Last Breath

‘Christopher omschreef het als de ruimte ingaan, maar dan onder water’, zegt Morag, de vriendin van Chris Lemons. De Schotse dertiger is één van de drie duikers die in 2012 betrokken raakt bij een ernstig ongeluk op het schip Topaz. Chris heeft zijn schaapjes op dat moment behoorlijk op het droge: hij slaagde erin om van zijn grote passie, duiken, zijn beroep te maken, is een huis aan het bouwen en staat op het punt om in het huwelijksbootje te stappen. En dan wordt de levenslijn tussen het schip en de saturatieduiker, die zich op bijna honderd meter diepte in de Noordzee bevindt, op brute wijze doorgesneden…

Het is een unieke wereld, die in de zinderende documentaire Last Breath (85 min.) wordt opgeroepen. Van professionele duikers die onder water onderhoudswerk en reparaties uitvoeren. Het is een beroep met geheel eigen normen en waarden, codes én jargon. Als het duikondersteuningsvaartuig Topaz bijvoorbeeld in ’Dynamic Positioning’ (verankerd aan de zeebodem) is gebracht, kunnen de drie duikers hun ’bell’ (een soort aparte eenheid die vanaf de boot in de zee wordt afgezonken) verlaten om hun werk te gaan doen. Ze blijven intussen verbonden met hun basis via een ’umbilical’ (een soort navelstreng die zorgt voor warmte, licht en zuurstof en waarmee ze met hun collega’s kunnen communiceren).

Op die bewuste septemberdag in 2012, als de Topaz zich op enkele honderden kilometers van Aberdeen op zee bevindt, zorgt een computerfout ervoor dat de Dynamic Position crasht. Het schip raakt daardoor op drift. Als de umbilical van Chris vervolgens knapt, is hij aan de Goden overgeleverd. Én aan zijn twee directe collega’s in de bell: de ervaren Duncan Allcock, die hem wegwijs heeft gemaakt op de zeebodem, en de stoïcijnse Dave Yuasa, die ‘gewoon’ zijn werk doet. ‘Ik was niet erg overstuur over Chris’, herinnert die laatste zich. ‘Dit kan gebeuren. Hij was niet mijn beste vriend of één van m’n kinderen. ’ En juist deze koele kikker wordt erop uitgestuurd om op zoek te gaan naar de collega die wel eens levenloos in het donkere water zou kunnen liggen.

Het is een absoluut horrorscenario voor alle betrokkenen, die het tragische ongeluk in deze bijzonder vernuftig geconstrueerde film van Alex Parkinson en Richard da Costa nog eens stapsgewijs doornemen. Daarbij kijken ze recht in de camera, de spanning en emotie van het moment herbelevend. Hun relaas wordt kracht bijgezet met een vloeiende combinatie van authentiek beeldmateriaal van het drama, onder anderen gemaakt met helmcamera’s van de crewleden, en speciaal voor de film gemaakte reconstructiebeelden. Zo ontstaat in deze lekker vet aangezette documentaire, één van de beste films die ik tot dusver zag in 2019, een bloedstollende race tegen de klok die niet had misstaan in een Hollywood-blockbuster. Kunnen ze Chris vinden? Is hij überhaupt nog in leven?

Darwin’s Nightmare

Het begint met een visje. De nijlbaars, uitgezet in het Victoriameer. In het kader van een ‘klein wetenschappelijk experiment’, een halve eeuw geleden. Moddervet wordt hij tegenwoordig uit het water gevist. Enkele honderden kilo’s zwaar. Daarvan kunnen talloze visfilets worden gemaakt. En die vinden gretig aftrek in het rijke Westen. Vliegtuigen vliegen af en aan.

Het lijkt een economisch succesverhaal, die nijlbaars. De gehele Tanzaniaanse regio Mwanza verdient er zijn brood mee. De vraatzuchtige baars heeft alleen het hele meer leeggeroofd. Alle andere vissoorten zijn zowat uitgestorven. De symboliek daarvan is onontkoombaar: het hart van Afrika wordt nog altijd rücksichtslos vertrapt en geplunderd door witte mannen.

Alle hoofdpersonen van Darwin’s Nightmare (106 min.) uit 2004 zitten helemaal vast in dat volledig verrotte systeem. Of ze nu vissen, vliegen, bewaken, rondzwerven, hel en verdoemenis prediken, lijm snuiven, Aids hebben of moeten hoereren. De Oostenrijkse filmmaker Hubert Sauperconstateert tevens dat die gewilde vis bij hen niet voor goedgevulde magen zorgt. Zij moeten het doen met de bijzonder onsmakelijk ogende restjes van hun eigen exportproduct – of lijden gewoon honger.’

Hier gelden de wetten van de jungle’, vertelt Mkono, een voormalige leraar die tegenwoordig een visserskamp runt, nuchter. ‘Sterke en stoere dieren hebben nu eenmaal meer kans om te overleven dan zwakke exemplaren.’ Hij beschouwt de Europeanen inmiddels als sterker dan de rest. Zij hebben immers het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank in hun zak. Het is een bittere constatering, waar je als westerling eigenlijk liever niet al te lang over nadenkt. Zeker als je de gevolgen in Afrika overziet.

En zijn de vliegtuigen waarmee Russische piloten de vis vrijwel dagelijks afvoeren naar de andere kant van de wereld werkelijk leeg als ze in Tanzania arriveren? De vraag stellen is hem beantwoorden. En het antwoord dat Sauper uiteindelijk weet te ontfutselen aan al zijn verschillende bronnen maakt de slotsom van deze grimmige film, die bij de European Film Awards werd gekozen tot beste documentaire en tevens werd genomineerd voor een Oscar, nog eens extra wrang.

En het is allemaal ooit begonnen met een visje…

Our Planet

Probeer als ongelovige Thomas maar eens vol te houden dat er géén opperwezen bestaat als je de uitbundige natuurpracht in Our Planet (399 min.) beziet. Letterlijk de hele wereld lijkt met zowel een holistische blik als een enorm oog voor detail te zijn samengesteld en is in deze groots opgezette documentaireserie bovendien op majestueuze wijze vereeuwigd. Neem bijvoorbeeld de mannelijke zwaluwstaart-manakins, felblauwe vogels met een oranje kop. In het tropische woud voeren ze als groep een paringsdans op voor een te bevruchten vrouwtje. Voor één van hen pakt het ritueel goed uit. Hij mag kortstondig samenzijn met de lieftallige dame. De anderen kijken belangstellend toe.

