The Velvet Queen

IDFA

De pijn verbijten, de tijd vergeten en nooit twijfelen of je krijgt wat je verlangt. Dat is kortweg, in de woorden van de Franse romanschrijver en rasavonturier Sylvain Tesson, de attitude van zijn reisgenoot in The Velvet Queen (originele titel Les Panthère Des Neiges, 92 min.). Natuurfotograaf Vincent Munier heeft Tesson meegenomen naar het Tibetaanse hoogland. In dat adembenemende decor, op duizenden meters hoogte en in ijzige kou, hopen ze samen een sneeuwluipaard te betrappen.

Tijdens hun wekenlange voettocht praat de fotograaf zijn metgezel fluisterend bij over de dieren die ze ontwaren: antilopen, blauwschapen, yaks, Tibetaanse vossen of blauwe beren. Samen verbazen ze zich over deze majestueuze wereld, waarin de mens niet meer is dan een voetboot. De heilige graal, zo’n ongrijpbaar luipaard, blijft vooralsnog echter buiten (camera)bereik. ‘Waar is mijn kameraad naar op zoek?’ vraagt Tesson, die als verteller fungeert, zich ondertussen af. ‘Rondsnuffelend tussen de rotsen met zijn verrekijker.’ Munier zegt dat hij vooral de schoonheid van de natuur wil vieren. Hij is er niet op uit om de onvolkomenheden daarvan bloot te leggen.

Die houding, vervat in een ontzag voor al wat leeft of geleefd heeft, geeft hun queeste – en daarmee ook deze film – een groots en filosofisch karakter. Waarbij de twee mannen steeds die ene zin in hun achterhoofd houden: Big Brother is watching you. Misschien zien wij het dier dat we zoeken niet, maar dat ziet ons wel degelijk. Illustratief daarvoor is de intrigerende foto van een valk die de Franse fotograaf tijdens een eerdere reis naar Tibet heeft gemaakt. Is dat werkelijk een sneeuwluipaard dat hem vanachter die rotspartij gadeslaat? Of is het toch een zinsbegoocheling?

Munier en Tesson gebruiken alles wat ze hebben om het mythische dier alsnog te vangen. Ze plaatsen bijvoorbeeld op strategische plekken kleine, gecamoufleerde cameraatjes, in de hoop zo een glimp van een sneeuwluipaard te kunnen opvangen. Dat streven naar een ogenschijnlijk vrijwel onbereikbaar doel drijft deze magnifieke documentaire van Marie Amiguet, waarin de vergezichten van Tesson en Munier, het weldadige decor en de prachtige soundtrack van Warren Ellis, gemaakt in samenwerking met Nick Cave, op een glorieuze manier versmelten. Via deze ontzagwekkende wereld laat The Velvet Queen de mens zien zoals hij werkelijk is: een nietig wezen, dat ongegeneerd begeesterd en ontroerd kan, mag én moet raken door al wat hem omgeeft.

Foto-Eddy: De Negatieven Van Mijn Vader

NTR

Voor een artikel voor Vrij Nederland over de autolobby en Neerlands overvolle wegennetwerk zou hij halverwege de jaren zeventig de fotografie verzorgen. Enkele dagen voor de deadline overlegde Eddy de Jongh een enorme stapel foto’s op de redactie van het weekblad. ‘Er stonden bijna geen auto’s op’, herinnert een collega zich nog altijd verbaasd. ‘Doodstille straten’, vertelt een ander. Eddy haalde hulpeloos zijn schouders op: ‘Ja, ze waren er niet.’ Nog jaren later kreeg de schrijver van het artikel, Gerard Mulder, volgens eigen zeggen af en toe telefoontjes van de fotograaf. ‘Die zei dan met een soort grafstem: kijk op de klok. Ik zei: ja, het is vijf uur. Dan zei ie: en geen files! Ik zeg het je maar even: geen files!’

Zulke verhalen waren er in overvloed over Eddy de Jongh (1920-2002), die tevens jarenlang voor het NOS Journaal werkte. Was het onhandigheid of opzet, onderdeel van een soort zelfvernietiging? Zoon David gaat in de documentaire Foto-Eddy – Negatieven Van Mijn Vader (83 min.) uit 2013 met collega’s, andere kinderen en ex-vrouwen (vijf in getal, David is uit huwelijk vier) op onderzoek uit in het turbulente leven van zijn vader. De naam Foto-Eddy kreeg hij omdat er nog een andere Eddy in de familie was, een neef die internationale faam zou verwerven als kunsthistoricus. Ofwel: Kunst-Eddy. Ze waren de enige twee van hun familie, niet-gelovige Joden, die de Tweede Wereldoorlog overleefden.

Dat leek heel lang geen thema in het leven van Eddy de Jongh. Althans, er werd niet over gesproken. Er waren ook genoeg andere gespreksonderwerpen: drank, schulden en vrouwen bijvoorbeeld. Altijd weer vrouwen. ‘Bij elk opwaaiend zomerjurkje gingen de hormonen alweer de Bolero dansen’, zegt een vriendin. ‘Een rokkenjager eerste klas’, noemt een collega hem. ‘Verliefd zijn is een ziekte’, constateert Eddy zelf in één van de interviews, vastgelegd op ouderwetse audiocassettes, die David ooit met hem deed. ‘Maar een heerlijke ziekte.’ Nadat hij zich een delirium had gedronken en daarna even was opgenomen in een psychiatrische kliniek beschreef Eddy ’t aan Davids moeder Toos ooit als volgt: ‘Het neuken staat mij nader dan het lachen.’

Zo’n vent – een flierefluiter waar je nooit helemaal nooit vat op kreeg, een kerel die de oorlog de leukste tijd van zijn leven noemde en een man waarop je met geen mogelijkheid boos kon worden en die zijn laatste echtgenote tóch tot razernij dreef – is natuurlijk een tot de verbeelding sprekend filmpersonage. David de Jongh smeedt Eddys lotgevallen bovendien hoogstpersoonlijk aaneen met een nuchtere voice-over, onderkoelde humor en swingende jazzmuziek (die de man zelf ook wel had kunnen waarderen). Behalve een fijn postuum portret van zijn vader is Foto-Eddy ook een boeiend document geworden over de tijd dat Vrij Nederland nog de dienst uitmaakte in de door allerlei kleurrijke figuren bevolkte journalistiek.

