De Hoofdprijs

Lily

‘Ik ben rolstoelgebonden en heb heel weinig kracht’, vertelt de 23-jarige Lily in de televisiedocu De Hoofdprijs (74 min.). ‘Ik vind dat ik heel veel kan nog. Ik haat het woordje ‘nog’ trouwens. Dat vind ik een verschrikkelijk woord.’ Ze herstelt zichzelf: ‘Ik vind dat ik heel veel kan, maar ik heb ook heel veel hulp nodig.’

Lily heeft Spinale Musculaire Atrofie (SMA), type 2. Langzaam maar zeker levert ze spierkracht in. Totdat haar vitale functies het ooit zullen begeven en onvermijdelijk de dood volgt. Kinderen die type 1 van de progressieve spierziekte hebben, bereiken vaak niet eens de leeftijd van twee jaar. De diagnose SMA betekent in wezen een doodvonnis, zegt de Amerikaanse kinderarts en neuroloog Richard Finkel.

Vanuit de Verenigde Staten komen er echter hoopvolle berichten. Er zou een nieuw wondermedicijn zijn, Spinraza. Als posterboy daarvan introduceert regisseur Jannes van Lenteren, die deze degelijke film maakte in opdracht van het Prinses Beatrix Spierfonds, het Amerikaanse peutertje Cameron. Enkele weken na zijn geboorte werd hij gediagnosticeerd met SMA. ‘Dit was een kind, van wie ik hoopte dat hij in ieder geval twee vingers zou kunnen bewegen’, zegt zijn vader Rob. ‘En nu fietste hij op een driewieler.’

Camerons miraculeuze ontwikkeling wordt via de Facebook-pagina Hope For Cameron met de wereld gedeeld en zorgt natuurlijk ook in Nederland voor vraag naar het nieuwe medicijn. Spinraza moet echter eerst toegelaten worden tot de Nederlandse markt. Bovendien vraagt de Amerikaanse producent Biogen de hoofdprijs voor het ‘wondermiddel’: 750.000 dollar voor het eerste behandeljaar, 375.000 voor elk volgend jaar.

Twee jaar lang volgt Van Lenteren enkele Nederlandse patiënten die Spinraza willen gaan gebruiken. Ze dreigen het slachtoffer te worden van de moeizame onderhandelingen tussen de Nederlandse overheid en de farmaceut. Is de gevraagde prijs een redelijke compensatie voor de ontwikkeling van een levensreddend middel, waarmee bovendien de research voor toekomstige medicijnen kan worden gegarandeerd? Of maakt die prijs vooral duidelijk dat winstmaximalisatie voor de farmaceutische industrie écht belangrijker is dan de volksgezondheid?

Diverse pratende hoofden (artsen, de patiëntenvereniging, een woordvoerder van Biogen, Tweede Kamerleden en minister voor Medische Zorg en Sport Bruno Bruins) doen daarover hun zegje. Intussen blijven patiënten als Lily verstoken van het middel dat hun achteruitgang zou kunnen stoppen. ‘De laatste tijd gaat het echt heel snel’, zegt ze emotioneel. ‘En dat maakt me echt heel bang. Je ziet jezelf moeite krijgen met dingen. Je ziet jezelf dingen niet meer kunnen doen. En het hoeft niet. En dat maakt me zo boos.’ Lily laat een stilte vallen en benadrukt nog eens: ‘Het is niet nodig.’

Life Overtakes Me

De kinderen stoppen met praten. Ze gaan gewoon liggen. En daarna willen ze steeds minder eten en drinken. Totdat ze er helemaal mee ophouden. In catatonische toestand vervolgen ze hun leven. Doods liggend in een rolstoel. Of gewoon op bed. In een soort coma. Voor enkele maanden. Een compleet jaar. Of… En hun ouders denken dat ze doodgaan.

De korte documentaire Life Overtakes Me (40 min.) belicht het zogenaamde berustingssyndroom, waaraan maar liefst honderden vluchtelingenkinderen in Zweden zouden lijden. De filmmakers John Haptas en Kristine Samuelson portretteren bijvoorbeeld een Oekraïense familie, die zich in eigen land bedreigd voelde en is gevlucht. Als de asielaanvraag van het gezin wordt afgewezen, begint hun ooit zo actieve dochter Daria zich terug te trekken in haar eigen wereld. Al acht maanden oogt ze als Sneeuwwitje, die nodig wakker gekust moet worden.

Ook de andere ‘afwezige’ kinderen in deze sobere film, die in leven moeten worden gehouden met sondevoeding, hebben hun eigen verhaal. Getuige van een moord, aanwezig bij een verkrachting. Getraumatiseerd, dat zeker. Tegenslagen in hun nieuwe vaderland zetten hun lijf vervolgens helemaal op slot. Is het zelfbescherming? Of belazeren deze kinderen en ouders de kluit, zoals sommige criticasters beweren, om zo een verblijfsvergunning voor hun familie af te dwingen?

De psychologen die in Life Overtakes Me aan het woord komen twijfelen niet aan het Resignation Syndrome, maar waarom juist vluchtelingen uit de Balkan of de voormalig Sovjet-republieken deze problemen hebben en waarom die zich vrijwel uitsluitend in Zweden manifesteren? Daarover tast eigenlijk iedereen in het duister. Intussen is het pijnlijk om te zien hoe de ouders, in afwachting van een definitief besluit over hun asielaanvraag, moeten hannessen met kinderen, die bevangen lijken te zijn door pure angst.

Erwin Olaf – The Legacy

Erwin en Teun / NTR

Hij noemt het één van de grootste dilemma’s van zijn leven. Z’n moeder is de allerlaatste fase van haar leven ingegaan. Intussen komt een fotoshoot in Palm Springs in de Verenigde Staten, die hij hoogstpersoonlijk heeft gefinancierd, zienderogen dichterbij. En Erwin Olaf, die zelf inmiddels ook de leeftijd heeft bereikt dat het tijd is voor een retrospectief, kan het zich niet veroorloven om die af te blazen. In meerdere opzichten.

De vergankelijkheid van het leven is een terugkerend thema in de documentaire Erwin Olaf – The Legacy (76 min.). Met zijn vroegere vriend Teun maakt hij bijvoorbeeld een reprise van Getting Close, een naaktfoto van hen beiden uit 1985. Toen kenden ze elkaar net. Op Getting Close Again (2018) zijn twee gelouterde mannen te zien. Mannen ook waarvoor het einde in zicht komt. Teun is ernstig ziek. Erwin zelf kampt met longemfyseem, een degeneratieve aandoening die hem regelmatig de adem beneemt en steeds meer begint te belemmeren in zijn loopbaan.

Eerder dit jaar was er in het Haags Gemeentemuseum en Fotomuseum een grote overzichtstentoonstelling van Olaf met de ambitieuze nieuwe fotoserie Palm Springs. Vanaf 3 juli volgt een expositie met eigen werk en werk van zijn voornaamste inspiratiebronnen in het Rijksmuseum in Amsterdam (waaraan hij inmiddels een deel van zijn beste foto’s heeft overgedragen, zodat die toegankelijk blijven voor toekomstige generaties). Intussen wordt de gevierde fotograaf in deze film van Michiel van Erp gedwongen om de balans op te maken en zich af te vragen hoeveel lucht er nog in zijn toekomst zit. Zijn arts raadt hem in elk geval dringend aan om een tandje terug te schakelen.

