A Secret Love

Netflix

Voor Diana Bolan was tante Terry als een moeder. ‘Ze was erbij toen ik gedoopt werd, bij mijn diploma-uitreiking’, vertelt de Canadese vrouw van middelbare leeftijd. ‘Door haar kon ik studeren. Zij luisterde toen ik zei dat ik docent wilde worden. Zonder haar had ik nooit gehad wat ik nu heb. Ik heb alles te danken aan haar. Alleen aan haar.’

Toch ontdekte Diana pas enkele jaren geleden dat tante Terry iets voor haar verborg. ‘Ik leefde als het waren in een leugen’, zegt die nu. ‘Ik zei tegen Pat: als Diana weer komt, vertel ik het haar.’ Dat bleek echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. ‘Na een gezellig etentje had ik het nog steeds niet verteld. Ik werd steeds zenuwachtiger. Ik wilde haar liefde niet kwijt.’ En toen uiteindelijk, te langen leste, bekende ze kleur: ‘We zijn lesbisch.’

Terry en Pat waren op dat moment al ruim zestig jaar bij elkaar, maar open over hun geaardheid waren ze nooit geweest. Met recht A Secret Love (82 min.) dus. Dat was overigens niet zo vreemd: Terry’s broer Tom, de vader van Diana, zei volgens zijn dochter altijd dat tante eens geneukt zou moeten worden door een grote zwarte neger. Dat zou haar wel op het rechte pad brengen. ‘Dat zei hij heel vaak’, herinnert Diana zich. ‘Nuchter, niet dronken.’

Via Pat Henschel en Terry Donahue, die allebei op hoog niveau honkbal speelden en met hun collega’s de inspiratie vormden voor de speelfilm A League Of Their Own, belicht regisseur (en Diana’s zoon) Chris Bolan de emancipatiestrijd van Amerikaanse homo’s en lesbiennes sinds de Tweede Wereldoorlog en de façade die mensen zoals zij in al die jaren moesten ophouden. Nee, ze waren geen geliefden, hoor. Gewoon beste vrienden, collega’s of – leugentje om bestwil – elkaars nicht.

En nu zijn Terry en Pat hoogbejaard en worden ze gedwongen om na te denken over hoe en waar ze hun laatste jaren willen spenderen. Gaat het bijvoorbeeld nog tot een huwelijk komen? Hoe zit het met de homo-acceptatie in woonvoorzieningen voor ouderen? En zijn ze samen überhaupt nog in staat om hele ingrijpende stappen te zetten?

Het aangrijpende A Secret Love legt op pijnlijk intieme wijze vast hoe de twee vrouwen, ondersteund door en soms in conflict met nicht Diana, de allerlaatste fase inrichten van het leven dat ze voor een groot deel in de kast hebben doorgebracht. Zodat ze elkaar eindelijk openlijk kunnen liefhebben.

The Last Dance

Netflix

Het moet The Last Dance (500 min.) worden voor The Chicago Bulls. Het basketbalteam rond de Amerikaanse superster Michael Jordan wil in het seizoen 1997/1998 zijn allerlaatste kunstje flikken: de zesde landstitel in nog geen tien jaar. De clubleiding is eigenlijk van mening dat de ploeg over z’n top is en grondig moet worden vernieuwd, maar daar heeft Jordan hoogstpersoonlijk een stokje gestoken. En ook succescoach Phil Jackson, die Bulls-directeur Jerry Krause eigenlijk wilde laten vervangen, heeft er op verzoek/bevel van zijn protegé nog één allerlaatste jaartje bijgekregen.

Alles en iedereen staat, kortom, in de ‘do or die’-stand voor een nieuwe NBA-seizoen. Om de zaak nog eens extra op scherp te zetten hebben The Chicago Bulls bovendien een cameraploeg ongekende toegang gegeven. De queeste naar een nieuw, felbegeerd kampioenschap, terwijl het rommelt in zowel de club als het team zelf, vormt het wild kloppende hart van deze geweldige tiendelige serie, die van daaruit uitwaaiert naar de meeslepende loopbaan van Michael ‘Air’ Jordan, de grootste basketballer aller tijden. Niet alleen het fenomeen zelf komt daarbij aan het woord, maar ook zijn moeder en broer en iedereen die verder een rol van betekenis heeft gespeeld in zijn leven.

Vanzelfsprekend ontbreken ook Jordans secondanten bij The Bulls, zijn nummer twee Scottie Pippen (die ernstig werd onderbetaald en dat als een enorm gebrek aan respect opvatte), en de controversiële verdediger Dennis Rodman (een losbol die elk moment vol-le-dig kon ontsporen) niet in deze epische serie. Filmmaker Jason Hehir spreekt verder met andere spelers, NBA-legendes, coaches, clubofficials, bobo’s en allerlei kenners, waaronder de oud-presidenten Barack Obama en Bill Clinton, en heeft daarnaast de beschikking gekregen over bijzonder enerverend, niet eerder vertoond archiefmateriaal.

Hehir alterneert soepel tussen de dramatische ontwikkelingen in het seizoen ’97/’98 en de geschiedenis en achtergronden van The Chicago Bulls, één van de succesvolste teams uit de basketbalhistorie. Hij brengt het geheel met een dramatische montage en enerverende, urgente soundtrack bovendien geregeld helemaal aan de kook. The Last Dance wordt zo tegelijkertijd een ultiem eerbetoon aan Michael Jordan, een fabuleuze speler en een ongelofelijke streber, en een fascinerend inkijkje in de nietsontziende wereld van de topsport, waar rancune de ultieme motivator lijkt en alles, werkelijk alles, moet wijken voor de overwinning. Véél opwindender zal een sportdocu niet snel worden.

Schijnbewegingen: Over Voetbal En Dans

Rudi van Dantzig & Johan Cruijff / NOS Collectie Rudi van Dantzig

Hij oogt als een vis in het water: Johan Cruijff in een balletzaal. Geconcentreerd kijkt de beste Nederlandse voetballer aller tijden toe hoe choreograaf Rudi van Dantzig aan het werk is met Clint Farha, de topdanser van het Nationaal Ballet. Hij herkent de hand van de meester. Van Dantzig geeft het ritme aan en laat zijn protegé zweten. Er wordt urenlang gerepeteerd.

