Leve De Vrouw Van De SRV

BNNVARA

Probeer haar maar eens níet in je hart te sluiten. Met dat (grote) hart op de tong, het eeuwige shaggie in de mond en die onmiskenbaar Tilburgse tongval. Tonny Steenis, voormalig probleemgeval. Dwars. Agressief. Tokkie. Ooit was ze zelfs dakloos. En probeerde ze naar binnen te rijden bij het politiebureau.

Met ‘Tonneke’s rijdende winkel’ heeft ze zichzelf opnieuw uitgevonden (‘ik ga nooit meer naar de soos’) en is ze zowaar een sociale functie gaan vervullen in de wijken die ze met haar wagen aandoet. Ze maakt her en der een praatje, biedt een luisterend oor en matst vaste klanten die even op zwart zaad zitten.

Tonny heeft zelf eigenlijk ook geen cent te makken. Heel veel levert die wagen niet op. Ze heeft er ook flinke schulden voor moeten maken. En vriend Kees, met wie ze oeverloos kan bekvechten, maakt haar zo nu en dan horendol. Soms komt de stoom bijna letterlijk uit haar oren en ziet zelfs deze doorgewinterde doordouwer het niet meer zitten.

Toch is Leve De Vrouw Van De SRV (originele titel: Laatste Der Mohikanen, 47 min.) op de één of andere manier een optimistische film. De documentaire, waarmee Max Ploeg afstudeerde aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, toont een vrouw die zich niet laat ontmoedigen door de klappen die het leven aan haar heeft uitgedeeld.

Ploeg dringt via zijn cultheld in de dop tevens diep door in een volksbuurt, waar allerlei kwetsbare mensen het hoofd boven water moeten zien te houden. Hij kijkt onbevooroordeeld met Tonny mee, begeleidt haar lotgevallen met een lekker lome jazzsoundtrack – en dus niet met Nederlandstalige schlagers – en tilt de film zo moeiteloos uit boven de gemiddelde docusoap over een probleemwijk.

Tonneke blijft intussen, soms tegen beter weten in, stug rondrijden. ‘Totdat we erbij neervallen.’

Missie NS

KRO-NCRV

‘De reiziger staat op 1, 2 en 3.’ De NS wil voor ‘een 9+ ervaring’ zorgen bij de klant. Zodat de conducteur, ook wel ‘gastheer’ of ‘host’ genaamd, te maken krijgt met louter ‘blije reizigers’. Want de NS gaat voor ‘totale reisbeleving’. Dat is ‘the narrative’. Met een slogan met de onmiskenbare wilde frisheid van limoenen: ‘Proef de vrijheid’.

Elke stiel heeft zijn eigen jargon – al begint die van grote organisaties wel steeds meer op elkaar te lijken. De Nederlandse Spoorwegen laten bijvoorbeeld allang niet meer (alleen) treinen op tijd rijden. Ook op het spoor gaat het tegenwoordig om beleving, waarbij de voormalige reiziger (blijkbaar) iets van zichzelf moet zien te verwerkelijken. Terwijl hij wacht op een trein die niet komt, zich propt in iets wat het meest weg heeft van een veewagon of – in het leeuwendeel van de gevallen – gewoon netjes op tijd op de plaats van bestemming wordt afgeleverd.

Missie NS (82 min.) brengt het totale bedrijf in beeld; van de top in het hoofdkantoor en de omroepers op het operationeel controle centrum tot de mensen die met hun poten door de coupés en balkons banjeren: de conducteurs, machinisten en schoonmakers. Regisseur Catherine van Campen hanteert daarbij een procedé dat inmiddels vertrouwd voelt: ze kiest niet voor duidelijke hoofdpersonen, maar observeert in alle hoeken en gaten van het bedrijf, waarbij de kijker wel enkele vaste gezichten krijgt voorgeschoteld.

De film bestaat uiteindelijk uit een vloeiend gemonteerde collectie snapshots die gezamenlijk een narratief vormen, wellicht zelfs ‘the narrative’ die NS zelf wil uitdragen. In die zin doet de documentaire denken aan vergelijkbare films over de snelweg (Snelweg NL), bouwsector (Jongens Van De Bouw) en aandachtsindustrie (Nu Verandert Er Langzaam Iets). Ook Missie NS, dat wel wat drama ontbeert, registreert hoe gewone mensen onderdeel zijn van een dienst, onderneming of beroepsgroep en legt zo en passant iets van onze volksaard bloot.

Van Campen is er duidelijk niet op uit om iets of iemand te ontmaskeren. Ze houdt ons simpelweg een spiegel voor: dit is de wereld waarin wij leven, van gezichtsloze instituties die wel degelijk door gewone mensen worden bevolkt. Zo bezien zijn er ook nog wel wat spannende organisaties te bedenken, waar de Nederlandse subsidieverstrekkers eens een filmploeg naartoe kunnen sturen: de Belastingdienst, Shell of de NAM. Die kunnen vast ook nog wel aan hun ‘beleving’ werken.

Ghost Fleet

BNNVARA

Ze konden een baantje krijgen. Op een kippenboerderij, fabriek of varkenshouderij. En toen ging de deur op slot, kregen ze een nepnaam toebedeeld en belandden ze op een heus slavenschip. Voor zeven jaar, elf jaar of tot de dood erop volgde. Als de gezichtsloze arbeidskrachten van de Thaise visserij. Hun families in Cambodja, Burma of Myanmar dachten intussen dat ze dood waren. Zijzelf soms ook.

Activiste Patima Tungpuchayakul van het Labour Protection Network, in 2017 genomineerd voor de Nobelprijs voor de Vrede, bekommert zich om deze moderne slaven. In de gestileerde documentaire Ghost Fleet (90 min.) van Shannon Service en Jeffrey Waldron vaart de gedreven Thaise de 4000 mijl naar Indonesië. Daar hoopt Tungpuchakaykul mannen te vinden, die uit hun gevangenschap zijn ontsnapt en zich nu, soms al jarenlang, verschansen voor de mensenhandelaars.

