You Don’t Nomi

De critici waren het erover eens: Showgirls was zonder enige twijfel de slechtste film van 1995. Beloond met een recordaantal van zeven Razzies, de anti-Oscars die jaarlijks worden uitgereikt. Voor onder meer slechtste film, hoofdrolspeler én regisseur. De Nederlander Paul Verhoeven ging zijn Award hoogstpersoonlijk ophalen, als eerste filmmaker in de historie. Hij stak nog nét zijn middelvinger niet op naar alle haters.

25 jaar na de première is het gesprek over die omstreden film, blijkbaar toch niet zo’n waardeloze rolprent, nog altijd niet verstomd. In You Don’t Nomi (91 min.) laat Jeffrey McHale allerlei verschillende lezingen los op de film. Van filmcritici die Showgirls destijds helemaal neersabelden, anderen die er een moderne klassieker inzien, een dichter die eindeloos inspiratie vond in de film en hedendaagse drag queens en andere performers die nog altijd op de planken staan met de bijbehorende musical.

Zij claimen voor Showgirls een eigen plek in de (cult)filmhistorie en plaatsen de beoogde blockbuster ook overtuigend binnen het oeuvre van de provocateur ‘Verhooven’ (die zelf overigens niet aan het woord komt). Als logisch vervolg op zijn Nederlandse periode, via fragmenten van Turks Fruit, Spetters en De Vierde Man. En als culminatie van zijn jaren in Hollywood, het (omgekeerde) uitroepteken achter kaskrakers als Robocop, Total Recall en Basic Instinct. In Showgirls zijn bovendien allerlei motieven en stijlvormen te ontwaren, die ook in zijn vroegere films en later werk als Zwartboek en Elle zijn te herkennen.

Ook de morele kritiek op de film – misogynie en homofobie – klonk Verhoeven-volgers vertrouwd in de oren. Net als de beschuldiging dat hij eigenlijk niet van de vrouwen in zijn films houdt. In dat opzicht maakte hij met Showgirls zijn duidelijkste slachtoffer: actrice Elizabeth Berkley, het voormalige sterretje uit de sitcom Saved By The Bell. Na haar rol als stripper in Showgirls kwam ze nauwelijks meer aan de bak. Afgaande op deze intrigerende documentaire had Berkley kunnen weten wat ze zich op de hals haalde. In de film heet ze niet voor niets Nomi Malone. Nomi. Als in: Know me. No me. Of: No… Me.

‘Wie heeft ‘t bij het rechte eind over Showgirls?’, vraagt Adam Nayman, auteur van het boek It Doesn’t Suck: Showgirls, zich af in deze verplichte film over film, waarbij rechtgeaarde cinefielen hun vingers aflikken. ‘De mensen die het een verschrikkelijk slechte grap vinden? Of degenen die het beschouwen als een onbegrepen meesterwerk?’ Nayman geeft zelf antwoord: Showgirls is een ‘masterpiece of shit’. Waarvan acte.

Narrowsburg

Het klinkt als het plot van een onvervalste B-film. Of in dit geval: een B-docu. Whacking Narrowsburg, of zoiets. Een tweederangs maffioso arriveert rond de eeuwwisseling met veel bravoure in een slaperig Amerikaans stadje om daar een gangsterfilm, met Four Deadly Reasons als beoogde titel, te gaan maken met de plaatselijke bevolking. En, o ja, om samen met zijn partner, de Française Jocelyne uit Zuid-Afrika (?), ook even het ‘Sundance van de Oostkust’ uit de grond te stampen: het enige echte Narrowsburg International Filmfestival.

’s Mans voornaamste wapenfeit? Een bijrol in de maffiakomedie Analyze This met Robert de Niro. En een manier van doen die bepaald niet zou misstaan in The Sopranos. Nee, deze patser heeft geen artiestennaam: hij heet echt Richie Castellano. Toch? En ja, hij komt uit The Bronx en zat een tijdje in de nor. In Attica om precies te zijn, vanwege gewapende overvallen op banken. Aan ‘street credibility’ bepaald geen gebrek. Right?

Maar is die hele onderneming van Richie en Jocelyn niet te mooi om waar te zijn? In Narrowsburg (84 min.) reconstrueren alle hoofdpersonen, inclusief de tweederangs maffioso en zijn ‘mystery lady’, de gebeurtenissen die natúúrlijk zullen uitlopen op een gigantisch fiasco. ‘Ik hou van de camera’, zegt Richie niettemin glunderend tijdens de start van zijn interview. ‘Ik heb altijd van aandacht gehouden. En hoe kun je meer aandacht krijgen dan dit? Hehe.’

En zo ontvouwt zich een kostelijke real life-comedy over een dubieus duo met meer wilde plannen dan goed is voor (het spaargeld van) de lokale gemeenschap. Regisseur Martha Shane raapt de brokstukken bij elkaar, plakt er speelfilmfragmenten en ruwe opnamen van de amateurs in actie tussen en lijmt het geheel vervolgens met een lekker vette knipoog aan elkaar. Gegarandeerd goed voor bijna anderhalve uur topvermaak.

Showbiz Kids

Evan Rachel Wood, Cameron Boyce, Henry Thomas & Wil Wheaton / HBO

Van Drew Barrymore en River Phoenix tot Britney Spears en Lindsay Lohan. Er zijn legio voorbeelden van kindersterren die op latere leeftijd in de problemen komen. Ze kunnen de weelde van het succes niet dragen, worden als jongvolwassene al beschouwd als oud nieuws of raken verstrikt in dat eeuwige dilemma: vinden al die mensen míj leuk of kicken ze gewoon op mijn bekendheid? Toch zijn er altijd weer kinderen – en niet te vergeten: hun ouders – die naar Hollywood verkassen om daar, voor eventjes dan, eeuwige roem te verwerven.

Marc Slater en zijn moeder Melanie zijn bijvoorbeeld vanuit Orlando in Florida gekomen om te auditeren voor een rol in de pilot van een serie. De ouders van het guitige joch hebben al hun spaargeld moeten aanspreken om de reis te betalen en een acteercoach in te huren. Zonder enige garantie op succes. Demi Singleton heeft al een voet tussen de deur gekregen in de entertainmentindustrie. Ze speelde maandenlang in de musicals School Of Rock en The Lion King. Maar kan ze het zich nu ook permitteren om een zomer vrijaf te nemen? vragen Demi en haar moeder zich af.

