We Zien Ons

Allerzielen in Lindenheuvel / Human

We zien ons. Als in: tot de volgende keer. En: we houden elkaar in het oog. Een treffende titel voor deze zesdelige documentaireserie van Deborah van Dam. Het eroderen van sociale verbanden, en stiekem de kop opstekende eenzaamheid, vormt de onderlegger voor dit portret van de Geleense volkswijk Lindenheuvel. De mijn is gesloten, de kerk loopt leeg en de harmonie heeft een ledentekort. Het is een decor dat je met documentairemaker Hans Heijnen associeert. Hij maakte al diverse fraaie films over Limburg, zoals Bewakers Van Bemelen en Bokken En Geiten.

We Zien Ons (210 min.) volgt eerder het spoor van de succesvolle miniseries Schuldig (over verborgen armoede in een Amsterdamse wijk) en Stuk (over hoe patiënten in een revalidatiecentrum omgaan met het lot dat hen is toebedeeld): het wel en wee van enkele sleutelfiguren uit een kleine gemeenschap moet een grotere thematiek inzichtelijk maken. Die krijgt ditmaal vaste gezichten zoals een voormalige mijnwerker (die kortademig mijmert over zijn koempels), het typische buurtmeisje Alyza (dat de wijk wil verlaten voor een droombaan in het buitenland), de voetbaltrainer (die een surrogaatfamilie heeft gevonden bij de club), meneer pastoor (voor wie elke parochiaan er tegenwoordig één is) en de uitbaatster van de lokale kroeg (die als een moederkloek over de wijk waakt).

Een alwetende verteller voorziet hun lotgevallen van kleur en context. Het is de beschermheilige Sint Barbara, waarvoor schrijfster/dramaturge Katja Schoondergang de voice-over tekst verzorgde. De keuze om een dominante stem met een eigen signatuur toe te voegen aan de alledaagse beslommeringen van gewone mensen – die ook de makers van Schuldig (waarbij Schoondergang eveneens betrokken was) en Stuk (waarin regisseur Jurjen Blick een literaire toon zocht en vond) al maakten – voelt hier wat gekunsteld. Ook omdat deze Sint Barbara toch echt Algemeen Beschaafd Nederlands spreekt. Het plaatst haar op afstand van de gebeurtenissen (maar wellicht was dat ook de bedoeling: de blik van een buitenstaander op een hechte gemeenschap). Insider Hans Heijnen zou vast op zoek zijn gegaan naar een Limburgse stem.

’Ik denk dat ik in Lindenheuvel wil blijven’, zegt de jongeling Ayoub met onvervalst Limburgse tongval tegen Alyza, die op het punt staat om definitief naar Griekenland te verkassen. ‘Stel dat ik ooit ga verhuizen, dan naar een andere straat.’ Als kind van een mijnwerker is Ayoub geboren en getogen in Lindenheuvel, maar voor sommigen blijft hij gewoon een Marokkaan. Zo verhaalt We Zien Ons (tagline: over achterblijvers en doorzetters) niet alleen over een verdwijnende manier van leven, maar ook over nieuwe verbanden en veranderende verhoudingen. En net als de kerk heeft de lokale moskee te kampen met een afnemend aantal praktiserende gelovigen.

Het zijn kleine menselijke verhalen, fraai gefilmd en aangekleed met weelderige muziek, die Van Dam hier opdist: over de manier waarop mensen in tijden van verandering toch een oogje op elkaar proberen te houden. Anders wacht, zo lijkt de impliciete boodschap, de eenzaamheid van het beeldscherm. Het niveau van Schuldig en Stuk haalt We Zien Ons vooralsnog niet in de eerste twee afleveringen die ik heb gezien – ook omdat publiekslievelingen zoals Dennis van de Dierenwinkel of Daan Buringa lijken te ontberen – maar de serie geeft treffend een menselijk gezicht aan een gecompliceerd maatschappelijk thema.

63 Up

Kun je in het kind al de latere volwassene zien? Die vraag legt filmmaker Michael Apted ditmaal letterlijk voor aan zijn inmiddels 63-jarige hoofdpersonen. Ze antwoorden eigenlijk stuk voor stuk bevestigend. Het was ooit ook het startpunt van deze epische documentaireserie in 1964: kun je al op zevenjarige leeftijd zien wie of wat een kind later zal worden? Apted heeft de jongens en meisjes van toen sindsdien elke zeven jaar opgezocht met de camera.

Ruim een halve eeuw later laten ze zich bijna allemaal opnieuw door hem portretteren. Je zou kunnen betogen dat dit relatief oppervlakkig gebeurt: relatie, kinderen, werk, hobby’s en de toekomst. Het wordt allemaal aangeraakt, maar echt diep erop ingaan is er niet bij. Een mensenleven wordt gecomprimeerd tot een minuut of tien. Tegelijkertijd is dat wellicht ook de kracht van de invloedrijkste documentaireserie aller tijden. In wezen ging het nooit over deze specifieke hoofdpersonen. Zij zijn niet meer dan tamelijk willekeurige representanten van een generatie, ooit bijeengebracht omdat ze de Britse klassenmaatschappij aardig weerspiegelden.

‘Het is geen portret van wie Nick is’, zegt Nick Hitchon, die als wetenschapper carrière maakte in de Verenigde Staten. ‘Het is een portret van ons allemaal. Het gaat over hoe een mens, elk mens, verandert.’ Hij is inmiddels ernstig ziek en laat zich in 63 Up (141 min.) van zijn kwetsbaarste kant zien. ‘De serie is extreem belangrijk voor mij en lijkt ook voor anderen iets te betekenen’, zei hij al op 49-jarige leeftijd. ‘Dat maakt het echter niet gemakkelijk. Ik kan echt niet uitleggen hoe het je emotioneel helemaal leeg trekt om de interviews en filmopnames te doen. En dan doe ik voor mezelf nog alsof er helemaal niemand kijkt.’

Ook in deze aflevering verbindt regisseur Apted, zelf inmiddels tegen de tachtig, bekende oude fragmenten met nieuwe interviews en scènes. Het zevenjarige straatschoffie Tony Walker vloeit bijvoorbeeld naadloos over in een wildebras van 21 die uit de penarie moet zien te blijven, de veertiger met huwelijksproblemen en nu een man die de pensioengerechtigde leeftijd nadert en zijn keuze voor het Brexit betreurt. De taxichauffeur draagt het hart nog altijd op de tong, andere vaste Up-gasten opereren gereserveerder en laten het achterste van hun tong echt niet zien. Tegelijkertijd vertellen hun uiterlijk, partner, gezinssituatie, huis en werk alles wat we eigenlijk zouden willen – of moeten – weten.

Elke aflevering van de Up-serie behandelt de kernvragen die ieder mens dient te beantwoorden in een bepaalde levensfase. In 63 Up zit de carrière er bijna op, is het huis een heel eind afbetaald en zijn de kinderen nu echt de deur uit, zodat voorspelbare thema’s in beeld komen: ziekte, pensionering én de dood. En Magere Hein heeft inderdaad al eens toegeslagen in de Up-rangen. Enkele jaren na 56 Up kwam één van de hoofdpersonen plotseling te overlijden. Nabestaanden zetten nu een persoonlijke punt achter een heel gewoon, maar publiek geleefd bestaan, dat in zekere zin groter is geworden dan een mensenleven eigenlijk kan zijn.

