Fire In Paradise

Netflix

De kinderen waren geëvacueerd. Ze zaten al in de bus. Hun onderwijzeres Mary Ludwig stapte ook maar in. Ze was doodsbang. Om hen heen rukte het vuur gekmakend snel op. Het Californische stadje Paradise dreigde volledig te worden verzwolgen door de vlammen. En toen kwam de bus met schoolkinderen vast te zitten in het verkeer. Voor hun ogen ging de McDonald’s in rook op. Hoe konden zij deze hel overleven?

In de korte documentaire Fire In Paradise (40 min.) van Drea Cooper en Zackary Canepari reconstrueren bewoners van Paradise, politieagenten, brandweerlieden en hulpverleners de zogenaamde Camp Fire, de dodelijkste natuurbrand ooit in Californië. die op 8 november 2018 een complete gemeenschap in lichterlaaie zette. Het concept voor de film is simpel: de hoofdpersonen kijken recht in de camera en zien nog eenmaal hun angst in de ogen.

‘We baden dat we zouden sterven door het inhaleren van rook’, bekent Mary Ludwig. Intussen moest ze zich groot houden voor ‘haar’ kinderen. Fire In Paradise legt zo de onmogelijke dilemma’s bloot, waarmee gewone mensen door de brand worden geconfronteerd. De 911-telefoniste die zich realiseert dat de vuurgrens steeds dichter bij haar eigen huis komt. Een vrouw, die alleen een deken en gebeden heeft om haar kinderen te beschermen. En de brandweercommandant die uiteindelijk voor zijn eigen veiligheid moet kiezen.

Hun beklemmende verhalen worden ondersteund door amateurfilmpjes en foto’s van de ontzaglijke natuurramp die zich voor hun ogen voltrekt. De ravage in Paradise is naderhand immens. Behalve verdriet is er ook vertwijfeling: met de huidige droogte kan er elke dag een nieuw vuur uitbreken. Die constatering geeft deze treffende film extra gewicht.

Stones Have Laws

Als mensen bestaan we bij de gratie van onze verhalen. Ze definiëren ons, bestendigen onze normen en waarden en zorgen voor een gezamenlijk heden, verleden en – hopelijk – toekomst. Stones Have Laws (100 min.) is als een bundel verhalen. Tezamen vormen ze de narratief van de Marrons, een volk dat leeft in het Surinaamse regenwoud.

De verstilde film van de Nederlandse kunstenaars Lonnie van Brummelen en Siebren de Haan en de Surinaamse theatermaker Tolin Alexander is in nauwe samenwerking met het Marron-volk tot stand gekomen, als gevolg van wat ze zelf ‘een experimenteel proces van collectief script maken en performance’ noemen.

Het resultaat is een soort synthese van documentaire, poëzie en theater, waarin de Marrons de relatie leggen tussen de wereld van hun voorouders, met de bijbehorende vertellingen, muziek en gebruiken, en hun dagelijkse beslommeringen in de tegenwoordige tijd, die zich nog altijd in een parallel universum lijken af te spelen.

Of dat zo zal blijven, is echter maar de vraag. Ook de wereld van de Marron-gemeenschap, hier vervat in kalme en weidse shots, dreigt te worden ontdaan van zijn idyllische karakter. Ontbossing, juist, door multinationals waarvoor de inheemse bevolking niet meer is dan een voetnoot in hun eigen succesverhaal.

Deze film bestaat bij de gratie van die majestueuze biotoop en de lange monologen die de Marrons hierover via de kijker, alsof het locatietheater is, tegen elkaar afsteken. Stones Have Laws is daardoor geen allemansvriend, maar een zorgvuldig geënsceneerd verhaal dat oprechte aandacht vraagt. En anders gewoon, zonder dat iemand er erg in heeft, in het luchtledige verdwijnt.

Alleen Op De Wereld

hazazah.nl

Na het bekijken van de korte documentaire Alleen Op De Wereld (22 min.) ben ik een beschrijving van de film gaan zoeken. Op de website van het Nederlands Film Festival vond ik: ‘Anna en Kjeld zoeken ieder op hun eigen manier naar een invulling van het leven en naar iets wat ze kunnen achterlaten. Maar zit de zin van het leven in antwoorden, of juist in het vragen?’ Check.

De tekst vervolgt: ‘We staan op, gaan naar ons werk, eten en gaan naar bed. Draait het leven om dagelijkse rituelen of is er een diepere, ondoorgrondelijke betekenis? Kjeld woont omringd door de natuur in zijn kleine huisje en wordt binnenkort vader. Hij zoekt voldoening in een simpel leven. Anna is een jonge kunstenaar en zoekt naar antwoorden in haar poëzie en muziek. Zo proberen ze allebei het schijnbaar zinloze leven toch zin te geven. Hoe moeten wij leven als er nergens antwoorden te vinden zijn?’

De vraag stellen is hem beantwoorden, zou ik bijna zeggen. Maar ik weet het natuurlijk ook niet. Belangrijker: correspondeert deze beschrijving ook met de film die ik zojuist heb gezien? Geen idee. Dát antwoord moet ik helaas schuldig blijven. Feit is dat ik na ruim twintig minuten nog geen vat had gekregen op deze documentaire van Iris Grob: wat wil die soepele stroom van prachtige beelden, afwisselend hectisch en kalm gemonteerd en bijeengehouden door Anna’s gedragen muziek, me eigenlijk vertellen?

Behalve dat het leven verwarrend is, vaak zinloos lijkt en vraagt om een terugkeer naar de essentie ervan: nieuw leven (dat dan vervolgens zelf ook weer op zoek mag naar de zin van dit alles). Zou je je als maker niet íets meer naar je publiek moeten richten? vroeg ik me na afloop af. Zonder dat je meteen helemaal op je hurken gaat voor de kijker. En toen belandde ik dus op de website van het Nederlands Film Festival en constateerde dat mijn verwarring waarschijnlijk precies de bedoeling was geweest.

Het Hut Syndicaat

‘Go ahead, make my day’, lijkt de man met de buks te denken, als er een haas op hem afrent. Ze zijn lekker een dagje aan het jagen, de leden van Het Hut Syndicaat (85 min.). Een groep drijvers met honden heeft de dieren over het perceel gejaagd. Aan de andere kant van het veld staan hun kameraden te wachten, met het geweer in de aanslag.

Het zijn gezelligheidsdieren, deze mannen van middelbare leeftijd. In hun even verderop gelegen hut laten ze zich de drankjes en hapjes goed smaken. En als ze erin slagen om iets te schieten, dan delen ze dat vol trots met elkaar. ‘Djiezus’, bewondert de één het hazenkadaver van de ander. ‘Mooi afschot’, constateert deze trots. ‘Hee’, roept Ronald Timmermans een andere jachtvrind goedkeurend toe. ‘Moordenaar!’

