Our Father

Netflix

Is er na de Nederlandse miniserie Het Zaad Van Karbaat en de Amerikaanse tegenhanger daarvan, Baby God, ruimte voor nóg een documentaire over een fertiliteitsarts die, ongevraagd natuurlijk, zijn eigen zaad heeft gebruikt om patiënten te bevruchten en zo een enorm nageslacht blijkt te hebben nagelaten? In tegenstelling tot zijn twee collega’s, Jan Karbaat en Quincy Fortier, is de stiekeme spermadonor van Our Father (97 min.) in elk geval nog in leven. Donald Cline kan zich dus hoogstpersoonlijk in de zaak mengen en verdedigen tegen alle aantijgingen. Als hij dat tenminste zou willen…

Verder voelt deze documentaire van Lucie Jourdan, wellicht simpelweg door de timing van de release, als een wandeling op bekend terrein. Terwijl het verhaal eigenlijk te gek voor woorden blijft. Net als de Cline-geschiedenis een wel erg hoog mosterd-na-de-maaltijd gehalte dreigt te krijgen, neemt de vertelling ‘gelukkig’ een sinistere wending, die associaties oproept met zowel The Handmaid’s Tale als het beruchte Lebensborn-project. De achtergronden daarvan zitten kernachtig vervat in Cline’s favoriete Bijbelcitaat: ‘Voordat ik u vormde in uw moeders schoot, kende ik u’ (Jeremiah, 1:5). Die intrigerende verhaallijn wordt alleen nauwelijks uitgediept.

Even later hervat Our Father zijn vertrouwde – en natuurlijk toch nog schokkende – betoog over die sjoemelende dokter weer. Met ouders die zich ernstig bedrogen voelen en kinderen die zich schamen voor wie ze (blijkbaar) zijn. De vraag dringt zich op: zou dit altijd al usance zijn geweest in de vruchtbaarheidsbusiness? De kans dat de ware aard van het zaad werd ontdekt leek in het pré-DNA tijdperk immers vrijwel nihil. Was het dan vreemd dat deze artsen, die tenslotte vrijelijk over nieuw leven konden beschikken, een soort God-complex ontwikkelden en begonnen te denken dat de wereld er alleen maar beter van zou worden als zij zich lustig zouden vermenigvuldigen?

Inmiddels zijn er in de Verenigde Staten een kleine vijftig van zulke hulpvaardige artsen tegen de lamp gelopen. Donald Cline, tevens kerkouderling in Indiana, geldt vooralsnog als de productiefste. Zijn nazaten hebben alleen weinig met hem op. Hij wordt door hen consequent ‘Cline’ of ‘that man’ genoemd. Voor hen is hij geen vader, eerder een verkrachter. En dat is dan weer vervat in een vrij plastisch tafereel dat Jourdan, net als andere kerngebeurtenissen uit deze onverkwikkelijke geschiedenis, met acteurs en afstammelingen heeft gereconstrueerd: nét voor de bevruchting maakt Cline zich in een zijkamertje letterlijk klaar voor de klus. Zodat er genoeg zaad is…

Het viezige karakter van ‘s mans levenswerk – zijn heilige missie? – wordt daarmee treffend verbeeld. In een film die een flinke dosis persoonlijk leed blootlegt, veroorzaakt door een man die vindt dat hij mag wikken en beschikken over het lot van een ander. Our Father legt het desondanks af tegen Het Zaad Van Karbaat, waarin dezelfde thematiek met meer diepte, nuance en (beeld)poëzie is uitgewerkt.

They Call Me Magic

Apple TV+

Het is in 1979 letterlijk een kwestie van kop of munt: krijgen The Chicago Bulls of The Los Angeles Lakers de kans om het toptalent Earvin ‘Magic’ Johnson in te lijven? Het wordt uiteindelijk Californië voor de topper in spé uit Lansing, Michigan. Naast een bewezen crack als Kareem Abdul-Jabbar kan de mediagenieke Afro-Amerikaan met de kamerbrede glimlach er uitgroeien tot één van de succesvolste Amerikaanse basketballers aller tijden en zo een remonte van de zwalkende National Basketball Association (NBA) inluiden.

Dat is het startpunt voor de gelikte vierdelige docuserie They Call Me Magic (240 min.), waarin Johnsons carrière netjes wordt doorgelopen, gebruikmakend van een mixture van wedstrijdbeelden, nieuwsreportages en interviews. Magic zelf komt natuurlijk aan het woord. Familie, vrienden en kennissen. Collega’s zoals Michael Jordan, Isiah Thomas en Larry Bird. De onvermijdelijke sportjournalisten, basketbalofficials en deskundigen. En ook het verplichte blik Bekende Amerikanen wordt opengetrokken. Daarin blijken ditmaal Barack Obama, Snoop Dogg, Bill Clinton, Samuel L. Jackson, Spike Lee, Rob Lowe, Paula Abdul, LL Cool J, Jimmy Kimmel en Arsenio Hall te zitten.

Met al die verschillende sprekers maakt regisseur Rick Famuyiwa er een typisch Amerikaanse sportdocumentaire van: een vertelling die continu van drama via cliffhanger naar overwinning snelt – en weer terug. Van Johnsons komeetachtige opkomst via de (opgeklopte) zwart-wit rivaliteit met de blanke held Larry Bird van de grote concurrent The Boston Celtics en de entree van de nieuwe superster Michael Jordan tot zijn schokkende mededeling dat hij besmet is geraakt met het HIV-virus. Een vet aangezette basketbalsaga, die natuurlijk is gelardeerd met onnoemelijk veel superlatieven, dramatiek en clichés. Dichtgesmeerd bovendien met een vlotte collectie soul-, pop- en discohits.

Al dat spektakel kan echter niet verhullen dat They Call Me Magic slechts zelden écht de diepte ingaat. Zoals het ook slechts zelden écht lijkt te schuren in het leven van de goedlachse Magic. Zelfs het feit dat hij de relatie met zijn echtgenote Cookie tot driemaal toe heeft afgebroken voordat het kwam tot een huwelijk heeft achteraf bezien ook wel zijn charme. Pas als Johnson krijgt te horen dat hij HIV heeft en vervolgens een spreekbuis wordt voor besmette Amerikanen krijgt de serie werkelijk scherpte en diepgang. Dan gaan de toch wat gladde praatjes aan de kant en toont de man achter Magic, Earvin Johnson, alsnog publiekelijk zijn ziel.

In de laatste aflevering van de serie roept alleen de plicht weer (deelname met het zogenaamde Dream Team aan de Olympische Spelen, terugkeer in de NBA, de start van een eigen zakenimperium en ondertussen ook nog het bij elkaar houden van zijn gezin) en verdwijnt de urgentie net zo snel als ie is gekomen, ten faveure van wat toch wel héél dicht bij een hagiografie komt.

You’ll Never Walk Alone

Powned

You’ll Never Walk Alone (53 min.). Dat mag gerust letterlijk worden genomen. Een groep afgetrainde mariniers gaat op 24 oktober 2020 een speedmarsmarathon lopen, in gevechtstenue en met achttien kilo bepakking. Ze willen een nieuw wereldrecord vestigen. De mariniers hopen tevens geld op te halen voor zieke mariniers en willen ook hun ernstig zieke maat Cas van Bakel eren.

