FC Twente Media / woensdag 23 september, om 21.25 uur, op NPO3
Als één lied het gevoel van verbroedering uitdrukt dat voetbal te weeg kan brengen, dan is het You’ll Never Walk Alone. Rien Kamphuis heeft het vast wel eens meegezongen in het stadion van FC Twente. Toch moet hij zich ook regelmatig zielsalleen hebben gevoeld op de tribune. In 2025 stapt Rien uit het leven. Hij is nog geen 25.
Riens kostje lijkt op het eerste oog gekocht. Hij staat op het punt om wiskundedocent te worden, wordt alom gewaardeerd als jeugdvoetbaltrainer en behoort tot een uitgebreide vriendengroep. In Eindeloos Gepest – Het Verhaal Van Rien (50 min.), een nieuwe aflevering van de Nederlandse docuserie, probeert Martijn Willemen met zijn familie en vrienden te vatten waarom ie desondanks niet meer verder wilde. Riens dood heeft hen allemaal overvallen. Terwijl hij daar, zo blijkt later, in stilte al een hele tijd over nadenkt.
De basis daarvoor – het mag geen verbazing wekken, gezien de titel van deze reeks – ligt ongetwijfeld in zijn pestverleden. Als jong kind is Rien volgens zijn moeder Ilse een ‘knuffelkont’, maar komt ook het plagen en treiteren op gang. Rien kan zich volgens haar verbaal niet zo goed verdedigen en is daardoor een gemakkelijk slachtoffer. Hij wordt uiteindelijk naar een training sociale vaardigheden gestuurd. Hadden ze daar niet beter de pesters naartoe kunnen sturen? vraagt zijn vader Gregor zich nu af.
Het gepest in zijn jonge jaren, dat even ook dreigt over te slaan naar zijn voetbalclub, raakt Rien nooit meer helemaal kwijt. Hij verbergt dat zoveel mogelijk. Zijn Twente-vrienden beschouwen hem zelfs als ‘een sfeermakertje’. In zijn dagboek, dat zijn dierbaren na z’n dood lezen, deelt hij wat er werkelijk in hem omgaat. Het is geschreven in de derde persoon, alsof hij die afstand nodig heeft om in zijn eigen ziel te kijken. Daar weet Rien ook: ik val op jongens. Hij is iets wat hij niet wil zijn, aldus zijn vader.
En dat begint op die tribune, waar zijn voetbalmaten nu een plekje voor hem vrijhouden, steeds meer te wringen, constateren familie en vrienden in deze rechttoe rechtaan docu, die is aangekleed met Riens Spotify-playlist, met daarop bijvoorbeeld Coldplay’s The Scientist: ‘Nobody said it was easy’. Rien probeert de grappen en spreekkoren over homo’s te negeren. ‘Als ik uit de kast moet komen, dan maak ik er een eind aan’, noteert hij voor zichzelf. ‘Deze gedachte is natuurlijk heel erg fout. Maar het gaf mij rust.’
Bij FC Twente hebben z’n voetbalvrinden na zijn dood een spandoek opgehangen: YNWA Rien. De spelers gaan ermee op de foto. You’ll Never Walk Alone.
Ze heeft haar zinnen gezet op de Aldeyjarfoss-waterval in IJsland. Die wil de Noorse kajakster Mariann Sæther eigenlijk al twintig jaar bedwingen. Ze heeft in haar lange carrière alles al bereikt, maar wil haar grenzen blijven verleggen. Dat gaat onvermijdelijk gepaard met risico’s. In de voorbije jaren zijn er zes extreme kajakkers in Sæthers omgeving om het leven gekomen. Ze heeft haar zoontje Benjamin naar één van hen vernoemd.