In hun getuigenissen beschrijven deze voormalige slaven talloze schendingen van basale mensenrechten. Tungpuchayakul wil hen herenigen met hun thuisfront, maar de mannen hebben in den vreemde soms een ander leven opgebouwd, zijn angstig geworden of kampen met schaamte. De ervaring heeft van hen andere mensen gemaakt, die bovendien volledig losgerukt zijn geraakt van hun natuurlijke leefomgeving. En dat allemaal voor een luizig baantje – waarvoor ook wij, zo maakt de fraaie slotscène helder, verantwoordelijkheid dragen.

Ceres

EO

Het Zeeuwse land wordt in handen van filmmaker Janet van den Brand een geborgen wereld waar mens, dier en plant op natuurlijke wijze samenleven. Van den Brand observeert een beschutte agrarische gemeenschap tijdens het oogstseizoen. Via vier kids die op één van de afgelegen boerderijen opgroeien, met de ambitie om, als vanzelfsprekend, het familiebedrijf op termijn over te nemen.

Elke vorm van moderniteit, op een enkele boerengame en filmpjes van tractor pulling na, blijft achterwege in Ceres (54 min.). Van den Brand, zelf opgegroeid in Zeeland, kijkt mee als de kids appels en peren plukken, een vogel kortwieken of helpen als er een haan moet worden geslacht, die vervolgens gezamenlijk wordt gevild en uitgebeend. Uit alles spreekt een vanzelfsprekende relatie met het land en dit leven.

Door Van den Brands filmische benadering, het weldadige camerawerk van haar vriend Timothy Josha Wennekes (met veel close-up shots en nóg meer oog voor detail) en het levendige geluidsdecor van Tim Taeymans wordt deze film welhaast een zintuiglijke ervaring. Een ode aan de agrarische sector, zou je kunnen zeggen. Zonder een dwingende narratief, maar met een natuurlijke orde waarbinnen nieuw leven en de dood elkaar, als vanzelfsprekend, afwisselen.

Toch sijpelt zo nu en dan door dat die vanzelfsprekendheid niet meer zo vanzelfsprekend is als ooit. De volgende generatie boeren mijmert ook openlijk over de vrijheid van Australië, Canada of Nieuw-Zeeland. Want: ‘hierzo verdrink je bijna in al die regels’. En kan Ceres, de Godin van de landbouw, dus niet meer geheel onbevangen aanbeden worden.

The Biggest Little Farm

Het klinkt als de premisse voor een doldwaze aflevering van Ik Vertrek: stadskoppel uit Los Angeles zoekt vanwege hun dwangmatig blaffende hond een nieuwe woonplek en begint op een afgelegen stuk dode grond in Californië een ouderwetse boerderij, volledig in harmonie met de natuur. Filmmaker John Chester en zijn vrouw Molly, kok en culinair blogger, laten zich daarbij adviseren door een deskundige op het gebied van biodiversiteit, ene Alan York, die het koppel zo authentiek mogelijk wil laten boeren

Deze goeroe houdt het echtpaar voor om zich vooral niet te laten ontmoedigen. Zodra je de natuur zijn gang laat gaan, heeft die de ene na de andere uitdaging in petto. Van een ziek varken en vogels die al het fruit kapot vreten tot hevige regenval en kippen verslindende coyotes. Die ‘plagen’ worden door Chester, die zelf de voice-over verzorgt voor The Biggest Little Farm (93 min.), echter héél slim uitgeserveerd, zodat er levenslessen uit zijn trekken en het verhaal helemaal klopt. Of het dat in werkelijkheid nu deed of niet.

Op Apricot Lane Farms, een boerderij zoals we die kennen van vergeelde plaatjes, wordt gedurende acht intensieve jaren de natuurlijke orde der dingen hersteld. Met nieuw leven. En de dood, die ook. Prachtig vastgelegd. Als in de beste natuurfilms. Het dorre land komt tot leven in deze idyllische ode aan de voedselketen, die enkele vragen onbeantwoord laat (waar betalen de Chesters bijvoorbeeld al die dieren, planten en mensen van?), soms té zoetsappig dreigt te worden en tóch over de hele linie blijft boeien.

De Kracht Van De Kringloopwinkel

VPRO

Upcyclen, het geven van nieuw leven aan oude spullen, is het centrale thema van de nieuwe vijfdelige serie De Kracht Van De kringloopwinkel van Frank Wiering, het vervolg op Het Succes Van De Kringloopwinkel uit 2017. En de kringloopwinkels doen natuurlijk ook aan het upcyclen van mensen. Binnen de veilige context van de Kringloop hervinden ze zichzelf en elkaar.

Het is daarom zeker geen toeval dat ook de nieuwe serie rond Kerstmis wordt uitgezonden. De kracht van de kringloopwinkel appelleert aan een idee van naastenliefde, dat in de donkere dagen van het jaar menigeen in zijn greep krijgt. Met terloopse gesprekjes met medewerkers en bezoekers probeert Wiering dat idee te pakken te krijgen.

Zo ontmoet hij in Kringloopcentrum Amersfoort bijvoorbeeld de Amerikaanse Sally, die met haar eigen team De Eksters textiel omwerkt tot designtassen. En die mogen ze op Koningsdag aanbieden aan de Koninklijke Familie. Tenminste, als die besluit om halt te houden bij hun kraam. En de leden van het Koninklijk huis toeroepen, dat mag natuurlijk niet…

Via de mensen die voor zijn camera verschijnen brengt Frank Wiering, die het geheel met voice-overs aan elkaar praat en verluchtigt met golden oldies die zo uit de platenbakken van de Kringloop zijn geplukt, de achterkant van de participatiesamenleving in beeld: Nederlanders die ooit over de rand vielen of dreigden te vallen en in een beschutte omgeving aan een nieuw leven zijn begonnen.