Regisseur Alex Winter, die zelf als jongeling actief was op Broadway, paart de lotgevallen van de twee aspirant-publieksfavorieten in de interessante documentaire Showbiz Kids (94 min.) aan de ervaringen van gewezen kindersterren zoals Evan Rachel Wood (Thirteen), Henry Thomas (E.T.), Mila Jovovich (Return To The Blue Lagoon), Wil Wheaton (Stand By Me), Todd Bridges (Diff’rent Strokes), Mara Wilson (Mrs. Doubtfire) en de onlangs op twintigjarige leeftijd aan een epilepsie-aanval overleden Cameron Boyce (Jesse). Hun verhalen over plotselinge roem en de keerzijde daarvan worden geïllustreerd met fragmenten uit de films en televisieprogramma’s waarin ze ooit schitterden.

Een aardige trouvaille is ook één van de allereerste kindersterren, Baby Peggy. Diana Serra Cary is de grens van honderd jaar inmiddels gepasseerd en kan vanuit eigen ervaring bevestigen dat de kansen en uitdagingen van hedendaagse sterretjes eigenlijk al zo oud zijn als pak ‘m beet Shirley Temple. Waarbij alle actoren rondom de Hollywood-ster in spe – de ouders, managers, filmbonzen, fans én kritische recensenten – wel eens uit het oog verliezen dat ze toch echt met een tere kinderziel hebben te maken.

Capturing Lee Miller

NTR

Haar zoon Antony wist van niets. ‘Ik kende mijn moeder als een nutteloze dronkaard. Als een hysterica voor wie het nemen van de trein al een hele onderneming was.’ Toen vond zijn vrouw een collectie foto’s op zolder. Antony Penrose kon het nauwelijks geloven. Was dit werk van zijn moeder? En was zij dat ook, die stijlvolle vrouw in Vogue?

Toen Antony talloze naaktfoto’s van zijn moeder zag, kon hij zijn ogen helemaal niet meer geloven. En toen hij ook nog hoorde dat die waren gemaakt door haar vader, zijn eigen opa Theodore, wist hij ook niet of hij zijn oren mocht vertrouwen. Voor zijn geestesoog ontstond een nieuwe vrouw, de vrouw die zijn moeder ooit geweest moest zijn: Lee Miller (1907-1977). Model. Muze. Icoon. Fotograaf. Surrealistische kunstenaar. En oorlogscorrespondent.

Penrose besloot een biografie over die onbekende moeder te schrijven, The Lives Of Lee Miller, en fungeert nu tevens als één van de intimi, deskundigen en navolgers in Capturing Lee Miller (60 min.) die haar leven en oeuvre proberen te duiden. Van de vrijheid blijheid van het interbellum en haar jaren als Alles van sterfotograaf Man Ray via de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog naar de periode waarin ze zichzelf helemaal kwijtraakte en weer terug probeerde te vinden.

Regisseur Teresa Griffiths volgt de bewogen levensroute van haar hoofdpersoon nauwgezet, probeert het wezen van de enigmatische vrouw te vangen in stijlvolle sequenties en lardeert dit geheel met fraaie zwart-wit foto’s van en met de ontzettend veelzijdige Lee Miller. Zo belicht ze alle zijden van een vrouw die haar tijd ver vooruit was, voor wie de wereld te klein leek en die uiteindelijk tóch in de vergetelheid raakte. En dat vond ze misschien niet eens zo heel erg. Haar verleden, vol met trauma’s ook, werd veilig opgeborgen, op zolder.

Het komt allemaal samen in die ene wereldberoemde foto van Lee Miller in de badkuip van Adolf Hitler, die ongeveer op datzelfde moment een einde aan zijn leven heeft gemaakt. Een ongenaakbare blote vrouw, met een staatsieportret van Der Führer op de rand van het bad, die tevergeefs de ellende van het concentratiekamp van Dachau, waar ze die ochtend een serie indrukwekkende foto’s voor Vogue heeft geschoten, van zich af probeert te wassen.

Disclosure

Netflix

Via films ontdekken we onszelf. Ze vormen een afspiegeling van wie we zijn. Of, beter, van hoe Hollywood ons ziet. In het geval van transgenders levert dat een problematisch beeld op: van transmannen en -vrouwen als dankbaar mikpunt van spot bijvoorbeeld, in films als Tootsie, Mrs. Doubtfire en Ace Ventura: Pet Detective. Er is het idee dat wij komisch zijn, stelt schrijver Tiq Milan in Disclosure (108 min.). ‘Dat we freaks zijn. Dat we ons verkleden om anderen aan het lachen te brengen.’

Ook pijnlijk: transgenders als gestoorde seriemoordenaar. In talloze klassieke thrillers, zoals Psycho, Dressed To Kill en The Silence Of The Lambs. Het kan echter nog erger: als slachtoffer van een geweldsmisdrijf. Enkele acteurs in deze boeiende documentaire van Amy Scholder en Sam Feder vertellen hoe ze inmiddels talloze malen op een gruwelijke wijze om het leven zijn gebracht voor de camera. Omdat dat, blijkbaar, de meest voor de hand liggende manier was/is om een transman of – vrouw te incorporeren in een verhaal.

Net als de baanbrekende documentaire The Celluloid Closet (1995), waarin wordt ontleed hoe homoseksualiteit door de jaren heen (verhuld) is geportretteerd in film, belicht Disclosure via een uitputtende collectie speelfilmfragmenten (en televisieprogramma’s zoals Oprah en The Jerry Springer Show) hoe Hollywood op alle mogelijke manieren, van heel lomp en expliciet tot zeer subtiel, heeft bijgedragen aan de beeldvorming van transgenders, en in sommige gevallen ook aan transfobie.

Prominente transmannen en -vrouwen zoals actrice Laverne Cox (Orange Is The New Black), regisseur Lilly Wachowsky (The Matrix) en actrice Trace Lysette voorzien de fragmenten van persoonlijk commentaar. Over hoe die beelden, en het gedachtegoed dat daarachter schuilgaat, hun eigen zelfbeeld en transitie hebben beïnvloed en hoe films, zoals bijvoorbeeld de klassieke documentaire Paris Is Burning, soms ook positieve effecten hebben gehad op hun emancipatie.

‘Het is een interessante vraag om jezelf te stellen wat ik nu zou voelen als een openlijke transpersoon als ik geen representatie van mezelf had gezien in de media’, vat de actrice en schrijfster Jen Richards het treffend samen. ‘Enerzijds had ik me dat gevoel van monsterlijkheid nooit eigen gemaakt, van angst voor onthulling, van mezelf als weerzinwekkend of als de clou van een grap.’ Van de andere kant: ‘Zou ik weten dat ik trans ben als ik nooit gendervariatie op het scherm had gezien?’

Be Water

Hij moest eerst in Hongkong een superster worden voordat hij een serieuze kans kreeg in Hollywood. Als een Oosterse variant op de actieheld zou Bruce Lee, in 1973 op slechts 32-jarige leeftijd overleden, een absolute legende worden. De grootste material arts-acteur aller tijden, de gedroomde ster van elke kung fu-film.