Cas (34) is een kikvorsman bij de Special Operations Forces van het Korps Mariniers, die op missie naar Afghanistan, Irak en Somalië is geweest. Hij krijgt in 2019 een zeldzame en agressieve vorm van weke delen-kanker. Zijn ziekteproces, dat door zijn ouders, broers en zus van context wordt voorzien, vormt de ene verhaallijn in deze gedegen televisiedocumentaire.

In de andere staan de intensieve voorbereidingen van zijn collega’s en de navolgende recordpoging centraal, die Cas uiteindelijk niet meer zal meemaken. De Nederlandse mariniers willen de snelste tijd van de Britse Royal Marines verbeteren, maar hopen ook dat iedereen ‘heel’ de finish bereikt. Beide verhalen worden parallel verteld en krijgen vanzelfsprekend een emotionele climax.

De docu wordt soms bijna een promofilm voor defensie – terwijl veel militairen ook onherkenbaar zijn gemaakt – en geeft soms wel erg veel ruimte aan de voice-over, maar het Over Mijn Lijk-achtige verhaal over een vent die in de kracht van zijn leven afscheid moet nemen van het bestaan en zijn maten die hem tot én na het einde voluit blijven steunen zal weinig mensen onberoerd laten.

You’ll Never Walk Alone is hier te zien.

How To Survive A Pandemic

VPRO

In de documentaire How To Survive A Plague uit 2012 blikt regisseur David France (Welcome To Chechnya) terug op de pogingen van LGBT-activisten om de Amerikaanse regering onder druk te zetten om het HIV-virus, dat ongenadig huishoudt in hun gemeenschap, eindelijk eens serieus te nemen. Nu de wereld opnieuw heeft te kampen met een dodelijk virus, presenteert David France een soort opvolger voor deze film die destijds werd genomineerd voor een Oscar. Over de pogingen van wetenschappers om een vaccin tegen het Coronavirus te ontwikkelen en de distributie van dit vaccin.

How To Survive A Pandemic (109 min.) is wel een documentaire met een ander karakter. Waar de strijd tegen AIDS in de jaren tachtig voortdurend gepaard ging met woede en frustratie – omdat het de autoriteiten blijkbaar geen snars kon schelen dat Amerikaanse homoseksuelen en masse stierven – wordt de campagne om een vaccin tegen COVID-19 te ontwikkelen op het eerste gezicht gekenmerkt door eensgezindheid. Alle betrokkenen hebben een gezamenlijk doel. Alleen de regering Trump zorgt zo nu en dan voor reuring, door een openlijke breuk met de World Health Organisation bijvoorbeeld of het zwartmaken van de eminente immunoloog Anthony Fauci, die ook in de AIDS-crisis en How To Survive A Plague al een hoofdrol kreeg toebedeeld.

Toch onthult ook deze breed opgezette film – waarin Science-journalist Jon Cohen, die in alle uithoeken van de wereld belangrijke spelers uit de Coronabestrijding interviewt, als centraal personage wordt ingezet – structurele en dieper liggende problemen. De ontwikkeling van een vaccin wordt weliswaar een doorslaand succes, maar dat heeft een naar bijeffect: bestaande verschillen tussen arm en rijk worden erdoor bestendigd, bijvoorbeeld tussen westerse landen die vaccins over hebben en in reserve houden en armere landen die tekort komen en daardoor slechts een beperkt deel van de bevolking kunnen laten inenten.

Het nettoresultaat daarvan beloopt uiteindelijk al snel een miljoen doden, becijfert France in de aftiteling. Het is een wrange conclusie voor een film die de strijd tegen COVID-19 op diverse plekken in de wereld – van brandhaarden als Brazilië en Zuid-Afrika tot de belangrijke vaccinproducent India – treffend in beeld heeft gebracht. Die slotsom ondermijnt de hoopvolle boodschap die je ook uit How To Survive A Pandemic zou kunnen halen: als we er met z’n allen de schouders onder zetten, zijn we in staat om bergen te verzetten en pandemieën te bedwingen.

Candy: A Skater’s Mind

Ruud Lenssen Documentaires

‘We vallen, maar staan altijd weer op’, stelt Candy Jacobs in één van de dagboekfragmenten, waarmee dit persoonlijke portret bijeen wordt gehouden. Want zo doen skateboarders dat nu eenmaal. Ze vallen en staan weer op. Candy weet waarover ze spreekt: in de aanloop naar de Olympische Spelen van Tokyo in de zomer van 2021 wordt ze geconfronteerd met een knieblessure. Ettelijke maanden moet de 31-jarige Limburgse steken in haar herstel en het weer optrainen voor de topprestatie die ze in Japan moet leveren.

Documentairemaker Ruud Lenssen volgt de skateboardster uit Venlo tijdens deze intensieve periode waarin ze haar eigen lichaam weer moet leren vertrouwen. Hij laat haar tevens aan het woord over het ‘stuk hout op vier wielen’ dat haar rust in het hoofd kan bezorgen. Candy is eigenlijk voortdurend met skateboarden bezig. 24 uur per dag. Met het imagineren van nieuwe trucs, het overwinnen van de aanvankelijke vrees daarvoor en daarna het eindeloos oefenen ervan. Totdat het lukt. Elke keer. Altijd en overal. Ook onder druk.

In Candy: A Skater’s Mind (61 min.) alterneert Lenssen voortdurend tussen de voorbereidingen op de Spelen en de periode in Japan zelf, die voor zijn hoofdpersoon op een enorme deceptie uitloopt. Bij aankomst wordt ze positief getest op het Coronacrisis. Candy moet in quarantaine. De filmpjes die ze aangeslagen maakt op haar hotelkamer staan in schril contrast met het noeste skatewerk van de voorgaande maanden, waarop cameraman Rob Hodselmans zich, begeleid door een kekke synth-soundtrack, lekker heeft kunnen uitleven.

Dat vroegtijdige einde op de belangrijkste wedstrijd van haar sportcarrière – voordat ze daar überhaupt heeft kunnen schitteren of falen – moet voor Ruud Lenssen een behoorlijke uitdaging zijn geweest. Hoe voorkom je dat ook de film op een enorme anticlimax uitloopt? Hij zoekt ‘t in de hechte band van Candy met haar ouders en hoe zij samen haar verpeste Spelen beleven en komt daar uiteindelijk behoorlijk mee weg.

In Silico

Human

Over tien jaar wil hij het menselijk brein nagebouwd hebben. Hersenonderzoeker Henry Markram is ervan overtuigd dat hij een computermodel van de hersenen kan fabriceren. Hij wil dat bewerkstelligen via In Silico 52 min.), een digitale simulatie van de biologische werkelijkheid. Markram heeft een persoonlijke motivatie voor het ambitieuze experiment: zijn zoon Kal is gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis. Het is voor Henry en zijn echtgenote Kamila, zelf ook neurowetenschapper, lastig om hun kind te begrijpen en contact met hem te leggen.