Het is deze natuurserie ten voeten uit: Our Planet mag dan een project van ongeëvenaarde schaal zijn, waarvoor 2,5 jaar is gefilmd op alle continenten. Van de producenten die eerder Blue Planet, Planet Earth en Frozen Planet (Alastair Fothergill) en African Cats en North America (Keith Scholey) afleverden. Uiteindelijk is deze achtdelige reeks echter eerst en vooral een aaneenschakeling van kleine en grotere verhalen over individuele en groepen dieren: luipaarden die elkaar kortstondig het hof maken, een bekerplant waar de mieren als vanzelf inregenen en – natuurlijk – de natuur op zijn wreedst: een groep kariboes die net zo lang door een roedel hongerige wolven wordt opgejaagd, totdat één van hen het niet meer kan bijbenen.

Bioloog, programmamaker en verteller David Attenborough, inmiddels dik in de negentig, neemt de weerloze mens in elke aflevering mee naar een ander soort leefgebied: van de jungle en het poolgebied tot de woestijn en de wondere wereld onder de zeespiegel. Met gevoel voor drama en kien oog voor detail. Grootse, bijna bombastische beelden van grote groepen dieren en verpletterend natuurgeweld worden voortdurend afgewisseld met kleine, intieme vertellinkjes over individuele dieren die het moeilijk hebben of juist floreren. Attenboroughs boeiende observaties, in combinatie met afwisselend subtiele en zwaar aangezette muziek, smeden al die losse elementen aaneen.

Our Planet, gemaakt in samenwerking met het Wereld Natuur Fonds, heeft zonder twijfel een alarmerende ondertoon: dit is de wereld zoals we hem nu kennen en waarvan we bepaalde delen nog altijd beter zouden moeten leren kennen, maar het is ook een wereld die aan het verdwijnen is. Door ingrijpen van de mens dreigen de biotopen van bepaalde diersoorten steeds kleiner te worden of zelfs te verdwijnen, zodat iconische schepsels als de ijsbeer, woestijnolifant en Siberische tijger (waarvan unieke beelden van het dier in zijn eigen territorium, de taiga, zijn te zien) serieus in hun voortbestaan worden bedreigd. Of, vroeg ik me even af, moeten we erop vertrouwen dat dat eventuele opperwezen het nooit zover zal laten komen met de wereld die hij in al zijn veelzijdigheid creëerde?

Piripkura

In de ogen van de kijker hebben de twee mannen allang een mythische status gekregen als ze na ruim 48 minuten eindelijk voor het eerst in beeld verschijnen. Pakyî en Tamandua, de laatste vertegenwoordigers van een compleet volk, de nomadenstam Piripkura (81 min.) Vooruit: Pakyî heeft ook nog een zus, Rita. Toen zo’n dertig jaar geleden vrijwel hun gehele familie werd uitgemoord door blanken, heeft zij het leven in het Braziliaanse regenwoud echter achter zich gelaten. Ze trouwde met een lid van een andere inheemse stam en ging in een normaal huis wonen in de deelstaat Mato Grosso.

Rita’s broer Pakyî is altijd gebleven waar hij was. Samen met zijn neef Tamandua. En het is alweer enkele jaren geleden dat het tweetal, dat afgezonderd in de jungle leeft, is gespot. Jair Candor, medewerker van de overheidsdienst voor bescherming van de inheemse bevolking, FUNAI, zet een expeditie op om vast te stellen of de twee mannen nog in leven zijn. Want dat is een voorwaarde om de beschermde status van hun stukje regenwoud weer voor twee jaar te verlengen. Houtzagerijen en boerenbedrijven staan al in de startblokken om het leefgebied van de Piripkura over te nemen.

De filmmakers Renata TerraBruno Jorge en Mariana Oliva vergezellen Candor, die zich al sinds eind jaren tachtig sterk maakt voor inheemse volkeren zoals de Piripkura, op zijn queeste om Pakyî en Tamandua te vinden en bewijs van hun bestaan te verzamelen. Dat is bepaald niet gemakkelijk. De mannen houden zich het liefst verre van de bewoonde wereld en laten zich bepaald niet zomaar vinden. En dat is niet vreemd: de Piripkura hebben louter slechte ervaringen met blanken. Te langen leste verschijnen de twee mannen toch ten tonele. De fakkel die ze sinds 1998 (!) brandende hebben gehouden is gedoofd. Ze hebben vuur nodig…

Pakyî en Tamandua ogen in alle opzichten als een bedreigde diersoort. Ze houden steeds een zekere afstand, zoeken lichamelijk voortdurend steun bij elkaar en zijn, zonder enige vorm van waarneembare schaamte, helemaal naakt. Meer dan een bijl en die gedoofde toorts hebben ze niet. Toch weten de mannen al jaren te overleven in het regenwoud en lijken ze kerngezond. De twee Pirpkura zijn duidelijk ook heel vertrouwd met elkaar – zie ze maar eens samen in een hangmat liggen. Communiceren met hen is echter verdraaid moeilijk. Ze hebben samen een soort koeterwaals ontwikkeld, dat zelfs Rita niet altijd kan ontcijferen, en willen bovendien het liefst meteen, met hernieuwd vuur, weer terugkeren naar hun natuurlijke biotoop.

Tijdens het International Documentary Festival Amsterdam werd Piripkura beloond met de Human Rights Award. ‘Met dit aangrijpende en bijzondere verhaal raken de filmmakers aan een brede reeks van kwesties die hoog op de wereldagenda voor mensenrechten zouden moeten staan’, aldus de jury. De zoektocht naar de ontwapenende mannen, dwars door een met veel oog voor detail vastgelegd tropisch regenwoud, en de tamelijk ongemakkelijke ontmoeting van Pakyî en Tamandua met Jair Candor, een man die toch echt het beste met hen voor heeft, heeft inderdaad een fascinerende film tot gevolg, die zowel ontroert als tot nadenken stemt.

Zien we hier, op de valreep vereeuwigd voor toekomstige generaties, daadwerkelijk De Laatste(n) Der Piripkura?

De Vrouwen Van Venserpolder

In de Amerikaanse stad Detroit, jarenlang zo’n beetje het toonbeeld van stedelijk verval, deed het fenomeen al enige tijd geleden opgeld: moestuinen, in het hart van de stad. Ofwel: ‘a holististic approach to neighborhood revitalization’. Het is niet meer dan logisch dat in of vlakbij de Nederlandse Bijlmer een soortgelijk initiatief is ontstaan.