En te langen leste bleken die autoloze wegen zowaar ook nog hun eigen verhaal te hebben…

Foto-Eddy: De Negatieven Van Mijn Vader is hier te bekijken. En op David de Jonghs YouTube-account zijn allerlei extra’s te vinden.

Het Oog Dat Voelt: De Portretten Van Koos Breukel

SNG Film

Niets zo erg voor een ambachtsman als wanneer zijn instrumentarium hem in de steek dreigt te laten. Een fotograaf heeft behalve een werkend toestel bijvoorbeeld ook twee goed functionerende ogen nodig. Het ene om scherp te stellen, het andere om de situatie in zich op te nemen. Zoals kunstenaar Paul Klee het verwoordt in de opening van dit portret van fotograaf Koos Breukel: ‘Het ene oog ziet, het andere voelt.’

In 1992 raakte Breukel, op weg naar een fotoshoot met zakenvrouw Sylvia Tóth, betrokken bij een ernstig auto-ongeluk. Sindsdien heeft hij in zijn rechteroog ‘mouches volantes’, stippen in zijn gezichtsveld. Er moest een staaroperatie aan te pas komen om hem weer scherp te kunnen laten zien, vertelt de fotograaf in Het Oog Dat Voelt: De Portretten Van Koos Breukel (52 min.).

Zijn werk zou er persoonlijker door worden. Hij portretteerde bijvoorbeeld slachtoffers van de vliegramp bij Faro, die kort na zijn eigen ongeluk plaatsvond. De Amerikaanse performer Michael Matthews die overleed aan AIDS. En zijn eigen zoon Casper, aan wie inmiddels een complete expositie is gewijd. Via zijn fotografie, anekdotes daarover en scènes van de vakman in actie probeert regisseur Lex Reitsma vat te krijgen op Breukel.

Het Oog Dat Voelt concentreert zich volledig op het werk van de portretfotograaf. Over hoe hij een stoel gebruikt om de essentie van de mensen voor zijn lens te vangen, zijn grote inspiratiebronnen, de zielsverwantschap met z’n Belgische collega Stephan Vanfleteren en ‘s mans enige concept: dat alles eigenlijk per ongeluk gebeurt.

In deze verstilde en fraai ogende film gebeurt verder verrassend weinig. Via zijn protagonist kijkt Reitsma zorgvuldig, zonder dat dit verder heel enerverend wordt, naar de wereld en laat zien wat Koos Breukels ogen zien en voelen.

The Velvet Underground

Apple TV+

Het zou ongepast zijn geweest als Todd Haynes van The Velvet Underground (120 min.) zo’n typische joyeuze popdocu, waarin nostalgie de boventoon voert, had gemaakt. Hoewel de documentaire in wezen het vaste stramien van zulke films volgt – ontstaan, opkomst, bloei, implosie en herwaardering – is de toonzetting aanmerkelijk donkerder en wekt ook het veelvuldige gebruik van splitscreen licht vervreemdend. De film lijkt daarmee in eerste instantie al net zo weinig aaibaar als de experimentele rockband rond zanger/songschrijver Lou Reed en multi-instrumentalist John Cale.

Zij creëerden samen met gitarist Sterling Morrison en drummer Maureen Tucker, en onder de hoede van popartheld Andy Warhol, in de tweede helft van de jaren zestig een geheel eigen universum. Met als voornaamste wapenfeit dat klassieke debuutalbum uit 1967, met tijdloze Reed-songs over drugsgebruik en sadomasochisme zoals Venus In Furs, Heroin en I’m Waiting For The Man, vocale bijdragen van de Duitse actrice/zangeres Nico (Femme Fatale, All Tomorrow’s Parties en I’ll Be Your Mirror) en natuurlijk Warhols klassieke bananenhoes.

Haynes neemt de tijd om toe te werken naar het ontstaan van The Velvet Underground. Eerst schetst hij de achtergrond van de twee belangrijkste groepsleden, de getormenteerde Reed en zijn Welshe tegenpool Cale, en hoe zij elkaar vonden in de avant-garde scene van New York. Daarna zoomt hij in op de illustere band zelf en z’n natuurlijke omgeving, Warhols Factory. Hij spreekt met de twee nog levende bandleden, John Cale en Maureen Tucker, laat Lou Reeds zus Merrill en vertegenwoordigers van de toenmalige scene aan het woord en vult dat aan met archiefinterviews met Reed, Morrison en Nico.

Met een arty montage van concertbeelden, foto’s, kunstwerken, posters, performances en tijdsbeelden weet Todd Haynes vervolgens de geest van de band goed te pakken te krijgen. The Velvet Underground is daardoor precies de bandfilm – conventioneel met een rafelrandje – geworden die de goegemeente verwacht. En dat is in dit geval niet eens een diskwalificatie.

The Photograph

Memphis Films

Sherman de Jesus kent hem alleen van die ene verweerde zwartwit-foto. Gemaakt in de befaamde Harlem Studio te New York, ongeveer honderd jaar geleden. Zijn opa Juan de Jesus, een zeeman en handelaar uit Curaçao. Fier kijkt hij in de camera. Een donkere man in zijn nette pak. Een knappe kerel ook, vindt Donna Mussenden, de weduwe van de toenmalige fotograaf James van der Zee (1886-1983) die ook diens erfgoed beheert.

In de eerste helft van de twintigste eeuw vereeuwigde Van der Zee de Afro-Amerikaanse gemeenschap van New York tijdens de zogenaamde Harlem Renaissance, toen zwarte muziek, kunst en literatuur floreerden. De mannen, vrouwen en kinderen van de zogenaamde ‘New Negro Movement’ staan er op hun paasbest op. Het zijn trotse foto’s, van mensen die aan zichzelf en de rest van de wereld, waar racisme en segregatie nog aan de orde van de dag zijn, willen laten zien dat ze iets voorstellen.

In het hedendaagse New York gaat Sherman de Jesus, met The Photograph (98 min.) in de hand, de gangen na van de fotograaf, die later ook zwarte iconen als Muhammad Ali en Bill Cosby portretteerde, en schetst de wereld waarin deze leefde. De Nederlandse filmmaker laat zich, begeleid door dampende jazzmuziek, bovendien rondleiden door fotografen, historici en andere chroniqueurs en luistert naar hun verhalen over uiteenlopende onderwerpen als de vermaarde Cotton Club, lynchpartijen, burgerrechtenpionier Marcus Garvey, de crackepidemie en gentrificatie.