In Be Water (98 min.) plaatst regisseur Bao Nguyen Lee’s leven en loopbaan nadrukkelijk binnen de historie van Aziaten in de Verenigde Staten, die van oudsher een achtergestelde positie hadden, te maken kregen met allerlei stereotypen (‘stille harde werkers’) en soms openlijk werden gediscrimineerd. Ook hij zou als acteur voortdurend worden getypecast als ‘die Chinees’.

Zolang het tenminste geen hoofdrol was. Toen Bruce Lee het idee voor de serie Kung Fu aandroeg bij Warner Brothers, werd dat enthousiast ontvangen. Voor de hoofdrol werd alleen een Amerikaanse acteur gevraagd. De rol van Chinese monnik zou één van de hoogtepunten uit de carrière van David Carradine worden. En Lee, op wiens lijf de rol letterlijk geschreven was, droop ontgoocheld af.

Totdat hij via een omweg naar Hongkong dus alsnog zijn eerste echte hoofdrol in een grote Hollywood-productie bemachtigde. De première van Enter The Dragon, inmiddels een echte filmklassieker, zou hij echter nooit meemaken. Van een gewone, ambitieuze jongen, geboren in het Chinatown van San Francisco, werd hij postuum alsnog een mythe, de vleesgeworden Fist Of Fury.

Dat tragische verhaal wordt door Nguyen volledig verteld met archiefmateriaal, dat buiten beeld wordt ingekleurd door zijn broer, vrouw, dochter, vrienden, collega’s en kenners. Ondanks het feit dat de hoofdpersoon zelf slechts beperkt aan het woord komt, slaagt de filmmaker er heel behoorlijk in om door te dringen tot de man Bruce Lee, die verscholen zit achter de legende.

Ramses: Où Est Mon Prince

Met een hoed op en een nonchalant pak aan arriveert hij op het Amsterdamse stadhuis. Voor het oog van de camera gaat Ramses Shaffy (1933-2009) er op 10 februari 1977 zijn Nederlandse paspoort ophalen. De zanger oogt gespannen. Hij haalt een balpen uit zijn jaszak. Kapot. Een ander exemplaar dan maar. Die handtekening moet tenslotte echt worden gezet. Even opmeten daarna. Zonder hoed natuurlijk. 1 meter 85. Intussen laat Ramses het persoonsbewijs zien waarmee hij het tot dusver moest doen: een ‘paspoort voor vreemdelingen’.

Even later, als hij het felbegeerde kleinood in handen heeft, richt hij zich tot de aanwezige ambtenaren, luid en met overslaande stem: ‘Mag ik jullie ontzettend bedanken voor de medewerking? Ik heb er lang over gedaan, maar ik ben Nederlander! Fantastisch! En we zullen doorgaan. Ik begin vast, begrijp je wel?’ Het is Ramses Shaffy ten voeten uit. Zoals we hem hebben leren kennen: als een onvervalste levenskunstenaar voor wie het bestaan nooit meeslepend genoeg kon zijn. Met een onweerstaanbare charme ook. ‘Ik hoor erbij’, zegt hij nog, met een duidelijke snik in zijn stem. ‘Ik hoor erbij. Belachelijk, hè?’

Grote emoties, publiek beleefd. Van een Egyptisch-Pools jongetje dat op zesjarige leeftijd door zijn moeder in Parijs op de trein werd gezet en in een Nederlands pleeggezin moest opgroeien. Onder de gefingeerde echte mensennaam Didi Snellen. Die ingrijpende gebeurtenis ligt ook onder de met een Gouden Kalf bekroonde documentaire Ramses: Où Est Mon Prince (70 min.) uit 2002, waarin regisseur (en Shaffy’s voormalige overbuurjongen) Pieter Fleury eerst met prachtig archiefmateriaal en persoonlijke interviews met ex-vriend Joop Admiraal (‘heel Amsterdam was verliefd op Rames’), zangeres Liesbeth List (‘hij leefde boven de wet en was daarom zo bijzonder’) en pianist Louis van Dijk (‘een goeroe van de vrijheid’) leven en carrière van het flamboyante podiumbeest doorlicht.

Daarna introduceert hij Ramses zelf, een breekbare oude man inmiddels, die nauwelijks meer voor zichzelf kan zorgen. Nog altijd even uitgesproken, theatraal en drankzuchtig, dat wel. En op elk moment van de dag in staat om de knop om te zetten en zijn muzikale zelf aan. Zet hem achter een piano en zijn vingers vinden automatisch de juiste toetsen. En plots is daar ook, als vanzelf, die gedragen zangstem. ‘Ik kijk naar de wolken die over drijven’, zingt hij bijvoorbeeld, naar boven kijkend (naar zijn moeder?). ‘En ben dan zo bang dat die eenzaamheid zal blijven.’ Een traan biggelt inmiddels over zijn wang.

En zo wordt hij in deze hartveroverende filmklassieker opnieuw de man die genadeloos over je heen walst, waaraan je je kapot ergert en die je toch alleen – er is echt geen andere keus – in je hart kunt sluiten.

In Heb Me Lief, het portret van een kwetsbare Liesbeth List, is Ramses Shaffy natuurlijk ook prominent aanwezig.

Isabelle Huppert: Message Personnel

AVROTROS / Ina1

De camera houdt van haar, maar hoeveel houdt zij eigenlijk van de camera? Nadat ze iets heeft gedaan in een film, bijvoorbeeld het spelen van een vrouw die achter haar eigen verkrachter aangaat in Paul Verhoevens scandaleuze speelfilm Elle (2016), vraagt Isabelle Huppert zich altijd af hoe ze dat toch heeft kunnen doen. Het zou haar nu in elk geval nooit meer lukken, stelt de Franse actrice bij aanvang van dit (zelf)portret.

Regisseur William Karel heeft Isabelle Huppert: Message Personnel (51 min.) volledig opgebouwd uit archiefbeelden; van kindervideo’s, filmklassiekers die haar hebben beïnvloed en (oude) interviews tot fragmenten uit haar omvangrijke oeuvre, dat speelfilms als Heaven’s GateLa Pianiste en 8 Femmes omvat. Met bestaand materiaal vindt hij een eigen verhaallijn, die door Huppert zelf, buiten beeld, van commentaar wordt voorzien.

‘In La Dentellière werd ik naar de rand van een klif gebracht met m’n ogen dicht’, vertelt ze bijvoorbeeld om haar afhankelijkheid van anderen te illustreren. ‘Dat is de perfecte metafoor voor het acteren. De acteur begeeft zich blind naar de rand van de afgrond. Dat heet vertrouwen.’ In de bijbehorende filmscène begeeft een jonge versie van Huppert zich inderdaad verdacht dicht naar het einde van een rotspartij. ‘Ben je bang?’, vraagt haar tegenspeler. ‘Loop maar.’

