The Central Park Five

Ava DuVernays vierdelige drama When They See Us, sinds kort te zien op Netflix, is zonder enige twijfel de meest geprezen televisieserie van 2019. Over hetzelfde onderwerp, de onterechte veroordeling van vijf donkere New Yorkse jongens vanwege een gewelddadige verkrachting, werd in 2012 ook al een prijswinnende documentaire gemaakt: The Central Park Five (118 min.).

Beide producties gaan terug naar die ene fatale dag in 1989, woensdag 19 april, toen een vrouwelijke jogger nagenoeg levenloos werd achtergelaten in het New Yorkse Central Park. Ze zou twaalf dagen in coma liggen. Enkele jongens, onderdeel van een grotere groep tieners die stenen naar auto’s had gegooid en een paar willekeurige parkbezoekers in elkaar had geslagen, werden gearresteerd voor de verkrachting.

Onder druk van de politie legden ze tijdens hun (gefilmde) verhoren een valse bekentenis af, die hen zou blijven achtervolgen. Ook al was er geen enkel fysiek bewijs – een situatie die herinneringen oproept aan de Puttense moordzaak. Toen in een andere zaak een erkende serieverkrachter als verdachte werd aangehouden, vond niemand het nodig om zijn DNA te testen. The Central Park Five zouden jarenlang achter de tralies zitten.

Met de vijf voormalige verdachten – één van hen wilde alleen niet in beeld – en advocaten, journalisten, burgerrechtenactivisten, psychologen en familieleden van de jongens nemen Ken BurnsDavid McMahon en Sarah Burns de zaak door, die kan worden gezien als de culminatie van raciale spanningen in het door een misdaadgolf en de crackepidemie overspoelde New York van de jaren zeventig en tachtig.

Het vergrijp speelde destijds perfect in op latent racisme. Een blanke vrouw verkracht? Daar kón alleen een zwart roofdier achter zitten. Vijf nog wel. Zelfs in 2016, toen de zaak al lang en breed was opgelost en de onschuldige verdachten allang op vrije voeten waren, bleef een zekere New Yorkse vastgoedman, die ook al eens een advertentie in de krant had geplaatst om de doodstraf te bepleiten voor de vijf, volhouden dat de jongens in wezen schuldig waren.

De uitspraken van deze Donald Trump geven dit dramatische verhaal over stuitend onrecht, dat door Burn, McMahon en Burns zonder effectbejag is opgetekend, een actuele draai. Datzelfde racisme steekt nog altijd de kop op in het hedendaagse Amerika, dat lang niet zo kleurenblind is als je zou hopen.

Bij een zaak met zulke grote maatschappelijke implicaties zou je bijna vergeten dat de gewelddadige verkrachting in eerste en laatste instantie een vrouwelijk slachtoffer had. Trisha Meili maakte zich in 2003 met een boek bekend als de Central Park-jogger, geeft zo nu en dan haar mening over de zaak rond de vijf ten onrechte veroordeelde jongens en schijnt tegenwoordig met andere slachtoffers van seksueel geweld te werken.

Ask Dr. Ruth

Het is gemakkelijk om haar te onderschatten en af te doen als dat kleine kittige vrouwtje met het bijna karikaturale Duitse accent, dat werkelijk alles weet over seks. Dokter Ruth Westheimer noemt zichzelf misschien geen feminist, maar ze heeft met haar seksuele adviezen wel degelijk een sleutelrol gespeeld in de emancipatie van de Amerikaanse vrouw en het bespreekbaar maken van alle denkbare vormen van seksualiteit.

In Ask Dr. Ruth (99 min.) wordt de goedlachse seksuoloog, die al decennia een vaste gast in de internationale media is, gevolgd terwijl ze van de ene naar de andere activiteit stiefelt. Ze is de negentig inmiddels gepasseerd, maar aan energie nog altijd geen enkel gebrek bij ‘oma Freud’. Ze geniet duidelijk ook van de aandacht. Tussen alle mediaoptredens door bezoekt ze in deze film de mensen en plekken die haar leven hebben bepaald.

Achter dokter Ruth Westheimer gaat Karola Siegel schuil, het enige kind van een orthodox-Joods gezin in Frankfurt an Main. Op tienjarige leeftijd werd ze naar Zwitserland gestuurd, om daar te ontsnappen aan de grijpgrage klauwen van Hitlers nationaal-socialisme. Ze zou haar ouders nooit meer zien. Als ‘wees van de Holocaust’ moest ze zichzelf helemaal opnieuw uitvinden. Zonder familie, in een vreemd land.

Dat tragische verleden wordt in deze documentaire van Ryan White opgeroepen met een combinatie van dagboekfragmenten en animaties, die de gebeurtenissen enigszins een Disney-laagje geven. Erg bijzonder is het traditioneel opgebouwde Ask Dr. Ruth sowieso niet. Het zijn de onverschrokken vrouw en haar bijzondere verhaal die het uiteindelijk moeten doen in deze eikenhouten film.

Een Goede Moslima

‘Het is warm buiten, die oven geeft warmte en die arme vrouw moet een hoofddoek om en een lange broek?’, zeurt Frans Bromet op kenmerkende wijze tegen zijn hoofdpersoon Yeter Akin, terwijl haar tantes in Turkije een plaatselijke pannenkoek bereiden. ‘Die vrouwen zijn dus zo sterk dat ze tegen die warmte kunnen’, reageert Yeter onverstoorbaar. Intussen pakt één van de tantes met een verschrikt ‘ooow’ een pannenkoek van het vuur. ‘Verbrand?’, vraagt Bromet plagend. ‘Ja’, laat Yeter, sinds haar dertiende woonachtig in Nederland, zich niet uit het lood slaan. ‘Die is verbrand.’

De nestor onder de Nederlandse camerajournalisten, dik in de zeventig inmiddels, opereert nog altijd regelmatig als de vleesgeworden scepsis. Hij houdt zich van de domme, vraagt echt door en prikkelt als de situatie daar in zijn ogen om vraagt. Samen met Akin, met wie hij eerder een film over eerwraak maakte, gaat Bromet ditmaal op zoek naar waaraan Een Goede Moslima (71 min.) eigenlijk moet voldoen. En het is prettig dat hij daarbij niet met meel in de mond spreekt of al te voorzichtig te werk gaat. Bromet reageert gewoon zoals hij altijd doet en stelt simpelweg de vragen die in hem opkomen.