De Jesus geeft ook zijn ogen – en de onze – goed de kost. Hij vangt zo kalm de atmosfeer op straat in Harlem en vereeuwigt op zijn beurt de gezichten van de Afro-Amerikaanse gemeenschap die zich daar ophoudt. Het is een kleurrijke omgeving, waar de Harlem Renaissance een kleine eeuw later nog altijd voelbaar is en waar hij zich ook zelf senang voelt.

Finding Vivian Maier

In haar opslagruimte vindt hij Vivian Maiers complete leven: jurken, rekeningen, folders, treinkaartjes, schoenen, ongecashte belastingcheques, hoeden en een kunstgebit. Én zo’n honderdduizend fotonegatieven en enkele duizenden filmrolletjes.

Daarvoor had John Maloof in 2007 bij een veiling al een doos met negatieven van de onbekende fotografe op de kop getikt. Hij moest er 380 dollar voor neertellen, herinnert hij zich. Eenmaal thuis kon de jonge historicus en handelaar zijn ogen niet geloven: deze foto’s waren zó goed. Wie was deze vrouw? En waarom had hij nog nooit van haar gehoord?

Een zoektocht op Google leverde niets op. Maloof begon de foto’s zelf maar af te drukken en plaatste ze vervolgens op een fotoblog. Al snel stroomden de enthousiaste reacties binnen. Hij besloot ook andere dozen met haar werk op te sporen en aan te kopen. En toen zocht hij nog maar eens op internet en vond een overlijdensbericht: Vivian Maier (1926-2009).

De mensen die haar bij leven en welzijn hadden gekend, hebben bij de start van Finding Vivian Maier (79 min.), de film die John Maloof over zijn zoektocht maakte met Charlie Siskel, weinig woorden nodig om haar te typeren: paradoxaal. Gedurfd. Geheimzinnig. Excentriek. Gesloten. Hoewel ze soms jaren met haar te maken hadden, bijvoorbeeld als kinderoppas, bleef ze altijd een mysterie voor hen.

Stukje bij beetje komt deze slim opgebouwde film toch dichter bij de vrouw, die zich echter nooit helemaal laat vangen. Ook niet in de zelfportretten die ze maakte. Ze was en bleef een eenzaat, met hele vreemde trekjes. Via haar imposante oeuvre, dat ze altijd voor zichzelf heeft gehouden, openbaart zich echter ook een vrouw die via haar Rolleiflex-camera met mededogen naar de wereld keek.

Deze documentaire, die in 2013 overuren maakte in de Nederlandse filmhuizen en ook hier in kunstkringen een bescheiden Vivian Maier-hype veroorzaakte, kijkt op een vergelijkbare manier naar haar: het is niet moeilijk om een heel klein beetje te gaan houden van deze vrouw die nooit ergens thuis was en daarom maar in haar foto’s ging wonen. Het is alleen de vraag wat ze er zelf van zou hebben gevonden dat daar tegenwoordig, na haar overlijden, zoveel bezoek komt.

Een goed verhaal, zoals Finding Vivian Maier, moet je misschien niet doodchecken. Toch is dat wel degelijk gedaan. Door Pamela Bannos bijvoorbeeld, in de biografie Vivian Maier: A Photographer’s Life And Afterlife. Zij nuanceert het moderne sprookje dat James Maloof heeft gemaakt van Vivian Maiers levensverhaal en de manier waarop hij en zijn concurrenten zich haar hebben toegeëigend.

Finding Vivian Maier is hier te bekijken.

Helmut Newton – The Bad And The Beautiful

Crocodile Wupperthal / NTR

Zelf had hij het eigenlijk niet zo op documentaires over zijn beroepsgroep. ‘De films over fotografen die ik heb gezien zijn slaapverwekkend’, zegt Helmut Newton (1920-2004) aan het begin van deze documentaire tegen zijn toenmalige gesprekspartner. ‘Je ziet een vent achter de camera, zijn rug en de camera. Je hoort klik, klik, klik. En het domme geklets tussen het model, of degene die poseert, en de fotograaf.’

Toch kost het weinig moeite om de ogen open te houden bij Helmut Newton – The Bad And The Beautiful (93 min.). Dat heeft in eerste instantie natuurlijk van doen met het ravissante werk van de vermaarde (naakt)fotograaf, dat leek te bestaan bij de gratie van de provocatie. Een krokodil met een vrouwenlichaam in zijn bek bijvoorbeeld. Een blonde vamp die als een levende Barbiepop na gebruik is achtergelaten op het bed. En een politieagente die de broek bepaald niet aanheeft (en ook geen ondergoed trouwens). 

Het zijn beelden die zijn gecreëerd door een man die van sterke vrouwen houdt, zeggen liefhebbers en modellen die met hem werkten, zoals Grace Jones, Claudia Schiffer, Isabella Rossellini, Charlotte Rampling en Marianne Faithfull. Ze getuigen van misogynie, vindt een ander. ‘Veel vrouwenhaters zijn ‘dol’ op vrouwen, maar maken toch vernederende beelden’, voegde schrijfster Susan Sontag hem bijvoorbeeld ooit toe in een talkshow. ‘Ik verwacht nooit dat de man op zijn werk lijkt. Integendeel: die kan dit kwijt in zijn werk en kan verder dus heel aardig zijn.’

Volgens eigen zeggen was Newton vooral een beroepsvoyeur, alleen geïnteresseerd in de buitenkant. Over de ziel van zijn modellen maakte hij zich bijvoorbeeld geen seconde druk. En mannen waren al helemaal niet meer dan accessoires voor zijn foto’s. Zij ontbreken dan ook volledig in deze lekkere vlotte documentaire van Gero von Boehm, waarin behalve de gevierde fotograaf zelf alleen vrouwen aan het woord komen. Omdat de beelden die hij via en met hen kon creëren het enige waren wat er werkelijk toe leek te doen voor Helmut Newton.