70 Up, dat bij leven en welzijn van Michael Apted en zijn subjecten, in 2026 het licht zou moeten zien, bevat ongetwijfeld nog meer dramatische verhalen. Want zelfs het leven van mensen die altijd een beetje zeven zullen blijven, begint nu stilaan zijn slotaflevering(en) te naderen.

Man With A Movie Camera

Ik geloofde mijn ogen niet en spoelde even terug. Had ik in die sequentie over leven en dood, te midden van een huwelijksceremonie, publieke uitvaart en het (met afgeschermd gezicht) tekenen van de scheidingspapieren, werkelijk gezien hoe een vrouw haar kind krijgt? Nee, de baby blijkt al te zijn gebaard. Alleen de navelstreng moet nog worden doorgeknipt.

Het is niettemin een erg expliciete scène. Negentig jaar na dato kun je zo als argeloze kijker nog altijd van de ene in de andere verbazing vallen bij Man With A Movie Camera (99. min.) uit 1929. De stomme film van Dziga Vertov portretteert via een alom tegenwoordige cameraman en zijn (veelal verborgen) mechanische oog het dagelijks leven in Sovjetsteden als Moskou, Kiev en Odessa. Van zonsopgang tot zonsondergang.

Behalve ‘a slice of life’ uit een verloren wereld offreert Vertov, zonder duidelijke verhaalstructuur of uitgewerkte personages, echter vooral een keur aan revolutionaire film- en montagetechnieken die in de navolgende decennia een vanzelfsprekend onderdeel zullen worden van onze beeldtaal; van slow- en fast motion tot split screen, (extreme) close-ups en de vreemdste kadreringen. En al die elementen worden met ongelooflijk veel vaart, schwung en oog voor detail uitgeserveerd.

Destijds, in de begindagen van het nieuwe medium, begrepen ze er naar verluidt weinig van. De avant-garde documentaire Man With A Movie Camera werd door critici afgeserveerd als een typisch geval van vorm boven inhoud. Pas later kwamen de erkenning en bewondering. En een vaste plek in elk zichzelf respecterend overzicht van de beste documentaires aller tijden.

Voor een cinematografisch hoogstandje dat, zeker met de meeslepende moderne soundtrack erbij die The Cinematic Orchestra in 2003 maakte, nog altijd een lust voor oog en oor blijkt. Vertovs experimentele film is niet minder dan een uitbundige viering van wat cinema is – en in die tijd: zóu kunnen zijn. Een venster naar de toekomst van film, documentaire in het bijzonder, waarin de kunstvorm naar alle windstreken zal uitwaaieren. 

Samar, Vliegen We Of Vallen We?

‘Hoe heet dat boek ook alweer met die gorilla?’ vraagt een jongen met lang rastahaar aan het gezelschap waarmee hij ‘s avonds gezellig wat zit te drinken. ‘Ismaël’, antwoordt een ander. De borrelaars behoren tot de nieuwe generatie van de ‘sociaal-anarchistische kibboets’ Samar. De jongen vervolgt: ‘In het begin heeft hij het over de mensheid. En daarin vergelijkt hij die met proberen te vliegen door van een rots af te springen. In het begin denk je nog dat je vliegt, maar tegen de tijd dat je beseft dat je valt in plaats van vliegt is het al te laat.’

Hij kijkt naar de anderen: ‘Hebben we dat punt bereikt?’ Zij snappen direct wat de jongen bedoelt. Het verhaal is een treffende metafoor voor hun eigen leefgemeenschap, die in 1976 werd opgericht door een verzameling gelijkwaardige partners. Zij wilden zonder hiërarchie gaan leven. De kibboets is inmiddels flink aan het vergrijzen, heeft te maken met een richtingenstrijd en kampt met een behoorlijke schuld. Ofwel: Samar, Vliegen We Of Vallen We? (53 min.). Daarbij is het de vraag of ze strikt moeten vasthouden aan hun oude idealen of ook nieuwe invloeden, en de bijbehorende bewoners, moeten toelaten.

De verwikkelingen in de Israëlische woongroep doen sterk denken aan hoe het er in een gemiddelde Nederlandse commune of leefgemeenschap aan toe gaat: de praktijk van het samenleven blijkt nogal eens weerbarstiger dan de theorieën daarover. Bij belangrijke beslissingen mogen/moeten bijvoorbeeld alle honderd bewoners meestemmen. De huisvergaderingen dreigen daardoor stroperige, soms moedeloos makende marathonsessies te worden, waarin de echte vergadertijgers uiteindelijk zegevieren. ‘We gaan nu stemmen of we via een referendum gaan stemmen’, klinkt het op een gegeven moment. Het is niet bedoeld als grap. Even later gaan de stembriefjes rond.

Het leven in een groter sociaal verband vereist serieuze inspanning, continue afstemming en soms ook een olifantenhuid, laat filmmaker Dikla Zeidler in deze sfeervolle documentaire zien. Ze observeert de bewoners van het ‘sociaal laboratorium’ rond de dadeloogst, de voornaamste inkomstenbron van de kibboets die al enige tijd onder druk staat, en gaat in gesprek met drie van hen (een oudgediende die streng in de leer blijft, een ‘realo’ met een praktische instelling en een aspirant-bewoner die het vooral een fijne woonplek vindt en bovendien nog moet worden goedgekeurd door de huisvergadering).

Het is alsof je als kijker ongegeneerd naar binnen mag gluren bij de buren. En zoals bij elk sociale eenheid komt er soms kunst- en vliegwerk aan te pas of moet er worden gepraat als brugman om de boel bij elkaar te houden. Want samenleven, ook vanuit een maatschappelijk ideaal, is en blijft inderdaad een kwestie van vallen, weer opstaan en opnieuw proberen te vliegen…

The Yes Men

Als je de grootst mogelijke onzin maar op gezaghebbende toon verkondigt, is die vaak nauwelijks te onderscheiden van de enige echte waarheid. Voorbeelden in de politiek en media te over. Zelden is dat basisidee echter doeltreffender én grappiger in de praktijk gebracht dan door The Yes Men, twee antiglobaliseringsactivisten die zich in het openbaar met veel succes voordoen als hun strak in het pak zittende, ideologische opponenten.

Het is allemaal begonnen met het bemachtigen van een internetdomeinnaam die op het eerste gezicht van de toenmalige Amerikaanse president George W. Bush lijkt te zijn. Daarop plaatsen Jacques ’Andy Bichlbaum’ Servin en Igor ’Mike Bonanno’ Vamos een officieel ogende website en doen het in hun ogen werkelijke beleid van de Republikeinse politicus uit de doeken. Als Bush in interviews vervolgens met die pijnlijke waarheden wordt geconfronteerd, realiseren The Yes Men (82 min.) zich dat ze hun modus operandi hebben gevonden.

Met de website www.gatt.org, een domeinnaam die van de wereldhandelsorganisatie WTO had kunnen zijn, boren de beroepsactivisten vervolgens opnieuw een publicitaire goudmijn aan. Gewiekst fabriceren ze een ogenschijnlijk authentieke website voor de World Trade Organization, een organisatie die zij beschouwen als een zielloze spreekbuis van Het Grote Geld. Niet veel later stromen de verzoeken, klachten én uitnodigingen binnen. En met name die invitaties zijn natuurlijk onweerstaanbaar voor The Yes Men, die maar wat graag in de openbaarheid treden met hun satirische statements.