En zo blijft ze nu al bijna al een halve eeuw in beweging, voortgedreven door grote regisseurs als Claude Chabrol, Jean-Luc Godard en Michael Haneke. In een carrière, hier netjes op een rijtje gezet en van context voorzien, waarin ze zichzelf voortdurend heeft herontdekt – en waarin ze zich door die gewillige camera steeds opnieuw laat ontdekken. Zonder overigens héél veel van zichzelf of haar privéleven prijs te geven.

Of, zoals ze het zelf formuleert: ‘Uiteindelijk vraagt de actrice in elke film: Wie ben ik? Ze vindt het antwoord niet. Daarom blijft ze films maken.’

Carmen Meets Borat

‘Ik ben Borat’, zegt het gelijknamige typetje van de Britse komiek Sacha Baron Cohen tot grote hilariteit van de verzamelde dorpsbewoners in het gemeenschapshuis van het Roemeense zigeunerdorp Glod. Ze kijken welwillend toe hoe hij op het krakkemikkige televisietje door hun eigen dorp loopt: ‘Dit is mijn land Kazachstan.’ De opmerking leidt tot commotie in het zaaltje. ‘Kazachstan? Dat is geen Kazachstan. Eikels!’

‘Kijk, Oana is op tv!’ constateren ze niettemin gierend, als Borat ‘Orkin, de dorpsverkrachter’ heeft voorgesteld. Niet veel later introduceert hij ene Muktar Sahanov ‘de dorpsmecanicien en -aborteur’. Langzaam maar zeker begint het de dorpsbewoners te dagen: die Amerikaanse filmcrew heeft hen voor de gek gehouden. Ze kwamen helemaal geen documentaire opnemen. ‘Borat heeft ons helemaal verkeerd gefilmd! Hij zet het hele dorp voor lul.’

Roemeense cameraploegen die vervolgens verhaal komen halen in Glod krijgen de wind van voren. Ook de Nederlandse filmmaakster Mercedes Stalenhoef en haar crew, die al een hele tijd filmen in het dorp, kunnen op weerwerk rekenen. Uiteindelijk wil ‘aborteur’ Spiri het nog wel één keer uitleggen: ‘Ze stonden daar te filmen en vroegen of ik vonken wou maken’, zegt hij, terwijl hij met een laskap op staat te lassen en verdwijnt in zijn eigen rookwolk. ‘Ze zeggen dat ik gynaecoloog ben en dat ik abortussen doe.’

Het bezoek van Borat – en de dolkomische afwikkeling daarvan – heeft ook Stalenhoef overvallen. Zij was wel degelijk een documentaire aan het maken over het desolate leven van de Roemeense zigeuners, waar de drank nogal eens in de man en de wijsheid dus in de kan is. In dat kader volgde ze Spiri’s zeventienjarige kleindochter Ionela – zelf geeft ze de voorkeur aan de naam Carmen – die Glod nog liever vandaag dan morgen zou verlaten. Zij droomt van een bestaan in het Spanje, dat ze kent van soapseries.

Wat waarschijnlijk een stemmig portret van een ongedurige tiener in een stuk achtergesteld Europa had moeten worden, is in 2008 uitgemond in Carmen Meets Borat (60 min.), een heerlijke tragikomische film waarin niet alleen de bespotte ‘Glodiatoren’ een slaatje proberen te slaan uit het bezoek van Borat. Intussen zit Carmen nog altijd vast in dat godvergeten dorp, waar ze allang een echtgenoot in spe had moeten strikken.

Carmen Meets Borat is hier te bekijken.

Dark Side Of The Moon

De wereldberoemde beelden van de maanlanding in 1969 zijn fake. Die zijn destijds in scène gezet door de Amerikaanse regering, onder leiding van Richard ‘I am not a crook’ Nixon. En in het diepste geheim vastgelegd door een filmcrew onder leiding van niemand minder dan Stanley Kubrick, die even tevoren de sciencefiction-klassieker 2001: A Space Odyssey had gemaakt. Neil Armstrongs ‘one giant leap for mankind’ bleek toch gewoon maar ‘one small step for man’ te zijn. In een filmstudio, nota bene.

Je hoeft mij niet te geloven, hoor. Luister gewoon naar astronaut Buzz Aldrin, toenmalig veiligheidsadviseur Henry Kissinger, minister van defensie Donald Rumsfeld, stafchef Alexander Haig, CIA-directeur Richard Helms, presidentieel adviseur Lawrence Eagleburger óf Nixons secretaresse Eve Kendall in Dark Side Of The Moon (52 min.). Zij zijn glashelder in deze onthullende film van de Franse regisseur William Karel (oorspronkelijke titel: Opération Lune) over een zaak, die al snel he-le-maal uit de hand zou lopen.

Christiane Kubrick, de weduwe van Stanley, kwam de onverkwikkelijke kwestie op het spoor na het overlijden van haar echtgenoot. En filmmaker Karel zocht die vervolgens tot in detail uit, met ouderwets speurwerk en een indrukwekkende lijst bronnen. Ook al waren heel veel getuigen tegen die tijd allang verdwenen. Beter: uit de weg geruimd. Dark Side Of The Moon oogt zonder meer als onderzoeksjournalistiek van de bovenste plank, die van een real life sciencefictionfilm een razend spannende thriller maakt.

De maanlanding als een onvervalste Hollywood-productie. Het is lang niet zo onwaarschijnlijk als het lijkt. Dit complot staat bovendien niet op zichzelf. Paul McCartney is natuurlijk ook allang ‘dood‘. Elf september was gewoon een ‘inside job’. En bij de ‘school shooting’ op Sandy Hook zijn vanzelfsprekend acteurs ingezet. Het is alleen wachten op de bijbehorende ‘mockumentaries’.

Jonathan Agassi Saved My Life

Trots laat Yonatan Langer de speelfilm zien waarin hij zelf de hoofdrol speelt. Zijn moeder kijkt geïnteresseerd toe. Op het scherm drinkt hij een biertje en bestuurt met ontbloot bovenlijf een boot. ‘Het is geweldig’, zegt moeder. ‘Yonatan, je bent het echt!’ Haar zoon kijkt zelf trots toe als de film verder gaat en het moment nadert dat die niet meer zo geschikt is voor zijn moeder. ‘En nu gaan we naar boven om te neuken.’