Body Of Truth

Börres Weiffenbach / NTR

Het vrouwenlichaam als canvas voor grote maatschappelijke thema’s. Een Body Of Truth (53 min.) zogezegd. Vervaardigd door vier uiteenlopende vrouwelijke kunstenaars, die zo de onderwerpen uitdrukken die hen hebben gevormd. De Duitse filmmaakster Evelyn Schels brengt hen samen in een gestileerde documentaire.

De in New York woonachtige Shirin Neshat dealt in haar oeuvre bijvoorbeeld met haar vertrek uit Iran, waar de ‘westerse’ dictatuur van de Sjah plaatsmaakte voor het religieus fundamentalisme van Ayatollah Khomeini. Ze zoekt nog altijd de spanningen binnen de Islam op. Zo maakte Neshat bijvoorbeeld portretfoto’s van gesluierde vrouwen, onder wie de Pakistaanse mensenrechtenactiviste Malala, waarop ze gedichten heeft gekalligrafeerd.

Fotografe Katharina Sieverding bekommert zich als lid van de zogenaamde ’68-generatie om de erfenis van nazi-Duitsland. In haar jonge jaren vroeg ze zich af of haar land voldoende afstand had genomen van het verleden en tegenwoordig belicht ze hoe het fascisme zich in het moderne Duitsland manifesteert. Ze maakt daarvoor veelvuldig gebruik van afbeeldingen van haar eigen gezicht, dat fungeert als een spiegel voor wat ze wil zeggen.

De Israëlische kunstenares Sigalit Lindau is tevens getekend door de Tweede Wereldoorlog en werd ook sterk beïnvloed door de aanhoudende Intifada in haar eigen land. In haar werk probeert ze uit te drukken hoe het is om te leven met terreur. Ze maakt zichzelf bijvoorbeeld, geheel naakt, onderdeel van een spoel van watermeloenen in de Dode Zee, die uiteindelijk een bloedrode kleur onthult. Of gaat lekker hoepelen met een stuk prikkeldraad.

Automutilatie lijkt ook een centraal thema van Marina Abramovic. Met het geselen van haar eigen lijf probeert ze zich te bevrijden van haar achtergrond in het voormalig Joegoslavië en de oorlog die daar huis heeft gehouden. Ook nu vloeit er regelmatig bloed. Dat is bepaald geen prettig gezicht – en dat geldt voor veel van de getoonde bewijsstukken van deze uitgesproken vrouwen – maar maakt tevens inzichtelijk hoe het verleden jaren later nog altijd huishoudt in het leven van deze kunstenares.

Want waar we onze toekomst ook zien, zo leert Body Of Truth, het verleden kruipt als een schaduw achter ons aan en blijft verraden waar we vandaan komen.

Raquel Van Haver – De Vrouwen Van Mijn Land

NTR

‘De vrouwen van mijn land zijn zo mooi als een bloem’, zingt een vrouw in bezwerend Spaans in de openingsscène. ‘Ze zijn moedig en vastberaden. Ze verdienen, altijd, onze bewondering.’

Zulke Colombiaanse vrouwen kijken recht in de camera van kunstenares Raquel van Haver, die hen portretteert als moderne varianten op Maria. Deze foto’s gebruikt ze weer als basismateriaal voor haar in alle opzichten grote schilderijen, die zullen worden geëxposeerd in het Bonnefanten Museum in Maastricht.

Van Haver is zelf ook zo’n sterke Colombiaanse vrouw. Opgegroeid in Nederland, dat wel. Geadopteerd. Toen ze jong was, zegt ze in Raquel Van Haver – De Vrouwen Van Mijn Land (50 min.), moest ze zich gedragen als een blond meisje met blauwe ogen. In haar geboorteland zoekt ze weer verbinding met haar oorsprong. Zodat Van Haver (ook) weer Velasco kan worden.

De vanuit Amsterdam opererende kunstenares bezoekt bijvoorbeeld het weeshuis Fana Bogotá en komt daar oog in oog te staan met een foto van het driejarige kind dat ze ooit was. ‘Kunst heeft mijn leven gered’, vertelt ze aan de jongens en meisjes die nu in het tehuis verblijven.’ Ik hoop te laten zien, vooral aan de kinderen, dat kunst en muziek en dans zo belangrijk zijn, en goed voor je.’

Die kunst heeft haar volgens een ronkende recensie uit NRC Handelsblad, waarmee deze fraaie documentaire van Bibi Fadlalla start, inmiddels gemaakt tot een cultuurfenomeen dat je niet mag missen ‘als je midden in de maatschappij’ wilt staan. De film toont vervolgens gedetailleerd hoe Van Havers werk tot stand komt, inclusief de wereld die ze daarmee toegankelijk wil maken.

Die behelst op het eerste oog vooral ‘exotische’, onmiskenbaar Latijnse taferelen, maar verraadt tegelijkertijd ontegenzeggelijk Europese invloeden, vervat in de Madonna-achtige beelden die als koloniale erfenis in Zuid-Amerika zijn achtergebleven. Van Haver brengt deze elementen in haar kunst gloedvol tezamen. Zoals ze ook in haar persoon en achtergrond samen zijn gekomen.

Deze documentaire is tegelijkertijd een psychologisch portret van een belangwekkende nieuwe stem en een grondige introductie in haar intieme werk(wijze) als een exploratie van een uiteindelijk grenzeloze wereld. Aan het eind van de film zien we niet voor niets een krachtige Colombiaanse in haar eigen habitat: Raquel van Haver zelf, voor een flatgebouw in Amsterdam Zuidoost.

‘De vrouwen van mijn land zijn ze mooi als een bloem’, klinkt het helemaal tot besluit, in bezwerend gezang. ‘Ze zijn moedig en vastberaden. Ze verdienen, altijd, onze bewondering. Wees gegroet, Heer Koningin en Moeder. Moeder van genade.’

Stuffed

VPRO

Taxidermisten doen het niet omdat ze iets doods zien, maar omdat ze leven zien, zegt één van de hoofdpersonen in de openingsscène van Stuffed (81 min.). En in dat kader zetten deze gedreven ambachtslieden dus gestorven dieren op. Een baan met een ronduit macaber imago. ‘Als je een meisje wilt versieren en je zegt dat je taxidermist bent dan krijg je wel rare reacties’, vertelt Jordan Hackle, een vrolijk ogende jongeman, over hoe mensen reageren op zijn beroep. ‘Ben je taxichauffeur? Wat griezelig. Of ze liegen en zeggen dat ze het niet eng vinden. Ondertussen denken ze dat ik een seriemoordenaar ben.’