De jonge documentairemaker Noah Hutton besluit in 2010 om het even grensverleggende als omstreden initiatief van Henry Markram in de volgende tien jaar te gaan volgen. ‘Hij is een fantastische broodnuchtere wetenschapper’, zegt zijn vakbroeder Christof Koch over Markram. ‘Maar hij heeft ook een publiciteitsgevoelige Messias-kant. Dan zegt hij totaal belachelijke dingen als: “We gaan het brein doorgronden. Dan worden dierproeven overbodig.” Over een eeuw zijn we misschien zover, maar nu nog lang niet.’

Het wordt Hutton in eerste instantie niet in dank afgenomen door Team Markram dat hij critici zoals Koch ook aan het woord laat. Dat zorgt er echter wel voor dat ‘s mans gecompliceerde onderzoeksgebied, en de inhoudelijke discussies die daarbinnen worden uitgevochten, helder in kaart wordt gebracht. Bovendien geeft dat voortdurende twistgesprek over wat we wel/niet (kunnen) ontdekken over de werking van de hersenen zijn film een lekker kartelrandje. Niet in het minst doordat zijn protagonist in eigen kring eveneens met weerstand krijgt te maken.

Uiteindelijk komt in de fijne breinbreker In Silico dan ook de vraag op tafel in hoeverre Henry Markrams levensproject ooit meer is geweest dan een droom en of die stip op de horizon, de belofte dat er over tien jaar een computersimulatie van het brein zou zijn ontwikkeld, vooral was bedoeld om aandacht – en daarmee geld – te trekken. Markram is zijn geloof in de missie in elk geval nooit verloren. ‘De voltooiing van deze reis, door ons of de generaties na ons’, beweert hij nog altijd met een stalen gezicht, ‘zal belangrijker zijn dan de maanlanding.’

Het Dinsdagavondgevoel

Marlou van den Berge

Volgens dirigent Paul Valk hebben ze geen moment overwogen om het niet te doen. ‘Kijk, nu vind ik het heel normaal dat er dingen geannuleerd worden, maar dat had je toch helemaal niet?’ zegt hij over de tijd dat Corona zich voor het eerst meldde in ons leven. ‘Dus je gaat door. Jongens, come on, the show must go on en ga ervoor!’ En dus vertolkte het Amsterdams Gemengd Koor op 8 maart 2020, een maand voor Pasen, gewoon de Johannes Passie in het Concertgebouw. COVID-19 had zich toen al in hun midden genesteld.

Van de 130 koorleden zouden er uiteindelijk maar liefst 102 het Coronavirus krijgen. Één lid overleed, evenals drie partners. Als het koor enige tijd later de draad weer wil oppakken, gaat dat dan ook niet vanzelf. Sommige leden durven nog niet, anderen merken dat ze oefening missen of kortademig zijn. Onder leiding van Valk zullen ze gezamenlijk hun stem weer moeten vinden, om de traumatische ervaring van die eerste Coronagolf achter zich te laten en gewoon weer lekker samen te kunnen zingen.

In Het Dinsdagavondgevoel (60 min.) volgt Marlou van den Berge enkele leden van het koor tijdens de pandemie, die hen het repeteren en optreden bijna onmogelijk maakt. Kan dat eigenlijk wel op anderhalve meter of met een mondkapje? Of moet het werkelijk via Zoom-sessies? ‘We glijden uit elkaar’, constateert bas Reitze de Graaf, die de online-repetities aan zich voorbij laat gaan. ‘Ik voel de band niet meer zo. Dus ik zit een beetje met het idee te spelen om er gewoon maar helemaal mee te stoppen.’

Van den Berge structureert de verwikkelingen bij het Amsterdams Gemengd Koor, die op microniveau laten zien hoe COVID-19 het complete land in zijn greep krijgt en op allerlei plekken tweespalt veroorzaakt, aan de hand van de diverse Corona-persconferenties van Mark Rutte en lardeert de vertelling bovendien met enkele treffende zangstukken. ‘Waar is iedereen gebleven?’ zingt het koor bijvoorbeeld ten tijde van de lockdown van eind 2020. ‘Het beeldscherm lijst me in. Dit is hoe donker klinkt.‘

Het Dinsdagavondgevoel brengt zo treffend in beeld hoe het hoofdstedelijke koor probeert om de boel bij elkaar te houden, in een tijd waarin er verschillende eilandjes dreigen te ontstaan. Het is een uitdagende tijd die hen stuk voor stuk met de neus op de feiten drukt: hoeveel sterker ze samen zijn, als al die verschillende stemmen samenkomen, dan ieder in z’n eentje. Intussen blijft de herinnering aan betere tijden – en de hoop dat die, liefst snel, weer zullen terugkeren.

Life According To Sam

HBO

Hij oogt als een hoogbejaard kind. Sam Berns heeft Progeria, een aandoening waardoor hij vroegtijdig veroudert. In de hele wereld zijn er zo’n 250 kinderen met Progeria. Er bestaat geen remedie. De meeste van hen worden niet ouder dan dertien of veertien. Dan vallen ze ten prooi aan ouderdomskwalen of een hartinfarct.

Sam uit Foxborough, Massachusetts, is inmiddels dertien. Zijn ouders, Leslie Gordon en Scott Berns, zijn allebei arts en runnen hun eigen stichting, The Progeria Research Foundation. Ze hebben inmiddels het gen ontdekt dat Progeria veroorzaakt en het medicijn Lonafarnib gevonden, dat ze willen gaan uittesten op een kleine dertig kinderen uit zestien verschillende landen. De tijd dringt. Ze hopen dat hun kind nog de vruchten van hun inspanningen kan plukken.

Dat is de startpositie voor Life According To Sam (94 min.), waarin het echtpaar Sean Fine en Andrea Nix Fine zes kinderen en hun ouders volgt. Vanuit India, Canada, Italië, Pakistan en de Verenigde Staten participeren zij in het wetenschappelijke onderzoek van Sams ouders. Ze variëren in leeftijd van zes tot en met achttien jaar oud en hopen stuk voor stuk, waarschijnlijk tegen beter weten in, dat ze die dodelijke ziekte achter zich kunnen laten.

Intussen zoomen de Fines ook in op de gedreven Leslie en Scott, hun zoon en de race tegen de klok waarin zij al sinds zijn geboorte zijn verwikkeld. ‘Ik ga heel anders met de dood om dan de meeste andere mensen’, zegt Sam in deze documentaire uit 2013. Hij is in de voorgaande jaren al de nodige vriendjes kwijtgeraakt. ‘Kinderen met Progeria kunnen het gevecht soms niet winnen en komen te overlijden. Daaraan probeer ik niet al te veel te denken.’

Sam is natuurlijk meer dan zijn aandoening. Een gelauwerde leerling, om maar eens wat te noemen. Toch wordt zijn leven wel degelijk gedomineerd door Progeria. Het is bijvoorbeeld mooi en wrang tegelijk om te zien hoe de jongen als een soort eregast wordt ontvangen bij een optreden van zijn favoriete groep, The Dave Matthews Band. Vader Scott, zelf ook fan, zou echter graag afzien van deze voorkeursbehandeling, bekent hij, als dat zou betekenen dat Sam gezond en gewoon kind kon zijn.