Erwin Olaf – The Legacy is dan ook niet zomaar een ‘sentimental journey’ door leven en werk van een belangwekkende Nederlandse kunstenaar. Het is een film over een man die beseft dat de tijd hem op de hielen zit. Elke ambitieus nieuw project kost meer kruim dan het vorige en zou wel eens het laatste in zijn soort kunnen zijn. Zo moest Olaf eerder dit jaar het regisseren van zijn allereerste speelfilm, een verfilming van Arthur Japins Een Schitterend Gebrek, vanwege zijn lichamelijke klachten staken. 2019, het jaar waarin hij zestig werd, lijkt daarom een uitgelezen gelegenheid te zijn om Erwin Olafs majestueuze oeuvre uitbundig te vieren. Deze boeiende documentaire past prima in dat plaatje.

Strike A Pose

‘Van een homofoob werd ik iemand die van iedereen houdt’, zegt het voormalige straatschoffie Oliver Crumes, de enige heteroseksueel van de dansers die furore maakten tijdens Madonna’s Blond Ambition-tour van 1990. De documentaire Strike A Pose (83 min.) van de Nederlanders Ester Gould en Reijer Zwaan maakte ruim 25 jaar later de balans met hen op.

Voor even leken ze, in het kielzog van de grootste popster van dat moment, doorgedrongen tot het centrum van de wereld. Nee, dat waren ze inmiddels zelf. Totdat Madonna verder ging met het verleggen van haar en onze grenzen en zij weer werden teruggeworpen op zichzelf. De weelde van het succes bleek niet te dragen. Met alle voorspelbare gevolgen van dien: conflicten, drugsgebruik én aids.

Madonnas eigen agenda, het bespreekbaar maken en oprekken van de heersende seksuele moraal, speelde hen daarbij ook parten. Zo was in Madonna: Truth Or Dare, de spraakmakende documentaire over de tournee die in 1991 werd uitgebracht, een hartstochtelijke zoen te zien die de twee betrokken dansers zou blijven achtervolgen. Gabriel Trupin smeekte haar bijvoorbeeld om hem niet te gebruiken, maar Madonna was niet te vermurwen: die kus bleef in de film.

‘Hij vond het gênant en schaamde zich dat hij zich had laten overrompelen’, vertelt de moeder van de inmiddels overleden Gabriel daarover in Strike A Pose. ‘Het was niet zijn statement. Het was haar statement.’ De kwestie leidde tot een rechtszaak. ‘Hiervoor zou je nooit over mij zeggen: die is homo’, verklaarde Gabriel daarbij. Nu wist iedereen ervan. Madonna zou hem hebben gezegd dat hij zich schaamde voor wie hij was. Gabriel: ‘Ze vond dat ik me eroverheen moest zetten.’

Een ‘forced outing’, in naam van de seksuele bevrijding. Dat wringt nog altijd. Toch hunkeren de met liefde geportretteerde dansers van de Blonde Ambition Tour, de een opzichtiger dan de ander, nog altijd naar de goedkeuring van Madonna, die hun levens en carrières een gigantische kickstart gaf. Het fenomeen zelf ontbreekt echter in deze documentaire uit 2016. En zowel de ster als de film varen daar uiteindelijk wel bij. Het draagt bij aan het mysterie dat nog altijd om Haar hangt.

Foster

Op de avond voordat haar dochter werd geboren, gebruikte Raeanne cocaïne. Dat komt haar duur te staan: baby Kris’Lyn wordt uit huis geplaatst. Samen met vader Chris moet moeder voor de rechter verschijnen. Het kind, waarvan het de vraag is of het iets heeft opgelopen door Raeannes drugsgebruik, mag bij Chris verblijven. Hij komt alleen wel onder curatele te staan. En zijn vriendin moet afkicken en krijgt een beperkte bezoekregeling.

Terwijl de prille ouders proberen op te krabbelen, ondersteund en gecontroleerd door jeugdzorg, vertellen ze in deze documentaire hun eigen levensverhaal. Dat blijkt uiteindelijk een logische aanloop naar het punt in hun leven waarop ze nu in aanvaring zijn gekomen met de wet of een beroep moeten doen op hulpverlening. En dat geldt eigenlijk voor alle hoofdpersonen van Foster (113 min.), een poignante film van Deborah Oppenheimer en Mark Jonathan Harris over het reilen en zeilen bij de jeugdzorg van Los Angeles.

Één op de acht kinderen in de Verenigde Staten komt in contact met jeugdzorg vanwege verwaarlozing of mishandeling. 400.000 Amerikaanse kinderen en jongeren verblijven in de opvang. Deze documentaire zoekt enkele van hen op in die vermaledijde hoek waar steeds weer de klappen vallen. De achttienjarige tiener Mary bijvoorbeeld, een mooi meisje waarvan je in eerste instantie zou kunnen denken dat ze alles goed voor elkaar heeft. Mary werd echter geboren als drugsbaby en verbleef al op talloze opvangplekken. ‘Waarom gaven al die families me op?’ vraagt ze zich nu af.

Of de zestienjarige Dasani, die regelmatig voor de jeugdrechter moet verschijnen vanwege problemen die hij veroorzaakt in het opvanghuis waar hij op dit moment verblijft. Terwijl de Afro-Amerikaanse jongen wordt gestimuleerd en gedwongen om zijn leven te beteren, is er nog altijd dat ene onverwerkte familietrauma. Zou erover rappen helpen? En lukt het hem uiteindelijk om zichzelf op de rit te krijgen en tegelijkertijd dat achterstallige onderhoud weg te werken?

Oppenheimer en Harris spreken en portretteren niet alleen de kids zelf, maar ook de advocaten, hulpverleners, belangenbehartigers, deskundigen en reclasseringsmedewerkers om hen heen. Mensen met het hart veelal op de goede plek, zoals de voormalige Mom USA Earcylene Beavers, die al tientallen jaren zogenaamde probleemkinderen opvangt, en de betrokken jeugdzorgmedewerker Jessica Chandler. Zij werkt tegenwoordig bij de instantie waarop ze ooit zelf als verwezen tiener was aangewezen.

Foster is een optimistische film en wil dat ook duidelijk zijn. Dat laat onverlet dat het (net als in ons eigen land overigens, getuige bijvoorbeeld de veelbesproken documentaire Alicia) gaat om bijzonder weerbarstige problematiek, die bovendien een duidelijke relatie heeft met al even hardnekkige maatschappelijke kwesties als armoede, gebroken gezinnen en onleefbare wijken. Gezamenlijk staan de jongeren en hun entourage daarom voor een enorme opdracht: hoe houd je in zo’n leefomgeving, soms tegen beter weten in, zoiets elementair menselijks als hoop levend?

