Fugitive: The Curious Case Of Carlos Ghosn

Netflix

Na een enerverend intro, waarin de kijker lekker is gemaakt met het smeuïge verhaal van een westerse topmanager die op 29 december 2019 met de staart tussen de benen – en verstopt in een instrumentenkist – Japan uit is gevlucht, wandelt een jonge vrouw het beeld in van Lucy Blakstads documentaire Fugitive: The Curious Case Of Carlos Ghosn (95 min.). Ze neemt plaats achter een bureau en voor de camera. Nadat zij de kijker in diverse talen welkom heeft geheten, stelt ze zich voor. ‘Oké, even voor de duidelijkheid: ik ben in werkelijkheid een actrice. Mijn script is gebaseerd op interviews met assistenten en pr-adviseurs van Ghosn met wie hij al jaren samenwerkt en die om verschillende redenen niet wilden meewerken aan de documentaire.’

Op gezette momenten zal deze actrice, Lyna Dubarry, in de navolgende anderhalf uur de herinneringen van collega’s, medewerkers, concurrenten, juristen, journalisten en Ghosns zus Nayla aan de voormalige CEO van Renault verbinden, inkaderen en verduidelijken. ‘s Mans carrière heeft een vlucht genomen als de Franse autofabrikant in 1999 een alliantie sluit met de Japanse concurrent Nissan. Carlos Ghosn, bijgenaamd ‘Le Cost Killer’, wordt dan gevraagd om de zaak in Japan vlot te trekken. Hij krijgt Nissan inderdaad weer aan de praat, maar dat gaat niet vanzelf: terwijl hijzelf een nationale bekendheid wordt – en de hoofdpersoon in zijn eigen mangastrips – mogen 21.000 medewerkers naar een andere baan uitzien.

Het levert Ghosn zelf ook een nieuwe betrekking op: hij wordt in 2005 benoemd tot CEO van Renault. Nissan blijft hij erbij doen. En daarna gaan, zoals wel vaker bij een leider die alleen nog gelijkgestemden of jaknikkers om zich heen verzamelt, alle remmen los: hij begint een exorbitant salaris op te strijken, gaat zich steeds meer gedragen als een zonnekoning en voert intussen de werkdruk ongenadig op. Daarmee duwt hij enkele medewerkers van Renault naar de rand van de afgrond. Een enkeling is zelfs zo wanhopig dat-ie een einde aan z’n leven maakt. ‘De pijn is wat afgenomen’, zegt de weduwe van één van hen in Fugitive. ‘Maar de woede niet.’

En dan moeten de beschuldigingen van corruptie, zelfverrijking en fraude, waarvoor Carlos Ghosn in een Japanse cel zal belanden, nog komen. De hoofdpersoon laat de mogelijkheid om zich daarvoor te verantwoorden in deze documentaire aan zich voorbij gaan. Via openbare verklaringen komt hij echter wel degelijk aan het woord in een solide film, die – behoudens de toevoeging van een gefingeerd personage – tamelijk conventioneel Ghosns carrière en werkwijze doorlicht en daarna gestaag toewerkt naar zijn miraculeuze ontsnapping uit het land dat hem ooit groot heeft gemaakt. Als de dief in de nacht waarvan hij zelf volhoudt dat hij die nooit is geweest.

Fashion Reimagined

The Rogovy Foundation

De No Frills Collection moet beslist duurzaam worden. De Britse modeontwerpster Amy Powney, creatief directeur van Mother Of Pearl, is op de Londen Fashion Week van 2017 uitgeroepen tot beste nieuwe jonge designer, maar realiseert zich maar al te goed dat ze werkzaam is in ‘één van de meest destructieve industrieën op aarde’. Ze wil die van binnenuit gaan veranderen met een duurzame kledingcollectie.

Dit heeft nogal wat voeten in de aarde: de herkomst van al het te gebruiken materiaal moet duidelijk zijn, de verwerking mag niet belastend zijn voor het milieu, er wordt bij voorkeur lokaal geproduceerd, de arbeidsomstandigheden van medewerkers dienen in orde te zijn, er mogen geen dieren mishandeld worden, het is niet de bedoeling dat de productie enorme hoeveelheden afval oplevert…

Powneys gedachtegang vraagt, kortom, om een fundamentele herbezinning op hoe de mode-industrie werkt. Ofwel: Fashion Reimagined (100 min.). En dat is, alle goede bedoelingen ten spijt, echt een stuk gemakkelijker gezegd dan gedaan. Regisseur Becky Hutner kijkt mee bij Mother Of Pearls soms frustrerende rondgang langs allerlei uithoeken van de modewereld – van Uruguay tot Turkije – waar mensen en bedrijven bereid lijken te zijn om op een meer duurzame manier te werken.

Daar is ook alle reden voor. Hutner lardeert haar film met ontluisterende feiten en statistieken. Van algemene constateringen – zoals: we kopen drie keer zoveel kleding als in 1980 en dragen die slechts half zo lang – tot hele concrete vaststellingen: schadelijke chemicaliën veroorzaken longziekten, oogschade en kanker bij de mensen die spijkerbroeken bleken. Tezamen schetsen die bijschriften een ontluisterend beeld van de schade die onze permanente behoefte aan meer, nieuwe en andere kleding aanricht.

Amy Powney’s idealisme levert bovendien handvatten op voor een heroriëntatie binnen de business als geheel. Die focus op het informeren en overtuigen zorgt er wel voor dat Fashion Imagined eerder informeert dan emotioneert. Al is het nog best een beetje spannend of het Mother Of Pearl, met alle zelf opgelegde beperkingen, lukt om op tijd een collectie op te leveren – en hoe die dan wordt ontvangen.

Held Op Papier

&Bromet

Op zijn werk, als receptionist in een verzorgingstehuis, is er doorgaans weinig behoefte aan iemand die sneller kan schieten dan zijn eigen schaduw. Sterker: sommige collega’s weten niet eens dat Rutger Gret dat in zich heeft. Hoewel hij eigenlijk helemaal geen type is voor een kantoorbaan, werkt hij er toch al zo’n 26 jaar. Geef hem echter een paar cowboylaarzen, een Colt-revolver en – natuurlijk! – een witte hoed en Rutger transformeert zomaar in de enige echte Lucky Luke, compleet met strootje in de mond. De officiële Nederlandse Lucky Luke, welteverstaan, in te huren voor feestelijke gelegenheden.

Allemaal goed en aardig, maar hij moet natuurlijk niet naast zijn laarzen gaan lopen, vindt zijn moeder Thea. Zij zou haar 41-jarige zoon best graag aan een vrouw willen helpen. Hij heeft daarbij alleen één prangende vraag: ‘Vallen ze nu op Lucky Luke of op Rutger Gret?’ Een duivels dilemma. Uiteindelijk komt de held van deze tragikomische film, die niet eens zo héél stiekem droomt van een bestaan als striptekenaar, oog in oog met zichzelf te staan. Bij wie ligt zijn toekomst, bij de onverstoorbare Luke of toch bij dat andere stripfiguur, ene Rutger Gret?