In werkelijkheid is de familie Berns, dat maakt deze aangrijpende documentaire heel tastbaar, veroordeeld tot leven met een zandloper die zienderogen door zijn korrels heen begint te raken. En tot de hoop, die je als ouder nu eenmaal nooit mag laten varen, dat er toch nog op tijd een remedie wordt gevonden.

Hoe het Sam Berns en zijn ouders ná Life According To Sam is vergaan, is hier te lezen.

Sjinkie, Spelen Met Vuur

NOS

Vanaf dag drie wordt hij alweer behandeld als topsporter. Op 10 januari 2019 is schaatser Sjinkie Knegt thuis in het Friese dorp Bantega ernstig verbrand geraakt bij het aansteken van de houtkachel. Op voorhand is er een kans van ongeveer vijftig procent dat hij zijn verwondingen en mogelijke infecties niet zal overleven. Eenmaal in het ziekenhuis wordt het vizier echter vrijwel direct weer op shorttracken gericht. Hij moet en zal terugkeren aan de wereldtop. En inderdaad: nu, ruim drie jaar later, staat Knegt ‘gewoon’ aan de start bij de Olympische Winterspelen van Beijing.

Dat is een absolute topprestatie. Niet alleen van Sjinkie zelf, maar ook van zijn vriendin Fenna van der Wal en zijn begeleidingsteam, de artsen van het Brandwondencentrum Groningen in het bijzonder. In de treffende documentaire Sjinkie, Spelen Met Vuur (60 min.) keren Kees Jongkind en Monique Tesselaar eerst terug naar de dag van het ongeluk. Ze laten de paniek horen als Fenna na het ongeluk de meldkamer belt en later ook Sjinkie zelf, vanonder de douche, de hulpverleners te woord staat. Daarna laten ze de reden voor die paniek zien, middels enkele huiveringwekkende foto’s van het slachtoffer. De gebutste en gehavende figuur in dat ziekenhuisbed doet in vrijwel niets meer denken aan de gevierde shorttrackkampioen.

Jongkind en Tesselaar observeren diens jarenlange revalidatieproces vervolgens van heel dichtbij. Ze zijn er bijvoorbeeld als ‘De Schicht Uit Bantega’ voor het eerst weer op het ijs staat. ‘Kijk die Knegt eens, joh’, reageert bondscoach Jeroen Otter dan verrast. ‘Die rijdt gewoon rond.’ De weg naar de Spelen van Beijing is echter nog heel lang en gaat bovendien gepaard met tegenslag en twijfel. Want volgens Knegts baas is het voor zijn protegé niet voldoende om De Oude Sjinkie te worden – de concurrentie heeft immers bepaald niet stilgezeten – hij zal Een Geheel Verbeterde Sjinkie moeten worden om serieus kans te maken op de enige gouden medaille die nog ontbreekt in zijn prijzenkast.

Pharma Bro

Hij mocht zich even de meest gehate man van de Verenigde Staten noemen. Als CEO van Turing Pharmaceuticals verhoogde Martin Shkreli in 2015 de prijs van een Daraprim-pil van 13,50 naar 750 dollar. Patiënten met de infectieziekte toxoplasmose, afhankelijk van dit medicijn, kregen de rekening gepresenteerd – al was het in de praktijk vaak hun zorgverzekeraar die de exorbitante bedragen moest ophoesten.

En toen kocht Shkreli, voor een slordige twee miljoen dollar, ook nog het enige exemplaar van de nieuwe CD van de hiphopgroep The Wu-Tang Clan, Once Upon A Time In Shaolin. Kutventje! Martin Shkreli heeft zijn uiterlijk natuurlijk ook niet mee: de voormalige hedgefund-manager heeft zo’n zelfgenoegzame tronie, dat menigeen hem het liefst stante pede tweede blauwe ogen en een bloedlip zou bezorgen.

Of is dat toch vooral imago? vraagt Brent Hodge zich af in Pharma Bro (86 min.). Zijn al die bravoure en provocaties slechts uiterlijke schijn? Houdt zich ergens in die omhooggevallen engerd gewoon een onzeker joch verscholen, dat zijn achtergrond in een immigrantengezin in New York maar blijft overschreeuwen? Een jongeling die zo scherp en onhandig communiceert dat de kwalificatie ‘autisme’ wellicht op zijn plaats is?

Hodge gaat op onderzoek uit in het leven van de man die de belichaming van Big Pharma werd. Terwijl hij gewoon de regels van het (kapitalistische) spel heeft gevolgd. Net als allerlei andere farmaceuten. Híj verbergt zich alleen niet achter een Raad van Bestuur of communicatieafdeling. Shkreli staat gewoon iedereen te woord – via de pers, z’n smartphone of zijn eigen livestream – en spreekt dan bepaald niet met meel in de mond.

Brent Hodge vergelijkt zijn protagonist nét iets te nadrukkelijk met de slechterik uit superheldenfilms, met als geuzennaam ‘Pharma Bro’, en heeft daarin natuurlijk ook een rol voor zichzelf bedacht. Hij gaat bijvoorbeeld in hetzelfde gebouw wonen als Shkreli en meldt zich bovendien heel nadrukkelijk met vragen in diens livestream. Zonder dat dit verder heel veel oplevert. Behalve aandacht voor de held zelf.

Terwijl er een rechtszaak loopt tegen Shkreli vanwege fraude, spreekt Hodge verder met een vriend (rapper Billy The Fridge), zijn advocaat Ben Brafman, de rechtse provocateur Milo Yiannopoulos en de Wu-Tan Clanners Ghostface Killa en Cilvaringz. Een bijzondere rol is er voor ex-vriendinnen en (vrouwelijke) journalisten, met wie hij meestal al snel publiekelijk in een moddergevecht verzeild raakt en een heel enkele keer, zoals bij zijn biografe Christie Smythe, een bijzondere relatie opbouwt.

Als man you love to hate (of hate to love) is Martin Shkreli beslist een ideale hoofdpersoon voor een portret. Deze film – en dan met name Brent Hodges rol daarin – laat alleen nog wel wat te wensen over.

De Zorgkoningin

KRO-NCRV

‘Ziekenhuis te koop’, staat er in de krant. Ondernemer Aysel Erbudak en haar financier Jan Schram besluiten toe te happen. Op 31 augustus 2006 komt het Amsterdamse Slotervaartziekenhuis, dat in acute geldnood verkeert, in particuliere handen. 320 bedden, 100 medisch specialisten en 1300 personeelsleden worden gered door – in de woorden van voice-over Marlijn Weerdenburg – ‘een mensenschuwe grondhandelaar met geld en een goedgebekte zakenvrouw met ambitie’.

