McEnroe

Volgens zijn tweede vrouw Patty Smyth zit hij beslist ergens op ‘het spectrum’. Zou dat misschien, dacht de leek, een verklaring kunnen zijn voor John McEnroe’s ongecontroleerde woede-uitbarstingen op de tennisbaan? Een opvallend oog voor detail, sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel en moeite om zich in een ander te verplaatsen – of het nu de opponent, een scheidsrechter of het publiek is – zou kunnen duiden op een autismespectrumstoornis. Zou. Kunnen. Het zou ook kunnen dat McEnroe (103 min.) gewoon een verwend ventje was, dat totaal niet tegen zijn verlies kon.

De ‘superbrat’, heerlijk gepersifleerd in de eightieshit Chalk Dust – The Umpire Strikes Back, meldde zich halverwege de jaren zeventig in de internationale tennistop, toen die werd gevormd door gladiatoren als Ilie Nastase, Vitas Gerulaitis en Jimmy Connors. McEnroe’s ultieme opponent zou echter de Zweed Bjorn Borg worden. De twee waren als water en vuur – de kalmte zelve versus het vleesgeworden heethoofd – en werden toch vrienden. Hun heroïsche gevechten, door beide mannen becommentarieerd, vormen ook het wild kloppende hart van Barney Douglas’s persoonlijke portret van John McEnroe.

Toen Borg al op 26-jarige leeftijd met tennispensioen ging, verloor ook zijn kameraad en rivaal een beetje de lust om te ballen. ‘Ik ben de grootste speler die ooit heeft gespeeld’, vertelt McEnroe nu over de post-Borg periode, waarin hij nochtans de onbetwiste nummer één van de wereld werd. ‘Maar waarom voelt dat dan niet bijzonder?’ Terwijl hij de successen aaneen reeg, stevende het enfant terrible onmiskenbaar af op wat hij zelf een ‘meltdown’ noemt. In de finale van Roland Garros in 1984, waarvan Douglas een kantelpunt in zijn leven maakt, speelde hij behalve tegen Ivan Lendl vooral tegen zichzelf. ‘Ik had het gevoel dat ik verdoemd was.’

En daarna zou het voorlopig alleen bergafwaarts gaan met John McEnroe, die ook nog in een slecht huwelijk met actrice Tatum O’Neal verzeild was geraakt. Als zestiger blikt hij – terzijde gestaan door zijn huidige echtgenote, broers, kinderen, dubbelspelpartner Peter Fleming, tennisicoon Billie Jean King en rock & roll-vrinden zoals Keith Richards en Chrissie Hynde (The Pretenders) – in deze geladen film diepgaand en zelfkritisch terug op deze periode, die als een catharsis heeft gewerkt. Hij is er de man door geworden die hij nu is: een perfectionist, iemand voor wie empathie lastig blijft en toch een uitgesproken familiemens.

Zo komt de mens (die de hele film – waarom eigenlijk? – door de verlaten nachtelijke straten zwerft van zijn geboorteplek Douglastown, New York) in deze geslaagde karakterschets méér dan voldoende achter het tennisicoon vandaan.

Enkele jaren geleden werd er al een filosofische documentaire over de voormalige toptennisser gemaakt: John McEnroe: In The Realm Of Perfection.

Teddy Pendergrass: If You Don’t Know Me

Hoewel Harold Melvin vanzelfsprekend te boek stond als leider van de succesvolle soulgroep Harold Melvin and The Blue Notes, was het in werkelijkheid Teddy Pendergrass (1950-2010) die grote hits als Don’t Leave Me This Way en If You Don’t Know Me By Now zong. Volgens hun songschrijf- en producersduo Kenny Gamble en Leon Huff, de architecten van de zogenaamde Philly Sound, had hij een stem als ‘raw meat’. Terwijl Teddy daarmee begin jaren zeventig ieders hart veroverde, streek Harold ondertussen stiekem het leeuwendeel van de inkomsten op. Dat kon natuurlijk niet goed gaan.

In 1976 verliet een gebelgde Pendergrass The Blue Notes voor een solocarrière die hem vijf opeenvolgende platina platen opleverde en tot een absoluut (vrouwen)idool maakte. The Black Elvis, in de woorden van zijn handige manager Shep Gordon. Want Teddy Pendergrass werkte als een magneet op het andere geslacht. ‘Er kwam eens een vrouw backstage toen ik net de kleedkamer wilde verlaten’, vertelt hij zelf in een talkshow. ‘Ze pakte een mes uit haar zak en zei: als ík je niet kan hebben, zal niemand je hebben. En ze haalde nog uit ook!’ Hij kan het zelf nauwelijks geloven: ‘Een zwarte vrouw, met een zwart mes.’

En toen, op het hoogtepunt van zijn roem, parkeerde hij in 1982 zijn Rolls Royce tegen een boom. Het auto-ongeluk zou hem voortaan aan een rolstoel kluisteren en fungeert als breekpunt in Teddy Pendergrass: If You Don’t Know Me (106 min.). In dit gesmeerde portret van Olivia Lichtenstein uit 2018 komt Teddy zelf aan het woord via fragmenten uit zestig audiocassettes waarin hij over zijn leven vertelt. Zijn moeder Ida, kinderen, familieleden, (jeugd)vrienden, bodyguard, bandleden en allerlei vrouwen die hun hart aan hem verloren zorgen intussen voor duiding en rugdekking.

Van de viriele vent, die zonder vader opgroeide in een achterbuurt van ‘the city of brotherly love’ Philadelphia en die vanuit deze ervaring als geen ander de zwarte gemeenschap wist te raken, is na het ongeluk weinig over. Kan hij überhaupt nog zingen? Menigeen in zijn directe omgeving heeft er z’n twijfels over. Pendergrass probeert ondertussen de zin van het/zijn leven terug te vinden. Die queeste vormt de apotheose van deze lekkere, met een aanzienlijke portie kneitersoul afgewerkte, film over een hart & ziel-zanger die de laatste jaren enigszins in de vergetelheid is geraakt.

Puinhoop

Selfmade Films

Nadat Allard Detiger de deur van zijn moeders woning heeft geopend en een stapeltje post bij elkaar heeft gegrist, stapt hij de wereld van zijn jeugd binnen. De stapels rommel lijken hoger dan ooit. Het was vroeger al een hoardershuis, maar is sindsdien alleen maar verder dichtgegroeid. De vrouw die hem heeft opgevoed is ondertussen een menselijk wrak geworden. Een boze vrouw ook, naar verluidt gediagnosticeerd met borderline. ‘Jullie hebben me allemaal naar de knoppen geholpen’, sneert ze naar Allard en andere mensen die haar proberen te helpen.

