestudio, waar artiesten tevens, ver weg van het stadse leven, konden verblijven. 

‘Dus je hebt muzikanten genomen als vervangers van de varkens?’ grapt Robert Plant, die zichzelf er na het uiteenvallen van zijn band Led Zeppelin opnieuw uitvond als soloartiest, tegen de aandoenlijke Kingsley. Die moet daar smakelijk om lachen. Zijn broer Charles zou nog tot 1975 gewoon koeien blijven melken op de plek die al snel een populaire studio werd. Op een goede dag kon je er zien hoe Freddie Mercury in een stal de laatste hand legde aan Bohemian Rhapsody, Iggy Pop en David Bowie op het erf rondzwierven, The Stone Roses dertien maanden lang (!) werkten aan een album, de gebroeders Gallagher op de vuist gingen of, dat ook, een koe kalverde.

Hele generaties Britse bands streken in de afgelopen halve eeuw neer bij Rockfield in Wales, werkten er aan hun beste platen en vertellen er nu met zichtbaar plezier over in deze vlotte, grappige en liefdevolle documentaire. En regisseur Hannah Berryman verluchtigt de herinneringen van Ozzy Osbourne (Black Sabbath), Dave Brock (Hawkwind, met destijds nog Motorheads boegbeeld Lemmy Kilmister in de gelederen), Jim Kerr (Simple Minds), Tim Burgess (The Charlatans), Martin Carr (The Boo Radleys), James Dean Bradfield (Manic Street Preachers) en Chris Martin (Coldplay) met videoclips, hartstikke geinige animaties en beelden van de idyllische omgeving. Daarmee vervolmaakt zij deze fijne film over een kostelijk stukje popgeschiedenis op het platteland.

The Territory

Sundance

Het zou niets minder dan het beloofde land kunnen zijn. Als het inheemse Uru-eu-wau-wau volk, inmiddels uitgedund tot nog maar een kleine tweehonderd zielen, gewoon met rust zou worden gelaten in haar eigen kleine stukje regenwoud. Milieuactivisten pleiten daar ook voor: het Braziliaanse Amazonegebied doet immers dienst als de longen van de aarde en is ook essentieel voor het voortbestaan ervan.

Rio Bonito, een corporatie van landbouwers, staat echter te popelen om op The Territory (85 min.) te gaan boeren. En houthakkers zetten het liefst direct een bijl of zaag in elke boom die ze zien. Een nieuwe stad moet er komen! Voor hen en hun families. Ze zijn desnoods bereid om het halve regenwoud plat te branden en voelen zich daarbij in de rug gesteund door de nieuwe Braziliaanse president Jair Bolsonaro die in 2018 de macht heeft gegrepen.

Regisseur Alex Pritz portretteert in deze krachtige documentaire representanten van de verschillende conflicterende belangen. Zij stevenen onvermijdelijk af op een frontale botsing, waarbij geweld beslist niet kan worden uitgesloten. Zeker als Bilaté, de achttienjarige nieuwe leider van de Uru-eu-wau-wau, besluit om, met traditionele én moderne wapens, de eigen belangen te gaan beschermen en actief het gevecht aan te gaan met al die brutale indringers.

Pritz vangt het weldadige territorium van de inheemse indianenstam intussen in al zijn pracht en praal met zowel grootse als extreme close-up shots en brengt dit met een expressieve soundtrack uitstekend op temperatuur. Met droneshots brengt de gedreven milieuactiviste Neidinha, een strijdmakker van Bilaté, intussen de gevolgen van grootschalige ontbossing in kaart. De conclusie is onvermijdelijk: deze wereld gaat rigoureus veranderen.

Als er geen drastische maatregelen worden genomen, zullen de de Uru-eu-wau-wau, ondanks hun geloof in de rechtvaardigheid van hun strijd, moeten wijken voor wat we vooruitgang plegen te noemen. En dan brengen de indringers in 2020 ook nog een nieuwe bedreiging mee, die de kleine en kwetsbare gemeenschap nog verder dreigt te decimeren…

I Am So Sorry

Mokum

Kernenergie lijkt terug van nooit helemaal weggeweest. In de essayistische documentaire I Am So Sorry (96 min.) maakt de Chinese filmer Zhao Liang een verstilde rondgang langs de plekken en mensen die de sporen dragen van deze ‘schone’ vorm van energie. Hij komt als vanzelf terecht in de Oekraïense stad Tsjernobyl, in de toenmalige Sovjet-Unie, waar in 1986 een reactor van de plaatselijke kerncentrale explodeerde. Het is nog steeds de grootste kernramp ooit.