Erbudak, die even daarvoor nog parkeerwacht is bij de zwarte markt in Beverwijk (al lijkt dat toch eerder een mooi verhaal dan een adequate beschrijving van haar positie), wordt directeur van het ziekenhuis. Ofwel: De Zorgkoningin (52 min.). En vaste patiënten zoals Stella Huygens en Inge Roele, die in deze journalistieke documentaire van Steven Schoppert als ervaringsdeskundige aan het woord komen, worden voortaan beschouwd als klant.

Zo moet de positie van het Slotervaartziekenhuis, dat al enige tijd dienst lijkt te doen als afvoerputje van de stad en financieel nauwelijks het hoofd boven water kan houden, worden gestabiliseerd. De zakenvrouw gaat inderdaad als een wervelwind van start, krijgt het ziekenhuis al snel winstgevend en werkt als een magneet voor de vaderlandse pers. Alleen: Erbudak blijkt ook een strafblad te hebben en maakt bovendien wel erg gemakkelijk vijanden.

Met de Turks-Nederlandse directeur zelf, voormalige medewerkers van het ziekenhuis, journalist Bas Soetenhorst (die samen met Jeroen Wester het boek De Kraak Van Het Slotervaartziekenhuis schreef), SP-kamerlid Renske Leijten en de toenmalige minister van Volksgezondheid Hans Hoogervorst (een groot voorstander van marktwerking in de zorg) blikt Schoppert terug op de zes turbulente jaren dat Erbudak de scepter zwaaide in het ziekenhuis.

Hij begeleidt hun herinneringen met nogal dik aangezette vamp-beelden van zijn hoofdpersoon en visualiseert de slangenkuil die het Slotervaart voor haar zou zijn geweest letterlijk met slangen die door het ziekenhuis glibberen, op zoek naar een prooi. Het ligt voor de hand wie daarvan uiteindelijk het slachtoffer zal zijn – al is Aysel Erbudak, zo blijkt ook weer uit deze boeiende vertelling, natuurlijk bepaald geen willoos slachtoffer.

Rob de Nijs – Voor Het Laatst

Videoland

Het mag natuurlijk niet zielig worden. Dan werpt hij zelf de handdoek in de ring. Tot die tijd geniet Rob de Nijs van zijn laatste jaren als artiest, een vak dat hij al ruim een halve eeuw beoefent. Ook al wordt dat door de ziekte van Parkinson steeds moeilijker. Hij is er kwetsbaarder door geworden. Dat zachte en broze siert hem echter wel. En zijn carrière heeft mede daardoor nog een opvallende remonte doorgemaakt.

In het tweeluik Rob de Nijs – Voor Het Laatst (70 min.) portretteert documentairemaker Eric Goens de Nederlandse zanger in de aanloop naar zijn afscheidsconcert op 21 november 2021 in het Sportpaleis in Antwerpen. Van tevoren kampt De Nijs volgens eigen zeggen met ‘de doodsangst of het allemaal wel goed gaat’. Niet gek: hij heeft anderhalf jaar niet gezongen en verbleef zelfs zes weken in een revalidatiecentrum om zich optimaal te kunnen prepareren voor dit optreden.

Behalve met de zanger zelf spreekt Goens ook met zijn 26 jaar jongere vrouw Jet, pianist/manager Frank Jansen en tekstschrijver en ex-echtgenote Belinda Meuldijk. Zij hink-stap-springen even vluchtig door zijn leven en carrière, maar richten zich vooral op het ziekteproces en de weg naar dat uitroepteken achter zijn imposante loopbaan, de vanzelfsprekende climax van dit aardige kijkje achter de schermen. ‘Iedereen in de zaal mag tranen hebben, maar ik niet’, zegt de professional daarover nuchter.

Het is alleen de vraag of het zo werkt bij zo’n beladen concert. In de coulissen houdt zijn neuroloog Bas Bloem in de gaten of alles goed gaat. En ook Jet en zoontje Julius wijken niet van zijn zijde als Rob de Nijs voor het allerlaatst – écht!, alhoewel… – het podium betreedt voor hits als Ritme Van De Regen, Banger Hart en Malle Babbe.

In The Same Breath

HBO

Het jaar 2020 – en daarmee ook In The Same Breath (98 min) – begint in China als een musicalversie van het leven. Enorme volksmassa’s luiden op een groot plein het nieuwe jaar in met een zoetgevooisd lied. ‘Mijn moederland en ik zijn niet van elkaar te scheiden’, zingen de zorgvuldig geplaceerde mannen en vrouwen, terwijl ze parmantig met een rood vlaggetje zwaaien. ‘Waar ik ook naartoe ga, ik zal haar lof toezingen.’ De Chinese leider Xi Jinping levert eveneens zijn bijdrage aan de feestvreugde. ‘Patriottische gevoelens zorgen voor tranen in onze ogen’, zegt hij op gedragen toon. ‘Patriottisme vormt de ruggengraat van onze natie.’

Op diezelfde 1 januari 2020 is er ook nog ander nieuws, vertelt de Chinese documentairemaker Nanfu Wang, die al negen jaar in de Verenigde Staten woont. De politie van Wuhan laat een officiële verklaring voorlezen op de staatstelevisie: ‘acht mensen zijn bestraft voor het verspreiden van geruchten over een onbekende longziekte.’ Acht doctoren, welteverstaan. Het is een bericht dat al snel naar de achtergrond verdwijnt, ten faveure van de nieuwjaarsactiviteiten. Zo gemakkelijk laat COVID-19 zich echter niet beteugelen. Terwijl de Chinese overheid iedereen die iets wil zeggen over het nieuwe virus de mond probeert te snoeren en een lockdown afkondigt in Wuhan, gaat het verhaal van de pandemie rond op de sociale media.

Het werkelijke verhaal komt zo ook Nanfu Wang ter ore. Ze is inmiddels teruggekeerd naar de VS, maar heeft haar tweejarige zoontje achtergelaten bij haar ouders in China. En dit roept weer wrange herinneringen op aan een oud trauma rond haar vader. Wang voelt zich verplicht om het nieuws over de crisis wereldwijd onder de aandacht te brengen. Ze vraagt allerlei landgenoten om stiekem te gaan filmen. Zo vangt ze de eerste Coronagolf, maar ook hoe de Chinese overheid die met alle mogelijke middelen probeert te framen. Positieve berichtgeving moet er komen, ten koste van (bijna) alles. De staatsmedia werken maar al te graag mee en leveren de heldenverhalen die een gevoel van trots moeten creëren over hoe de heilstaat China de pandemie bezweert.

Genadeloos legt Wang, die in One Child Nation eerder de Chinese eenkindpolitiek fileerde, het menselijke drama, de onvoorstelbare hypocrisie en het bureaucratische gedoe bloot, die de Corona-uitbraak sinds begin 2020 (nee: eind 2019) begeleiden. Halverwege de film schakelt ze even door naar haar huidige thuisbasis, waar de geschiedenis zich op een gênante manier herhaalt. Neem alleen de eerste reactie van Amerikaanse gezagsdragers en deskundigen, die de situatie volledig onderschatten en de humanitaire ramp gewoon laten gebeuren. En de volksmenners natuurlijk, die hun achterban aanpraten dat er sprake is van een ‘plandemic’ waarmee gewone Amerikanen van hun grondrechten worden ontdaan. ‘Accurate informatie is essentieel’, zegt een vrouw met een ‘Make America Great Again’-pet op. ‘We hebben te veel mensen die blindelings de leider volgen. En die leider kan ze zo naar de rand van een klif leiden, waarna ze zich in het ravijn storten.’