‘En iemand wie keihard traint’, stelt Cruijff op geheel eigen wijze in Schijnbewegingen: Over Voetbal En Dans (59 min.) uit 1988. ‘Dat is bloed, zweet en tranen.’ De toenmalige trainer/coach van Ajax, in die tijd vrijwel altijd met een sigaret in de hand, heeft tegenover Van Dantzig plaatsgenomen voor een tweegesprek onder leiding van Frits Barend, waarin de overeenkomsten tussen voetbal en ballet worden onderzocht. Van Dantzig stelt op zijn beurt dat hij zich regelmatig heeft laten inspireren door het Ajax van Cruijff en Michels.

Voor hedendaagse begrippen zou het dubbelinterview met de twee grootheden soms wel een zetje of wat meer tempo kunnen gebruiken. Het wordt in deze tv-docu, geregisseerd door Piet Erkelens en Pim Marks, echter omlijst door fraaie sequenties van een indrukwekkende solo van Farha (op Bachs Air On G String) en hoogstandjes van topspits Marco van Basten (opgeleukt met lekker campy jaren tachtig-muziek).

Schijnbewegingen wordt bovendien tot een fraaie climax gebracht met een meeslepende parallelmontage van een voorstelling van de excellerende Farha en het Nationaal Ballet en een Europa Cup 2-wedstrijd waarin het Ajax van Van Basten, Menzo en Rijkaard het in de eigen Meer opneemt tegen het Zweedse Malmö FF. Sport en kunst verworden in die apotheose voor heel even tot elkaars evenbeeld.

Naderhand geeft Van Dantzig zijn protegé in de coulissen een welgemeend schouderklopje en wordt in de Ajax-kleedkamer luidkeels ‘Johan Cruijff, Johan Cruijff, Johan Cruijff, Johan Cruijff, Johan Cruijff, Johan Cruuuiiijjjff’ gezongen.

Sunderland ‘Til I Die – Season 2

Netflix

Voor documentairemakers die een sporter of sportteam portretteren is winst of succes geen absolute noodzaak. Dat is een understatement. Vaak levert een enorme deceptie een veel spannendere film op dan een eclatante overwinning. Hoe zou Goud bijvoorbeeld zijn geworden als de Nederlandse hockeydames zonder eremetaal (en met pek en veren) naar huis zouden zijn gekomen? Of wat als de carrière van Dirk Kuijt niet was geëindigd op de Rotterdamse Coolsingel, maar met een kampioensschaal op het Leidseplein?

Zo bezien vielen Leo Pearlman en Benjamin Turner bij de documentaireserie Sunderland ‘Til I Die (2018) echt met hun neus in de boter. De lotgevallen van de gewezen Premier League-club, die van de ene in de andere crisis belandde, kregen bijna iets kluchtigs (een effect dat nog eens werd versterkt door de beroerde Nederlandse ondertiteling, die van de ene d- in de andere t-fout belandde). En dan is er nu ineens een vervolg op de serie over de Britse voetbalclub. Wat kan dat nog toevoegen?

Een nieuwe eigenaar, directeur en manager bijvoorbeeld, de hoofdpersonen van dit tweede seizoen van Sunderland ‘Til I Die (255 min.). En nieuw elan voor het seizoen 2018-2019, met jonge talenten en veelbelovende aankopen. Tenminste, als die daadwerkelijk blijven dan wel komen. Zodra de transferdeadline nadert, loopt de spanning daarover flink op. Dat resulteert in een enerverende blik achter de schermen. En dan is er nog een klein financieel probleem: er gaat bij de arbeidersclub jaarlijks zo’n 35 miljoen pond meer uit dan er binnenkomt.

De nieuwe leiding draait z’n medewerkers de duimschroeven aan. De lat moet omhoog en de uitgaven omlaag, goedschiks dan wel kwaadschiks. Dat is een aardig uitgangspunt voor zes nieuwe afleveringen over de club uit het Noordoosten van Engeland, die daarin tevens coolere opkomstmuziek introduceert, een bezoekersrecord voor League One wil vestigen en natuurlijk móet promoveren. Terug naar de plek waar Sunderland eigenlijk thuishoort: de Premier League.

Die herstart waarbij de stress weer flink oploopt, beleeft de kijker via de clubleiding, coach, spelers, medewerkers en enkele gewone supporters. Gezamenlijk maken ze het belang van de belangrijkste bijzaak van de wereld inzichtelijk voor een gemeenschap, die wel weer toe is aan een succesje. Met een onweerstaanbare hoeveelheid voetbalclichés, psychologie van de koude grond en goede wil. Als Sunderland bijvoorbeeld de kans krijgt om The Checkatrade Trophy te winnen, krijgt die cup, nóóit van gehoord, ineens een enorm belang. Om over promotie naar het Championship, de éénnahoogste Britse divisie, nog maar te zwijgen…

Dit tweede seizoen biedt kortom meer, veel meer, van hetzelfde. In het geval van Sunderland ‘Til I Die is dat geen diskwalificatie.

Johan Cruijff: En Un Momento Dado

Als één documentaire heeft bijgedragen aan de mythevorming rond Nederlands beste voetballer aller tijden, dan is het Nummer 14 Johan Cruijff van sportjournalist Maarten de Vos en Cruijffs eigen schoonvader Cor Coster uit 1972. En als één film de mythe rond het fenomeen Cruijff vervolgens ook écht te pakken heeft gekregen, dan is het Johan Cruijff: En Un Momento Dado (93 min.) van Ramón Gieling, een poëtische documentaire uit 2004 waarin de Catalaanse liefde voor ‘el Salvador’ uitbundig wordt bezongen.

De titel verwijst naar een Cruijffiaanse verhaspeling van de Spaanse uitdrukking ‘op een gegeven moment’, die vervolgens als ‘het moment dat je gegeven wordt’ onderdeel is geworden van het Spaanse vocabulaire. Alsof Johan Cruijff in zijn tweede vaderland niet alleen het voetbal opnieuw uitvond, maar ook de taal die daar sinds jaar en dag wordt gesproken. Zoals hij dat natuurlijk ook in Nederland heeft gedaan: niet zozeer door oorspronkelijke vondsten, maar door een combinatie van originele gedachten en een beperkte taalvaardigheid.