De Zaak Tuitjenhorn

Anneke Tromp / Zeppers

Binnen zes weken verandert Nico Tromp van een gewaardeerde huisarts in een man die door de Inspectie Gezondheidszorg (IGZ) publiekelijk is geschorst en door het Openbaar Ministerie wordt beschuldigd van ‘moord’ op één van zijn patiënten. In opperste wanhoop maakt hij begin oktober 2013 een einde aan zijn leven. ‘Jullie zijn beter af zonder mij’, schrijft hij in een afscheidsbrief aan zijn gezin.

Haar echtgenoot is het slachtoffer van karaktermoord, meent Anneke Tromp. Na zijn overlijden start ze een juridisch gevecht voor eerherstel. In de documentaire De Zaak Tuitjenhorn (66 min.) keert Sarah Vos, gebruikmakend van de officiële getuigenverklaringen, verhoren en rechtszaak, de zaak binnenstebuiten die ooit is begonnen met een terminaal zieke dorpsgenoot (65) van Tromp. Bij de behandeling wijkt de huisarts vervolgens af van de bestaande protocollen en dient hem 1 gram morfine toe. Waarna de man terstond komt te overlijden…

Een jonge coassistent die met hem meeliep verbaast zich over Tromps handelen. Ze maakt melding van de kwestie bij een begeleidende huisarts, die haar verklaring op zijn beurt doorstuurt naar de Inspectie. En die schakelt weer justitie in, waarna Nico Tromp midden in de nacht van zijn bed wordt gelicht en een Kafkaëske nachtmerrie begint. De huisarts uit Tuitjenhorn stort helemaal in en wordt opgenomen in een psychiatrische instelling. Volgens zijn zoon Reinier was hij ‘ontzettend bang’ om in de gevangenis te komen.

De politie ziet er nochtans geen been in om Tromp tijdens zijn opname, drie weken voor zijn zelfdoding, te verhoren. Delen van dit gesprek zijn voor deze film gereconstrueerd, waarbij acteur Pierre Bokma de rol van medewerker van de opsporingseenheid van de Inspectie Gezondheidszorg op zich neemt. Bokma geeft ook tijdens de rechtszaak een stem aan de IGZ omdat Vos geen toestemming heeft gekregen om de oorspronkelijke geluidsopnames te gebruiken. De betrokken medewerkers van de Inspectie worden overigens wel met naam en toenaam genoemd.

Heeft de huisarts, zoals de jonge coassistent denkt en door de IGZ lijkt te worden ondersteund, een patiënt vermoord? Of is Nico Tromp, zoals zijn weduwe en zoon denken, geheel ten onrechte aan de schandpaal genageld? Wat de juiste toedracht ook is – het is helder aan welke kant Sarah Vos staat – de actie van de coassistent heeft een keten van gebeurtenissen in gang gezet, die uiteindelijk tot nóg een familietragedie leidt. Waardoor deze tragische film een relaas is geworden met louter verliezers, voor wie een Pyrrusoverwinning het hoogst haalbare lijkt.

De Vrouwen Van Venserpolder

In de Amerikaanse stad Detroit, jarenlang zo’n beetje het toonbeeld van stedelijk verval, deed het fenomeen al enige tijd geleden opgeld: moestuinen, in het hart van de stad. Ofwel: ‘a holististic approach to neighborhood revitalization’. Het is niet meer dan logisch dat in of vlakbij de Nederlandse Bijlmer een soortgelijk initiatief is ontstaan.

De binnentuin van woonblok tien in de wijk Venserpolder, gebouwd in de jaren tachtig, was vanwege overlast jarenlang verboden terrein. Inmiddels is de tuin weer geopend. Vrouwelijke bewoners, veelal van Surinaamse afkomst en zonder echtgenoot, zijn er een stadstuin begonnen en leren zo de wereld om hen heen en – vooral – elkaar beter kennen. ‘Oma’ Meli heeft bijvoorbeeld nog altijd heimwee naar Suriname, maar bouwt te midden van zelf verbouwde groenten echt een vriendenkring op.

In de observerende documentaire De Vrouwen Van Venserpolder (47 min.) van Eva de Breed spelen mannen nauwelijks een rol. Ze zitten werkeloos achter de geraniums, verblijven in de gevangenis of zijn, gewoon, afwezig. Wijkbeheerder Ulrich Wilson, in een grijs verleden profvoetballer bij Ajax, Ipswich Town en FC Groningen, kan erover meepraten. Hij zat ooit drie jaar thuis. ‘En dat is gewoon niet goed voor je bovenkamer. Daar gebeurt dan niks. En daar word je niet gelukkig van.’

Gaandeweg sijpelt de buitenwereld ook stiekem de tuin in. Van het wegwerken van schulden tot familieleden die het verkeerde pad op dreigen te gaan. Terwijl de vrouwen groenten verbouwen, ontstaan er nieuwe sociale verbanden en krijgt de urban jungle om hen heen weer voorzichtig de kleur groen. Dat is de optimistische boodschap van De Vrouwen Van Venserpolder, dat laat zien hoe een klein initiatief de sociale cohesie in een wijk kan vergroten.

The Inventor: Out For Blood In Silicon Valley

‘One tiny drop changes everything.’ In die soepele slogan zat de complete bedrijfsfilosofie van Theranos verscholen. Met één klein druppeltje bloed zou de startup van Elizabeth Holmes, een idealistische jonge vrouw die het bedrijf op haar negentiende oprichtte en het sindsdien als haar eigen keizerrijk regeerde, vroegtijdig en goedkoop ziektes en aandoeningen kunnen opsporen, waarvoor tot dat moment nog heel duur onderzoek en héél veel bloed nodig was. 

Dat klonk als een revolutionaire vernieuwing. En zo presenteerde Holmes het door haar bedrijf ontwikkelde testapparaat ‘Edison’ ook. Binnen enkele jaren was de startup negen miljard dollar waard en stak Holmes met deze ‘Apple van de gezondheidszorg’ inderdaad haar grote idool Steve Jobs naar de kroon. Ze was net dertig en werd beschouwd als een genie, dat zich net zo gemakkelijk tussen CEO’s van topbedrijven als leden van de regering Obama bewoog. Het leek allemaal te mooi om waar te zijn. En dat was het natuurlijk ook.

In The Inventor: Out For Blood In Silicon Valley (119 min.) ontleedt Alex Gibney, die eerder al ‘vijandige’ portretten maakte van Julian Assange, Lance Armstrong en Steve Jobs, de opkomst van het bewierookte fenomeen Elizabeth Holmes en haar onvermijdelijke neergang in de afgelopen jaren. Gibney fungeert zelf als verteller en verbindt op gewiekste wijze een overload aan archiefbeelden van Holmes en Theranos, verzameld feiten- en bewijsmateriaal en interviews met belangrijke getuigen, journalisten en deskundigen met elkaar. De vormgeving is zoals gebruikelijk even fraai als bombastisch.

Met muziek zet de Amerikaanse regisseur bovendien lekker cynische accenten. Wie deze overtuigende film heeft gezien, zal MC Hammers U Can’t Touch This voortaan associëren met de zorgvuldig geënsceneerde zegetocht van Holmes voor haar eigen personeel, terwijl het water hen allang aan de lippen staat. Zo construeert Gibney een dwingende narratief waarin de hoofdpersoon steeds verder wordt afgeschminkt, totdat het demasqué compleet is en niemand er meer omheen kan: ook deze steevast in zwart geklede keizerin heeft in werkelijkheid helemaal geen kleren aan.