De omgeving is tegenwoordig grotendeels verlaten. Een enkeling is er echter blijven wonen of zelfs teruggekeerd. ‘Het is net als leven in een goelag’, zegt de oudere eenzaat Ivan Sevenyuk. ‘Dit is het Tsjernobyl-concentratiekamp.’ Maria Shovkuta, een verweerde vrouw met een hoofddoek, zit volgens eigen zeggen vooral op de dood te wachten. ‘Ik leef al zo’n dertig jaar alleen’, vertelt ze. ‘Ik ben het gewend om tegen mezelf te praten.’ In dezelfde omgeving woont ook Ina Chaliadzinskaya met haar zwaar gehandicapte dochtertje Lizaveta. Hun dorp zou eerst geëvacueerd worden, maar daarvoor ontbrak uiteindelijk toch het geld.

Nabij de kerncentrale van het Japanse Fukushima, waar in 2011 door een tsunami het ernstigste nucleaire ongeluk sinds Tsjernobyl plaatsvond, stuit de filmmaker op een ouder echtpaar in een tijdelijke woning. In de afgelopen zeven jaar hebben ze acht keer moeten verhuizen. Kalm – zeg maar gerust: traag – documenteert Liang zo de menselijke gevolgen die het gebruik van kernenergie kan hebben. Hij belandt verder onder andere bij protesten in Japan en Duitsland, in ondergrondse Finse tunnels waar voor de komende duizend jaar radioactief afval wordt opgeslagen en bij de ontmanteling van een Duitse fabriek.

Het is een ronduit unheimische trip langs verwoeste of verlaten werelden, waar Zhao Liang als een soort geest – in sommige geënsceneerde scènes bijna letterlijk, in de vorm van een gemaskerde figuur – doorheen waart. Op zoek naar leven, beducht voor stralingsgevaar. ‘Je zei dat dit de schoonste en veiligste vorm van energie was’, constateert hij bijvoorbeeld, bij beelden van de enorme controlekamer van een kerncentrale, in één van de voice-overs waarmee hij de verschillende elementen van de film verbindt. ‘Dat onze toekomst uit één en al geluk zou bestaan.’ De werkelijkheid is, zo laat de filmmaker met gevoel voor de esthetiek van het desolate zien, een stuk weerbarstiger.

Gustav Mahler – Zanger Voor De Aarde

AVROTROS

‘Die Erde atmet voll von Ruh und Schlaf’, klinkt ‘t in Der Abschied, het slot van Das Lied von der Erde. ‘Alle Sehnsucht will nun träumen.’ Met de symfonische liederencyclus wilde componist Gustav Mahler (1860-1911) harmonie met de wereld uitdrukken. Hij baseerde zich daarbij op Chinese poëzie uit de Tangdynastie, in dit geval Der Abschied Des Freundes van Wang Wei. ‘Die müden Menschen gehn heimwärts’, vervolgt het muziekstuk. ‘Im Schlaf vergeßnes Glück. Und Jugend neu zu lernen!’

De jonge Britse dirigent John Warner (27) voelt een verwantschap met Mahler. Ze delen een passie voor muziek en natuur. De Oostenrijkse componist is volgens hem zelfs een milieuactivist avant la lettre. Met zijn Orchestra For The Earth wil Warner diens muziek nu ten gehore brengen, liefst buiten een stedelijke omgeving. Op een plek ook, die bereikbaar is met het openbaar vervoer. Want de idealistische musici zijn het natuurlijk aan zichzelf verplicht om klimaatneutraal te reizen.

In de sfeervolle roadmovie Gustav Mahler – Zanger Voor De Aarde (52 min.) volgt de Nederlandse documentairemaker Frank Scheffer het kamerensemble naar Oostenrijk, waar het ook Mahlers huis aandoet. Daar zou hij, zo wil in elk het verhaal, elke ochtend vanaf het balkon van zijn villa in het meertje zijn gesprongen. Het duurt natuurlijk niet lang of ook de jonge muzikanten liggen er in het water, in één van de scènes die het ‘bloedserieuze’ karakter van de onderneming doorbreekt.