Allards bejaarde moeder laat ook een eindeloze stroom boze, wanhopige of verwarde berichten achter op zijn antwoordapparaat. Hij kan zich nauwelijks een ogenblik van haar losmaken. Deze film lijkt een poging om die Puinhoop (84 min.) te documenteren, in de hoop er op de één of andere manier vat op te kunnen krijgen. In familiefilmpjes kan hij terugzien hoe ze vroeger was: een zorgzame alleenstaande moeder. Te zorgzaam. ‘Ik mocht alles van haar’, herinnert Allard zich. ‘Zolang ik maar dichtbij haar bleef.’ En thuis was het dus, ook toen de kinderen er nog woonden, al een flinke bende. Alle vriendjes die ooit eens bij hen thuis waren geweest, hadden volgens jeugdvriend Daniel naderhand dezelfde droom: ze gingen dat huis opruimen.

Met sleutelfiguren uit zijn leven – zijn eigen partner Kristina, oudere broer Mathijs (die op jonge leeftijd de wijk nam naar Amerika), tennisleraar Tom, enkele therapeuten bij wie hij in behandeling was en de zus van zijn moeder, Sonja – probeert hij zicht te krijgen op de vrouw die zijn leven regelmatig tot een hel (heeft ge)maakt. Wie of wat is hij daardoor geworden? In gestileerde symbolische sequenties drukt Allard, die sinds enkele jaren zelf ook een kind heeft, in deze pijnlijk persoonlijke documentaire, over de (soms verwrongen) loyaliteit tussen ouder en kind en hoe ondraaglijk mantelzorg kan worden, bovendien zijn eigen kwetsbaarheid, woede en machteloosheid uit.

Het resultaat is een beklemmende, knarsetandende en uiteindelijk ook wel weer liefdevolle film over een vrouw die zichzelf volledig verliest in haar fixaties en haar directe omgeving daarin voortdurend probeert mee te trekken. En over een zoon die de storm die zij ontketent steeds weer moet trotseren en heeft besloten om de menselijke ravage die zo wordt aangericht voor eens en altijd te documenteren. Het is een puinhoop, in de loop van tien jaar verzameld, om niet snel te vergeten.

Schijnstudent

Terugdenkend aan de zomer van 2019 hadden Rachel en Laura stiekem al in de gaten dat het niet goed ging met hun zus Dianne Tonies. Die zat daar maar op haar kamer in Leiden. Hoewel Diannes afstudeerdatum zienderogen dichterbij kwam, leek ze weinig aandacht te besteden aan haar studie geneeskunde. ‘Ze liegt alles bij elkaar’, appten haar zussen elkaar in mei van dat jaar. Begin 2020 werd Dianne gevonden. Ze had geen afscheidsbrief achtergelaten. ‘Waren we maar een keer naar Leiden gereden’, verzuchtten Rachel en Laura nu, met evenveel spijt als pijn in hun stem.

Dianne Tonies is waarschijnlijk zo’n zes jaar Schijnstudent (51 min.) geweest. Ze hield jarenlang de schijn op dat ze nog studeerde, terwijl het doek allang was gevallen. In de tv-docu Pretend Student werden onlangs al enkele studenten geportretteerd die zich in een soortgelijke situatie bevonden. Deze film van Leon Veenendaal concentreert zich op het rouwproces van Diannes nabestaanden. Waarom hebben ze nooit écht doorgevraagd? En wilde hun zus/kind werkelijk niet meer leven of kón ze niet verder, doordat haar parallelle wereld elk ogenblik in elkaar kon donderen?

Het zijn vragen waarop nooit meer een definitief antwoord komt, maar die wel tot indringende gesprekken leiden in de familiekring, met Diannes studiegenoten en een huisgenote. Zus Rachel neemt bovendien contact op met Sander van der Meer, expert Digitaal Nalatenschap. Hij kan Diannes verwanten toegang geven tot (gewiste) gegevens op haar smartphone en social media-profielen. Dit roept meteen ethische vragen op: heeft een gestorven persoon geen privacy meer? En mag dat domein dan ook toegankelijk worden gemaakt voor anderen?

Zulke vragen spelen op bij elk sterfgeval, maar worden extra pregnant bij iemand die haar (innerlijk) leven stelselmatig heeft afgeschermd en die nu, vanuit zeer begrijpelijke motieven overigens, en plein public wordt doorgelicht. Uiteindelijk levert Diannes telefoon daadwerkelijk informatie op over haar gemoedstoestand. Veenendaal gaat daar gelukkig prudent mee om, zodat Diannes privacy nog enigszins wordt gewaarborgd. Via allerlei vrolijke filmpjes, geprojecteerd op plekken waar ze thuis was, benadrukt hij bovendien het contrast tussen wat er in haar omging en hoe anderen haar kenden.

Wat uiteindelijk blijft hangen is een tamelijk treurig beeld van een jonge vrouw voor wie het leven een eenzame strijd moet zijn geworden, terwijl er in haar directe omgeving allerlei mensen klaarstonden om te helpen. Haar nabestaanden proberen daar, met behulp van een rouwtherapeut, een plek aan te geven.

Brandstof

July Film

Plotseling kwamen ze zonder Brandstof (25 min.) te zitten. Jong nog, in wat de bloei van hun leven had moeten zijn, in een enkel geval zelfs al op dertienjarige leeftijd, moesten ze noodgedwongen pas op de plaats maken. Een burn-out.

De één kijkt er in deze interviewfilm van Bo van der Meer en Roswitha de Boer-Zuiderveen met enige afstand op terug, een ander lijkt er nog heel dicht op te zitten. Volledig opgebrand. Terwijl het vuur juist zou worden opgepookt – of op zijn minst brandende moest worden gehouden. Teruggeworpen op zichzelf.

‘Ik wil zoveel doen, maar m’n lichaam laat het me gewoon niet doen’, zegt één van de zes sprekers, gezeten in een sobere studiosetting. ‘M’n hoofd laat het me ook gewoon niet doen. En, tuurlijk, ik had mezelf kunnen pushen, maar ik merkte gewoon dat het ‘not done’ was. Dat was niet iets wat ik m’n lichaam moest aandoen.’

De filmmakers presenteren de ervaringsverhalen van hun hoofdpersonen met een minimale, maar zeer smaakvolle omlijsting: fraaie gestileerde sequenties die een (te) prikkelrijk bestaan verbeelden, treffende muziek en een serie shots van hun personages in een omgeving waar ze zich wél senang lijken te voelen.

Tezamen vormen de getuigenissen een verhaal over deze tijd, waarin we veel vragen van elkaar en onszelf. En dan is het niet verwonderlijk dat sommigen van ons bezwijken onder de (zelf opgelegde) druk. Tegelijkertijd voegt Brandstof aan die allang bekende constatering nauwelijks nieuwe inzichten of bijzondere vergezichten toe.