Nadat Bichlbaum bij een congres in Salzburg als ‘officiële’ WTO-vertegenwoordiger een bevlogen betoog heeft gehouden over het aan de hoogste bieder veilen van stemmen bij de Amerikaanse verkiezingen, om zo het hopeloos inefficiënte stemsysteem te verbeteren, krijgt hij geen enkel weerwoord. De seminargangers horen het onbewogen aan en lijken hem volstrekt serieus te nemen. Daarmee is het hek definitief van de dam en krijgen de plannen van The Yes Men een steeds doldriester karakter.

De filmmakers Chris SmithDan Ollman en Sarah Price leggen bijvoorbeeld met zichtbaar plezier vast hoe het ‘management leisure suit’, waarmee de topman van een multinational gemakkelijk zijn werknemers in ontwikkelingslanden in de gaten kan houden en toch lekker kan ontspannen, wordt ontwikkeld en gepresenteerd. Het ontwerp, een gouden pak waarop een enorme fallus met beeldscherm is bevestigd, wordt met verbazing begroet en gretig opgepikt door de media – essentieel voor de Yes Men-strategie.

Zo steken ze in deze activistische documentaire uit 2003, die met The Yes Men Fix The World (2009) en The Yes Men Are Revolting (2014) vooralsnog twee sequels heeft gekregen, uitbundig de draak met de neoliberale mindset, waarbinnen uiteindelijk alles z’n prijs heeft. Waarom is hongersnood in ontwikkelingslanden een probleem? staat er bijvoorbeeld bloedserieus op de powerpoint van een Yes Men-presentatie over de Reburger, een (meermaals) gerecyclede hamburger. Waarna een even ontluisterend als dolkomisch betoog volgt over hoe voedselgebrek voor eens en altijd uit de derde wereld kan worden geholpen.

Born Free

Het is nauwelijks voor te stellen dat er nu een nieuwe generatie Zuid-Afrikanen opgroeit die de sensatie (of paniek) van de vrijlating van Nelson Mandela in 1990 en diens presidentschap vanaf 1994 niet persoonlijk heeft meegemaakt. Inmiddels zijn er 25 jaar verstreken sinds ‘Madiba’ werd verkozen tot vader des vaderlands en staan er opnieuw democratische verkiezingen op het programma. Het verfoeide Apartheidssysteem is intussen definitief afgevoerd naar donkere bladzijden van het Zuid-Afrikaanse geschiedenisboek, maar is de scheiding tussen wit en zwart daarmee ook uit de haarvaten van het land verdwenen? Kun je na zoveel jaar ongelijkheid ineens gelijk zijn.

De veelvuldig bekroonde Nederlandse fotojournalist Ilvy Njiokiktjien, voormalig Fotograaf des Vaderlands, maakte een belangrijk deel van haar werk in Afrika en heeft zich nu ten doel gesteld om de zogenaamde ‘born frees’, de generatie die is geboren rond de afschaffing van de Apartheid en de beëdiging van de eerste zwarte president, te portretteren. In dat kader was er al een fototentoonstelling, die nog tot 16 juni is te zien in Museum Hilversum, en is er nu ook een documentaire: Born Free, Mandela’s Generatie Van Hoop (51 min.), samengesteld door Erik van Empel, waarin een aantal Zuid-Afrikaanse jongeren aan het woord komen.

‘Zuid-Afrika moest met een schone lei beginnen’, vertelt een blond meisje dat een relatie heeft met de zwarte jongen, die lekker tegen haar aanzit. ‘En die schone lei zijn wij.’ In haar herinnering van hun allereerste ontmoeting klinkt echter nog het aloude wantrouwen van wit tegenover zwart door. ‘Jij had een leuk gezicht. Ik had het gevoel dat ik je wel kon vertrouwen. Soms zie je iemand en dan denk je: jij hebt niet het gezicht van een moordenaar. Je weet wel: zo iemand die je gezicht eraf haalt en het als masker gaat gebruiken.’ Ze moeten er allebei om lachen. Hij, luchtig: ‘Op die basis ben ik goedgekeurd.’

Zo brengt Njiokiktjien heel verschillende vertegenwoordigers van de Born Free-generatie in beeld: van een gangsterrapper tot een witte kostschooljongen uit een bevoorrecht milieu, van een meisje dat op straat moet zien te overleven tot een helemaal van zichzelf overtuigde zakenjongen en van een überhippe influencer tot een diep-christelijk meisje uit een authentieke Afrikaner-familie. Via hun eigen ervaringen vertellen ze het verhaal van hun generatie en maken ze in deze aardige sfeertekening, die wel voor een belangrijk deel drijft op zit-interviews, tevens de balans op van 25 jaar democratie in Zuid-Afrika.

Piripkura

In de ogen van de kijker hebben de twee mannen allang een mythische status gekregen als ze na ruim 48 minuten eindelijk voor het eerst in beeld verschijnen. Pakyî en Tamandua, de laatste vertegenwoordigers van een compleet volk, de nomadenstam Piripkura (81 min.) Vooruit: Pakyî heeft ook nog een zus, Rita. Toen zo’n dertig jaar geleden vrijwel hun gehele familie werd uitgemoord door blanken, heeft zij het leven in het Braziliaanse regenwoud echter achter zich gelaten. Ze trouwde met een lid van een andere inheemse stam en ging in een normaal huis wonen in de deelstaat Mato Grosso.

Rita’s broer Pakyî is altijd gebleven waar hij was. Samen met zijn neef Tamandua. En het is alweer enkele jaren geleden dat het tweetal, dat afgezonderd in de jungle leeft, is gespot. Jair Candor, medewerker van de overheidsdienst voor bescherming van de inheemse bevolking, FUNAI, zet een expeditie op om vast te stellen of de twee mannen nog in leven zijn. Want dat is een voorwaarde om de beschermde status van hun stukje regenwoud weer voor twee jaar te verlengen. Houtzagerijen en boerenbedrijven staan al in de startblokken om het leefgebied van de Piripkura over te nemen.

De filmmakers Renata TerraBruno Jorge en Mariana Oliva vergezellen Candor, die zich al sinds eind jaren tachtig sterk maakt voor inheemse volkeren zoals de Piripkura, op zijn queeste om Pakyî en Tamandua te vinden en bewijs van hun bestaan te verzamelen. Dat is bepaald niet gemakkelijk. De mannen houden zich het liefst verre van de bewoonde wereld en laten zich bepaald niet zomaar vinden. En dat is niet vreemd: de Piripkura hebben louter slechte ervaringen met blanken. Te langen leste verschijnen de twee mannen toch ten tonele. De fakkel die ze sinds 1998 (!) brandende hebben gehouden is gedoofd. Ze hebben vuur nodig…

Pakyî en Tamandua ogen in alle opzichten als een bedreigde diersoort. Ze houden steeds een zekere afstand, zoeken lichamelijk voortdurend steun bij elkaar en zijn, zonder enige vorm van waarneembare schaamte, helemaal naakt. Meer dan een bijl en die gedoofde toorts hebben ze niet. Toch weten de mannen al jaren te overleven in het regenwoud en lijken ze kerngezond. De twee Pirpkura zijn duidelijk ook heel vertrouwd met elkaar – zie ze maar eens samen in een hangmat liggen. Communiceren met hen is echter verdraaid moeilijk. Ze hebben samen een soort koeterwaals ontwikkeld, dat zelfs Rita niet altijd kan ontcijferen, en willen bovendien het liefst meteen, met hernieuwd vuur, weer terugkeren naar hun natuurlijke biotoop.

