Coded Bias

‘Ik haat feministen. Die moeten allemaal dood en branden in de hel.’ Aan het woord is Tay, de chatbot die Microsoft in 2016 lanceerde op Twitter. Binnen enkele uren had de bot zich de mores van z’n nieuwe omgeving volledig eigen gemaakt. Tay begon zich als een racistische, vrouwonvriendelijke klootzak te gedragen. ‘Ik haat Joden. Hitler deed niets verkeerds.’ Het experiment werd na slechts zestien uur afgebroken.

Het verhaal van Tay is exemplarisch voor de centrale thematiek van Coded Bias (85 min.), een alarmistische film van regisseur Shalini Kantayya: moderne technologie, Artificial Intelligence in het bijzonder, is doorgaans de resultante van onbewuste, en vaak ook onbedoelde, aannames en vooroordelen, die bovendien gemakkelijk gemanipuleerd kunnen worden. Dat is vragen om problemen. Met Big Tech, autoritaire regimes of kwaadaardige trollen.

De documentaire start met Joy Buolamwini, een jonge computerwetenschapper die ontdekte dat ‘t een camera opvallend veel moeite kostte om haar gezicht te herkennen. Had dat misschien te maken met het feit dat ze een zwarte vrouw was en niet – zoals nog altijd de standaard is bij de ontwikkeling van nieuwe technologische toepassingen – een witte man? Een algoritme is immers, doceert ze, niet meer dan een voorspelling die is gebaseerd op gegevens die in het verleden zijn ingevoerd.

Van daaruit slaat Kantayya haar vleugels uit naar de mogelijke gevaren van toepassingen zoals ongebreidelde dataverzameling, gezichtsherkenning op bestelling en geautomatiseerde beoordelingsystemen. Natuurlijk wordt daarbij regelmatig de link gelegd met dystopische klassiekers zoals George Orwells 1984. In China kun je bijvoorbeeld al inkopen afrekenen via een gezichtsscanner, maar voor hetzelfde geld word je op basis van datzelfde uiterlijk voortaan geweerd uit het openbaar vervoer.

Coded Bias had nog wel wat krachtige voorbeelden kunnen gebruiken: van gewone stervelingen die door/met tech zijn gegeseld. Want als A.I. en andere moderne technologie in verkeerde handen belandt, zoveel maken de verschillende sprekers wel duidelijk, belanden we beslist in een unheimische wereld, waarin massale en veelal onzichtbare manipulatie de menselijke maat, elke vorm van privacy en gewoon gezond verstand zal verdringen.

Desert Paradise

Baldr

De Namdeb-diamantmijn zal binnen afzienbare termijn gaan sluiten. En dat heeft gevolgen voor iedereen in Oranjemund. Het stadje in het zuiden van Namibië moet alle zeilen bijzetten om te kunnen blijven bestaan. Want met de mijn dreigt ook de werkgelegenheid te verdwijnen. En dan vertrekken als vanzelf tevens de mensen. Waardoor het voorzieningenniveau nóg verder onder druk komt te staan.

Ike Bertels documenteert de krimp in de geïsoleerde gemeenschap, die een pad naar de toekomst probeert te vinden. Her en der worden er nieuwe initiatieven ontplooid, elders pakken mensen echter hun biezen. De gloriedagen van het stadje, dat in 1936 werd gesticht nadat er diamanten waren gevonden, komen volgens hen echt niet meer terug. Desert Paradise (88 min.) zou wel eens ten dode opgeschreven kunnen zijn, hoezeer sommige inwoners ook de moed erin proberen te houden. Zou toerisme misschien de ommekeer kunnen inluiden?

Met engelengeduld observeert Bertels de verwikkelingen in het Namibische stadje. Die spelen zich af tegen een prachtig decor, dat ook zeer fraai is vereeuwigd met grote, weidse shots. De aankleding van de film is verder sober gehouden. Het verteltempo blijft bovendien tamelijk laag. Erg veel gebeurt er eigenlijk niet. Zo wordt voelbaar dat het hedendaagse Oranjemund niet mee kan in de eisen van deze tijd.

Die aanpak dwingt de kijker echter om volledig weg te zinken in de activiteiten en gesprekken van de Oranjemunders. Anders wordt deze kalme documentaire vooral een kwestie van uitzitten.

The New Corporation: The Unfortunately Necessary Sequel

Volgens de Amerikaanse wet hebben ondernemingen opmerkelijk genoeg dezelfde rechten als mensen. Dat bracht de makers van de documentaire The Corporation er in 2003 toe om bedrijven eens door te lichten aan de hand van de Personality Diagnostic Checklist uit de DSM-IV, het standaardwerk over psychische stoornissen. Als ondernemingen inderdaad vergelijkbaar waren met mensen, concludeerden ze, dan gedroegen die zich als psychopaten. Voor het maximaliseren van de winst was zo’n beetje alles geoorloofd.

Een kleine twintig jaar later heeft menige multinational zijn koers verlegd. Maatschappelijk verantwoord ondernemen lijkt het nieuwe parool. Gaat het om een serieuze koerswijziging of is het vooral een cosmetische ingreep? vragen de makers van dit vervolg zich af. Toevallig is er inmiddels ook een nieuwe editie van de DSM verschenen. Die bevat zowaar een extra kenmerk om psychopatie te scoren: het gebruik van verleiding, charme, welbespraaktheid of vleierij om je doelen te bereiken. Als dat geen aardige invalshoek is voor The New Corporation: The Unfortunately Necessary Sequel (107 min.)…

De documentairemakers Joel Bakan en Jennifer Abbott houden het opereren van grote ondernemingen vervolgens weer ouderwets kritisch tegen het licht. Ze belichten diverse pijnlijke voorbeelden van ‘creative capitalism’ en ontwaren daarin allerlei boeiende tendensen, zoals bijvoorbeeld de pogingen om de overheid steeds onmachtiger te maken, ‘starve the beast’, en daarna, onder het mom van ‘dat kunnen wij beter’, elementaire taken te privatiseren: van de gezondheidszorg en het onderwijs tot de watervoorziening en het leger. Alles moet aan de markt worden overgelaten. En daardoor gaan ondernemingen steeds meer de dienst uitmaken en worden sociale verbanden, de democratie en de aarde zelf steeds verder ontwricht.

The New Corporation brengt een onversneden activistische boodschap, met treffende acties van linkse helden als Alexandria Ocasio-Cortez en Katie Porter en interviews met gekende criticasters van het hedendaagse kapitalisme, zoals de strijder tegen inkomensongelijkheid Robert Reich, Indiase activiste Vandana Shiva, Winner Takes All-schrijver Anand Giridharadasm, activistische burgemeester van Barcelona Ada Colau en filosoof Noam Chomsky. In wezen slaat dit vervolg daarmee op dezelfde trom als de oorspronkelijke Corporation-film en voegt het ook niet zo heel veel toe aan recente documentaires zoals Saving Capitalism en het Thomas Piketty-vehikel Capital In The Twenty-First Century.