De Israëlische hunk Yonatan is in de gayscene bekend, beroemd zelfs, als Jonathan Agassi. Pornoster van beroep. Deze documentaire van Tomer Heymann toont hem in zijn dagelijks leven: tijdens filmshoots, rond live-performances en gewoon bij mams thuis, met wie hij een erg innige band heeft. ‘Ik ben jouw vent’, zegt hij, als hij haar weer eens geld toestopt. Ze voelt zich zichtbaar ongemakkelijk. Yonatan blijft toch eerst en vooral haar kind.

Jonathan Agassi Saved My Life (106 min.), meent de getroebleerde hoofdpersoon, die stelselmatig lijkt weg te lopen voor wie hij werkelijk was en is. Hij gaat van feest naar feest, verhuurt zichzelf als escort en wordt steeds vaker high. Heymann legt acht jaar lang onverbiddelijk vast hoe Agassi zo in ijl tempo afstevent op een catharsis, waarin hij de problematische relatie met zijn moeder, afwezige vader én zichzelf onder ogen moet zien.

Van de ongecompliceerde patser, die met veel bravoure door het leven dendert, is dan weinig meer over. Alleen het moederskindje Yonatan Langer, een beschadigde jongen, die hunkert naar liefde, handelt in seks en in deze pijnlijke, ontluisterende film op alle terreinen dreigt te verliezen.

The Wolfpack

Daar staan ze dan. Zes jongens. Latino’s. Broers. In pak en stropdas, met een donkere zonnebril op. Ze richten hun pistolen op de camera. The Wolfpack (89 min.). Zojuist hebben ze met zichtbaar plezier enkele scènes uit de Quentin Tarantino-speelfilm Reservoir Dogs nagespeeld. Ze blijken zeer rolvast. Opererend vanuit hun eigen appartement. In een verloederd New Yorks flatgebouw in de Lower East Side.

Crystal Moselle kwam de wereldvreemde gebroeders Angulo tegen in het park toen ze net bezig waren om de buitenwereld te leren kennen. Het was alsof ze een verdwenen gewaande indianenstam uit de Amazone ontdekte, vertelde de debuterende filmmaakster toentertijd tijdens interviews. De jongens waren jarenlang nauwelijks buiten geweest. Negenmaal in één jaar, op zijn hoogst. Soms slechts eenmaal. En in één specifiek jaar helemaal niet. Vader Oscar hield ze binnen. Wilde ze beschermen tegen het gevaarlijke New York. En moeder Susanne gaf thuis les.

Via films hielden de Angulo’s – gezegend met namen als Govinda, Jagadisa en Narayana – contact met de buitenwereld. 5000 VHS-banden en dvd’s stonden er inmiddels thuis. En menige film werd tot in detail nagespeeld. The Dark Knight, Pulp Fiction en Nightmare On Elm Street. Papa Oscar, aanhanger van Hare Krishna, vond het allemaal best. Zolang zijn kinderen maar binnen bleven. Hij maakte van hen zijn eigen sekte. Een volledig naar binnen gerichte enclave, midden in één van de drukste steden van de wereld.

Samen vormden ze tevens een tikkende tijdbom, stelt zijn zoon Mukunda. Het was volgens hem een kwestie van tijd totdat de boel ontplofte. Uiteindelijk was hij het zelf, die op vijftienjarige leeftijd de stap naar die onbekende buitenwereld waagde. Met een Michael Myers-masker op. Niet veel later volgden zijn broers. De Angulo’s ontdekten dat de echte wereld zowaar behoorlijk leek op het universum dat ze al van het witte doek kenden. En dat het thuis waar ze al die jaren hadden vertoefd met verbazing werd bekeken door de rest van de wereld.

Filmmaakster Moselle heeft zich jarenlang als een soort extra huisgenoot in het bizarre huishouden verschanst en registreerde van binnenuit hoe de keuzes van de dictatoriale vader Oscar uitpakten voor zijn vrouw en kinderen. Met haar rommelige gefilmde beelden, op een collageachtige manier gecombineerd met vreemde (familie)filmpjes, ving ze het onwerkelijke verhaal van een zonderling gezin. Het resultaat is een ronduit unheimische film, die in 2015 op het Sundance Film Festival werd bekroond met de Grand Jury Prize.

The Kleptocrats

In de filmindustrie had niemand ooit van Red Granite Pictures gehoord. Toch investeert het bedrijf ettelijke honderden miljoenen dollars in de Hollywood-blockbuster The Wolf Of Wall Street uit 2013, een film van Martin Scorsese met in de hoofdrol Leonardo DiCaprio als überkapitalistisch roofdier. Op het Filmfestival van Cannes organiseert Red Granite bovendien een groots, zéér exclusief feest, waarbij sterren als Pharrell Williams, Jamie Foxx en Kanye West optreden. Dat kan niet kloppen, zou je zeggen. En dat doet het dus ook niet.

Het spoor in de boeiende financiële thriller The Kleptocrats (86 min.) leidt naar Najib Razak, de minister-president van Maleisië. Via het geheime fonds 1MDB zou op grote schaal publiek geld zijn weggesluisd om zijn herverkiezingscampagne te financieren. Gelukkig bleven er ook nog wat dollars over voor de man zelf en zijn lieftallige echtgenote Rosmah Mansor. Van die ene diamant van 27 miljoen dollar die Razak aan zijn vrouw gaf, hadden 3.333 leraren een jaar kunnen worden betaald, becijfert oppositielid Tony Pua. Zelfs Nazir Razak, de broer van de Maleisische premier, verbaast zich in deze documentaire over de welig tierende corruptie onder het bewind van zijn broer, die tot massale protesten leidt in de straten van Kuala Lumpur.

Een deel van het gestolen geld is ook in Hollywood beland. En dus gaan de filmmakers Sam Hobkinson en Havana Marking, in het kielzog van enkele onderzoeksjournalisten, op zoek naar de investeerder Jho Low, een omhoog gevallen sjacheraar die het breed laat hangen in het Amerikaanse uitgaansleven en zich probeert op te houden in de directe omgeving van sterren als Leonardo DiCaprio, Paris Hilton en Robert De Niro (die overigens lekker nijdig wordt, als hij telefonisch wordt bevraagd over zijn connectie met Low en diens plannen om te investeren in de nieuwe Scorsese-film The Irishman). Die speurtocht naar witteboordencriminelen levert een smakelijke film op, die aantoont dat de wereld van het grote geld inmiddels echt grenzeloos is geworden.

‘De echte vraag is: was dit allemaal legaal?’ vraagt Leonardo DiCaprio, als Jordan Belfort in The Wolf Of Wall Street, demonstratief aan de kijker. Hij antwoordt zelf: ‘Absoluut niet!’