Dan keert Nanfu Wang toch weer terug naar haar geboortegrond, waar het communistische bewind een grauwe deken van staatspropaganda – vervat in potsierlijke loftuitingen op ‘China’s superieure systeem’ – blijft leggen over de gruwelen van de eerste Coronagolf. Intussen hebben ziekenhuizen patiënten in kritieke toestand (moeten) weigeren en kunnen mensen in een hospitaal sterven, zonder dat hun verwanten het weten of er een uitvaart komt. Daarmee wordt In The Same Breath, dat uiteindelijk tot een even virtuoze als naargeestige climax wordt gebracht, behalve een verpletterende film over de eerste COVID-19 brandhaard ook een nietsontziend portret van het moderne China.

Free As A Bird

KRO-NCRV

Met een nieuwe nier kan Ariana de la Fosse blijven dansen. In de familie is alleen geen nier beschikbaar. Als die er op korte termijn niet komt, zal het twaalfjarige Nederlandse meisje voorlopig moeten gaan spoelen. En nierdialyse is toch wel erg moeilijk te combineren met de hobby waar ze zich viermaal per week helemaal aan overgeeft: dansen.

Op het strand fantaseert Ariana met een vriendinnetje over van wie ze een orgaan zou kunnen krijgen. Hoe zou die er dan uitzien? Is het een man of een vrouw? Is het een jong iemand? Ze kijkt naar de zee. ‘Die dikke mevrouw…’, giebelt ze. Ariana denkt er nog eens over na: ‘Het maakt me niet echt uit wie het is. Ik wil wel dat diegene er een beetje fris uitziet.’

Met haar broer Arthur en hond Mikey werkt ze in Free As A Bird (15 min.) aan een filmpje, waarmee ze een donor hoopt te vinden. Via die opnames belicht regisseur Annelies Kruk de nierziekte van het meisje. Dit gebeurt zoals dat in veel (Nederlandse) jeugddocu’s wordt gedaan: vanuit het perspectief van het kind en met een positieve inslag. Geen sombermansverhalen dus.

Dat werkt ook in dit geval weer prima. Ariana is weliswaar een kind met een hulpvraag, letterlijk in dit geval, maar wordt geen moment als een slachtoffer afgebeeld. Free As A Bird is daarmee fijn kijkvoer voor zowel ouders met kinderen als ouderen zonder kinderen. En hopelijk vaart Ariana’s zoektocht naar een donor, inmiddels uitgezet via sociale media, er wel bij.

Freddie Mercury: The Final Act

NTR

‘Er gaat het gerucht dat we uit elkaar gaan’, roept Freddie Mercury tijdens een concert van Queen in het Wembley-stadion in 1986. ‘Wat denken jullie?’ Hij wijst demonstratief naar zijn achterste. ‘Ze praten vanuit híer!’ Mercury neemt nog even de tijd om zijn punt te maken: ‘Vergeet al die geruchten: wij blijven bij elkaar tot onze dood!’ Het zullen, helaas, profetische woorden blijken te zijn.

Op dat moment had de Britse zanger al aangegeven bij zijn medebandleden dat hij niet meer wilde toeren. Het HIV-virus zat hem op de hielen. Zonder dat zij het wisten overigens. Officieel dan. Mercury was een ‘dead man walking’, maar over dat onderwerp werd niet gesproken. Hij wilde dat ook niet. De zanger zou uiteindelijk op 24 november 1991 overlijden, op slechts 45-jarige leeftijd.

Via het tragische einde van de Queen-frontman belicht documentairemaker James Rogan in Freddie Mercury: The Final Act (90 min.) de AIDS-epidemie, die de sfeer van onverdraagzaamheid die er in het Groot-Brittannië van Margaret Thatcher sowieso al was ten opzichte van homoseksuelen nog eens versterkte. Was dit misschien de straf die zij kregen – van God natuurlijk – voor hun tegennatuurlijke gedrag?

Do I look like i’m dying of AIDS? fumes Freddie, kopte de Britse tabloid The Sun in die jaren bijvoorbeeld uiterst speculatief. ‘Dat zorgde destijds voor een enorme haat bij mij voor de journalistieke benadering van de Murdoch-kranten’, vertelt Queen-drummer Roger Taylor, die samen met gitarist Brian May uitgebreid terugblikt op dit dramatische hoofdstuk uit de bandhistorie.

Verder komen in deze boeiende documentaire ook Mercury’s zus Kashmira Bulsara, vriendin Anita Dobson en z’n personal assistant Peter Freestone, die zijn ziekteproces van dichtbij meemaakte, aan het woord. Hun herinneringen worden gepaard aan de getuigenissen van enkele homoseksuele mannen die tijdens de AIDS-crisis opgroeiden en zagen wat die aanrichtte.

Intussen is er altijd de muziek van Queen, die binnen deze context helemaal tot zijn recht komt en extra diepte krijgt. Alsof ineens duidelijk wordt wat Freddie Mercury eigenlijk probeerde te zeggen. En in die muziek ligt natuurlijk ook de sleutel naar de verwerking van het verdriet na zijn overlijden en de afronding van deze film: het befaamde Freddie Mercury Tribute Concert For AIDS Awareness.

Op 20 april 1992 verzamelden zich talloze popgrootheden, in Wembley natuurlijk, om eer te bewijzen aan de man en zijn songs. Dan dreigt deze film even een standaard-popdocu te worden, waarin collega’s als Roger Daltrey, Lisa Stansfield en Paul Young ruimte krijgen om uit te spreken hoe bijzonder Freddie Mercury wel niet was. Ook de derde akte levert echter bijzondere verhalen op.

Over het duet bijvoorbeeld dat Elton John, zelf homoseksueel en bovendien een intieme vriend van de Queen-zanger, moest zingen met Guns N’ Roses-zanger Axl Rose, die destijds werd beschuldigd van homofobie. Uiteindelijk reikten ze elkaar tijdens Bohemian Rhapsody letterlijk de hand. En dan is er nog het drama rond George Michael die niet voor niets boven zichzelf uitsteeg in Somebody To Love.

Zulke indringende episodes tillen deze film uit boven het individuele verhaal van Freddie Mercury. Hoewel dat op zichzelf natuurlijk ook al meer dan genoeg tot de verbeelding spreekt.

Dood Op Verzoek

IKON

‘We moeten er niet mee wachten’, zegt Cees van Wendel de Joode met veel moeite tegen zijn huisarts Wilfred van Oijen. ‘Want het slikken gaat ook moeilijk.’ Zijn vrouw Anthoinette helpt hem formuleren: ‘En ademhalen gaat erg achteruit.’ Van Oijen adviseert om het euthanasieverzoek formeel in gang te zetten en een tweede arts in te schakelen nu Cees zich nog enigszins kan uitdrukken. Waarna die onbedaarlijk begint te huilen.