Hoewel de inhoud soms echt schokkend is, klinkt die inmiddels toch ook wel erg vertrouwd en zou deze preek dus wel eens alleen de eigen parochianen, van de Linkse kerk natuurlijk, kunnen bereiken.

Can’t Get You Out Of My Head

BBC

De ‘Illuminatie’, die volgens een deel van de mensheid nog altijd vanuit de coulissen een groot deel van de ontwikkelingen op het wereldtoneel bestieren, zouden een verzinsel zijn van schrijver Kerry Thornley en zijn vriend Greg Hill. Het was de belachelijkste complottheorie die de twee representanten van de Amerikaanse tegencultuur in de jaren zestig konden bedenken. Wie zou er nu werkelijk kunnen geloven in het geheime genootschap van een achttiende eeuwse professor uit Beieren? Hun ‘Operation Mindfuck’ zou echter een doorslaand succes worden – of een gigantisch fiasco – dat tot op de dag van vandaag doorwerkt.

Een bezopen samenzweringstheorie die voor werkelijkheid wordt aangezien, in een wereld waar wel degelijk ook echte complotten worden gesmeed. Het is maar één van de vele kleine verhalen die Adam Curtis in zijn zoveelste ambitieuze project Can’t Get You Out Of My Head (473 min.) verbindt aan de grote verhalen van onze tijd, zoals individualisering, consumentisme en technologie als ideaal middel om (het onderbewuste van) de grote massa te bespelen. Als een ouderwetse schoolmeester, met zijn eigen tics en preoccupaties, wandelt hij met veel bravoure door het doolhof van de moderne geschiedenis. Het resultaat is een ontzagwekkend labyrint op zichzelf: een wirwar van lange, korte en losse verhaallijntjes die op gezaghebbende toon aan elkaar worden geknoopt. Orde in de chaos, die op zichzelf ook weer net zo goed voor verwarring zou kunnen zorgen.

Typisch Curtis, de Britse homo universalis die met zijn wijdlopige video-essays een genre op zichzelf is geworden. In zijn beschouwingen op de hedendaagse maatschappij maakt hij gebruik van inzichten uit de moderne psychologie, economie, filosofie, geschiedenis, sociologie en politiek. Hij hangt die ditmaal op aan enkele hoofdpersonen (zoals bijvoorbeeld Mao Zedongs militante vierde vrouw Jiang Qing, valium-propagator Arthur Sackler, Artsen Zonder Grenzen-oprichter Bernard Kouchner, transgender-activist Julia Grant en Afeni Shakur, lid van The Black Panthers, crack-verslaafde én moeder van een wereldberoemde rapper). Curtis illustreert zijn betoog zoals gebruikelijk met een uitbundige collectie archiefmateriaal en zet daarbij treffende accenten met een edgy soundtrack.

Noem het gerust pompeus, tendentieus en hier en daar zelfs incoherent (of gewoon niet helemaal te bevatten; probeer de Franse revolutie bijvoorbeeld maar eens te verbinden met Tupac Shakur en de chaostheorie). Ook deze nieuwe Adam Curtis-productie probeert echter een net over de aardbol te gooien en zo de psyche van onze tijd te vangen. Alsof je in hartje winter de luiken eens goed tegen elkaar openzet. In de laatste van de zes afleveringen culmineert dit in vragen over de vermeende machinaties achter het Brexit en de verkiezing van Donald Trump en of zulke samenzweringstheorieën niet gewoon pogingen zijn om vat te krijgen op een voor ons allen onbegrijpelijk wereld.

Uiteindelijk ging zelfs Kerry Thornley twijfelen over Operation Mindfuck. Niet zozeer over de ‘Illuminati’, maar over zijn eigen rol in het satirisch bedoelde complot: was hij misschien, zonder dat hij het wist of wilde, toch ingezet als een werktuig van de CIA?

A Glitch In The Matrix

Deze film kan zomaar zijn ontsproten aan het brein van sciencefiction-schrijver Philip K. Dick, de man die ons onvergetelijke dystopische werelden voorschotelde in Blade Runner, Minority Report en Total Recall. Sterker: in zekere zin is dat ook zo. Het startpunt is in elk geval een speech die Dick voor een Frans publiek gaf in 1977. Over zijn ‘preoccupatie voor pluriforme pseudo-werelden’.

Kern van deze film is – denk ik, maar dat is niet mijn meest in het oog springende kwaliteit – de hypothese dat de werkelijkheid waarin we denken te leven in realiteit ook wel eens een groots opgezette simulatie kunnen zijn. Dat klinkt als de clou van een baanbrekende sciencefiction-klassieker van dik twintig jaar geleden. En dat klopt: deze documentaire heet niet voor niets A Glitch In The Matrix (108 min.).

De zinsbegoochelende film van Rodney Ascher refereert ook aan dat gevoel wat je als kind kunt hebben – ik tenminste wel, en mijn voorstellingsvermogen is nooit héél erg groot geweest – dat de wereld alleen bestaat als en op het moment dat jij erin participeert. Zodra je iets de rug toekeert, verdwijnt ‘t. Om pas weer tot leven te komen, als jij besluit om je toch nog een keer om te draaien.

Deze docu, die ik voor het gemak ga opzadelen met de term ‘mindfuck’ – want al te veel fantasie is mij ook nooit gegeven – is niet voor niets vormgegeven als een soort mixture van een videogame, virtual reality en het dark web, waarin originele gedachtenexercities, filosofische bespiegelingen en baldadige luchtfietserij samenkomen in een wereld die wel eens geheel verzonnen zou kunnen zijn. Of niet.

Natuurlijk is de film gelardeerd met filmscènes, animaties en games, wordt de voice-over verzorgd door een computerstem en is het geheel dichtgesmeerd met plastic synthmuziek. Alle ‘mensen’ die aan het woord komen zijn bovendien getransformeerd in geanimeerde personages die zo weggelopen zouden kunnen zijn uit/naar – daar wil ik even vanaf zijn, anders loopt mijn brein er weer op vast – een sci-fi horrorfilm van hooguit B-garnituur.

A Glitch In The Matrix heeft een paranoïde feel en werpt elementaire vragen op over realiteit, psychische gezondheid en moraliteit. Probeer ze alleen maar eens te vangen. Het kostte mij – mijn geest heeft inmiddels de draaicirkel van een aftandse tractor – net zoveel moeite als kandidaten van de Ted Show, die willekeurig uit het plafond vallende staven te pakken moesten krijgen; je hebt net zo vaak prijs als dat je lucht vangt.

En met dat gevoel moet je als eenvoudige kijker – als je het vaak doet, word je er niet per definitie ook beter in – maar zien te dealen. Een oplossing zou kunnen zijn: snel proberen te vergeten. Of: je er helemaal in verliezen, zoals veelkijkers van The Matrix en Inception gebeurt. Dan kan de realiteit alleen óók een dystopie worden. Zoals het relaas van Joshua Cooke aantoont, de naargeestige apotheose van deze ontregelende film.

Philip K. Dick had het niet beter kunnen verzinnen, zou ik zeggen – als ik om woorden verlegen zou zitten. En als hij dat ook niet gewoon heeft gedaan.