Jongens Van de Bouw

BNNVARA

Over 22 maanden moet de woontoren klaar zijn. Een onmogelijke deadline, die eigenlijk niet te halen is met een normale werkweek. Vanaf juni 2017 gaan de Jongens Van De Bouw (87 min.) aan het werk om het onmogelijke tóch klaar te spelen en op tijd 375 huurappartementen in het hart van Rotterdam, Katendrecht, op te leveren.

Geertjan Lassche volgt het project via de mannen – op een enkele toiletjuffrouw na: geen vrouw te bekennen – die het project naar een goed einde moeten brengen. Gewone werkemannen. Die vaak aan een half woord genoeg hebben. En zelf liefst ook niet al te veel woorden vuil maken aan het werk. Aan niks eigenlijk.

Onderweg naar dat werk, tussen het gezwoeg door of gewoon tijdens de pauze, in de onvermijdelijke keet, vertellen ze wat hen bezighoudt: de lichamelijke ongemakken, al die buitenlanders op de bouwplaats of hoe het gaat thuis. Erg persoonlijk wordt het niet. En hoe lang ze ook al met elkaar werken, in het weekend of vakanties spreken ze elkaar nooit. Collega’s zijn ze, géén vrienden.

Zonder opsmuk brengt Lassche hun werklevens en de bijbehorende dilemma’s in beeld. Hoe lang houdt de kwakkelende bouwvakker Gerrit het bijvoorbeeld nog vol? Is de nieuwe leerling-timmerman Stef wel gemaakt voor het vak? Komt werkvoorbereider Carel met zijn exotische nieuwe geliefde nog wel aan zijn werk toe? En lukt het uitvoerder Stan om de klus binnen budget te klaren?

Met timelapse-beelden brengt Lassche ondertussen fraai de vordering van de bouw in beeld, die steeds enkele weken blijft achterlopen op het schema. ‘Er zijn belangrijkere dingen in het leven dan een gebouw’, concludeert Stan echter, terwijl hij aan het eind van de film het dak van de woontoren controleert. ‘Dat zijn de personen die het uiteindelijk doen en waarmee je het maakt.’

En dat lijkt een uitstekend motto voor deze stevige film, die zonder psychologische poespas doordringt tot een echte mannenwereld.

Overseas

Iota Productions

Een Filipijnse vrouw poetst het toilet in de onwerkelijke openingsscène van de observerende documentaire Overseas (91 min.). De bril, de pot, de vloer. Ze poetst. Poetst. En poetst. Ze begint zacht te snikken. Harder. En nog harder. Totdat ze voluit huilt.

‘Huil nooit waar je werkgever bij is’, doceert een oudere vrouw even later. Ze bereidt een groepje Filipijnse vrouwen voor op een bestaan als OFW: Overzeese Filipijnse Werker. Ze staan op het punt om voor enkele jaren naar een land als Saudi-Arabië, Dubai of Singapore te vertrekken. Voor een betrekking als uiterst gedienstige huishoudster. Helden zijn ze, volgens president Duterte, maar zo worden ze natuurlijk niet behandeld.

Behalve praktische vaardigheden zoals het bed opmaken, een baby in bad doen en de tafel schikken oefenen de vrouwen, die soms al enige tijd in het buitenland verbleven en lang niet altijd met prettige ervaringen thuiskwamen, vooral hoe ze moeten overleven in een omgeving waar de baas of bazin alles, letterlijk alles, bepaalt. Hoe zorg je ervoor dat je desondanks wordt behandeld als mens? Want dat zijn ze – daar zijn de cursusleiders behoorlijk stellig in.

En hoe houd je je de baas des huizes van het lijf? Natuurlijk, een ferme trap in zijn kruis zal voor even wel afdoende zijn, maar wat zijn je andere opties? Het zijn absurde taferelen, door regisseur Sung-A Yoon met een zekere distantie vastgelegd, die worden afgewisseld met persoonlijke ontboezemingen van de vrouwen onderling. Waarbij het voor buitenstaanders niet altijd helder is welke situaties en emoties echt en welke nagebootst zijn

Het doel van de gedrilde vrouwen is duidelijk: ze doen het ‘voor de familie’ (regel 1 van hun onderricht). Die moeten ze daarvoor dan wel enige jaren in de steek laten. In het opleidingscentrum, en deze boeiende film, werken ze gestaag toe naar een vanzelfsprekende climax: het moment waarop ze zichzelf thuis achterlaten en voor een nauwelijks te bevatten periode hun slavenpak aantrekken.

Ze Noemen Me Baboe

Cinema Delicatessen

‘Ba’ betekent juffrouw, ‘boe’ moeder. Ze noemen haar dus Baboe. Juffrouwmoeder. Oftewel: kindermeisje. Haar echte naam doet er niet toe. Het is zelfs maar de vraag of de ‘Belandas’ die kennen: Alima. Op de vlucht voor een gearrangeerd huwelijk is de Javaanse vrouw bij het Nederlandse gezin beland. Niet veel later zit ze zelfs met hen op de boot naar Holland. ‘Baboe’ draagt voortaan zorg voor de aandoenlijke peuter Jantje.

Eenmaal terug in Nederlands Indië worden zij en haar bijna-familie eerst geconfronteerd met de Japanse bezetting en daarna met de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, die voor Alima een heel persoonlijke dimensie krijgt via de onweerstaanbare revolutionair Riboet. Het is een tijd waarin haar loyaliteiten, en die van vele andere lokale gezinshulpen, danig op de proef worden gesteld.

Het kindermeisje doet in Ze Noemen Me Baboe (78 min.) zelf haar verhaal. Althans, regisseur Sandra Beerends heeft op basis van getuigenissen van (kinderen en kleinkinderen van) voormalige baboes en Nederlandse kinderen die een baboe hadden een poëtische voice-over tekst geschreven. Vanuit het perspectief van een fictief kindermeisje, Alima dus, dat zich richt tot haar jong gestorven moeder.