In En Un Momento Dado zet Gieling vol in op de betekenis van de man, het fenomeen eigenlijk, voor Catalonië, dat zich altijd een stiefkind van Spanje heeft gevoeld. Gewone fans – van een flamencogitarist die de ‘duende’ in Cruijff waardeert tot een vrouw die in elk vriendje Johan zocht – getuigen over hoe de stervoetballer de Catalanen hun zelfrespect terug gaf. Eindelijk hadden ze iemand die de strijd kon aangaan met – en winnen van – het arrogante Madrid en de verpersoonlijking daarvan, Real Madrid, de voetbalclub die warme banden onderhield met de gevreesde dictator Franco.

In de eerste helft van de film legt Gieling de nadruk op Cruijffs carrière als speler, terwijl de tweede helft in het teken staat van zijn jarenlange trainerschap van FC Barcelona (dat tevens wordt behandeld in de Spaanse film Cruyff: The Last Match). Zijn dienstverband eindigt in eerste instantie met een vertrek door de achterdeur, dat later wordt gerepareerd met een emotioneel eerbetoon. En Un Momento Dado is echter bepaald geen regulier profiel of carrièreoverzicht, de documentaire werkt eerder als een psychologisch portret van een gemeenschap, die zijn metershoge held allerlei gedachten, handelingen en idealen toedicht en ’s mans gebaren en bewegingen met welhaast religieuze devotie nabootst.

De extra tijd, een vol kwartier, is voor Johan zelf, die in dat geheel eigen onnavolgbare Spaans nog één keer uitlegt hoe het (leven) zit. Probeer maar eens níet aan zijn lippen te hangen.

Touching The Void

Samen gaan ze de berg op. De Siula Grande in Peru, een ongenaakbare top in het Cordillera Huayhuash-gebergte. Dat vergt blind vertrouwen. In jezelf. Én die ander. Simon Yates en Joe Simpson zijn gezworen vrienden als ze in 1985 de Andes-top besluiten te beklimmen.

Samen vertellen ze ook het verhaal van hun tocht naar de top. In Touching The Void (106 min.), een bloedstollende klimfilm van Kevin Macdonald uit 2003, vullen ze elkaar netjes aan. Tótdat hun wegen zich noodgedwongen scheiden, ze voor een onmogelijk dilemma worden gesteld en het écht ieder voor zich wordt.

Macdonald heeft de herinneringen van Yates en Simpson overtuigend verfilmd met acteurs. Zo ontstaat een spannend docudrama, waarin zitinterviews met de hoofdrolspelers, die recht in de camera hun verhaal doen, naadloos samenvloeien met beelden van de nagespeelde beklimming en afdaling en de daarbij gecomponeerde soundtrack.

Touching The Void is zowel een eerbetoon aan menselijke veerkracht en overlevingsdrang als een exposé van onze werkelijke, dierlijke, aard. Zware tijden maken nu eenmaal geen ander mens van je, ze halen je werkelijke zelf naar boven. Én, dat ook, de aalgladde muziek van Boney M. En daarmee wil natuurlijk geen mens sterven…

In de korte nabrander Touching The Void What Happened Next is te zien wat er direct na de dramatische ontknoping van de documentaire gebeurde met de twee klimmers en hun entourage.

Six Dreams

Amazon Prime

Hoe een gelouterde profvoetballer uiteindelijk toch gewoon vader en voetbalfan blijkt te zijn. Nadat hij met zijn club Betis Sevilla met 5-0 is afgedroogd door FC Barcelona, neemt de Mexicaanse middenvelder Andrés Guardado zijn zoontje Máximo op de arm en gaat op weg naar de kleedkamer van de tegenstander. Messi, de beste speler van de wereld, heeft beloofd dat de peuter met hem op de foto mag. En die kans laat Guardado zich niet ontnemen.

De voormalige sterspeler van PSV is één van de hoofdpersonen van de zesdelige documentaireserie Six Dreams (358 min.) uit 2018, die tijdens het seizoen 2017-2018 worden gevolgd: Eduardo Berizzo, de nieuwe trainer van Betis’ stadgenoot en rivaal Sevilla. Middenvelder Saúl van Atletico Madrid. Iñaki Williams, spits van de zieltogende Baskische trots Athletic Bilbao. Amaia Gorostiza, de vrouwelijke voorzitter van de Baskische provincieclub Eibar. En de technisch directeur van het ambitieuze Girona, Quiquie Cárcel.

Gezamenlijk geven ze een heel aardig inkijkje in het wel en wee van de Primera Division, waar clubs die al jaren in de schaduw van Barcelona en Real Madrid opereren toch heel wat emotie losmaken. De filmmakers David Cabrera en Jordi Call zoomen zowel in op individuele thema’s (waaronder Guardado’s voortdurende strijd om fit te worden én blijven) als op zaken die de complete club aangaan (zoals de positie van de trainer, transfergeruchten en het in de kiem smoren van de onvermijdelijke crises).

Hoewel echt niet elke betrokkene steeds het achterste van zijn tong laat zien, komt Six Dreams verrassend dichtbij: bij teambesprekingen, tijdens onderhandelingen, op de tribune, bij commerciële plichtplegingen én in – het heilige der heiligen – de kleedkamer. Waar dik betaalde topvoetballers (en hun directe omgeving) dus ook maar gewone mensen blijken te zijn. Zoals Spaans international Saúl, die het echt niet droog houdt als zijn ploeggenoot en voorbeeld Fernando Torres afscheid neemt als voetballer.

Kobe Bryant’s Muse

BNNVARA

Een kleine drie kwartier eerder is hij geblesseerd geraakt. Gevolgd door cameraploegen strompelt Kobe Bryant in april 2013 op krukken de kleedkamer in. Een afgescheurde achillespees, zo lijkt het. De topbasketballer oogt verslagen. ‘Als iemand dit te boven kan komen, ben jij het’, meent een journalist niettemin. ‘Toch?’ Bryant werpt zijn hoofd tussen zijn schouders. ‘Man toch. Shit.’ Even later heeft hij zichzelf al herpakt. Op de vraag of dit de grootste uitdaging uit zijn carrière is, antwoordt hij: ‘Maar het motiveert me. Dat voel ik nu al.’

Bij aanvang van de documentaire Kobe Bryant’s Muse (79 min.) uit 2015 hangt het einde van zijn lange, rijke loopbaan echter als een zwaard van Damocles boven zijn hoofd. Is de sportlegende op leeftijd (34) in staat om een blessure te overleven, die menige collega al de kop heeft gekost? Terwijl hij zich terug probeert te knokken naar een prominente plek in de NBA, doet Bryant tegelijkertijd het relaas van zijn leven en carrière. Aan het eind komen deze twee verhaallijnen logisch samen in een dramatische slotscène.