Life In A Day 2020

YouTube

324.000 video’s uit 192 landen. Allemaal gefilmd op één en dezelfde dag: 25 juli 2020. Op de kop af tien jaar en één dag na 24 juli 2010, het etmaal dat werd vereeuwigd in de eerste Life In A Day-documentaire. En nu is er dus weer zo’n momentopname: Life In A Day 2020 (86 min.), vastgelegd door talloze aardbewoners, samengesteld door filmmaker Kevin Macdonald en mede mogelijk gemaakt door zijn vermaarde collega Ridley Scott.

Dit is zo’n film die in een kluis kan worden opgeborgen, om daar te wachten op toekomstige generaties die het zich nauwelijks meer kunnen voorstellen hoe het was om te leven in 2020, het jaar dat COVID-19 de wereld in zijn greep kreeg. Want het virus steekt steeds weer de kop op in deze hartveroverende weerslag van een collectieve ervaring: mens zijn aan het begin van de 21e eeuw.

Zo laat een moeder beelden zien van hoe ze met haar zoon in de originele film uit 2010 figureerde. Ze probeert de tiener daarin uit bed te krijgen en spoort hem aan om zijn kamer op te ruimen. ‘Dat was mijn zoon tien jaar geleden’, zegt ze. Ze zet de video stil. ‘En hier is mijn zoon nu.’ De vrouw richt haar camera op een urn, midden in de woonkamer. ‘Hij is voor altijd hier, in ons huis.’ Alex is ten prooi gevallen aan het Coronavirus.

Toch is Life In A Day 2020 beslist niet alleen een COVID-document. Het gewone leven gaat immers door. De liefde bijvoorbeeld. In de hele wereld wordt gezoend, de liefde verklaard, een huwelijksaanzoek gedaan (en afgewezen), gevreeën en uit elkaar gegaan. Allemaal voor de camera. Want ook dat is 2020: alles en iedereen filmt of laat zich filmen en is zich daar ook maar al te goed bewust van.

Hoewel deze caleidoscopische docu geen echte hoofdpersonen kent en thematisch is opgebouwd – via afwisselend vrolijke, wonderschone en aangrijpende sequenties – keert een enkeling wel meerdere malen terug in de film. De gedreven treinenspotter die een challenge is aangegaan bijvoorbeeld. Het stel dat dolgraag kinderen wil. Of een Amerikaanse man die noodgedwongen vanuit zijn auto is gaan leven.

Zij worden evenwel nooit meer dan toevallige passanten, vertegenwoordigers van een mensheid die hier, ondanks alles wat er op deze hele gewone julidag misschien tegenzat, een enorme joie de vivre uitstraalt. Life In A Day 2020 werkt zo (on)bedoeld als hart onder de riem en geeft in deze onwerkelijke tijden een zeker vertrouwen voor de komende tien jaar, als ongetwijfeld Life In A Day 2030 op stapel staat.

Normal Is Over

Renée Scheltema

Bijna een halve eeuw geleden waarschuwde een groep prominente wetenschappers, verzameld in de Club van Rome, al dat de aarde de oneindige behoefte aan beter, groter en meer van de mens nooit aan zou kunnen. Het rapport De Grenzen Aan De Groei fungeerde in 1972 als een wake-up call voor een complete generatie: het moest en zou anders met de wereld. Renée Scheltema was één van hen. Ze herinnert zich nog goed hoe ze tijdens de oliecrisis ging rolschaatsen op autoloze zondagen. Tegelijkertijd zag ze dat er uiteindelijk (te) weinig veranderde. Economische groei bleef leidend.

Sinds begin jaren negentig woont de Nederlandse met haar gezin in Zuid-Afrika. Gaandeweg groeide bij haar behoefte om de staat van de aarde op te maken in een persoonlijke film en te bekijken hoe de klimaatverandering, milieuverontreiniging en de massale uitroeiing van allerlei diersoorten tot staan kan worden gebracht. Want het roer moet om volgens haar en, zoals wiskundige/filosoof Charles Eisenstein het uitdrukt, Normal Is Over (102 min.). Dat uitgangspunt brengt haar gedurende enkele jaren naar alle uithoeken van de wereld, waar ze in gesprek gaat met wetenschappers, deskundigen en activisten.

De teneur van de film is beurtelings idealistisch, alarmistisch én hoopvol. Want initiatieven om de zaak ten goede te keren zijn er ook volop. Al blijft het vigerende maatschappijmodel, en de daarmee verbonden economische mores en verhoudingen, erg hardnekkig. Een enkele keer stuit Scheltema tevens op een luchtig tafereel, zoals wanneer de enorme koe van dierenactiviste Marina Rust-Evans in de keuken belandt en het halve interieur dreigt te verpletteren. Knuffelend krijgt de ‘cowgirl’ hem uiteindelijk toch weer naar buiten. 

Door zijn inhoud en toonzetting zal Normal Is Over, dat ongegeneerd ijvert voor een betere wereld, niettemin vooral aftrek vinden bij een kijkersgroep, die zich sowieso al bekommert om de toekomst van de aarde en haar bewoners. Want om de (meeste) ideeën in de documentaire te omarmen, zal ieder van ons ook zijn eigen streven naar economische groei moeten loslaten. En dat lukt vermoedelijk pas als we in ons eigen leven de absolute noodzaak daartoe zien.

Wellicht dat de Coronacrisis daarin nog als vliegwiel gaat fungeren…

Nao ’t Zuuje

BNNVARA

U kent Lex Uiting wellicht als presentator van RTL Boulevard. Of eerder als host van Kinderen Voor Kinderen. In zijn geboortestad Venlo kennen ze hem sinds 2017 vooral als prins Lex de Eerste van carnavalsvereniging Jocus.

En Lex en zijn directe familie zijn tot tranen toe geroerd als dat bekend wordt gemaakt. Want Carnaval – ‘vastelaovend’ in Venlose termen – doet ertoe in grote delen van Zuid-Nederland. Als er één ding spreekt uit de documentaire Nao ‘t Zuuje (50 min.) van mede-Venlonaar Rob Hodselmans, dan is het dat: voor overtuigde vierders is vastelaovend véél meer dan enkele dagen zingen, slempen en sjansen.

Het feest vertegenwoordigt voor hen traditie, gemeenschapszin en verzoening. Vrijwel allemaal benadrukken ze, ieder op z’n eigen manier, dat vastelaovend behalve loskomen ook een soort thuiskomen is. De ultieme bevestiging dat ze ‘hier’ horen. En Hodselmans tekent dat liefdevol en van dichtbij op, in een documentaire met een melancholieke ondertoon die nooit een ordinaire hosfilm wordt.

Hij volgt hoe Prins Lex van het Jocusrijk en z’n twee adjudanten, zijn broer Dick en beste vriend Martijn, enkele dagen lang helemaal opgaan in het feestgedruis, maar heeft intussen ook oog voor de kleine menselijke verhalen die daarbinnen zijn te vinden: van een vrouw die allang weg is uit Venlo, maar nu in echtscheiding ligt en overweegt terug te keren. Een zieke man die aan de vooravond van zijn allerlaatste vastelaovend lijkt te staan. En een Venlonaar met een donkere huidskleur die voor de verandering eens helemaal in de massa kan opgaan.