De filmmaakster heeft dit persoonlijke relaas – van een gewone vrouw die op een scharnierpunt in de Nederlandse koloniale historie belandt – verbeeld met een vloeiende combinatie van privé-video’s en (nooit eerder vertoond) beeldmateriaal uit Nederlandse en Indonesische archieven. Een subtiel geluidsdecor en zorgvuldig samengestelde soundtrack kleuren de zwart-wit beelden verder in.

Met deze absolute tour de force brengt Beerends zo op een klein en menselijk niveau, via de empowerment van een kindermeisje, een pregnant stuk Nederlandse historie tot leven.

Midnight Family

Het is een familiebedrijf, de ambulance van het Mexicaanse gezin Ochoa. Een bedrijf, juist. Als er geen officiële ambulance kan komen in Mexico-Stad, maakt dat de weg vrij voor commerciële hulpteams zoals de ziekenwagen van de Ochoa’s. De zeventienjarige zoon Juan, een guitig joch met een beugel, zit achter het stuur. Achter in de ambulance ligt Juans elfjarige broertje Josué, die nogal eens van school spijbelt, loom te wezen. Samen met hun vader Fernando en de kalme ambulancebroeder Manuel Hernández scheuren ze ’s nachts door de Mexicaanse metropool.

Op een bevolking van negen miljoen mensen rijden er dagelijks slechts 45 officiële ambulances in Mexico-Stad. De meeste calamiteiten worden overgelaten aan de vrije markt. Juan en zijn ambulancecowboys jagen dus op klussen en moeten de concurrentie daarbij letterlijk inhalen of van zich afschudden. Elke wagen wil nu eenmaal als eerste bij een incident of ongeval zijn, om in elk geval zijn onkosten vergoed te krijgen. Het leidt tot wild west-taferelen in het holst van de nacht, waarbij de patiënt eerst en vooral een potentiële klant is.

Als een tienermeisje, dat een gebroken neus heeft overgehouden aan een ruzie met haar vriendje, de ambulance instapt, is haar eerste vraag: ‘Wordt dit duur?’ Of ze een zorgverzekering heeft? wil het medische team weten. Nee. Nog voor de behandeling wordt opgestart, moet er daarom duidelijkheid komen over waar ze woont. ‘Bij mijn moeder, maar die heeft echt geen geld.’ Tussen alle vragen door, wil het gehavende meisje eigenlijk maar één ding: een knuffel. Terwijl ze wordt getroost en behandeld, blijft het echter de vraag wie de rekening gaat betalen. En óf die wordt betaald.

Het gebedel om geld lijkt in Midnight Family (77 min.) regelmatig te interfereren met de primaire taak van het hulpverleningsteam, dat in een financiële wurggreep lijkt te zitten. Benzine is duur en tippende politieagenten moeten tevreden worden gehouden met smeergeld. In die onmogelijke situatie stapt filmmaker Luke Lorentzen voor enkele zenuwslopende nachten in de Ochoa-auto. Hij focust zich daarbij volledig op de ambulancebroeders. De behandelde patiënten worden niet herkenbaar in beeld gebracht. Uit privacyoverwegingen, ongetwijfeld, maar ook omdat ze nooit meer worden dan bijfiguren.

Te midden van alle hectiek en geldzorgen moeten Juan Ochoa en zijn team het hoofd koel en de benzinetank gevuld zien te houden in deze machtige film, die als een losgeslagen zwarte ambulance door de donkerste spelonken van Mexico’s hoofdstad dendert en en passant het belang van goede en betaalbare gezondheidszorg onderstreept.

De Schuldmachine

Willem Los / BNNVARA

‘Ik had eerst 4.000 en waarschijnlijk nu zelfs minder’, zegt het ene meisje tegen het andere. Die bekent: ‘Ik zit wel op 13.000 euro of zo.’ Zomaar een gesprek in Amsterdam-Zuidoost tussen twee jongeren met een uitstaande schuld. Één op de vijf Nederlandse jongeren zou inmiddels met problematische schulden kampen. In De Schuldmachine (58 min.) volgt Camiel Zwart enkele van hen. Zij worden begeleid door een vrijwilligersinitiatief dat kiest voor een heel persoonlijke aanpak, onder de noemer ONSbank.

Cliënt Mirelva belt in aanwezigheid van financieel adviseur Willem Los, die in het dagelijks leven werkt bij Delta Lloyd, bijvoorbeeld de belastingdienst om zicht te krijgen op de schuld die ze daar heeft opgebouwd. De jonge vrouw, werkzaam in de kinderopvang, kijkt alsof ze elk moment door een bliksemschicht kan worden getroffen als de man aan de andere kant van de lijn de schade opmaakt. Die valt niet mee: 37.648 euro, inclusief eventuele dwangbevelen. Samen met Los en de ONSbank moet Mirelva een weg uit haar benarde situatie zien te vinden.

Willem Los en zijn medestanders krijgen van doen met bijzonder complexe problematiek die niet met eenvoudige interventies is te verhelpen. Waarbij de schuld van deze jongeren meestal bepaald niet op zichzelf staat en de Nederlandse schuldenindustrie, die bovenop de nominale schuld vaak (exorbitante) kosten en rente zet, de situatie alleen maar lijkt te verergeren. De jongeren zelf, met wie je soms echt krijgt te doen, zien door de bomen allang het bos niet meer.

En dan is er nog dat woud van regels. Mag je een kind, als ze meerderjarig wordt, bijvoorbeeld opzadelen met rekeningen die haar ouders nooit hebben betaald? Of een moeder ervoor verantwoordelijk stellen dat de kinderopvang waar haar kinderen werden opgevangen failliet is gegaan? Het zijn zulke vragen die de bevlogen medewerkers van ONSbank in dit boeiende inkijkje in de schuldhulpverlening moeten zien te tackelen. Teneinde hun cliënten de broodnodige ‘schuldrust‘ te bezorgen.