De film is daarmee vooral een momentopname, van enkele jonge levens op, of net na, een breekpunt. En de vraag hoe het dan, daarna, verder moet.

Nikki

Doclines / vanaf 26 september op Videoland

Het lijkt soms een klein wonder als het wél goed gaat met Nikki (112 min.). In de jaren dat documentairemaker Monique Nolte (Het Beste Voor Kees) de tiener volgt zit ze namelijk voortdurend tussen twee vuren. Tussen vader Fred, die grote delen van haar leven buiten beeld is en meteen stress veroorzaakt als hij wel even, letterlijk, ‘in the picture’ verschijnt. En moeder Karin, die beslist het beste voorheeft met Nikki, maar ook kampt met borderline.

Op de basisschool gaat het desondanks best goed met het meisje. Ze krijgt een HAVO-advies en meldt zich vol goede moed op het Christelijk Lyceum Zandvliet in Den Haag. Daar blijven haar resultaten, mede door opvallend hoog verzuim, echter toch achter en begint al het tumult in haar jonge bestaan als KOPP-kind, een kind van ouders met psychische problemen, zich te wreken. Hoezeer Karin haar daartegen ook probeert te beschermen.

Monique Nolte nestelt zich met haar camera jarenlang in de omgeving van moeder en dochter en sluit ook aan bij sleutelmomenten op school of met hulpverleners. Zo vangt ze van zeer nabij de ontwikkelingen in het leven van de opgroeiende tiener. In dat opzicht doet Nikki enigszins denken aan Alicia (2017), de verpletterende film van Maasja Ooms over een meisje dat helemaal verdwaald raakt in de Nederlandse jeugdzorg, met buitengewoon tragische gevolgen.

Zo schrijnend is deze observerende documentaire niet – al komt ie soms gevaarlijk dichtbij. Nolte maakt ook uitgesproken artistieke keuzes: ze kiest bijvoorbeeld voor het incorporeren van geanimeerde sequenties, die droom- en angstbeelden van haar hoofdpersoon tastbaar maken. Het is de vraag of de film die nodig heeft. Bij sommige aangrijpende scènes kan de kijker zelf ook wel bedenken wat er in het hoofd van de puber omgaat.

Dit laat onverlet dat ook deze film regelmatig aanvoelt als een stomp in de maagstreek. Nikki moet zich door het ene na het andere loyaliteitsconflict banen en ervoor zorgen dat ze onderweg zichzelf niet kwijtraakt. Het is de tragiek van een jong meisje met een moeder die volgens eigen zeggen een gat van binnen heeft dat door anderen moet worden gevuld en een papa die niet weet hoe hij vader moet zijn. Hoe kan een kind in zo’n omgeving opgroeien tot een (psychisch) gezonde volwassene?

L’Amour La Mort

Waarom aaien we zo graag een beest dat ons elk moment met huid en haar kan opvreten en weer uitspugen? In gewone mensentaal: waarom blijven we zo verslingerd aan de liefde, terwijl die ons intens pijn kan doen? In L’Amour La Mort (91 min.) exploreert Ramón Gieling twee kanten van dezelfde medaille: liefde en de dood.

Hoewel dat pas later duidelijk wordt, vertrekt hij daarbij vanuit een persoonlijk verhaal: de liefde van zijn broer Willem voor Mieke de Graan. Vanuit Spanje stuurt hij haar gepassioneerde brieven. Totdat het noodlot toeslaat. Gieling verweeft dit tragische verhaal met andere liefdesgeschiedenissen, zoals het relaas van de Belgische metrobestuurder Mohamed el Bachiri. Bij de terroristische aanslagen in Brussel van 2016 kwam zijn geliefde vrouw Loubna om het leven. Hij leeft nu met en zonder haar en schreef er onder andere het boek Een Jihad Van Liefde over.

Tijdens zijn met weelderige muziek en barokke taferelen aangeklede zoektocht doet Gieling ook Michel Guillot en zijn dementerende partner Stan Wouters aan. Die oogt tegenwoordig als een bejaarde peuter, routinematig kauwend op een tutteldoekje. Samen dromen ze weg bij hun favoriete nummer: Wonderful Life van Black. En Erando Gonzales wil dat zijn hart wordt overhandigd aan de liefde van zijn leven, Giovanna Mazotti. ‘Voor een laatste omhelzing. Om er een laatste kras op te geven. Het vast te grijpen en met een dierlijke kreet te verslinden.’

Gonzalez laat zich onder de loep nemen door cardioloog Ivo van der Bilt. Die doet onderzoek naar het gebroken hartsyndroom. Volgens hem heeft een gebroken hart een afwijkende hartslag. Klinisch psycholoog Freddy van der Veen onderzoekt dan weer romantische afwijzing en acceptatie. De jonge Litouwse vrouw Emilia Sabaliauskaite neemt bij hem deel aan een experiment, waarbij ze eerst moet laten weten of ze met een bepaalde man op date zou willen en naderhand wordt geconfronteerd met het antwoord dat hij op diezelfde vraag heeft gegeven.

Zo verkent het lyrische L’Amour La Mort op intuïtieve wijze alle uithoeken van liefde en lijden, waarbij Ramón Gieling nog een bijzondere plek inruimt voor de bekende Belgische psychiater Dirk de Wachter, een gekende expert op dit specifieke terrein. Sinds enige tijd weet hij ook uit eigen ervaring waar hij over praat. Alle verschillende bouwstenen bezorgen deze film uiteindelijk een filosofische en poëtische onderlaag, die vakkundig tot een climax wordt gebracht met een eindscène, waarin kinderen volkswijsheden bezigen over de liefde. Die zij zelf nog moeten gaan verkennen.

Als ze nog willen of durven.

Code Groen

Marjoleine Boonstra

‘Het is de bedoeling dat we dat er nu weer allemaal tussenuit gaan halen’, zegt Erwin terwijl hij met zijn ploeg van de Amsterdamse groenvoorziening een stadsperkje onkruidvrij probeert te maken. De mannen treffen van alles aan, constateren ze grappend: neutronenkorrels, scheurgras, rucola…. ‘Eigenlijk is niks onkruid, hè?’ constateert Erwin vervolgens droog. ‘Eigenlijk bestaat onkruid niet. Dat is door mensen bedacht.’

Daarmee heeft hij het, al dan niet bewust, ook over zichzelf. Erwin heeft volgens eigen zeggen een kort lontje, toch gauw een jaar of zes achter de tralies doorgebracht en nu z’n plek gevonden binnen Pantar. Andere medewerkers van deze sociale werkvoorziening zijn door schulden, verslaving of familieproblemen in de kantlijn van de samenleving beland. Via het werken in de groenvoorziening proberen ook zij nu de weg terug te vinden.