Gastronoom Timmermans fungeert al een paar jaar als jagermeester voor een groep mannen (en een enkele vrouw) die elke herfst op klein wild gaat jagen in de Wieringermeerpolder en werpt zich tevens op als gastheer voor Diego Gutiérrrez, een in Nederland woonachtige Mexicaanse documentairemaker die enkele jaren geleden een Gouden Kalf won met zijn film Parts Of A Family.

‘Diego, je moet wel opschieten met die film te maken’, zegt één van de syndicaatsleden gekscherend tegen de filmmaker. ‘Gezien de leeftijd van de jagers hier.’ Hij slaat de spijker op zijn kop. Behalve over jagen, het buitenleven en de omgang met ons vlees – het villen, slachten en bereiden ervan zijn tot in detail te zien – portretteert deze documentaire ook een verdwijnende wereld en de mannen die daarbij horen.

Gutiérrez onthoudt zich zoveel mogelijk van commentaar, legt simpelweg vast wat er voor zijn camera gebeurt en spreekt met de betrokken jagers. Over de jacht, de verwording van de Nederlandse natuur en ouder worden. Via de radio komt intussen de rest van Nederland binnen, waar natuurproblemen en dierenleed aan de orde van de dag lijken. Het Hut Syndicaat laat zich er niet door ontmoedigen.

The Last Male On Earth

Hij is ‘de meest begeerde vrijgezel op aarde’. Een hit op Tinder. Er zijn zelfs T-shirts van Sudan: #BornHorny. Hij heeft echter nog maar 999 dagen. De laatste mannelijke noordelijke witte neushoorn. Sudan leeft in het Keniaanse natuurreservaat Ol Pejeta en zijn dagen worden in The Last Male On Earth (70 min.) letterlijk geteld. Van duizend terug naar nul. Het persbericht ligt zelfs al klaar: ‘Sudan, leeftijd XX, stierf op XX binnen zijn omheining en werd gevonden door zijn verzorger op XX op de XX dag van XX.’

Het is een aloude filmmakerstruc, die door ‘the master of suspense’ Alfred Hitchcock de Bom Theorie werd genoemd: leg een bom onder de tafel bij een gezellig etentje en de spanning is vanaf dat moment te snijden. Alleen: die bom mag niet afgaan. Nooit, aldus Hitchcock. Die regel wordt hier met voeten getreden. Sudans lot mag bekend worden verondersteld. Op maandag 19 maart 2018 blies hij zijn allerlaatste adem uit. Wereldwijd plaatsten media een overlijdensbericht. En met Sudans dood is ook zijn soort uitgestorven. Toch?

In haar eerste lange film documenteert Floor van der Meulen zijn laatste dagen op aarde. Een imposant dier, dik in de veertig inmiddels, waaromheen een heuse industrie is opgetuigd. Ruim zes miljoen dollar gaat er jaarlijks in om, waarvan alleen al ruim één miljoen voor beveiliging. Want ook al ben je dan de allerlaatste van jouw soort, voor stropers blijf je toch eerst en vooral handelswaar. Rond Sudans woonplek is dan ook een soort militair cordon opgebouwd, met goedgetrainde en zwaarbewapende rangers.

Het dier zelf krijgt daarvan weinig mee, zo lijkt het. Zoals het ook niet reageert op de talloze toeristen die zijn kant op worden gestuurd. Ze mogen hem van alle kanten bekijken. Fotograferen. Selfies maken, natuurlijk. En krabbelen, lekker achter zijn oor. Dat schijnt-ie fijn te vinden. Zolang ze niet met te veel tegelijk komen, tenminste. Zes maximaal. Ook om de ervaring exclusief te houden, vermoedelijk. Na afloop krijgen de bezoekers wel een opdracht mee: preach the gospel. Zorg ervoor dat de hele wereld te horen krijgt over het uitsterven van deze specifieke neushoornsoort.

Met de mensen om hem heen, van zijn vaste verzorgers en bewakers tot de medewerkers van de toeristenshop en dagjesmensen, laat Van der Meulen zien dat Sudan echt niet ‘zomaar een dier’ is. Hij is op zijn oude dag niets minder dan een symbool geworden, een perfecte posterboy voor een marketingcampagne over bedreigde diersoorten. De filmmaakster paart de verwikkelingen rond Sudan daarnaast aan de inspanningen van wetenschappers om deze neushoornsoort tóch te verzekeren van een toekomst. Waarbij de vraag aan de orde komt in hoeverre Sudan zelf daarin eigenlijk wel een rol speelt.

Die dubbelheid, in meerdere opzichten, tekent Floor van der Meulen, in de rug gesteund door het fraaie camerawerk van Christian Paulussen en de puntige muziek van Juho Nurmela, uiterst trefzeker op. Aan het eind van The Last Male On Earth, als alle dagen zijn weggeteld, gaat de spreekwoordelijke bom inderdaad af. Die zadelt de kijker echter niet alleen met een gevoel van opperste frustratie op, iets wat bijvoorbeeld Hitchcock te allen tijde wilde voorkomen. Deze slimme film laat een veel genuanceerdere mengeling van boosheid, zelfkritiek, humor en weemoed achter.

March Of The Penguins 2

Het zijn zogezegd net mensen, die pinguïns. En tegelijkertijd blijven ze lekker exotisch. Ideaal materiaal dus om je aan te vergapen. Dat bleek al bij de kaskraker March Of The Penguins (2005) en wordt opnieuw bevestigd met deze opvolger.

In March Of The Penguins 2 (79 min.) geeft de Franse regisseur/bioloog Luc Jacquet zijn succesformule nog maar eens een slinger met een klassiek ouder-kind verhaal. De lotgevallen van Keizer, die samen met zijn pinguïnvrouwtje heel wat ontberingen moet doorstaan voor zijn zoon De Jonge Keizer, worden opgediend met een uitgekiende flashback-structuur.

Thomas Acda fungeert daarbij als luchtige verteller, met een Amsterdamse tongval en veel (flauwe) grapjes. Een keuze die valt te betwisten. Het kost Acda moeite om de film te dragen. Zeker als je hem afzet tegen de majestueuze voice-over van de oorspronkelijke versie van de film, Morgan Freeman.

Deze opvolger borduurt verder vrolijk voort op het Oscar-winnende origineel, één van de succesvolste natuurdocumentaires ooit. Met subliem camerawerk dat majestueuze vergezichten paart aan veel oog voor detail wordt een klein – ik zou bijna zeggen: menselijk – verhaal uit de doeken gedaan. Waarbij Jacquet kiest voor één enkele pinguïn als hoofdpersoon, die (natuurlijk) menselijke eigenschappen wordt toegedicht.