De binnentuin van woonblok tien in de wijk Venserpolder, gebouwd in de jaren tachtig, was vanwege overlast jarenlang verboden terrein. Inmiddels is de tuin weer geopend. Vrouwelijke bewoners, veelal van Surinaamse afkomst en zonder echtgenoot, zijn er een stadstuin begonnen en leren zo de wereld om hen heen en – vooral – elkaar beter kennen. ‘Oma’ Meli heeft bijvoorbeeld nog altijd heimwee naar Suriname, maar bouwt te midden van zelf verbouwde groenten echt een vriendenkring op.

In de observerende documentaire De Vrouwen Van Venserpolder (47 min.) van Eva de Breed spelen mannen nauwelijks een rol. Ze zitten werkeloos achter de geraniums, verblijven in de gevangenis of zijn, gewoon, afwezig. Wijkbeheerder Ulrich Wilson, in een grijs verleden profvoetballer bij Ajax, Ipswich Town en FC Groningen, kan erover meepraten. Hij zat ooit drie jaar thuis. ‘En dat is gewoon niet goed voor je bovenkamer. Daar gebeurt dan niks. En daar word je niet gelukkig van.’

Gaandeweg sijpelt de buitenwereld ook stiekem de tuin in. Van het wegwerken van schulden tot familieleden die het verkeerde pad op dreigen te gaan. Terwijl de vrouwen groenten verbouwen, ontstaan er nieuwe sociale verbanden en krijgt de urban jungle om hen heen weer voorzichtig de kleur groen. Dat is de optimistische boodschap van De Vrouwen Van Venserpolder, dat laat zien hoe een klein initiatief de sociale cohesie in een wijk kan vergroten.

Drømmeland

Als het maar geen Into The Wild wordt, verzucht Mijn Medekijker als de begintitels van Drømmeland in beeld verschijnen. En inderdaad, de keuze van de zestigjarige Noor Nils Leidal doet in de verte denken aan de tragisch geëindigde terugtocht in de natuur van Christopher McCandless, zoals die werd verfilmd door Sean Penn en van een soundtrack voorzien door Pearl Jam-zanger Eddie Vedder.

Drømmeland (72 min.) van Joost van der Wiel is echter geen treurig stemmende film over een loner die lijdzaam zijn einde tegemoet gaat. Nils is een strijdbare man, die bij aanvang van deze observerende documentaire officieel afstand doet van zijn Noorse staatsburgerschap, demonstratief zijn paspoort verbrandt en de samenleving vervolgens officieel de rug toe keert, om in z’n eentje zijn heil te zoeken in een houten hut in het Hardangervidda-gebergte.

Mijn Medekijker moet zelfs grinniken als Nils door het een of ander dier wordt gestoord terwijl hij net poedelnaakt van de zon ligt te genieten. Half aangekleed en gewapend met zijn buks gaat hij erachteraan. Niet veel later heeft hij een eland geschoten en wordt die voor de camera gevild en leeg getrokken. Nou smakelijk!, vindt Medekijker. Na afloop neemt Nils er voldaan een drankje op. Hij heeft voorlopig weer te eten.

Toch zondert de overtuigde autonoom zich niet volledig af van de wereld zoals wij die kennen. Behalve de gesprekken met zijn trouwe paard Lettir houdt de man via zijn iPhone ook voortdurend voeling met de wereld die hij heeft achtergelaten. De solitaire Nils, die natuurlijk ook al regelmatig wordt gevolgd door een cameraploeg, blijkt toch meer behoefte te hebben aan menselijk contact, een publiek zelfs, dan hij zelf had gedacht.

Van der Wiel laat die drang om te communiceren, om ondanks alles mens onder de mensen te zijn, steeds duidelijker naar de oppervlakte komen in deze sfeervolle film, waarbij de soundtrack van componist Tobias Borkert echt een wezenlijk onderdeel van het verhaal vertelt. Drømmeland roept zo de vraag op of moderne mensen nog in staat zijn om de wereld links (of in het geval van Nils Leidal: rechts) te laten liggen? De zelfverkozen kluizenaar Nils Leidal is, volgens Mijn Medekijker, in elk geval ‘gewoon’ een sociaal dier.

Nanook Of The North

Iedere zichzelf respecterende documentairekenner heeft Nanook Of The North gezien. De film uit 1922 wordt beschouwd als de allereerste officiële documentaire, een filmgenre dat door de Schotse filmpionier John Grierson enkele jaren later werd gedefinieerd als ‘een creatieve behandeling van de werkelijkheid’.

Iedere zichzelf respecterende documentairekenner, behalve ik. Verder dan enkele scènes uit dit portret van de Inuit Nanook, bijgenaamd ‘de beer’, en zijn schattige gezin uit het noorden van Ungava, nabij de Canadese Hudsonbaai, was ik eerlijk gezegd nooit gekomen. Tot afgelopen week. Uitroepteken. Waar een zelf opgelegd docuregime, dat wekelijks uitmondt in deze nieuwsbrief, al niet toe kan leiden…

Voordat lezers me en masse gaan bedanken, zeg ik nu alvast: graag gedaan! En ik raad iedereen, met enige interesse in filmhistorie en verdwijnende exotische culturen, aan om mijn voorbeeld te volgen. De lotgevallen van de eskimo-familie, die vanaf 1910 regelmatig werd bezocht door spoorwegavonturier Robert Flaherty, zijn vervat in een heus verhaal, waarbij de filmmaker heeft gekozen voor enkele duidelijke hoofdpersonen en de waarheid zo nu en dan ook een handje helpt.

Ten tijde van de filmopnames had Nanook naar verluidt allang een geweer tot zijn beschikking. Voor Flahertys camera wilde hij echter nog wel eens ouderwets met een speer vissen en op jacht gaan naar vossen, zeehonden en walrussen. En ook de iglo die de man besluit te bouwen schijnt speciaal voor de documentaire te zijn gefabriceerd. Sterker: het was een halve iglo. Want anders konden ze met hun logge en weinig lichtgevoelige camera de binnenkant niet filmen.

De documentaire ziet er dan ook prachtig uit, zeker als je bedenkt dat het medium film destijds echt in de kinderschoenen stond. Nanook Of The North stamt uit de tijd dat films zonder geluid en met heel veel, in dit geval ook bomvolle, tekstkaarten werden opgeleverd. Het geheel is daarom dicht gesmeerd met een tamelijk opdringerige soundtrack, die elk gemis van natuurlijk geluid in de kiem moet sporen. Voor hedendaagse oren blijft dat lastig. Zeker als Nanook, in een scène met een hoog kraaltjes-en-spiegeltjes gehalte, een antieke platenspeler, ‘waarmee de witte man zijn stem inblikt’, mag uitproberen.