Ademloos

Op archiefbeelden uit 1977 benadrukt Jacques Lepoutre, de huisarts van het Vlaamse dorp Kapelle-op-den-Bos, dat kanker als gevolg van asbest een zeer zeldzame ziekte is. ‘Op de 120.000 sterfgevallen in België vorig jaar zijn slechts tien mensen daaraan gestorven.’ Of er een verband is met asbest? ‘Dat weet ik niet. Maar ik kan bevestigen dat ik bij onze arbeiders geen enkel geval van mesiothelioom heb gezien.’

‘Uiteindelijk is ‘m er zelf aan overleden’, zegt Kapelles huidige huisarts Renaat Huysmans over Lepoutre, toentertijd tevens de bedrijfsarts van Etex-Eternit, een plaatselijke fabrikant van dakbedekkings- en bouwmaterialen die veelvuldig gebruik maakte van asbest. ‘Wiens brood men eet, wiens woord men spreekt’, constateert Huysmans, die in de plaatselijke gemeenschap nog altijd heel veel loyaliteit naar het bedrijf ziet. ‘Ik vrees dat dat zeker en vast van toepassing is geweest.’

Filmmaker Daniel Lambo groeide op in Kapelle-op-den-Bos en zag van dichtbij hoe asbest huishield in zijn directe omgeving. Zijn vader, een vakbondsman die bij Etex-Eternit werkte, moet hebben geweten hoe de fabrikant doelbewust risico’s nam met de plaatselijke volksgezondheid. Hij wilde er tot aan zijn dood echter nooit over praten en vroeg zijn zoon zelfs om het onderwerp te laten rusten. Die slaat het vaderlijk advies met Ademloos (80 min.) overtuigend in de wind.

In zekere zin heeft vader Lambo daar zelf om gevraagd: hij stimuleerde zijn zoon ooit om vakantiewerk te gaan doen bij Etex-Eternit. Met het geld dat hij daarmee verdiende, kocht Daniel zijn allereerste camera. Enkele tientallen jaren later zet hij dat middel nu in voor een onderzoek naar het gebruik van asbest en de gevolgen daarvan. Zijn queeste is persoonlijk van aard, maar niet navelstaarderig of sentimenteel, en uitstekend gedocumenteerd bovendien.

De film brengt de Belgische filmmaker tot ver buiten zijn eigen landsgrenzen. Nadat asbest in de jaren negentig in de ban is gedaan in Europa, is de productie gewoon geoutsourced naar landen als India, waar een tweede Kapelle is ontstaan. In het kwadraat, welteverstaan. Het is een uiterst wrange conclusie. En de asbestindustrie, zo ervaart Lambo tijdens het maken van deze krachtige documentaire aan den lijve, geeft zich nog altijd niet zomaar gewonnen…

Goede Buren

Mevrouw Van der Kleij staat af te wassen in haar keukentje. Het hondje Sandy ligt trouw aan haar zijde. Op de radio weerklinkt Rijnmond Nieuws: ‘De vondst van een 74-jarige vrouw, die al tien jaar dood  in haar woning in Rotterdam lag, wekt veel beroering.’ De bejaarde mevrouw Van der Kleij hoort het ogenschijnlijk onbewogen aan. ‘Zo’, zegt ze tegen haar hondje en hangt haar theedoek op. De afwas is klaar.

Na deze openingsscène schakelt regisseur Stella van Voorst van Beest in de documentaire Goede Buren (80 min.) naar een bijeenkomst van de gemeente Rotterdam. In de wijk Groot-IJsselmonde-Noord leeft volgens onderzoek maar liefst 27 procent van de 2400 bejaarden in een sociaal isolement. En dus worden er vrijwilligers opgeleid, die straks op huisbezoek gaan bij eenzame ouderen. Gewapend met pen, papier en een groot hart maken de wijkbewoners Ada Kelder en Wilma Slobbe zich op voor de zogenaamde ‘huisbezoeken 75+’.

De dames spreken de taal van de mensen en komen gemakkelijk achter de voordeur. Zo belanden ze tevens bij mevrouw Van der Kleij, die het in haar eentje heel goed redt met haar hond. Zegt ze. Toch meent Ada dat ze wel een maatje kan gebruiken. Voor als dat hondje onverhoopt het loodje legt. ‘Ik ben bang dat zij d’r eigen glazen ingooit’, werpt Wilma tegen, in plat-Rotterdams en met een typische rokersstem. ‘Ik zou ’t geen drie maanden met ‘r uithouden.’ Samen weten ze toch de juiste snaar te raken bij de oudere vrouw, die blijft volhouden dat ze niet eenzaam is. ‘Ben je gek!’

‘Hoe vaak gaat u nog naar buiten?’, vraagt Ada aan meneer Van Tol, die kampt met allerlei gezondheidsproblemen. ‘Is dat dan dagelijks, wekelijks?’ De man begrijpt het niet helemaal: ‘Per jaar?’ Hij verduidelijkt: ‘Twee keer ben ik geweest in een heel jaar.’ Van Tols voornaamste contacten bestaan uit de verzorgenden die hem ’s ochtends een douchebeurt komen geven. En zijn geliefde muziekinstrument, de accordeon, heeft de broze man er ook al aan moeten geven. Ada en Wilma proberen hem niettemin op sleeptouw te nemen. Binnenkort gaan we de hort, houden ze hem enthousiast voor. ‘Kijken of we verkering voor u kunnen vinden.’

Door de persoonlijke aandacht, ook van de camera(ploeg), laten de Rotterdamse ouderen hun schild langzaam maar zeker zakken. Achter de façade van ‘wijffie’ Van der Kleij blijkt bijvoorbeeld een beschadigde vrouw te zitten, die zichzelf beschermt tegen verdere teleurstellingen. Dat is ook de verdienste van deze aandoenlijke documentaire, die het spreekwoordelijke menselijke gezicht geeft aan een prangende maatschappelijke kwestie.

Stuk

Met niet al te veel fantasie zou je van dit onderwerp, de patiënten van een revalidatiecentrum, relatief eenvoudig een tranentrekkende documentaire(serie) kunnen maken. Je kiest enkele aansprekende hoofdpersonen die in de komende tijd iets te winnen of verliezen hebben, stelt je vervolgens met de camera enige maanden verdekt op in hun leven en volgt simpelweg hoe het hen vergaat. Succes verzekerd. De moed of/der wanhoop van mensen die verpletterende tegenslag proberen te overwinnen en hun leven weer in handen hopen te krijgen laat niemand met enig gevoel in zijn donder onberoerd.