In gedragen sequenties laat Scheffer verder Mahlers majestueuze muziek en al even machtige natuurbeelden samenvloeien. Alsof ze onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Das Lied von der Erde is volgens John Warner ook echt een muziekstuk voor onze tijd. ‘Een symfonie die duidelijk maakt dat je alleen in harmonie komt met de wereld als je de koers van de natuur volgt.’

Silence Of The Tides

Windmill

Het is niet moeilijk om te zien – en te horen – waarom Silence Of The Tides (102 min.) inmiddels diverse filmprijzen in de wacht heeft gesleept. Pieter-Rim de Kroons cinematografische portret van het internationale Waddengebied, ‘één van de grootste aaneengesloten wetlands van de wereld’, verschiet voortdurend van kleur, raakt allerlei verschillende klanken aan en schakelt soepel tussen groot(s) en klein. Het is een openlijke liefdesverklaring aan hoe mens en natuur in dit unieke gebied samengaan.

Silence Of The Tides is ook een film die geen lineair verhaal vertelt. Zonder duidelijke hoofdpersonen bovendien. Hooguit enkele vaste gezichten, zoals een postbode, vuurtorenwachter of organiste (die soms letterlijk de toon zet in de documentaire). Gesproken wordt er nauwelijks, geïnterviewd al helemaal niet. De Kroons camera observeert zonder te bewegen en dwingt de kijker daardoor om écht te kijken en de overweldigende beeldenpracht in zich op te nemen.

Het uitgesproken sounddesign vertelt daarbij zijn eigen verhaal, dat de synergie of juist het contrast tussen de beelden benadrukt. Deze ambitieuze documentaire, waarvoor Pieter Rim de Kroon in de jaren 2017 tot en met 2019 ruim tweehonderd dagen draaide, vindt zo de schoonheid in al wat leeft in het Waddengebied: van de talloze vogels die er broeden en de weelderige onderwaterflora en fauna tot de komst van toeristen in de zomermaanden en een grootscheepse militaire oefening.

Alle elementen vloeien op een natuurlijke wijze samen in een ingenieus spel van eb en vloed, dag en nacht en de verschillende seizoenen, dat opperste aandacht vraagt en pas dan al zijn geheimen prijsgeeft. Silence Of The Tides is daardoor een film die zich eigenlijk niet leent voor de vluchtigheid van het televisietoestel of beeldscherm, maar in een bioscoopzaal moet worden ervaren. Als de kijker daadwerkelijk een speelbal wordt van al die elementen.

Newtopia

VPRO

Progressie of tragedie? Het ligt er maar aan hoe je ernaar kijkt, meent Audun Amundsen. In 2004 belandde hij als avontuurlijk ingestelde Noorse backpacker in de Indonesische jungle bij een inheemse stam, de Mentawai. Samen met de sjamaan/medicijnman Aman Paksa ging hij met pijl en boog op jacht naar apen. Wie had toen kunnen bedenken dat diezelfde Aman binnen een jaar of tien een bankrekening, televisie en mobiele telefoon zou hebben?

Als Amundsen de Mentawai vier jaar na zijn eerste verblijf opnieuw bezoekt, brengt hij allerlei moderne verworvenheden mee. Een zonnepaneel bijvoorbeeld, zodat ze voortaan zelf energie kunnen opwekken. Maar kleven aan al die nieuwe ontwikkelingen ook geen gevaren? Zo slecht lijkt hun huidige bestaan immers niet. Aman werkt bijvoorbeeld maar een paar uur per dag. Bij de Mentawai zijn er slechts beperkte inkomensverschillen. Hun manier van leven is niet schadelijk voor de aarde. En criminaliteit kennen ze ook al nauwelijks. Een ideaal bestaan, als je het oppervlakkig bekijkt.