Tijdens het International Documentary Festival Amsterdam werd Piripkura beloond met de Human Rights Award. ‘Met dit aangrijpende en bijzondere verhaal raken de filmmakers aan een brede reeks van kwesties die hoog op de wereldagenda voor mensenrechten zouden moeten staan’, aldus de jury. De zoektocht naar de ontwapenende mannen, dwars door een met veel oog voor detail vastgelegd tropisch regenwoud, en de tamelijk ongemakkelijke ontmoeting van Pakyî en Tamandua met Jair Candor, een man die toch echt het beste met hen voor heeft, heeft inderdaad een fascinerende film tot gevolg, die zowel ontroert als tot nadenken stemt.

Zien we hier, op de valreep vereeuwigd voor toekomstige generaties, daadwerkelijk De Laatste(n) Der Piripkura?

The Disciples – Een Straatopera

Een Amerikaanse documentaire over het maken van een opera met daklozen laat zich vooraf eenvoudig uittekenen: een uit het (hún) leven gegrepen verhaal. Gespeeld en gezongen door acteurs die eerst uit hun schulp moeten kruipen, daarna regelmatig hardhandig bij de les of tot de orde worden geroepen en uiteindelijk, als eigenlijk niemand het meer verwacht, zichzelf volledig ontstijgen. Met als bonus aan het eind, terwijl het ovationele slotapplaus wegsterft: het onvermijdelijke zelfrespect.

The Disciples: Een Straatopera (90 min.) is niet die film. Het is een documentaire over het maken van een voorstelling die speciaal voor de documentaire wordt gemaakt. Een voorstelling van Ramón Gieling, die is vervat in een documentaire van, juist, Ramón Gieling. Over het Droste-effect gesproken. Het is dan ook een weerbarstige film, met een hoofdrol voor de dramatisch getoonzette muziek van componist Boudewijn Tarenskeen. Een film ook, waarin fictie en non-fictie voortdurend worden verweven. Zodat je je als kijker afvraagt: wat is waar? Of had waar kunnen zijn?

‘De dakloze is een icoon van de onrechtvaardige samenleving’, vertelde Ramón Gieling onlangs aan De Filmkrant, over zijn samenwerking met het dak- en thuislozenkoor De Straatklinkers. ‘Ik voel me aangetrokken tot de levens van verloren zielen die de contradicties van het menselijk bestaan verbeelden.’ Hij modelleerde de film volgens eigen zeggen naar Los Olvidados, een speelfilm over een Mexicaanse jeugdbende van Louis Bunuel uit 1950, maar ook het levensverhaal van Jezus Christus en zijn apostelen is (natuurlijk) nooit ver weg.

Gieling volgt het repetitieproces en de uitvoering van de voorstelling en lardeert dit zo nu en dan met een fragment uit de beschadigde levens van de voornaamste spelers. De melodramatische opera zelf beslaat het leeuwendeel van de film. Daar moet je zin in hebben: grootse composities, vol overgave (maar niet per definitie zuiver of oorstrelend) ingezongen. In een Engels dat voor distantie zorgt en tegelijk, door het overduidelijk Nederlandse karakter van de uitvoering ervan, diepmenselijk maakt. Het is een film die tegen de haren instrijkt. Die je hogelijk fascineert – of die je echt moet uitzitten.

Nu Verandert Er Langzaam Iets

Het duurt toch nog dik twintig minuten voordat er iemand in zijn kracht moet gaan staan. Met een paard bovendien. Voor een documentaire over zingeving en ontplooiing is dat verrassend lang. Nu Verandert Er Langzaam Iets (106 min.), op het IDFA bekroond met de Dutch Documentary Award, zit nochtans vol met coachingstaal. Intrinsieke motivatie. Trechteren. In je hoofd zitten. Rood gedrag. Ergens energie van krijgen. Je boosheid pakken. Vertaalslag. Gehoord worden. Rugzak. Competenties. Even parkeren.

Het is een wereld waarin mensen aandacht hebben voor elkaar. Professionele aandacht, welteverstaan. Halverwege deze documentaire van Menna Laura Meijer zegt een spreker over burn out, ook al zo’n hedendaags thema, zonder omhaal van woorden tegen zijn volle zaal: ‘Het Rijks Instituut voor Volksgezondheid en Milieu verwacht dat we in 2030 ruim zeven miljoen chronisch zieken hebben in Nederland. En dat is aan de ene kant slecht nieuws, maar voor iedereen die coach wil worden…’

De zaal begint te lachen. Hij vervolgt met hoorbaar plezier, alsof hij de kern van zijn betoog (en misschien ook wel van deze film) bereikt: ‘Er worden tien kerken per week gesloten in Nederland en mensen zitten met heel veel zingevingsvragen die niet meer beantwoord worden. En ik denk dat dat één van de redenen is dat er zo’n grote vraag is naar coaching. Sinds dat de biecht werd afgeschaft, zeg ik wel eens, ben je op zoek naar een betaalde vriend of vriendin.’

Deze intrigerende documentaire brengt de bijbehorende ‘aandachtsindustrie’ haarfijn in beeld. Meijer zet de camera op een vast standpunt en kijkt van een afstandje mee bij allerlei soorten sessies: trainingen, presentaties, coaching, therapieën, TEDtalks, rollenspelen en – natuurlijk – workshops. Er worden families opgesteld, kaarten uitgezocht, pionnen neergezet, varkens gemasseerd en dronkenlappen gearresteerd. En gepraat. Eindeloos veel gepraat.

Omdat de mens maakbaar is – of denkt te zijn – en móet groeien. Nu Verandert Er Langzaam Iets brengt al die persoonlijke processen sereen in beeld: zonder duidelijke hoofdpersonen, interviews, muziek, montagetrucs of overduidelijk oordeel. ‘New observationalism’, aldus het IDFA-juryrapport. ‘Een onthullende “auto-etnography” die misschien niet de meest flatterende kant van de Nederlandse cultuur blootlegt, maar wel degelijk iets belangrijks heeft te zeggen.’ Een collage van deze tijd bovendien, boordevol zingevingsdrang (of -dwang), die wellicht pas later, met enige afstand, helemaal op waarde kan worden geschat.

Generation Wealth

‘Wat heb je gedaan in Dubai?’, vraagt regisseur Lauren Greenfield aan Kacey Jordan, het Amerikaanse pornosterretje dat een veelbesproken affaire had met acteur Charlie Sheen. Ze antwoordt laconiek: ‘de prins.’ Kacey is nu voor de elfde keer zwanger, bekent ze later op een kwetsbaar moment. Ze denkt er ditmaal serieus over om het kind te houden.

Kacey Jordan is één van de mensen die in de afgelopen jaren zijn geportretteerd door fotograaf Greenfield en waarmee ze nu in de documentaire Generation Wealth (106 min.), die wordt vergezeld door een expositie, de balans opmaakt. Tezamen vormen ze een bonte stoet larger than life-personages. De alleenstaande moeder die zich verliest in plastische chirurgie. Het zesjarige beauty queentje Eden dat maar één doel zegt te hebben: money, money en nog eens money. En Greenfields voormalige studiegenoot, die uitgroeide tot een louche geldgraaier.

De documentairemaakster vergelijkt de wereld waarin zij, en wij, leven met de cultuur van de Egyptenaren. Toen zij de piramides bouwden, stonden ze al aan de rand van de afgrond. Zonder dat ze dat zelf in de gaten hadden, overigens. Ook wij dansen volgens Greenfield met zijn allen op een vulkaan, die elk moment kan uitbarsten. De American dream is immers allang verworden tot een plastic zucht naar roem en rijkdom.