In de korte documentaire Held Op Papier (28 min.) legt Max Ploeg eerst, met strak geregisseerde en geënsceneerde scènes, vast hoe zijn protagonist het klassieke superheldenbestaan leeft: overdag een onopvallende figuur, in zijn vrije tijd de man die een aanzienlijk deel van de mensheid redt – of er anders, meestal eigenlijk, mee op de foto gaat. En daarna volgt, halverwege de film, een onverwachte plotwending: hoe diezelfde ‘poor lonesome cowboy’, door een vreemde speling van het lot, toch weer probeert te ontsnappen aan zijn imago van Lucky Luke-lookalike.

Een soort omgekeerd escapisme dus. Waarbij de mens, met zijn eigen dromen en aspiraties, vanachter het zorgvuldig gecultiveerde personage tevoorschijn komt. Een cartoonachtige vertelling, waarin vorm en inhoud echt samen opgaan, wordt daarmee een volwaardig portret. En Rutger, als de gewone mensenversie van een stripheld, blijkt zijn alter ego dus tóch de baas te zijn. Als hij een paard had gehad – Jolly Jumper ontbreekt echter in deze kolderieke nederwestern – zou hij nu vast Luke achter zich laten, met de noorderzon vertrekken en een onbestemde toekomst tegemoet rijden.

Een trailer van Held Op Papier is hier te bekijken.

De DS Keyzer

Jaap Vriens / Oldenstein Films / BNNVARA

Over een dag of tien, op woensdag 1 juli 2020, moet het pand van De DS Keyzer (51 min.) leeg zijn, zodat de volgende eigenaar erin kan trekken. Tot die tijd moet er nog heel wat gebeuren: opruimen, afvoeren en verhuizen. En dan sluit de autogarage van David Kostelijk in Amsterdam-West, die zich heeft ontwikkeld tot een soort clubhuis voor Citroën DS-bezitters, definitief zijn deuren. Na bijna veertig jaar zullen ‘citrofielen’ dus een ander toevluchtsoord moeten zoeken. De gelijkmoedige oud-verpleegkundige Kostelijk, die het bedrijfspand ooit kraakte, gaat ‘t rustiger aan doen.

Terwijl er druk wordt gesloopt, uitgeruimd en verkocht en het pand van DS De Keyzer zienderogen leger wordt, realiseren de garagehouder en zijn (oud-)medewerkers zich pas echt dat ze een periode van hun leven gaan afsluiten. In de weemoedige documentaire van Doret van der Sloot, naar een idee van Wieger Wielinga, wordt dat proces van dichtbij opgetekend. Terwijl de ene oud-medewerker, Jaap Vriens, alles uit de kast haalt om zijn voormalige baas en vriend bij te staan, kan een andere ’t bijvoorbeeld niet opbrengen om zich nog in de garage te vertonen.

David Kostelijk zelf lijkt intussen spijt te hebben van zijn beslissing om het bedrijf van de hand te doen. Hij moet zich troosten met de gedachte dat zijn dochter Beatrijs er nog even kan blijven wonen en dat het pand tenminste niet is opgekocht door een anonieme projectontwikkelaar. Het sluiten van De DS Keyzer staat echter wel degelijk model voor het verdwijnen van een bepaald soort bedrijvigheid. Zoals ook de meeste platenzaken, sigarenboeren en videotheken in de afgelopen jaren uit het straatbeeld zijn verdwenen, ten faveure van de anonimiteit van winkel- of bedrijfsketens.

Deze aardige volgdocu, die rustig naar de onvermijdelijke sleuteloverdracht toewerkt, laat nog eens zien dat een bedrijf meer is dan alleen een entiteit die productie moet draaien, zodat er voldoende geld binnenkomt. Een garage zoals De DS Keyzer is eerst en vooral ook een verzameling mensen, die op de één of andere manier een eenheid zijn gaan vormen en in die hoedanigheid ook voor elkaar zorgen.

Koning Op De Dam

Witfilm

In een klein kantoortje werken broer en zus samen de administratie weg. Horecatycoon Won Yip mag dan alle cafés op de Dam in Amsterdam bezitten, samen met zijn oudere zus Anine bekommert hij zich nog altijd hoogstpersoonlijk om de boekhouding. Met een calculator lopen ze alles na en verwerken de facturen en stapeltjes geldbiljetten die binnenkomen.

Het is een treffend tafereel, exemplarisch voor de mores binnen het Chinees-Nederlandse familiebedrijf, waar handen uit de mouwen steken voor iedereen de norm is en de baas toch gewoon de baas blijft. ‘De controlerende factor’, noemt Won Yip dat zelf. Hij legt uit: ‘Het feit dat ik hier boven de zaak woon, al dertig jaar, is twee, drie procent extra op je bedrijfsresultaat.’

Waarom? vraagt documentairemaker Sarah Vos, die Koning Op De Dam (85 min.) met Sander Snoep heeft geregisseerd. Won Yip benadrukt dat alle betrokkenen ervan op de hoogte moeten zijn dat de baas op elk moment kan meekijken. ‘Dus het kan ook zomaar zijn dat ik op het dak sta of dat ik op mijn dakterras naar beneden aan het kijken ben. Ze weten ook niet wanneer ik kom.’

Terwijl het hoofd van de Yipgroup met straffe hand zijn business micromanaget, een luxueus penthouse laat inrichten in het hartje van Amsterdam (om na zeventien jaar eindelijk met zijn Zeeuwse vriendin Heleen te gaan samenwonen) en enkele persoonlijke en zakelijke crises moet zien te bezweren, legt Vos hem op de pijnbank over zijn doelen, werkwijze en motieven. 

In die persoonlijke vraaggesprekken, slim versneden met interviews met Heleen en Anine, komt automatisch het familieverhaal van de Yips boven. Over hoe hun ouders vanuit China, een land waar armoede en repressie hand in hand gingen, in Nederland terechtkwamen en daar met een Chinees restaurant, waar de klok rond werd gewerkt, het fundament legden voor een familie-imperium.

Het is een beladen verhaal over mensen die door hun eigen leiders zijn verjaagd, dat door Vos en Snoep met fraai archiefmateriaal, begeleid door een expressieve soundtrack, wordt verbeeld en uiteindelijk treffend samenkomt in die ene anekdote over Won Yips vader. Die ging volgens hem elke dag slapen met zijn paspoort en 25 briefjes van duizend gulden in het borstzakje van zijn pyjama.

In zulke herinneringen en de bijbehorende sfeertekeningen zit de kracht van Koning Op De Dam. De film portretteert niet alleen van dichtbij een gestaalde ondernemer en z’n zakelijke entourage, maar zet de schijnwerper tevens op de wereld die daarachter schuilgaat en die meestal buiten beeld blijft: van al die Aziatische families in Nederland, die op hun eigen voorwaarden aan de weg timmeren.