Stuk voor stuk worden ze onderdeel van het grotere geheel. Voor even. Want als het laatste lied van dat feest, waarin alle zorgen even konden worden vergeten, heeft geklonken, dient het gewone leven zich weer aan. En wordt ook die prins weer een doodgewone jongen. Die vanuit Amsterdam het hele jaar naar vastelaovend verlangt.

Als u na Nao ‘t Zuuje weer naar RTL Boulevard kijkt, ziet u vermoedelijk Lex de Eerste achter de presentatiedesk staan – en het kleine jongetje daarachter, voor wie een droom uitkomt.

Nao ’t Zuuje is hier te bekijken.

My Psychedelic Love Story

Joanna Harcourt-Smith / SHOWTIME.

Allereerst is er gewoon een interview. Met Robert McNamara, Donald Rumsfeld of Steve Bannon. Protagonisten die ver voorbij hun gebruikelijke verhaal gaan. Gedwongen door een enkele indringende vraag of een onverwacht perspectief. Hoewel ze de regie nooit uit handen lijken te geven, komen ze toch op een totaal nieuwe manier in beeld. Ook door de briljante framing van het gesprek. Shots van boven of juist van onder, overshoulder, schuin of van opzij. Elke zinsnede kan daardoor een verrassing opleveren. En krijgt door de bijpassende beeldenpracht, virtuoze vormgeving en urgente soundtrack een onvermoede lading.

Het resulteerde in weergaloze documentaires: The Fog Of War (McNamara), The Unknown Known (Rumsfeld) en American Dharma (Bannon). Zo’n film wilde Joanna Harcourt-Smith ook wel. Gebaseerd op haar eigen boek Tripping The Bardo With Timothy Leary: My Psychedelic Love Story (102 min.). Ook doordat ze zich, na het zien van Errol Morris’ paranoïde serie Wormwood, begon af te vragen of ze in de jaren zeventig misschien, zonder dat ze het zelf in de gaten had, een werktuig van de CIA was geweest. Was haar stormachtige affaire met de LSD-goeroe, die uit een Amerikaanse gevangenis was ontsnapt en sindsdien als balling in Zwitserland verbleef, misschien onderdeel van een sluwe campagne van de buitenlandse veiligheidsdienst om Leary alsnog in de kraag te grijpen?

Die intrigerende vraag vormt het startpunt voor dit met veel verve opgediste levensverhaal van een Zwitsers high society-meisje, doorgewinterde femme fatale en losgeslagen hippie. Als twintiger op drift belandde ze in 1972 midden in de cultuuroorlog van haar tijd. Aan de zijde van de hogepriester van de geestverruimende middelen Timothy Leary, die alles representeerde wat de gevestigde orde toentertijd meende te moeten bevechten. Morris laat Joanna Harcourt-Smith helemaal leeglopen, checkt haar herinneringen zeker niet dood en geeft ze vervolgens vorm als een weelderige LSD-trip, waarin Alice in Wonderland botst op de ‘war on drugs’ van president Richard Nixon, Rolling Stone Keith Richards tegen het lijf loopt en soms in de voetsporen van de beruchte Manson Family dreigt te treden.

De vormgeving van haar monoloog, door Morris slechts een enkele keer onderbroken door een vraag of uitroep van verbazing, is zo overdonderend dat de verhaallijn soms ondergesneeuwd dreigt te raken: hallucinante graphics, schreeuwende krantenkoppen, Tarotkaarten, raak getimede archiefbeelden en bijzonder dwingende muziek. Harcourt-Smith probeert iedereen bij de les te houden met haar opmerkelijke ontboezemingen, kwieke oneliners en slim uitgeserveerde lach. Een typisch Errol Morris-personage kortom, dat onder zijn hoede een geheel eigen web weeft tussen feit en fictie.

Bitter Love

IDFA

Eenmaal aan boord van de Maxim Gorky storten volslagen vreemden ongegeneerd hun hart uit bij elkaar. De twee dames op leeftijd die aan de man willen. Een jonge blondine met twijfels over haar relatie. Het kibbelende oudere koppel. De zanger van melancholieke liederen. Een vrouw die voor de tweede keer in scheiding ligt. En de jonge operazangeres en haar vriend op piano.

Tijdens een riviercruise over de Wolga lijkt de tijd even stil te staan voor dit bonte Russische gezelschap. Ieder voor zich kan volledig opgaan in het moment. Wie deze reizigers waren voordat ze aan boord stapten en wie ze zijn als ze het schip straks weer verlaten, doet er in wezen niet toe. Hier tellen alleen het hier en nu, de verhalen die ze met elkaar willen delen en de genegenheid die ze daarmee hopen te vinden. Vrienden voor het leven, voor een week of drie.

Regisseur Jerzy Sladkowski observeert de passagiers van heel dichtbij. Zo dichtbij dat de vraag zich aandient hoe hij dat voor elkaar heeft gekregen en of – en zo ja: wat? – er is geënsceneerd. Bitter Love (87 min.) oogt als een traditionele ensemblefilm, waarin een zorgvuldig gecaste groep personages, op één en dezelfde plek en binnen een afgebakende periode, een gezamenlijke emotionele ontwikkeling doormaakt. Was de filmmaker daarbij alleen een vlieg op de muur? Of toch eerder een spin in het web?

Feit is dat zowel de jonge vermakers als de oudere vermaakten op het modale cruiseschip op de één of andere manier hebben te dealen met de vergankelijkheid van de liefde en het bestaan. Ze kijken daarbij ook nadrukkelijk naar elkaar, waarbij muzikale intermezzo’s, van het musicerende koppel en de eenzame man met gitaar, de gevoelstemperatuur van deze bitterzoete film inregelen.

Oproerkraaiers

Raymond van Mil / VPRO

‘Volgens mij kan je enkel onverschillig blijven tegenover leed als je je ervoor afsluit’, constateert Sunny Bergman halverwege Oproerkraaiers (59 min.) ‘En misschien zorgt juist dat afsluiten ervoor dat we degenen die onze ogen willen openen als aanstellers, als overdreven drammers, ervaren. We vinden ze irritant omdat ze ons op iets wijzen dat we niet willen zien. En daarna geven we de zogenaamde drammers de schuld van polarisering.’

Het is een conclusie, die haar zelf natuurlijk goed uitkomt. Want met haar strijd tegen Zwarte Piet en institutioneel racisme behoort Bergman in de ogen van veel anderen ook tot die groep drammers. In deze nieuwe film duikt ze verder in de wereld van het Nederlandse activisme: van haar eigen natuurlijke omgeving bij Kick Out Zwarte Piet tot de fanatieke klimaatactivisten van Extinction Rebellion en de Jane Unchained Europe-demonstranten die zich manifesteren bij slachthuizen (en Bergman zelf tot het verfoeide ‘redelijke midden’ rekenen omdat zij nog gewoon dierlijke producten eet).