De gesprekken van Bromet en Akin, met elkaar en met allerlei verschillende vrouwelijke moslims, worden afgewisseld met een interview dat Yeter deed met een Duitse vriendin. De onherkenbaar gemaakte vrouw, gefilmd met een smartphone, vertelt hoe haar dochter langzaam radicaliseerde en uiteindelijk naar het kalifaat van Islamitische Staat vertrok. Dat interview voelt een beetje als een fremdkörper in deze erg praterige televisiedocumentaire, niet Bromets beste film, die een aardig inkijkje geeft in de wereld van moslima’s, zonder dat dit verder wezenlijk nieuwe inzichten oplevert.

Bisbee ’17

Ze vormden zogezegd een gevaar voor ‘the American way of life’. De 1300 mijnwerkers, veelal immigranten, die in de zomer van 1917 vanwege slechte arbeidsomstandigheden en voortdurende discriminatie in staking waren gegaan in Bisbee, Arizona. The Industrial Workers Of The World, een op socialistische leest geschoeide vakbond, stond ferm aan hun zijde.

Voor Harry Wheeler, de sheriff van het mijnwerkersstadje, was het een teken om actie te ondernemen. Hij verzamelde maar liefst tweeduizend plaatselijke vrijwilligers voor een posse, die de stakers hardhandig, met een geweer in hun nek, op de trein naar de woestijn van Nieuw-Mexico zette. Zestien uur waren ze onderweg, zonder eten of drinken. Om op de plek van bestemming, als het zo uitkwam, te creperen.

De zogenaamde ‘Bisbee-deportatie’ op 12 juli 1917, al dan niet in opdracht van het lokale kopermijnbedrijf Phelps Dodge, verdeelt honderd jaar later nog altijd de lokale gemeenschap. Was het een noodzakelijke ingreep om de plaatselijke vrouwen en kinderen te beschermen? Een overdreven reactie op vermeend communistisch oproer? Of toch gewoon een uiting van onversneden racisme?

Regisseur Robert Greene laat het drama, dat doorgaans wordt stilgezwegen, herleven in Bisbee ‘17 (112 min.). Huidige inwoners van het voormalige kopermijnstadje krijgen de hoofdrol in een ‘re-enactment’ van de deportatie – een opzet die doet denken aan de documentaire Casting JonBenét, waarin amateuracteurs een plaatselijke moordzaak naspelen. De lokale radiodeejay fungeert als verteller, een man die de deportatie een goede zaak vindt speelt de toenmalige directeur van het mijnbedrijf en de zoon van een gedeporteerde Mexicaanse vrouw neemt de rol van staker op zich. Tussen de voorbereidingen door verhalen ze ook over hun eigen levens.

In het hedendaagse Bisbee, waar de kopermijn alweer ruim veertig jaar is gesloten, zijn de sporen van het verleden nog altijd duidelijk zichtbaar. Zo vertelt de dochter van een voormalige leidinggevende van Phelps Dodge dat ze werd opgevoed met het idee dat het afvoeren van de stakers volledig terecht was. ‘Ik moet mezelf er steeds aan herinneren dat zulke verhalen afkomstig zijn van mensen uit Bisbee’, zegt ze. ‘Met andere woorden: van mensen die niet zijn gedeporteerd.’

Die verscheurdheid komt het pijnlijkst tot uiting in de Ray-familie, waarvan één voorvader als lid van de volksmilitie destijds zijn eigen broer liet afvoeren. Twee van hun nazaten herbeleven tijdens de uiteindelijke uitvoering van de Bisbee-deportatie de broedertwist die hun familie verscheurde. Hun moeder kan het nauwelijks aanzien. Zo beginnen heden en verleden, fictie en non-fictie, persoon en rol al snel helemaal in elkaar over te vloeien in Bisbee ’17, een intelligente documentaire die alleen wat lang van stof is.

Born Free

Het is nauwelijks voor te stellen dat er nu een nieuwe generatie Zuid-Afrikanen opgroeit die de sensatie (of paniek) van de vrijlating van Nelson Mandela in 1990 en diens presidentschap vanaf 1994 niet persoonlijk heeft meegemaakt. Inmiddels zijn er 25 jaar verstreken sinds ‘Madiba’ werd verkozen tot vader des vaderlands en staan er opnieuw democratische verkiezingen op het programma. Het verfoeide Apartheidssysteem is intussen definitief afgevoerd naar donkere bladzijden van het Zuid-Afrikaanse geschiedenisboek, maar is de scheiding tussen wit en zwart daarmee ook uit de haarvaten van het land verdwenen? Kun je na zoveel jaar ongelijkheid ineens gelijk zijn.

De veelvuldig bekroonde Nederlandse fotojournalist Ilvy Njiokiktjien, voormalig Fotograaf des Vaderlands, maakte een belangrijk deel van haar werk in Afrika en heeft zich nu ten doel gesteld om de zogenaamde ‘born frees’, de generatie die is geboren rond de afschaffing van de Apartheid en de beëdiging van de eerste zwarte president, te portretteren. In dat kader was er al een fototentoonstelling, die nog tot 16 juni is te zien in Museum Hilversum, en is er nu ook een documentaire: Born Free, Mandela’s Generatie Van Hoop (51 min.), samengesteld door Erik van Empel, waarin een aantal Zuid-Afrikaanse jongeren aan het woord komen.

‘Zuid-Afrika moest met een schone lei beginnen’, vertelt een blond meisje dat een relatie heeft met de zwarte jongen, die lekker tegen haar aanzit. ‘En die schone lei zijn wij.’ In haar herinnering van hun allereerste ontmoeting klinkt echter nog het aloude wantrouwen van wit tegenover zwart door. ‘Jij had een leuk gezicht. Ik had het gevoel dat ik je wel kon vertrouwen. Soms zie je iemand en dan denk je: jij hebt niet het gezicht van een moordenaar. Je weet wel: zo iemand die je gezicht eraf haalt en het als masker gaat gebruiken.’ Ze moeten er allebei om lachen. Hij, luchtig: ‘Op die basis ben ik goedgekeurd.’

Zo brengt Njiokiktjien heel verschillende vertegenwoordigers van de Born Free-generatie in beeld: van een gangsterrapper tot een witte kostschooljongen uit een bevoorrecht milieu, van een meisje dat op straat moet zien te overleven tot een helemaal van zichzelf overtuigde zakenjongen en van een überhippe influencer tot een diep-christelijk meisje uit een authentieke Afrikaner-familie. Via hun eigen ervaringen vertellen ze het verhaal van hun generatie en maken ze in deze aardige sfeertekening, die wel voor een belangrijk deel drijft op zit-interviews, tevens de balans op van 25 jaar democratie in Zuid-Afrika.