Kobe Bryant is een charismatische persoonlijkheid en interessante spreker en toont zich zeer openhartig en kwetsbaar in het centrale interview. Zonder gêne vertelt hij over ambitie, tegenslag, twijfel, woede én relatieproblemen (die volgens hem dramatische gevolgen hebben gehad). ‘s Mans intieme terugblik wordt door regisseur Gotham Chopra geïllustreerd met meeslepende beelden van zijn prestaties bij The Los Angeles Lakers. En tussendoor werkt Bryant dus, in stijlvol zwart-wit, aan zijn comeback na die ontwrichtende achillespeesblessure.

Deze autobiografie van de man, die het uiteindelijk lukte om zich bij zijn voorbeelden Michael Jordan en Magic Johnson te scharen, heeft natuurlijk alleen nog maar aan lading gewonnen door de dramatische gebeurtenissen op zondag 26 januari 2020, toen Kobe Bryant, zijn dertienjarige dochter Gianna en zeven andere passagiers omkwamen bij een dramatische helikoptercrash. Deze film houdt hem, op de één of andere manier, toch een beetje in leven.

Killer Inside: The Mind Of Aaron Hernandez

Netflix

De parallellen met de geruchtmakende zaak rond O.J. Simpson zijn onmiskenbaar: bekende footballer komt in beeld als verdachte van moord en wordt zo het middelpunt van een enorme mediahype. Aaron Hernandez neemt zelfs nog even de benen in een witte SUV – als een bijna onwerkelijk eerbetoon aan OJ’s legendarische vlucht in een al even witte Ford Bronco, die destijds door nieuwshelikopters werd gevolgd en als BREAKING NEWS live op televisie was te zien.

Van het kaliber O.J.: Made In America, de Oscar-winnende serie over de gevallen footballster Simpson, is Killer Inside: The Mind Of Aaron Hernandez (201 min.) echter niet. De driedelige serie van Geno McDermott reikt minder ver en diep. Dit is geen exposé over het moderne Amerika. Toch wordt de zaak tegen de quarterback van The New England Patriots, die zijn zwager in spé Odin Lloyd zou hebben vermoord, wel degelijk in een breder kader geplaatst: van een door testosteron gedreven subcultuur, waarin bepaalde verhalen onbespreekbaar zijn.

McDermott neemt alleen nogal de tijd om de achtergrond van de American footballer, diens carrière en zijn huidige levenswandel uit de doeken te doen met mensen uit zijn directe omgeving, gezagsdragers en (sport)journalisten. De protagonist zelf hult zich intussen, vanwege overigens héél begrijpelijke redenen, in stilzwijgen. Hij is alleen te zien in de rechtszaal en te horen in telefoongesprekken met zijn vriendin, moeder, manager, personal assistant en maten.

Zij verhalen daarnaast over een man met twee gezichten, die nog wel eens meer onoorbare zaken op zijn geweten zou kunnen hebben. Een man ook met een geheim, zo beweren althans mensen die het zouden kunnen weten, dat hem tot een outcast in zijn eigen wereld zou kunnen maken – en een wandelende tijdbom in de onze. Én een man met een gebrek, waarvan hij zelf geen idee heeft – en de rest van zijn wereld niets wil weten.

Met deze elementen werkt deze degelijke miniserie, die tamelijk traag op gang komt, toch nog toe naar een ferme apotheose.

Cheer

Netflix

Het imago van cheerleading – all American girls die stoere sportmannen een hart onder de riem steken met een vrolijk dansje, enthousiaste yell en flonkerende tandpastasmile – zit de sport zelf in de weg. En die sport, een soort groepsturnen, is een bloedserieuze zaak, zo wordt in de documentaireserie Cheer (354 min.) meermaals benadrukt. Niet alleen voor meisjes trouwens. Op het Navarro College in het provinciestadje Corsicana, de toonaangevende cheerleaderschool van Amerika, trainen ook ambitieuze jongens.

De lefgozer La’Darius bijvoorbeeld, een voormalige American footballer. Of Jerry, een jongen die altijd op zijn gewicht moet letten. Samen met meisjes als Sherbs, een flyer die de top van een menselijke piramide moet gaan vormen, en het voormalige probleemkind Lexi vormen ze een team dat jaarlijks meedingt om de landstitel. De cheerleaders worden in dat kader aan een streng regime onderworpen door de gelauwerde hoofdcoach Monica Aldama. Uiteindelijk bepaalt zij ook wie er tijdens de nationale kampioenschappen, over een slordige zeventig dagen in Daytona, voor die allesbeslissende twee minuten en vijftien seconden ‘op de mat’ mag en wie er dan vanaf de zijkant moet toekijken.

Alle ingrediënten voor een enerverende wedstrijdfilm, waarin bovendien een onbekende wereld met zijn eigen codes wordt blootgelegd, lijken aanwezig. Toch komt deze zesdelige serie van Greg Whiteley, een cheerleading-variant op de American football-serie Last Chance U, maar moeilijk op gang. Episode 1 wordt geheel besteed aan het introduceren van de sport cheerleading en de setting ervan, een topsport-enclave in small town America. Daarbij worden een behoorlijk aantal hoofdpersonen en nog veel meer andere sprekers, die ergens iets over hebben te vertellen, geïntroduceerd bij de kijker. In eerste instantie beklijft er weinig. Pas in latere afleveringen zoomt dit portret van een subcultuur echt in op enkele personages, die dan ook tot leven komen. Met een héél Amerikaans sausje erover, dat wel.

In tegenstelling tot bijvoorbeeld America To Me, een recente documentaireserie die is gesitueerd op een middelbare school in Chicago en daar de raciale verhoudingen behandelt, komt Cheer nauwelijks onder de waterlijn en worden er ook geen grotere thema’s aangesneden. ‘What you see’ is ditmaal ook het enige ‘what you get’: training, onderlinge competitie, blessures, teleurstellingen en – uiteindelijk – winst of verlies. Dat is het. Meer niet. En zeker naar het eind wordt dat nog best enerverend.