Toen de documentaire met veel succes werd uitgebracht in de bioscoop, was de vindingrijke hoofdpersoon, volgens regisseur Flaherty, overigens al overleden. Nanook stierf naar verluidt de hongerdood, die hij in deze onbetwiste filmklassieker ruim vijf kwartier, met het nodige kunst- en vliegwerk, op afstand weet te houden. Bijna een eeuw later leeft de Inuit nog altijd voort, als een representant van een uitgestorven leefwijze en als allereerste held uit de documentairegeschiedenis.

Schapenheld

Er zijn dagen waarop de gemiddelde Nederlander niet mijmert over de toestand van de vaderlandse heide. Totdat je dat typische landschap krijgt te zien zoals schaapsherder Stijn Hilgers het dagelijks ziet – of beter: zoals filmmaker Ton van Zantvoort de hei laat zien in zijn meeslepende documentaire Schapenheld (80 min.). Een uitgestrekt landschap, waar de kou nog van de grond opstijgt, de opkomende ochtendzon de lucht blauw-oranje kleurt en een man met een hoed en zijn trouwe metgezel Hekske, een ‘flapdrol’ van een hond, hun kudde naar graasplekken leiden. ‘Dat is mijn werk’, stelt Hilgers in karakteristieke krachttaal met Brabantse tongval. ‘Zorgen dat die schapen hun pens volvreten op de goeie plekkies.’

Zo ongeveer zou een Nederlandse versie van het Wilde Westen eruit zien, met Hilgers als de onverschrokken held die sneller (verwensingen) schiet dan zijn eigen schaduw. Verweerde kop, twee oorringen in en het haar samengebonden in een staartje. Stuurs in de verte starend, zo nu en dan trekkend aan het shaggie in zijn hand. Onversaagd trekt hij ten strijde voor het behoud van de vaderlandse heide en zijn eigen bedreigde stiel. Ondertussen onophoudelijk foeterend op de Nederlandse regeltjeszucht en de, ja, neoliberalisering van het natuurbehoud. Want zelfs een authentieke schaapsherder, een beroep dat toch op de lijst van immaterieel cultureel erfgoed staat, moet concurreren. Totdat-ie er kapot aan gaat.

‘Openheid, rust, ruimte’, zocht de schaapsherder ooit in het vak, dat hem soms acht tot tien uur per dag alleen op de hei brengt. ‘Vrijheid. Dingen die ik zelf heb gekozen, die me niet opgelegd zijn. Dát. Simpel leven.’ Hilgers – of beter: filmmaker Van Zantvoort – laat een korte pauze vallen. ‘Dacht ik.’ En dan is het weer even stil, totdat Hilgers op zijn bouwradio stevige dansmuziek aanzet en zijn schapen begint te scheren. In die beginquote van de documentaire zit het complete drama van de film verscholen. Want de solitaire herder krijgt nauwelijks meer ruimte om zich te bewegen. Als de schapenheld, met zwarte hoed overigens, zijn kudde van de ene naar de andere wei dient te verplaatsen, moet hij bijvoorbeeld uit de minste van twee kwaden kiezen: door het bos kan een boete van de boswachter opleveren, door het dorp betekent andere mogelijke ellende.

Hilgers kiest overtuigd voor het laatste. Het ziet er ook majestueus uit, zo’n stoet schapen die door het dorp heen trekt. Een beeld uit lang vervlogen tijden. ‘Hadden ze bijna dat gloednieuwe gazon te grazen genomen’, roept de herder grappend naar enkele kijkende bewoners. Niet veel later krijgt hij de politie op zijn dak: de beesten hebben keutels achtergelaten nabij een ijssalon. ‘Het is afgelopen met dit vak, hier in Nederland’, foetert de man in kwestie machteloos. Het is één van de sleutelscènes van deze knarsetandende film, die past in een traditie van vaderlandse documentaires over plattelanders die langzaam maar zeker helemaal vastlopen in het moderne Nederland, zoals De Kleine Oorlog Van Boer Kok of Het Mysterie Van De Melkrobots.

Altijd weer is er het gevecht met de ‘teringlijers’ en de noodzaak om samen met zijn vrouw Anna op de één of andere manier, vraag niet hoe, de eindjes aan elkaar te knopen. De geboren rebel Hilgers – laten we hem een wolf in schaapskleren noemen – moet de tering naar de nering zetten en ziet zich bijvoorbeeld gedwongen om allerlei commerciële activiteiten te ontplooien. Van Zantvoort legt ‘s mans strijd tegen de bierkaai met compassie vast en brengt intussen het verdwijnende, of op zijn minst veranderende, beroep van schapenherder prachtig in beeld. De onontkoombare keuze waar Stijn Hilgers uiteindelijk voor komt te staan wordt ondertussen uitstekend invoelbaar.

Trophy

Weinig berichten zorgen op de sociale media voor meer verontwaardiging dan de selfies van plezierjagers die met een tandpastasmile, doorgeladen geweer en opgestoken duim poseren bij een wild dier dat ze zojuist hebben geschoten. De Texaanse schapenhouder Philip Glass, één van de hoofdpersonen van de prachtige documentaire Trophy (88 min.) is zo’n westerling. Nadat hij zijn zoontje Jasper thuis zijn eerste hert heeft laten schieten, gaat hij in Afrika op zoek naar de heilige graal van de jacht, The Big Five.

Want een beetje jager, die bereid en in staat is om de poeplap eens stevig te trekken, heeft ze op zijn palmares staan: een buffel (9000 dollar), luipaard (20.000), olifant (45.000), leeuw (50.000) en neushoorn (350.000). De prijs is afhankelijk van de beschikbaarheid van de dieren. Als ze bijna zijn uitgestorven en de vraag dus het aanbod overstijgt, ligt die natuurlijk hoger. Zo werkt de economie nu eenmaal, ook in de commerciële jacht.

Vanuit een rijtjeshuis in een nette Nederlandse stadswijk is het heel verleidelijk om Glass en de zijnen direct te veroordelen. De situatie ligt echter genuanceerder dan je in eerste instantie zou denken. Door neushoorns van hun hoorn te ontdoen, bescherm je hen, meent de Zuid-Afrikaan John Hume bijvoorbeeld. Ivoor is nu eenmaal meer waard dan goud of heroïne. Als je de hoorns kunt verkopen, ga je de neushoorn echt niet meer doden. ‘Wie slacht er nu de kip met de gouden eieren?’