America To Me

‘Ik wil met jullie praten, omdat ik weet dat sociale rechtvaardigheid je interesseert’, zegt docent natuurkunde Aaron Podolner tegen vierdejaars-leerling Jada Buford en derdejaars Charles Donalson. De witte docent wil de twee zwarte leerlingen zijn eigen ‘racial memoir’ laten lezen. Podolner is ook benieuwd naar hun mening over hoe hij het thema ras aanpakt in de klas. Het is duidelijk dat hij daar zelf heel tevreden over is.

Charles begint eens te lachen, Jada ziet daarentegen haar kans schoon om eindelijk haar ongenoegen te uiten over Podolners continue opmerkingen en grapjes over haar haren. Alsof hij, die roomblanke leraar, iets begrijpt van een afrokapsel. Ze vindt het duidelijk ook een ongemakkelijke manier van contact leggen. Met frisse tegenzin stemmen de twee leerlingen uiteindelijk in met het verzoek van de docent om zijn stuk te lezen.

Zo proberen ze het wel, op The Oak Park And River Forest High School, een eliteschool in een buitenwijk van Chicago. Het lukt alleen nog niet altijd om op een natuurlijke manier om te gaan met multiculturaliteit, getuige de hartveroverende tiendelige documentaireserie America To Me (623 min.). Ook omdat de cijfers van de zwarte leerlingen nog steeds behoorlijk achterblijven. En dat is een bron van zorg voor alle betrokkenen. Hoe je die problematiek tackelt, daarover lopen de meningen natuurlijk uiteen.

Filmmaker Steve James brengt van dichtbij het leven op de middelbare school in beeld; van het reguliere curriculum met standaardvakken als Engels, wiskunde en geschiedenis tot het rijke leven daaromheen, dat zich afspeelt in sportcomplexen, theaters en danszalen. Gedurende een schooljaar volgt hij twaalf leerlingen, hun families en de leraren en begeleiders die ze tijdens hun schoolloopbaan tegenkomen en spreekt met hen indringend over de rol van ras in hun leven en leefomgeving. Dat levert een genuanceerd beeld op van een multiculturele gemeenschap, waarin iedereen zich bewust is van zijn eigen positie en z’n verhouding tot de ander.

Hoewel alle betrokkenen uiteindelijk van goede wil lijken, gaat de onderlinge afstemming bepaald niet altijd vanzelf. Als meester Podolner en zijn leerlingen Charles en Jada elkaar bijvoorbeeld opnieuw ontmoeten, is er direct weer spanning. Jada: ‘U kunt wel lesgeven aan zwarte leerlingen, maar u weet niet per se alles van ras.’ Volgens haar is het gedrag van Aaron Podolner in de klas gebaseerd op stereotypen. ‘U maakt er grappen over en dat maakt me echt woest.’ Charles voelt zich intussen geroepen om te nuanceren en de leerkracht in bescherming te nemen: ‘Racisme, dat is er nou eenmaal. Maar soms is het grappig.’

En dat is weer tegen het zere been van zijn medeleerling. ‘Zo geef je witte mensen de ruimte om dingen te zeggen en verandert er niks’, fulmineert Jada. ‘Er komt nooit iets positiefs uit als het gaat over ras.’ De docent zit de tirade van zijn zwarte leerling manmoedig uit. Charles is dan al vertrokken en heeft bij het weggaan demonstratief zijn koptelefoon opgezet. Moe van een (twist)gesprek, dat vast al veel vaker zal zijn gevoerd. Met en zonder docenten. Binnen en buiten de school. In een samenleving, waarin de nuance zo vaak weg lijkt.

Exit: Leaving Extremism Behind

Toen ze als tiener Christiane F. zag, wilde ze zelf heroïne spuiten in een Berlijnse nachtclub. Alles wat gevaarlijk was, sprak Karen Winther halverwege de jaren negentig aan. Het werd uiteindelijk extreem-rechts voor de boze Noorse puber. Ze was vanaf haar zestiende twee jaar lid van een White Power-groep.

In de bespiegelende egodocu Exit: Leaving Extremism Behind (52 min.) gaat Karen Winther de confrontatie aan met haar eigen verleden. ‘Zit er soms iets slechts in mij?’ vraagt ze zich in gemoede af. Winther verweeft haar persoonlijke zoektocht met gesprekken met andere voormalige neonazi’s, die nog dagelijks het gevecht moeten aangaan met hun bruine jaren en de wroeging daarover.

Zoals Manuel, ooit de leider van een paramilitaire groep uit het voormalige Oost-Duitsland. ‘Het was ons land’, zegt hij over zijn buitenlanderhaat. ‘En daar hadden parasieten niets te zoeken.’ Bij een vechtpartij in de gevangenis waren het echter Turkse gedetineerden die hem te hulp kwamen. ‘Dat was zeer ontnuchterend, dat ‘beesten’ een ‘mens’ te hulp moesten komen.’ Manuel, nog altijd geen lieverdje, werd gedwongen in de spiegel te kijken.

De Noorse filmmaakster zoekt tevens extremisten uit andere windstreken op. David, een Franse jongen van katholieke huize, bekeerde zich als tiener tot de Jihad en werd vervolgens lid van een extremistische moslimgroepering. Ook hij belandde achter tralies. Na de gevangenisstraf hield hij zich jarenlang gedeisd. Tót het bloedbad bij het satirische tijdschrift Charlie Hebdo.

Met zulke spijtoptanten en enkele deskundigen probeert Karen Winther, die na haar stiekeme vertrek bij extreemrechts terechtkon bij een vriendin die ze nog kende uit haar tijd als antifascist (!), de vinger te krijgen achter wat jongeren in de armen van extreme ideologieën drijft. Opvallend genoeg blijft haar eigen familie daarbij buiten beeld. Geen vader, moeder, broer of zus die haar eigen afslag richting neonazi’s duidt.

Of ligt daar misschien juist (een deel van) het antwoord? Die extremistische jeugd blijft in elk geval altijd bij je. Als een tatoeage die, soms letterlijk, je verleden blijft verraden. Zoals ook de dreiging van vroegere kameraden kan blijven – hetgeen Manuel, die inmiddels regelmatig heeft moeten verhuizen, bijvoorbeeld nog dagelijks ondervindt. En hoe ga je zonder hen, en alle mensen die zich van je hebben afgekeerd, verder met je bestaan?

Period. End Of Sentence

Hij maakt Huggies, zeggen de ongemakkelijk glimlachende mannen. Luiers voor kinderen. Zouden ze echt niet weten wat de maandverbandmachine van Arunachalam Muruganantham fabriceert of houden ze zich gewoon van de domme?