Toch kan Audun Amundsen zich zelf nauwelijks staande houden in dit Newtopia (54 min.). Zijn westerse lijf is niet bestand tegen de zon, infecties en insecten. Aman op zijn beurt snakt naar dingen die het leven gemakkelijker kunnen maken: plastic spullen bijvoorbeeld of een motor voor zijn boot. Terwijl hij en zijn gemeenschap aansluiting proberen te vinden bij de rest van de wereld, ziet zijn Noorse vriend met lede ogen aan hoe hun idyllische leven dreigt te verdwijnen. Met geweren is het bijvoorbeeld een stuk gemakkelijker jagen op apen, maar wordt ook het gevaar dat ze de hele soort naar de eeuwige jachtvelden schieten alsmaar groter.

Vooruitgang werkt nu eenmaal als een perpetuum mobile. Eenmaal op gang gebracht laat die zich niet meer zomaar stoppen. Óók, of júist, in de hoofden van de betrokken mensen. Als ze eenmaal hebben geproefd van technische gemakken en luxeartikelen, worden zij net als wij, onderdanen van het vrije westen: meer, meer, meer! Tegelijkertijd maakt Amundsen inzichtelijk hoe wreed het ook door hem geïdealiseerde leven in de jungle, dat inmiddels zijn weg heeft gevonden naar allerlei musea, kan zijn. Van daaruit is het dan weer heel goed te begrijpen dat zijn inheemse vriend Aman Paksa dit achter zich probeert te laten.

Behalve het relaas van een opmerkelijke vriendschap tussen twee mannen uit volstrekt verschillende wereld toont Newtopia, in de loop van vijftien jaar gefilmd, op microniveau ook hoe de wereld verandert en wat dat – vaak letterlijk – kost en oplevert.

Schone Bergen

Human

Jangmu Sherpa ziet het met lede ogen aan. Nog niet zo lang geleden was haar broer Mingma een soort held in eigen land. Met een Nepalees team beklom de berggids de K2, de op één na hoogste berg van de wereld. Die was nog nooit in de winter bedwongen. ‘Zelfs niet door Nepalezen’, zegt Jangmu, die als verteller voor deze korte docu fungeert. En toen meldde het Coronavirus zich ook in hun leven…

Nu is hun voornaamste levensader, het bergtoerisme, vooralsnog helemaal doorgesneden. Zouden de Goden misschien boos zijn omdat de toeristen hun land zo hebben bezoedeld? vraagt de jonge vrouw zich af. Samen met dorpsgenoten begint ze het afval op te ruimen, in de hoop de boven hen gestelden weer een beetje gunstig te stemmen. Schone Bergen (18 min.), juist.

Als Mingma wordt gevraagd voor een Chinese expeditie naar de top van de Mount Everest, willen Jangmu en de haren eveneens mee. Om de rotzooi weg te werken, die klimmers ook daar hebben achtergelaten. Deze productie van Geertjan Lassche, die in 2014 zelf een bergtop in de Himalaya probeerde te beklimmen voor de documentaire Hemelbestormers, wordt daarmee een soort antiklimheldenfilm.

De barre tocht naar en het bereiken van de top zijn niet meer dan een aanloop naar de afdaling, waar broer en zus Sherpa letterlijk worden geconfronteerd met de restanten van glorieuze dan wel dramatische beklimmingen, die vaak voor de gehele wereld zijn vastgelegd in heroïsche films en waarvoor mensen zoals zij, doorgaans buiten beeld, het vuile werk hebben opgeknapt. Net als nu, trouwens.

De besneeuwde bergtoppen, geselende wind en klimmers die tot het uiterste moeten gaan, vastgelegd met de helmcamera’s van Mingma Sherpa en Shishir Maharjan, worden er overigens niet minder indrukwekkend door. Het is een wereld die zich uiteindelijk helemaal niet door de mens laat bedwingen. Hoe vaak die ook, in de rug gedekt door nijvere sherpa’s, zijn vlag op een top probeert te planten.

Prince Of Muck

De Productie

‘We willen evolutie’, zegt Lawrence MacEwen. ‘Geen revolutie.’ De bebaarde Schotse boer gelooft in geleidelijkheid. Als er dan toch iets moet veranderen, laat het dan langzaam gaan. Vloeiend. Bijna zonder dat je het merkt. Precies zoals het nu met hemzelf zou moeten gaan. Langzaam maar zeker verdwijnt hij uit beeld op het eiland Muck, nabij de westkust van Schotland. Waarna zoon Colin zijn werk voortzet.