American Factory

Netflix

In de donkere dagen van de economische crisis van 2008 besluit General Motors zijn fabriek in Dayton te sluiten. Zo’n 10.000 mensen in Ohio raken hun baan kwijt. Twee jaar later beginnen Chinese bedrijven te investeren in de regio. In de oude GM-fabriek wordt een Amerikaanse vestiging van Fuyao Glass geopend, waar een combinatie van oud-autowerkers en ingevlogen Chinezen aan de slag gaat. De cultuurshock, die in American Factory (110 min.) door Steven Bognar en Julia Reichert (in opdracht van het productiebedrijf van Barack en Michelle Obama) treffend en genuanceerd is gedocumenteerd, laat zich voorspellen.

De nieuwe kansen voor Amerikaanse arbeiders, die enkele jaren eerder keihard zijn geraakt door de crisis, gaan bijvoorbeeld ook gepaard met aanmerkelijk lagere lonen. En op medewerkers die daar iets tegen willen doen en zich aansluiten bij een vakbond zit het nieuwe management bepaald niet te wachten. ‘Een vakbond beïnvloedt efficiëntie en schaadt ons bedrijf’, aldus Fuyaos gestaalde CEO Cao Dewang. ‘Dan lijden we verliezen. Als er een vakbond komt, dan sluit ik de fabriek.’ Amerikaanse werknemers zijn voor zijn begrip sowieso al niet productief. En dan hebben ze ook nog veel te veel zelfvertrouwen, constateert Dewangs Chinese directeur van de Amerikaanse vestiging. Je moet ze paaien. ‘Ezels worden graag geaaid met de haarrichting mee’, zegt hij. ‘Anders schoppen ze.’

Tijdens een werkbezoek in China zien de Amerikanen met eigen ogen hoe hun dociele Chinese collega’s op welhaast militaire wijze worden gedrild. Vrije dagen en vakantie hebben ze vrijwel niet. En van Arbo-wetgeving heeft nog nooit iemand gehoord. Het helpt dat de Fuyao-vakbond ook niet echt een gevaar vormt. De voorzitter is tevens secretaris van de Communistische Partij en, oh ja, een zwager van de directeur van de fabriek. De Amerikanen kijken hun ogen uit, zeker tijdens de speciale Fuyao-show op oudejaarsavond, waarin bedrijf en management zowat heilig worden verklaard. Het is een prachtige scène, waarbij de Amerikaanse werkemannen zich eerst verbazen, daarna enthousiast worden en uiteindelijk ontroerd raken. En aan het eind mogen ze zelf het podium op voor een kolderieke versie van de Village People-hit YMCA.

Bognar en Reichert hebben jaren de tijd genomen om alle verwikkelingen bij Fuyao te registreren. Die ausdauer betaalt zich uit: het proces van aantrekken en afstoten is minutieus vastgelegd, met oog voor het menselijke verhaal en gevoel voor humor. Ook de toegang tot zowel de nieuwe directie als Chinese en (ontevreden) Amerikaanse medewerkers, is opmerkelijk. De filmmakers hebben blijkbaar behoorlijk vrij hun gang kunnen gaan. Zo hebben ze mooi wederzijdse vooroordelen, ook op managementniveau, kunnen vangen. Want hoeveel goede wil alle betrokkenen ook ten toon spreiden, samenwerken blijft geven en nemen – of, zoals sommige betrokkenen dat ervaren: je eigen idealen prijsgeven.

Het is onvermijdelijk dat het bedrijf en een deel van de arbeiders uiteindelijk tegenover elkaar komen te staan. Die confrontatie wordt in het boeiende American Factory van binnenuit weergegeven, zonder dat de makers al te duidelijk een kant of standpunt kiezen. Ontwikkelingen binnen de wereldeconomie worden zo teruggebracht naar de werkvloer, waar gewone mensen in hun inkomen proberen te voorzien.

Everything Must Fall

‘Each generation must, out of relative obscurity, discover its mission, fulfil or betray it.’ Met dit citaat van Frantz Fanon als leidmotief belicht Everything Must Fall (58 min.) de Zuid-Afrikaanse studentenbeweging, die in 2015 van zich laat horen als de University Of The Witwatersrand in Johannesburg het collegegeld alweer met ruim tien procent verhoogt. Op een moment dat een deel van de zwarte studenten al is aangewezen op de voedselbank. Studeren dreigt opnieuw echt iets te worden voor de (witte) elite. Als tegenreactie ontstaat een vreedzaam protest onder de noemer Fees Must Fall.

Wat begint als een studentenactie die zich al snel verspreidt over het hele land, mondt echter uit in een opgeheven vuist voor een hele wirwar aan sociale issues: vrouwenrechten, inkomensongelijkheid, LGBT, anti-Apartheid, de outsourcing van banen en dekolonisatie en… (en dan ben ik er vast nog een paar vergeten). It’s the sixties all over again, zogezegd. Als de universiteit vervolgens besluit om de zwaarbewapende oproerpolitie in te schakelen, wordt de campus het strijdtoneel voor een gewelddadige confrontatie. Een onschuldige Maagdenhuis-achtige bezetting escaleert zo razendsnel tot een soort Zuid-Afrikaanse variant op het Kent State-bloedbad.

Met enkele prominente studentenleiders en vertegenwoordigers van het universiteitsbestuur neemt regisseur Rehad Desai de gebeurtenissen door die in het gehele land voor schermutselingen zorgen en alle betrokkenen dwingen om voor zichzelf de vraag te beantwoorden of het doel de middelen nog heiligt. Hoe heilzaam is de voortgang van het collegejaar nu werkelijk als de universiteit en zijn studenten daardoor lijnrecht tegenover elkaar komen te staan? En wat zijn die collegegeldconcessies waard als ze betaald moeten worden met bloed? In zulke verhitte omstandigheden blijkt het bovendien, zo toont deze degelijke film, bepaald geen sinecure om de neuzen dezelfde kant op te houden.

Houen Zo!