Code Groen

Marjoleine Boonstra

‘Het is de bedoeling dat we dat er nu weer allemaal tussenuit gaan halen’, zegt Erwin terwijl hij met zijn ploeg van de Amsterdamse groenvoorziening een stadsperkje onkruidvrij probeert te maken. De mannen treffen van alles aan, constateren ze grappend: neutronenkorrels, scheurgras, rucola…. ‘Eigenlijk is niks onkruid, hè?’ constateert Erwin vervolgens droog. ‘Eigenlijk bestaat onkruid niet. Dat is door mensen bedacht.’

Daarmee heeft hij het, al dan niet bewust, ook over zichzelf. Erwin heeft volgens eigen zeggen een kort lontje, toch gauw een jaar of zes achter de tralies doorgebracht en nu z’n plek gevonden binnen Pantar. Andere medewerkers van deze sociale werkvoorziening zijn door schulden, verslaving of familieproblemen in de kantlijn van de samenleving beland. Via het werken in de groenvoorziening proberen ook zij nu de weg terug te vinden.

Begeleider Theo weet wat daarvoor nodig is. Hij kampte jarenlang met een gokverslaving en belandde zelfs op straat, maar wist uiteindelijk toch de weg omhoog weer te vinden. Zo brengen alle hoofdpersonen van Code Groen (71 min.), gestoken in die welbekende fluorescerende oranje pakken, hun eigen geschiedenis met zich mee en moet ze op weg naar een arbeidzaam bestaan nog de nodige hobbels nemen. 

Filmmaker Marjoleine Boonstra slaat dat proces van een afstandje gade, kleedt dit aan met sfeervolle muziek en laat de mannen (en een enkele vrouw, de Syrische vluchtelinge Amina) in een studiosetting aan het woord over hun verleden, heden en toekomst. Daarbij kijken ze van zeer dichtbij recht in de camera, alsof ze de buitenwereld even een blik in hun ziel gunnen. Dat werkt ontzettend ontwapenend.

Want ze mogen dan deel uitmaken van een kwetsbare groep die moeite heeft om aan te haken in de hedendaagse participatiesamenleving, het gaat ook om mensen die met wat steun en (zelf)vertrouwen verder kunnen reiken dan menigeen, op de eerste plaats zijzelf, had gedacht. In die zin is deze documentaire nauw verwant met Boonstra’s film Spiegeldromen (2018), over de aspiraties van jongeren uit het praktijkonderwijs.

En als de poging van een ‘Pantar’ om zich terug te werken in de maatschappij onverhoopt tóch dreigt te stranden, vindt die een begeleider zoals Marina aan z’n zijde, die weigert om hem los te laten. Als haar cliënt Anton, ondanks een vast contract, bijvoorbeeld dreigt af te haken, blijft ze hem ‘stalken’. Totdat hij ‘t toch weer gaat proberen. Daarmee wordt Code Groen een optimistische film, over een wereld(je) waarin iedereen een nieuwe kans verdient.

A Parked Life

Docmakers

Terwijl hij zijn truck door heel Europa stuurt, heeft Petar Doychev de rest van zijn leven noodgedwongen geparkeerd. De Bulgaarse chauffeur is soms maandenlang van huis. ‘Zonder vrouw die ons vertelt wat we moeten doen zijn wij mannen verloren’, constateert hij, niet zonder zelfspot. ‘Daarom heeft God ons de tachograaf gegeven.’ En die heeft volgens Petar ‘een foutloos geheugen en is klaar om je kleinste foutjes tegen je te gebruiken’. Dus: ‘geen tieten, geen kont’.

Petar is één van de talloze Oost-Europese chauffeurs die het leeuwendeel van het jaar onderweg zijn. Terwijl hij van de ene naar de andere uithoek van het continent rijdt, verliest de trucker langzamerhand het contact met zijn vrouw Snezhina en hun zoontje Jordan, die hij met zijn werk, waaraan hij eigenlijk een gloeiende hekel heeft, probeert te onderhouden. Zoals een collega, die zich herkent in Petars ervaringen, ’t treffend uitdrukt: een leven, vervlogen in de vrachtwagencabine.

In A Parked Life (76 min.) observeert documentairemaker Peter Triest gedurende meerdere jaren het leven van zijn hoofdpersoon, een man die zich steeds meer bewust wordt van wat hij thuis, vaak duizenden kilometers ver weg, allemaal mist. Toen zijn zoon werd geboren, was hij bijvoorbeeld aan het werk in Zweden. En nu zijn echtgenote erop staat dat Jordan eindelijk, na bijna vier jaar uitstel, wordt gedoopt, dreigt hij opnieuw verstek te moeten laten gaan.

Deze roadmovie, waarin Petar via een monologue intérieur mijmert over zijn leven, zet uiteindelijk koers naar het binnenste van de hoofdpersoon. Dit leven kost hem zowat alles, maar wat levert het eigenlijk op? ‘Houd van me en respecteer me omdat ik zorg dat je niet op straat hoeft te wonen’, bijt Petar Snezhina niet voor niets toe tijdens één van hun telefonische ruzies. Met de beste bedoelingen van de wereld heeft hij zichzelf gereduceerd tot een man die elke drie maanden het vlees aansnijdt.

Triest vangt de eenzaamheid, monotonie en vervreemding van Petars nomadenbestaan in straffe snapshots van het leven onderweg: van de verplichte eindeloze files, het barre weer, de wasserettes op een pleisterplaats, het provisorische koken bij de vrachtwagen en het rijden met lege pallets. En ook de lotsverbondenheid met andere chauffeurs, vervat in een spontaan avondje kletsen en drinken, aan wie het leven net zo snel voorbij trekt als het Europese wegennetwerk.

En dan te bedenken dat Petar Doychev ooit droomde van een bestaan als astronaut. ‘Elk jaar rijd ik net zo ver als de afstand naar de maan’ constateert hij somber, in de wetenschap dat hij alleen maar verder verwijderd raakt van alles wat hem lief is.

All-In

BNNVARA

‘De gieren staan alweer te wachten’, zeggen twee medewerkers van het zwembad van een all-inclusive hotel aan de Turkse kust tegen elkaar bij de aanblik van een groep toeristen die staat te wachten bij de toegangspoort. ‘Je kent onze regels’, heeft personeelschef Alper Kantemur tegen hen gezegd. ‘Glimlach. Behandel onze klanten goed. Zeg iedereen netjes gedag. “Hallo.” “Prettige vakantie.” “Welkom.”’

In de observerende documentaire All-In (79 min.) volgt Volkan Üce twee van hen vanaf het eerste sollicitatiegesprek met Kantemur. ‘Heb je een vriendin?’ heeft hij de 25-jarige Hakan Hoscan, die volgens eigen zeggen kampt met een sociale angststoornis, nog toegevoegd. “Nee? Die vind je hier wel.’ De achttienjarige Ismail Dasdögen, van origine kapper, krijgt de tip om een foto van zichzelf te maken. ‘Hang die naast de spiegel. Kijk er opnieuw naar als je hier weer vertrekt. Dan zie je hoeveel je bent veranderd.’