Één klein probleem: het verkopen van ivoren hoorns is illegaal. Daardoor krijgen jagers, waarbij je dan weer een onderscheid moet maken tussen stropers en commerciële jagers, volledig vrij spel. Deze film zit vol met dergelijke dubbele bodems. Niets is zo eenvoudig als het lijkt. Zo schijnen de big five-dieren aan een opmars bezig te zijn. Nu ze zoveel economische waarde vertegenwoordigen, worden ze veel nadrukkelijker gefokt en keren ze langzaam maar zeker terug in hun land van oorsprong.

Trophy brengt het gehele speelveld van de (commerciële) jacht in kaart; van de jagers en fokkers tot de dierenbeschermers en activisten (voor wie jagen niets minder dan moord is). De documentaire van Shaul Schwartz doet dat kalm en genuanceerd, met oog voor beide kanten van de medaille. Tegelijkertijd komen sommige scènes keihard binnen; alsof je zelf een kogel in het lijf krijgt geschoten, omdat een ander zich zo nodig moet bewijzen.

Mensen zoals Philip Glass – geen zoon van de befaamde componist overigens, maar van een doorgewinterde jager – willen gewoon weten hoe het voelt om een iconisch dier te vellen. ‘Yeah!’, klinkt het uit de grond van zijn hart als hij in Namibië een olifant (in de rug) heeft geschoten. Het beest ligt nog een tijdje hartverscheurend te kermen, voordat het zijn genadeschot krijgt en op de foto mag met de held die hem doodde.

De Afrikaanse medewerkers die Glass naar zijn ‘kill’ hebben begeleid, zijn nochtans niet onder de indruk, zo vertellen ze elkaar stiekem. Het beest is nauwelijks volgroeid. Telt dit wel als een echte olifant? De bebaarde Texaan, die gelooft in zijn ‘god given right’ om te heersen over de dieren, denkt intussen alweer aan zijn volgende prooi, die voor het oog van de camera koud moet worden gemaakt: een leeuw.

Genesis 2.0

Een koudebestendige olifant, die wil de Amerikaanse geneticus George Church best ontwikkelen. Een geheel nieuw dier, juist. Ergens tussen olifant en mammoet. Met zijn lange witte baard heeft de wetenschapper van Harvard University ook wel wat weg van onze lieve Heer.

Semyon Grigoriev, de directeur van het mammoetmuseum in Jakoetsk zou al tevreden zijn met een gewone levende mammoet. Misschien kan zijn broer Peter daarvoor zorgen. Hij is op de Nieuw Siberische Eilanden op jacht naar slagtanden van het allang uitgestorven dier. Misschien stuit hij daarbij tevens op levende cellen van de mammoet. Semyon zegt er maar eentje nodig te hebben.

In Genesis 2.0 (113 min.) buigt een gewone sterveling, regisseur Christian Frei, zich over wetenschap die voor God speelt. Van het combineren van bestaande diersoorten – men neme bijvoorbeeld de gaap of een zorse – tot het klonen van overleden huisdieren. Zo bezien is het reanimeren van de mammoet op termijn ook geen brug te ver. Om over het reproduceren van mensen nog maar niet te spreken.

Terwijl Frei de wereldwijde ontwikkelingen in de synthetische biologie in kaart brengt, is zijn coregisseur Maxim Arbugaev met een groep jagers afgereisd naar het Siberisch poolgebied. Ze houden elkaar op de hoogte middels brieven, die tevens als structurerend element fungeren voor deze overweldigende documentaire. Tegenover de geestdrift en geldingsdrang van ‘s werelds wetenschappers staat de noeste arbeid van gewone mannen in het langzaam smeltende permafrost.

Uitgedaagd door de barbaarse omstandigheden, op hun hoede voor ijsberen en vechtend tegen het gemis van hun naasten doorkruisen ze het onherbergzame gebied, ieder voor zich op zoek naar het ivoor dat hen van een inkomen kan voorzien. Frei begeleidt hun maandenlange queeste met enkele dramatisch getoonzette dichtregels uit een plaatselijk voorouderepos. Want een mammoet, zo leert het bijgeloof, brengt ongeluk.

Tijdens hun zoektocht naar het witte goud stuiten de mannen op een vrijwel intact exemplaar van het kolossale dier, dat daar al tienduizenden jaren moet liggen. Lukt het hen om genetisch materiaal veilig te stellen? En, werpt deze onrustbarende film op: moeten we dat eigenlijk wel willen?

Jane

 

Jane Goodall is als onvermoeibare beschermvrouwe van ’s werelds chimpansees een soort merknaam geworden. Met haar eigen wereldwijde non-profit organisatie, waar je zelfs een aap kunt adopteren. Deze weldadige film gaat terug naar begin jaren zestig toen ze als 26-jarige zonder enige wetenschappelijke ervaring naar Tanzania werd gestuurd om daar een chimpansee-gemeenschap te observeren en zo iets te leren over (de voorvaderen van) de mens.

Haar latere geliefde, de vermaarde Nederlandse natuurfilmer en -fotograaf Hugo van Lawick, maakte prachtig beeldmateriaal van de bevallige Britse met haar onmetelijke liefde voor dieren en de natuur. Materiaal, zonder geluid overigens, dat verloren leek te zijn gegaan. Totdat het in 2014 werd teruggevonden. Honderd uur in totaal. Afgelopen week, 17 jaar na Van Lawicks overlijden, goed voor een Emmy Award. Me ape, you Jane. In alle soorten en maten. Waarbij de man achter de camera zichtbaar fantaseert over ‘me Hugo, you Jane’.

Regisseur Brett Morgen, die eerder ook al een overrompelend mooie biopic maakte over Nirvana-zanger Kurt Cobain, had op alle mogelijke manieren kunnen verdwalen in die overvloedige beeldenpracht, maar heeft er een kleine en intieme vertelling in gevonden, die tevens model staat voor een groter, universeel verhaal. Over hoe intelligente wezens, mensen en dieren, met elkaar samenleven, voor elkaar zorgen of – ja, dat ook! – oorlog voeren.

Jane (90 min.) is bovendien virtuoos gemonteerd. De verhaallijn wordt slim op- en uitgebouwd en op diverse niveaus voorzien van symboliek, waarbij de erg dwingende muziek van Philip Glass uiteindelijk ook helemaal op zijn plek valt. Met deze betoverende film, een fraaie demonstratie van het adagium 1 +1 = 3, opent Brett Morgen een wonderbaarlijke wereld, waarnaar je eigenlijk steeds zou willen terugkeren.

Het Nieuwe Artis

 

Wordt het kalfje van de olifant op tijd geboren? vraagt heel Artis zich af. Op tijd voor de herfstvakantie, welteverstaan. Dat zou volgens de PR-afdeling een mooie publiekstrekker zijn. De verzorgers durven het alleen niet te beloven. En ze vragen zich sowieso af of het weer dan wel goed genoeg is om een piepjong olifantje aan pers en publiek te vertonen.