Het is een hartverscheurend tafereel, waarin de essentie van Dood Op Verzoek (57 min.) uit 1994 is vervat. De 62-jarige Cees van Wendel de Joode heeft de spierziekte ALS. Zijn overlijden komt zienderogen dichterbij. Om een ontluisterende dood te voorkomen, wil hij euthanasie. Daarvoor moet hij dus in gesprek gaan met een tweede, onafhankelijke arts. Die moet bevestigen dat de Amsterdamse man inderdaad ondraaglijk lijdt en voldoet aan de andere voorwaarden voor een vredige dood.

‘Geslaagd’, constateert Cees glunderend als dat inderdaad het geval blijkt te zijn. Hij heeft zijn gevoel voor humor behouden. Als documentairemaker Maarten Nederhorst later vraagt wat zijn vrouw voor hem betekent, antwoordt hij simpelweg: ‘Alles.’ Zij moet er zelf aan te pas komen om de zin ‘Zonder haar zou ik het geen dag meer volhouden’ af te maken. Waarmee de afhankelijkheid van haar echtgenoot, die zich wel uitdrukt in een dagboek (voorgelezen door Frederik de Groot), nog maar eens wordt geïllustreerd.

Bij de man die Cees uit zijn lijden moet verlossen, huisarts Van Oijen, drukt de euthanasie zwaar op zijn gemoed. Of hij het er erg moeilijk mee heeft? wil zijn patiënt weten op de dag waarop hij afscheid gaat nemen van het leven. ‘Nou, ik kom hier wel een beetje met lood in m’n schoenen naartoe, ja.’ Als hij op de gezondheid van zijn vrouw en de dokter heeft gedronken, typt Cees nochtans onverbiddelijk op zijn letterbord een ferme zin in: laten we het maar niet uitstellen. Waarna hij zijn rolstoel richting het bed stuurt.

Bijna dertig jaar later maakt de film, die destijds in de halve wereld commotie veroorzaakte en volgens dit indringende interview met Wilfred van Oijen ook tot een stormloop op zijn praktijk leidde, nog altijd enorm indruk. Dood Op Verzoek koerst uiteindelijk trefzeker af op de ongelooflijk intieme scènes waarin de dappere arts het overlijden van Cees in gang zet en hem samen met de al even dappere Anthoinette naar het einde begeleidt. En daarna is het even héél stil en moet het overlijden van Cees van Wendel de Joode officieel worden geregistreerd.

Dood Op Verzoek is hier te bekijken.

Eat Your Catfish

IDFA

Als het drama in een documentaire over iemand met de spierziekte ALS niet zorgvuldig wordt gedoseerd, kan die al snel bijna net beklemmend worden als de ziekte zelf. De diagnose is immers niets minder dan een doodvonnis, dat weliswaar direct wordt uitgesproken, maar uiteindelijk zo langzaam wordt voltrokken dat elk verlies afzonderlijk moet worden geïncasseerd en geïncorporeerd in het leven. In het beste geval weet de chroniqueur van dat proces er een film met de spreekwoordelijke lach en traan van te maken, die onvermijdelijk afstevent op een dramatisch einde.

Eat Your Catfish (73 min.) heeft evenwel niets van een rechttoe rechtaan tearjerker. De film is (vrijwel) volledig gemaakt vanuit het perspectief van de Amerikaanse vrouw Kathryn, via een camera die aan de achterkant van haar rolstoel is bevestigd en daardoor een heel intiem beeld geeft van haar leefwereld. Zij weet inmiddels vijf jaar dat ze ALS heeft en is in die periode compleet verlamd geraakt. Bij vrijwel elke activiteit moet ze worden geholpen, door steeds andere verzorgers bovendien. Nur die Gedanken sind frei. Letterlijk, in dit geval.

Nadat ze die met oogbewegingen heeft toevertrouwd aan een speciaal keyboard, worden ze hardop uitgesproken door een computerstem. Kathryn formuleert messcherp. ‘Ben jij eigenlijk wel in staat om aandacht te schenken aan iets anders dan jezelf?’ vraagt ze bijvoorbeeld aan haar Iraans-Amerikaanse echtgenoot Saïd, die de zorg voor zijn vrouw niet aankan of niet wil aankunnen. Hij reageert niet. Daarom blijft Kathryn de zin maar herhalen. Totdat ze tot een bijtende conclusie komt:  ‘Jij bent de zwakste persoon die ik ken.’

De sfeer in Huize Arjomand is sowieso vaak te snijden. Niet alleen tussen Kathryn en haar man. Ook zoon Noah, die deze documentaire samen met zijn coregisseurs Adam Isenberg en Senem Tüzem samenstelde uit negenhonderd uur film, ergert zich groen en geel aan zijn vader en botst daarnaast regelmatig met zijn moeder. Ieder voor zich bereiden ze zich voor op zo’n beetje het enige waarvoor Kathryn nog wil leven: het huwelijk van haar dochter Minou. Die feestelijke aangelegenheid fungeert als richtpunt voor de film, die daar met de nodige tijdsprongen naar toewerkt.

Eat Your Catfish blijft ook dan grotendeels vrij van sentiment. De documentaire, die met flashbacks de vroegere Kathryn laat zien, spiegelt het leven met ALS af als een ontluisterende ervaring: kil, kaal en hard. Geen materiaal voor een happy end – al is Kathryns scherpzinnige geest op geen enkele manier aangetast geraakt en behoudt ze ook te allen tijde haar gevoel voor (galgen)humor.

The First Wave

National Geographic

‘Elke keer als ik naar hem kijk zie ik die jonge kinderen’, zegt verpleegkundige Kellie Wunsch geëmotioneerd, terwijl ze wordt getroost door een collega. ‘Ik heb het gewoon nodig dat het goed met hem gaat.’ Ahmed Ellis, een Afro-Amerikaanse man van halverwege de dertig, had haar verteld over zijn gezin en daarna indringend gevraagd: ‘Laat me alstjeblieft niet sterven!’

Inmiddels is Ellis, in het dagelijks schoolbeveiliger, buiten bewustzijn en geïntubeerd. Als zijn vrouw Alexis en zoontje Austin videobellen naar het ziekenhuis, houdt Kellie de iPad recht voor Ahmeds gezicht en probeert ze hem bij het gesprek te betrekken. Het is echter nog maar de vraag of hij het Coronavirus te boven komt. De artsen en verpleegkundigen van het Long Island Jewish Medical Center moeten daarvoor alle zeilen bijzetten.

In het ziekenhuis in Queens moet ook regelmatig een minuut stilte worden ingelast. Intensieve zorg, beademing en reanimatie kunnen het overlijden van een patiënt lang niet altijd voorkomen. Soms weerklinkt ook ineens Here Comes The Sun van The Beatles op de afdeling. Dan mag iemand van de beademing af. Het zijn de spaarzame momenten waarop er even licht gloort aan het eind van een angstaanjagende tunnel.