Zo verloopt ‘t alleen niet voor de Prince Of Muck (77 min.). Althans, zo vóelt het niet. Zijn opvolger wil niet naar hem luisteren. Die weet het beter. Ineens lijkt die dikke halve eeuw boeren er niet meer toe te doen. Lawrence’s vrouw Jenny vindt dat hij niet zo moet somberen. Laat die jongen toch! Zoals wij ‘t deden, zo doen ze ‘t nu niet meer, houdt ze haar echtgenoot voor. En die probeert zijn onvrede voor zichzelf te houden.

De man die zich begint te realiseren dat zijn tijd er zo langzamerhand opzit is nochtans een interessant hoofdpersonage voor deze verstilde film van Cindy Jansen. Terwijl hij zich bekommert om zijn koeien, werk verricht met zijn tractor of speelt met de kleinkinderen, mijmert de eilander over het verleden. Hij laat zijn lange leven de revue passeren en kan daarbij zomaar ineens een gedicht reciteren, dat hij als kind heeft geleerd.

Sinds jaar en dag houdt Lawrence ook een dagboek bij, een gewoonte die hij heeft overgenomen van zijn vader. Via voorgelezen fragmenten daaruit, die als geraamte voor deze documentaire fungeren, laat hij in zijn ziel kijken; van de rituele passages over werk, weer en wind tot een staccato verslag van ingrijpende levensgebeurtenissen en sterfgevallen. Hij is volledig vergroeid met Muck. Zoals zijn vader ooit was en zoon nu is.

Dat gevoel van afscheid nemen en ruimte maken voor een nieuwe generatie, een proces dat onvermijdelijk gepaard gaat met weemoed en weerzin, is voortdurend op de achtergrond aanwezig in dit bitterzoete portret van het leven op een idyllisch Schots eiland, waar de zee geeft en neemt en een koppige Schot en zijn familie hun complete leven slijten.

Puff: Wonders Of The Reef

Netflix

Verplaats jezelf voor een uurtje in een spitskopkogelvis. We noemen hem Puff. Het minuscule rifvisje wordt geboren in een koraalrif. Een wondere onderwaterwereld die te klein, langzaam of juist te snel is om te vangen met het menselijk oog. Via speciale camera’s kunnen we nu toch even meeleven met Puff, die in eerste instantie nauwelijks groter is dan een snoepje.

Op zijn eigen bescheiden schaal zwemt het spitskopkogelvisje, getuige de natuurdocu Puff: Wonders Of The Reef (59 min.) van Nick Robinson, niettemin een groots en meeslepend leven tegemoet in een verblindend mooie ‘koraalmetropool’. Daarbinnen kan een garnaal van nog geen drie centimeter ogen als een trotse en veelkleurige strijder en wordt een duimlange zeeduivel al gauw een angstaanjagend monster waarvan een mens met zwakke zenuwen nachten wakker ligt.

Van Puffs lotgevallen, vervat in prachtige beelden en aangekleed met een weelderige soundtrack en -design, wordt door verteller Rose Byrne met veel vertelvreugde, suspense en droge humor een heus coming of age-verhaal gemaakt over een koen visje dat zich zwemmende moet zien te houden in een héél gevaarlijke wereld. Puff heeft desondanks helemaal geen last van een Calimero-complex. Hij heeft wél een stichtelijke boodschap voor de mensen: grijp snel in, anders gaat ons koraalrif naar de gallemiezen!

Die Puff toch. In een andere, grotere wereld dan het rifgebergte onder water had hij, net als de ‘hoofdpersonen’ van March Of The Penguins, Gunda en My Octopus Teacher, een vriend voor het leven kunnen worden. Maar ja, normaal gesproken blijven de spitskopkogelvis en de zijnen volledig onzichtbaar voor ons. Hoe goed we ook kijken.

The Velvet Queen

Periscoop Film

De pijn verbijten, de tijd vergeten en nooit twijfelen of je krijgt wat je verlangt. Dat is kortweg, in de woorden van de Franse romanschrijver en rasavonturier Sylvain Tesson, de attitude van zijn reisgenoot in The Velvet Queen (originele titel Les Panthère Des Neiges, 92 min.). Natuurfotograaf Vincent Munier heeft Tesson meegenomen naar het Tibetaanse hoogland. In dat adembenemende decor, op duizenden meters hoogte en in ijzige kou, hopen ze samen een sneeuwluipaard te betrappen.