De lotgevallen van de drachtige olifant en haar nageslacht houden de gemoederen flink bezig in de sterke documentaire Het Nieuwe Artis (84 min.) van Willemiek Kluijfhout (Sergio Herman: Fucking Perfect). De Amsterdamse dierentuin bekommert zich daarnaast om nog een andere bedreigde diersoort. Moet het kinderloze krokodillenpaar misschien een handje worden geholpen bij de voortplanting?

Intussen bezint Artis zich, onder de bezielende leiding van directeur Haig Balian, tevens op zijn bestaansrecht en toekomst. Past het bijvoorbeeld nog wel om wilde dieren op te sluiten, midden in de grote stad? En welke verblijven – hok, mag je niet meer zeggen van de communicatie-afdeling – passen daar het best bij? Het terrein van de stadsdierentuin wordt stevig onder handen genomen en tevens ‘hufterproof’ gemaakt.

Het PR-team neemt zijn taak serieus. Als er nieuws is rond de olifantenfamilie, krijgt dierenverzorger Peter Bleesing heuse talking points mee (die overigens vrijwel letterlijk in dit artikel van Trouw zijn terug te lezen). Artis is ‘een educatief instituut’, leest hij van zijn papier, dat van mening is dat de vermenselijking van dieren, het aan hen ‘toeschrijven van menselijke gevoelens en eigenschappen’, moet worden ingeperkt. Een communicatiemedewerker luistert aandachtig mee.

Artis’ promotionele beslommeringen geven soms een tragikomische feel aan deze gelaagde film, die de binnenkant van een Nederlands instituut blootlegt. In die zin doet Het Nieuwe Artis inderdaad denken aan de veel gelauwerde documentaire Het Nieuwe Rijksmuseum van dezelfde producent, Column Film. De toonzetting is vergelijkbaar, inclusief  vorstelijke muziek en subtiele montage (kondigen die gieren bijvoorbeeld slecht nieuws aan over de olifanten?). En het eindresultaat is bovendien bijna net zo meeslepend.

In de aandoenlijke documentaire Waiting For Giraffes van Marco de Stefanis staat de Palestijnse dierentuin Qalqilya centraal. Directeur Sami Khader wil een internationaal keurmerk voor zijn geesteskind bemachtigen, maar moet daarnaast ook rekening houden met de politieke situatie op de Westelijke Jordaanoever. Want als er een cursus in Israël wordt georganiseerd, mogen niet al zijn medewerkers mee. Sommigen zijn immers ooit betrokken geweest bij de Intifadah.

Safari

 

Het moet de angstdroom zijn van iedere cinefiel: te moeten leven in een wereld die louter wordt bevolkt door Ulrich Seidl-personages. Het kost weinig moeite om je daarbij een voorstelling te maken. Onuitwisbare beelden uit zijn vele films schieten voorbij. Van seksuele perversiteiten in een oververhitte Weense buitenwijk (Hundstage). De man die in z’n kelder trots zijn nazi-parafernalia toont (Im Keller). Of – ik probeer het beeld terstond te verdringen – de oudere Europese dames die zich in Afrika vermaken met viriele donkere mannen (Paradies: Liebe).

De Oostenrijker Seidl, die in zijn carrière regelmatig schakelt tussen speelfilms en documentaire, houdt er een inktzwart mensbeeld op na – en geeft dat met ‘liefde’ en ‘plezier’ door aan zijn publiek. Één blik op de titel van zijn nieuwste documentaire (Safari), de thematiek (plezierjacht) en de filmposter (een stel dat fier poseert bij een gevelde zebra) en de goede verstaander weet alweer genoeg: dit is wederom een film om te bekijken met dichtgeknepen neus, samengeperste billen en een hand die elk moment voor de ogen kan worden geslagen.

Ook het leeuwendeel van de personages in deze schurende film (84 min.) is weer lelijk en dom en houdt er weerzinwekkende denkbeelden op na. Zoals de man die een gnoe liefdevol op zijn kop klopt en bemoedigend toespreekt (‘een goede strijder’) nadat hij hem zelf vanaf een veilige afstand met een geweerschot van het leven heeft beroofd. Met enkele handjes water wordt het dier vervolgens schoongepoetst, en intussen de directe omgeving gefatsoeneerd, zodat de onvermijdelijke heldenfoto kan worden gemaakt van de stoere jager met zijn ontzielde prooi.

Traag en sober registreert Seidl de jacht op kansloze zebra’s en giraffes, die steevast wordt beslecht met een fataal schot, gevierd via een ‘Jagersheil’-groet en vereeuwigd met een fotocamera. Voor buitenstaanders zijn het even trieste als onbegrijpelijke taferelen. Zo nu en dan belicht Safari daarnaast ook de tragikomische aspecten van de plezierjacht. Zo brengen twee dikkige mannen van middelbare leeftijd, boerend en snurkend, urenlang tevergeefs door in een soort schutterscabine. De lulligheid ten top.

Intussen laat Seidl de jagers tijdens zorgvuldig geënsceneerde interviews langzaam maar zeker helemaal leeglopen. Nadat ze de zegeningen van de jacht hebben geteld en hun activiteiten (voor zichzelf) hebben gerechtvaardigd, belanden ze uiteindelijk in troebeler water en brengt Seidl hen in verband met een soort koloniaal racisme, waarbij zwarten letterlijk het vuile werk mogen opknappen voor witte mannen. Het is de venijnige pointe van een vertrouwd ongemakkelijke Seidl-film.

Trophy, één van de beste documentaires die ik dit jaar zag, buigt zich eveneens over de plezierjacht, op de zogenaamde Big Five in het bijzonder. Iedere zichzelf respecterende jager zou een buffel, luipaard, olifant, leeuw en neushoorn moeten hebben geschoten. Filmmaker Shaul Schwartz gaat genuanceerd te werk en belicht meerdere perspectieven op het controversiële thema. Deze film stemt beslist tot nadenken, maar is, voor zover ik weet, nog niet online of op televisie te bekijken.

Anote’s Ark

 

Terwijl klimaatverandering voor de gemiddelde westerling een tamelijk abstract begrip blijft – met de bijbehorende alarmerende cijfers, prognoses én documentaires – behoort het voor de inwoners van Kiribatitot de praktijk van alledag. De zee rukt zienderogen op en dreigt de idyllische eilandengroep in de Stille Oceaan volledig te verslinden – en daarmee ook de 4000 jaar oude cultuur van de ruim 100.000 eilanders.