Andy Murray: Resurfacing

Amazon

Dan ben je eindelijk nummer één op de wereldranglijst. Nadat ze altijd zeiden dat je geen Grand Slam kon winnen. Dat Wimbledon ook voor jou niet was weggelegd. En toen, na talloze verloren finales, won je tóch. Eerst op de US Open. Daarna, als eerste Brit in 77 jaar, op het center court van Wimbledon. En goud op de Olympische Spelen in Londen. Tweemaal zelfs.

En dan, ineens, ben je niet meer de onbetwiste nummer één. Maar de speler met die heup. Die trekkebenend achter onbereikbare ballen aan moet. Een man die de pijn probeert te verbijten. Die geopereerd moet worden. Terug vechten. Tegen beter weten in. Een man ook die zichzelf kwijtraakt. Die en plein publique zijn tranen niet kan bedwingen. En die te langen leste de handdoek in de ring wil gooien. Nee: móét gooien.

En toch mag Olivia Capuccini je blijven filmen. Voor de documentaire Andy Murray: Resurfacing (108 min.). Als je zwaar gefrustreerd bent. Op de één of andere manier toch weer hoopvol. Of het – gewoon – echt niet meer weet. Ze mag tevens praten met je begeleidingsteam. Je prominente echtgenote en moeder. En de broer die ook graag tennisser had willen worden. En jij spreekt een soort cameradagboek in. Om de lijdensweg te documenteren.

Ze begeleidt het onvermijdelijke verdwijnen van elke vorm van geloof met dramatisch getoonzette muziek. Jouw glorieus bedoelde terugkeer, die een trieste aftocht dreigt te worden. Van een man die ooit tennisser was. En nu waarschijnlijk iemand anders moet gaan worden. Een Racketloze. Want dit breakpunt valt met geen mogelijkheid weg te werken. Zelfs niet door een man die consequent weigert om naar zijn lijf te luisteren. Of geloof jij er, stiekem, nog wél in, Andy?

Buddha In Africa

NCRV / BOS

In het hart van Afrika krijgen kinderen een Chinese naam. Ze leren Mandarijn, eten (vegetarisch) met stokjes en krijgen onderricht in kung fu. Het weeshuis ACC in Malawi wordt gerund door de Boeddhistische oprichter Hui Li en een groep Chinese leerkrachten, die de Afrikaanse kinderen met tucht en discipline opvoeden.

De ultieme beloning is de mogelijkheid om door te studeren in China. Het vijftienjarige kung fu-talent Enock Bello (Chinese naam: Alu) krijgt die kans, maar erg veel zin heeft hij er eigenlijk niet in. Net als veel andere kinderen zou ‘Alu’ zich het liefst bevrijden van het Chinese juk. Maar wat is zijn alternatief? De jongen redt zich inmiddels beter in het Mandarijn dan in zijn eigen taal.

Met Buddha In Africa (93 min.) laat regisseur Nicole Schafer zien hoe de geschiedenis in Afrika zich blijft herhalen; waar zomaar een christelijke missieschooltje had kunnen staan, heeft zich nu een Chinees internaat op Boeddhistische grondslag gevestigd. De activiteiten van de verantwoordelijke liefdadigheidsinstelling zijn tevens een treffend voorbeeld van hoe China, dat jarenlang met zijn rug naar de rest van de wereld stond, zich nu actief bemoeit met het dagelijks leven op een ander continent.

De bevoogding van Afrikaanse jongeren zoals Enock begint gaandeweg steeds nadrukkelijker te schuren in deze observerende film. Ze raken vervreemd van hun directe omgeving, ten faveure van een cultuur waarvan ze ook nooit volwaardig deel kunnen uitmaken. Zo blijkt dat de weg naar de hel, zelfs als je persoonlijke verlichting nastreeft, toch geplaveid kan zijn met goede bedoelingen.

The Australian Dream

Sport belichaamt de essentie van wat een samenleving definieert, zegt één van de sprekers in The Australian Dream (106 min.). Daarmee vertolkt hij ongetwijfeld ook de mening van de Britse filmmaker Daniel Gordon, die inmiddels meerdere meeslepende sportdocu’s op zijn conto heeft staan, zoals 9,79, Hillsborough en The Fall. Films waarvoor de sport zelf uiteindelijk niet meer is dan een decor voor verhalen over hypocrisie, mediahypes en/of discriminatie.

Gordons nieuwste film speelt zich af binnen de Australian Football League, ‘rugby Ozzy style’, en heeft in de goedlachse sterspeler Adam Goodes van The Sydney Swans een aansprekende protagonist. De populaire footballer, in 2014 verkozen tot Australiër van het jaar, komt ineens publiekelijk onder vuur te liggen als hij zich begint te verzetten tegen het openlijke racisme (‘aap’) waarmee hij als aboriginal soms wordt bejegend.

Via ‘Goodesy’ belicht Gordon de uiterst ongemakkelijke relatie van Australië met zijn oorspronkelijke bewoners. Wat voor gewone Aussies Onafhankelijkheidsdag heet, wordt door aboriginals bijvoorbeeld beschouwd als Invasiedag. Terwijl de rest van het land ongegeneerd feestviert, rouwen zij om een cultuur die na 60.000 jaar rücksichtslos om zeep is geholpen en bewenen ze hun doden, gewonden en verminkten.

Die geschiedenis heeft ook een verpletterend effect op hun zelfbeeld. ‘De kans dat een inheems kind in de gevangenis belandt is groter dan dat het de middelbare school afmaakt’, stelt de prominente journalist Stan Grant, zelf van Wiradjuri-afkomst, tijdens een geruchtmakende speech. Als kind probeerde hij in bad altijd zijn kleur eraf te wassen, vertelt hij in deze onthutsende documentaire.

Hoewel The Australian Dream zich aan het andere eind van de wereld afspeelt, gaat de film ontegenzeggelijk ook over ons. Over hoe ook Nederland nog altijd moeite heeft om z’n eigen koloniale geschiedenis te accepteren. En over hoe we blijven steggelen over Zwarte Piet en racisme in voetbalstadions.

Becoming Zlatan

Waarom werd juist Zlatan Ibrahimovic een absolute wereldster en weet hij, inmiddels dik in de dertig, nog altijd van geen ophouden? Die vraag ligt impliciet onder de documentaire Becoming Zlatan (95 min.) uit 2016. In deze fijne sportfilm belichten Fredrik en Magnus Gertten hoe het Zweedse voetbaltalent Zlatan Ibrahimovic het fenomeen ‘Zlatan’ werd – hoewel hij dat volgens Mido, de Egyptische aanvaller die zijn directe concurrent was bij Ajax, eigenlijk van jong af aan al was geweest.