Greenfield belandde nog eens nadrukkelijk op dat spoor door haar vorige documentaire The Queen Of Versailles, een lekkere jeukfilm over een Amerikaans nouveau riche-stel dat zich heeft voorgenomen om een (vanzelfsprekend smakeloze) replica van het illustere Franse paleis te laten maken. De filmmaakster/fotografe ontdekte zo een thema dat eigenlijk haar complete oeuvre domineerde: rijkdom. Of de ultradecadentie, waartoe het westerse kapitalisme zijn onderdanen lijkt te dwingen.

In Generation Wealth richt ze haar camera niet alleen op excessen in de buitenwereld. Naarmate de documentaire vordert kijkt Greenfield ook steeds meer naar binnen, naar haar eigen verslaving aan werk. Ze filmt haar man en kinderen en gaat in gesprek met haar eigen ouders. Daarmee verliest de film ook een beetje richting. Want wil ze werkelijk zeggen dat het leven uiteindelijk toch om hele andere dingen gaat dan poen en status? Dat zou een wat al te gemakkelijke conclusie zijn voor deze bijzonder bijdetijdse docu, die pregnante vragen stelt over wie we zijn (geworden).

The Raft

Enkele jaren na het beruchte Stanford Prison Experiment en lang voordat het Big Brother-huis de televisiewereld op zijn kop zou zetten, stapten tien vrijwilligers op een vlot dat vanuit de Canarische eilanden koers zette richting open zee. 11 mei 1973, een dag die hen hun hele leven bij zal blijven. Ze kenden elkaar niet, kwamen vanuit alle windstreken en verschilden als dag en nacht. Drie maanden zouden ze letterlijk met elkaar opgescheept zitten. Zes vrouwen en vier mannen. Stuk voor stuk aantrekkelijk. Zouden ze gaan samenwerken om te overleven? Of maakten de spartaanse omstandigheden het beest in hen wakker?

De Mexicaanse antropoloog Santiago Genovés, die het sociale experiment opzette en zelf als elfde participant het ruime sop koos, had daar wel ideeën over. Tegen de achtergrond van de Vietnam-oorlog, die op dat moment de halve wereld verscheurde, vroeg hij zich af waarom mensen zich agressief gedragen. Hij wilde onderzoeken wanneer en waarom ze overgaan tot geweld. En in hoeverre spelen seksuele aantrekkingskracht en -competitie daarin een rol? Om dat te onderzoeken had Genovés, die in zichzelf misschien wel een Lord Of The Flies zag, zijn eigen Animal Farm nodig: het vlot, dat in de media al snel ‘the sex raft’ werd gedubd.

Ruim veertig jaar later reflecteren de zeven deelnemers die nog in leven zijn in de uitstekende documentaire The Raft (98 min.) op hun gezamenlijke trip die hen – dat wist de onderzoeker vrijwel zeker – naar de rand van de afgrond zou brengen. De Zweedse filmmaker Marcus Lindeen heeft daarvoor een replica op ware grootte van het houtvlot Acali (‘het huis op water’) laten maken. Aan boord, hoewel niet midden op zee, is vluchten opnieuw onmogelijk. Samen herbeleven de deelnemers, zes vrouwen en één enkele man, de gebeurtenissen en laten hun herinneringen met elkaar botsen.

Ook de onderzoeker zelf is nadrukkelijk aanwezig in de film. Als verteller, ingesproken door de acteur Daniel Giménez Cacho, reconstrueert Genovés het experiment, waarin hij zelf gaandeweg een steeds prominentere plek ging innemen. Vanaf het begin viel hij de anderen al wekelijks lastig met lijsten vol impertinente vragen over henzelf en de anderen, maar op een gegeven moment begon hij de antwoorden daarop ook nog openlijk te delen op dat slechts zeven meter lange vlot. In de trant van: jij vindt hem misschien onweerstaanbaar, maar hij vindt dat jij véél te veel praat.

Van afstandelijke observator ontwikkelt hij zo zich tot provocateur, would be-dictator en regisseur van levens. De regisseur van deze film, Marcus Lindeen, schakelt intussen soepel tussen de acht uur 16mm-film die aan boord is geschoten en actuele scènes met de hoofdrolspelers, die hij voorziet van enkele gave visuele vondsten. The Raft voelt daardoor geen moment als een historische documentaire, maar als een actuele en urgente film over het wezen van de mens. Waarbij het de vraag is wie nu eigenlijk het interessantste onderzoeksobject is: de passagiers van het vlot of toch Genovés zelf?

The Bastard

 

‘Ik moet eerlijk zijn: dat was niet zo netjes.’ Joop Hoek maakt er halfhartige aanhalingstekens bij in de lucht. Goedgeluimd vertelt hij over zijn vertrek uit Ethiopië. Na enkele jaren werken bij een suikerfabriek van HVA besloot hij om thuis in Nederland te gaan studeren. Maar, zo beloofde hij zijn plaatselijke geliefde tegen beter weten in: ik kom terug. Hij liet haar achter met hun driejarige kind.

Enkele decennia later krijgt Joops zoon Michiel in het Friese dorp Oudemirdum een telefoontje van het Rode Kruis. Of hij ooit van een halfbroer in Ethiopië heeft gehoord? De man, ene Daniel, zit in de gevangenis van Addis Abeba en wil in contact komen met zijn Nederlandse familie. Michiel reist af naar Ethiopië en heeft daar een emotionele eerste ontmoeting met zijn halfbroer. Daniel Hoek heeft nog wel een verrassing voor hem in petto: hij zit in de cel vanwege moord.

Met de kennismaking tussen de twee bloedbroeders als startpunt construeert regisseur Floris-Jan van Luyn een virtuoze vertelling over familiesystemen en hoe meerdere generaties daarin de weg kwijt kunnen raken. Daniel is ergens onderweg verdwaald tussen twee werelden, de armoedige aardse van zijn moeder, waarin hij volledig ontspoorde, en de imaginaire van zijn Europese vader, waarover hij fabuleuze fantasieën koesterde. Met papa Hoek is het alleen niet al te veel beter gesteld.

Het blijft in The Bastard (84 min.) knarsen en schuren tussen het miskende kind, dat in Afrika helemaal op drift is geraakt, en zijn achteloze vader, die zwarte mensen eigenlijk sowieso wantrouwt en vindt dat Nederlanders hun DNA moeten behouden en niet zomaar moeten ‘opmengen’. Gaandeweg, in hun parallel vertelde levensgeschiedenissen, blijken de twee totaal verschillende mannen echter meer gemeen te hebben dan wie dan ook had kunnen bedenken.

Van Luyn speelt intussen ingenieus met het op- en uitbouwen van de voornaamste karakters en de sympathie van de kijker, die steeds op het verkeerde been wordt gezet. The Bastard, winnaar van een Gouden Vlinder op het Movies That Matter-festival en genomineerd voor een Gouden Kalf, is daardoor een ronduit fascinerende film die afwisselend streelt, schuurt en ontroert en de kijker na bijna anderhalf uur, in de woorden van de broer van de bastaard, helemaal ‘flabbergasted’ achterlaat.

Zonder twijfel: één van de beste documentaires van dit jaar. Zo niet de allerbeste…

The Bastard vindt zijn oorsprong in twee journalistieke verhalen van Dick Wittenberg in NRC, Bloedbroeders uit 2007 en Een Echte Nederlander uit 2008.