Living The Light – Robby Müller

acteur Dennis Hopper (l) & Robby Müller (r) / NTR

Zijn beelden spraken altijd al voor hem. Later moesten ze dat letterlijk doen. Door ziekte kon cameraman Robby Müller (1940-2018) toen niet meer zelf praten. Claire Pijman kreeg intussen de beschikking over zijn privé-archief. Ze laat z’n hoogst persoonlijke Hi8-video’s, polaroids en foto’s in het liefdevolle portret Living The Light – Robby Müller (85 min.) samenvloeien met scènes uit de films die hij als ‘director of photography’ maakte met gerenommeerde regisseurs zoals Wim Wenders, Jim Jarmusch en Lars von Trier.

Als een moderne Hollandse meester speelt hij daarin met het licht. Een fascinatie die geen einde leek te kennen. Ook buiten de filmset was er altijd wel een camera voorhanden en een tafereel dat moest worden vastgelegd. Op hotelkamers, in een onbekende stad of gewoon thuis, in familiekring. ‘Alles werd gefilmd’, zegt zijn dochter Camilla MacGillavry-Müller. ‘Elke situatie. Tot vervelens toe. Hij deed het gewoon. Dat hoorde bij hem.’

Illustratief zijn opnames die Müller maakte van een wandeling van zijn ouders. Als het oudere echtpaar poseert op een bruggetje bij een meertje, vindt hij met zijn camera hun handen die worden weerspiegeld in het water en verliest zichzelf vervolgens helemaal in het spiegelende water. Even later spreekt hij vanuit een hotelkamer, tijdens de opnames van een film met een regisseur die een beetje ‘slapjes’ is, zijn zieke moeder toe. Op de achtergrond weerklinkt Reflections In The Water van Debussy.

Zo laat Pijman, zelf cameravrouw, beelden en verhalen vrijelijk rijmen in deze filmische ode aan Neerlands invloedrijkste cameraman, waarvoor Jim Jarmusch met zijn band Sqürl een speciale soundtrack componeerde. De beelden zijn daarbij leidend. De interviews (met regisseurs als Wim Wenders, Steve McQueen en Lars von Trier en directe collega’s van Müller) moeten volgen, in plaats van andersom. Achter elk afzonderlijk shot zit de man verscholen, die misschien ‘geen Hollywood-oog’ had, maar wel een geheel visie op de wereld creëerde.

Zoals één van de sprekers het formuleert: het is heel ingewikkeld om iets er heel eenvoudig uit te laten zien. Dat was een kunst die Robby Müller, getuige ook deze film die hem alle eer aandoet en beloond werd met een Gouden Kalf voor beste lange documentaire, volledig meester was.

The Camera That Changed The World

BBC

De mobiele camera maakte eind jaren vijftig de revolutie mogelijk, die zich allang in het hoofd van de filmmakers had voltrokken. Ineens hoefde het ding niet meer op een statief te worden geplaatst en kon de cameraman gaan ‘schouderen’. Een geheel nieuw filmgenre kon zich zo ontwikkelen: de direct cinema (of zijn Franse pendant, cinema vérité).

Waar documentaire tot dat moment een statisch en geënsceneerd gebeuren was gebleven, kon ineens het echte leven in beeld worden gebracht. De camera ging zich in de actie mengen, bewoog (mee) en kon stiekem gebeurtenissen vangen. Het was een ontwikkeling die aansloot bij de tijdgeest: de stijve jaren vijftig maakten plaats voor de swingin’ sixties. Als kijker was je daar waar het gebeurde.

De revolutie voltrok zich zo ongeveer simultaan in de Verenigde Staten en Frankrijk en resulteerde direct in twee klassieke films: Primary, de documentaire die van een onbekende Amerikaanse politicus, ene John Kennedy, tegelijkertijd een mens van vlees en bloed en een onweerstaanbare publiekslieveling zou maken. En z’n Franse tegenhanger Chronique D’Un Été, over het dagelijks leven van gewone Parijzenaars.

De documentaire The Camera That Changed The World (59 min.) van Mandy Chang uit 2011 – netjes met statief opgenomen overigens en voorzien van interviews en archiefmateriaal – brengt dit scharnierpunt in de documentairehistorie in beeld met de pioniers van het genre in Amerika (Robert Drew, Albert Maysles, Richard Leacock en D.A. Pennebaker, die begin augustus op 94-jarige leeftijd overleed) en Frankrijk (Jean Rouch, Michel Brault en Jean-Pierre Beauviala).

Zonder hen zou de observerende film zoals we die nu kennen, nog altijd één van de dominantste documentairegenres, er totaal anders uit hebben gezien. Zonder hun camera’s zouden fly on the wall-klassiekers als Dont Look Back, Titicut Follies en The War Room bovendien nooit het licht hebben gezien. En zonder die films zouden de popmuziek, psychiatrie en politiek een ander karakter hebben gehad.

De Man Die Achter De Horizon Keek

Bas Jan Ader / KRO-NCRV

Kijk goed naar de foto hierboven. Dit is Bas Jan Ader. Hij staat op het punt om de Atlantische Oceaan over te steken. Van Amerika naar Engeland. In het kleinste zeilbootje ooit. De Ocean Wave. Gekkenwerk!

Zijn vrouw Mary Sue maakte deze foto van hem. Voordat hij, op 9 juli 1975, aan de oostkust van de Verenigde Staten de zee opging. Het is het laatste beeld van de Nederlandse avonturier en kunstenaar. Negen maanden later is zijn boot teruggevonden bij de Engelse kust. Van Bas Jan ontbreekt ruim veertig jaar later nog elk spoor.

Of toch niet? Martijn Blekendaal stuit op aanwijzingen dat er wel eens iets héél anders achter die verdwijning zou kunnen zitten. Hij pluist bijvoorbeeld de vele zwart-wit video’s die zijn held achterliet uit op mogelijke clous. Slapstickachtige filmpjes. Bas Jan laat zich van een tak in het water vallen. Bas Jan probeert schuin te staan en valt. En Bas Jan rijdt met zijn fiets de plomp in.

Intussen wordt de joyeuze verteller Blekendaal zelf steeds meer de hoofdrolspeler van deze met veel fantasie, schwung en humor aangeklede zoektocht naar De Man Die Achter De Horizon Keek (28 min.), die zijn doel steeds nadrukkelijker uit het oog verliest. En dat, de heilzame ontsporing van Blekendaals queeste, lijkt vanaf het allereerste moment de bedoeling te zijn geweest.

Op die foto hierboven had dus net zo goed Martijn Blekendaal kunnen staan. Dat had hij overigens ook best gewild. Die allesbepalende stap durven te zetten naar dat véél te kleine bootje.