Regisseur Erin Derham portretteert in deze verzorgde documentaire enkele taxidermisten, die binnen hun stiel zowel kunstenaar als naturalist proberen te zijn. Hun werk wordt geëxposeerd in een (natuurkundig) museum, ligt in de winkel of wordt beoordeeld tijdens een wedstrijd. De werkwijze van de vakidioten loopt uiteen van zuiver wetenschappelijk, een zo natuurgetrouwe replica maken van een bestaand dier, tot uitgesproken kunstzinnig. Zo spelen de Nederlanders Ferry van Tongeren en Jaap Sinke, afkomstig uit de reclamewereld, bijvoorbeeld rustig voor God en helpen, in het kader van storytelling, de natuur een handje, bijvoorbeeld door de vervaarlijke tanden van een tijger een heel klein beetje te vergroten.

Met veel oog voor detail, een expressieve soundtrack en aandacht voor de historische context belicht Derham alle facetten van een bijzonder beroep, waarbij de schoonheid en het belang van taxidermie, volgens de beoefenaars de beste manier om natuurhistorie te bewaren, voorrang krijgen op de onsmakelijke beelden die menigeen wellicht met het vak associeert. Stuffed opent zo een prachtige wereld, waarin de tijd even stilstaat en uiteindelijk, voor een film van bijna anderhalf uur, ook relatief weinig gebeurt. Dit diorama, een zorgvuldig geconstrueerd stilleven van taxidermisten in hun biotoop, dwingt z’n kijkers om even halt te houden en de pure schoonheid van (gecreëerde) natuur op zich in te laten werken.

The Way I See It

Op 20 januari 2017 veranderde zijn leven. Hij zwaaide af, samen met zijn baas. Die maakte plaats voor een ander. Pete Souza was acht jaar lang de officiële Witte Huis-fotograaf geweest tijdens het presidentschap van Barack Obama. En daarvoor, omdat hij geen politieke scherpslijper was, ook de vaste fotograaf van de Republikein Ronald Reagan (1981-1989).

Souza beschouwt zichzelf vooral als een ‘historicus met een camera’, zegt hij in The Way I See It (101 min.), een film van Dawn Porter die uitgroeit tot een soort lofzang op Barack Obama, de leider die hem vrijwel ongelimiteerd toegang gaf tot zijn leven en werk. Daarmee wordt deze doeltreffende documentaire tevens een diskwalificatie van diens opvolger Donald Trump, die zijn fotografen alleen laat opdraven voor georkestreerde momenten.

Eerst vooral impliciet: door simpelweg te laten zien hoe consciëntieus Obama zijn werk deed en hoe betrokken hij was bij zijn land en mensen, niet in het minst bij Pete zelf (die bijvoorbeeld mocht trouwen in de Rose Garden van het Witte Huis, waarbij Obama zelf als gastheer optrad). En later heel expliciet: als de fotograaf zich openlijk begint uit te spreken tegen Trump en een populair Instagram-account opent om te laten zien hoe een president zich in zijn ogen behoort te gedragen.

‘A different kind of wall’, schrijft hij bijvoorbeeld bij een foto van Obama, die een vlinder schildert op een Wall Of Hope met een afbeelding van Martin Luther King. Of: ‘Here’s how you’re supposed to deal with the Russian president’, bij een verhitte discussie tussen Poetin en Obama. @petesouza verdient er de bijnaam The King Of Shade mee. Het betekent een enorme ommezwaai voor de man, die zich daarvoor altijd achter de schermen ophield en onzichtbaar zijn werk deed.

Souza heeft nu een bundel gemaakt van die venijnige Insta-posts: Shade: A Tale Of Two Presidents. Hij hoopt oprecht dat het boek zijn waarde verliest op 20 januari 2021, als er weer een president wordt beëdigd. En dan verdwijnt Pete zelf opnieuw in de anonimiteit.

Summer de Snoo: Picture Perfect

Videoland

’Als ik naar haar foto’s kijk, dan zie ik geen kind. Zij heeft zo’n volwassen blik dat ik zelf soms gewoon versteld sta: ben jij tien?’ (moeder Jessica)

‘Wie ben ik om haar van haar droom te weerhouden?’ (vader Joeri)

‘Ze weten dat ik hen later ga verwennen met het geld dat ik ga verdienen.’ (Summer)

‘Toen ik vier jaar was stond ik voor het eerst voor de lens’, zegt het jonge fotomodel Summer geroutineerd bij aanvang van Summer de Snoo: Picture Perfect (96 min.). ‘Zes jaar en verschillende shoots later tekende ik een contract bij één van de werelds grootste modellenbureau’s, New York Model Management.’ Dat nieuws maakte destijds nogal wat los. Kinderarbeid, stelde de onvermijdelijke Peter R. de Vries. Foto’s van een vrij bedenkelijk karakter, volgens de al even onvermijdelijke Maarten van Rossem.

In deze driedelige serie brengt Cheeru Mampaey het dagelijks leven van Summer de Snoo en haar ouders in beeld, van de zomer van 2019 tot het begin van dit jaar. Dat leven speelt zich vooralsnog overigens gewoon in Nederland af. De aangekondigde oversteek naar de Verenigde Staten blijft steeds uit, een groeiende bron van frustratie bij Summers ouders die voor spanningen zorgt met haar manager Anthony, die het ook nog heeft gewaagd om zich met de voeding (‘dit is je laatste snoepje’) van hun dochter te bemoeien.

Die verhaallijn met een kartelrandje kan deze soapachtige docu, die duidelijk op een groot publiek mikt, ook wel gebruiken. Mampaey stelt verder geen al te lastige vragen, volgt vooral de bal en komt zo in het kielzog van Summer bijvoorbeeld terecht op de camping, bij de Engelse les en in de Efteling (waar ze tevens een modeshow mag lopen). En bij talloze ‘shoots’ en evenementen natuurlijk, waarbij alles en iedereen de loftrompet laat schallen over Summer (die tussen de bedrijven door ook nog aan school moet werken).