Uiteindelijk is ook deze tweede episode van March Of The Penguins een gemakkelijk invoelbaar verhaaltje over hoeveel ouders voor hun kinderen (moeten) doen. En tussendoor worden er natuurlijk heel wat buikschuivers, bommetjes en plonsduiken gemaakt, gaat de camera mee onder water en in de lucht en ontsnapt het jonge kuiken bovendien op diverse manieren aan de dood. Een entertainende film, kortom.

After Maria

Volgens Donald Trump moeten de inwoners van Puerto Rico niet zo zeuren. Bijna anderhalf jaar nadat orkaan Maria, op 17 september 2017, het halve eiland verwoestte, tweette de Amerikaanse president op karakteristieke wijze: ‘Puerto Rico got 91 Billion Dollars for the hurricane, more money than has ever been gotten for a hurricane before, & all their local politicians do is complain & ask for more money. The pols are grossly incompetent, spend the money foolishly or corruptly, & only take from USA….’

De inwoners van het eiland, officieel onderdeel van de Verenigde Staten, weten wel beter. Een groot deel van Puerto Rico’s bewoners zit, bijna twee jaar nadat Maria hun huis en bezit wegspoelde en enkele duizenden dodelijke slachtoffers maakte, nog altijd zonder woning en/of elektriciteit of is noodgedwongen verhuisd naar het Amerikaanse vasteland. Als inwoners van een voormalige kolonie voelen ze zich opnieuw behandeld als tweederangs burgers.

In de korte documentaire After Maria (37 min.) volgt Nadia Hallgren drie ontheemde vrouwen, die in New York zijn beland en daar uit hun tijdelijke opvanghuis lijken te moeten vertrekken. De periode dat de officiële Amerikaanse rampenorganisatie FEMA een poot voor hen kan/mag uitsteken zit er bijna op. Er moet zelfs worden bekeken of ze voldoen aan de voorwaarden om te worden toegelaten tot de daklozenopvang. Anders staan de orkaanslachtoffers letterlijk op straat.

Dat vooruitzicht, gepaard aan het verlangen naar het thuis dat ze ooit hadden, zorgt voor emotionele taferelen in deze aardige film, die laat zien dat een (natuur)ramp vrijwel nooit alleen komt.

Last Breath

‘Christopher omschreef het als de ruimte ingaan, maar dan onder water’, zegt Morag, de vriendin van Chris Lemons. De Schotse dertiger is één van de drie duikers die in 2012 betrokken raakt bij een ernstig ongeluk op het schip Topaz. Chris heeft zijn schaapjes op dat moment behoorlijk op het droge: hij slaagde erin om van zijn grote passie, duiken, zijn beroep te maken, is een huis aan het bouwen en staat op het punt om in het huwelijksbootje te stappen. En dan wordt de levenslijn tussen het schip en de saturatieduiker, die zich op bijna honderd meter diepte in de Noordzee bevindt, op brute wijze doorgesneden…

Het is een unieke wereld, die in de zinderende documentaire Last Breath (85 min.) wordt opgeroepen. Van professionele duikers die onder water onderhoudswerk en reparaties uitvoeren. Het is een beroep met geheel eigen normen en waarden, codes én jargon. Als het duikondersteuningsvaartuig Topaz bijvoorbeeld in ’Dynamic Positioning’ (verankerd aan de zeebodem) is gebracht, kunnen de drie duikers hun ’bell’ (een soort aparte eenheid die vanaf de boot in de zee wordt afgezonken) verlaten om hun werk te gaan doen. Ze blijven intussen verbonden met hun basis via een ’umbilical’ (een soort navelstreng die zorgt voor warmte, licht en zuurstof en waarmee ze met hun collega’s kunnen communiceren).

Op die bewuste septemberdag in 2012, als de Topaz zich op enkele honderden kilometers van Aberdeen op zee bevindt, zorgt een computerfout ervoor dat de Dynamic Position crasht. Het schip raakt daardoor op drift. Als de umbilical van Chris vervolgens knapt, is hij aan de Goden overgeleverd. Én aan zijn twee directe collega’s in de bell: de ervaren Duncan Allcock, die hem wegwijs heeft gemaakt op de zeebodem, en de stoïcijnse Dave Yuasa, die ‘gewoon’ zijn werk doet. ‘Ik was niet erg overstuur over Chris’, herinnert die laatste zich. ‘Dit kan gebeuren. Hij was niet mijn beste vriend of één van m’n kinderen.’ En juist deze koele kikker wordt erop uitgestuurd om op zoek te gaan naar de collega die wel eens levenloos in het donkere water zou kunnen liggen.

Het is een absoluut horrorscenario voor alle betrokkenen, die het tragische ongeluk in deze bijzonder vernuftig geconstrueerde film van Alex Parkinson en Richard da Costa nog eens stapsgewijs doornemen. Daarbij kijken ze recht in de camera, de spanning en emotie van het moment herbelevend. Hun relaas wordt kracht bijgezet met een vloeiende combinatie van authentiek beeldmateriaal van het drama, onder anderen gemaakt met helmcamera’s van de crewleden, en speciaal voor de film gemaakte reconstructiebeelden. Zo ontstaat in deze lekker vet aangezette documentaire, één van de beste films die ik tot dusver zag in 2019, een bloedstollende race tegen de klok die niet had misstaan in een Hollywood-blockbuster. Kunnen ze Chris vinden? Is hij überhaupt nog in leven?

Darwin’s Nightmare

Het begint met een visje. De nijlbaars, uitgezet in het Victoriameer. In het kader van een ‘klein wetenschappelijk experiment’, een halve eeuw geleden. Moddervet wordt hij tegenwoordig uit het water gevist. Enkele honderden kilo’s zwaar. Daarvan kunnen talloze visfilets worden gemaakt. En die vinden gretig aftrek in het rijke Westen. Vliegtuigen vliegen af en aan.

Het lijkt een economisch succesverhaal, die nijlbaars. De gehele Tanzaniaanse regio Mwanza verdient er zijn brood mee. De vraatzuchtige baars heeft alleen het hele meer leeggeroofd. Alle andere vissoorten zijn zowat uitgestorven. De symboliek daarvan is onontkoombaar: het hart van Afrika wordt nog altijd rücksichtslos vertrapt en geplunderd door witte mannen.

Alle hoofdpersonen van Darwin’s Nightmare (106 min.) uit 2004 zitten helemaal vast in dat volledig verrotte systeem. Of ze nu vissen, vliegen, bewaken, rondzwerven, hel en verdoemenis prediken, lijm snuiven, Aids hebben of moeten hoereren. De Oostenrijkse filmmaker Hubert Sauper constateert tevens dat die gewilde vis bij hen niet voor goedgevulde magen zorgt. Zij moeten het doen met de bijzonder onsmakelijk ogende restjes van hun eigen exportproduct – of lijden gewoon honger.’