Untouchable

‘He would never take ‘no’ for an answer’, zegt Deborah Slater, de vroegere secretaresse van Harvey Weinstein, over de tijd dat hij nog een ambitieuze concertpromotor in Buffalo was. Ze probeert zijn zakelijke attitude te omschrijven aan het begin van de documentaire Untouchable (98 min.), maar de analogie met ‘s mans buitensporige seksuele gedrag is natuurlijk onontkoombaar. Om aan alle eventuele twijfel daarover een einde te maken, laat regisseur Ursula Macfarlane tegelijkertijd een foto zien van Harvey met een ander icoon van geweld tegen vrouwen, O.J. Simpson. Waarna Hope D’Amore het eerste aangrijpende verhaal van deze documentaire mag vertellen: over hoe ze eind jaren zeventig tijdens een bezoek aan New York met een jonge en bijzonder opdringerige Harvey in een hotelkamer belandde.

Toen Miramax, het filmproductiebedrijf van Weinstein en zijn broer Bob, vanaf halverwege de jaren tachtig stormenderhand Hollywood begon te veroveren, kreeg zijn wangedrag een structureel karakter. Niet alleen naar vrouwen overigens. Ook de mannelijke Miramaxers hadden het regelmatig zwaar te verduren met hun lomperd van een baas, vertellen ze in dit pijnlijke portret van de filmmagnaat. De asbakken vlogen zogezegd in het rond. Tegelijkertijd was er die onweerstaanbare drive, zijn grootse visie op films en die oprechte liefde voor cinema. Harvey was dan misschien een bullebak, lijken ze nog steeds (tegen zichzelf) te zeggen, maar zijn manier van werken leverde wel wat op: de ene na de ander Oscar. En ach, iedereen gaat wel eens een keer over de schreef.

En dan, halverwege de documentaire, introduceert Macfarlane de actrices Rosanna Arquette, Caitlin Dulany, Nannette Klatt, Louise Godbold en Paz de la Huerta. Ze hebben elk hun eigen ervaringen, maar vertellen tegelijkertijd één en hetzelfde verhaal, dat bovendien parallel is gemonteerd. De modus operandi van een seksueel roofdier, dat weet dat het ongestoord zijn gang kan gaan. Als er al details over zijn erotische escapades zouden uitlekken, dan kunnen die altijd in verband worden gebracht met jonge actrices, die zich nu eenmaal omhoog proberen te neuken. En in Hollywood weten ze allang dat híj, de onbetwiste baas van Miramax, daar niet vies van is, getuige bijvoorbeeld Seth MacFarlanes opmerkingen daarover bij de Oscar-uitreiking van 2013, die ene grap in de comedyserie 30 Rock en de ‘slip of the tongue’ van Courtney Love uit 2005.

Harvey waant zich onaantastbaar, zo ervaren oud-medewerkers, vrouwen en journalisten die hem tegen de haren instrijken. Met behulp van alle mogelijke middelen worden ze geïntimideerd. En als ‘the fucking sheriff of this fucking lawless piece-of-shit town’ uiteindelijk toch niet weg komt met wat hij nu weer heeft geflikt, kan er nog altijd worden geschikt, met een stevige geheimhoudingsverklaring erbij. Harvey meent daardoor dat hij boven de wet staat. Tótdat de onderzoeksjournalisten Ronan Farrow (The New Yorker) en Megan Twohey en Jodi Kantor van The New York Times in 2017, als de #metoo-beweging duchtig van zich doet spreken, eindelijk bronnen vinden die tegen Weinstein willen getuigen en zijn hele leven en bedrijf als een kaartenhuis in elkaar donderen.

De complete, inmiddels welbekende Weinstein-affaire wordt in deze doortimmerde documentaire netjes uit de doeken gedaan met jeugdvrienden, voormalige medewerkers en de gebruikelijke journalisten en deskundigen, maar wordt in Untouchable slechts beperkt in verband gebracht met de mucho macho-mores die er al sinds jaar en dag leven bij/rond dit soort hele machtige mannen, zeker in de entertainmentindustrie. Een tijdperk dat nu echter op z’n einde lijkt te lopen. Na R. Kelly en Michael Jackson is ‘Zweinstein’ al de derde grootheid die in 2019 wordt gesloopt in een documentaire. Nu is het alleen nog wachten op de definitieve Bill Cosby-film, die zich onlangs, vanuit de gevangenis, alweer op de sociale media meldde als ‘America’s dad’.

Oh ja, Harvey Weinstein ontkent alles. Bijna dan. En zijn broer Bob wist van niets.

The Black Godfather

Afgaande op de gastenlijst van deze film, waarin talloze grootheden de loftrompet over hem steken, moet Clarence Avant één van de belangrijkste mensen op aarde zijn. Eerlijk gezegd had ik nog nooit gehoord van ‘de beste dealmaker van de entertainmentindustrie’. Sinds The Black Godfather (118 min.), een titel die ik in eerste instantie toch echt met de rock & roll-rouwdouwer Andre Williams associeerde, weet ik: Avant is niets minder dan een levende legende. Een man die wel degelijk ijzer met handen kan breken. Met één enkele vinger, waarschijnlijk.

Ga maar na: Barack Obama, Bill Clinton, Quincy Jones, Jamie Foxx, Jesse Jackson, Puff Daddy, Snoop Dogg, Lionel Richie en een heleboel bobo’s uit de muziek-, film- en televisiewereld betuigen hier hun liefde. En als ze niet allang in het hiernamaals vertoefden, dan hadden Nelson Mandela, Frank Sinatra, Muhammad Ali, Ted Kennedy en Michael Jackson nu beslist ook van de gelegenheid gebruik gemaakt om Avants ring te kussen (waarna hij, geheel belangeloos, zijn achterwerk ter beschikking zou stellen). Die uitbundige sterrencast is het ‘unique selling point’ van dit portret – en tegelijkertijd de makke van dit soort typisch Amerikaanse hagiografieën.

Natuurlijk, de persoonlijke en professionele dalen in Avants inmiddels bijna negentig jaar omspannende leven en loopbaan blijven niet onbenoemd. Ze worden alleen – zoals dat gaat in dit soort véél te slicke films – ingepast in een Hollywood-achtige narratief, waarin de protagonist uiteindelijk elke vorm van tegenslag overwint, aanmerkelijk wijzer zijn leven vervolgt en eindigt als een éminence grise die werkelijk door iedereen als een soort surrogaatvader wordt beschouwd. Een halve heilige. Alleen wel wat grof in de mond.