Dat levert vooral heel veel ‘eye candy’ op, die met vlotte, bijdetijdse muziek wordt uitgeserveerd. Gezeten op een rode bank, met daarachter de Amerikaanse vlag, reflecteren Summer en haar ouders vervolgens op wat ze zoal hebben ondernomen en wat dat voor hen betekent. Ze benadrukken dat er vanzelfsprekend niets gebeurt als ‘de nieuwe Doutzen Kroes’ ’t niet wil. Want Summer mag dan een topmodel in de dop zijn – en hoogbegaafd en een getalenteerde voetbalster – ze is ook maar een héél gewoon meisje.

Capturing Lee Miller

NTR

Haar zoon Antony wist van niets. ‘Ik kende mijn moeder als een nutteloze dronkaard. Als een hysterica voor wie het nemen van de trein al een hele onderneming was.’ Toen vond zijn vrouw een collectie foto’s op zolder. Antony Penrose kon het nauwelijks geloven. Was dit werk van zijn moeder? En was zij dat ook, die stijlvolle vrouw in Vogue?

Toen Antony talloze naaktfoto’s van zijn moeder zag, kon hij zijn ogen helemaal niet meer geloven. En toen hij ook nog hoorde dat die waren gemaakt door haar vader, zijn eigen opa Theodore, wist hij ook niet of hij zijn oren mocht vertrouwen. Voor zijn geestesoog ontstond een nieuwe vrouw, de vrouw die zijn moeder ooit geweest moest zijn: Lee Miller (1907-1977). Model. Muze. Icoon. Fotograaf. Surrealistische kunstenaar. En oorlogscorrespondent.

Penrose besloot een biografie over die onbekende moeder te schrijven, The Lives Of Lee Miller, en fungeert nu tevens als één van de intimi, deskundigen en navolgers in Capturing Lee Miller (60 min.) die haar leven en oeuvre proberen te duiden. Van de vrijheid blijheid van het interbellum en haar jaren als Alles van sterfotograaf Man Ray via de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog naar de periode waarin ze zichzelf helemaal kwijtraakte en weer terug probeerde te vinden.

Regisseur Teresa Griffiths volgt de bewogen levensroute van haar hoofdpersoon nauwgezet, probeert het wezen van de enigmatische vrouw te vangen in stijlvolle sequenties en lardeert dit geheel met fraaie zwart-wit foto’s van en met de ontzettend veelzijdige Lee Miller. Zo belicht ze alle zijden van een vrouw die haar tijd ver vooruit was, voor wie de wereld te klein leek en die uiteindelijk tóch in de vergetelheid raakte. En dat vond ze misschien niet eens zo heel erg. Haar verleden, vol met trauma’s ook, werd veilig opgeborgen, op zolder.

Het komt allemaal samen in die ene wereldberoemde foto van Lee Miller in de badkuip van Adolf Hitler, die ongeveer op datzelfde moment een einde aan zijn leven heeft gemaakt. Een ongenaakbare blote vrouw, met een staatsieportret van Der Führer op de rand van het bad, die tevergeefs de ellende van het concentratiekamp van Dachau, waar ze die ochtend een serie indrukwekkende foto’s voor Vogue heeft geschoten, van zich af probeert te wassen.

De Vrouw Met De Camera: Letizia Battaglia

VPRO

Eind 2019 overleed documentairemaker Hans Keller (1937). Hij was, volgens een In Memoriam van Willem Pekelder ‘niet alleen filmer, maar vooral chroniqueur van een tijdperk. Geboren en opgegroeid in het, in zijn ogen, benauwende Haarlem van de jaren vijftig werd hij journalist om de wereld te verkennen. Maar ook Nederland, dat hij onder de loep nam op een wijze zoals niet eerder op tv vertoond. Hij liet ons het niet al te fraaie gezicht zien achter de schone façade.’

In 2001 maakte Keller, samen met Hein Aalders, een film over een andere chroniqueur, Letizia Battaglia. Van La Cosa Nostra ditmaal. Als geen ander legde Battaglia aan het eind van de twintigste eeuw de gruwelen van de Siciliaanse maffia vast, die behalve aan gezworen ‘mannen van eer’ en de onderzoeksrechters Falcone en Borsellino ook aan talloze onschuldige burgers het leven kostte. Zwart-wit foto’s, waar het bloed vanaf druipt. Keller spreekt uitgebreid met Battaglia, haar dochter Shobha en de burgemeester van Palermo, Leoluca Orlando, over het niet al te fraaie gezicht achter de schone façade van Sicilië.

Dit jaar verscheen er na De Vrouw Met De Camera: Letizia Battaglia (59 min.) overigens nóg een documentaire over Battaglia: het aangrijpende Shooting The Mafia van Kim Longinotto. Die film moet het echter doen zónder Kellers bedachtzame voice-over, die de achtergronden van de maffia schetst, daarbij uitbundig citeert uit de roman De Tijgerkat van Giuseppe Tomasi di Lampedusa en bovendien nadrukkelijk de link legt tussen de georganiseerde misdaad en de Italiaanse politiek, gepersonifieerd door een man die decennialang een abonnement op het premierschap leek te hebben, Giulio Andreotti.

De Vrouw Met De Camera: Letizia Battagla is hier te bekijken.

Shooting The Mafia

Geen mens slaagde er overtuigender in om de gruwelen van La Cosa Nostra te vereeuwigen dan de inmiddels 84-jarige fotografe Letizia Battaglia. Met gevaar voor eigen leven maakte ze een indrukwekkende collectie zwart-wit foto’s, waar het bloed bijkans van afdruipt. Onontkoombare weerslagen van de decennia dat de Siciliaanse maffia onder leiding van illustere ‘mannen van eer’ als Luciano Liggio, Toto ‘Het Beest’ Riina en Bernardo Provenzano haar geboortegrond terroriseerde.

In Shooting The Mafia (93 min.) portretteert Kim Longinotto de vrouw achter de onverschrokken fotografe, die nog altijd getraumatiseerd is door de ellende die de plaatselijke georganiseerde misdaad over haar gemeenschap heeft uitgestort. Met als absoluut dieptepunt de moorden op de onderzoeksrechters Giovanni Falcone en Paolo Borsellino, begin jaren negentig, die elke vorm van hoop op een maffiavrij Italië de bodem insloegen. ‘Je kunt nooit meer helemaal gelukkig worden als je die horror doorstaan hebt’, zegt ze er zelf over.