Begeleider Theo weet wat daarvoor nodig is. Hij kampte jarenlang met een gokverslaving en belandde zelfs op straat, maar wist uiteindelijk toch de weg omhoog weer te vinden. Zo brengen alle hoofdpersonen van Code Groen (71 min.), gestoken in die welbekende fluorescerende oranje pakken, hun eigen geschiedenis met zich mee en moet ze op weg naar een arbeidzaam bestaan nog de nodige hobbels nemen. 

Filmmaker Marjoleine Boonstra slaat dat proces van een afstandje gade, kleedt dit aan met sfeervolle muziek en laat de mannen (en een enkele vrouw, de Syrische vluchtelinge Amina) in een studiosetting aan het woord over hun verleden, heden en toekomst. Daarbij kijken ze van zeer dichtbij recht in de camera, alsof ze de buitenwereld even een blik in hun ziel gunnen. Dat werkt ontzettend ontwapenend.

Want ze mogen dan deel uitmaken van een kwetsbare groep die moeite heeft om aan te haken in de hedendaagse participatiesamenleving, het gaat ook om mensen die met wat steun en (zelf)vertrouwen verder kunnen reiken dan menigeen, op de eerste plaats zijzelf, had gedacht. In die zin is deze documentaire nauw verwant met Boonstra’s film Spiegeldromen (2018), over de aspiraties van jongeren uit het praktijkonderwijs.

En als de poging van een ‘Pantar’ om zich terug te werken in de maatschappij onverhoopt tóch dreigt te stranden, vindt die een begeleider zoals Marina aan z’n zijde, die weigert om hem los te laten. Als haar cliënt Anton, ondanks een vast contract, bijvoorbeeld dreigt af te haken, blijft ze hem ‘stalken’. Totdat hij ‘t toch weer gaat proberen. Daarmee wordt Code Groen een optimistische film, over een wereld(je) waarin iedereen een nieuwe kans verdient.

Crumb

David Lynch presents… a Terry Zwigoff film: Crumb (116 min.). Althans, met die boodschap begint deze klassieke documentaire uit 1994. In werkelijkheid zou de gevierde filmmaker helemaal niets hebben bijgedragen. Pas toen Crumb al volledig was afgerond, reageerde Lynch op een verzoek om een financiële bijdrage te leveren. ‘s Mans reputatie kon echter uitstekend worden ingezet om de documentaire te promoten.

Deze gevierde film wordt sowieso omgeven door mythen: regisseur Terry Zwigoff zou zijn vriend en hoofdpersoon, de Amerikaanse underground cartoonist Robert Crumb (Fritz The Cat, Mr. Natural en de slogan ‘Keep On Trucking’), hebben gedreigd met zelfmoord als hij niet wilde meewerken aan de productie. Dit broodje aap-verhaal bleek later per ongeluk in omloop te zijn gebracht door de befaamde filmcriticus Roger Ebert – al klopt het wel dat Crumb eigenlijk geen zin had in deze onthullende en verontrustende docu.

Zulke verhalen sluiten naadloos aan bij de aard van de film. Achter het Harold Lloyd-achtige uiterlijk van de hoofdpersoon en zijn ontwapenende glimlach gaat een onvervalste weirdo en provocateur schuil, wiens werk regelmatig met misogynie en racisme in verband is gebracht. Terwijl de kunstcriticus Robert Hughes niets minder dan een moderne Breughel of Goya ziet in Robert Crumb, ontwaren anderen toch vooral een vies, eng mannetje, dat zich (letterlijk) verlustigt aan zijn eigen afzichtelijke creaties.

Crumb wordt echt ongemakkelijk – en ontroerend en, op een vreemde manier, ook grappig – als de kunstenaar zijn familie opzoekt in Philadelphia. Daar woont zijn oudere broer en grote inspiratiebron Charles, zelf een getalenteerd tekenaar, in bij hun moeder Beatrice. Beiden kampen met ernstige psychische problemen, die luchtig worden besproken en consequent weggelachen. In een luizige hotelkamer in San Francisco treft Robert tevens zijn jongere broer Maxon die al even expliciete kunst maakt – en, dat ook, meermaals vrouwen heeft aangerand.

Of deze unheimische film ook een verklaring geeft voor al die zieke geesten in de Crumb-familie? Een begin ervan, misschien. Hun vader Charles, een marinier die ooit actief was als oorlogstekenaar, zou volgens zijn oudste zoon en naamgenoot ‘een sadistische bullebak’ zijn geweest. Maar of dat werkelijk een afdoende antwoord is? De slotsom is in elk geval helder: dit gezin is verworden tot een menselijk rariteitenkabinet (waarbij overigens moet worden aangetekend dat Roberts zussen Sandra en Carol niet aan het woord komen).

Uiterst accuraat schetst Crumb zo de context bij het oeuvre van een toonaangevende Amerikaanse kunstenaar, waarbij een sterke maag soms echt gewenst is en ’s mans werk hem, en ons, tevens lijkt te beschermen tegen grotere ellende.

M’n Beessie En Ik

Halal

Het is even proppen, maar dan heeft Frans, vernoemd naar kunstenaar Francis Bacon, in de openingsscène van M’n Beessie En Ik (77 min.) dan toch echt z’n plekje achter in de gele stationwagen gevonden. Eenmaal thuis, als hij gezellig met ‘eigenaar’ Kim op de bank zit, krijgt hij een lekker stukje fruit toegestopt. Het varken is zes jaar geleden bij haar, en haar toenmalige partner, ingetrokken. ‘We zien hem echt als onze dikke maat’, zegt ze. En hij heeft met zijn vaste routines ook wel wat weg van ‘een autistisch jongetje’.

Frans is één van de opmerkelijke ‘huisdieren’ in deze tragikomische film van regisseur Johan Kramer (Keeper), waarin allerlei exotische exemplaren en hun baasje worden gepresenteerd: de Afrikaanse reuzenslak (Her Majesty) Nokia, kapper Vico’s coole sfinxen, influencerkat Zappa (met meer dan 100.000 volgers op Instagram), de zingende Titanic-hond Mikey van een kwetsbare tiener en Dog Dance-kampioen Kamatz en zijn menselijke danspartner Wollie. En, natuurlijk, de vreemdste diersoort van allemaal: de mensch.

De Beessies worden grondig gehumaniseerd. Ontdierlijkt ook. Of simpelweg ontvleest. En de mensen aan hun zijde respectvol geportretteerd. Want hoewel een buitenstaander bij de aanblik van de koppels een milde glimlach soms misschien nauwelijks kan onderdrukken, of zelfs even hardop moet lachen, probeert Kramer nooit te scoren ten koste van zijn personages. Hij beziet hen met compassie en begrip en maakt zo inzichtelijk welke rol deze partner, ouder of nakomeling in dierenvermomming speelt in hun leven.