Met héél veel fantasie (en inlevingsvermogen en creativiteit en verteldrang en beeldend vermogen en joie de vivre en…) maak je van datzelfde onderwerp echter een vierdelige serie, waarmee het begrip documentaire verder wordt opgerekt – of op zijn minst heel eigenzinnig wordt geïnterpreteerd. Stuk (200 min.) is de naam, een levensschets in vier bedrijven van Jurjen Blick. Naar verluidt heeft de man, die eerder de serie De Hokjesman regisseerde, zich laten inspireren door speelfilms, dramaseries en romans. Daarmee zal hij beslist niet de eerste documentairemaker zijn, maar in dit specifieke geval heeft het geresulteerd in een unieke vertelling.

Niet voor niets wordt de ‘docuroman’ Stuk op primetime uitgezonden (en niet aan de randen van de nacht, zoals de meeste documentaires). Dit is een serie die op emotioneel niveau een groot publiek kan aanspreken – zoals bijvoorbeeld de televisieprogramma’s Over Mijn Lijk en Je Zal Het Maar Hebben doen – terwijl fijnproevers zich ongegeneerd kunnen verlustigen aan de literaire vertelvorm, het prachtige camerawerk en de gelaagde personages. Stuk is niets minder dan de Schuldig van 2019, de televisiehype voor Verantwoord Nederland van enkele jaren geleden.

Blick is een verteller met een geheel eigen stem. Letterlijk. Hij kruipt in het hoofd van zijn hoofdpersonen en maakt van hen onvergetelijke personages. De van oorsprong Amerikaanse man Paul bijvoorbeeld, die ’s nachts van de trap viel en na een bijzonder actief leven nu gedwongen pas op de plaats moet maken (terwijl zijn vrouw Suzanne nog een ongelofelijke berg andere sores krijgt te verwerken). Of de optimistische zestienjarige scholier Daan die moest leren leven met een spierziekte, maar nu wellicht tevens een dwarslaesie heeft opgelopen. In het centrum sluit hij vriendschap met de bejaarde vliegeraar Jan.

Ook de begeleiders van de patiënten van het revalidatiecentrum van Heliomare in Wijk aan Zee spreken tot de verbeelding. Zo strijdt de stoere wondverpleegkundige Monique op haar werk bijvoorbeeld onversaagd tegen decubitus bij haar ‘revalidanten’, terwijl ze thuis tegen zwaarmoedigheid vecht. Niet alleen bij zichzelf overigens. Blick, gevoed door researcher/interviewer Soraya Pol, keert hen liefdevol binnenstebuiten in deze prachtige momentopname van een parallelle wereld, die met de fraaie titelsequentie van Erwin Olaf en aangrijpende projecties op de muren van het revalidatiecentrum, met beelden uit de vorige levens van de patiënten, helemaal wordt vervolmaakt.

Stuk is werkelijk te mooi om waar te zijn. Bijna dan.

De vier afleveringen van Stuk zijn hier te bekijken op 2doc.nl.

Buddy

Zijn legerbuddy in Afghanistan wist hem ooit weg te krijgen na een explosie, zijn huidige buddy Mister helpt hem nu om met de gevolgen van z’n uitzending naar Uruzgan om te gaan. Trevor Viera is gediagnosticeerd met een post-traumatische stress stoornis, zijn hulphond beschermt hem tegen zijn angsten en herinneringen. Zonder de hond zouden ze waarschijnlijk uit elkaar zijn, bekent Trevors vrouw in deze fraaie film van Heddy Honigmann.

Trevor is één van de zes hoofdpersonen – of, zo je wilt: bijfiguren – van Buddy (86 min.). De echte helden luisteren naar namen als Kai, Utah en Makker. Ze staan trouw naast je, helpen je met aan- en uitkleden of lopen voor je uit als je helemaal niets ziet, kampt met autisme of bent veroordeeld tot een rolstoel. Honigmann slaat hen liefdevol gade en voert persoonlijke gesprekken met hun baasjes.

Die dichten hun steun en toeverlaat bijna menselijk eigenschappen toe. Missy is volgens de man die ze terzijde staat, psycholoog Hans Dekker, rustig, zelfverzekerd en filosofisch. Hij vergelijkt hun omgang zelfs met liefde. ‘Het is een hond en ik ben een mens. Ik vind het heel bijzonder dat wij op deze planeet leven en dat contact met elkaar kunnen hebben, ook al zijn we zo verschillend.’

Is dat wat baas en hond delen liefde, vriendschap of gewoon een relatie van werkgever en werknemer? Afgaande op de liefdevolle manier waarop de eigenaren hun dieren toespreken en aanhalen gaat het beslist om meer dan een zakelijke transactie. Daarbij hoort ook een wrange constatering: in een mensenleven passen meerdere hondenlevens. Afscheid nemen is dus een onvermijdelijk onderdeel van het leven met een hulphond.

Honigmann brengt die onderwerpen invoelend ter sprake. Ze interviewt haar subjecten niet, maar voert gewone gesprekken, van mens tot mens. Over mens en dier. Het belang van de honden brengt ze bovendien overtuigend in beeld met nachtcamera’s die registreren hoe de buddy’s in de beslotenheid van de slaapkamer waken over hun baasjes, die zich blind kunnen overgeven aan de zorg van hun gedienstige dieren.

De hulphonden bieden zelfs een luisterend oor. Oorlogsveteraan Trevor kan bijvoorbeeld moeilijk onder woorden brengen wat hem dwarszit. Dat heeft hij echter wel aan Mister toevertrouwd, bekent hij. ‘Hij vertelt niks door.’ Glimlachend: ‘Dat weet ik zeker.’

Porndemic

Zelf dachten ze dat hun stiel op het punt stond om de overstap naar de mainstream te maken. Eind jaren negentig leek porno zich definitief te hebben ontworsteld aan zijn schmutzige verleden. Het geld was goed. En de roem ook. Naast een carrière in de Amerikaanse seksindustrie lonkte voor menige performer zelfs een loopbaan als regulier acteur. En toen sloeg het noodlot toe in de miljardenbusiness. In de vorm van een seksueel overdraagbaar en dodelijk virus.

De eerste bekende performer die HIV-postief werd bevonden was de actrice Tricia Devereaux, die nog altijd woedend is over wat haar is overkomen. Niet veel later volgden nog een paar gekende namen. En daarna moesten er onmiddellijk schema’s worden getekend met dwarsverbanden tussen de verschillende acteurs en actrices: wie had met wie gewerkt binnen de kleine ‘pornofamilie’? Stuk voor stuk zouden ze worden getest, om de bron van alle besmettingen te traceren: Patient Zero.

Die taak kwam voor rekening van dokter Sharon Mitchell, zelf jarenlang actief als actrice en regisseur. In de documentaire Porndemic (93 min.) vertelt ze dat de business HIV in zekere zin over zichzelf heeft afgeroepen. Porno was in de jaren negentig, met de opkomst van video en internet, steeds extremer geworden; van anale seks tot gangbangs. De kans op aids, een ziekte die vreemd genoeg nog altijd werd geassocieerd met homoseksuelen en drugsgebruikers, was daardoor flink toegenomen.