Daniël Hoek schreef zelf bovendien een boek over zijn leven, De Vergeten Nederlanders.

Feminists: What Were They Thinking?


Hillary Clinton had de eerste vrouwelijke president van de Verenigde Staten moeten worden. In 2008 dolf ze echter het onderspit tegen de eerste zwarte president Barack Obama. Acht jaar later zette Donald Trump de hoop van vrouwelijk Amerika de voet dwars, een man die het land het liefst terug zou willen brengen naar de jaren vijftig. Een man ook, die een beetje feminist associeert met patserpraat van het kaliber ‘grab ‘em by the pussy’.

Het moet onwerkelijk zijn voor de vrouwen die aan het woord komen in de documentaire Feminists: What Were They Thinking? (86 min.). De persoonlijke en maatschappelijke strijd die zij in de jaren zestig en zeventig hebben uitgevochten, lijkt helemaal voor niets te zijn geweest. De onvervalste mucho machoman is terug van nooit weggeweest. Zou God dan toch een hij zijn? vraag je je af – vrij naar een feministisch spandoek uit die tijd.

Uitgangspunt voor deze film is een fotoserie die Cynthia MacAdams halverwege de jaren zeventig maakte van prominente feministes. Enkele van deze vrouwen, onder wie comédienne Lili Tomlin, actrice Jane Fonda, kunstenares Laurie Anderson en zangeres Michelle Philips (The Mamas And The Papas), blikken nu terug op de periode waarin ze zich los probeerden te maken van de rolpatronen die ze kregen ingeprent in hun jeugd.

Meer dan afzonderlijke levensverhalen, die tezamen een aardig tijdsbeeld schetsen, wordt deze documentaire van hun zielsverwant en generatiegenoot Johanna Demetrakas echter nooit. De verhalen achter de foto’s, die vaak wel erg naar de achtergrond verdwijnen, gaan nooit echt leven. Ook de kijk van enkele representanten van de huidige generatie feministen op de afbeeldingen van hun voorgangers brengt daarin geen verandering.

Feminists: What They Thinking blijft te veel een braaf geschiedenislesje, ondersteund door tamelijk particuliere getuigenissen, en wordt nooit dat meeslepende verhaal waarmee ook toekomstige generaties strijdbare vrouwen, die de Women’s Marches tegen Trump en zijn geestverwanten kunnen bevolken, zullen worden veroverd.

Ubiquity

 

Met hun elektronische apparatuur moeten regisseur Bregtje van der Haak en haar cameraploeg uit de buurt blijven van Per Segerbäck. De Zweedse ingenieur, die bij Ericsson werkte aan de ontwikkeling van smartphones, wil best een interview geven, maar dat moet dan worden gefilmd met analoge apparatuur. Van der Haaks crew draait dus met een ouderwetse Bolex-filmcamera zonder batterij en neemt het gesprek op met een bekabelde audioset. Hun mobieltjes laten ze achter in een afgesloten pan.

Segerbäck is elektrohypersensitief. Hij leeft daarom al achttien jaar als een kluizenaar in de bossen. Zodra hij in contact komt met straling krijgt hij allerlei lichamelijke klachten. Het is een moderne aandoening, een onvermoede bijwerking van de hedendaagse wens om overal, altijd en draadloos in contact te staan met de rest van de wereld. Een soort Ziekte van Zuckerberg dus, die in de hele wereld mensen schijnt te vellen. In een metropool zoals Tokyo, maar ook gewoon in Nederland, waar eveneens nauwelijks meer stralingsvrij gebied is.

Het net sluit zich letterlijk om de mensen met elektrohypersensitiviteit(EHS), vinden ze. Overal om hen heen dreigt gevaar. In Ubiquity (82 min.), wat zoveel betekent als ‘een staat van zijn waarbij je overal tegelijkertijd kunt zijn’, wordt die dreiging treffend verbeeld en verklankt. Grootse beelden van een wereld die voortdurend communiceert en beweegt, worden gepaard aan de repeterende geluiden van modems, routers en zendmasten op zoek naar verbinding. Zo ongeveer moeten mensen met EHS zich voelen, wil Van der Haak maar zeggen. Ze portretteert hen als representanten van een verloren wereld en stelt verder geen kritische vragen bij de ziekte die niet bij iedereen onomstreden is.

‘Als ze de wereld willen veroveren met al die technologie, moeten ze ook rekening houden met ons’, zegt één van deze verschoppelingen van de digitale wereld over het ideaal om op de hele aardbol draadloos internet aan te leggen. ‘Wij hebben rechten. Dit is ook onze wereld.’ Dat pleidooi, kracht bijgezet door een Dylaneske videoclip en ouderwetse demonstratie, lijkt door de makers van deze bespiegelende film van harte te worden ondersteund.

Sprekend Nederland

‘Dat verklaar ik en beloof ik’, verklaren de nieuwe Nederlanders aan het begin van John Appels nieuwe film Sprekend Nederland (82 min.). Tijdens de naturalisatieceremonie wordt natuurlijk ook het Wilhelmus gezongen. Na afloop wil menigeen bovendien op de foto met de Nederlandse vlag. In al hun verscheidenheid zijn die mensen bij ons gaan horen. Of wij dat nu willen of niet. Maar wie zijn wij eigenlijk?

Deze veelkleurige film, die is opgebouwd rond openbare toespraken, geeft daarop geen eenduidig antwoord. Zijn we de boze mannen van Pegida die ‘we zijn niet bang voor de Islam’ zingen en één van hen hebben uitgedost als Mohammed, die rond paradeert met een afgehakt hoofd in zijn hand? Of juist het Amsterdamse moslimmeisje dat op een manifestatie voor diversiteit alle grote mensen voorhoudt om voortaan vooral te denken met hun hart?

John Appel zelf omschrijft Sprekend Nederland als een soort hedendaagse variant op Alleman, de legendarische film waarmee Bert Haanstra in 1963 het toenmalige Nederland portretteerde. Een wit land, dat de jaren vijftig nog definitief van zich af moest zien te schudden. Het land dat Appel ruim een halve eeuw later heeft aangetroffen heeft duidelijk meer kleur op de wangen gekregen. Van opwinding, boosheid of gewoon omdat de roots van de bijbehorende mensen buiten Nederland liggen.

De Amsterdamse filmer vindt ‘de Nederlander’ in alle soorten en maten. Bij allerlei verschillende openbare gelegenheden: de publieke doop van nieuwe christenen, het eerste kampioenschap van Feyenoord in bijna twintig jaar of een feestje voor succesvolle beleggers, waar saxofonist Hans Dulfer lustig staat te toeteren en een soort van rapper de legendarische straathit The Message  (‘don’t push me, cause I’m close to the edge’) vernachelt. Iedereen koestert zijn eigen biotoop en gebruikt zijn eigen taal.

Echte hoofdpersonen heeft Sprekend Nederland niet – of het moet de honderdjarige vrouw zijn, die op dezelfde dag is geboren als koning Willem-Alexander en net als een selecte groep andere 27 aprillers wordt uitgenodigd voor zijn verjaardagsfeestje. Je zou kunnen zeggen dat wij allen, gewone en toch bijzondere Nederlanders, centraal staan. Met deze film laat John Appel ons met andere ogen kijken naar het land, dat we al van binnen en van buiten dachten te kennen.