Feit is dat menstruatie nog altijd een enorm taboe is in het Hapur-district van India. De meisjes en vrouwen die in Period. End Of Sentence (25 min.) van Rayka Zehtabchi worden geportretteerd, wenden eveneens beschaamd hun gezicht af als het thema ‘ongesteld zijn’ aan de orde wordt gesteld. Daar praat je niet over.

Tot dusver zijn de hoofdpersonen van deze boeiende film, die vannacht (erg overdreven) de Oscar voor beste korte documentaire heeft gewonnen, aangewezen op smerige doeken, waarvan ze zich na gebruik stiekem moeten zien te ontdoen. Want menstruerende vrouwen zijn onrein – en vrouwen hebben sowieso niks te vertellen en moeten zich maar schikken in hun lot.

Enkele ondernemende feministen besluiten desondanks om maandverband te gaan maken. Daarmee gaan ze de regio in, om hun product aan de vrouw (en aan hun vaders en echtgenoten) te brengen. Met de opbrengsten kunnen ze bovendien, zo betoogt deze typische empowermentfilm, hun eigen maatschappelijke positie verstevigen.

Tanzania Transit

Isayah keert terug naar huis na een bezoek aan zijn kleinzoon William. Samen hebben ze plaatsgenomen in de armencoupé van de Tanzania Transit (53 min.). Als leden van de Masai-stam krijgen ze in de trein, die van Dar es Salaam naar Kigoma rijdt, te maken met de vooroordelen van andere passagiers. ‘Dus jij vindt dat wij het verdienen om stomme apen te worden genoemd?’, vraagt William verontwaardigd aan een groepje mannen, dat zojuist heeft beweerd dat hij en zijn opa in de jungle thuishoren.

Het is één van de weinige momenten dat deze film van Jeroen van Velzen, die zelf jarenlang in Afrika woonde, even ontbrandt. Verder lijkt het een doodnormale treinreis. Van drie dagen, dat wel. Waarin iedereen langzaam maar zeker steeds vermoeider wordt. Even verderop zit de Keniaanse bar-eigenaresse Rukia. Ze is op weg naar een nieuw leven. Het oude, waarin ze op haar veertiende werd uitgehuwelijkt en vervolgens in de huwelijksnacht hardhandig werd ontmaagd, laat ze graag achter zich. Hetzelfde geldt waarschijnlijk voor Peter. Nog niet zo lang geleden leidde hij een misdaadbende, nu brengt hij zijn diensten als ‘healer’ aan de man bij andere reizigers. Met bidden, zo lijkt hij te denken, kan elke vorm van onheil worden afgewend – én een aardig zakcentje worden verdiend.

Documentairemaker Van Velzen en z’n filmcrew tekenen de reis, zowel de fysieke als de mentale, met oog voor detail en sfeer op. De film voelt alsof-ie is gemaakt door een passagier, die zich slapende houdt en intussen stiekem, loerend door zijn oogwimpers, de microkosmos om zich heen in zich opneemt. Zo vangt hij kleine, menselijke scènes, die tevens de diversiteit van de Tanzaniaanse samenleving verbeelden. Als de oudere man Isaya bijvoorbeeld zijn kleinzoon herkent in een YouTube-filmpje met Masai-dansers, oogt hij verbaasd. Hoe is William in die televisie terechtgekomen? En hadden ze dat geld niet beter kunnen besteden aan koeien?

The Two Killings Of Sam Cooke

Als één zwarte soulzanger zich grondig heeft laten ‘whitewashen’, dan is het Sam Cooke. Hij leeft voort als de man van gladgestreken popsoulsongs als Wonderful WorldCupid en You Send Me. Een zwarte Sinatra. Zijn vader waarschuwde hem al: ‘Je kunt de wereld winnen en je ziel verliezen.’ Maar Sam wilde van jongs af aan wereldberoemd worden. Pas na zijn vroegtijdige dood in 1964 werd A Change Is Gonna Comeuitgebracht, een lijflied van de Amerikaanse burgerrechtenbeweging.

In de geoliede popdocu The Two Killings Of Sam Cooke (74 min.) schetsen voormalige vrienden en medewerkers van de zakelijk ingestelde zanger en tijdgenoten als Smokey Robinson, Dionne Warwick en Quincy Jones de opkomst van Cooke, die gaandeweg steeds nadrukkelijker voor zichzelf opkwam en gelijkgestemden vond in politiek activist Malcolm X, acteur Jim Brown en bokser Mohammed Ali. Gezamenlijk stonden ze aan de basis van een nieuw zwart zelfbewustzijn dat Black Power zou gaan heten. Tegen de tijd dat de burgerrechtenbeweging goed op gang kwam, was Sam Cooke echter al dood.

Hij stierf als de eerste de beste ‘nikker’. Onder mysterieuze omstandigheden doodgeschoten in het haveloze Hacienda Motel in de beruchte Watts-wijk van Los Angeles. Theorieën over wat zich daar heeft afgespeeld waren er te over. Had de vrouw die de trekker waarschijnlijk overhaalde zich moeten verdedigen tegen de agressieve dronkenlap Cooke? Was de succesvolle zanger op slinkse wijze beroofd? Of ging het toch om een samenzwering tegen een zwarte artiest die zijn plaats niet wist in een industrie, die van oudsher wordt gerund door louter witte mannen?

Een serieus onderzoek naar zijn gewelddadige dood is er volgens deze documentaire van Kelly Duane nooit gekomen. Als zoiets al met de grote Sam Cooke kon gebeuren, wat had een gewone afro-Amerikaan in de roerige tijden van Martin Luther King, Malcolm X en Medgar Evers dan van de autoriteiten te verwachten? Die vraag is, getuige de Black Lives Matter-beweging, verrassend actueel. En zoals er nu grootschalige protesten ontstonden na de gewelddadige dood van Freddie Gray, Eric Garner en Mike Brown, zou het na Cookes dood blijven broeien in Watts, dat in 1965 het toneel werd van serieuze rassenrellen.

The Hitler Chronicles: Blueprint For Dictators

Hoe portretteer je één van de bekendste mensen van de afgelopen honderd jaar, die tegelijkertijd altijd een enigma is gebleven? Een man bovendien, wiens leven alleen kan worden geïnterpreteerd aan de hand van de gruwelijke slotsom ervan: de Holocaust. Is er ‘eer’ te behalen aan zo’n hoofdpersoon? De bijzonder ‘gründliche’ documentaireserie The Hitler Chronicles: Blueprint For Dictators (211 min.) van Hermann Pölking-Eiken, met veel nooit eerder vertoond archiefmateriaal, waagt een serieuze poging.