Hier gelden de wetten van de jungle’, vertelt Mkono, een voormalige leraar die tegenwoordig een visserskamp runt, nuchter. ‘Sterke en stoere dieren hebben nu eenmaal meer kans om te overleven dan zwakke exemplaren.’ Hij beschouwt de Europeanen inmiddels als sterker dan de rest. Zij hebben immers het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank in hun zak. Het is een bittere constatering, waar je als westerling eigenlijk liever niet al te lang over nadenkt. Zeker als je de gevolgen in Afrika overziet.

En zijn de vliegtuigen waarmee Russische piloten de vis vrijwel dagelijks afvoeren naar de andere kant van de wereld werkelijk leeg als ze in Tanzania arriveren? De vraag stellen is hem beantwoorden. En het antwoord dat Sauper uiteindelijk weet te ontfutselen aan al zijn verschillende bronnen maakt de slotsom van deze grimmige film, die bij de European Film Awards werd gekozen tot beste documentaire en tevens werd genomineerd voor een Oscar, nog eens extra wrang.

En het is allemaal ooit begonnen met een visje…

Our Planet

Probeer als ongelovige Thomas maar eens vol te houden dat er géén opperwezen bestaat als je de uitbundige natuurpracht in Our Planet (399 min.) beziet. Letterlijk de hele wereld lijkt met zowel een holistische blik als een enorm oog voor detail te zijn samengesteld en is in deze groots opgezette documentaireserie bovendien op majestueuze wijze vereeuwigd. Neem bijvoorbeeld de mannelijke zwaluwstaart-manakins, felblauwe vogels met een oranje kop. In het tropische woud voeren ze als groep een paringsdans op voor een te bevruchten vrouwtje. Voor één van hen pakt het ritueel goed uit. Hij mag kortstondig samenzijn met de lieftallige dame. De anderen kijken belangstellend toe.

Het is deze natuurserie ten voeten uit: Our Planet mag dan een project van ongeëvenaarde schaal zijn, waarvoor 2,5 jaar is gefilmd op alle continenten. Van de producenten die eerder Blue Planet, Planet Earth en Frozen Planet (Alastair Fothergill) en African Cats en North America (Keith Scholey) afleverden. Uiteindelijk is deze achtdelige reeks echter eerst en vooral een aaneenschakeling van kleine en grotere verhalen over individuele en groepen dieren: luipaarden die elkaar kortstondig het hof maken, een bekerplant waar de mieren als vanzelf inregenen en – natuurlijk – de natuur op zijn wreedst: een groep kariboes die net zo lang door een roedel hongerige wolven wordt opgejaagd, totdat één van hen het niet meer kan bijbenen.

Bioloog, programmamaker en verteller David Attenborough, inmiddels dik in de negentig, neemt de weerloze mens in elke aflevering mee naar een ander soort leefgebied: van de jungle en het poolgebied tot de woestijn en de wondere wereld onder de zeespiegel. Met gevoel voor drama en kien oog voor detail. Grootse, bijna bombastische beelden van grote groepen dieren en verpletterend natuurgeweld worden voortdurend afgewisseld met kleine, intieme vertellinkjes over individuele dieren die het moeilijk hebben of juist floreren. Attenboroughs boeiende observaties, in combinatie met afwisselend subtiele en zwaar aangezette muziek, smeden al die losse elementen aaneen.

Our Planet, gemaakt in samenwerking met het Wereld Natuur Fonds, heeft zonder twijfel een alarmerende ondertoon: dit is de wereld zoals we hem nu kennen en waarvan we bepaalde delen nog altijd beter zouden moeten leren kennen, maar het is ook een wereld die aan het verdwijnen is. Door ingrijpen van de mens dreigen de biotopen van bepaalde diersoorten steeds kleiner te worden of zelfs te verdwijnen, zodat iconische schepsels als de ijsbeer, woestijnolifant en Siberische tijger (waarvan unieke beelden van het dier in zijn eigen territorium, de taiga, zijn te zien) serieus in hun voortbestaan worden bedreigd. Of, vroeg ik me even af, moeten we erop vertrouwen dat dat eventuele opperwezen het nooit zover zal laten komen met de wereld die hij in al zijn veelzijdigheid creëerde?

Piripkura

In de ogen van de kijker hebben de twee mannen allang een mythische status gekregen als ze na ruim 48 minuten eindelijk voor het eerst in beeld verschijnen. Pakyî en Tamandua, de laatste vertegenwoordigers van een compleet volk, de nomadenstam Piripkura (81 min.) Vooruit: Pakyî heeft ook nog een zus, Rita. Toen zo’n dertig jaar geleden vrijwel hun gehele familie werd uitgemoord door blanken, heeft zij het leven in het Braziliaanse regenwoud echter achter zich gelaten. Ze trouwde met een lid van een andere inheemse stam en ging in een normaal huis wonen in de deelstaat Mato Grosso.

Rita’s broer Pakyî is altijd gebleven waar hij was. Samen met zijn neef Tamandua. En het is alweer enkele jaren geleden dat het tweetal, dat afgezonderd in de jungle leeft, is gespot. Jair Candor, medewerker van de overheidsdienst voor bescherming van de inheemse bevolking, FUNAI, zet een expeditie op om vast te stellen of de twee mannen nog in leven zijn. Want dat is een voorwaarde om de beschermde status van hun stukje regenwoud weer voor twee jaar te verlengen. Houtzagerijen en boerenbedrijven staan al in de startblokken om het leefgebied van de Piripkura over te nemen.

De filmmakers Renata TerraBruno Jorge en Mariana Oliva vergezellen Candor, die zich al sinds eind jaren tachtig sterk maakt voor inheemse volkeren zoals de Piripkura, op zijn queeste om Pakyî en Tamandua te vinden en bewijs van hun bestaan te verzamelen. Dat is bepaald niet gemakkelijk. De mannen houden zich het liefst verre van de bewoonde wereld en laten zich bepaald niet zomaar vinden. En dat is niet vreemd: de Piripkura hebben louter slechte ervaringen met blanken. Te langen leste verschijnen de twee mannen toch ten tonele. De fakkel die ze sinds 1998 (!) brandende hebben gehouden is gedoofd. Ze hebben vuur nodig…

Pakyî en Tamandua ogen in alle opzichten als een bedreigde diersoort. Ze houden steeds een zekere afstand, zoeken lichamelijk voortdurend steun bij elkaar en zijn, zonder enige vorm van waarneembare schaamte, helemaal naakt. Meer dan een bijl en die gedoofde toorts hebben ze niet. Toch weten de mannen al jaren te overleven in het regenwoud en lijken ze kerngezond. De twee Pirpkura zijn duidelijk ook heel vertrouwd met elkaar – zie ze maar eens samen in een hangmat liggen. Communiceren met hen is echter verdraaid moeilijk. Ze hebben samen een soort koeterwaals ontwikkeld, dat zelfs Rita niet altijd kan ontcijferen, en willen bovendien het liefst meteen, met hernieuwd vuur, weer terugkeren naar hun natuurlijke biotoop.