‘Hier een hele mooie! De gouwen medaille gewonnen voor voor- en achteruit zwemmen, dat gekke ding’, prijst een marktkoopman de verse vis in zijn hand aan. ‘Twee kwartjes per kilo.’ Verder wordt er in deze klassieke korte documentaire van Herman van der Horst, samen met Bert Haanstra de voornaamste exponent van wat de Hollandse Documentaire School werd genoemd, nauwelijks gesproken. Behalve het spreekwoordelijke ‘Houen Zo!’ (20 min.), de al dan niet geënsceneerde slogan om aan te geven dat de zaak wel snor zit waaraan deze film zijn titel ontleent.

Geluid is er overigens genoeg in deze associatieve documentaire, die in 1953 als beste ‘Film de realité’ werd bekroond op het filmfestival van Cannes. Het geluid van mannen – nauwelijks een vrouw te bekennen in deze film – aan het werk: drilboren, scheepshoorns, heipalen, cementmolens en pikhouwelen. En muziek: het carillon, de harmonie en het draaiorgel, als soundtrack van de jaren vijftig, de periode van wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog.

Deze straf gefilmde en gemonteerde film werd mede mogelijk gemaakt door het Marshall Plan en brengt de reconstructie van het vernietigde stadscentrum van Rotterdam met veel daadkracht, schwung en beeldrijm in beeld. ‘Wederopbouwcineast’ Van der Horst (1910-1976), volgens dit NRC-artikel ‘de filmische erfgenaam van de landschapschilders uit de zeventiende eeuw’ probeert zo de geest te vangen van een stad die zich niet laat kisten. Houen Zo! is bijna een sublimering van het ‘Geen Woorden Maar Daden’-principe, waarbij werkelijkheid en verbeelding met elkaar aan de haal gaan.

‘Moge de wederopbouw van verwoest Rotterdam een symbool zijn van de herwonnen kracht van geheel Nederland’, laat de ronkende begintekst er al geen misverstand over bestaan. Dit wordt een film met een boodschap, over menselijke kracht en optimisme, die een kleine twintig minuten later culmineert in een bezwerende heiscène; met elke beuk van het heiblok verrijst een nieuw kolossaal gebouw in de havenstad. Daartegen, zo wil Van der Horst maar zeggen, is geen kwaad kruid gewassen!

Bisbee ’17

Ze vormden zogezegd een gevaar voor ‘the American way of life’. De 1300 mijnwerkers, veelal immigranten, die in de zomer van 1917 vanwege slechte arbeidsomstandigheden en voortdurende discriminatie in staking waren gegaan in Bisbee, Arizona. The Industrial Workers Of The World, een op socialistische leest geschoeide vakbond, stond ferm aan hun zijde.

Voor Harry Wheeler, de sheriff van het mijnwerkersstadje, was het een teken om actie te ondernemen. Hij verzamelde maar liefst tweeduizend plaatselijke vrijwilligers voor een posse, die de stakers hardhandig, met een geweer in hun nek, op de trein naar de woestijn van Nieuw-Mexico zette. Zestien uur waren ze onderweg, zonder eten of drinken. Om op de plek van bestemming, als het zo uitkwam, te creperen.

De zogenaamde ‘Bisbee-deportatie’ op 12 juli 1917, al dan niet in opdracht van het lokale kopermijnbedrijf Phelps Dodge, verdeelt honderd jaar later nog altijd de lokale gemeenschap. Was het een noodzakelijke ingreep om de plaatselijke vrouwen en kinderen te beschermen? Een overdreven reactie op vermeend communistisch oproer? Of toch gewoon een uiting van onversneden racisme?

Regisseur Robert Greene laat het drama, dat doorgaans wordt stilgezwegen, herleven in Bisbee ‘17 (112 min.). Huidige inwoners van het voormalige kopermijnstadje krijgen de hoofdrol in een ‘re-enactment’ van de deportatie – een opzet die doet denken aan de documentaire Casting JonBenét, waarin amateuracteurs een plaatselijke moordzaak naspelen. De lokale radiodeejay fungeert als verteller, een man die de deportatie een goede zaak vindt speelt de toenmalige directeur van het mijnbedrijf en de zoon van een gedeporteerde Mexicaanse vrouw neemt de rol van staker op zich. Tussen de voorbereidingen door verhalen ze ook over hun eigen levens.

In het hedendaagse Bisbee, waar de kopermijn alweer ruim veertig jaar is gesloten, zijn de sporen van het verleden nog altijd duidelijk zichtbaar. Zo vertelt de dochter van een voormalige leidinggevende van Phelps Dodge dat ze werd opgevoed met het idee dat het afvoeren van de stakers volledig terecht was. ‘Ik moet mezelf er steeds aan herinneren dat zulke verhalen afkomstig zijn van mensen uit Bisbee’, zegt ze. ‘Met andere woorden: van mensen die niet zijn gedeporteerd.’

Die verscheurdheid komt het pijnlijkst tot uiting in de Ray-familie, waarvan één voorvader als lid van de volksmilitie destijds zijn eigen broer liet afvoeren. Twee van hun nazaten herbeleven tijdens de uiteindelijke uitvoering van de Bisbee-deportatie de broedertwist die hun familie verscheurde. Hun moeder kan het nauwelijks aanzien. Zo beginnen heden en verleden, fictie en non-fictie, persoon en rol al snel helemaal in elkaar over te vloeien in Bisbee ’17, een intelligente documentaire die alleen wat lang van stof is.

De Vrouwen Van Venserpolder

In de Amerikaanse stad Detroit, jarenlang zo’n beetje het toonbeeld van stedelijk verval, deed het fenomeen al enige tijd geleden opgeld: moestuinen, in het hart van de stad. Ofwel: ‘a holististic approach to neighborhood revitalization’. Het is niet meer dan logisch dat in of vlakbij de Nederlandse Bijlmer een soortgelijk initiatief is ontstaan.