In vier afleveringen behandelt de serie chronologisch het leven van de extreem-rechtse politicus die de onbetwiste Führer van nazi-Duitsland werd. Het gemis aan beelden van Hitlers eerste levensjaren – laat staan bewegende beelden – wordt overtuigend gecompenseerd met een enorme veelheid aan menselijke bronnen; van mensen die Hitler persoonlijk hebben gekend tot tijdgenoten die zich uitspreken over zijn persoonlijkheid, toespraken en activiteiten. En Adolf Hitler zelf natuurlijk, via citaten uit zijn manifest Mein Kampf.

Al die intimi, medestanders, politici, journalisten, beroemdheden en criticasters hebben een eigen stem gekregen en spreken in hun moedertaal. Ze stellen zichzelf ook netjes voor. ‘August Kubizek – Linzer Jugendfreund Adolf Hitlers’, bijvoorbeeld. Of: ‘Oskar Maria Graf – Schriftsteller, Aus Meinem Leben.’ En: ‘John F. Kennedy, Student Travelling In Europe, Diary.’ Met name de overvloedige bronvermelding maakt de serie, die bijeen wordt gehouden door een alwetende verteller, nog eens extra praterig en vertraagt de vertelling bovendien.

Die veelvoud aan perspectieven onderstreept wel het epische karakter van deze historische documentaireserie, die (natuurlijk) geen verrassende nieuwe inzichten biedt, maar een gedegen en compleet beeld schetst van de mens, het tijdperk en de mythe Adolf Hitler, een verhaal dat, met alle beschikbare middelen, verteld moet blijven worden.

Copwatch

‘Wat is je naam?’ De vraag wordt steeds herhaald. Net als het antwoord: ‘9311.’ En: ‘Jij hebt hier niks mee te maken.’ Ramsey Orta stelt de vraag nog maar eens: ‘Wat is je naam?’ Intussen filmt hij stug door met zijn smart phone. 9311 en zijn collega gaan door met de aanhouding van een haveloos uitziend stelletje. De agent die alleen zijn badgenummer besluit bovendien om back-up te vragen.

Het is een surrealistische tafereel: een willekeurige arrestatie die wordt vastgelegd door een willekeurige buitenstaander (die op zijn beurt weer wordt gefilmd voor een documentaire). Het is ook een logisch gevolg van de Black Lives Matter-beweging: gewone bewoners wapenen zich met moderne middelen tegen (vermeend) ongeoorloofd geweld door de politie tegen zwarte Amerikanen.

Wat begon als een logische reactie op schokkende filmpjes van de volledig uit de hand gelopen aanhoudingen van Freddie Gray, Eric Garner (‘I can’t breath’) en Mike Brown, heeft geresulteerd in een heuse tegenbeweging: Copwatch (99 min.). Gewapend met een camera – en Copwatch-petten, -shirts en -jacks – gaan de makers van diezelfde filmpjes de straat op.

Deze boeiende documentaire van Camilla Hall tekent de directe gevolgen daarvan op: in een gemiddelde Amerikaanse stad, waar regulier politiewerk zomaar ineens een mediahype kan worden. Én in het leven van deze bevlogen Copwatchers zelf, die ook niet altijd van onbesproken gedrag blijken en daardoor duchtig onder vuur komen te liggen.

Matangi / Maya / M.I.A

‘All I wanna do is bang bang bang bang’, rapt M.I.A., terwijl er geweerschoten klinken in haar wereldhit Paper Planes uit 2007. Een kassa rinkelt: ‘And take your money.’ Zo kijken veel westerlingen toch tegen immigranten aan? Nou, dan kunnen ze het krijgen ook, moet de Britse rapper van Sri Lankaanse origine (echte naam: Maya Arulpragasam) hebben gedacht. In 1985 vluchtte ze als tienjarige Aziatische meisje naar een volledig vreemde wereld, Europa. Die verscheurdheid klinkt door in alles wat ze sindsdien heeft gemaakt.

Dat perspectief – van de buitenstaander die bij ‘ons’ en haar eigen moederland naar binnen kijkt – maakt van de biopic Matangi / Maya / M.I.A. (96 min.) méér dan het zoveelste portret van een succesvolle artiest, die nog eens goed in de markt moet worden gezet of wel een extra veer in zijn reet kan gebruiken. M.I.A.’s venijnige songs kunnen niet los worden gezien van hun maatschappelijke context. Dat betekent overigens niet dat filmmaker Steve Loveridge ook kritisch naar de controversiële rapper kijkt. Daarvoor verblijft hij (blijkbaar) al te lang in haar entourage. Hij filmt Maya sinds halverwege de jaren negentig, toen ze allebei op de kunstacademie zaten.

Onplezierige vragen over de aard van M.I.A.’s activisme of haar omstreden vader, een prominent lid van de verzetsbeweging/terreurgroep de Tamil Tijgers, blijven achterwege. ‘Waarom ben je zo’n problematische popster?’, vraagt Loveridge nog wel aan zijn hoofdpersoon. ‘Waarom…’ Ze maakt de zin zelf af: ‘houd je niet gewoon je bek?’. Waarmee de relatie tussen maker en subject aardig is neergezet. Deze film moet het duidelijk niet hebben van kritische distantie, maar van de nabijheid tussen vrager en bevraagde. De documentaire bestaat voor het leeuwendeel uit B-roll video’s die in huiselijke kring, backstage en tijdens reizen naar Sri Lanka zijn gemaakt.

M.I.A.’s leven en dit spannende portret van een strijdbare jonge vrouw komen tot een climax in 2009 als ze, zwanger van haar eerste kind en genomineerd voor zowel een Oscar als een Grammy Award, ziet hoe de oorlog in haar moederland escaleert. Als ‘enige Tamil in de westerse media’ voelt ze zich geroepen om zich uit te spreken over wat zij de genocide op haar volk noemt. Zo komt Maya zelf ernstig onder vuur te liggen, bijvoorbeeld via een venijnig profiel in New York Times Magazine, waarin ze wordt neergezet als een verwend kind, dat flinterdunne politieke statements maakt. Sleutelquote: ‘”I kind of want to be an outsider”, she said, eating a truffle-flavoured French frie.’