Tegen zoveel ongebreideld optimisme zijn zelfs gezonde tegenzin (Hakan) en heimwee (Ismail) niet bestand. De twee jonge mannen beginnen enthousiast – of op z’n minst benieuwd – als respectievelijk badmeester en keukenhulp en worden verder gestald op slaapzalen, waar het gesprek zomaar op filosofen als Nietzsche en Schopenhauer of het concept religie kan komen. Zo houden de hotelmedewerkers zich op de been, tijdens dagen waarop ze voortdurend ten dienste staan van toeristen die op hun wenken moeten worden bediend.

De twee dromen allebei van een bestaan in het westen, van het leven dat hun clientèle daar lijkt te leiden. Üce legt nauwkeurig vast hoe dat ideaal gaandeweg dreigt te vervliegen. In de praktijk van alledag in het hotel, achter de façade van het all-inclusive bestaan en onder de ‘Can I help you?’-T-shirts die ze soms moeten dragen, is het vooral een kwestie van overleven. Als Hakan en Ismail aan het einde van hun tijdelijke dienstverband inderdaad naar de foto kijken die ze van zichzelf maakten, is het de vraag wie of wat ze dan zien.

En waar staat die persoon? Aan de vooravond van het verwerkelijken van zijn droom? Of gewoon voor aanvang van een volgend arbeidsseizoen?

A Thousand Fires

IDFA

Yoon Mi Mi Aung prent het haar jongere broer nog maar eens in. ‘Dit is de enige kans die je hebt om je leven te verbeteren. Als dit niet lukt, wat ga je dan doen? Werken op het olieveld? Boeren? Je zou niet eens weten hoe ’t moet!’

Zin Ko Aung heeft een proeftraining bij de voetbalclub Rakhine United F.C., in de grote stad Sittwe, op het programma staan. De jongen uit Magway, op het platteland van Myanmar, wil profspeler worden. ‘Als jij beroemd bent, gaan wij ons op je verlaten’, houdt zijn zus, die zelf inmiddels een kind heeft, hem quasi-serieus voor. ‘Ik stop dan onmiddellijk met werken.’

Niet veel later gaan de ouders van de getalenteerde linkspoot langs bij een waarzegger, niet voor het eerst in deze film. ‘Als hij doet wat hij leuk vindt’, vraagt zijn moeder Htwe Tin, ‘wordt hij dan succesvol?’ De ziener geeft een onnavolgbaar antwoord, boordevol heel betekenisvolle cijfers en dagen, dat al even enigmatisch eindigt: ‘Hij doet wat hij wil. Zo is hij geboren.’

Htwe Tin en haar echtgenoot Thein Shwe weten welk leven er op hun kind wacht als een sportcarrière toch niet voor hem is weggelegd. Zij hebben bij hun huis een geïmproviseerde boorput, waarmee ze handmatig olie uit de grond halen. Geen grote hoeveelheden. Een vat per dag misschien. Nét genoeg om te leven. Als ze heel hard doorwerken, tenminste.

In A Thousand Fires (90 min.) kruipt regisseur Saeed Taji Farouki dicht op het elementaire bestaan van het Birmese echtpaar. Behalve met het oppompen van olie – een zware, repetitieve taak die bovendien regelmatig voor kleinere en grotere verwondingen zorgt – houden Htwe en Thein zich vooral bezig met hun (klein)kinderen. Hoe zij een beter leven kunnen krijgen.

Farouki doorsnijdt hun dagelijkse beslommeringen met immersieve sequenties van al wat stroomt, brandt of blubbert. Beelden die bijna zijn te ruiken. Zoals ook de hitte en slopende arbeid, die eigenlijk in niets doet denken aan wat we in Westen associëren met oliewinning, bijna lijfelijk zijn te voelen in deze zintuiglijke film, waarin ook het geluid van de oliepomp alomtegenwoordig is.

Een in wezen klein familieverhaal krijgt in A Thousand Fires zo een universeel karakter. Van stug doorploeteren, voor en met elkaar en ondertussen hopen op een beter leven – al is het dan voor een volgende generatie.

Ascension

Het lijkt in eerste instantie of de Industriële Revolutie nét heeft plaatsgevonden in China. In kolossale fabrieken verrichten goedkope arbeidskrachten ouderwets lopendebandwerk. Ze controleren eindeloos etiketten van flesjes, fabriceren kunstkerstbomen of leggen aan een naaimachine de laatste hand aan steeds weer hetzelfde kledingstuk. Dit is ‘de Chinese Droom’, die voor buitenstaanders toch eerder op een nachtmerrie lijkt.

Die medewerkers zijn ouderwets op straat geworven door een standwerker, de openingsscène van Ascension (98 min.). Zittend werk. Of juist staand. Met gratis ritje naar de fabriek. Maaltijd erbij. Geen gezondheidscontrole bovendien. Geen tatoeages ook. Of alleen als ze hem niet kunnen zien. Gratis wifi, natuurlijk. In het uurloon zit doorgaans alleen even weinig variatie als in het werk zelf: rond de drie dollar per uur.

Dat werk kan zomaar fascinerend, grappig en ontroerend worden. In een fabriekshal sleutelt een team bijvoorbeeld, met veel zorg en precisie, aan levensechte sekspoppen met over het algemeen opvallend grote borsten. Custom made. Ogen, haar, schaamstreek, elk lichaamsonderdeel krijgt de aandacht die het verdient. En daarna wordt er een verleidelijke foto van gemaakt voor de opdrachtgever.

Gaandeweg slaat deze gestileerde observerende film van Jessica Kingdon zijn vleugels uit naar andere vormen van bedrijvigheid, waarbij de Influencer-revolutie niet aan China blijkt te zijn voorbijgegaan. Tijdens een tweedaagse workshop rond de vraag ‘Waarom zouden klanten van jou kopen?’ worden de deelnemers bijvoorbeeld aangespoord om hun eigen merk te worden. Ze moeten aan het eind hun persoonlijke doelen uitspreken.

‘Na deze workshop heb ik besloten dat ik komend jaar twee miljoen ga verdienen’, zegt de oprichter van de Mister Ox Dating Training Club. Andere deelnemers gaan voor zeker tien miljoen in hun eerste jaar. ‘En honderd miljoen in vijf jaar’, voegt een man, die trots poseert met het getuigschrift van de cursus, er blijmoedig aan toe. Een ander heeft simpelweg besloten dat hij zich he-le-maal kapot gaat werken. Hij oogst zowel applaus als een gulle lach.

Intussen tekent zich in Ascension een authentieke klassenmaatschappij af, met een klassieke winner-takes-all mentaliteit. Te midden van alle werkbijen fladderen ook talloze luxepaardjes door het leven. De Amerikaanse Droom zogezegd, op zijn Chinees. Waarbij kapitalistische uitwassen, massa-entertainment en een dociele attitude – vervat in zinnenprikkelende shots en een sprekende soundtrack – afwisselend voor verbazing, gêne en afkeer zorgen in een prikkelend beeldessay over het hedendaagse China.