En nu was het dus zover: een brandhaard in de porno-industrie. Wie o wie was Patient Zero? Nadat ze alle betrokken sekswerkers had getest, resteerde alleen een voormalige geliefde. Met een list verleidde Mitchell hem om zich te melden. Later maakte ze, zonder zijn toestemming, de resultaten van de bloedtest wereldkundig. ‘Daarvoor zou ze vervolgd moeten worden’, aldus Zero nu. ‘Het was kwaadaardig dat ze dat deed.’ Mitchell is zich nog steeds van geen kwaad bewust: ‘Wat moest ik anders?’

Patient Zero was de lul, constateert adult entertainment blogger Luke Ford in deze lekker slicke film van Brendan Spookie Daly, die is opgeleukt met allerlei kekke muziekjes. Intussen zien we beelden van Mitchell en Zero in betere tijden, hijgend en zwetend tijdens een gezamenlijke seksscène. In werkelijkheid probeerde de pornoster na de onheilstijding om het verhaal naar zijn hand te zetten, maar die missie had nauwelijks kans van slagen. Zeker toen er nog meer apen uit de mouw kwamen…

De langharige loverboy werd persona non grata binnen de wereld die altijd zoveel van hem had gehouden. Zero’s huisgenoot Tom Byron, zelf ook pornoster, wordt nog altijd emotioneel als hij eraan terugdenkt. Samen met insiders als acteur Herschel Savage, regisseur/publicist Bill Margold en de onvermijdelijke Ron Jeremy probeert hij in deze overtuigende documentaire, waarin slinks actiescènes en dialogen uit pornofilms zijn geïncorporeerd, de impact van de HIV-kwestie op de business te duiden.

Die werd, kort gezegd, danig verneukt.

De Chaque Instant

 

Être Et Avoir is zo’n ‘once in a lifetime’-film, waarbij alles goed valt. De documentaire van Nicolas Philibert over het kleine plattelandsschooltje van onderwijzer Georges Lopez in de Franse Auvergne veroverde in 2002 stormenderhand de wereld. Het was dé film die arthouse-liefhebbers wilden zien. Blijkbaar hadden we – in de nasleep van de aanslagen op 11 september 20011, vul ik zelf maar in – behoefte aan een kleine, veilige wereld waarin het bestaan zich op een logische en voorspelbare wijze voltrekt.

Ruim vijftien jaar later kijkt Philibert opnieuw mee als jonge mensen worden klaargestoomd voor het leven, een leven in de zorg om precies te zijn. In De Chaque Instant (101 min.) begeeft hij zich te midden van de leerlingen en leerkrachten van een opleiding voor verpleegkundigen en verzorgenden in Montreuil. Dat voelt direct vertrouwd: het camerawerk is steady en sober, de montage tot een minimum beperkt en van alle franje ontdaan. Observerende cinema kortom, zoals het ooit is gedefinieerd.

De film is opgedeeld in drie delen. Allereerst krijgen de aspirant-zorgers instructie en praktijkles. Ze steriliseren hun eigen handen, zetten een spuit bij elkaar en reanimeren een pop. Tussendoor krijgen ze dan in een traditionele setting ouderwets les. Na het droog oefenen volgt de stap naar de praktijk: stage in de thuiszorg, een ziekenhuis of de psychiatrie. De confrontatie met (afhankelijke) mensen van vlees en bloed. Tenslotte volgt de verplichte reflectie. In een persoonlijk gesprek met een begeleider blikt de leerling kritisch terug.

Voor die evaluatiegesprekken trekt Nicolas Philibert ruim een half uur uit. Uitroepteken. De tijd staat letterlijk stil als de aankomende beroepsbeoefenaars hun praktijkervaringen delen met enkele bijzonder betrokken begeleiders. Dit levert diverse kleine, menselijke scènes op, die zo in Être Et Avoir hadden kunnen zitten. Er is ook een verschil: De Chaque Instant heeft geen vaste hoofdpersonen, waaraan je als kijker houvast hebt.

Dat zal ongetwijfeld een bewuste keuze zijn: het beroep en de weg daarnaartoe staan centraal, niet de individuele leerlingen en leraren. Toch hadden eigentijdse varianten op het eigenwijze jongetje Jojo of de kwetsbare tiener Nathalie ook niet misstaan in deze film. Of gewoon een alomtegenwoordige, liefdevolle leermeester zoals Georges Lopez. Tegelijkertijd kun je natuurlijk betogen dat het echte leven ook vooral wordt bevolkt door gewone, inwisselbare mensen. Waarom zou je dan in een film wél helden moeten creëren?

Nadat Être Et Avoir een wereldwijd succes was geworden en Georges Lopez zo’n beetje was uitgegroeid tot het toonbeeld van De Leraar, viel diezelfde man overigens alsnog van zijn voetstuk. De bewierookte vaderfiguur spande een rechtszaak aan tegen Nicolas Philibert, omdat hij recht meende te hebben op een deel van de filmrecette. Georges Lopez zou die zaak verliezen.

Super Size Me

 

‘We knew we couldn’t market our way out of Super Size Me’, bekende Alistair Macrow, senior vice president marketing van McDonald’s in 2014, tien jaar na het verschijnen van Morgan Spurlocks klassieke debuutfilm. De film uit 2004 bracht alle negatieve headlines over McDonald’s bij elkaar, aldus Macrow in dit artikel. En dus moest het anders bij de fastfoodketen: gezondere maaltijden en minder milieuschade. Vervat in een hagelnieuw groen logo dat de welbekende gele M met rode achtergrond inmiddels heeft vervangen.

Een documentaire die een multinational dwingt om zijn beleid bij te stellen. Dat kan alleen in Amerika, zou je zeggen. Het basisidee voor Super Size Me (99 min.) is dan ook even simpel als briljant: Morgan Spurlock, de goedlachse filmmaker met de karakteristieke druipsnor, besluit om dertig dagen lang alleen bij McDonald’s te gaan eten. Daarbij neemt hij zich bovendien plechtig voor om geen nee te zeggen als wordt aangeboden om het bestelde eten te ‘supersizen’. En, oh ja, net als de meeste doorsnee Amerikanen gaat hij het ook een maand zonder lichaamsbeweging doen. Alles met de auto dus.

Zijn vriendin, actief als vegetarische kok, houdt haar hart vast. En dat moet Spurlock zelf ook gaan doen als hij eenmaal goed, driemaal daags dus, in het menu van kolossale hamburgers, megafriet en extra large cokes zit. Ook al wordt hij daarbij begeleid door doctoren, een inspanningsfysioloog en een diëtiste. Spurlock gaat zich zienderogen minder goed voelen. Zowel lichamelijk als geestelijk. Illustratief is een klassieke scène waarin hij achter het stuur een Supersize-menu verorbert. Nadat hij achtereenvolgens McGurgles, McGas en McBurps te verduren heeft gekregen, volgt een heuse McPuke. Spurlock hangt zijn hoofd uit het raam en loost het fast food-menu, even snel als het is weggewerkt, weer op straat.