M.I.A. (ofwel: Missing In Action) reageert in stijl met een slicke videoclip, waarin ze zogenaamd met een grote zonnebril op aan een zonovergoten buitenzwembad zit. ‘All I wanna do is check my Monet’, concludeert ze, om met de nodige zelfspot te verduidelijken: ‘M.I.A. investing in third world democracy. These shades were made in Sri Lanka. Don’t you dare write anything else funny about me.’ Waarna de geboren provocateur ostentatief een vliegtuigje vouwt van een dollarbiljet en het door de lucht laat dwarrelen…

Verdacht

Als hij voor de camera zijn uniform aantrekt, wordt hij zichtbaar een ander mens. Tot dat moment leek Sidney M. gewoon de zoveelste donkere kerel met een véél te dure wagen, die staande was gehouden door de politie. ‘Uw auto viel ons op’, luidde de verklaring. Pas toen zijn kinderen hen erop attendeerden dat ze een collega hadden aangehouden, bonden de agenten in en liep de zaak alsnog met een sisser af. Ze wilden de hoofdinspecteur vast ook niet nóg meer voor het hoofd stoten.

Met een donkere huidskleur krijg je, ongewild en regelmatig zonder enige concrete aanleiding, veel vaker met de politie te maken dan blanke burgers, zo betoogt de televisiedocumentaire Verdacht (52 min.). Gezeten aan een spiegelende tafel, met daarop alleen een fles water en een glaasje, en tegen een afwisselend witte en zwarte achtergrond getuigen Nederlanders in alle soorten en maten van hoe ze door de politie zijn onderworpen aan een ‘algemene controle’. Ze hebben alleen hun niet-witte huid met elkaar gemeen.

In deze boeiende interviewfilm worden ze geïntroduceerd zonder achternaam. Als potentiële verdachten, die alleen een initiaal waard zijn: Divano D., Rachid A. én – bekende Nederlander – Jörgen R. De mannen zijn militair, advocaat of jongerenwerker, maar vooral zijn ze anders – en dus automatisch, blijkbaar, verdacht. Ze ondergaan het lijdzaam, voelen zich vernederd of zetten, gewapend met de wet of een camera, de tegenaanval in. Regisseur Nan R. laat ze ongefilterd hun verhaal doen en maakt zo inzichtelijk wat een routineuze politiecontrole in gang kan zetten.

Verdacht werd gemaakt in samenwerking met Control Alt Delete, een organisatie die zich inzet ‘tegen etnisch profileren oftewel voor eerlijke en effectieve controles door de politie’ en toont aan dat problematiek die we wellicht, tegen beter weten in, vooral met de Verenigde Staten associëren ook hier te lande actueel en urgent is.

Shut Up And Dribble

Het had een eer moeten zijn. De uitnodiging voor de kersverse basketbalkampioen The Golden State Warriors om het Witte Huis te bezoeken. Sterspeler LeBron James en zijn teamgenoten bedanken er echter voor in de zomer van 2017. In Donald Trump hebben ze geen zin. ‘De nummer één van Amerika begrijpt de mensen niet en geeft ook geen fuck om hen’, maakt James van zijn hart geen moordkuil. Het komt hem – natuurlijk! – op stevige kritiek van Fox News te staan. ‘Houd je politieke praatjes maar bij je’, zegt talkshow-host Laura Ingraham recht in de camera. ‘Of zoals iemand ooit zei: Shut Up And Dribble.’

En daarmee heeft deze driedelige documentaireserie (153 min.) over de rol van Afro-Amerikanen in de basketbalhistorie meteen zijn leidmotief te pakken. Regisseur Gotham Chopra plaatst de politieke stellingname van Lebron James en de zijnen in hun historische context. Hij keert daarvoor terug naar de tijd dat basketbal nog een volledig witte sport was. Het verheven tijdverdrijf kreeg in de jaren vijftig plotseling te maken met zwarte nieuwelingen, die actief aanvallen gingen blocken, ongegeneerd dunkten en in het algemeen veel swingender speelden. De tegenstelling tussen zwart-wit die zo ontstaat zal decennia later nog slim worden uitgevent met de opgeklopte rivaliteit tussen Magic Johnson en ‘the great white hope’ Larry Bird.

Begeleid door volvette soul, funk en hiphop trekt de gelikte serie soepel langs invloedrijke zwarte basketballers zoals Bill Russell, Kareem Abdul-Jabbar en Isiah Thomas. Gezamenlijk belichamen zij tevens de ontwikkeling die zwart Amerika sinds de Tweede Wereldoorlog heeft doorgemaakt; van de burgerrechtenbeweging en Vietnam via de opkomst van de zwarte celibrity-cultuur en het crackgebruik van de jaren tachtig naar het presidentschap van Barack Obama en Black Lives Matter. Het is een aansprekend verhaal dat van context wordt voorzien door zwarte opiniemakers als LL Cool J, Kendrick Lamar. Common en Jay-Z.

Intussen geraakt de sport via met name superster Michael Jordan volledig vercommercialiseerd. Hij opereert als een kameleon, die op verzoek voor iedereen iemand anders kan zijn en zich dus ook niet zomaar laat inzetten voor de zwarte zaak. Zelfs niet als Rodney King voor het oog van de natie gruwelijk wordt mishandeld door enkele witte politieagenten van de Los Angeles Police Department. Zijn redenering daarvoor is even simpel als fnuikend: Republikeinen kopen ook sneakers. Jordan heeft daarnaast een belangrijke les voor alle zwarte sporters goed in zijn oren geknoopt: ‘don’t scare the white man!’.

Met de komst van Donald Trump keert ook het engagement weer helemaal terug in het topbasketbal. Nadat de American footballer Colin Kaepernick uit protest tegen politiegeweld weigert te gaan staan voor het volkslied, verklaart LeBron James zich solidair. ‘Ik heb sport in mijn leven ervaren als iets dat mensen met elkaar verbroedert’, zegt hij in een interview met Don Lemon. ‘Maar Trump gebruikt sport om verdeeldheid te zaaien tussen blank en zwart.’ En daarmee is het zwarte basketbal in zekere zin weer terug bij af. Al zijn de betrokken atleten niet meer automatisch de onderliggende partij.

Hungary 2018

De leiders van de Europese Unie zitten volledig onder de plak bij George Soros.
In Zweden verven blondines hun haren bruin om migranten te plezieren. In dat land worden toevallig ook de meeste vrouwen verkracht.
Engelse kinderdagverblijven nodigen actief transseksuelen uit. En ouders daar laten kinderen van vier tot twaalf jaar zonder problemen een sekseoperatie ondergaan.

Welkom in het Europa van de Hongaarse regeringspartij Fidesz. Centrale thema: de instroom van vluchtelingen. Want: elke anderhalve vluchteling leidt tot zeker vijf nieuwe mensen in het land. Dus: laten we Hongarije een kalifaat worden of niet?

Die anti-migratieboodschap staat ook centraal tijdens de campagne van premier Viktor Orbán voor de parlementsverkiezingen van april 2018. Daarvoor trekken zijn partij-apparatsjiks het hele land door. In sfeerloze zaaltjes spreken ze een roomblank en volledig vergrijsd publiek toe, dat gedwee als klapvee fungeert. Alsof de jaren vijftig nooit zijn voorbij gegaan of alweer ras voor de deur staan.