‘Ik koop nooit een speler zonder hem in de ogen te kijken’, stelt de toenmalige technisch directeur van Ajax, Leo Beenhakker. ‘Het was bijzonder: hij was 19, maar keek me recht in de ogen. Binnen een half uur waren we klaar. Vraag me niet waarom. Vraag me niet waarom je verliefd wordt op het ene meisje en niet op het andere.’ Zlatan had, volgens de altijd smakelijk formulerende Beenhakker, dat ene. Je ne sais quoi. Een onmiskenbaar vuur in de ogen.

Luciano Moggi, de directeur van Ibrahimimovic’ volgende club Juventus formuleert het anders. ‘Als hij geen voetballer was, was hij waarschijnlijk fietsendief geworden’, zegt hij lachend. Dat is wat minder bezijden de waarheid dan het in eerste instantie misschien lijkt. De boomlange sterspits groeide op in een getroebleerd migrantengezin in Zweden. Zijn ouders waren afkomstig uit het voormalige Joegoslavië en konden hem geen veilige thuisbasis bieden. Ibra, die zichzelf een zigeuner noemt, werd een onvervalst straatratje. Óók op het veld.

Een joch dat nog wel eens een elleboog wilde uitdelen en zo nu en dan in de clinch lag met alles en iedereen, zo wordt duidelijk in deze grotendeels uit archiefmateriaal opgebouwde film, die zijn roerige tijd bij Ajax (2001-2004) als uitgangspunt neemt. In die periode stoomde hij zichzelf klaar voor een loopbaan bij de grootste clubs van Europa. Insiders als David Endt, Ronald Koeman en Marco van Basten en zijn medespelers Mido, Jan van Halst, Jari Litmanen en Andy van der Meijde hebben levendige herinneringen aan het enfant terrible waarmee ze toen te maken hadden.

Parallel aan Zlatans Amsterdamse periode schetsen de gebroeders Gertten zijn ontwikkeling als tiener in Malmö. Ook toen waren er diverse momenten waarop zijn loopbaan een verkeerde afslag had kunnen nemen. Het succes dat nu, met de wijsheid van achteraf, zo vanzelfsprekend lijkt, kwam in werkelijkheid tot stand door een mengeling van talent, geluk en doorzettingsvermogen. Waarbij Zlatan over het vermogen bleek te beschikken om juist als alle signalen op rood leken te staan het allerbeste uit zichzelf te halen.

Deze documentaire toont daarvan het ultieme voorbeeld: na de tumultueus verlopen vriendschappelijke interland Nederland – Zweden, waarin Ibrahimovic teamgenoot Rafael van der Vaart blesseerde, scoorde hij de mooiste goal uit zijn Ajax-periode.

Maradona En Sinaloa

Netflix

Diego Maradona als nieuwe trainer van de zieltogende Mexicaanse voetbalclub Dorados de Sinaloa uit Culiacán. Dat kan natuurlijk alleen een ordinaire publiciteitsstunt zijn. Of, op zijn minst, een erg doorzichtige poging om een schokeffect te weeg te brengen. Geen enkele voetbalclub ter wereld zal de voormalige Argentijnse topspeler immers als coach aanstellen vanwege zijn bewezen capaciteiten als leider.

Maradona is een typisch voorbeeld van, om met voormalig topcoach Co Adriaanse te spreken, een geweldig paard dat nooit een overtuigende ruiter is geworden. Sterker: het is tegenwoordig nauwelijks voor te stellen dat die onverbeterlijke paljas ooit een echt raspaard was – al bewijzen zijn wereldberoemde doelpunten, die natuurlijk ook in Maradona En Sinaloa (230 min.) niet ontbreken, overtuigend het tegendeel.

De man is geen schim meer van wie hij ooit geweest moet zijn en wordt in deze zevendelige documentaireserie ook geen moment echt tot leven gewekt. Hoewel het Argentijnse fenomeen met zijn nieuwe team gedurig achter de schermen wordt gefilmd, stapt hij geen enkele keer uit zijn rol van De Karikatuur Maradona. De Argentijn knuffelt, danst, scheldt en bezigt clichés dat het een lieve lust is, maar wie er werkelijk in de Michelinmannetjes-versie van de legendarische voetballer schuilt blijft volstrekt onduidelijk.

Ook filmmaker Angus MacQueen gebruikt Diego Armando Maradona vooral als grotesk uithangbord voor zijn serie en focust zich daarnaast op de voorzitter, spelers en fans van de voetbalclub uit de thuisbasis van drugsbaas El Chapo en diens beruchte kartel. Hij volgt hen als ze proberen te promoveren naar de hoogste Mexicaanse divisie, een weg die de club aan de (wereldberoemde) hand van Maradona, die intussen door Jan en alleman continu wordt bewierookt, zowaar lijkt te vinden.

De opmars van Dorados de Sinaloa, opgeleukt met de verplichte incidenten rond de gewezen wereldster, vormt de rode draad van deze flinterdunne voetbaldocusoap, die vooral laat zien wat een schertsfiguur de legende Diego Maradona is geworden. En, alle slechte toneelstukjes ten spijt, lijkt iedereen dat ook te beseffen. Behalve de grote kleine man zelf, waarschijnlijk.

Khartoum Offside

‘Voetbal is voor mannen en niet gepast voor vrouwen’, verordonneert de Islamitische Jurisprudentie Organisatie. ‘We waarschuwen nadrukkelijk tegen activiteiten die de verschillen tussen mannen en vrouwen opheffen. Als vrouwen toch deze sport gaan beoefenen, gaan ze in tegen hun natuur. Dat kan gewelddadige instincten oproepen.’

Dus nee, de Zuid-Soedanese autoriteiten zitten bepaald niet te wachten op de oprichting van een nationaal vrouwenvoetbalteam, dat het land ook nog eens in het buitenland wil gaan vertegenwoordigen. Het is de realiteit van alledag voor de hoofdpersonen van Khartoum Offside (76 min.), die als representanten van het ‘zwakke geslacht’ voortdurend beperkingen krijgen opgelegd. Toch hebben ze al eens stiekem met en tegen jongens gevoetbald.