Tussen het (vr)eten door gaat Morgan Spurlock met deskundigen en gewone Amerikanen in gesprek over hoe obesitas het land in zijn greep dreigt te krijgen. Hij presenteert zijn bevindingen op een zeer toegankelijke manier met vlotte graphics, kekke animatiefilmpjes en catchy muziekjes, waardoor deze film op maat gesneden is voor een groot publiek. Spurlock wil daarbij, op zijn Michael Moores, ook echt een punt maken: de fast food-industrie die overal zijn vleugels uitslaat en zich in het bijzonder richt op jonge kinderen, moet dringend een halt worden toegeroepen. Om aan te tonen hoezeer McDonald’s is doorgedrongen tot de kindergeest, legt hij aan een paar willekeurige kinderen enkele foto’s voor: van die man met baard, ene Jezus Christus, hebben ze geen idee wie het is. Maar die guitige clown kennen ze allemaal: Ronald McDonald.

Hoewel Super Size Me McDonald’s min of meer heeft gedwongen om zijn assortiment te vergroenen, is het bedrijf met de alom tegenwoordige M anno 2018 nog steeds de wereldwijde marktleider. Zoals de Big Mac al die tijd gewoon de onbetwiste verkooptopper is gebleven. Blijkbaar zijn wij, de consumenten van al dat snelle eten, echt onverbeterlijk. In zijn voorstelling Functioneel Naakt vroeg cabaretier Theo Maassen zich al eens af wat het over ons zegt dat juist de zaak die zo ongezellig mogelijk is ingericht, zodat klanten er doorgaans snel weer weg willen, heeft kunnen uitgroeien tot het succesvolste restaurant aller tijden.

Vorig jaar maakte Morgan Spurlock een vervolg op zijn klassieke film: Super Size Me 2: Holy Chicken!. Deze documentaire is echter nooit officieel uitgebracht. Nadat Spurlock in de hoogtijdagen van #MeToo middels deze open brief zijn excuses aanbood voor seksueel wangedrag, heeft de distributeur van de film zich teruggetrokken.

Protocol Van Mijn Vader

 

Een man jogt alleen door de Nederlandse polder. Hij sleept een beetje met een been, maar zijn ademhaling klinkt regelmatig en hij houdt behoorlijk tempo. Intussen horen we een telefoontje naar 112. Een vrouw zegt: ‘Mijn man wordt net wakker en hij praat heel onduidelijk. Ik kan hem niet verstaan.’ De medewerker van 112 besluit om met spoed een ambulance te sturen. Intussen gaat de joggende man steeds langzamer lopen. In slow-motion. De camera zoomt op hem in, op zijn hoofd in het bijzonder.

De openingsscène van Protocol Van Mijn Vader (53 min.) is spannend en filmisch. Daarna volgt een wat overcomplete voice-over van maakster Melliena Beckmann, die erg veel van het navolgende verhaal prijsgeeft. De hardlopende man is haar vader, die enkele jaren geleden een zogenaamde ‘wake-up stroke’, een herseninfarct tijdens zijn slaap, heeft gehad. Vader Beckman was eigenlijk ten dode opgeschreven, maar werd voor de poorten van de hel weggesleept door dokter Bonte, de dienstdoende neuroloog van het ziekenhuis.

Jan Bonte is een karakteristiek heerschap. Als Beckmann hem anderhalf jaar later volgt tijdens een dagje als freelancer in het ziekenhuis, draagt hij onder zijn openhangende witte jas een T-shirt met de tekst ‘I’m pretty confident my last words will be “well shit, that didn’t work”’ erop. Een arts kortom, die de gebaande paden durft te verlaten en zo nodig zijn eigen plan trekt. ‘No guts, no glory’, zoals hij dat zelf noemt, Maar als hij de protocollen doorbreekt, zoals in het geval van Beckmanns vader, kan hij natuurlijk ook tegenover zijn directe collega’s komen te staan.

Samen met haar familie en de rebelse arts (ander shirt: ’skilled enough to become a doctor, crazy enough to love it’) reconstrueert Melliena Beckmann de gebeurtenissen na het herseninfarct van haar vader en de gevolgen daarvan. Lukt het hem om zijn leven weer op te pakken? En hoe is dat voor zijn echtgenote? Beckmann, die haar ouders netjes met u aanspreekt, brengt het herstelproces met een combinatie van privéfilmpjes en documentairemateriaal treffend in beeld. Het eindresultaat is wel wat onevenwichtig: een ‘kleine’ egodocu, die tevens wat halfslachtig een ‘grote’ ethische kwestie probeert aan te snijden.

Ubiquity

 

Met hun elektronische apparatuur moeten regisseur Bregtje van der Haak en haar cameraploeg uit de buurt blijven van Per Segerbäck. De Zweedse ingenieur, die bij Ericsson werkte aan de ontwikkeling van smartphones, wil best een interview geven, maar dat moet dan worden gefilmd met analoge apparatuur. Van der Haaks crew draait dus met een ouderwetse Bolex-filmcamera zonder batterij en neemt het gesprek op met een bekabelde audioset. Hun mobieltjes laten ze achter in een afgesloten pan.

Segerbäck is elektrohypersensitief. Hij leeft daarom al achttien jaar als een kluizenaar in de bossen. Zodra hij in contact komt met straling krijgt hij allerlei lichamelijke klachten. Het is een moderne aandoening, een onvermoede bijwerking van de hedendaagse wens om overal, altijd en draadloos in contact te staan met de rest van de wereld. Een soort Ziekte van Zuckerberg dus, die in de hele wereld mensen schijnt te vellen. In een metropool zoals Tokyo, maar ook gewoon in Nederland, waar eveneens nauwelijks meer stralingsvrij gebied is.

Het net sluit zich letterlijk om de mensen met elektrohypersensitiviteit(EHS), vinden ze. Overal om hen heen dreigt gevaar. In Ubiquity (82 min.), wat zoveel betekent als ‘een staat van zijn waarbij je overal tegelijkertijd kunt zijn’, wordt die dreiging treffend verbeeld en verklankt. Grootse beelden van een wereld die voortdurend communiceert en beweegt, worden gepaard aan de repeterende geluiden van modems, routers en zendmasten op zoek naar verbinding. Zo ongeveer moeten mensen met EHS zich voelen, wil Van der Haak maar zeggen. Ze portretteert hen als representanten van een verloren wereld en stelt verder geen kritische vragen bij de ziekte die niet bij iedereen onomstreden is.

‘Als ze de wereld willen veroveren met al die technologie, moeten ze ook rekening houden met ons’, zegt één van deze verschoppelingen van de digitale wereld over het ideaal om op de hele aardbol draadloos internet aan te leggen. ‘Wij hebben rechten. Dit is ook onze wereld.’ Dat pleidooi, kracht bijgezet door een Dylaneske videoclip en ouderwetse demonstratie, lijkt door de makers van deze bespiegelende film van harte te worden ondersteund.

Titicut Follies


Ruim vijftig jaar geleden maakte hij met zijn eerste film Titicut Follies (84 min.) direct het pièce de résistance van zijn omvangrijke oeuvre. Anno 2018 is Frederick Wiseman, die inmiddels tegen de negentig loopt, echter nog altijd actief als documentairemaker. Zijn nieuwste film Monrovia, Indiana, over het leven in een vaak vergeten deel van de Verenigde Staten, komt aan het eind van deze maand uit.