M’n Beessie En Ik wordt daarmee een soort zusterfilm van Heddy Honigmanns Buddy, over de symbiotische relatie tussen hulphonden en hun baasje. Deze dieren openen de wereld van hun menselijke vrienden, zorgen ervoor dat zij zich geaccepteerd voelen en geven hen een gevoel van veiligheid. Johan Kramer registreert dit zeer gestileerd, met fraaie totalen en extreme close-ups, waarbij hij echt héél dicht op de vacht zit. Met bijzondere aandacht ook voor de dierlijke communicatie – het knorren, spinnen, kwispelen – waaruit de goede verstaander nog heel wat kan afleiden.

Tegen dat gevoel van volledige geborgenheid kan klaarblijkelijk weinig op. Zoals Wollie, die enige tijd geleden is gescheiden, het treffend uitdrukt: ‘Ik heb ooit een sleutelhanger gekocht. En die tekst vond ik zo mooi: Onvoorwaardelijke liefde, hoe ziet dat eruit? Voor mij heel eenvoudig: vier poten en een snuit.’

Gabby Giffords Won’t Back Down

Een krachtigere pleitbezorger voor strengere Amerikaanse wapenwetten is nauwelijks denkbaar. Op 8 januari 2011 overleefde Gabrielle Giffords als Democratisch congreslid voor de Amerikaanse staat Arizona een moordaanslag in Tucson – hoewel sommige media in eerste instantie meldden dat ze was overleden. Giffords liep wel ernstige hersenbeschadiging op, raakte deels verlamd, kampte met afasie, verloor een deel van haar gezichtsveld en moest helemaal opnieuw leren spreken.

Haar echtgenoot Mark Kelly, een voormalige astronaut die inmiddels namens de Democratische partij in de Amerikaanse senaat zit, besloot haar herstelproces vanaf het allereerste begin te filmen, omdat hij vermoedde dat zijn vrouw later beslist zou willen zien hoe ze er in die begindagen aan toe was. Ook al had zij er in eerste instantie helemaal geen idee van dat ze door ene Jared Lee Loughner, een man met ernstige psychische problemen, in het hoofd was geschoten.

Dat intieme beeldmateriaal, van een ambitieuze en begaafde vrouw die opnieuw moet leren hoe ze zichzelf kan zijn en die zich tegelijkertijd begint te realiseren dat ze nooit meer de oude wordt, is even schokkend als aangrijpend en vormt het hart van Gabby Giffords Won’t Back Down (98 min.), de nieuwe film van het linksige docuduo Julie Cohen en Betsy West (RBG en My Name Is Pauli Murray). Giffords stamelt, huilt of zingt zich naar de best mogelijke versie van zichzelf.

Een jaar na de moordaanslag ziet Gabrielle Giffords zich toch genoodzaakt om afscheid te nemen als volksvertegenwoordiger. De beelden van hoe zij, enkele seconden voordat ze haar vertrek bekend gaat maken, voor de camera oefent hoe ze bepaalde woorden het beste kan uitspreken is erg ontroerend. Hier zit een vrouw die de waarheid onder ogen ziet en daar consequenties aan heeft verbonden. Ze heeft daarnaast ook privé enorme offers moeten brengen door toedoen van die ene verwarde man.

Cohen en West zoomen in op Giffords’ voortijdig afgebroken politieke loopbaan, laten die (in jubeltermen) becommentariëren door medestanders en de toenmalige president Barack Obama en volgen haar als zij zich begint op te werpen als onvermoeibare strijder voor stringentere wapenwetgeving en drijvende kracht achter de politieke carrière van haar man Mark Kelly, die in zekere zin de gefnuikte ambities van zijn echtgenote probeert te verwezenlijken.

Net als in hun eerdere films sympathiseren de twee documentairemakers duidelijk met hun hoofdpersoon – een moedige en optimistische vrouw die letterlijk zingend door het leven lijkt te gaan, maar ook een politica in hart en nieren – en blijft elke vorm van scherpte of conflict achterwege. Deze degelijke en typisch Amerikaanse documentaire had zo’n kartelrandje eerlijk gezegd wel kunnen gebruiken.

Not Carol

Nee, niet Carol! Alle direct betrokkenen – Carol Coronado’s echtgenoot Rudy, moeder Julie, zus Robyn, schoonzus Sandra en vrienden uit de buurt – benadrukken het nog maar eens: ze was zo’n getalenteerde vrouw, zo’n fijne vriendin en zo’n lieve moeder. Toch sloegen op 20 mei 2014 de stoppen door bij Carol: in een vlaag van verstandsverbijstering doodde ze haar drie dochtertjes Sophia, Yazmine  en Xenia.

In de Twin Towers-gevangenis te Los Angeles wacht Carol haar berechting af. Ze weet manlief Rudy daarbij nog altijd aan haar zijde. Hij blijft ervan overtuigd dat zij eigenlijk ‘een veel beter mens’ is dan hij. Toch kunnen de dramatische gebeurtenissen in Not Carol (73 min.) eigenlijk niet als een verrassing zijn gekomen voor Carols directe omgeving. Na de geboorte van haar derde kind in slechts drie jaar tijd begon ze steeds opzichtiger te ontsporen.

Terwijl de zaak tegen Carol Coronado voor het gerecht wordt gebracht, zoomt deze documentaire van Eamonn Harrington en John Watkin uit naar het grotere thema: postpartum psychose. Een thema waarvoor doorgaans, ook door schaamte, weinig aandacht is. Enkele lotgenoten van Carol, en hun verwanten/nabestaanden, vertellen hoe de ‘babyblues’ die na de geboorte van een kind kan volgen ook bij hen steeds naargeestigere vormen begon aan te nemen.

Carols casus wordt zo in een breder perspectief geplaatst. Tegelijkertijd is duidelijk dat er in haar geval ook sprake was van erfelijke aanleg en een keten van traumatische ervaringen. De vrouw die in opdracht van de stemmen in haar hoofd de tweejarige peuter Sophia, haar eenjarige zusje Yazmine en de drie maanden oude baby Xenia van het leven beroofde en daarna de hand aan zichzelf probeerde te slaan was een ander. Niet Carol.

Help Me

BNNVARA

De ene na de andere beller meldt zich tijdens de Corona-periode bij de medewerkers van het crisisinterventieteam Hart van Brabant in Tilburg. Met al dan niet expliciet geformuleerde hulpvragen rond suïcidale gedachten, drank- en drugsverslaving of complotten. En de dreiging van agressie lijkt ook alomtegenwoordig in of rond de eigen woning: van een ontspoorde zoon of dochter, de verwarde buurman of een gewelddadige (ex-)partner.