‘Een dag niet gedemonstreerd is een dag niet geleefd’, stelt beroepsactivist Frank van der Linde, terwijl hij met een megafoon leuzen schreeuwt naar het hoofdkantoor van booking.com. Hij voert fulltime actie, komt regelmatig in aanvaring met de autoriteiten en is inmiddels thuisloos geworden. Van der Linde is ook aanwezig bij de grote Black Lives Matter-demonstratie in Amsterdam, na de moord op de zwarte Amerikaan George Floyd, waar Sunny’s gehele natuurlijke entourage bij elkaar lijkt te komen.

Met haar camera begeeft ze zich ook buiten haar eigen bubbel en neemt plaats in de tractor van Mick, een actievoerder van Farmers Defence Force. Overtuigd van zichzelf legt die club geregeld half Nederland plat. Te midden van de boeren verbaast Bergman zich er wel over dat die echt geen ‘activist’ genoemd willen worden. ‘Dat is heel wat anders’, volgens twee mannen. ‘Ik versta onder activisten toch wel wat agressievere mensen’, legt een vrouw uit. ‘En zo agressief zijn wij niet. Wij houden ‘t netjes.’

Bergman kan vervolgens de verleiding niet weerstaan om het grote geld achter de boerenprotesten aan te snijden. Worden die niet gefinancierd door zuivelproducenten en veevoederbedrijven, die simpelweg hun eigen nering proberen te beschermen? Haar vader, een gezworen communist, zou zeggen: het is allemaal de schuld van het grootkapitaal. En dat zou je de gemene deler van al die protestacties kunnen noemen. Het gaat vrijwel altijd om gewone mensen die zich stelselmatig niet gehoord of gewaardeerd voelen. Toch zijn zij ‘t, stelt Bergman met een blik op het verleden vast, die uiteindelijk voor wezenlijke verandering zorgen. Zonder al die oproerkraaiers zou Nederland nooit het land zijn geworden dat het nu is.

Ofwel: radicaal wordt ooit normaal. Het is de optimistische slotsom van deze aardige rondgang langs idealisme, strijdbaarheid en belangenbehartiging.

Acasă, My Home

Astra Film

Dit verhaal zou zich kunnen afspelen op een onontgonnen stuk wildernis in Zuid-Amerika. Of op een nagenoeg verlaten Indonesisch eiland. Met ontblote bast peddelt een groepje verwilderde jongens in een bootje door het water. Op zoek naar vis, een zwaan achtervolgend. Volledig één met de natuur. Op de achtergrond prijkt alleen een rijtje grauwe flats. De Roemeense hoofdstad Boekarest bevindt zich op nauwelijks een steenworp afstand.

Twintig jaar geleden nam de gypsy Gica Enache, teleurgesteld in de reguliere maatschappij, zijn vrouw Niculina mee naar Vacaresti, een verwaarloosd natuurgebied met meren en wilde dieren vlakbij de stad. Daar voedden ze samen maar liefst negen kinderen op. De pater familias doet denken aan het Viggo Mortensen-personage uit de fraaie speelfilm Captain Fantastic, een vader die zijn kroost in de bossen probeert te behoeden voor de consumptiemaatschappij. Tagline: he prepared them for everything except the outside world.

Zoals ook de vergelijking met de documentaire The Wolfpack, over de zes broers Angulo die van hun dominante vader jarenlang hun New Yorkse appartement nauwelijks mochten verlaten, zich onvermijdelijk aandient bij  Acasă, My Home (86 min.). Zeker omdat ook hier de buitenwereld zich steeds nadrukkelijker meldt in de wereld van de Enaches, in de vorm van ambtenaren die van Vacaresti een beschermd natuurpark willen maken en de kinderbescherming die zich zorgen maakt over het welzijn van de kinderen.

Dat kan niet goed gaan. En dat doet het dus ook niet. ‘Wil je zien hoe ik mezelf in brand steek?’ roept de patriarch theatraal als zo’n groepje bemoeials zich meldt op het vervuilde erf bij zijn hut. ‘Gewoon voor de show.’ Voordat hij, met een peuk in de hand, de daad bij het woord kan voegen, wordt de boel gesust. De Enaches zullen moeten terugkeren naar de maatschappij die ze de rug toe hadden gekeerd. En vader Gica, die kampt met gezondheidsproblemen en mede daardoor de controle verliest, gaat mee. Of hij dat nu wil of niet.

De kinderen worden daar eens goed gewassen, gaan naar de kapper en stromen ook in op school, waar ze lezen, schrijven en rekenen kunnen leren. De domesticatie van de zigeuners, een bevolkingsgroep waarop menige Roemeen neerkijkt, verloopt desondanks niet zonder strubbelingen. In deze fraaie debuutfilm van onderzoeksjournalist Radu Ciorniciuc blijven twee totaal verschillende ideeën over het leven met elkaar botsen. Aarden in de nieuwe wereld gaat dus bepaald niet vanzelf, terwijl terugkeren naar de oude eveneens onmogelijk is.

Het is het centrale dilemma van de familie Enache – en vrijbuiters in het algemeen – dat Ciorniciuc vervat in een beeldende vertelling, waarin vissen en het eten of verkopen daarvan een symbolische lading krijgt. Als manier van in contact blijven met de natuur, als product om in het eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en als activiteit die in de bewoonde wereld alleen op afgesproken plekken geoorloofd is. Het komt allemaal samen in een film die inmiddels diverse filmprijzen won, waaronder de Cinematography Award op het Amerikaanse Sundance Film Festival.

Bart En De Steen Die Terug Naar Huis Ging

VPRO

Het lijkt een typische MacGuffin, een term die naar verluidt ooit werd geïntroduceerd door meesterregisseur Alfred Hitchcock: het object dat of de gebeurtenis die een film echt in gang zet. Het complot om de wereld te vernietigen dat James Bond moet zien te verijdelen. De Bijbelse Ark Des Verbonds waarvoor Indiana Jones zijn leven op het spel zet. Enne… , in dit geval, de Drentse steen, die na 200.000 jaar eindelijk wel eens terug naar huis wil, ergens in het hoge noorden. Een stukje Finland, om precies te zijn, waar ze toevallig vooral Zweeds spreken.

Een steen met heimwee, zogezegd. Door een gletsjer aan zijn moedersteen ontrukt tijdens de voorlaatste ijstijd. Althans volgens de held in kwestie, Bart Eysink Smeets. Hij is van plan om één van die zwerfkeien naar huis te begeleiden. Zo begint in Bart En De Steen Die Terug Naar Huis Ging (53 min.) een gevecht op leven en dood, bij wijze van spreken dan, met ambtenaren, commissies, douaniers en de ondernemers van de Drentse ‘hunebedhoofdstad’ Borger.

En dan zijn er nog natuurwezenopstellers. Een man belt op dat Eysink Smeets een grote fout maakt ‘als hij voor de steen beslist dat hij heimwee heeft’. Hij moet de steen zelf aan het woord laten, vindt Ferry van der Loos, die (natuurlijk) zelf wel even met de steen zou kunnen praten. ‘Vet!’ meent Tom Eysink Smeets, Barts broer die de hele onderneming filmt. ‘Dan gaan we met de steen praten.’ De held sputtert tegen: ‘Maar wat als de steen niet wil?’