Voor filmmaakster Marwa Zein lijkt het voetbal vooral een voorwendsel om vrouwen in een streng islamitisch land, dat is ontstaan na een bloedige burgeroorlog, te portretteren. Haar hoofdpersonen zijn mondiger en wereldser dan je op basis van al die restricties zou verwachten, zoals blijkt in een fraaie scène waarin de vrouwen samen naar een wedstrijd van FC Barcelona kijken en ze opmerkelijk goed op de hoogte blijken te zijn van de verhoudingen in het internationale voetbal.

Khartoum Offside bestaat voor een groot deel uit zulke fly on the wall-scènetjes, afgewisseld met een enkele poëtische muzikale sequentie. Gezamenlijk vormen die een aardige sfeerschets van het leven van jonge vrouwen in een land, dat nog altijd wordt gedomineerd door religieuze dogma’s en… mannen.

9.79

9.79*, (aka 9.79), British poster art, Dennis Mitchell, Desai Williams, Ben Johnson, Calvin Smith, Linford Christie, Carl Lewis, Ray Stewart, Robson da Silva, 2012. ©ESPN Films

Één enkel shot vertelt het verhaal van deze film. Over nog geen tien seconden uit het leven van acht topatleten. De deelnemers aan de finale van de honderd meter. Op de Olympische Spelen van Seoul in 1988. De winst ging nu eens niet naar Carl Lewis. De Amerikaanse wonderboy die het sprintonderdeel jarenlang had gedomineerd. Maar naar zijn grote rivaal. De Canadese krachtpatser Ben Johnson. In een onmogelijk geachte tijd. Een nieuw wereldrecord: 9.79 (84 min.). Dat natuurlijk niet kon blijven staan.

Waarom zou ik me helemaal kapot trainen? Vroeg Johnson zich enkele jaren eerder af. Als mijn concurrenten stimulerende middelen gebruiken. Een arts met steroïden lonkte. Hij werd vervolgens zienderogen sterker. Sprintte letterlijk weg bij de concurrentie. Zelfs Lewis kwam in zicht. De all american hero. Winnaar van maar liefst vier gouden medailles. Op de Olympische Spelen van 1984. In de enige echte stad van onbegrensde dromen, Los Angeles.

Lewis’ tandpastasmile begon te betrekken. Toen hij regelmatig Johnsons hielen kreeg te zien. De ‘sportman van de twintigste eeuw’ bleek een slechte verliezer. Die Johnson moest wel een valse start hebben gemaakt. Anders had hij natuurlijk zelf gewonnen. Ze werden aartsrivalen. Kracht versus souplesse. Ongepolijst tegenover aalglad. Man van weinig woorden jegens held met een boodschap. Het werd allemaal een kwestie van beeldvorming: de valsspeler die de gedroomde kampioen zijn titel ontfutselde.

Alle deelnemers aan de legendarische race. Doen hun verhaal in deze film uit 2012. Stuk voor stuk zijn ze ooit in verband gebracht met dopinggebruik. De meesten ontkennen natuurlijk halsstarrig. Dopingexperts denken er nog steeds het hunne van. Intussen loopt de concurrentiestrijd helemaal uit de hand. Johnson en Lewis staan lijnrecht tegenover elkaar. In zo ongeveer alles. Filmmaker Daniel Gordon bouwt daar een enerverende film omheen. Één van de beste sportdocu’s aller tijden. Waarbij één vraag onbeantwoord blijft. Is er, behalve doping, ook een ander vuil spel gespeeld?

Is Ben Johnson terecht met pek en veren overgoten? Ten faveure van Gouden medaille-winnaar Carl Lewis. Van ‘the dirtiest race in history‘. Halverwege de film is er al een soort antwoord geformuleerd. Met één enkel shot van de Olympisch kampioen. De Amerikaanse wonderboy lacht zijn tanden bloot. Een indrukwekkende rij. In een mond die, zonder een woord te zeggen, alles vertelt.

Keeper

Halal

Als Hans van Breukelen – talloze malen kampioen van Nederland, winnaar van de Europa Cup 1 en Europees kampioen met het Nederlands elftal – wordt gevraagd naar het definiërende moment van zijn carrière, dan is de kans behoorlijk groot dat hij ‘het graspolletje’ noemt. Een, relatief kleine, fout die in 1987 de nederlaag van PSV tegen rivaal Feyenoord inleidde. De Eindhovense voetbalclub werd dat jaar overigens gewoon kampioen en zou in het volgende seizoen letterlijk alles winnen wat er te winnen viel. Met Van Breukelen als rots in de branding.

Het incident met het polletje is illustratief voor de 73-voudige international Van Breukelen, de succesvolste doelverdediger uit de Nederlandse historie, en voor zijn stiel in het algemeen: de keeper als een tragische figuur. De bezeten eenling. Het buitenbeentje ook. Een man – of steeds vaker: vrouw – die nooit punten voor je wint, ze alleen kan verliezen. ‘Als het team wint, komt het door de trainer’, zegt Tarek Kharboutly, één van de hoofdpersonen van de documentaire Keeper (75 min.). ‘Als het team verliest, komt het door de keeper.’ Een fout is volgens de doelverdediger van de Zuid-Hollandse tweedeklasser Teylingen, die ooit voor het Syrische nationale elftal speelde, niets minder dan ‘een schande’.

Tegendoelpunten kunnen zelfs intens verdriet veroorzaken, zoals bij jeugdkeeper Lenny Bemboom uit Terschelling die tranen met tuiten huilt als er wéér een bal invliegt. Er moet een volwassene aan te pas komen om de jongen te troosten. Het is één van de mooiste scènes uit deze fijne publieksfilm van Johan Kramer, die verder de ambitieuze doelvrouw Selena Babb en de 74-jarige Jan Dooijewaard van DVV’33 uit Ermelo, ‘de oudste keeper van Nederland’, portretteert. Via hen gaat Kramer, in de rug gedekt door de sportjournalisten en (oud-)keepers Sjoerd Mossou en Leo Oldenburger, op zoek naar het wezen van de spreekwoordelijke sukkel op doel. Die er natuurlijk alleen staat omdat hij niet kon voetballen.