Tijdens het International Documentary Festival Amsterdam werd Piripkura beloond met de Human Rights Award. ‘Met dit aangrijpende en bijzondere verhaal raken de filmmakers aan een brede reeks van kwesties die hoog op de wereldagenda voor mensenrechten zouden moeten staan’, aldus de jury. De zoektocht naar de ontwapenende mannen, dwars door een met veel oog voor detail vastgelegd tropisch regenwoud, en de tamelijk ongemakkelijke ontmoeting van Pakyî en Tamandua met Jair Candor, een man die toch echt het beste met hen voor heeft, heeft inderdaad een fascinerende film tot gevolg, die zowel ontroert als tot nadenken stemt.

Zien we hier, op de valreep vereeuwigd voor toekomstige generaties, daadwerkelijk De Laatste(n) Der Piripkura?

De Vrouwen Van Venserpolder

In de Amerikaanse stad Detroit, jarenlang zo’n beetje het toonbeeld van stedelijk verval, deed het fenomeen al enige tijd geleden opgeld: moestuinen, in het hart van de stad. Ofwel: ‘a holististic approach to neighborhood revitalization’. Het is niet meer dan logisch dat in of vlakbij de Nederlandse Bijlmer een soortgelijk initiatief is ontstaan.

De binnentuin van woonblok tien in de wijk Venserpolder, gebouwd in de jaren tachtig, was vanwege overlast jarenlang verboden terrein. Inmiddels is de tuin weer geopend. Vrouwelijke bewoners, veelal van Surinaamse afkomst en zonder echtgenoot, zijn er een stadstuin begonnen en leren zo de wereld om hen heen en – vooral – elkaar beter kennen. ‘Oma’ Meli heeft bijvoorbeeld nog altijd heimwee naar Suriname, maar bouwt te midden van zelf verbouwde groenten echt een vriendenkring op.

In de observerende documentaire De Vrouwen Van Venserpolder (47 min.) van Eva de Breed spelen mannen nauwelijks een rol. Ze zitten werkeloos achter de geraniums, verblijven in de gevangenis of zijn, gewoon, afwezig. Wijkbeheerder Ulrich Wilson, in een grijs verleden profvoetballer bij Ajax, Ipswich Town en FC Groningen, kan erover meepraten. Hij zat ooit drie jaar thuis. ‘En dat is gewoon niet goed voor je bovenkamer. Daar gebeurt dan niks. En daar word je niet gelukkig van.’

Gaandeweg sijpelt de buitenwereld ook stiekem de tuin in. Van het wegwerken van schulden tot familieleden die het verkeerde pad op dreigen te gaan. Terwijl de vrouwen groenten verbouwen, ontstaan er nieuwe sociale verbanden en krijgt de urban jungle om hen heen weer voorzichtig de kleur groen. Dat is de optimistische boodschap van De Vrouwen Van Venserpolder, dat laat zien hoe een klein initiatief de sociale cohesie in een wijk kan vergroten.

Drømmeland

Als het maar geen Into The Wild wordt, verzucht Mijn Medekijker als de begintitels van Drømmeland in beeld verschijnen. En inderdaad, de keuze van de zestigjarige Noor Nils Leidal doet in de verte denken aan de tragisch geëindigde terugtocht in de natuur van Christopher McCandless, zoals die werd verfilmd door Sean Penn en van een soundtrack voorzien door Pearl Jam-zanger Eddie Vedder.

Drømmeland (72 min.) van Joost van der Wiel is echter geen treurig stemmende film over een loner die lijdzaam zijn einde tegemoet gaat. Nils is een strijdbare man, die bij aanvang van deze observerende documentaire officieel afstand doet van zijn Noorse staatsburgerschap, demonstratief zijn paspoort verbrandt en de samenleving vervolgens officieel de rug toe keert, om in z’n eentje zijn heil te zoeken in een houten hut in het Hardangervidda-gebergte.

Mijn Medekijker moet zelfs grinniken als Nils door het een of ander dier wordt gestoord terwijl hij net poedelnaakt van de zon ligt te genieten. Half aangekleed en gewapend met zijn buks gaat hij erachteraan. Niet veel later heeft hij een eland geschoten en wordt die voor de camera gevild en leeg getrokken. Nou smakelijk!, vindt Medekijker. Na afloop neemt Nils er voldaan een drankje op. Hij heeft voorlopig weer te eten.

Toch zondert de overtuigde autonoom zich niet volledig af van de wereld zoals wij die kennen. Behalve de gesprekken met zijn trouwe paard Lettir houdt de man via zijn iPhone ook voortdurend voeling met de wereld die hij heeft achtergelaten. De solitaire Nils, die natuurlijk ook al regelmatig wordt gevolgd door een cameraploeg, blijkt toch meer behoefte te hebben aan menselijk contact, een publiek zelfs, dan hij zelf had gedacht.

Van der Wiel laat die drang om te communiceren, om ondanks alles mens onder de mensen te zijn, steeds duidelijker naar de oppervlakte komen in deze sfeervolle film, waarbij de soundtrack van componist Tobias Borkert echt een wezenlijk onderdeel van het verhaal vertelt. Drømmeland roept zo de vraag op of moderne mensen nog in staat zijn om de wereld links (of in het geval van Nils Leidal: rechts) te laten liggen. De zelfverkozen kluizenaar Nils Leidal is, volgens Mijn Medekijker, in elk geval ‘gewoon’ een sociaal dier.

Nanook Of The North

Iedere zichzelf respecterende documentairekenner heeft Nanook Of The North gezien. De film uit 1922 wordt beschouwd als de allereerste officiële documentaire, een filmgenre dat door de Schotse filmpionier John Grierson enkele jaren later werd gedefinieerd als ‘een creatieve behandeling van de werkelijkheid’.

Iedere zichzelf respecterende documentairekenner, behalve ik. Verder dan enkele scènes uit dit portret van de Inuit Nanook, bijgenaamd ‘de beer’, en zijn schattige gezin uit het noorden van Ungava, nabij de Canadese Hudsonbaai, was ik eerlijk gezegd nooit gekomen. Tot afgelopen week. Uitroepteken. Waar een zelf opgelegd docuregime, dat wekelijks uitmondt in deze nieuwsbrief, al niet toe kan leiden…

Voordat lezers me en masse gaan bedanken, zeg ik nu alvast: graag gedaan! En ik raad iedereen, met enige interesse in filmhistorie en verdwijnende exotische culturen, aan om mijn voorbeeld te volgen. De lotgevallen van de eskimo-familie, die vanaf 1910 regelmatig werd bezocht door spoorwegavonturier Robert Flaherty, zijn vervat in een heus verhaal, waarbij de filmmaker heeft gekozen voor enkele duidelijke hoofdpersonen en de waarheid zo nu en dan ook een handje helpt.