Longinotto belicht daarnaast ook het turbulente persoonlijk leven van haar ferme protagoniste, die met de spreekwoordelijke filtersigaret tussen de vingers van de ene naar de andere (jongere) minnaar paradeerde. Dat rusteloze bestaan, van een iconische en uiteindelijk onbereikbare schoonheid, verbeeldt de filmmaakster met stijlvolle zwart-wit fragmenten uit Italiaanse speelfilms, die met weemoedig stemmende klassieke muziek zijn verfraaid. De optelsom is ook in dit geval meer dan de som der delen: een mooie en aangrijpende film. Over een symbool van menselijk verzet tegen een volledig onmenselijk systeem.

Blue Note Records: Beyond The Notes

Een Duitse leeuw en wolf stonden ooit aan de basis van het vermaarde Amerikaanse platenlabel Blue Note Records. De jeugdvrienden Alfred Lion en Francis Wolff ontvluchtten in de jaren dertig de Jodenvervolging in nazi-Duitsland. In hun nieuwe vaderland focusten de twee outsiders zich op hun grote passie, jazz, en richtten in 1939 Blue Note op, een onderneming waarmee waarschijnlijk geen rooie rotcent was te verdienen. Een grotendeels zwart label bovendien, in een veelal witte industrie. Het zou niettemin een groot succes worden.

In Blue Note Records: Beyond The Notes (54 min.) blikken kopstukken als Herbie Hancock, Terrace Martin, Derrick Hodge en de huidige directeur van Blue Note, Don Was, terug op de hoogtijdagen van ‘de Cadillac onder de jazzlabels’, toen grootheden als Miles Davis, Thelonious Monk, John Coltrane, Art Blakey, Lee Morgan, Horace Silver en Sonny Rollins van Lion en Wolff volledige artistieke vrijheid kregen en met speels gemak muzikale grenzen verlegden. In een nieuwe studiosessie zoeken The Blue Note All-Stars intussen de magie van Blue Notes gouden jaren op.

Regisseur Sophie Huber richt zich in deze gedegen televisiedocumentaire compleet op de kunst: de muziek zelf natuurlijk, de bijbehorende coole zwart-wit foto’s en het stijlvolle artwork. Ze tekent ook de revival van het label in de tweede helft van de jaren tachtig op, als Blue Notes onmiskenbare sound wordt opgepikt door hiphoppers, opnieuw in de belangstelling komt te staan en nieuwe sterren als Norah Jones in de vaart der volkeren opstuwt.

Erwin Olaf – The Legacy

Erwin en Teun / NTR

Hij noemt het één van de grootste dilemma’s van zijn leven. Z’n moeder is de allerlaatste fase van haar leven ingegaan. Intussen komt een fotoshoot in Palm Springs in de Verenigde Staten, die hij hoogstpersoonlijk heeft gefinancierd, zienderogen dichterbij. En Erwin Olaf, die zelf inmiddels ook de leeftijd heeft bereikt dat het tijd is voor een retrospectief, kan het zich niet veroorloven om die af te blazen. In meerdere opzichten.

De vergankelijkheid van het leven is een terugkerend thema in de documentaire Erwin Olaf – The Legacy (76 min.). Met zijn vroegere vriend Teun maakt hij bijvoorbeeld een reprise van Getting Close, een naaktfoto van hen beiden uit 1985. Toen kenden ze elkaar net. Op Getting Close Again (2018) zijn twee gelouterde mannen te zien. Mannen ook waarvoor het einde in zicht komt. Teun is ernstig ziek. Erwin zelf kampt met longemfyseem, een degeneratieve aandoening die hem regelmatig de adem beneemt en steeds meer begint te belemmeren in zijn loopbaan.

Eerder dit jaar was er in het Haags Gemeentemuseum en Fotomuseum een grote overzichtstentoonstelling van Olaf met de ambitieuze nieuwe fotoserie Palm Springs. Vanaf 3 juli volgt een expositie met eigen werk en werk van zijn voornaamste inspiratiebronnen in het Rijksmuseum in Amsterdam (waaraan hij inmiddels een deel van zijn beste foto’s heeft overgedragen, zodat die toegankelijk blijven voor toekomstige generaties). Intussen wordt de gevierde fotograaf in deze film van Michiel van Erp gedwongen om de balans op te maken en zich af te vragen hoeveel lucht er nog in zijn toekomst zit. Zijn arts raadt hem in elk geval dringend aan om een tandje terug te schakelen.

Erwin Olaf – The Legacy is dan ook niet zomaar een ‘sentimental journey’ door leven en werk van een belangwekkende Nederlandse kunstenaar. Het is een film over een man die beseft dat de tijd hem op de hielen zit. Elke ambitieus nieuw project kost meer kruim dan het vorige en zou wel eens het laatste in zijn soort kunnen zijn. Zo moest Olaf eerder dit jaar het regisseren van zijn allereerste speelfilm, een verfilming van Arthur Japins Een Schitterend Gebrek, vanwege zijn lichamelijke klachten staken. 2019, het jaar waarin hij zestig werd, lijkt daarom een uitgelezen gelegenheid te zijn om Erwin Olafs majestueuze oeuvre uitbundig te vieren. Deze boeiende documentaire past prima in dat plaatje.

Morir Para Contar

Netflix

In brandhaarden als Syrië, Rwanda en Bosnië stellen ze hun leven in de waagschaal voor een hoger ideaal: de wereld informeren over geweld, onrecht en misdaden tegen de menselijkheid. Dat ze daarbij zelf het gevaar lopen om tegen een verdwaalde kogel te lopen of op een ontploffende bom te gaan staan, moeten oorlogsjournalisten en -fotografen op de koop toe nemen.

‘Ik heb veel geluk in mijn leven omdat de mensen die van me houden dat doen op de mooiste, meeste radicale manier: door mij vrij te laten’, zegt journalist David Beriain in Morir Para Contar (88 min.). ‘Ondanks dat dat voor mijn ouders, mijn broer, mijn vrienden en in het bijzonder mijn vrouw betekent dat ooit de telefoon kan gaan en de beller kan zeggen: David komt niet terug.’