Aan president Anote Tong de schone taak om Kiribati en zijn inwoners van een toekomst te verzekeren. Hij doet in dat kader een moreel appel op regeringsleiders om nu eens echt werk te maken van de internationale klimaatafspraken en bepleit zijn zaak ook bij de paus. Tong neemt daarnaast heel praktische maatregelen. Namens Kiribati heeft hij land gekocht op de Fiji Eilanden, zodat zijn volk daar eventueel kan overleven.

Anote’s Ark (56 min.), een titel die natuurlijk refereert aan de ark waarmee Noach zijn gezin en vele diersoorten van de zondvloed zou hebben gered, volgt de president tijdens zijn diplomatieke zendingswerk en media-optredens. Na het sluiten van het klimaatakkoord van Parijs in 2015 wordt hij bijvoorbeeld kritisch bevraagd in een talkshow. ‘U zegt dat uw eilanden, ongeacht het akkoord, zullen worden overspoeld’, stelt de interviewer. ‘Wat heb je dan nog aan die deal?’

Na enig doorvragen geeft Tong toe dat het hem ook om financiële compensatie is te doen. Hij maakt tevens een principieel punt: ‘Wat er met ons gebeurt, zal ook het lot van de rest zijn.’ Dat wordt in deze fraaie documentaire van Matthieu Rytz glashelder; het droomeiland met de prachtige stranden en helblauwe zee, vervat in grootse shots, krijgt gedurig te maken met tsunami’s en cyclonen. De Kiribati’s voelen letterlijk aan hun water dat zij dit paradijs ooit zullen moeten verlaten.

Zo gaat de zwangere vrouw Sermary, de andere hoofdpersoon van deze film, bijvoorbeeld een vriendin achterna en op zoek naar werk in Nieuw-Zeeland. Daar wordt straks ook haar kind geboren. Zal hij/zij straks het Kiribati van de toegewijde leider Anote Tong nog kennen?

Atomic Homefront

 

Het is heerlijk weer. En de kinderen van Dawn Chapman willen buiten spelen. Moeder is echter onvermurwbaar: blijf maar binnen. Vanuit haar bedompte keuken kijkt ze naar buiten, de verte in. Maar radioactiviteit kun je niet zien. Het is lastig, onmogelijk misschien, om haar kroost in deze omgeving te beschermen, zo realiseert ze zich. Nee, Dawn en haar kinderen wonen niet in Tjernobyl of Fukushima, maar ‘gewoon’ in St. Louis, in het hart van de Verenigde Staten. Een plek waar een doodgewone huismoeder (noodgedwongen) kan uitgroeien tot een zeer effectieve activist.

In 1942 besloot de Amerikaanse regering om er, in het diepste geheim, de atoombommen te gaan ontwikkelen, die later hun weg zouden vinden naar de Japanse steden Hiroshima en Nagasaki. Aan afval dacht niemand. Dat dumpten ze gewoon aan de noordzijde van de stad. 75 Jaar later is de omgeving een Atomic Homefront (96 min.) geworden, een soort horrorvariant op ons eigen Groningen, het slagveld van de Nederlandse gaswinning. Met de bijbehorende persoonlijke tragedies, bureaucratische onverschilligheid en – als onvermijdelijk gevolg daarvan – empowerment van enkele betrokken burgers.

Tijdens een informatiebijeenkomst wil één van deze bewoners van de medewerkers van het Amerikaanse milieu-agentschap EPA weten of zij hier misschien zouden willen wonen. ‘Ik zou daar geen problemen mee hebben’, luidt het verplichte antwoord van de voorzitter van de bijeenkomst. Hoon valt haar ten deel. Een vrouw staat op en vraagt het woord. ‘Ik heb iets te zeggen. Ik ben geboren in Spanish Village. Ik heb mijn dochter zien sterven aan een hersentumor. Ik heb nog drie andere kinderen ziek thuis. En jij wilt hier leven?’ Ze kijkt de vrouw op het podium nog eens diep in de ogen. ‘Wil jij écht hier leven? Want ik kan het lichamelijk niet aan om nog een kind te begraven.’

Deze observerende documentaire van Rebecca Cammisa volgt gewone mensen zoals deze radeloze moeder en Dawn Chapman, die zich niet langer (willen) laten vermalen door de molens van het systeem. Ze vormen actiegroepen met nuchtere namen als Coldwater Creek – Just The Facts Please en Just Moms STL. En nemen plaats in sfeerloze zaaltjes met ongemakkelijke stoelen, beroerde koffie en systeemplafonds. Tegenover op zichzelf goedwillende functionarissen, die ook weinig kunnen uitrichten (en natuurlijk ook niet verantwoordelijk zijn voor de ellende die ooit, in de hitte van de Tweede Wereldoorlog, is veroorzaakt). De navolgende woede en onmacht laten zich raden.

Slikken of stikken? Concreet: strijden of verhuizen? Of beide? Het beurtelings wanhopig, hoopvol en woedend stemmende Atomic Homefront stelt elementaire vragen over leven op gevaarlijk terrein. Met een vertrouwd aanvoelende cast van strijdvaardige slachtoffers, Oostindisch-doven, klokkenluiders, meel in de mond-praters, vakbondstypes en goede bedoelers vertelt Cammisa zonder fratsen het universele verhaal van nietige mensen tegenover een apparaat met een al te grijs gelaat. Na alweer een teleurstellend bericht trekt Dawn Chapman boos een sombere conclusie: ‘Beleefde mensen worden vergiftigd.’ Even later heeft ze zichzelf hervonden en alweer een boodschap voor andere bezorgde moeders: ‘Superman gaat niet komen. Soms moet je je eigen superheld zijn.’

Grizzly Man

Bij regisseur Werner Herzog dringt zich altijd de vraag op wie er nu eigenlijk het gekste is: de paradijsvogels en obsessievelingen die hij portretteert in zijn films? Of toch de bezeten filmmaker zelf, die steevast over ieders grenzen heengaat?

Zo portretteerde hij in de documentaire Little Dieter Needs To Fly, een verhaal dat Herzog later overigens ook als basis voor de speelfilm Rescue Dawn zou gebruiken, ooit een voormalige oorlogspiloot die jarenlang in een gevangenenkamp had gezeten. Hij had er een flinke tic aan overgehouden. Als Dieter Dengler een ruimte betrad of verliet, opende en sloot hij de deur voor de zekerheid nog een keer opnieuw (en opnieuw).