The Gig Is Up

IDFA

Hij doet zich voor als zwarte Republikein. In werkelijkheid is Jason Edwards zo wit als wat. Een uitgesproken politieke voorkeur lijkt de Amerikaanse dertiger met de criminele antecedenten en gouden tanden – echt! zegt hij, geen grillz! – ook niet te hebben. Voor de mening van rechtse Afro-Amerikanen is simpelweg een markt. Met het invullen van online surveys kan Edwards, die inwoont bij zijn morsige, aan krasloten verslaafde moeder in Florida, zo volgens eigen zeggen een fatsoenlijke boterham verdienen.

De op het eerste oog tamelijk labiele Edwards is onderdeel van de snel uitdijende klusjeseconomie. De klant is daarbij koning. Om ervoor te zorgen dat die zich inderdaad als een vorst behandeld voelt, zijn alleen talloze ‘ghost workers’ nodig: Über-chauffeurs, Deliveroo-bezorgers en TaskRabbit-klussers – en de anonieme werkbijen, zoals Amazons zwaar onderbetaalde MTurkers, die daar weer achter schuilgaan. Zij worden doorgaans per opdracht betaald en werken dus niet meer voor een baas. Denken ze. Beter: dachten ze. Wie eenmaal met ‘de tirannie van de algoritmen’ is geconfronteerd, weet wel beter.

Met ‘gig workers’ uit verschillende landen en deskundigen met een helikopterview brengt de Canadese documentairemaker Shannon Walsh deze nieuwe economie in kaart, waarbij klantbeoordelingen en sterwaarderingen het welzijn van de wereld en het op waarde schatten van de individuele mens vreemd genoeg vooral in de weg lijken te zitten. Walsh focust zich in deze gedegen film vooral op die misstanden, ongevallen en excessen (zoals een afzichtelijk groot huurfietsenkerkhof in het Chinese Shenzhen). Zodat de vraag zich onvermijdelijk opdringt of deze vorm van platformkapitalisme eigenlijk wel kan bestaan zónder schaduwarbeid. Walsh draait er in elk geval niet omheen: The Gig Is Up (90 min.). Ofwel: het spel is uit!

Al zou de wens daarbij toch wel eens de vader van de gedachte kunnen zijn…

Monobloc: On The Trail Of 1.000.000 Plastic Chairs

Een miljard exemplaren van de Monobloc zouden er rondzwerven op de wereld. Iedereen heeft ook wel eens (verplicht) op zo’n karakteristieke witte plastic stoel plaatsgenomen. Geen camping, tuin of festival kan eigenlijk zonder. Ook fijn: na gebruik kan ie netjes worden opgestapeld.

Het ding is dik een halve eeuw geleden in productie genomen door de Noord-Italiaanse broers Camillo, Serafino en Carlo Proserpio. Het kost volgens hen nog geen minuut om een exemplaar te fabriceren. Daarom is ie waarschijnlijk ook spotgoedkoop. De Monobloc werd echter niet door de Proserpio’s ontworpen, maar door hun Franse concullega Henry Massonnet. Hij won er een ‘Oscar des Meubles’ mee, maar slaagde er niet om een patent te verkrijgen voor deze stoel uit één stuk.

Monobloc: On The Trail Of 1.000.000 Plastic Chairs (53 min) had intussen een oersaai verhaal kunnen worden – over een massaproduct waarvan niemand echt houdt – ware het niet dat documentairemaker Hauke Wendler er een lekker losse en luchtige verteltrant op nahoudt. Zo heeft hij met witte stoeltjes bijvoorbeeld het woord Monobloc gevormd op het strand. ‘We moesten 150 plastic stoelen kopen voor de opnames op het Noordzeestrand’, vertelt hij er lekker droog bij. ‘Vermoedelijk zijn we nu de enige documentairemakers ter wereld die 150 plastic stoelen bezitten.’

Toch is Monobloc, opgeleukt met een kekke soundtrack en vermakelijke vox pops, ook geen melige bedoening geworden. De stoel, waarop westerlingen nogal eens spugen vanwege zijn lelijke ontwerp en milieuonvriendelijke basismateriaal, heeft in andere delen van de wereld juist bijgedragen aan maatschappelijke veranderen. In India hielp de Monobloc, beweert de plaatselijke fabrikant tenminste, bijvoorbeeld bij het verbeteren van de leefomstandigheden van de onderklasse. In Oeganda zijn de stoeltjes gebruikt als basismateriaal voor betaalbare rolstoelen. En in Brazilië kunnen mensen in hun inkomen voorzien door Monoblocs in te zamelen en worden ze vervolgens massaal gerecycled.

‘Voor de duidelijkheid: de Monobloc is nog steeds niet mijn favoriete stoel’, concludeert Heike Wendler, na zijn interessante rondgang langs de halve wereld. ‘Maar in onze huidige wereld vertrouwen miljoenen mensen op de Monobloc. Omdat ze geen geld hebben en simpelweg geen andere keus.’

Alleen Tegen De Staat

BNNVARA

Ze had net een pretecho gehad. Een dochter! Na twee jongens. ‘Één van de mooiste dagen van mijn leven.’ En toen kwam die brief. ‘Ik dacht: oh, mijn God, ik ben zo blij geweest dat ik een dochter krijg’, herinnert Nazmiye zich. ‘Dit is een straf van God.’ Die had er niets mee van doen. Ze was in het vizier gekomen van de Nederlandse Belastingdienst.

Vijf vrouwen. Alleen Tegen De Staat (54 min ), in een interviewfilm van Stijn Bouma. Ze heten Derya, Janet, Nazmiye, Badrya en Naoual. De vrouwen, stuk voor stuk van buitenlandse afkomst, hebben plaatsgenomen in een nondescripte ruimte met oranje stoelen. Één van hen wil niet in beeld. Schaamte? Geen weldenkend mens zal het haar kwalijk nemen.

Ze waren ooit medewerker van justitie, tandartsassistente of werkzaam in de financiële sector. Totdat ze plotseling werden aangemerkt als fraudeur. Ten onrechte, welteverstaan. Terwijl ze hun verhaal doen, worden de vrouwen in de rug gedekt door hun lotgenoten. Die luisteren toe. Ingehouden. Gelaten ook. Met een pijnlijke blik van herkenning.

Hun individuele getuigenissen, recht in de camera opgetekend, ballen zich samen tot een collectieve ervaring, die we inmiddels kennen als de Toeslagenaffaire. Een Kafkaëske maalstroom van vernederingen: schulden, ontslag, voedselbank, depressie, kinderen uit huis geplaatst… Totdat er van hen en wie ze waren nauwelijks meer iets over is. Volledig ontmenselijkt.

‘Ik hoop echt dat ze allemaal de tering krijgen en allemaal doodvallen’, zegt Derya uit de grond van haar vertrapte hart. ‘Dat hoop ik. Maar ja, ik weet niet wat ik daarmee bereik, want het wakkert allemaal haat aan in me.’ In de climax van deze kale, uiterst doeltreffende docu draait ze zich vervolgens om naar de medegedupeerden achter haar. ‘Weet je, ik haat ze gewoon. Haten jullie ze niet dan?’