In deze onderhoudende documentaire spreekt Hernán Zin, die twintig jaar lang van oorlog naar oorlog zwierf, met vakgenoten over de voetangels en klemmen van hun professie. ‘Angst is nodig’, stelt Carlos Hernández bijvoorbeeld. ‘Als we geen angst hadden, zouden we de eerste dag in een oorlogsgebied sterven. Een angst die we onder controle moeten krijgen en moeten doseren. We moeten ermee leren leven om dagelijks te kunnen werken in een oorlog.’

Zin illustreert hun bespiegelingen en herinneringen aan gestorven collega’s met impressies van enkele concrete oorlogssituaties waarin zij zich staande moesten houden. Zijn eigen verhaal fungeert als verbindende factor: sinds een incident in Afghanistan in 2012 zit hij helemaal in de knoop met zichzelf. Met deze film (Engelse titel: Dying To Tell) probeert de Spaanse filmmaker vat te krijgen op het risicovolle vak dat hem heeft gemaakt tot wie hij is – en wil hij er tegelijkertijd los van komen.

The Mother Of Beauty

Voordat ze hét sekssymbool van de twintigste eeuw werd, Andy Warhol haar beeltenis gebruikte voor een befaamde popart-serie en Marlene Dumas vervolgens van het icoon weer een kwetsbaar mens maakte in het ontluisterende schilderij Dead Marilyn, was Marilyn Monroe zomaar een ontheemd 19-jarige meisje dat roem en succes zocht. Op 2 augustus 1945 meldde ze zich bij het Blue Book Modeling Agency, een modellenbureau uit Hollywood dat ook de ‘blonde bombshell’ Jayne Mansfield zou voortbrengen.

‘Dougherty, Norma Jeane. Getrouwd’, noteerde eigenaresse Emmeline Snively over het toekomstige idool in haar Models Bluebook. ‘1,71 meter, 54 kilo, 91-61-86 cm, maat 42.’ Het aspirant-model betaalde Blue Book 25 dollar als inschrijfgeld, een flinke som geld in die tijd. ‘Ze droeg geen make-up, maar had een goede huid, mooie ogen en een mooi gebit. Zo zag ze eruit: haar haar was moeilijk in bedwang te houden. Haar gezicht wat te rond, maar ze zag er wel gezond uit. Opmerking: blonderen en permanenten aanbevolen.’

De tragische schoonheid Monroe is van een zekere afstand permanent aanwezig in documentaire The Mother Of Beauty (60 min.). Als de onbereikbare schoonheid die ze gaandeweg werd. Óók voor – en tot grote frustratie van – haar voormalige mentor Emmeline Snively. Deze film van Frank van Osch portretteert enkele andere Blue Book-glamourgirls van weleer, inmiddels dames van respectabele leeftijd. Ze zien er ‘voor hun leeftijd’ nog goed uit, constateren ze zelf. En dat willen ze weten ook.

Alles was gebaseerd op uiterlijk, zegt één van de mannelijke modellen uit de documentaire over de glamourwereld waarin hij opgroeide. ‘Als ik dik, klein en lelijk zou zijn geweest, had je me nu niet gefilmd.’ De man is inmiddels 86 en doet er alles aan om ‘handsome’ te blijven. ‘Mijn doel is om op mijn honderdste verjaardag nog steeds gewichten te heffen. Zou dat niet geweldig zijn?’ Hij herhaalt het, alsof hij opnieuw verrukt wordt door het idee, nog maar eens: ‘zou dat niet geweldig zijn?’

De wijsheid dat de werkelijke schoonheid toch echt van binnen zit komt dus niet per definitie met de jaren. Intussen schetst deze fraaie film met verve een wereld die bestaat bij de gratie van uiterlijk vertoon én de vergankelijkheid van schoonheid – van het leven in het algemeen.

Generation Wealth

Amazon

‘Wat heb je gedaan in Dubai?’, vraagt regisseur Lauren Greenfield aan Kacey Jordan, het Amerikaanse pornosterretje dat een veelbesproken affaire had met acteur Charlie Sheen. Ze antwoordt laconiek: ‘de prins.’ Kacey is nu voor de elfde keer zwanger, bekent ze later op een kwetsbaar moment. Ze denkt er ditmaal serieus over om het kind te houden.

Kacey Jordan is één van de mensen die in de afgelopen jaren zijn geportretteerd door fotograaf Greenfield en waarmee ze nu in de documentaire Generation Wealth (106 min.), die wordt vergezeld door een expositie, de balans opmaakt. Tezamen vormen ze een bonte stoet larger than life-personages. De alleenstaande moeder die zich verliest in plastische chirurgie. Het zesjarige beauty queentje Eden dat maar één doel zegt te hebben: money, money en nog eens money. En Greenfields voormalige studiegenoot, die uitgroeide tot een louche geldgraaier.

De documentairemaakster vergelijkt de wereld waarin zij, en wij, leven met de cultuur van de Egyptenaren. Toen zij de piramides bouwden, stonden ze al aan de rand van de afgrond. Zonder dat ze dat zelf in de gaten hadden, overigens. Ook wij dansen volgens Greenfield met zijn allen op een vulkaan, die elk moment kan uitbarsten. De American dream is immers allang verworden tot een plastic zucht naar roem en rijkdom.

Greenfield belandde nog eens nadrukkelijk op dat spoor door haar vorige documentaire The Queen Of Versailles, een lekkere jeukfilm over een Amerikaans nouveau riche-stel dat zich heeft voorgenomen om een (vanzelfsprekend smakeloze) replica van het illustere Franse paleis te laten maken. De filmmaakster/fotografe ontdekte zo een thema dat eigenlijk haar complete oeuvre domineerde: rijkdom. Of de ultradecadentie, waartoe het westerse kapitalisme zijn onderdanen lijkt te dwingen.

In Generation Wealth richt ze haar camera niet alleen op excessen in de buitenwereld. Naarmate de documentaire vordert kijkt Greenfield ook steeds meer naar binnen, naar haar eigen verslaving aan werk. Ze filmt haar man en kinderen en gaat in gesprek met haar eigen ouders. Daarmee verliest de film ook een beetje richting. Want wil ze werkelijk zeggen dat het leven uiteindelijk toch om hele andere dingen gaat dan poen en status? Dat zou een wat al te gemakkelijke conclusie zijn voor deze bijzonder bijdetijdse docu, die pregnante vragen stelt over wie we zijn (geworden).