Er is maar één manier om daar achter te komen. En dus besluit Bart Eysink Smeets – oh ja, hij is kunstenaar – om ook dit obstakel te gaan nemen tijdens zijn surrealistische queeste. Het gaat immers om de reis, niet om de bestemming. Daarbij lijkt overigens altijd een camera aanwezig. Is het niet die van Tom, dan van een plaatselijk medium (en dan bedoel ik, voor de duidelijkheid, dus geen paranormaal begaafde steengenezer).

Voor officiële gelegenheden, zoals een afscheid met plaatselijke notabelen, trekt de altijd montere Bart zelfs een blits pak aan, als het niet anders kan gewoon op het toilet van de trein. Het zijn de momenten waarop de besmuikte glimlach, waarmee buitenstaanders deze absurde tocht nu eenmaal onvermijdelijk begeleiden, zowaar plaatsmaakt voor een harde hinnik. Want deze heldhaftige reddingsactie van een verweesde zwerfkei behoudt te allen tijde zijn luchtige karakter.

En aan het eind van deze ontzettende leuke film heeft de Drentse evenknie van James Bond de wereld dan misschien niet gered en in navolging van de snoodaards in Indiana Jones ook geen wereldheerschappij verkregen, maar wel degelijk, vrij naar Bram Vermeulens toepasselijke evergreen De Steen, een steen verlegd op aarde. ‘Nu weet ik dat ik nooit zal zijn vergeten.’

Bart En De Steen Die Terug Naar Huis Ging is hier te bekijken.

Bloody Nose, Empty Pockets

‘Ik ben er trots op dat ik pas alcoholist ben geworden toen ik al een totale mislukking was’, zegt vaste klant Michael, een voormalige acteur die tegenwoordig schoonmaakt, met de nodige zelfspot tegen Marc, een beer van een vent met een lange baard die achter de bar staat in de kroeg Roaring 20s te Las Vegas. ‘Want alcoholistische mislukkelingen zijn saai. En ik heb eerst mijn leven sober naar de kloten geholpen en ben pas daarna naar jou gekomen.’

De tent gaat echter sluiten. Bloody Nose, Empty Pockets (99 min.) is de weerslag van de allerlaatste avond. De broers Bill en Turner Ross observeren de gezelligheidsdieren, misfits en drankorgels die zich dagelijks/wekelijks verzamelen in deze Amerikaanse variant op café Vergane Glorie in Nergenshuizen, waar de vaste cheesy golden oldies, discohitjes en schuifelsongs soms worden onderbroken door Marc, die op zijn akoestische gitaar een meezinger speelt.

Het is niet moeilijk om de kroeg en zijn tijgers in de armen te sluiten. Bruce, een donkere Vietnam-veteraan die zich in de steek gelaten voelt, heeft er een thuis gevonden omdat verder toch niemand zijn ‘ass’ wil. Pam, een vrouw met ‘great titties’ voor iemand van zestig, verloor haar zoon en gaat nu soms he-le-maal los. En de struise eigenaresse Shay heeft ’s avonds een dubbele taak: zowel de stamgasten als haar tienerzoon in het gareel zien te houden.

Als de nachtelijke uurtjes worden bereikt – en de drank in de man en de wijsheid in de kan raakt – gaan alle remmen los en leggen de drinkebroers en -zussen het masker af, waarmee ze overdag hun pijn en verdriet proberen te verbergen. Roaring 20’s wordt zo het toneel voor slap geouwehoer, dansjes, dronkemanspraat, ruzies en geflirt. Iedereen die wel eens nuchter is gebleven op een avond waarop anderen (veel) te diep in het glaasje keken weet wat je dan te zien krijgt.

En dan, als je op zoek naar de naam van die sympathieke oude hippie aan de bar (Lowell) eens wat gaat lezen over deze authentieke fly on the wall-film, blijkt dat Roaring 20s niet in Las Vegas is gevestigd, maar in New Orleans. En dat de mensen van vlees en bloed, van wie je een heel klein beetje ging houden – al zou je er ook niet direct naast gaan zitten aan de bar – acteurs zijn. Althans, soort van. Figuranten in een real life-variant op de klassieke tv-serie Cheers.

De gebroeders Ross hebben hun hoofdrolspelers gescout in het barcircuit van Las Vegas en vervolgens samengebracht in een café aan de andere kant van het land. Ze kenden elkaar nauwelijks, maar bouwden in de ruim 18 uur dat er werd gefilmd een band met elkaar op. Ze begonnen zich, kortweg, te gedragen zoals altijd, inclusief drankinname. En de filmende broers gooiden soms een kwartje in de jukebox of introduceerden een nieuw personage.

Dat klinkt in eerste instantie wellicht als een dubieus sociaal experiment of plat reality-programma, maar werkt eigenlijk wonderwel. Ook doordat de broers stuk voor stuk hart-op-de-tong types hebben gecast, die in het met spiegels volgehangen barretje bovendien geen ruimte krijgen om de anderen, of zichzelf, te ontwijken. Binnen een volledig geënsceneerde omgeving laten de hoofdpersonen van Bloody Nose, Empty Pockets zo toch hún waarheid zien.

Epicentro

Cargo Film

Een speelbal van grotere machten. Eerst eeuwenlang van kolonisator Spanje. En toen, – na een mogelijk slinks geframede explosie op het Amerikaanse oorlogsschip USS Maine in 1898 en de navolgende Spaans-Amerikaanse oorlog – van de nieuwe wereldmacht, de Verenigde Staten. Enkele Cubaanse kinderen kunnen er een kleine eeuw later gedetailleerd over vertellen. De verhalen van kolonialisme en imperialisme zijn er, onder het communistische bewind van Fidel Castro, ingestampt.

Ze hebben er ook letterlijk beeld bij gekregen van de autoriteiten. De gebeurtenissen speelden zich af in de tijd dat ook cinema, ‘de machine van dromen’, werd geboren. Een medium, waarmee de waarheid gemakkelijk is te manipuleren. Want de zogenaamde Rough Riders van de Amerikaanse president Teddy Roosevelt, waren die niet gewoon gemodelleerd naar het rondreizende circus van de wild west-held Buffalo Bill? En zouden de beelden van de explosie op het schip ook met speelgoedscheepjes en de rook van een sigaar in een badkuip kunnen zijn gemaakt? Film leent zich nu eenmaal uitermate goed voor propaganda.

Al die elementen klutst de Oostenrijkse regisseur Hubert Sauper, die eerder met Darwin’s Nightmare en We Come As Friends schrijnende films maakte over de gevolgen van een geglobaliseerde wereld voor de bewoners van ontwikkelingslanden, samen in Epicentro (108 min.), dat tamelijk ongericht door heden en verleden van Cuba’s relatie met de buitenwereld doolt. De documentaire over de voortdurende druk van buitenaf, gesymboliseerd door de woeste golven die aan het begin en het eind van de film het Cubaanse strand bestormen, werd op het Sundance Festival nochtans met een speciale juryprijs beloond.