De binnentuin van woonblok tien in de wijk Venserpolder, gebouwd in de jaren tachtig, was vanwege overlast jarenlang verboden terrein. Inmiddels is de tuin weer geopend. Vrouwelijke bewoners, veelal van Surinaamse afkomst en zonder echtgenoot, zijn er een stadstuin begonnen en leren zo de wereld om hen heen en – vooral – elkaar beter kennen. ‘Oma’ Meli heeft bijvoorbeeld nog altijd heimwee naar Suriname, maar bouwt te midden van zelf verbouwde groenten echt een vriendenkring op.

In de observerende documentaire De Vrouwen Van Venserpolder (47 min.) van Eva de Breed spelen mannen nauwelijks een rol. Ze zitten werkeloos achter de geraniums, verblijven in de gevangenis of zijn, gewoon, afwezig. Wijkbeheerder Ulrich Wilson, in een grijs verleden profvoetballer bij Ajax, Ipswich Town en FC Groningen, kan erover meepraten. Hij zat ooit drie jaar thuis. ‘En dat is gewoon niet goed voor je bovenkamer. Daar gebeurt dan niks. En daar word je niet gelukkig van.’

Gaandeweg sijpelt de buitenwereld ook stiekem de tuin in. Van het wegwerken van schulden tot familieleden die het verkeerde pad op dreigen te gaan. Terwijl de vrouwen groenten verbouwen, ontstaan er nieuwe sociale verbanden en krijgt de urban jungle om hen heen weer voorzichtig de kleur groen. Dat is de optimistische boodschap van De Vrouwen Van Venserpolder, dat laat zien hoe een klein initiatief de sociale cohesie in een wijk kan vergroten.

Garage 2.0

‘Ik ben het helemaal vergeten te vragen: hoe heet de kleine?’, vraagt Ad geïnteresseerd. ‘Max’, antwoordt de vrouw tegenover hem. ‘Max. Mooie naam. En hoe oud is-ie?’ ‘Vier weken.’ ‘Vier weken?’, reageert Ad, die tot voor kort dacht dat hij een verkoper met fingerspitzengefühl was en dat elke klant sowieso is te paaien met tweehonderd euro korting. ‘Dan gaan we eventjes door over de auto…’

‘Even tot zover’, grijpt cursusleider Emile Gabriel van de Sales Boost Company resoluut in. ‘Wat gebeurt hier nou? We gaan binnen drie minuten al over op de auto.’ Waarna de goedgebekte trainer een met jeukjargon doorspekt verhaal houdt over de relatie met de klant en de één of andere driehoek. Tegen de andere cursisten: ‘Hoe mooi zou het zijn als Ad zou zeggen: joh, weet je wat het is, ik heb oudere kinderen, maar ik ben ook opa geworden?’

Ads baas Gert kijkt goedkeurend toe hoe zijn oudere medewerker, die steeds minder auto’s is gaan verkopen, de nieuwste kneepjes van het vak krijgt bijgebracht. Want de medewerkers van de Kooijman Autogroep moeten ‘meerwaarde creëren voor de klant, laten voelen dat ie hier echt veel waard is’. Gert Kooijman wil met zijn bedrijf een Garage 2.0 (84 min.) zijn. Hij zweert bij beleving, hoge klanttevredenheidscores en een compleet mobiliteitspakket. En veel verkochte auto’s, dat ook.

Intussen knapt Gerts oudere broer Ton het vuile werk op voor het bedrijf. Hij gaat gedurig de weg op en voert na ongelukken beschadigde auto’s en passagiers af. Het contrast tussen de twee broers kan bijna niet groter: Gert, de vlotte babbel, tegenover Ton, de moeizaam formulerende, noeste werker. Ze vertegenwoordigen de uitersten van de autobranche; het blinkende chroom tegenover het oude schroot. Letterlijk in Tons geval, die de auto ook als gevaar heeft leren kennen in zijn leven.

In deze tragikomische film uit 2016, een moderne documentaireklassieker, kijkt Catherine van Campen afwisselend met compassie en een knipoog naar de Debiteuren-Crediteuren-achtige taferelen bij de Kooijman Autogroep (‘onze vakmensen nemen graag de tijd voor u’, aldus de website, ‘om al uw mobiliteitswensen optimaal in te vullen’). Trefzeker schetst ze het vaderlandse ondernemersklimaat, dat vaak is doordesemd met authentieke oer-Hollandse lulligheid. En waar de een vooruit wil, kan de ander nauwelijks meekomen.

Zoals Michiel van Erp Nederland in zijn Lang Leve-series en de bioscoopdocu Pretpark Nederland een lachspiegel heeft voorgehouden, schildert Van Campen een bijzonder aandoenlijk portret van Werkend Nederland, dat in de jaren na de financiële crisis van 2008 het hoofd boven water probeert te houden en amechtig zijn vleugels wil uitslaan. Dat pakt in Garage 2.0 soms uitbundig en hilarisch uit, maar werkt net zo vaak subtiel en schrijnend. Een topfilm, die voor jeuk op ongemakkelijke plekken zorgt en toch ontroert.

Makala

De camera kijkt over de schouder van Kabwita Kasongo mee als hij op de boom afloopt. Terwijl hij zijn bijl pakt, verlaat de lens hem en zwerft rustig over de takken de lucht in. Totdat de Congolese boer op de stam begint in te hakken. Steeds weer laat hij zijn gereedschap op het hout neerdalen. Nogmaals. Nog eens. En nog eens. Er lijkt geen einde aan te komen. Stukje bij beetje splijt hij de boom. Het is een kwestie van tijd en noeste arbeid voordat deze, uiteindelijk, breekt.

De tergend langzame openingsscène, waarin elke bijlslag er letterlijk inhakt, is exemplarisch voor de documentaire Makala (96 min.) van de Franse regisseur Emmanuel Gras én het leven van de hoofdpersoon van die film. Met beperkte middelen probeert Kabwita de wereld naar zijn hand te zetten. Hij heeft een idee. Die boom wil hij verwerken tot houtskool, dat in de stad moet worden verkocht. Zodat hij straks een huis kan bouwen voor zijn vrouw en kind.