Het leeuwendeel van de duizenden meldingen van noodsituaties die jaarlijks binnenkomen bij het team, is terug te brengen tot een eenvoudig verzoek: Help Me (46 min.). Voor de camera van Hetty Nietsch staan casemanager Sietske Martens en haar collega’s zulke bellers empathisch te woord. Ze proberen ondertussen vast te stellen hoe hoog de nood is en of ingrijpen noodzakelijk lijkt. Soms overleggen ze ook even met een collega of blazen stoom af bij elkaar. Want sommige telefoontjes gaan ook hen niet in de koude kleren zitten.

Deze tv-docu bestaat vrijwel volledig uit zulke gesprekken, waarbij de hulpvragen consequent zijn geanonimiseerd en de bijdragen van de bellers opnieuw zijn ingesproken door acteurs (en dat is, helaas, meestal ook voel- en hoorbaar). Dit geheel wordt door Martens, buiten beeld, van context en duiding voorzien. Zo wordt het leven achter Neerlands voordeur, waar de spanning gedurende lange tijd of zomaar ineens flink kan oplopen, treffend inzichtelijk gemaakt. Net als de pogingen van betrokken en gedreven hulpverleners om de lont, al is het maar tijdelijk, uit het kruitvat te krijgen.

Gurrumul

Drie dagen voor zijn dood op 25 juli 2017 zou Geoffrey Gurrumul Yunupingu zijn goedkeuring aan deze film hebben gegeven. En dat was al heel wat. Want Gurrumul (96 min.) stond niet te boek als een grote prater. Sterker: de begenadigde Australische muzikant zei meestal geen woord. Zijn muziek vertelde alles wat hij had te zeggen. Over zijn identiteit als (blinde) aboriginal uit Galiwikin’ku, in het noorden van het land.

Vragen van journalisten of fans liet de zoon van de Yolnu-stam doorgaans over aan zijn jonge, witte producer Michael Hohnen, die behalve zijn muzikale rechterhand en personal assistant ook z’n spreekbuis werd. En als zijn ‘broeder’ geschoren moest worden, haalde de ‘balanda’ Michael, getuige deze boeiende documentaire van Paul Damien Williams uit 2018, ook gerust het scheerschuim voor de dag en schoor hem vervolgens liefdevol.

Behalve een innemend portret van een ondoorgrondelijke man en volstrekt oorspronkelijke zanger/gitarist, die volgens zijn vader kon zien met zijn hart, is deze film ook een diepe duik in de Australische aboriginal-cultuur, die regelmatig haaks lijkt te staan op de mores van de westerse wereld. De eigen rituelen en tradities zijn daarbij leidend en krijgen voorrang op zoiets triviaals als een uitgekiende carrièreplanning.

Een mismatch ligt dus voortdurend op de loer. Dat komt bijzonder treffend tot uiting in een schurende scène met Sting, waarbij het voor Gurrumul in eerste instantie onmogelijk lijkt om een bijdrage te leveren aan een live-uitvoering van diens popklassieker Every Breath You Take. Uiteindelijk vinden de twee rasmuzikanten elkaar tóch in de universele taal die ze allebei tot in de finesses beheersen en zingt de Australische zanger zich moeiteloos ieders hart in.

‘Gurrumul bouwde een brug tussen de Yolnu en balanda’, zegt een familielid treffend. ‘Hij maakte een brug voor ons, zodat wij daarnaartoe kunnen gaan.’ Nadat Gurrumul zich op slechts 46-jarige leeftijd in het hiernamaals bij zijn voorouders voegde, zijn ’s mans naam en muziek dan ook gedurig blijven rondzingen. Als één van de belangrijkste exponenten van authentiek Australische cultuur.

Elin

KRO-NCRV

Ze wil weten wat er in haar kind omgaat. Elin (86 min.) heeft zoveel te vertellen, maar het komt er heel moeilijk uit. Het meisje heeft rond haar geboorte een hersen- en gehoorbeschadiging opgelopen en is bijzonder lastig te verstaan. Elins vader Patrick en tweelingzus Bente kunnen haar lang niet altijd begrijpen. En de buitenwereld al helemaal niet. Haar moeder Marie-José Schelvis weigert zich daarbij neer te leggen: zeker nu de puberteit voor de deur staat wil ze dat haar kind zich kan uiten. Anders zit Elin ‘nog meer gevangen in haar eigen lijf’.

Marie-José wil ook haar eigen verhaal kwijt. Ze blogt over haar ervaringen als moeder van een zwaar gehandicapt kind. Die blogs fungeren tevens als anker voor deze observerende documentaire van Cinta Forger en Walther Grotenhuis. ‘Ik ben moe’, schrijft Marie-José bijvoorbeeld, als ze lijkt af te stevenen op een burn-out. ‘En weet je? Ik mag moe zijn. Het is geen normale situatie. Ik moet het niet meer continu bagatelliseren. Mijn emmer is nooit helemaal leeg, dat accepteer ik, maar misschien krijg ik hem af en toe halfleeg.’

Samen met haar echtgenoot Patrick, die voor zijn werk regelmatig naar het buitenland moet, zoekt Marie-José naar een geschikte spraakcomputer, die Elin met haar mond kan aansturen. Dit wordt een intensief en frustrerend proces, dat in deze aangrijpende film met begrip, compassie en oog voor detail is opgetekend. Werkelijk alle betrokkenen lopen over van de goede wil, maar zelfs zoiets praktisch als het bestellen van een aardbeienijsje – laat staan het uiten van gedachten of gevoelens – heeft al veel meer voeten in de aarde dan wie dan ook wil.

Intussen houdt Marie-José zich ook bezig met de vraag hoe het verder moet met haar dochter als zij niet meer haar ‘handen en tolk’ kan zijn. Elin lijkt op haar eigen manier eveneens gericht op volwassen worden. Van tekenfilmseries verlegt ze haar aandacht naar games, waarin ze – aan de zijde van haar tweelingzus – even helemaal vrij kan zijn. En op Elins kamer in het nieuwe huis dat het gezin, mede voor haar, betrekt moet een vliegtuigenbehang komen. Zodat ze zich, in elk geval in gedachten, soms los kan maken van dat onwillige lijf, om frank en vrij de wereld te verkennen.

Marie-José Schelvis cijfert zich vrijwel volledig weg voor haar opvallend montere kind. Het evenwicht in haar leven, tussen de vastberaden liefde die ze als moeder voelt voor haar dochter en de verantwoordelijkheid die ze voor datzelfde meisje moet (en koste wat het kost ook: wil) dragen lijkt nochtans broos en is afhankelijk van kleine overwinninkjes. Die bieden hoop voor Elins toekomst.