Saupers camera meandert door Havana, laat zich meevoeren door stadsbewoners en vergaapt zich net als toeristen, de nieuwe ‘indringers’, aan de coleur locale van het Caribische eiland, dat ooit door Christopher Columbus werd beschouwd als de poort naar een nieuwe wereld en tegenwoordig vooral dealt met de erfenis van ruim een halve eeuw Amerikaanse boycot. Twee tienermeisjes – onder wie de mediagenieke Leonelis, die actrice wil worden en net zo beroemd als Beyoncé – krijgen daarbij zijn speciale aandacht en fungeren als hart voor dit losse portret van een land in transitie, dat altijd met één oog naar de bemoeizuchtige bovenbuur kijkt.

Centen Van Knegsel

BNNVARA

Een ouder echtpaar, netjes naast elkaar gezet(en) op een groene bank. In hun traditionele woning in het Brabantse dorp Knegsel. Het zijn de grootouders van Marieke Widlak. Ze worden ook bevraagd door hun kleindochter. Over het liefdadigheidswerk dat ze al bijna een halve eeuw verrichten: sponsorlopen, fancy fairs, kerstbomenacties en benefietdiners, zodat Indiase kinderen kunnen leren en studeren. Een missie die ze nu graag zouden overdragen aan Marieke. Maar die twijfelt.

En dat is de basis voor haar korte documentaire Centen Van Knegsel (25 min.). Want waarom maken Jo en Marijn Widlak zich nu werkelijk sterk voor het project van hun Indiase vriend Christopher Bara? En heeft dat eigenlijk wel nut? Nadat ze een spelletje kaart heeft gewonnen in de huiskamer, geeft oma Jo een eenvoudige verklaring voor haar inzet voor dat goede doel ver van huis. ‘Als je geen goede kaarten krijgt, al ben je nog zo slim, dan kom je er toch niet uit.’ En dus is het belangrijk dat je elkaar de helpende hand toesteekt.

Bij zulke scènes ligt het er soms nét iets te dik bovenop dat Marieke haar opa en oma voor de camera in een gewone, doordeweekse situatie heeft gemanoeuvreerd, om hen daar een statement of ontboezeming te ontlokken. De film eindigt zelfs met een soort Surprise Show-moment. Dat doet een beetje afbreuk aan de relevante vragen die ze wel degelijk, via haar grootouders, aan zichzelf stelt. Is zij, als vertegenwoordiger van een generatie die ’99 procent van de tijd’ aan zichzelf denkt, misschien degene waarmee eigenlijk iets mis is?

Dat zelfonderzoek, waarbij opvallend genoeg de rol van haar eigen ouders geheel onbelicht blijft, behoort tot het sterkste deel van deze film, die uiteindelijk toch een soort eerbetoon wordt aan twee wereldverbeteraars op leeftijd. Ze lijken soms misschien niet meer helemaal van deze tijd, maar bij deze ouderwetse idealisten is dat in feite een compliment. En voor Marieke zelf lijkt intussen het bijbehorende adagio ‘verbeter de wereld, begin bij jezelf’ op te gaan.

Voorbij De Zee

EO

Veertig jaar na dato werd het notitieboekje gevonden. Van de reis die een jonge Sovjet-schrijfster in 1973 ondernam. Ze deed research voor haar eerste sciencefictionroman. Op de kaft van het boekje staan geografische coördinaten die in de richting van Drenthe wijzen. Naar een stad die toentertijd het toonbeeld van de maakbare samenleving was: Emmen.

‘Gisteren kwam ik aan op mijn utopische eiland’, noteerde deze Valentina B. ‘Het bestaat hier echt, in de westerse wereld.’ Haar woorden lopen als een rode draad door Voorbij De Zee (27 min.). ‘Op deze schijnbare afgelegen plek ligt een stad, geïnspireerd op socialistische waarden. Ze noemen het “Wonderstad”. Een open, groene stad met een dorps gevoel.’

In het kielzog van de schrijfster dwaalt regisseur Anastasija Pirozenko nu door de hedendaagse versie van deze stad, een plaats die tijdens de wederopbouw was voorzien als een dorpse plek met stedelijke voorzieningen. De Emmense woonerven trokken destijds internationaal de aandacht, maar wat is daarvan nu nog over? Veel bewoners sluiten zich op in hun eigen woning.

‘Of het ooit nog een keer een organisch geheel wordt, ik weet het niet’, zegt een voormalige stadsplanner, terwijl hij de toenmalige schetsen voor de gedroomde groene wijken nog eens bekijkt. ‘Is er nog voldoende animo voor al die huizen die ze hier neergeplant hebben?’ Zijn collega reageert: ‘Het is net alsof er geen cohesie meer is tussen de mensen.’

Alle bewoners die Pirozenko in deze poëtische rondgang door de Drentse droom opvoert, waaronder twee Servische vrouwen die een kleine halve eeuw geleden in de plaatselijke nylonfabriek zijn gaan werken, worden nooit meer dan passanten. Pionnen in het woorden- en beeldenspel van de filmmaakster. Zoals ze dat in wezen ook ooit waren voor de mannen achter het sociale experiment.

‘Hoe langer ik hier ben, hoe meer ik denk dat idealisme niet het toevluchtsoord is waar de huidige wereld naar zoekt’, constateert de (fictieve?) schrijfster Valentina B aan het eind van deze nederig stemmende korte documentaire dan ook mismoedig. ‘Utopia is een non-plaats.’ Ze laat een korte stilte vallen. ‘Ach, we leven allemaal in de belofte van een droom.’

When You Hear The Divine Call

VPRO

‘De mens lijkt op de aarde’, zegt een nette Nederlandse vrouwenstem in de openingsscène bij beelden van het Afrikaanse platteland. ‘En keert uiteindelijk ook terug naar diezelfde aarde.’ De titel van de film verschijnt in beeld: When You Hear The Divine Call (20 min.). Donkere mannen trommelen bij een vuur. ‘We komen via hetzelfde proces op deze wereld’, constateert een Afrikaanse stem. Bliksem. Hij vervolgt: ‘Ik hoop dat je de goddelijke roeping hoort. Alle creaties in dit universum zijn gelijk voor de schepper.’

Één van die schepselen zit in het volgende shot, gewoon in Nederland overigens, met een tutje in zijn mond in een stoeltje. Het is Genson, het pasgeboren neefje van documentairemaker Festus Toll. Hij luistert naar een wiegenliedje. <Rewind> Naar beelden van Tolls oom Mike, die in 1993 aan het strand in Kenia een blowtje rookt. Hij vertrok op zijn 22e naar Europa en besloot onlangs terug te keren naar Afrika. Neef Festus reist hem nu achterna, op zoek naar wat hen als drie verschillende generaties Afrikaanse Europeanen bindt en bepaalt.