Verder lijkt er sprake van permanente crisis in het ziekenhuis in New York, dat in het voorjaar van 2020 tot de grote brandhaarden van The First Wave (93 min.) van COVID-19 behoort. Regisseur Matthew Heineman tekent van binnenuit op hoe het huilen zelfs ervaren krachten soms nader dan het lachen staat. Een eindeloze stroom patiënten belandt uitgeteld in bed, ogenschijnlijk meer dood dan levend. Waarbij het de vraag is of ze dat ooit nog zullen verlaten.

Behalve op Ahmed Ellis richt Heineman zich daarbij op de jonge immigrante Brussels Jabon. Na een keizersnede is ze met haar pasgeboren zoon Lyon in het ziekenhuis terecht gekomen. Haar halve familie is besmet geraakt met het Coronavirus. Verder portretteert hij het team van de betrokken arts Nathalie Dougé, die na de dood van George Floyd betrokken raakt bij Black Lives Matters-demonstraties en op haar werk ziet dat ook COVID-19 minderheden extra hard treft.

Matthew Heineman schuwt het drama niet en heeft er ook gevoel voor: een oog dat langzaam dichtvalt of plotseling wordt opengesperd, de hand die krachteloos probeert te zwaaien of het hoofdschudden van hulpverleners die tevergeefs hebben geprobeerd om het leven van een patiënt te redden. Het zijn tragische beelden van een crisis die we inmiddels uit en te na kennen – ook uit documentaires – en het liefst even zouden vergeten.

The First Wave weet toch door die Coronamoeheid heen te breken. Als een soort shockbehandeling. Zo ernstig was – en is/wordt – het dus in de ziekenhuizen. Tegelijkertijd laat de film ook de medemenselijkheid zien, die juist op zulke momenten komt bovendrijven. Als een patiënt bijvoorbeeld het ziekenhuis mag verlaten om thuis verder aan zijn/haar herstel te werken, gebeurt dat onder luid applaus van het zorgpersoneel.

Zulke verbondenheid in tijden van nood is zeker niet (meer) overal vanzelfsprekend.

Huisje, Boompje… Weduwe

EO

‘Onze verhalen beginnen waar het leven van onze vent eindigt’, stelt één van de twee Mariekes van Huisje, Boompje… Weduwe (45 min.) opvallend luchtig bij aanvang van deze korte televisiedocu. De twee jonge vrouwen noemen zichzelf ‘widowchicks’. Sinds ze elkaar twee jaar geleden hebben ontmoet via een weduwenforum zijn ze echte vriendinnen. ‘Terwijl vrienden om ons heen bezig waren met relaties, carrières en baby’s rouwden wij om onze overleden vent.’

Nadat hun echtgenoten enkele jaren geleden plotseling overleden, gingen Marieke van Lierop (28) en Marieke Foppen (33) geleidelijk aan verder met hun leven. Ze moesten wel. En er kwam ook weer ruimte voor een nieuwe partner, die de last van het verleden ook een beetje op zijn schouders kreeg. Die moest zich bovendien zien te verhouden tot hun schoonouders.

De twee Mariekes vertellen hun verhaal nu aan een derde naamgenoot, Marieke de Man. Zij zet de vriendinnen naast elkaar op een bank en geeft hen alle ruimte. De chemie tussen de twee jonge vrouwen is zichtbaar. Hun gedeelde ervaringen hebben voor een soort zusterband gezorgd. Behalve verdriet is er gelukkig ook ruimte voor een gulle lach. Ook al heeft het leven hen inmiddels alweer voor stevige nieuwe uitdagingen gesteld.

De ene Marieke maakt zich op voor nieuw geluk, de andere moet opnieuw tegenslag overwinnen. Dat gaan ze allebei op hun eigen onverschrokken manier aan, in een vlotte docu die qua vorm en toonzetting doet denken aan televisieprogramma’s als Je Zal Het Maar Hebben of Over Mijn Lijk. Rouw en verdriet krijgen vrijwel permanent tegenwicht van lol en humor, zodat het leven draaglijk blijft. Of gewoon weer leuk wordt.

‘Het kan echt alle kanten op in het leven’, zegt Marieke, ‘die met die bril’, tot besluit. ‘Dat hebben wij wel ervaren. En dat rouwen meer is dan huilen in een hoekje, dat ook.’

De Bellers

Remko Liebregts / KRO-NCRV

Een speciaal team onderhoudt het contact met de familie van de patiënten. Vanwege de strenge Corona-maatregelen, tijdens de eerste golf in het voorjaar van 2020, moeten ze dat telefonisch doen. Vrijwel dagelijks informeren De Bellers (75 min.) verwanten over hoe het gaat met hun vader, moeder of broer, die is opgenomen op de Intensive Care-afdeling van Amsterdam UMC.

Het zijn intensieve gesprekken. De familieleden aan de andere kant van de lijn, die vaak al een hele tijd zijn afgesneden van hun geliefde, snakken naar goed nieuws. Soms kunnen de artsen van het speciale support team hen inderdaad hoop geven, andere keren moeten ze die hoop juist de bodem inslaan. De bijbehorende emoties zijn regelmatig van hun gezicht af te lezen als ze de familie empathisch en toch professioneel proberen te informeren.

Die telefoongesprekken vormen het hart van deze observerende documentaire van Meral Uslu, Maria Mok, Paul Cohen en Martijn van Haalen, die verder nog enkele indringende scènes vanuit het ziekenhuis zelf bevat. De gesprekken geven enerzijds inzicht in wat er ook op menselijk vlak van ziekenhuisartsen wordt gevraagd en laten tegelijkertijd zien hoe zij dat deel van hun werk tijdens de pandemie echt met één arm op de rug gebonden moeten doen.

Tijdens sommige telefoontjes, met familieleden die niet of nauwelijks Nederlands spreken, worden ze gedwongen om nóg een extra omweg, via een tolk, te nemen. ‘Goeiedag, meneer’, begint dokter Remko Liebregts bijvoorbeeld zo’n gesprek. ‘We hebben elkaar dit weekend gesproken. Toen ging het nog niet zo goed met uw broer, maar de situatie lijkt nu wat gunstiger te zijn.’

Nadat de arts heeft uitgelegd dat de patiënt minder ondersteuning nodig heeft van beademingsapparatuur, neemt de Imam en geestelijk verzorger van het ziekenhuis het over. ‘Met Allah’s hulp is zijn toestand verbeterd’, geeft Mohammed Ben Ayad een vrije vertaling van Liebregts’ boodschap aan het familielid aan de andere kant van de lijn. ‘Moge Allah jullie kracht geven, zodat jullie sterk blijven. En dat Hij jullie gebeden mag accepteren en dat Hij jullie beloont.’ De man reageert geëmotioneerd. ‘God zij dank’, klinkt het. ‘God zij geprezen.’

Het Coronavirus blijkt echter een grillige vijand. De patiënt die nu uit de gevarenzone lijkt te zijn, kan morgen weer in kritieke toestand geraken. De medici kunnen soms niet meer dan volgen en proberen de verwanten daarin mee te nemen. Dat verzacht beslist de pijn – al kan die lang niet altijd worden weggenomen.