De Gouden Lichting

VPRO

Is op weg naar de top alles geoorloofd? En kan een medaille of prijs met terugwerkende kracht jaren van ontberingen goedmaken of zelfs rechtvaardigen? Coaches zoals Frank Louter en Gerrit Beltman zullen beide vragen ongetwijfeld met ‘ja’ beantwoorden. Zij komen alleen niet aan het woord in De Gouden Lichting (150 min.).

De twee Nederlandse turncoaches en hun omstreden handelswijze vormen wel het voornaamste onderwerp van gesprek in deze driedelige serie van Ellen Vloet, die is gebaseerd op research en publicaties van Helden Magazine. Het woord is daarin aan hun voormalige pupillen Suzanne Harmes, Renske Endel, Verona van de Leur en Gabriëlla Wammes. Rond de eeuwwisseling leken ze stuk voor stuk voorbestemd om (wereld)toppers te worden.

Los van elkaar getuigen zij over de kadaverdiscipline van Louter en Beltman – afgekeken van Russische en Roemeense collega’s die met harde hand topturnsters hadden opgeleid – waaraan ze zo’n beetje hun hele jeugd zijn onderworpen. Psychologische spelletjes, emotionele chantage, vernedering, intimidatie en disciplinering met, letterlijk, harde hand. De vier vrouwen zijn er ernstig door beschadigd. Met alle gevolgen van dien: van eetstoornissen en psychische klachten tot verstoorde familieverhoudingen.

Hun persoonlijke herinneringen zijn omkleed met privéfoto’s en -video’s, trainingsbeelden, wedstrijdimpressies, oude interviews en symbolische sequenties. Ze worden bovendien ondersteund door fragmenten uit het dagboek van Suzannes Harmes’ moeder Marjan, die zich destijds al zorgen maakte over het regime in de turnhal en boos was op zichzelf dat ze nooit heeft ingegrepen. Want De Methode Louter en Veltman was ook succesvol. Tenminste, totdat de turnsters die ze opzadelden met kwalificaties als ‘kutwijf’, ‘snol’, ‘mietje’, ‘dikke koe’ of ‘jankbal’, helemaal ‘kapotgetraind’ waren.

Deze productie over de barre Oostblok-cultuur binnen de turnwereld – die min of meer aansluit bij de teneur in de Nederlandse documentaires Turn! en Mist en Amerikaanse films zoals At The Heart Of Gold: Inside The USA Gymnastics Scandal en Athlete A (waarin overigens ook nog eens sprake is van seksueel misbruik) – maakt overtuigend de schade op bij de betrokken sportsters. De Gouden Lichting roept onvermijdelijk ook de vraag op of een coach er is voor zijn atleten. Of zijn die atleten er toch vooral voor de coach, als een voertuig voor zijn persoonlijke doelen?

Gerrit Beltman, die in 2020 een (beperkte) schuldbekentenis heeft afgelegd, en Frank Louter zijn tot voor kort actief gebleven als turncoach.

Winona Ryder – Fighting Demons

AVROTROS

Eigenlijk was ze al afgeschreven. Toen Winona Ryder in 2001 werd betrapt op winkeldiefstal leek de acteercarrière, die haar in de jaren negentig in kaskrakers zoals The Age Of Innocence, Reality Bites en Girl, Interrupted had gebracht, abrupt tot stilstand te komen. Na een periode in de luwte pakte ze haar stiel echter weer op. En in de afgelopen jaren scoorde ze zelfs een onverwachte hit met de Netflix-serie Stranger Things, een geinige eightiespastiche.

In Winona Ryder – Fighting Demons (53 min.) loopt Lukas Hoffmann keurig Ryders leven door. Dat begint in een hippieachtige commune in Mendocino County, Californië, waar ze te midden van sixties-iconen als Aldous Huxley, Allen Ginsberg en Timothy Leary opgroeit. Als vervolgens haar filmcarrière op gang komt, ruilt Winona haar oorspronkelijke achternaam (Horowitz) in voor een artiestennaam (Ryder) en kan haar leven als ster beginnen. in grote Hollywood-producties en gearmd met een andere ster, zoals Johnny Depp, Dave Pirner (Soul Asylum) of Matt Damon.

Dat blijkt alleen geen recept voor een rimpelloos leven. Ryder komt te boek te staan als ‘fragiel’ en kampt met slapeloosheid, angst en depressie. Althans, als we de sprekers in deze tv-docu mogen geloven: biograaf Nigel Goodall, regisseur David Seltzer, filmjournalist Violet Lucca, actrice Karron Graves en de hosts van de podcast Winona Forever. En daar zit meteen het zwakke punt van dit portret: het zijn louter secundaire bronnen die de mens achter de beroemdheid moeten schetsen. En zij komen dus niet veel verder dan de gebruikelijke gemeenplaatsen.

Verder is het door een kloeke verteller bijeengehouden Fighting Demons aangekleed met een hele zwik filmfragmenten, enkele oude promotie-interviews met de hoofdpersoon en tamelijk schreeuwerige animaties, die nogal uit de toon vallen. Zo is er voor de liefhebber die zich nog eens aan Ryders uitgesproken filmografie wil verlustigen in elk geval meer dan genoeg te kijken.

Selvportrett

VPRO

Waarschijnlijk is zij zelf een extreme uiting van waar ze met haar fotografie op mikt: het tegenhouden van de tijd en vasthouden van het moment. Sinds haar tiende heeft Lene Marie Fossen anorexia nervosa. Daardoor is ze nooit in de puberteit terechtgekomen. Fossen heeft nooit borsten gekregen en is ook nog nooit ongesteld geweest. ‘Als je niet eet, zet je je emoties uit’, vertelt ze. ‘Je drijft gewoon voort. Ik ben meerdere malen bijna dood geweest. Het is eigenlijk een soort langzame zelfdoding.’

De Noorse fotografe, eind twintig inmiddels, beschrijft de aandoening als ‘een Nazi-regime in mijn eigen lichaam’, een kwaadaardige manifestatie van de angst om op te groeien. Daarbij speelt ook schaamte voortdurend op. Volgens Lene wordt anorexia nu eenmaal beschouwd als een ziekte voor verwende mensen. Terwijl iemand met kanker doorgaans wordt omgeven door medeleven, krijgt een anorexiapatiënt vooral te horen dat ie moet doorbijten en nodig weer eens moet gaan eten.

In Selvportrett (58 min.), een bijzonder indringende film van Margreth Olin, Katja Høgseth en Espen Wallin, gaat ze de conformatie aan en legt zichzelf genadeloos vast, onder andere in een verlaten Grieks leprahospitaal waar ze halfnaakt poseert. Het resulteert in zeer confronterende foto’s, beelden die gewoon pijn doen. Tegelijkertijd zoekt ze met haar camera ook bij anderen, Syrische vluchtelingen bijvoorbeeld, naar wat het bestaan maakt, doet of aanricht in een willekeurig mensengezicht.