Ten tijde van de filmopnames had Nanook naar verluidt allang een geweer tot zijn beschikking. Voor Flahertys camera wilde hij echter nog wel eens ouderwets met een speer vissen en op jacht gaan naar vossen, zeehonden en walrussen. En ook de iglo die de man besluit te bouwen schijnt speciaal voor de documentaire te zijn gefabriceerd. Sterker: het was een halve iglo. Want anders konden ze met hun logge en weinig lichtgevoelige camera de binnenkant niet filmen.

De documentaire ziet er dan ook prachtig uit, zeker als je bedenkt dat het medium film destijds echt in de kinderschoenen stond. Nanook Of The North stamt uit de tijd dat films zonder geluid en met heel veel, in dit geval ook bomvolle, tekstkaarten werden opgeleverd. Het geheel is daarom dicht gesmeerd met een tamelijk opdringerige soundtrack, die elk gemis van natuurlijk geluid in de kiem moet sporen. Voor hedendaagse oren blijft dat lastig. Zeker als Nanook, in een scène met een hoog kraaltjes-en-spiegeltjes gehalte, een antieke platenspeler, ‘waarmee de witte man zijn stem inblikt’, mag uitproberen.

Toen de documentaire met veel succes werd uitgebracht in de bioscoop, was de vindingrijke hoofdpersoon, volgens regisseur Flaherty, overigens al overleden. Nanook stierf naar verluidt de hongerdood, die hij in deze onbetwiste filmklassieker ruim vijf kwartier, met het nodige kunst- en vliegwerk, op afstand weet te houden. Bijna een eeuw later leeft de Inuit nog altijd voort, als een representant van een uitgestorven leefwijze en als allereerste held uit de documentairegeschiedenis.

Schapenheld

Er zijn dagen waarop de gemiddelde Nederlander niet mijmert over de toestand van de vaderlandse heide. Totdat je dat typische landschap krijgt te zien zoals schaapsherder Stijn Hilgers het dagelijks ziet – of beter: zoals filmmaker Ton van Zantvoort de hei laat zien in zijn meeslepende documentaire Schapenheld (80 min.). Een uitgestrekt landschap, waar de kou nog van de grond opstijgt, de opkomende ochtendzon de lucht blauw-oranje kleurt en een man met een hoed en zijn trouwe metgezel Hekske, een ‘flapdrol’ van een hond, hun kudde naar graasplekken leiden. ‘Dat is mijn werk’, stelt Hilgers in karakteristieke krachttaal met Brabantse tongval. ‘Zorgen dat die schapen hun pens volvreten op de goeie plekkies.’

Zo ongeveer zou een Nederlandse versie van het Wilde Westen eruit zien, met Hilgers als de onverschrokken held die sneller (verwensingen) schiet dan zijn eigen schaduw. Verweerde kop, twee oorringen in en het haar samengebonden in een staartje. Stuurs in de verte starend, zo nu en dan trekkend aan het shaggie in zijn hand. Onversaagd trekt hij ten strijde voor het behoud van de vaderlandse heide en zijn eigen bedreigde stiel. Ondertussen onophoudelijk foeterend op de Nederlandse regeltjeszucht en de, ja, neoliberalisering van het natuurbehoud. Want zelfs een authentieke schaapsherder, een beroep dat toch op de lijst van immaterieel cultureel erfgoed staat, moet concurreren. Totdat-ie er kapot aan gaat.

‘Openheid, rust, ruimte’, zocht de schaapsherder ooit in het vak, dat hem soms acht tot tien uur per dag alleen op de hei brengt. ‘Vrijheid. Dingen die ik zelf heb gekozen, die me niet opgelegd zijn. Dát. Simpel leven.’ Hilgers – of beter: filmmaker Van Zantvoort – laat een korte pauze vallen. ‘Dacht ik.’ En dan is het weer even stil, totdat Hilgers op zijn bouwradio stevige dansmuziek aanzet en zijn schapen begint te scheren. In die beginquote van de documentaire zit het complete drama van de film verscholen. Want de solitaire herder krijgt nauwelijks meer ruimte om zich te bewegen. Als de schapenheld, met zwarte hoed overigens, zijn kudde van de ene naar de andere wei dient te verplaatsen, moet hij bijvoorbeeld uit de minste van twee kwaden kiezen: door het bos kan een boete van de boswachter opleveren, door het dorp betekent andere mogelijke ellende.

Hilgers kiest overtuigd voor het laatste. Het ziet er ook majestueus uit, zo’n stoet schapen die door het dorp heen trekt. Een beeld uit lang vervlogen tijden. ‘Hadden ze bijna dat gloednieuwe gazon te grazen genomen’, roept de herder grappend naar enkele kijkende bewoners. Niet veel later krijgt hij de politie op zijn dak: de beesten hebben keutels achtergelaten nabij een ijssalon. ‘Het is afgelopen met dit vak, hier in Nederland’, foetert de man in kwestie machteloos. Het is één van de sleutelscènes van deze knarsetandende film, die past in een traditie van vaderlandse documentaires over plattelanders die langzaam maar zeker helemaal vastlopen in het moderne Nederland, zoals De Kleine Oorlog Van Boer Kok of Het Mysterie Van De Melkrobots.

Altijd weer is er het gevecht met de ‘teringlijers’ en de noodzaak om samen met zijn vrouw Anna op de één of andere manier, vraag niet hoe, de eindjes aan elkaar te knopen. De geboren rebel Hilgers – laten we hem een wolf in schaapskleren noemen – moet de tering naar de nering zetten en ziet zich bijvoorbeeld gedwongen om allerlei commerciële activiteiten te ontplooien. Van Zantvoort legt ‘s mans strijd tegen de bierkaai met compassie vast en brengt intussen het verdwijnende, of op zijn minst veranderende, beroep van schapenherder prachtig in beeld. De onontkoombare keuze waar Stijn Hilgers uiteindelijk voor komt te staan wordt ondertussen uitstekend invoelbaar.

Trophy

Weinig berichten zorgen op de sociale media voor meer verontwaardiging dan de selfies van plezierjagers die met een tandpastasmile, doorgeladen geweer en opgestoken duim poseren bij een wild dier dat ze zojuist hebben geschoten. De Texaanse schapenhouder Philip Glass, één van de hoofdpersonen van de prachtige documentaire Trophy (88 min.) is zo’n westerling. Nadat hij zijn zoontje Jasper thuis zijn eerste hert heeft laten schieten, gaat hij in Afrika op zoek naar de heilige graal van de jacht, The Big Five.

Want een beetje jager, die bereid en in staat is om de poeplap eens stevig te trekken, heeft ze op zijn palmares staan: een buffel (9000 dollar), luipaard (20.000), olifant (45.000), leeuw (50.000) en neushoorn (350.000). De prijs is afhankelijk van de beschikbaarheid van de dieren. Als ze bijna zijn uitgestorven en de vraag dus het aanbod overstijgt, ligt die natuurlijk hoger. Zo werkt de economie nu eenmaal, ook in de commerciële jacht.