The Truffle Hunters

Of Aurelio Conterno de geheime plekken wil prijsgeven waar hij ze vindt? De 84-jarige truffeljager peinst er niet over. ‘Maar wat nu als er morgen iets met jou gebeurt?’ werpt zijn gesprekspartner tegen. ‘Dan gaat al jouw kennis verloren.’ Die neemt Aurelio echter met liefde en plezier mee het graf in.

Grote vraag is alleen wat er dan met zijn grote liefde Birba moet gebeuren. De hoogbejaarde jager uit het Italiaanse Piedmont is nooit getrouwd en heeft ook geen kinderen. Bij wie kan hij zijn dierbare hond kwijt? Het moet in elk geval iemand zijn die een ervaren truffelspeurder op waarde weet te schatten. Ze wijden er in The Truffle Hunters (84 min.) menig gesprek aan, de sensitieve hond en zijn trouwe tweevoeter.

Uiterst liefdevol portretteren Michael Dweck en Gregory Kershaw intussen een stilaan verdwijnende gemeenschap, waarbinnen truffels als eetbare diamanten worden gezocht, verhandeld en gegeten. Behoudens enkele scènes vanuit het perspectief van één van de honden beweegt de camera daarbij nauwelijks. De documentairemakers vangen de cultuur, mores en bedreigingen (strychnine!) in sfeervolle en bloemrijke tableaus.

Zo is er bijvoorbeeld de glorieuze scène van een connaisseur die in een restaurant een truffelgerecht krijgt opgediend, uitgebreid besnuffeld en daarna verlekkerd verorberd. In één enkel tafereel wordt de essentie van de man en zijn passie blootgelegd. Of de woede van een truffelveteraan die er nu echt mee wil stoppen, maar een haperende typemachine op zijn weg vindt. Hoe kun je niet van zulke paradijsvogels gaan houden?

Uiteindelijk is dit ook eerst en vooral een film van hartveroverende personages. Zoals ook de 88-jarige Carlo Gonella en zijn hond Titina. Het duo wordt in de kerk toegesproken door meneer pastoor. Volgens hem kunnen ze in het hiernamaals gewoon op truffels blijven jagen. Carlo’s vrouw Maria Cicciù heeft alleen liever niet dat hij dit in het hier en nu in het donker doet. Te gevaarlijk. Hij zou zich kunnen bezeren!

The Truffle Hunters, in de loop van drie jaar gefilmd en opgefleurd met een heerlijk melancholieke soundtrack van Ed Côrtes, schetst even kalm als trefzeker een intrigerend, droogkomisch en teder portret van een herfstige wereld die zijn langste tijd leek te hebben gehad – en nu toch is vereeuwigd.

Myth & Mogul: John DeLorean

Netflix

‘Als je een tijdmachine wilt maken van een auto, dan kun je ‘t maar het beste in stijl doen, niet?’ zegt uitvinder Doc Brown tegen de blitse tiener Marty McFly, gespeeld door Michael J. Fox, in de klassieke speelfilm Back To The Future (1985). Samen gaan ze met de DeLorean, verrijkt met een door Brown ontworpen ‘Flux Capacitor’, terug in de tijd reizen.

Een beter uithangbord kon een nieuwe autofabrikant zich natuurlijk niet wensen. John DeLorean, bedenker en naamgever van het übercoole voertuig, wreef zich ongetwijfeld in de handen: zijn jongensdroom, een eigen sportauto, werd nu definitief onderdeel van de populaire cultuur. En hij, de voormalige ingenieur van General Motors in Detroit, kon intussen doorgaan voor een absolute topondernemer.

‘s Mans luchtfietserij was echter voor een belangrijk deel mogelijk gemaakt door Brits overheidsgeld. Daarom vestigde DeLorean zijn fabriek eind jaren zeventig ook in West-Belfast, waar het Noord-Ierse conflict niet alleen voor doden en gewonden, maar ook voor enorme werkeloosheid had gezorgd. In de autofabriek kwam een aparte ingang voor katholieken en protestanten, die voor het eerst gezamenlijk aan één product gingen werken. Maar of die droom werkelijk levensvatbaar was?

In de gedegen driedelige serie Myth & Mogul: John DeLorean (132 min.) ontrukt documentairemaker Mike Connolly de man en zijn verhaal aan de vergetelheid. De Messiaanse autofabrikant – ziener of toch charlatan? – werd al eerder geportretteerd in een documentaire, DeLorean (1981) van het legendarische direct cinema-duo D.A. Pennebaker en Chris Hegedus. Toen werd hij nog beschouwd als de Elon Musk van zijn tijd. Veertig jaar later is er van dat blitse imago weinig meer over.

Samen met zijn zoon Zach en ex-vrouw Cristina en lieden die gedurende zijn turbulente levenswandel z’n pad kruisten, zoals schrijfster Gail Sheehy, journalist Jeremy Paxman en politicus Michael Heseltine, schetst Connolly de opkomst en (onvermijdelijke) ondergang van de man die zich rustig van slinkse methoden bediende om zijn eigen droom te kunnen verwezenlijken.

Hoogtijdagen – Portret Van Een Gehavend Gebied

Mokum

Zo’n beetje elk afzonderlijk shot van deze documentaire zou op een ansichtkaart kunnen. Verstuurd vanuit het verre Kola, een schiereiland in het Noordwesten van Rusland. Gelegen in de Poolcirkel. Waar de Sovjet-Unie ooit grootse verwachtingen losmaakte. Over bodemschatten die voor mijnbouw, werkgelegenheid en welvaart zouden gaan zorgen.

Utopia werd gaandeweg echter een Russische variant op Nergenshuizen. Tegenwoordig reppen ze er vooral over verloren tijden. Vergane glorie. En het rijk dat ten onder ging met de filosofie waarop die was gegrondvest: het communisme. Het is een plek geworden van opgepoetste herinneringen, geknakte ambities en – als je meer wilt van het leven – het verlangen om er zo snel mogelijk weg te gaan. Nú, als het kan.

Regisseur Ben van Lieshout vangt de desolate atmosfeer met een film die oogt als een serie bewegende foto’s, waarbij de camera zich nauwelijks verroert en slechts een heel enkele keer rugdekking krijgt van muziek. Hoogtijdagen – Portret Van Een Gehavend Gebied (90 min.) is doortrokken van de scheefgetrokken huizen, verouderde industrie, doodgeslagen leuzen, afgebladderde gebouwen, bergen afval en standbeelden van Sovjet-helden die hun fierheid allang zijn verloren.

Hier en daar lopen of rijden er nog wat verdwaalde Russen door het beeld. Zij slijten hun (laatste) levensdagen in deze sombere uithoek van de aarde, waarin de filmmaker een soort onttakelde schoonheid heeft ontdekt. Onderkoeld vertellen deze achterblijvers over hoe de wereld om hen heen is veranderd en gaandeweg ook hen van hun dromen heeft beroofd. Hoopvol werd onverbiddelijk melancholiek.