Het caleidoscopische karakter van Sprekend Nederland deed me denken aan de korte docu De Spelende Mens van Sanne Rovers, een ‘speel’-film over hobbyend Nederland, en Michiel van Erps meest recente documentaire Leve de Vrijwilliger!, waarin hij ons land portretteert aan de hand van de vele vrijwilligers en waarin onze koning zich ook al van zijn beste kant laat zien.

Rabot

 

De drie Rabottorens in Gent doen een beetje denken aan Pruitt-Igoe, het Amerikaanse flatgebouw in Saint Louis dat halverwege de jaren vijftig werd opgeleverd als een wonder van stedenbouwkundige vernieuwing en al in 1972 letterlijk is opgeblazen. In sneltreinvaart verworden tot een niet meer te redden getto (een tragedie die is vastgelegd in de documentaire The Pruitt-Igoe Myth: An Urban History). Ook in de Rabottorens wilde je ooit wonen. Ooit. Tegenwoordig leven er vooral mensen die weinig keuze hebben.

Het aftakelingsproces heeft zich in Gent over meerdere decennia voltrokken, maar inmiddels worden de flats in de volkse Rabotwijk toch echt stelselmatig ontmanteld. De verhuisdozen gaan er bij wijze van spreken van hand tot hand. De allerlaatste bewoners zitten er intussen hun tijd uit. Ze kunnen of willen geen kant op – of kunnen niet wachten totdat ze de deur van de met vunzige en discriminerende leuzen volgekalkte lift voor de allerlaatste keer achter zich dicht mogen trekken.

In deze grijsgrauwe documentaire portretteert Christina Vandekerckhovede bewoners van één van de woontorens. Een deprimerende kolos aan de Van Cleeflaan, tevens een gewilde plek voor Gentenaren die het leven moe zijn. Met compassie vereeuwigt de Belgische filmmaakster de treurnis in Rabot (95 min.). Ze vindt er memorabele hoofdpersonen, zoals een Ghanese vrouw met enorme stemmingswisselingen en haar beschonken ex-echtgenoot, enkele (voormalige) verslaafden die vooral uit de problemen moeten zien te blijven en een hoogbejaarde man die nog steeds minutieus al zijn uitgaven noteert.

Vandekerckhove vertelt hun verhalen niet lineair, maar laat snapshots uit hun levens zien en gebruikt die als bouwstenen voor een tragische vertelling, waarbinnen de (aanstaande) sloop van de flat het onvermijdelijke einde moet vormen. Er wordt gestaard, gevreten, lawaai gemaakt, gepaft, obsessief verzameld, gesproken met consumptie en – natuurlijk! – gezopen. In een armoedig decor, waar de verf afbladdert en het behang van de muren komt.

En dan zet één van de bewoners, een oudere alleenstaande man, om de eenzaamheid te verdrijven Love Me Tender van Elvis Presley op en fabriceert Vandekerkhove er een prachtig trieste sequentie van, die nog wel even nazindert. Na ruim anderhalf uur Rabot overheerst uiteindelijk een desolaat gevoel. Van armoe en verval. Van leven dat zijn glans verliest – of gewoon nooit heeft gehad.

Bewaren – Of Hoe Te Leven

 

‘Je ruimt het maar op als ik dood ben.’ De 92-jarige moeder van filmmaakster Digna Sinke zegt het terloops, als een onbelangrijk bijzinnetje. Ze lijkt de spullen die haar dochter aan haar voorlegt in de documentaire Bewaren – Of Hoe Te Leven (52 min.) vooral leuk te vinden. Die roepen allerlei herinneringen op, maar al te veel waarde hecht moeder er blijkbaar niet (meer) aan.

Hoe anders ligt dat voor Digna zelf. Zij bewaart alsof haar leven ervan afhangt. En misschien is dat ook wel zo. Met al haar spullen weet ze vast te houden aan haar verleden en het bestaan in het algemeen, zo beschrijft ze in de voice-overs waarmee deze denkfilm bij elkaar wordt gehouden. Is dat bewaren nog wel van deze tijd? Is zij zélf eigenlijk nog wel van deze tijd?

Sinke stelt prangende vragen, aan andere verzamelaars, aan non-verzamelaars en aan zichzelf. Dat is spitsroeden lopen. Soms slaat de vertelster een wel erg gedragen toon aan en dreigt Bewaren een tobberige film te worden, maar dan volgt er steevast een vlotte scène die de documentaire lucht geeft. Zo geraakt ze bijvoorbeeld in gesprek met enkele minimalisten, digitale nomaden waarvan alle bezittingen in één enkele tas passen – of rondzwerven, ergens in die ongrijpbare cloud.

Een jongen laat haar zijn tattoo zien: ‘live today’. Hij lacht erbij. ‘Wat vind je ervan?’ Sinke twijfelt even. ‘Ja, waarom niet?’ Stilte, twijfel misschien. ‘Wat kun je anders doen?’ De jongen moet weer lachen. ‘Morgen leven’, klinkt het monter. Waarna de filmmaakster haar eigen dilemma op tafel legt. ‘Ik dacht meer aan leven in het verleden.’

Zo raakt de film tevens aan thema’s als ouder worden, verlies dragen en uit de tijd raken. Blijven mensen, zoals Sinke dat zo fraai formuleert in deze voor een Gouden Kalf genomineerde film, ook in de toekomst geborgenheid vinden in dingen? Of gaat de ervaring van het hier en nu dat vasthouden aan materiële dingen straks volledig vervangen? En wat raken we daar dan mee kwijt?

Grey Gardens

 

Zeker drie keer eerder ben ik aan deze film begonnen. In lijstjes met de beste documentaires aller tijden neemt Grey Gardens (94 min.) uit 1975 meestal een prominente plek in, maar eerlijk gezegd was het mij nog nooit gelukt om hem uit te kijken. Na zo’n drie kwartier haakte ik steevast af. Verveeld, geïrriteerd en he-le-maal suf geluld.

Want kletsen konden de hoogbejaarde Edith Bouvier Beale en haar licht hysterische, inmiddels 56-jarige inwonende dochter Little Edie, zo constateerde ik opnieuw tijdens mijn meest recente kijkpoging. Rebbelen, roddelen en kibbelen. Ze raakten nooit uitgepraat. En tussen de regels door vertelden ze heel veel over zichzelf, elkaar, de high society die hen had voortgebracht en alles waar ze verder toevallig aan moesten denken.

Hoewel de vrouwen vrijwel onafgebroken praatten (of zongen, dansten en performden), ligt het verteltempo van deze documentaire van de legendarische gebroeders Albert en David Maysles (en Ellen Hovde en Muffie Meyer) erg laag. Zoals ze in de jaren zeventig sowieso in slow motion leken te leven. Aan de meeste scènes, waarvan je je afvraagt waarom ze überhaupt in de film moesten, lijkt werkelijk geen einde te komen. Ik heb ditmaal zelfs even overwogen om hem op dubbele snelheid te bekijken via YouTube. Maar zo ga je natuurlijk niet om met belangwekkende kunst.

Even wat achtergrondinformatie dan maar: moeder en dochter waren familie van de fameuze Jackie Kennedy en konden het ooit breed laten hangen, maar die dagen lagen ten tijde van de filmopnames allang achter hen. Net als het huwelijk van amateurzangeres Edith met de vader van Little Edie. Tijdens het filmen, dat een bezoeking moeten zijn geweest voor de Maysles (die steeds in allerlei gesprekken werden betrokken door de twee dames), woonden de twee Edies met een hele roedel katten in het vervallen en vervuilde landhuis Grey Gardens in North Hampton, waar ze ieder moment konden worden uitgezet.