Tijdens hun wekenlange voettocht praat de fotograaf zijn metgezel fluisterend bij over de dieren die ze ontwaren: antilopen, blauwschapen, yaks, Tibetaanse vossen of blauwe beren. Samen verbazen ze zich over deze majestueuze wereld, waarin de mens niet meer is dan een voetboot. De heilige graal, zo’n ongrijpbaar luipaard, blijft vooralsnog echter buiten (camera)bereik. ‘Waar is mijn kameraad naar op zoek?’ vraagt Tesson, die als verteller fungeert, zich ondertussen af. ‘Rondsnuffelend tussen de rotsen met zijn verrekijker.’ Munier zegt dat hij vooral de schoonheid van de natuur wil vieren. Hij is er niet op uit om de onvolkomenheden daarvan bloot te leggen.

Die houding, vervat in een ontzag voor al wat leeft of geleefd heeft, geeft hun queeste – en daarmee ook deze film – een groots en filosofisch karakter. Waarbij de twee mannen steeds die ene zin in hun achterhoofd houden: Big Brother is watching you. Misschien zien wij het dier dat we zoeken niet, maar dat ziet ons wel degelijk. Illustratief daarvoor is de intrigerende foto van een valk die de Franse fotograaf tijdens een eerdere reis naar Tibet heeft gemaakt. Is dat werkelijk een sneeuwluipaard dat hem vanachter die rotspartij gadeslaat? Of is het toch een zinsbegoocheling?

Munier en Tesson gebruiken alles wat ze hebben om het mythische dier alsnog te vangen. Ze plaatsen bijvoorbeeld op strategische plekken kleine, gecamoufleerde cameraatjes, in de hoop zo een glimp van een sneeuwluipaard te kunnen opvangen. Dat streven naar een ogenschijnlijk vrijwel onbereikbaar doel drijft deze magnifieke documentaire van Marie Amiguet, waarin de vergezichten van Tesson en Munier, het weldadige decor en de prachtige soundtrack van Warren Ellis, gemaakt in samenwerking met Nick Cave, op een glorieuze manier versmelten. Via deze ontzagwekkende wereld laat The Velvet Queen de mens zien zoals hij werkelijk is: een nietig wezen, dat ongegeneerd begeesterd en ontroerd kan, mag én moet raken door al wat hem omgeeft.

Becoming Cousteau

Disney+

Gedurende zijn leven zag hij de wereld onder water ernstig verschralen. Hij, Jacques-Yves Cousteau (1910-1997), had die hoogstpersoonlijk toegankelijk gemaakt voor een groot publiek. Met zijn boot De Calypso en vaste bemanning, waaronder zijn ferme echtgenote Simone, bevoer hij jarenlang de wereldzeeën. Hij produceerde in die tijd onder andere de Oscar-winnende documentaire Le Monde De Silence (1956) en werd een graag geziene gast op televisie met de serie The Undersea World Of Jacques Cousteau. Niet eerder was het leven onder de zeespiegel zo (prachtig) in beeld gebracht.

‘Duiken is de beste afleiding die je kunt hebben’, zegt hij daarover aan het begin van Becoming Cousteau (96 min.). ‘Als ik uit het water kom, voel ik me beroerd. Het is alsof je kennis hebt mogen maken met de hemel en dan wordt terug gesmeten op aarde.’ Je ziet hem meteen weer staan op zijn schip: met die kamerbrede glimlach, pregnante haviksneus en eeuwige rode beanie. Een ranke gestalte, verder meestal slechts gekleed in een zwembroek. De archetypische ‘oceanaut’, zoals hij zijn stiel, met een knipoog naar de toentertijd eveneens immens populaire ruimtevaart, zelf ooit dubde.

Regisseur Liz Garbus slaagt er vervolgens in om de man achter de missie vandaan te halen. Met dagboekfragmenten, ingesproken door de Franse acteur Vincent Cassel, kleurt ze het fraaie beeldmateriaal in en schetst ze ook de achtergronden daarvan, inclusief een persoonlijk drama dat Cousteau zal tekenen. Daarnaast laat Garbus bemanningsleden en intimi, off screen, aan het woord over de man waarmee hele generaties natuurliefhebbers zijn opgegroeid. Daarbij komen tevens de achtergronden van zijn publieke leven aan de orde: het auto-ongeluk dat ervoor zorgde dat hij geen piloot kon worden, een fatale diepzeeduikmissie met een collega bij de Franse marine en het feit dat hij zijn expedities ooit financierde met olie-onderzoek.