Kalm en trefzeker schetst Van Lieshout via Kola en z’n bevolking de opkomst en ondergang van het Russische communisme. Dat is geen meeslepende vertelling geworden – soms een beetje traag en saai zelfs – maar veeleer een soort wrakkenmuseum. Voor een wereld die inmiddels een glorieuze toekomst achter zich heeft liggen.

Het Leven Gaat Niet Altijd Over Tulpen

EO

Klaas Schouten, een noeste werker van tegen de zestig, heeft het mooi voor elkaar: hij is gelukkig getrouwd met Jolanda, hun tulpenkwekerij in het West-Friese Andijk floreert en zoon Simon en dochter Irene schaatsen nationaal en internationaal voor de medailles. En dan krijgt zijn echtgenote een hersenbloeding en staat zij, en daarmee ook haar directe familie, voor een lange en moeizame herstelperiode.

Regisseur Barbara Makkinga dringt in Het Leven Gaat Niet Altijd Over Tulpen (84 min.) diep door in het leven van het echtpaar Schouten en hun vier volwassen kinderen. Dat speelt zich af tegen een werkelijk prachtig decor. In de openingsscène poseert het gezin bijvoorbeeld te midden van een zee van gele tulpen voor een familiefoto. Waarna er hele fijne (drone)shots zijn te zien van de verwerking van bloemen op het uitgestrekte veld.

Het camerawerk, met veel oog voor symmetrie en detail, is één van de zegeningen van deze film, die daardoor groots aanvoelt en soms toch heel intiem wordt, bijvoorbeeld als de kinderen de dagelijkse zorg voor moeder voor hun rekening nemen of als vader Klaas van dichtbij wordt gevolgd tijdens een wedstrijd van één van zijn kinderen. Ook opvallend: de expressieve soundtrack van Vincent van Warmerdam, die wel erg de aandacht naar zich toetrekt.

Terwijl de beide zonen Simon en Klaas junior plannen maken om het bedrijf over te nemen, is het met name dochter Catherine die mantelzorger is voor hun moeder. In hoeverre vervult zij daarmee een wezenlijke taak binnen het familiebedrijf en vertegenwoordigt dit ook waarde? Het herstel van Jolanda, die is aangewezen op een rolstoel en ook geregeld in een verpleeghuis verblijft, verloopt intussen tergend langzaam. Ze is ook regelmatig somber of nukkig.

Met fragmenten uit familievideo’s toont Makkinga de vrouw die ze ooit was en de moeder die haar kinderen nog altijd in haar zien. Zo maakt ze inzichtelijk wat de familie is kwijtgeraakt. Dit drama treden ze overigens doorgaans met Hollandse nuchterheid tegemoet. Dat verdriet blijft veelal onderhuids. Het contrast is groot met hoe Klaas bijvoorbeeld reageert als hij meent dat één van zijn kinderen onrecht is aangedaan tijdens het schaatsen. Dan bliksemt het in zijn ogen.

Het Leven Gaat Niet Altijd Over Tulpen weet in, om en ver van huis de interne machinerie van de Schoutens uitstekend te vangen, al worden niet alle verschillende verhaallijntjes even zorgvuldig uitgewerkt en had enige duiding soms ook niet misstaan. De film is eerst en vooral een fraaie sfeerimpressie van een hecht gezin dat er in moeilijke tijden, zoals het nu eenmaal gewend is, gezamenlijk de schouders onder zet.

Men At Lunch

Rustig werken ze hun bammetjes weg. Netjes op een rijtje. Elf staalwerkers tijdens hun lunchpauze, zittend op een balk. Even rust, even ontspannen. Achter hen is het New York van de jaren dertig te ontwaren, met de Hudson-rivier en het Central Park. Ruim tweehonderd meter beneden hen, welteverstaan. De mannen bevinden zich op een wolkenkrabber in aanbouw. Van hoogtevrees hebben ze ogenschijnlijk geen last. Die is gereserveerd voor de nietsvermoedende kijker. Die ziet de peilloze diepte.

Wie ze waren? Daarover is meer dan genoeg gespeculeerd, maar ergens onderweg zijn hun namen verloren gegaan – of ze zijn, omdat die er eigenlijk niet toe deden, gewoon nooit genoteerd. Wat is gebleven, is die ene iconische foto. Die nog altijd tot de verbeelding spreekt en overal opduikt: als een toonbeeld van de onverzettelijkheid van gewone werkemannen ten tijde van De Grote Depressie. Het waren de jaren van honkbalheld Babe Ruth, de drooglegging van de Verenigde Staten en Franklin Delano Roosevelts ‘new deal’ die het land er weer bovenop zou helpen.

Niet alleen de identiteit van de Men At Lunch (65 min.) is altijd onbekend gebleven. Ook naar de fotograaf van Lunch Atop A Skyscraper is het nog altijd gissen. Alleen de datum waarop hij het adembenemende tafereel op de RCA-wolkenkrabber op Rockefeller Plaza arrangeerde voor zijn fotocamera staat vast: 20 september 1932. En met die informatie gaat regisseur Seán Ó. Cualáin in deze verzorgde film uit 2012, waarvoor actrice Fionulla Flanagan de voice-over verzorgt, op onderzoek uit. Het spoor leidt naar het Ierse platteland, waar de wortels van in elk geval twee van de elf mannen zouden liggen.

Zij staan model voor de miljoenen immigranten, die aan het begin van de twintigste eeuw hun eigen geboortegrond ontvluchtten, hun geluk in het Land van Hoop en Dromen gingen beproeven en daar bijvoorbeeld de gevaarlijke klusjes zouden opknappen bij de opbouw van het moderne New York. Jaarlijks stierf twee proces van de staalwerkers tijdens het bouwen van wolkenkrabbers. Nog eens twee procent raakte invalide. Volgens de overlevering hielden de werkers er daarom een naargeestig motto op na: wij gaan niet dood, wij worden vermoord.

Wat er verder ook van hen is geworden, door die ene foto leven ze voort en fungeren ze bovendien als inspiratiebron voor bouwvakkers die, voor het oog van fotograaf Joe Woolhead, het New York van na 11 september 2001 weer proberen op te bouwen.

De Boerenrepubliek

Bert ter Beek / ICU Documentaires

Het is een aangrijpend tafereel. Boer Bert ter Beek uit Oene, een man die je direct in je hart sluit, bidt het Onze Vader en heft vervolgens, te midden van de loeiende koeien in zijn stal, Psalm 121 aan. Als Bert klaar is, gaat hij aan het werk met de mannen die zijn gekomen om zijn vee te ruimen. Hij pakt een touw en leidt de eerste de beste koe de vrachtwagen in. Zijn hoogbejaarde vader kan het niet aanzien. Bert slaat zijn arm om hem heen en zegt troostend: ‘Stil maar, jongen. We redden het wel.’