In Titicut Follies uit 1967 begeeft Wisemans observerende camera zich in het Bridgewater State Hospital, waar veroordeelde psychiatrische patiënten met wel héél weinig compassie worden behandeld. Hij vangt talloze indringende scènes, die in deze klassieke direct cinema-film zonder enige opsmuk worden gepresenteerd. De camera volgt simpelweg de handelingen in beeld, die sober zijn gemonteerd. Interviews, muziek en andere mogelijke toevoegingen blijven achterwege. Dit is de rauwe waarheid. Tenminste, zoals Wiseman hem toentertijd zag. In grauw zwart-wit.

Vijftig jaar verder, en een hele stortvloed aan schokkende beelden, doet de film nog altijd pijn aan je ogen. Bijvoorbeeld als je ziet hoe een poedelnaakte man, die verward en verweesd op de gang staat, wordt getreiterd door de begeleiders die hem eigenlijk terzijde zouden moeten staan. Hij belandt uiteindelijk in een separeerruimte, alleen en bevuild. Een zielig hoopje mens. Ook uiterst ongemakkelijk: hoe een andere patiënt een slang in zijn neus krijgt gepropt en verplicht wordt gevoed. De dokter haalt er zijn sigaret niet voor uit zijn mond. De liefdeloosheid straalt er vanaf.

Het totale gebrek aan privacy, zowel in de instelling zelf als in deze film, is bovendien ronduit schrijnend. De vraag is onvermijdelijk: willen we dit zien? De lange monoloog bijvoorbeeld, van een geëxalteerde man die ogenschijnlijk louter wartaal uitslaat. Totdat je woorden als ‘christ’, ‘nigger’ en ‘sick boy’ meent te onderscheiden. Hij sluit af met het slaan van een kruis en een herhaaldelijk uitgesproken ‘amen’. Zogenaamd fier, maar volstrekt machteloos. Of de jonge kerel die tijdens uitgebreide praatsessies door een psychiater, met een bijna karikaturaal buitenlands accent, aan de tand wordt gevoeld over zijn seksuele voorkeuren en het misbruik van een elfjarig meisje.

Als we deze beelden al zouden wíllen zien, is het nog de vraag of we ze mógen zien. Er was de staat Massachusetts, die Wiseman nochtans toestemming had gegeven om te filmen, destijds in elk geval veel aan gelegen om de documentaire te verbieden. Titicut Follies deed te veel kwaad – en maakte kwaad. De debuterende filmmaker had de privacy van de geportretteerden geschonden, betoogden ze bij de rechter. Na enkele vertoningen op festivals verdween de documentaire dan ook achter slot en grendel. Pas 25 jaar later werd Wisemans debuut officieel vrijgegeven.

Met deze nog altijd schokkende documentaire legde Frederick Wiseman in de jaren zestig al een blauwdruk neer voor zijn latere werk. Met zijn observerende films – een term waarover hij zelf overigens niet zo enthousiast was, omdat die volgens hem suggereerde dat hij als maker geen dwingende keuzes maakte – zou de filmer zich in de navolgende decennia buigen over Amerikaanse instituties zoals de middelbare schoolhet ziekenhuis en de sociale dienst en hoe de mens zich daarbinnen staande probeert te houden.

Moeder Aan De Lijn

MoederaandeLijn_Carin2 (1)

 

Het is toch je moeder. Zoals zij ooit moet hebben verzucht dat jij toch haar kind was en intussen stug doorging met zorgen. Nu zijn de rollen omgedraaid. Mama is hulpbehoevend geworden en jij steun en toeverlaat. Het voelt als de omgekeerde wereld: een kind dat voor z’n ouder moet zorgen. Maar je doet het natuurlijk toch. Je moet ook wel, als onderdeel van de zogenaamde participatiemaatschappij.

In Moeder Aan De Lijn (58 min.) observeert Nelleke Koop drie mantelzorgers tegen wil en dank. Niet dat ze dat nadrukkelijk uitspreken, maar het klinkt door in de talloze telefoontjes die ze plegen met andere familieleden, artsen en verpleegkundigen (en die door de filmmaker worden gebruikt als illustratie van hun gejaagde, letterlijk zorgelijke bestaan). Een soort moedeloze mengeling van plichtsbetrachting en wanhoop, die niet in expliciete quotes hoeft te worden vervat. Interviews blijven dus achterwege.

In hun blikken – triest, moe of gepijnigd – zit alles al opgesloten. De onmacht, het verdriet en de frustratie. Van vrouwen die in de bloei van hun leven alles aan de kant moeten (en willen) zetten voor hun alsmaar hulpelozere moeder. En dus wordt die baan opgezegd, beknibbeld op de tijd met hun kinderen en het eigen behoeftepatroon al helemaal aan de kant gezet. Want die ouder, door Nelleke Koop geportretteerd als niet meer dan een bijpersonage, kan er natuurlijk ook niets aan doen. Het is een gordiaanse knoop, waarin je getuige deze soms schrijnende film helemaal verstrikt kunt raken.

Het Zaad Van Karbaat

zaad

’De baarmoeder lacht me toe’, zegt dokter Jan Karbaat geruststellend terwijl hij met een speculum zaad inbrengt bij een vrouw. Het zijn beelden uit de tijd dat hij zich nog onaantastbaar waande. Enkele decennia later, en met de wetenschap van nu, hebben zijn woorden een totaal andere lading gekregen. Want de beloofde anonieme spermadonor, dat bleek hij zelf.

‘Het is de sport dat het lukt’, lacht de vruchtbaarheidsarts, die stiekem tientallen nakomelingen op de wereld zou zetten, even later naar de camera in beelden uit de documentaire Zwart Zaad (1995). ‘Het is eigenlijk jagen. Het is dus een soort uitdaging. Je probeert zo snel mogelijk aan een vrouw haar wens te voldoen, dat ze dan die zo gewenste baby krijgt.’

Karbaat is mijn verwekker, stelt Joey. ‘Maar ik ben niet zijn kind. Dat gun ik hem niet.’ Zijn moeder, die met haar echtgenoot maar geen kinderen kon krijgen, formuleert het nog scherper in de korte documentaire Het Zaad Van Karbaat (21 min.), de film waarmee Miriam Guttmann afstudeerde aan de Filmacademie en vervolgens de VPRO-documentaireprijs won. ‘Mijn geloof in de mens is helemaal weg.’

In een gestileerde setting vertellen moeder en zoon over hoe de arts, die in het voorjaar van 2017 overleed en tot die tijd duchtig voor God speelde, hun leven en onderlinge relatie heeft beïnvloed. Een andere vrouw en haar dochter worstelen ook nog steeds met de onontkoombare waarheid: Karbaat mag dan een charlatan, narcist en/of oplichter zijn, hij is ook je vader – of de vader van je kind.

Guttmann verbeeldt hun (innerlijke) strijd met een krachtige set gedramatiseerde familieopstellingen, boordevol ongemakkelijke poses en veelbetekenende blikken. Ze maken van Het Zaad Van Karbaat meer dan zomaar een verzameling getuigenissen over het levenswerk van de inmiddels beruchte vruchtbaarheidsarts en de ingrijpende gevolgen daarvan.