De filmmaker maakt in deze mythologisering van de beroepsgroep, die alle oerbeelden bestendigt die je bij keepers kunt hebben, geen gebruik van archiefmateriaal. Geen legendarische namen uit het verleden dus, zoals Gordon Banks, Dino Zoff of Rinat Dasajev. En ook de moderne ‘krokettenvangers’ Neuer, Courtois of – de grote held van Lenny – De Gea ontbreken. Keeper richt zich op gewone baltegenhouders. In een oer-Hollandse setting is te zien hoe ze hun verdediging dirigeren, spugen in handschoenen, rekken en strekken, de bal uit de sloot halen of klaar gaan staan om een penalty te stoppen (volgens Sjoerd Mossou de enige situatie waarin een keeper alleen maar kan winnen). Kamer vangt hun rituelen in fraaie, door weelderige muziek ondersteunde sequenties. Waarbij natuurlijk ook dat hele kleine beetje sterven na elke tegengoal niet ontbreekt. Als de bal ook nog eens door hen, en door niemand anders, uit het doel moet worden gehaald.

En niemand die dat zo hartverscheurend kon als, juist, Hans van Breukelen. De beelden zijn moeiteloos op te roepen: hoe hij nadat de bal uit het net is gevist, met een mengeling van ongeloof en weltschmerz in de ogen en mismoedig schuddend met het hoekige hoofd, de bal met een larmoyante voetbeweging richting middenstip trapt. Nóg mooier echter zijn de herinneringen aan hoe ‘De Breuk’ eerst, in de aanloop naar de belangrijkste strafschop van zijn leven, met zijn wijsvinger even het rechterooglid omlaag trekt (zo van: ‘ik heb jou door, jongen!’) en later als een ongenaakbare gladiator de knuffels van zijn teamgenoten in ontvangst neemt. Tussendoor heeft hij in de EK-finale van 1988 een penalty van de Rus Belanov gestopt. Die redding vormde de opmaat naar de enige prijs die Oranje ooit won.

Disclaimer: ik sta zelf elke zondag op doel en ben zo ongeveer het tegendeel van Hans van Breukelen: nooit iets gewonnen en na elke redding op zoek naar een schouderklopje.

Maiden

Als een zeepaard van Troje voeren ze in 1989 plotseling een absoluut mannenbolwerk binnen. Tot dat moment hadden vrouwen een ondergeschikte rol gespeeld in de Whitbread Round The World Race, de grootste zeilwedstrijd van de wereld die eenmaal per drie jaar plaatsvindt. Koken, mochten ze. Of schoonmaken.

Totdat de 24-jarige Tracy Edwards, die de race al eens in de keuken van een mannenschip had doorgebracht, met een eigen boot en een volledig vrouwelijke crew wilde gaan deelnemen. Het benodigde geld daarvoor kwam, uiteindelijk, van koning Hoessein van Jordanië. En Sarah Ferguson, de hertogin van Yorke, had het schip alvast heel toepasselijk Maiden (93 min.) gedoopt.

Die vrouwenboot zou de eerste etappe van het Britse Southampton naar Punta Del Este in Uruguay niet gaan uitvaren, spraken insiders toentertijd uit. De twaalf crewleden, onder wie de Nederlandse Tanja Visser, hadden helemaal niets te zoeken in zo’n loodzware race, zo was het idee. Zelf dachten en denken ze daar heel anders over. Voor de camera van Alex Holmes doen de vrouwen bijna dertig jaar na dato hun relaas over de negen maanden die ze op het woelige water zouden doorbrengen.

De filmmaker vermengt hun herinneringen met opwindende beelden vanaf de boot en smeedt zo een behoorlijk enerverend geheel, dat de ervaring aan boord heel aardig invoelbaar maakt. En zoals dat gaat in dit soort verhalen stijgen de heldinnen, na de nodige uitdagingen en ontberingen, uiteindelijk boven zichzelf uit en leren ze elkaar én zichzelf beter kennen. Waarna als vanzelf ook het respect van al die sceptische mannen volgt.

The Fall

De grootte van het podium, hun eigen torenhoge ambities of gewoon het noodlot zet soms sporters tegenover elkaar, die voor altijd in één adem zullen worden genoemd. Muhammad Ali en Joe Frazier. Tonya Harding en Nancy Kerrigan. Bjorn Borg en John McEnroe. Met gouden pen zijn hun al dan niet heroïsche gevechten in de sportgeschiedenisboeken bijgeschreven.

Een ander duo dat tot elkaar veroordeeld is geraakt staat centraal in de stevige documentaire The Fall (90 min.): Mary Decker en Zola Budd. Tijdens de Olympische Spelen van 1984 in Los Angeles bonden ze de strijd met elkaar aan op de 3000 meter. De Amerikaanse wereldkampioene tegenover een frêle Zuid-Afrikaanse tiener, die het liefst blootvoets liep en net voor de Spelen was ingelijfd door de Britse ploeg.

Als blanke atlete uit een land dat wereldwijd werd geboycot vanwege het Apartheidsregime, lag Budd toen al gedurig onder vuur. Ze wilde zich niet uitspreken tegen de misstanden in haar land. Zelf zegt ze nu dat ze toentertijd niet eens wist wie Nelson Mandela was. De man was immers al voor haar geboorte vastgezet en werd sindsdien stilgezwegen in Zuid-Afrikaanse media. Het klinkt niet eens heel ongeloofwaardig.

Terwijl Zola Budd ongewild het middelpunt was van een politieke controverse, werd ook de druk op haar Amerikaanse rivale, de gedoodverfde favoriete Decker, flink opgevoerd. Dit moesten haar Spelen worden. Nadat ze al enkele edities, buiten haar eigen schuld, aan zich voorbij had moeten laten gaan. Maar was de ogenschijnlijk zo goedlachse loopster uit Californië nog wel onverslaanbaar?

Los van elkaar blikken de twee atleten ruim dertig jaar na dato terug op de aanloop naar de wedstrijd die hun levens zou definiëren. De herinneringen van Decker en Budd zijn parallel gemonteerd door filmmaker Daniel Gordon (die eerder al sportdocu’s als George Best: All By Himself en het ijzersterke 9,79 regisseerde). Hij werkt zo gestaag toe naar het dramatische moment tijdens de Olympische finale dat hen allebei zal breken.

Die ene fatale misstap, waarbij de meningen verschillen over wie die op zijn geweten heeft, maakte de twee rivalen tevens tot aartsvijanden. Het is de vraag of de twee dames die schaduw van zich af weten te werpen en in de slotmeters van deze film alsnog tot een oprechte verzoening kunnen komen.