Vanuit een rijtjeshuis in een nette Nederlandse stadswijk is het heel verleidelijk om Glass en de zijnen direct te veroordelen. De situatie ligt echter genuanceerder dan je in eerste instantie zou denken. Door neushoorns van hun hoorn te ontdoen, bescherm je hen, meent de Zuid-Afrikaan John Hume bijvoorbeeld. Ivoor is nu eenmaal meer waard dan goud of heroïne. Als je de hoorns kunt verkopen, ga je de neushoorn echt niet meer doden. ‘Wie slacht er nu de kip met de gouden eieren?’

Één klein probleem: het verkopen van ivoren hoorns is illegaal. Daardoor krijgen jagers, waarbij je dan weer een onderscheid moet maken tussen stropers en commerciële jagers, volledig vrij spel. Deze film zit vol met dergelijke dubbele bodems. Niets is zo eenvoudig als het lijkt. Zo schijnen de big five-dieren aan een opmars bezig te zijn. Nu ze zoveel economische waarde vertegenwoordigen, worden ze veel nadrukkelijker gefokt en keren ze langzaam maar zeker terug in hun land van oorsprong.

Trophy brengt het gehele speelveld van de (commerciële) jacht in kaart; van de jagers en fokkers tot de dierenbeschermers en activisten (voor wie jagen niets minder dan moord is). De documentaire van Shaul Schwartz doet dat kalm en genuanceerd, met oog voor beide kanten van de medaille. Tegelijkertijd komen sommige scènes keihard binnen; alsof je zelf een kogel in het lijf krijgt geschoten, omdat een ander zich zo nodig moet bewijzen.

Mensen zoals Philip Glass – geen zoon van de befaamde componist overigens, maar van een doorgewinterde jager – willen gewoon weten hoe het voelt om een iconisch dier te vellen. ‘Yeah!’, klinkt het uit de grond van zijn hart als hij in Namibië een olifant (in de rug) heeft geschoten. Het beest ligt nog een tijdje hartverscheurend te kermen, voordat het zijn genadeschot krijgt en op de foto mag met de held die hem doodde.

De Afrikaanse medewerkers die Glass naar zijn ‘kill’ hebben begeleid, zijn nochtans niet onder de indruk, zo vertellen ze elkaar stiekem. Het beest is nauwelijks volgroeid. Telt dit wel als een echte olifant? De bebaarde Texaan, die gelooft in zijn ‘god given right’ om te heersen over de dieren, denkt intussen alweer aan zijn volgende prooi, die voor het oog van de camera koud moet worden gemaakt: een leeuw.

Genesis 2.0

Een koudebestendige olifant, die wil de Amerikaanse geneticus George Church best ontwikkelen. Een geheel nieuw dier, juist. Ergens tussen olifant en mammoet. Met zijn lange witte baard heeft de wetenschapper van Harvard University ook wel wat weg van onze lieve Heer.

Semyon Grigoriev, de directeur van het mammoetmuseum in Jakoetsk zou al tevreden zijn met een gewone levende mammoet. Misschien kan zijn broer Peter daarvoor zorgen. Hij is op de Nieuw Siberische Eilanden op jacht naar slagtanden van het allang uitgestorven dier. En misschien stuit hij daarbij tevens op levende cellen van de mammoet. Semyon zegt er maar eentje nodig te hebben.

In Genesis 2.0 (113 min.) buigt een gewone sterveling, regisseur Christian Frei, zich over wetenschap die voor God speelt. Van het combineren van bestaande diersoorten – men neme bijvoorbeeld de gaap of een zorse – tot het klonen van overleden huisdieren. Zo bezien is het reanimeren van de mammoet op termijn ook geen brug te ver. Om over het reproduceren van mensen nog maar niet te spreken.

Terwijl Frei de wereldwijde ontwikkelingen in de synthetische biologie in kaart brengt, is zijn coregisseur Maxim Arbugaev met een groep jagers afgereisd naar het Siberisch poolgebied. Ze houden elkaar op de hoogte middels brieven, die tevens als structurerend element fungeren voor deze overweldigende documentaire. Tegenover de geestdrift en geldingsdrang van ‘s werelds wetenschappers staat de noeste arbeid van gewone mannen in het langzaam smeltende permafrost.

Uitgedaagd door de barbaarse omstandigheden, op hun hoede voor ijsberen en vechtend tegen het gemis van hun naasten doorkruisen ze het onherbergzame gebied, ieder voor zich op zoek naar het ivoor dat hen van een inkomen kan voorzien. Frei begeleidt hun maandenlange queeste met enkele dramatisch getoonzette dichtregels uit een plaatselijk voorouderepos. Want een mammoet, zo leert het bijgeloof, brengt ongeluk.

Tijdens hun zoektocht naar het witte goud stuiten de mannen op een vrijwel intact exemplaar van het kolossale dier, dat daar al tienduizenden jaren moet liggen. Lukt het hen om genetisch materiaal veilig te stellen? En, werpt deze onrustbarende film op: moeten we dat eigenlijk wel willen?

Jane

 

Jane Goodall is als onvermoeibare beschermvrouwe van ’s werelds chimpansees een soort merknaam geworden. Met haar eigen wereldwijde non-profit organisatie, waar je zelfs een aap kunt adopteren. Deze weldadige film gaat terug naar begin jaren zestig toen ze als 26-jarige zonder enige wetenschappelijke ervaring naar Tanzania werd gestuurd om daar een chimpansee-gemeenschap te observeren en zo iets te leren over (de voorvaderen van) de mens.

Haar latere geliefde, de vermaarde Nederlandse natuurfilmer en -fotograaf Hugo van Lawick, maakte prachtig beeldmateriaal van de bevallige Britse met haar onmetelijke liefde voor dieren en de natuur. Materiaal, zonder geluid overigens, dat verloren leek te zijn gegaan. Totdat het in 2014 werd teruggevonden. Honderd uur in totaal. Afgelopen week, 17 jaar na Van Lawicks overlijden, goed voor een Emmy Award. Me ape, you Jane. In alle soorten en maten. Waarbij de man achter de camera zichtbaar fantaseert over ‘me Hugo, you Jane’.

Regisseur Brett Morgen, die eerder ook al een overrompelend mooie biopic maakte over Nirvana-zanger Kurt Cobain, had op alle mogelijke manieren kunnen verdwalen in die overvloedige beeldenpracht, maar heeft er een kleine en intieme vertelling in gevonden, die tevens model staat voor een groter, universeel verhaal. Over hoe intelligente wezens, mensen en dieren, met elkaar samenleven, voor elkaar zorgen of – ja, dat ook! – oorlog voeren.