‘Haat zal dit land vernietigen’, constateert voormalig premier en oppositieleider Ferenc Gyurcsáni, de hoofdpersoon van Hungary 2018 (82 min.). De observerende film van Eszter Hajdú volgt hem als hij het land, tegen beter weten in, probeert te winnen voor zijn linkse, pro-Europese ideeën. Van onvermoeibare campaigner wordt hij gaandeweg een zichtbaar oververmoeide politicus, die voor zijn medewerkers de hoop levend moet houden die hij zelf allang lijkt te hebben begraven.

Want Orbán en zijn Fidesz-partij zijn alomtegenwoordig in het hedendaagse Hongarije: bij verkiezingsbijeenkomsten, in de grotendeels door de regering gecontroleerde media en gewoon op straat, in de vorm van hatelijke leuzen, liedjes en posters. Subtiel is anders. Als een man bij een campagnerally bijvoorbeeld hardop uitspreekt dat Soros de 6.000.001ste had moeten zijn, een naargeestige verwijzing naar het aantal Holocaust-slachtoffers, is er niemand die hem tot de orde roept.

Het is al met al een angstaanjagend beeld dat uit deze film oprijst. Over een land dat nog altijd gewoon deel uitmaakt van de Europese Unie, waartegen het zich zo vaak afzet. De documentaire was in eigen land nog niet te zien, maar de reacties laten zich raden. Uit angst voor represailles hebben veel medewerkers hun naam niet op de aftiteling laten zetten. Hungary 2018 mag dan op zich geen héél bijzondere film zijn, het is wel héél bijzonder dat deze campagnedocumentaire überhaupt is gemaakt.

Oh ja, tot slot: Merkel, May en ook Rutte hebben geen kinderen. Volgens Fidesz-kopstukken betekent dit dat ze niet vooruit kunnen denken.

Sylvana, Demon Of Diva

Sylvana-hoofdfoto

 
Als je van nature sympathie voelt voor de underdog, dan schaar je je tijdens de documentaire Sylvana, Demon Of Diva (90 min.) vrijwel automatisch aan de zijde van de hoofdpersoon, die regelmatig de lelijkste kant van Nederland krijgt te zien. Niet dat Sylvana Simons als persoon ook maar iets van een underdog heeft. Haar jarenlange ervaring in de media heeft haar bepaald geen windeieren gelegd. In interviews, debatten en confrontaties met tegenstanders zorgt ze er wel voor dat ze haar zegje kan doen en houdt ze zich ogenschijnlijk moeiteloos staande.

Ook als er keihard op de vrouw wordt gespeeld. Als de één of andere mentale holbewoner haar op straat bijvoorbeeld ‘daar ga je toch niet op stemmen, op die aap?’ naroept, verblikt of verbloost Simons nauwelijks. In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van eerder dit jaar, waaraan ze met haar partij Amsterdam BIJ1 deelnam, lijkt ze als een vis in het water. Geboren om de degens te kruisen in de publieke arena, ook al gaat haar dat, getuige deze boeiende campagnedocumentaire van Ingeborg Jansen, soms niet in de koude kleren zitten.

Naarmate de verkiezingsdag dichterbij komt, beginnen campagnestress en vermoeidheid toch vat te krijgen op de ongenaakbare aspirant-politica. Wanneer ze in discussie gaat met een ogenschijnlijk toch best redelijk lid van D66, dat haar aanspreekt op haar ‘tone of voice’, lijkt ze elk ogenblik haar geduld te kunnen verliezen. En in de allerlaatste campagnedagen attaqueert Simons eerst een journalist van de plaatselijke omroep AT5, die het waagde om haar te onderbreken tijdens een interview, en roept ze later hardhandig een jongen tot de orde, die haar agressief zou hebben aangekeken. Als dat al zo was, krijgt hij in elk geval een ongenadig koekje van eigen deeg.

Het zijn de spaarzame momenten in deze documentaire waarop Sylvana Simons, die volgens eigen zeggen slechts zelden het achterste van haar tong laat zien, zichzelf heel even verliest. Hoewel we meekijken bij persoonlijke sessies met haar coach, als ze haar verjaardag viert en tijdens een behandeling bij de tandarts, lijkt ze de regie nooit helemaal uit handen te geven. De filmmaker laat dat zo. Jansen registreert en kiest ervoor om de confrontatie niet aan te gaan. Sylvana in de vechtstand kennen we natuurlijk ook al. Maar wat beweegt de vrouw daarachter?

Sylvana’s idealen krijgen ruim baan in deze campagnefilm, die slechts mondjesmaat toekomt aan de persoon achter de publieke figuur. Ook omdat Simons, vanwege begrijpelijke redenen (denk bijvoorbeeld aan de drie kwaadaardige zwarte Pieten met camera die bij haar voor de deur stonden), de filmcrew niet onbeperkt toegang lijkt te hebben gegeven tot haar privéleven. Haar kinderen hadden bijvoorbeeld een mooi inkijkje kunnen geven bij de vrouw en moeder achter het omstreden fenomeen, maar die blijven helaas buiten beeld. Het feit dat haar naasten ontbreken versterkt overigens het beeld van de eenzame strijder Sylvana, een vrouw met een missie.

Want ondanks al die politieke medestanders draait die hele gemeenteraadscampagne uiteindelijk maar om één enkele persoon. Hoewel Sylvana, Demon Of Diva dus geen nieuw licht werpt op de hoofdpersoon en haar diepste drijfveren als mens, brengt de film wel helder in kaart binnen welke maatschappelijke mijnenveld de politica Sylvana zich voortdurend beweegt en wat zij allemaal krijgt te verduren terwijl ze opkomt voor haar idealen.

Love & Hate Crime

‘Ik moet leren leven met het feit dat ik Mercedes heb vermoord’, zegt Josh Vallum bij de start van Double Lives (55 min.), deel 1 van het BBC-documentaire-drieluik Love & Hate Crime. Hij zit levenslang in een cel in de Amerikaanse staat Mississippi en heeft spijt als haren op zijn hoofd. Want Josh heeft vrede gesloten met God. ‘En zij zit nu in de hel.’

Na die intrigerende openingsscène ontwikkelt zich geen traditionele whoduunit, maar een televisiedocu die je een whydunnit zou kunnen noemen. Waarom is de schuldbewuste twintiger in godsnaam overgegaan tot zijn gruwelijke daad? Stapsgewijs wordt het diep tragische verhaal van zowel dader als slachtoffer onthuld, waarbij uiteindelijk niets is wat het lijkt.