In het licht van ‘s mans latere klimaatactivisme, de vanzelfsprekende derde akte van dit aansprekende portret, is met name dat laatste saillant. Kapitein Cousteau en zijn crew zouden bijvoorbeeld het leeuwendeel van de olievelden van Abu Dhabi hebben ontdekt. Toen hij een half leven later zag wat de mensheid op aarde had aangericht, bijvoorbeeld bij het koraalrif dat hem zo dierbaar was, restte Jacques Cousteau nog maar één ding: al zijn prestige in de strijd gooien om het tij alsnog te keren. Bijna 25 jaar na z’n dood echoot ‘s mans boodschap nog altijd na – al is er in die tijd tragisch weinig bereikt.

Berg

Windmill Film

Het vergt weinig inlevingsvermogen om de nietigheid van de mens – en van bijna al wat leeft – te ervaren tijdens het bekijken van Berg (79 min.). De verstilde documentaire van Joke Olthaar, geschoten in expressief zwartwit, bestaat vrijwel volledig uit berglandschappen, vereeuwigd in het Triglav National Park in Slovenië. Als op die stillevens al mensen zijn te ontwaren, dan is het in de vorm van minuscule kleine poppetjes die bijna wegvallen tegen het indrukwekkende decor. Figuren met het formaat van een vlieg of insect, die dus ook in een oogwenk kunnen worden verdelgd door Moeder Natuur.

Gesproken wordt er alleen in de begin- en slotscène. Enkele zinnetjes maar. En dan ook nog off screen. Berg biedt verder geen enkel menselijk gezicht als houvast. Olthaar volgt weliswaar drie bergwandelaars, maar ook zij blijven figuranten in een spel dat hen – en ons allen – ontstijgt. Wind, onweer of simpelweg de ondergaande zon begeleiden hen tijdens hun tocht door een wereld die voortdurend van kleur verschiet en die mens en dier op alle mogelijke manieren en op elk ogenblik kan overweldigen. De documentairemaakster ondersteunt dit met een minimalistisch geluidsdecor.

De scope van de film en de precisie waarmee Joke Olthaar, tevens actief als theatermaakster, tegelijkertijd kijkt naar de ontwikkelingen die zich voltrekken in haar kader, behoren zonder twijfel tot de zegeningen van deze immersieve film, die in de tweede helft even wordt onderbroken door de komst van een helikopter en oude beelden in kleur van een reddingsactie. Voor wie doorgaans steun zoekt bij personages of wil worden meegenomen door een verhaal blijft Berg nochtans precies wat de titel al belooft: een uitdaging die slechts voor een select gezelschap is weggelegd.

The Truffle Hunters

Of Aurelio Conterno de geheime plekken wil prijsgeven waar hij ze vindt? De 84-jarige truffeljager peinst er niet over. ‘Maar wat nu als er morgen iets met jou gebeurt?’ werpt zijn gesprekspartner tegen. ‘Dan gaat al jouw kennis verloren.’ Die neemt Aurelio echter met liefde en plezier mee het graf in.

Grote vraag is alleen wat er dan met zijn grote liefde Birba moet gebeuren. De hoogbejaarde jager uit het Italiaanse Piedmont is nooit getrouwd en heeft ook geen kinderen. Bij wie kan hij zijn dierbare hond kwijt? Het moet in elk geval iemand zijn die een ervaren truffelspeurder op waarde weet te schatten. Ze wijden er in The Truffle Hunters (84 min.) menig gesprek aan, de sensitieve hond en zijn trouwe tweevoeter.

Uiterst liefdevol portretteren Michael Dweck en Gregory Kershaw intussen een stilaan verdwijnende gemeenschap, waarbinnen truffels als eetbare diamanten worden gezocht, verhandeld en gegeten. Behoudens enkele scènes vanuit het perspectief van één van de honden beweegt de camera daarbij nauwelijks. De documentairemakers vangen de cultuur, mores en bedreigingen (strychnine!) in sfeervolle en bloemrijke tableaus.