Fundamentele vragen over identiteit spelen daarbij op: wie ben ik? Waar kom ik vandaan? En (hoe) bepaalt dit waar ik naartoe ga? Dat klinkt concreter dan het in When You Hear The Divine Call wordt. Deze korte documentaire, thematisch een logisch vervolg op Tolls debuutfilm We Will Maintain, weigert ten enen male om een lineair opgebouwde zoektocht naar zoiets elementairs als ‘thuis’ te worden, maar overkomt de nietsvermoedende kijker eerder als een desoriënterende koortsdroom. Waarbij de filmmaker zijn publiek slechts beperkt houvast geeft en zelf de mogelijke antwoorden laat construeren.

Cannabis

KRO-NCRV

Hij is een wat tragische ‘poster boy’ geworden voor het Nederlandse softdrugsbeleid: Johan van Laarhoven, de grote man van de coffeeshopketen The Grass Company. In 2014 werd de Brabander gearresteerd in Thailand. Hij zou voor jaren achter de tralies verdwijnen en moest zien te overleven in ronduit erbarmelijke omstandigheden. Het initiatief voor zijn aanhouding zou volgens zijn broer en compagnon Frans en z’n advocaten Gerard Spong en Sidney Smeets zijn gekomen vanuit het drugsgidsland Nederland. Iets wat door het Openbaar Ministerie dan weer wordt genuanceerd.

De zaak Van Laarhoven loopt als een rode draad door de zesdelige serie Cannabis (304 min.) waarin Arjen Sinninghe Damsté stijlvol door de geschiedenis van het Nederlandse softdrugsbeleid zwiert. Van het hippiefestival Kralingen en de allereerste Amsterdamse coffeeshops tot de hedendaagse wietzolders, internationale cannabisindustrie en medicinale wiet. In de tussenliggende jaren is er altijd reuring geweest rond het vaderlandse gedoogbeleid. Was het niet de aanhoudende kritiek vanuit Amerika, waar al decennia een ‘war on drugs’ wordt uitgevochten, dan ontstond er wel een enorm schandaal rond het feit dat politie en justitie enorme hoeveelheden drugs bleken te hebben doorgelaten, de zogenaamde IRT-affaire.

Cannabis geeft crimefighters het woord, maar focust zich vooral op de vrije jongens die ooit besloten om een boterham te gaan verdienen met hashhandel. Zij zouden stelselmatig worden gemangeld tussen de steeds steviger optredende overheid en de altijd weer brutaler denkende georganiseerde misdaad. Zo kreeg Henk de Vries, eigenaar van de befaamde coffeeshop The Bulldog, tussen de invallen van de politie en belastingdienst door bijvoorbeeld ineens bezoek van ene Klaas Bruinsma. Het criminele kopstuk kondigde doodleuk een vijandige overname van de coffeeshop aan. Niet veel later werd Bruinsma geliquideerd. De Vries had er niets mee van doen, zegt hij. ‘Ik moet er enkel bij zeggen: ik was op dat moment wel bereid om het te doen. Iemand anders heeft mijn probleem opgelost.’

Met zulke verhalen uit alle uithoeken van de softdrugswereld dringt Cannabis, lekker sjiek gefilmd en verlevendigd met bijzonder fijn archiefmateriaal, door tot het hart van een business die zich noodgedwongen op het snijvlak tussen legaal en illegaal afspeelt. Een sleutelrol is daarbij weggelegd voor de joyeuze verteller Tom Vermeir. Met losse, informele voice-overs, die qua toonzetting doen denken aan de series Schuldig en Stuk, en het nodige kunst- en vliegwerk houdt hij de verschillende verhaallijnen en personages bij elkaar. Vermeir moet ook steeds de verbinding leggen met de zaak Van Laarhoven, waarin Nederlands dubbelhartige houding tegenover softdrugs, vervat in die ene multi-interpretabele term ‘gedogen’, nog eens goed onder het vergrootglas komt te liggen.

De kwestie rond de Brabantse coffeeshophouder claimt gaandeweg steeds meer ruimte. Als in de slotafleveringen de vraag op tafel komt of Van Laarhoven naar Nederland kan worden gehaald (en of hij hier dan nog de rest van zijn straf moet uitzitten), schaart Sinninghe Damsté zich bovendien heel nadrukkelijk aan zijn kant en krijgt het Openbaar Ministerie ondubbelzinnig de schurkenrol toebedeeld. Het is een laatste akte die deze ambitieuze serie enigszins uit het lood trekt.

The Social Dilemma

Netflix

‘Toen ik daar werkte had ik echt het gevoel dat we met iets goeds bezig waren’, zegt de voormalige toptechneut van Twitter. ‘Nu weet ik dat niet meer zo zeker.’

‘Ik maak me ernstige zorgen’, vult de mede-uitvinder van onder meer Google Drive en de like-knop van Facebook aan. ‘Grote zorgen.’

‘Het is gemakkelijk om uit het oog te verliezen dat deze tools zijn gemaakt om mooie dingen te doen in de wereld’, zegt een voormalige leidinggevende bij zowel Facebook als Pinterest. ‘Ze hebben verloren familieleden herenigd en orgaandonoren gevonden. Er zijn overal ter wereld ingrijpende veranderingen geweest dankzij deze platforms. We waren alleen naïef wat betreft de andere kant van de medaille.’

In The Social Dilemma (95 min.) luiden voormalige medewerkers van techgiganten de noodklok: hun geesteskinderen dreigen een monster van Frankenstein te worden, dat de samenleving grondig zou kunnen ontwrichten. De kern van hun betoog zit misschien wel in die ene eenvoudige constatering: als je niet betaalt voor het product, dan bén je het product. Ofwel: in werkelijkheid bestaat de klantenkring van social media uit adverteerders en zijn normale gebruikers niets meer dan koopwaar. Die mogen dus naar hartenlust worden verhandeld en beïnvloed, ook als dat ten koste gaat van hun persoonlijke welzijn of de sociale cohesie in de wereld waartoe ze behoren.

Die alarmerende boodschap is natuurlijk al vaker afgegeven, maar wordt hier ook echt gestut met ‘daderkennis’ vanuit de onderbuik van Big Tech, waar psychologische inzichten worden gebruikt/misbruikt om het publiek volledig verslaafd te maken aan hun product. Met alle maatschappelijke gevolgen van dien: van vereenzaming en depressies tot stammenoorlogen en samenzweringstheorieën. Regisseur Jeff Orlowski vervlecht de bijbehorende doemscenario’s van deze insiders met een fictief en tamelijk clichématig verhaaltje over een jongen die via sociale media langzaam in zijn eigen echoput dondert.

De kwade genius daarachter, die van gewone stervelingen willoze laboratoriumratten maakt, krijgt bovendien letterlijk een gezicht via acteur Vincent Kartheiser (Pete Campbell uit de serie Mad Men). Vanuit een soort controleruimte, die zomaar een decorstuk van Star Trek had kunnen zijn, manipuleert hij de protagonist alle kanten op. Dat eendimensionale Hollywood-verhaallijntje akkedeert niet helemaal met de toon en boodschap van het documentairedeel. Want deze film wil wel degelijk een serieuze oproep doen tot een ethisch reveil bij Big Tech. Vooralsnog lijken de Zuckerbergs van deze wereld daarvan alleen nog niet echt warm of koud te worden.