Als Fossen haar werk voorlegt aan de befaamde Noorse fotograaf Morten Krogvold, reageert die bijzonder enthousiast. Hij maakt zich sterk voor een expositie tijdens het Nordic Light Festival Of Photography in Kristiansund. Niet omdat ze ziek is, zegt hij er bij herhaling bij, maar omdat haar foto’s zo geweldig zijn. Lene Marie reageert beduusd op ‘s mans superlatieven. ‘Schaam je je?’ vraagt ze zelfs aan haar moeder als de tentoonstelling wordt geopend. ‘Nee, ik ben trots’, antwoordt die. ‘Je bent dapper.’

Toch wringt dat voortdurend in dit schrijnende (zelf)portret: Lene Marie wil gezien worden als fotografe, terwijl anderen via haar, inderdaad, bijzonder krachtige foto’s toch vooral een beschadigd mens zien. Bijna ongewild agendeert ze op zeer pregnante wijze de problematiek van eetstoornissen. De filmmakers vangen die dubbelheid in gestileerde beelden, begeleid door een sacrale soundtrack. Zo wordt de bijna Bijbelse dramatiek van haar werk en leven nog eens benadrukt.

Dit Selvportrett ligt daardoor echt zwaar op de maag – zo’n kijkervaring die bepaald niet alleen fijn is en die tóch verrijkend werkt – en zindert ook nog een hele tijd na.

Joy Division

Voor de generatie die opgroeide aan het bedompte einde van de jaren zeventig, toen de eerste punkgolf in zijn nadagen was aanbeland, is Ian Curtis een symbool geworden van algehele malaise, van levensmoeheid zelfs. Zoals Kurt Cobain, de voorman van de Amerikaanse rockgroep Nirvana, dat een kleine vijftien jaar later voor de grunge-generatie zou worden.

Samen met zijn band Joy Division (96 min.) wist Curtis perfect het desolate karakter van zijn tijdsgewricht te verklanken. Als de Britse zanger uit Manchester zong over eenzaamheid, liefde die je uit elkaar trekt of depressies, drukte hij een wanhoop uit die door menige jongeling daadwerkelijk werd gevoeld. Curtis verbond er uiteindelijk de ultieme consequentie aan: op 18 mei 1980 maakte hij een einde aan zijn leven.

Zijn bandmaten Bernard Sumner (gitaar/synthesizer), Peter Hook (basgitaar) en Stephen Morris (drums), die na het overlijden van Curtis de groep New Order zouden vormen en ook daarmee popgeschiedenis schreven, blikken in deze treffende documentaire uit 2007 terug op de relatief korte periode dat ze aan zijn zijde de wereld leken te gaan veroveren. De film bevat ook citaten uit de autobiografie van Ians weduwe Deborah, Touching From A Distance.

In deze productie van Grant Gee, die eerder Radioheads complete vervreemding tijdens een wereldtournee ving in Meeting People Is Easy, komen verder onder anderen Curtis’ Belgische liefje Annik Honoré, de Nederlandse fotograaf Anton Corbijn (die tevens zijn debuutfilm Control aan de groep wijdde) en televisiepersoonlijkheid/platenbaas Tony Wilson (over wie de bij vlagen hilarische biopic, 24 Hour Party People werd gemaakt, waarin Joy Division ook een prominente plek kreeg) aan het woord.

Ieder voor zich beschrijven ze Curtis’ suïcide bijna als een fait accompli, het onvermijdelijke einde achter een door epilepsie, liefdestwijfel en depressies geplaagd bestaan. ‘Vijftig procent triest en vijftig procent boos’, voelde Stephen Morris zich naar eigen zeggen. ‘Boos op hem, omdat hij zoiets stoms had gedaan. En boos op mezelf, omdat ik niets had gedaan.’ De drie overgebleven bandleden vervolgden al snel hun weg, geschokt en toch ongebroken, onder een nieuwe noemer en met nieuw elan.

En zowel Ian Curtis als Joy Division werden bijgeschreven in Het Grote Popgeschiedenisboek, in het hoofdstuk over muziek die weliswaar ouder wordt, maar nooit oud.

In Silico

Human

Over tien jaar wil hij het menselijk brein nagebouwd hebben. Hersenonderzoeker Henry Markram is ervan overtuigd dat hij een computermodel van de hersenen kan fabriceren. Hij wil dat bewerkstelligen via In Silico 52 min.), een digitale simulatie van de biologische werkelijkheid. Markram heeft een persoonlijke motivatie voor het ambitieuze experiment: zijn zoon Kal is gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis. Het is voor Henry en zijn echtgenote Kamila, zelf ook neurowetenschapper, lastig om hun kind te begrijpen en contact met hem te leggen.

De jonge documentairemaker Noah Hutton besluit in 2010 om het even grensverleggende als omstreden initiatief van Henry Markram in de volgende tien jaar te gaan volgen. ‘Hij is een fantastische broodnuchtere wetenschapper’, zegt zijn vakbroeder Christof Koch over Markram. ‘Maar hij heeft ook een publiciteitsgevoelige Messias-kant. Dan zegt hij totaal belachelijke dingen als: “We gaan het brein doorgronden. Dan worden dierproeven overbodig.” Over een eeuw zijn we misschien zover, maar nu nog lang niet.’

Het wordt Hutton in eerste instantie niet in dank afgenomen door Team Markram dat hij critici zoals Koch ook aan het woord laat. Dat zorgt er echter wel voor dat ‘s mans gecompliceerde onderzoeksgebied, en de inhoudelijke discussies die daarbinnen worden uitgevochten, helder in kaart wordt gebracht. Bovendien geeft dat voortdurende twistgesprek over wat we wel/niet (kunnen) ontdekken over de werking van de hersenen zijn film een lekker kartelrandje. Niet in het minst doordat zijn protagonist in eigen kring eveneens met weerstand krijgt te maken.

Uiteindelijk komt in de fijne breinbreker In Silico dan ook de vraag op tafel in hoeverre Henry Markrams levensproject ooit meer is geweest dan een droom en of die stip op de horizon, de belofte dat er over tien jaar een computersimulatie van het brein zou zijn ontwikkeld, vooral was bedoeld om aandacht – en daarmee geld – te trekken. Markram is zijn geloof in de missie in elk geval nooit verloren. ‘De voltooiing van deze reis, door ons of de generaties na ons’, beweert hij nog altijd met een stalen gezicht, ‘zal belangrijker zijn dan de maanlanding.’