Zo is er bijvoorbeeld de glorieuze scène van een connaisseur die in een restaurant een truffelgerecht krijgt opgediend, uitgebreid besnuffeld en daarna verlekkerd verorberd. In één enkel tafereel wordt de essentie van de man en zijn passie blootgelegd. Of de woede van een truffelveteraan die er nu echt mee wil stoppen, maar een haperende typemachine op zijn weg vindt. Hoe kun je niet van zulke paradijsvogels gaan houden?

Uiteindelijk is dit ook eerst en vooral een film van hartveroverende personages. Zoals ook de 88-jarige Carlo Gonella en zijn hond Titina. Het duo wordt in de kerk toegesproken door meneer pastoor. Volgens hem kunnen ze in het hiernamaals gewoon op truffels blijven jagen. Carlo’s vrouw Maria Cicciù heeft alleen liever niet dat hij dit in het hier en nu in het donker doet. Te gevaarlijk. Hij zou zich kunnen bezeren!

The Truffle Hunters, in de loop van drie jaar gefilmd en opgefleurd met een heerlijk melancholieke soundtrack van Ed Côrtes, schetst even kalm als trefzeker een intrigerend, droogkomisch en teder portret van een herfstige wereld die zijn langste tijd leek te hebben gehad – en nu toch is vereeuwigd.

Penguin Town

Netflix

De parkeerplaatsbende houdt hen in de gaten.

Die weten dat papa is gaan vissen.

Ze kunnen zich nergens verstoppen.

Ze zijn omsingeld.

Het is een val.

Rennennnn!

Documentaires over dieren zeggen doorgaans vooral ook veel over de mens: ze hebben er namelijk een handje van om de lotgevallen van willekeurige zoogdieren, vogels of vissen te vertalen naar nét iets te gelikte verhalen met een kop en staart. Zodat wij, mensen, ons er toch vooral maar in kunnen verplaatsen. Voorbeelden te over. My Octopus Teacher bijvoorbeeld, de documentaire over de relatie tussen een duiker en een inktvis die onlangs met een Oscar werd beloond. Of het activistische The Walrus And The Whistle Blower. En, natuurlijk, de publieksfilms March Of The Penguins.

Pinguïns zijn sowieso perfect werkmateriaal voor natuurfilmers. Want die hebben zo’n lekker hoge aaibaarheidsfactor, een bijzonder prettige bijkomstigheid als kijkers zich met de protagonisten moeten kunnen identificeren. De achtdelige (!) serie Penguin Town (218 min.) gooit op dat gebied echt alle remmen los: de ‘hoofdpersonen’ krijgen alle mogelijke menselijke eigenschappen toegedicht, terwijl de mensen zelf niet meer dan gezichtsloze bijfiguren blijven, waarvan vooral voeten en benen zijn te zien. De pinguïns lijken bovendien doelbewust te zijn gecast en hebben op basis daarvan een heel duidelijke functie in de vertelling toebedeeld gekregen.

De Amerikaanse comedian Patton Oswalt speelt daarbij een sleutelrol. Hij fungeert als alwetende en alomtegenwoordige verteller, die er permanent bovenop zit. Van de gebeurtenissen in de Zuid-Afrikaanse kustplaats Simon’s Town, waar Afrikaanse pinguïns tijdens de zes maanden van het broedseizoen voor nageslacht proberen te zorgen, boetseert hij zo met veel schwung, humor en drama afgeronde Hollywood-verhaaltjes rond helden als het echtpaar Bougainvillea, buitenbeentje Junior en de pasgetrouwde Culverts. Pinguïns, welteverstaan.

Die worden geserveerd in de vorm van acht panklare, vermakelijke en prachtig verfilmde episodes, compleet met cliffhangers, gelikte muziekjes en onbetwiste slechteriken, zoals een hongerige kat of grijpgrage Kaapse pelsrob. Een knap staaltje storytelling, zonder meer. En: erg glad en voorspelbaar. Geen oprechte poging om het echte leven – ook al is het dat van een dier, dat nota bene met uitsterven wordt bedreigd – in al zijn grilligheid te pakken te krijgen, maar een docusoapvariant daarop die, met het oog op de bankhanger thuis die languit vermaakt wil worden, heel lekker wegkijkt.