In het geval van de entertainmentwizard Avant gaat dat gepaard met een natuurlijke betrokkenheid bij de Amerikaanse burgerrechtenbeweging en de ontwikkeling van de zwarte entertainmentsector en de bij dit soort larger than life-helden verplichte combinatie van grootspraak, sterke verhalen en net iets te gevatte humor. Deze film van Reginald Hudlin is een prima afspiegeling van zijn hoofdpersoon en de Bekende Amerikanen die hem hier opzichtig eer betonen: zo glad als een aal in een emmer snot.

Met, dat dient gezegd te worden, een absolute glansrol voor Bill Clinton en zijn ‘heel persoonlijke’ herinnering aan ‘Clarence’. Toen de Republikeinen hem ten tijde van Monicagate weg wilden hebben, hielp Avant de president, die overwoog om te vertrekken, hoogstpersoonlijk uit de brand. Hij keek hem indringend aan en zei: ‘Denk er niet eens aan.’ Hij herhaalde het zelfs nog een keer, herinnert ‘Bill’ zich met gevoel voor drama. ‘Denk er niet aan.’ Zo doen erkende troubleshooters/problemsolvers als Clarence Avant dat. De zaak was daarna, natuurlijk, snel uit de wereld geholpen.

Enkele jaren later liep Clarence (achternaam inmiddels overbodig, zo geef ik grif toe) overigens nog tegen een jonge zwarte vent aan, ene Barack Obama. Die werd toen ook president. Natuurlijk. De beide presidenten mogen hun mentor nu op hun blote knieën danken – en het zou me niet verbazen als ze dat elke avond voor het slapengaan ook daadwerkelijk doen – dat ze nu een plekje in deze práchtige documentaire hebben bemachtigd.

Man With A Movie Camera

Ik geloofde mijn ogen niet en spoelde even terug. Had ik in die sequentie over leven en dood, te midden van een huwelijksceremonie, publieke uitvaart en het (met afgeschermd gezicht) tekenen van de scheidingspapieren, werkelijk gezien hoe een vrouw haar kind krijgt? Nee, de baby blijkt al te zijn gebaard. Alleen de navelstreng moet nog worden doorgeknipt.

Het is niettemin een erg expliciete scène. Negentig jaar na dato kun je zo als argeloze kijker nog altijd van de ene in de andere verbazing vallen bij Man With A Movie Camera (99. min.) uit 1929. De stomme film van Dziga Vertov portretteert via een alom tegenwoordige cameraman en zijn (veelal verborgen) mechanische oog het dagelijks leven in Sovjetsteden als Moskou, Kiev en Odessa. Van zonsopgang tot zonsondergang.

Behalve ‘a slice of life’ uit een verloren wereld offreert Vertov, zonder duidelijke verhaalstructuur of uitgewerkte personages, echter vooral een keur aan revolutionaire film- en montagetechnieken die in de navolgende decennia een vanzelfsprekend onderdeel zullen worden van onze beeldtaal; van slow- en fast motion tot split screen, (extreme) close-ups en de vreemdste kadreringen. En al die elementen worden met ongelooflijk veel vaart, schwung en oog voor detail uitgeserveerd.

Destijds, in de begindagen van het nieuwe medium, begrepen ze er naar verluidt weinig van. De avant-garde documentaire Man With A Movie Camera werd door critici afgeserveerd als een typisch geval van vorm boven inhoud. Pas later kwamen de erkenning en bewondering. En een vaste plek in elk zichzelf respecterend overzicht van de beste documentaires aller tijden.

Voor een cinematografisch hoogstandje dat, zeker met de meeslepende moderne soundtrack erbij die The Cinematic Orchestra in 2003 maakte, nog altijd een lust voor oog en oor blijkt. Vertovs experimentele film is niet minder dan een uitbundige viering van wat cinema is – en in die tijd: zóu kunnen zijn. Een venster naar de toekomst van film, documentaire in het bijzonder, waarin de kunstvorm naar alle windstreken zal uitwaaieren. 

Being Frank: The Chris Sievey Story

‘Voor mijn gevoel werd het méér dan een alter ego’, zegt een man die hem – hun allebei eigenlijk – goed kende. ‘Het leek wel schizofrenie. Hij werd écht iemand anders.’

‘Je kon nooit via Chris bij Frank komen’, beweert een ander. ‘En ik heb nooit iets tegen Frank gezegd en dat Chris dan antwoord gaf.’

‘Er zijn mensen die stellen dat Chris wist dat Frank maar een act was, stelt nummer drie. ‘Anderen menen dat het gecompliceerder lag. Ik denk zelf ook dat er echt iets gaande was.’

Welkom in de verknipte wereld van Chris Sievey (1955-2010), een gesjeesde Britse popmuzikant, en zijn bizarre creatie Frank Sidebottom, die op zijn beurt ook weer een bezopen bordkartonnen nakomeling voortbracht, de hopeloos populaire Little Frank. Wat ooit simpelweg begon als een ludiek typetje, een bijzonder gevatte botterik met een enorm hoofd van papier-maché, werd gaandeweg een soort monster van Frankenstein, dat Sieveys leven helemaal overnam en uiteindelijk zijn oorspronkelijke droom, een nieuwe Paul McCartney worden, volledig om zeep hielp. Intussen wist niemand wie er schuil ging achter de cultheld Frank Sidebottom.

Being Frank: The Chris Sievey Story (100 min.) brengt deze clown tegen wil en dank overtuigend tot leven, met dozenvol schriften, VHS-tapes, brieven, tekeningen, liedjes, rekwisieten, collages, artwork, halffabrikaten en allerlei andere gekkigheid die in Sieveys vochtige kelder werden aangetroffen. Zijn hele privé-archief werd maar ternauwernood van de vuilstort gered. Het bonte, op sneltreinvaart geleefde bestaan dat zich daarin openbaart wordt in deze film ingekaderd met boeiende, grappige en trefzeker gestylede interviews met zijn vrouw, kinderen, vriendin, collega’s en (jeugd)vrienden. Zij portretteren Sievey als een creatieve duizendpoot, briljante ontregelaar en ongeleid projectiel pur sang, dat het allerbest tot zijn recht kwam als-ie zomaar wat mocht improviseren.

Filmmaker Steve Sullivan, die in 2006 met Frank Sidebottom én Chris Sievey werkte aan de Magic Timperly Tour (een weerslag van een busrit met honderd Frank-fans door zijn thuisbasis in Manchester), heeft jarenlang ziel en zaligheid gestoken in dit project, dat uiteindelijk via een Kickstarter-campagne is gerealiseerd. Het resultaat is ernaar: een kostelijke film, die aanvoelt als een dollemansrit met een botsauto door een speeltuin voor volwassenen. Met een beduimelde audiocassette vol Beatles-afdankertjes op de speakers. Een liefdevolle ode aan een vergeten/ongekend genie, in wiens wondere wereld je beslist (opnieuw) wilt vertoeven.