Dat dwangmatige gedrag was natuurlijk een prachtige metafoor voor het trauma dat Dengler in gevangenschap had opgelopen en de enorme behoefte aan vrijheid die hij sindsdien ervoer. Één klein probleempje: Herzog had die tic zelf verzonnen en zijn hoofdpersoon overtuigd/gedwongen om deze in zijn dagelijkse routine te incorporeren zolang de camera’s draaiden.

Welkom in de wereld van een filmmaker die altijd zijn eigen waarheid creëren. Voor objectieve feiten kun je beter je toevlucht nemen tot een willekeurig telefoonboek, zegt hij in de film Capturing Reality: The Art Of Documentary, een documentaire over het maken van documentaires. Daarvan moeten we het dus ook niet hebben in één van Herzogs aangrijpendste films, Grizzly Man ( 104 min.) uit 2005.

De berenman in kwestie, ene Timothy Treadwell, heeft zichzelf wijsgemaakt dat hij een soort huisvriend is geworden van een kleine groep grizzlyberen in Alaska. Voor zijn camera haalt hij, als een vlogger avant la lettre, ijzingwekkende toeren uit met levensgevaarlijke dieren waarbij een normaal mens uit de buurt zou blijven. De afloop laat zich dan ook raden – en is op een huiveringwekkende manier in deze film verwerkt.

Werner Herzog kreeg meer dan honderd uur beeldmateriaal van de berenknuffelaar (en zijn cameraschuwe vriendin Amie) in handen. Met dit found footage, dat hij paart aan interviews met mensen uit zijn directe omgeving, ontrafelt hij Timothy Treadwells tragische verhaal en onderneemt een meeslepende zoektocht door het op hol geslagen hoofd van de man die vanaf de uiterste rand van de samenleving hunkerde naar aandacht.

De Duitse filmmaker laat zich zelf natuurlijk ook niet onbetuigd. Met zoals altijd zwaar aangezette voiceovers met Duits accent, boordevolle uiterst diepe bespiegelingen over mens en leven, trekt Herzog Treadwells verhaal volledig naar zich toe. Het resultaat is een fascinerende film, die ook regelmatig voor jeuk op ongemakkelijke plekken zorgt en je mede daardoor lang bijblijft.

 

Green Gold

 

Het leek te mooi om waar te zijn: we vervangen het zwarte goud gewoon door groen goud. Biobrandstof in plaats van fossiele brandstoffen. Daar wordt de hele wereld beter van. Getuige de ontluisterende documentaire Green Gold (84 min.) ís die doodeenvoudige gedachte inderdaad te mooi om waar te zijn.

Even lekker kort door de bocht: in landen als Argentinië en Indonesië wordt de plaatselijke bevolking uitgebuit en het land volledig verkracht – of, als dat lucratiever is, gewoon platgebrand. Intussen ontketent het Europese parlement, dat uitgebreid is bewerkt door dikbetaalde lobbyisten, een economische oorlog om de eigen belangen te beschermen, ten koste van gewone mensen in de derde wereld. Zo, dat is eruit.

‘Gerechtigheid bestaat niet voor de armen’, constateert een Argentijnse boer somber als hij aan het lot van eigen gemeenschap denkt. ‘Is het medicijn erger dan de kwaal?’, vraagt Sergio Ghizzardi, de maker van deze tot nadenken stemmende documentaire, zich even later af. De problemen rond biobrandstof komen van alle kanten en blijken zeer hardnekkig. Ze zijn, simpel gezegd, te waar om mooi te zijn.

Toch is Green Gold meer dan alleen een messcherp pamflet geworden. Ghizzardi baant zich een weg door de politieke jungle op zoek naar heilzame alternatieven voor fossiele brandstoffen. Het geloof in die ene kolossale pot groen goud aan het eind van de regenboog is hij onderweg kwijtgeraakt, maar er gloort volgens hem nog altijd hoop aan de horizon.

Beerput Nederland

 

De titel verraadt het al: de beerput van de firma Nederland wordt hier helemaal opengetrokken. Deze journalistieke documentaire van Wilfried Koomen schetst een ontluisterend beeld van een halve eeuw milieucriminaliteit in Nederland, waarbij alle grote affaires – van het lozen van afvalwater in Krimpen aan den IJssel tot de brand in Moerdijk – gedetailleerd de revue passeren.

Daaruit komt een consistent beeld naar voren: (grote) bedrijven spelen handjeklap met de overheid en kunnen dus ongegeneerd chemisch afval dumpen en onverantwoorde risico’s nemen met de volksgezondheid. Of zoals Ben Ale, emeritus hoogleraar van de TU in Delft, het uitdrukt: ‘De overheid is er niet om de burger te beschermen tegen vervuilende bedrijven, maar om de winst van bedrijven te maximaliseren.’

Beerput Nederland (88 min.) is goed gedocumenteerd, maar wil ook duidelijk een punt maken en slaat daarbij spijkers met koppen. Zo worden bepaalde politici (Neelie Kroes, Ivo Opstelten en – in mindere mate – Jan Pronk) stevig aangepakt. Volgens de maker krijgen ze later op de avond bij de talkshow Jinek de kans om te reageren, want als we Beerput Nederland mogen geloven hebben ze wel het een en ander uit te leggen.

Koomen is ook nieuwe misstanden op het spoor gekomen. Met behulp van een anonieme bron leegt hij een verse beerput. Zijn film maakt zeer aannemelijk dat de inhoud van een nieuwe milieuwet voor een groot deel wordt bepaald door bedrijven, die zijn veroordeeld vanwege milieucriminaliteit. Dat zou een kwalijk geval zijn van ‘u vraagt, wij draaien’. Daar zit niet zomaar een luchtje aan. Dat stinkt gewoon.

Chasing Coral

 

Bekentenis: er zijn dagen dat ik niet aan koraalriffen denk. Of aan de verschraling en verdwijning ervan, die het gevolg zou zijn van klimaatverandering (of onderdeel is – dat zou natuurlijk ook kunnen – van een concept dat door de Chinezen werd bedacht om de Amerikaanse industrie te ontwrichten).

De documentaire Chasing Coral (89 min.), opvolger van het voor een Oscar genomineerde Chasing Ice, is niet minder dan een manifest, een oproep om het tij te keren. Koralen zijn essentieel voor het ecosysteem, zo betoogt regisseur Jeff Orlowski, ondersteund door een hele trits deskundigen. Je kunt tenslotte ook de bomen niet uit het bos weghalen.

De pogingen van wetenschappers en activisten om op allerlei exotische plekken onder water (prachtig) bewijsmateriaal te verzamelen, waarin letterlijk is te zien hoe de koralen afsterven, vormen het hart van deze documentaire. Die beelden geven deze groots opgezette film zelfs, als je er gevoelig voor bent, een emotionele climax.