In deze film kun je dus zowel katten als aapjes kijken, concludeerde ik met de nodige zelfvoldoening terwijl ik nogmaals een greep deed in de zak met borrelnootjes. Deze paradijsvogels mochten in elk geval uitbundig met hun veren pronken. Zoals televisieprogramma’s als Showroom, Jambers en Man Bijt Hond later met veel succes een podium zouden bieden aan alle buitenbeentjes, betweters en dorpsgekken die van zich wilden doen spreken. En dus vroeg ik me af: biedt deze klassieke (het volgende woord spreek ik met gefronste wenkbrauwen uit:) ‘documentaire’ werkelijk meer dan zulke veletisieportretjes?

Ik moet het antwoord na de zoveelste kijkbeurt – zo voelde dat soms wéér – opnieuw schuldig blijven. Ik heb de film wel uitgekeken. Uitroepteken. Of beter: uitgezeten. En inmiddels zie ik in Grey Gardens óók een intrigerende karakterstudie van een excentrieke moeder en dochter, een tragikomische ode aan levens in verval en een vergeeld portret van een verloren wereld. Maar om nu te zeggen dat ik deze keer anderhalf uur aan YouTube, waarop na de oorspronkelijke documentaire zelf voor de liefhebber ook nog allerlei extra scènes zijn te zien, gekluisterd heb gezeten…

De speelfilmversie van Grey Gardens uit 2009, met in de hoofdrollen Jessica Lange en Drew Barrymore als respectievelijk Big en Little Edie heb ik tot dusver dus schielijk gemeden. En daarin zal voorlopig ook geen verandering komen. Een mens heeft zo zijn grenzen. Maar tot mijn schrik hoorde ik onlangs dat er met ‘lost footage’ nóg een documentaire over het illustere duo Beale is gemaakt, de prequel That Summer (met cameo’s van niemand minder dan Mick Jagger, Truman Capote en Andy Warhol). Dat was even schrikken. Ga ik er straks weer aan beginnen? Moet dat? Kan ik dat eigenlijk wel?

Pervert Park

 

Je zult er maar wonen; in een Amerikaans trailer park met maar liefst 120 zedendelinquenten. Of ernaast. De buren noemen het Pervert Park (53 min.), een plek voor mannen en vrouwen die hun straf hebben uitgezeten. Binnen het Florida Justice Transitions-project, een initiatief van een moeder van een veroordeelde ‘sex offender’ die maar geen woonplek kon vinden, proberen ze de laatste stap te zetten naar een plek in de reguliere maatschappij.

In de Verenigde Staten bevat het register van zedendelinquenten meer dan 800.000 namen. Zij moeten uit de buurt blijven van plekken waar regelmatig kinderen komen. Duizend voet om precies te zijn, zo’n driehonderd meter. Bovendien zijn er inmiddels applicaties zoals Offender Locator beschikbaar, waarmee iedere geïnteresseerde kan zien welke viezeriken er in zijn directe omgeving wonen. Met naam, adres en foto erbij.

Ze zien er volstrekt normaal uit, de hoofdpersonen van deze indringende film van het Scandinavische echtpaar Frida en Lasse Barkfors uit 2014. Niet als de seksuele roofdieren of kinderlokkers die je misschien zou verwachten. Neem bijvoorbeeld de trieste vrouw, die jarenlang werd misbruikt door haar vader. Ze vertelt hoe ze zich, onder druk van een man die haar uit de brand zou helpen, vergreep aan haar eigen achtjarige zoon en die kerel via zijn computer liet meekijken. Hartverscheurend huilend: ‘He was my baby.’

Stuk voor stuk nemen de ‘perverts’, in interviews en groepsgesprekken, verantwoordelijkheid voor hun misdrijven. Coming clean, letterlijk. De meesten gaan zichtbaar gebukt onder berouw. Anderen zijn onthutsend eerlijk over zichzelf. Mensen zoals ik moeten in de gaten gehouden worden, zegt een man die in Mexico een vijfjarig meisje verkrachtte zonder omhaal van woorden. ‘Niet om ons te straffen of vernederen, maar om ons te helpen niet opnieuw in de fout te gaan.’

De Barkforsen schorten hun eigen waardeoordelen intussen op en leggen de verhalen van hun hoofdpersonen sereen en met compassie vast. Beschadigde mensen die niets anders wisten of konden dan zelf ook beschadigen. Ze zijn zich bewust van het stigma dat er rond hun daden hangt en besluiten er desondanks rond voor uit te komen. Dat mag je gerust dapper noemen. Daders worden zo weer mens. Die een gigantische misstap hebben begaan, dat wel. Na het zien van Pervert Park wordt het echter vrijwel onmogelijk om heel gemakkelijk ‘castreer ze!’ te blijven roepen.

Explained

 

Een wereld die steeds ingewikkelder wordt, heeft alsmaar meer behoefte aan uitleggers. Oftewel: explainers. De hoogleraar die voor de spreekwoordelijke boekenkast uitlegt hoe de wereld in elkaar zit, heeft daarbij allang gezelschap gekregen van nieuwerwetse vertellers en vertelvormen. Onder noemers als ‘vijf vragen over…’ of ‘alles wat je altijd al wilde weten over…’ kun je tegenwoordig in zowat elk medium explainers vinden. In Jip & Janneke-taal, natuurlijk.

Met een serie explainer-video’s onder de naam Explained speelt Netflix, samen met Vox, in op die ontwikkeling. In ruim een kwartier jaagt elke aflevering er een groot maatschappelijk thema doorheen, dat de waan van de dag ontstijgt en met een vlotte mixture van aansprekende (archief)beelden, graphics en boeiende sprekers in kaart wordt gebracht. In hoeverre is de mens bijvoorbeeld gemaakt voor een monogaam bestaan? vraagt de alom tegenwoordige voice-over in de aflevering Monogamy. En is de segregatie tussen wit en zwart in de Verenigde Staten werkelijk beëindigd? wil The Racial Wealth Gap weten.

De antwoorden op deze vragen laten zich raden, maar de bijbehorende uitlegvideo’s slagen er wel degelijk in om de historie van en actuele discussie rondom zo’n thema toegankelijk te maken voor de YouTube-generatie. In de explainer over genetische manipulatie komt bijvoorbeeld aan de orde wat de ethische implicaties kunnen zijn van allerlei medische ontdekkingen, die bedoeld zijn om het menselijk leiden te verzachten. ‘Is er echt geen plek meer voor ons op deze wereld?’, vraagt een man met het syndroom van Down zich bijvoorbeeld hardop af. Een vrouw, die zelf geen problemen heeft met haar dwerggroei, realiseert zich dat in de toekomst abortus op de loer ligt voor mensen zoals zij: ‘Ik moet accepteren dat niet-gehandicapte vrouwen mij zien als een ongeschikte foetus.’

Van de eerste vier afleveringen van Explained, die wekelijks zullen worden aangevuld met een nieuwe episode, valt de uitlegvideo over de historie van K-pop, de inwisselbare popmuziek die met de regelmaat van de klok wordt afgeleverd door de Zuid-Koreaanse lopende band, een beetje uit de toon. Deze explainer heeft een wel erg hoog hap-slik-weg gehalte en wordt nooit meer dan een gelikt geschiedenislesje over een muziekstroming die toch vooral een marketingsucces lijkt. De andere video’s slagen erin om in een heel kort tijdsbestek, tussen eten en afwas zogezegd, een maatschappelijk relevant thema bespreekbaar te maken.