Het tweede deel van deze broeierige true crime-miniserie van Ben SteeleMurder In Mississippi (59 min.), behelst een wat traditionelere haatmisdaad in een typische redneck county bijgenaamd Jafrica, waar een groep blanke tieners de hoogtijdagen van de Ku Klux Klan doet herleven. Een willekeurige donkere man wordt als een hond overreden. Of ligt het toch nét iets genuanceerder?

De derde aflevering van Love & Hate Crime, Killer With A Camera (60 min.), duikt in de strafzaak tegen Adrian Loya. Hij heef een vrouwelijke collega gedood en twee anderen ernstig verwond. De schietpartij is vastgelegd met een GoPro-cameraatje dat Loya speciaal voor die gelegenheid had meegebracht. De kogelregen vormde de zwartomrande apotheose van een ongenadige duik in zijn eigen duisternis.

Terwijl hij de aanval plande, legde de schutter twee jaar lang zijn gedachten vast in een geheim dagboek genaamd Loya Wars. In deze teksten, die in de beklemmende docu worden voorgelezen door een acteur, was een centrale plek weggelegd voor Loya’s obsessie voor één van zijn latere slachtoffers. Lisa bleek echter lesbisch en getrouwd – en tekende daarmee haar eigen doodvonnis.

‘Evil or… just kind of nuts?’, vraagt zijn eigen advocaat Drew Segadelli zich hardop af. En dat is tevens de centrale kwestie tijdens de rechtszaak tegen zijn cliënt, die een treffend sluitstuk vormt voor een sfeervol en indringend misdaaddrieluik.

 

Feminists: What Were They Thinking?


Hillary Clinton had de eerste vrouwelijke president van de Verenigde Staten moeten worden. In 2008 dolf ze echter het onderspit tegen de eerste zwarte president Barack Obama. Acht jaar later zette Donald Trump de hoop van vrouwelijk Amerika de voet dwars, een man die het land het liefst terug zou willen brengen naar de jaren vijftig. Een man ook, die een beetje feminist associeert met patserpraat van het kaliber ‘grab ‘em by the pussy’.

Het moet onwerkelijk zijn voor de vrouwen die aan het woord komen in de documentaire Feminists: What Were They Thinking? (86 min.). De persoonlijke en maatschappelijke strijd die zij in de jaren zestig en zeventig hebben uitgevochten, lijkt helemaal voor niets te zijn geweest. De onvervalste mucho machoman is terug van nooit weggeweest. Zou God dan toch een hij zijn? vraag je je af – vrij naar een feministisch spandoek uit die tijd.

Uitgangspunt voor deze film is een fotoserie die Cynthia MacAdams halverwege de jaren zeventig maakte van prominente feministes. Enkele van deze vrouwen, onder wie comédienne Lili Tomlin, actrice Jane Fonda, kunstenares Laurie Anderson en zangeres Michelle Philips (The Mamas And The Papas), blikken nu terug op de periode waarin ze zich los probeerden te maken van de rolpatronen die ze kregen ingeprent in hun jeugd.

Meer dan afzonderlijke levensverhalen, die tezamen een aardig tijdsbeeld schetsen, wordt deze documentaire van hun zielsverwant en generatiegenoot Johanna Demetrakas echter nooit. De verhalen achter de foto’s, die vaak wel erg naar de achtergrond verdwijnen, gaan nooit echt leven. Ook de kijk van enkele representanten van de huidige generatie feministen op de afbeeldingen van hun voorgangers brengt daarin geen verandering.

Feminists: What They Thinking blijft te veel een braaf geschiedenislesje, ondersteund door tamelijk particuliere getuigenissen, en wordt nooit dat meeslepende verhaal waarmee ook toekomstige generaties strijdbare vrouwen, die de Women’s Marches tegen Trump en zijn geestverwanten kunnen bevolken, zullen worden veroverd.

American Jail

 

‘Hier noemde iemand me voor het eerst nikker’, herinnert Roger Ross Williams zich als hij zijn geboortestad Easton in Pennsylvania binnenrijdt. ‘Zijn moeder zei nog: “doe dat niet, anders branden die mensen ons huis plat”.’

Williams, die onlangs voor een Oscar werd genomineerd met het prachtige Life, Animated, onderzoekt in zijn nieuwe film American Jail (95 min.) het Amerikaanse justitiesysteem. Hij start daarvoor in zijn eigen jeugd. Terwijl hij zelf journalistiek ging studeren en zich ontwikkelde tot een gelauwerde documentairemaker, werden enkele van zijn jeugdvrienden vaste klant van de Amerikaanse gevangenisindustrie.

Hij reconstrueert bijvoorbeeld het verhaal van Tommy. Een goeie gast, aldus Williams. Na een onschuldig vergrijp belandde hij echter achter slot en grendel. De ene straf leidde vervolgens tot de andere. Al snel ging Tommy zich ook gedragen als een bajesklant. Door het systeem gereduceerd tot een soort ‘dead man walking’: een zwarte draaideurcrimineel die zijn eigen ondergang tegemoet gaat. Een verpletterde familie achterlatend.

American Jail is niet minder dan een pamflet. Tegen een inhumaan gevangenissysteem, volgens Williams gewoon een moderne variant op slavernij, dat zwarten ontmenselijkt en goedkope arbeidskrachten, slaven dus, van hen maakt. Onderdeel van een industrie, die zich inmiddels binnen en buiten de gevangenismuren heeft vertakt en overal tot wantoestanden leidt. Neem de man die vanwege een elektronische enkelband niet in aanmerking komt voor een baan, maar pas van die enkelband af mag als hij een baan heeft. Je zou van minder hoorndol worden – of gewoon in de cel belanden.

Het systeem moet rehabiliteren in plaats van criminaliseren. Zoals ze dat zo geweldig doen in Nederland, constateert Williams wat ongemakkelijk tijdens een bezoek aan ons land – zeker als je bedenkt dat deze, met fraaie animaties geïllustreerde film deels met een Nederlands team is gemaakt. Dat uitstapje naar ons land voelt een beetje als een fremdkörper in dit verder glasheldere betoog voor een humaner en kleurenblind Amerika.

Over de Amerikaanse war on drugs, gevangenis en opsluiting van een groot deel van de zwarte bevolking maakte Eugene Jarecki in 2012 al de indrukwekkende documentaire The House I Live In, die in zijn geheel op YouTube is te bekijken. Michelle Alexander schreef over dezelfde thema’s het indrukwekkende boek The New Jim Crow: Mass Incarceration In The Age Of Colorblindness.