Dan moet de jonge vader nog wel eerst in die stad aankomen. Vol goede moed – of de moed der wanhoop – laadt Kabwita zijn aftandse fiets he-le-maal vol met plastic zakken houtskool en begint in zijn dorp Walemba aan een voettocht van vijftig kilometer die hem uiteindelijk een behoorlijke som geld moet opleveren. Onderweg passeert hij anderen met een vergelijkbare lading en wordt hij zelf op zijn beurt ingehaald door brommers en motoren. Als de spreekwoordelijke boer ploegt hij voort, met de blik op oneindig.

Gras kijkt intussen met hem mee, leeft met hem mee. Hij grijpt niet in. Steekt geen helpende hand toe bij tegenslag. Kalm legt hij de ontberingen vast die zijn hoofdpersoon moet doorstaan. Elk shot lijkt te lang te staan, zodat de kijker gaandeweg begint te voelen wat de jonge Kabwita zichzelf heeft opgelegd en moet doormaken. Elke kilometer bestaat letterlijk uit duizend meter, elke meter uit honderd centimeter, elke centimeter uit tien millimeter. En die moeten allemaal worden overbrugd.

Intussen is elk geluid hoorbaar: het piepen van de fiets, de dwingende eisen van zelfbenoemde tollenaars en het wild opstuivende zand. Op gepaste moment kleurt Gras de gebeurtenissen in met gedragen muziek. Makala is daardoor bijna een zintuiglijke ervaring geworden, die ons, westerlingen, dwingt om de ganzenpas waarmee we doorgaans door het leven marcheren voor even vaarwel te zeggen voor een trage sleepgang door het armoedige en op de één of andere manier toch hoopvolle bestaan van een gewone Afrikaan.

Selling Children

 

In India, dat zichzelf afficheert als de grootste democratie ter wereld, is de handel in kinderen aan de orde van de dag, zo betoogt Selling Children (58 min.). Overal in het immense land zijn rotbaantjes te doen en kloteklusjes op te knappen. Óók in de seksindustrie. Deze journalistieke documentaire presenteert een veelomvattende kijk op de welig tierende mensenhandel, die een spoor van vernieling door het land trekt.

Eerlijk gezegd moest ik zo nu en dan wel een beetje grinniken om regisseur Pankaj Rajinder Johar. Hij fungeert in deze road movie als alomtegenwoordige verteller en claimt op die manier erg veel ruimte in de zoektocht naar kinderhandel(aren), die begint bij de verdwenen dochter van zijn huishoudelijke hulp en hem uiteindelijk in alle uithoeken van India brengt.

Om zijn eigen rol te benadrukken zien we soms in beeld hoe Johar een bepaalde situatie staat te filmen of hoe hij, terwijl diezelfde camera werkeloos op zijn schoot ligt, een slachtoffer interviewt. Blijkbaar heeft hij een cameraman geïnstrueerd om dat te registreren. Daarmee zit de filmer de getuigenissen van de betrokkenen, hun familieleden én mensen die zich ooit schuldig maakten aan ‘trafficking’ (waaronder ook familieleden) soms een beetje in de weg.

De mensen die hun verhalen met hem delen worden nooit meer dan passanten. De enige constante is Johar zelf. Intussen brengt hij de omvang en reikwijdte van de problematiek wel overtuigend in kaart. En overal waar de Indiase filmmaker komt krijgt hij min of meer hetzelfde antwoord op de steeds weer opduikende waarom-vraag: armoede. Alle mensen die worden verhandeld behoren tot India’s laagste kaste en hebben geen nagel om aan hun kont te krabben.

Maid In Hell

 

Je kunt er bij ons op kantoor eentje komen uitzoeken in de catalogus. Als ze Arabisch spreekt, kost ze 200 dollar per maand. Anders maar 150. Ze komt twee jaar en drie maanden bij je werken. Elke dag natuurlijk. Vrije dagen krijgt ze niet. En haar paspoort moet je goed bewaren en verstoppen.

Dat krijg je zo ongeveer te horen als je een officieel agentschap benadert voor een zogenaamde Maid In Hell (59 min.). En aan mensenrechten doen we niet, zegt Maher Doumit, die samen met zijn moeder Hasna zo’n tweehonderd vrouwen per jaar afzet. Dat gedoe is in zijn ogen meer iets voor Europa. Niet voor het Midden-Oosten, waar bijna drie miljoen buitenlandse vrouwen werkzaam zijn als huishoudelijke hulp.

In de rest van de wereld moeten ze weinig hebben van het zogenaamde Kafalasysteem. Landen als Ethiopië, de Filipijnen en Nepal hebben al een verbod uitgevaardigd, maar met een beetje goede wil, en wat geld onder de tafel, is daar wel omheen te werken, zo laten de Doumits niet zonder trots weten. Hij gaat er ook echt niet mee stoppen, zegt Maher. Hij helpt op deze manier immers zichzelf en anderen. In die volgorde.

Moeder en zoon Doumit vertegenwoordigen in deze schokkende documentaire van Søren Klovborg, wat mij betreft de beste film uit de Why Slavery?-reeks, de min of meer legale tak van de branche. Elders, in de schaduw, is het nóg slechter voor de vrouwen. De gevolgen laten zich raden: onderdrukking, uitbuiting en mishandeling. Sommige vrouwen weten te ontsnappen en komen terecht in speciale opvanghuizen. Hun verhalen zijn nauwelijks te bevatten.

De Keniaanse senator Emma Mbura, die zelf ooit als maid in de Verenigde Arabische Emiraten werkte, neemt het voor hen op. Als zij serieuze maatregelen voorstelt, merkt ze echter al snel dat die de economische belangen van haar eigen land, dat intensief handelt binnen het Midden-Oosten, natuurlijk niet mogen schaden. Ziedaar de wereld waarbinnen de strijders tegen moderne slavernij moeten opereren. En de wereld waarbinnen die vrouwen moeten werken.

Totdat ze er dood bij neervallen…