‘De burger begrijpt de boer niet meer’, constateert verteller Felix Meurders aan het begin van de vierdelige serie De Boerenrepubliek (200 min.) van Hans Hermans en Martin Maat. ‘En de boer snapt de overheid al helemaal niet meer.’ De Brabantse varkensboer Frans Meulenmeesters verwoordt dat gevoel perfect. ‘Het is nooit, maar dan ook nooit, maar dan ook nooit genoeg.’ ‘s Mans bittere constatering vormt de opmaat naar een breed opgezette, empathische en genuanceerde rondgang langs de permanente botsing van belangen tussen boer, natuur en overheid, aan de hand van de MKZ-crisis in het voorjaar van 2001. Die ijlt twintig jaar na dato nog altijd na in agrarisch Nederland.

Het eerste geval van mond- en klauwzeer werd aangetroffen in Oene, een dorp in het Noordoosten van Gelderland dat direct in lockdown moest – een term die toen overigens nog helemaal niet werd gebruikt. De plaatselijke melkveehouder Albert Hassink haalde destijds het NOS Journaal met een videodagboek vanuit zijn eigen bedrijf. De beelden maken nog altijd indruk. ‘Die worden allemaal afgemaakt’, zegt Hassink met een snik in zijn stem, bij de aanblik van zijn ogenschijnlijk kerngezonde koeien. ‘Daar heb je je hele leven hard voor gewerkt. Je ouders, je voorouders, om dit op te bouwen. Het wordt in één dag allemaal afgemaakt. Allemaal.’ Hij sluit zijn video af met een oproep aan de toenmalige minister van landbouw, Laurens Jan Brinkhorst: ‘Minister, dit gaat fout. Dat ziet u toch ook wel?’

‘De reactie van deze boer begrijp ik heel goed’, reageert Brinkhorst twintig jaar later. ‘De individuele boer valt niks te verwijten.’ Het is volgens de oud-minister wel tragisch: omdat Nederland zelf – met steun van belangenorganisaties van de boeren – een toonaangevende exporteur van landbouwproducten wilde worden, moest het Europese non-vaccinatiebeleid worden ingevoerd. ‘De gevolgen zijn natuurlijk dat je je export kwijt bent als je gaat vaccineren.’ En dus werd er niet geënt, zoals de betrokken boeren wilden, maar ‘geruimd’, een eufemistische term voor het doden van de dieren. ‘Koeienmoord’, volgens sommige agrariërs. Van in totaal zo’n kwart miljoen, voor het grootste deel gezonde dieren. Dat zou uiteindelijk leiden tot rellen in Kootwijkerbroek. En die waren dan weer een logisch vervolg op de boerenprotesten van de jaren negentig en een voorbode van de grootschalige acties die organisaties als Farmers Defence Force tegenwoordig opzetten.

In deze ambitieuze reeks worden al die elementen, zo nu en dan met ingrijpen van voice-over Meurders, op een logische manier met elkaar verbonden: van de uitbraak van varkenspest tot het huidige stikstofbeleid en de Coronacrisis (die in 2001 al min of meer werd voorspeld door viroloog Ab Osterhaus). Met oog voor zowel de gevoelens en belangen van de Nederlandse boer als van zijn natuurlijke opponenten, de natuur- en dierenbeschermers. Die spreken over dierenbevrijding, een klimaatcrisis en gebrek aan biodiversiteit (en als gevolg daarvan zoiets als ‘landschapspijn’). Beide partijen lijken elkaar gevangen te houden in een kansloze strijd, waarin ook hun gezamenlijke vijand, ‘de politiek’, vooralsnog het verschil niet weet te maken.

Sinds de MKZ-crisis is het aantal boeren gehalveerd en het aantal dieren gelijk gebleven. Dat lijkt vragen om problemen. Alleen een fundamentele herbezinning zou de Gordiaanse knoop die de Nederlandse landbouw gaandeweg is geworden kunnen ontwarren. De Boerenrepubliek besteedt in dat kader ook aandacht aan veelal kleinschalige initiatieven om het boeren te vernieuwen. Uiteindelijk bepaalt de consument natuurlijk welke daarvan succesvol kunnen zijn. ‘Drie keer per dag hebben wij als mensen een stem in wat voor voedselsysteem wij willen’, stelt varkenshouder Jeffrey Korsmit uit Sint Willebrord. Hij houdt zijn Magalitza varkens gewoon buiten, waar ze lekker in de modder kunnen rollen. Voor hem en het welslagen van zijn bedrijf is het vanzelfsprekend essentieel dat de kwaliteit van het product (weer) voorop komt te staan.

Op een respectvolle manier belicht deze verzorgde serie zo, aan de hand van een crisis die diepe sporen heeft getrokken door de boerengemeenschap, alle verschillende posities en perspectieven rond de Nederlandse landbouw en hoe de toekomst daarvan eruit zou kunnen zien.

De Boerenrepubliek is hier te bekijken.

9to5: The Story Of A Movement

In één van de eerste 9to5-blaadjes was hun positie in een woord of tien treffend samengevat: ‘We are referred to as “girls” until the day we retire without pension.’ In de jaren zeventig werkten talloze Amerikaanse vrouwen als secretaresse, klerk of typiste. Ze voelden zich echter niet gehoord door de burgerrechtenbeweging, de eerste feministische golf en de bedrijfswereld waarvan ze onderdeel uitmaakten.

De vrouwen zaten vast in een Groundhog Day-achtige aflevering van Mad Men: ze maakten hele lange dagen op kantoor, werden daarop behandeld als veredelde koffiejufrouw en kregen een schamel loon dat paste bij die status. Totdat enkele activistische vrouwen, bevangen door de tijdgeest, besloten om hun recht te gaan opeisen. En elke seksistische ‘boss’ kon zijn borst natmaken.

‘Sommige chefs beschouwen hun secretaresse als een soort kantoorvrouw, die ze zowel een memo kunnen dicteren als koffie kunnen laten zetten’, constateerde de legendarische tv-journalist Walter Cronkite in zijn aankondiging van een reportage over één van de stakingsacties, de zogenaamde Coffee Rebellion. ‘Maar in Chicago vroegen sommige van die vrouwen vandaag echtscheiding aan.’

In 9to5: The Story Of A Movement (86 min.), de tamelijk conventionele nieuwe documentaire van Julia Reichert en Steven Bognar (die dit jaar een Oscar wonnen voor American Factory), blikken kernfiguren van de emancipatiebeweging terug op hun strijd met ‘male chauvinist pigs’ en scepsis in de eigen gelederen. Die vormde ook de inspiratie voor de Hollywood-comedy Nine To Five, met de activiste actrice Jane Fonda in de hoofdrol.

De speelfilm, en de titelsong die Dolly Parton daarvoor schreef, zou hun ideeën naar de mainstream brengen, waar gelijke rechten voor vrouwen op de maatschappelijke agenda kwamen te staan en ook de term ‘seksuele intimidatie’ gemeengoed zou worden. Die historie wordt in deze documentaire, met veel aansprekend archiefmateriaal en vlotte muziekjes, hartstikke netjes opgetekend.