Jane (90 min.) is bovendien virtuoos gemonteerd. De verhaallijn wordt slim op- en uitgebouwd en op diverse niveaus voorzien van symboliek, waarbij de erg dwingende muziek van Philip Glass uiteindelijk ook helemaal op zijn plek valt. Met deze betoverende film, een fraaie demonstratie van het adagium 1 +1 = 3, opent Brett Morgen een wonderbaarlijke wereld, waarnaar je eigenlijk steeds zou willen terugkeren.

Het Nieuwe Artis

 

Wordt het kalfje van de olifant op tijd geboren? vraagt heel Artis zich af. Op tijd voor de herfstvakantie, welteverstaan. Dat zou volgens de PR-afdeling een mooie publiekstrekker zijn. De verzorgers durven het alleen niet te beloven. En ze vragen zich sowieso af of het weer dan wel goed genoeg is om een piepjong olifantje aan pers en publiek te vertonen.

De lotgevallen van de drachtige olifant en haar nageslacht houden de gemoederen flink bezig in de sterke documentaire Het Nieuwe Artis (84 min.) van Willemiek Kluijfhout (Sergio Herman: Fucking Perfect). De Amsterdamse dierentuin bekommert zich daarnaast om nog een andere bedreigde diersoort. Moet het kinderloze krokodillenpaar misschien een handje worden geholpen bij de voortplanting?

Intussen bezint Artis zich, onder de bezielende leiding van directeur Haig Balian, tevens op zijn bestaansrecht en toekomst. Past het bijvoorbeeld nog wel om wilde dieren op te sluiten, midden in de grote stad? En welke verblijven – hok, mag je niet meer zeggen van de communicatie-afdeling – passen daar het best bij? Het terrein van de stadsdierentuin wordt stevig onder handen genomen en tevens ‘hufterproof’ gemaakt.

Het PR-team neemt zijn taak serieus. Als er nieuws is rond de olifantenfamilie, krijgt dierenverzorger Peter Bleesing heuse talking points mee (die overigens vrijwel letterlijk in dit artikel van Trouw zijn terug te lezen). Artis is ‘een educatief instituut’, leest hij van zijn papier, dat van mening is dat de vermenselijking van dieren, het aan hen ‘toeschrijven van menselijke gevoelens en eigenschappen’, moet worden ingeperkt. Een communicatiemedewerker luistert aandachtig mee.

Artis’ promotionele beslommeringen geven soms een tragikomische feel aan deze gelaagde film, die de binnenkant van een Nederlands instituut blootlegt. In die zin doet Het Nieuwe Artis inderdaad denken aan de veel gelauwerde documentaire Het Nieuwe Rijksmuseum van dezelfde producent, Column Film. De toonzetting is vergelijkbaar, inclusief  vorstelijke muziek en subtiele montage (kondigen die gieren bijvoorbeeld slecht nieuws aan over de olifanten?). En het eindresultaat is bovendien bijna net zo meeslepend.

In de aandoenlijke documentaire Waiting For Giraffes van Marco de Stefanis staat de Palestijnse dierentuin Qalqilya centraal. Directeur Sami Khader wil een internationaal keurmerk voor zijn geesteskind bemachtigen, maar moet daarnaast ook rekening houden met de politieke situatie op de Westelijke Jordaanoever. Want als er een cursus in Israël wordt georganiseerd, mogen niet al zijn medewerkers mee. Sommigen zijn immers ooit betrokken geweest bij de Intifadah.

Safari

 

Het moet de angstdroom zijn van iedere cinefiel: te moeten leven in een wereld die louter wordt bevolkt door Ulrich Seidl-personages. Het kost weinig moeite om je daarbij een voorstelling te maken. Onuitwisbare beelden uit zijn vele films schieten voorbij. Van seksuele perversiteiten in een oververhitte Weense buitenwijk (Hundstage). De man die in z’n kelder trots zijn nazi-parafernalia toont (Im Keller). Of – ik probeer het beeld terstond te verdringen – de oudere Europese dames die zich in Afrika vermaken met viriele donkere mannen (Paradies: Liebe).

De Oostenrijker Seidl, die in zijn carrière regelmatig schakelt tussen speelfilms en documentaire, houdt er een inktzwart mensbeeld op na – en geeft dat met ‘liefde’ en ‘plezier’ door aan zijn publiek. Één blik op de titel van zijn nieuwste documentaire (Safari), de thematiek (plezierjacht) en de filmposter (een stel dat fier poseert bij een gevelde zebra) en de goede verstaander weet alweer genoeg: dit is wederom een film om te bekijken met dichtgeknepen neus, samengeperste billen en een hand die elk moment voor de ogen kan worden geslagen.

Ook het leeuwendeel van de personages in deze schurende film (84 min.) is weer lelijk en dom en houdt er weerzinwekkende denkbeelden op na. Zoals de man die een gnoe liefdevol op zijn kop klopt en bemoedigend toespreekt (‘een goede strijder’) nadat hij hem zelf vanaf een veilige afstand met een geweerschot van het leven heeft beroofd. Met enkele handjes water wordt het dier vervolgens schoongepoetst, en intussen de directe omgeving gefatsoeneerd, zodat de onvermijdelijke heldenfoto kan worden gemaakt van de stoere jager met zijn ontzielde prooi.

Traag en sober registreert Seidl de jacht op kansloze zebra’s en giraffes, die steevast wordt beslecht met een fataal schot, gevierd via een ‘Jagersheil’-groet en vereeuwigd met een fotocamera. Voor buitenstaanders zijn het even trieste als onbegrijpelijke taferelen. Zo nu en dan belicht Safari daarnaast ook de tragikomische aspecten van de plezierjacht. Zo brengen twee dikkige mannen van middelbare leeftijd, boerend en snurkend, urenlang tevergeefs door in een soort schutterscabine. De lulligheid ten top.

Intussen laat Seidl de jagers tijdens zorgvuldig geënsceneerde interviews langzaam maar zeker helemaal leeglopen. Nadat ze de zegeningen van de jacht hebben geteld en hun activiteiten (voor zichzelf) hebben gerechtvaardigd, belanden ze uiteindelijk in troebeler water en brengt Seidl hen in verband met een soort koloniaal racisme, waarbij zwarten letterlijk het vuile werk mogen opknappen voor witte mannen. Het is de venijnige pointe van een vertrouwd ongemakkelijke Seidl-film.

Trophy, één van de beste documentaires die ik dit jaar zag, buigt zich eveneens over de plezierjacht, op de zogenaamde Big Five in het bijzonder. Iedere zichzelf respecterende jager zou een buffel, luipaard, olifant, leeuw en neushoorn moeten hebben geschoten. Filmmaker Shaul Schwartz gaat genuanceerd te werk en belicht meerdere perspectieven op het controversiële thema. Deze film stemt beslist tot nadenken, maar is, voor zover ik weet, nog niet online of op televisie te bekijken.