Inmiddels is er opnieuw gezinsuitbreiding op komst in de caravan die ze met haar Zwitserse vriend Ron Fischer bewoont in Trofors. Hij vindt die Aldeyjarfoss helemaal geen goed idee. Sterker: hij haat watervallen – ook omdat hij zelf meermaals rugletsel heeft opgelopen – maar weet ook: als Mariann iets in haar kop heeft… De hoofdpersoon van I Follow Rivers (90 min.) heeft een ijzeren wil en stalen zenuwen, maar beschikt natuurlijk gewoon over een lijf van vlees en bloed.
Het is Ron soms zwaar te moede in deze ferme film van Barbora Hollan, die Sæther zeven jaar lang heeft gefilmd. Met Aldeyjarfoss voortdurend als stip op de horizon laveert zij tussen haar twee levens. Thuis, met Ron en de kinderen, in die krappe caravan, terwijl er tegelijk een eigen huis moet worden gebouwd en een raftingbedrijf onderhouden. En in woeste wateren, waar ze als oudere wildwaterkoningin een nieuwe generatie kajakkers probeert bij te benen.
Sæthers manoeuvres langs verraderlijke stroomversnellingen en kolossale watervallen zijn enerverend vastgelegd, ook vanuit een ik-perspectief met GoPro-camera’s, en trekken natuurlijk de aandacht, niet in het minst door de adembenemende decors. Toch is I Follow Rivers ook een kleine film, over een gedreven vrouw die de confrontatie met zichzelf moet aangaan: wat is die Aldeyjarfoss me waard? Durf ik hem werkelijk aan? En waartoe verplicht ik anderen dan?
Als ze eenmaal in IJsland is aanbeland en de ontzagwekkende waterval in de ogen kijkt – en daarmee ook haar eigen sterfelijkheid – weet Mariann Sæther pas zeker of die droom het haar werkelijk waard is om te blijven najagen.
Of ze ooit hadden voorzien dat hun dochter een Olympische sporter zou worden? ‘Nooit!’ reageert moeder Beverly. Vader Russell barst spontaan in lachen uit. ‘Niet helemaal de juiste reactie’, zegt hij als ie zich heeft herpakt.
De reactie van de ouders van Rachael ‘Raygun’ Gunn is veelzeggend. Hun dochter is altijd voorbestemd geweest voor de academische wereld. In de aanloop naar de Olympische Spelen van Parijs in 2024 werkt ze als universitair docent Media en Cultuur in Sydney. Breakdancen is nooit meer dan een hobby geweest. Ze promoveert er in 2009 overigens wel op, met het nogal ambitieus getitelde proefschrift Deterritorializing Gender In Sydney’s Breakdancing Scene: A B-girl’s Experience of B-boying.
Als de kunstvorm ‘breaking’ in 2020 wordt uitgeroepen tot Olympische sport, krijgt Raygun, die wordt gecoacht door haar eigen echtgenoot Samuel ‘Sammy Sex’ Free, echter de kans om deel te nemen aan het belangrijkste sportevenement ter wereld. Ze schrijft zich in voor het kwalificatietoernooi voor Oceanië – niet iedereen zet die stap, haar rivale Tinylocks bespaart zich bijvoorbeeld de moeite – en verslaat daar al haar concurrenten. De academica moet dan ineens topsporter worden.
Het vervolg is bekend: in Parijs wordt Raygun het lachertje van de Spelen. De hele wereld gaat los op haar eigenzinnige act, een ode aan haar land Australië, waarin ze zwemslagen maakt, springt als een kangoeroe en een sprinkler imiteert. En dat is natuurlijk ook het onderwerp van de vlotte docu Raygun: Breaking Badly (72 min.), een aflevering uit de Untold-sportserie waarin de moeizame weg naar die gedenkwaardige performance en de nare nasleep daarvan wordt opgeroepen.
De filmende broers Chapman Way en Maclain Way graven niet al te diep, maar laten wel overtuigend zien hoe ’t is om ineens ieders favoriete meme te worden. You’re a disgrace to all women, voegt een vrouw Raygun zelfs toe. En die heeft wel even tijd nodig om al die drek op zich in te laten werken. Behalve een portret van een inherent optimistische vrouw wordt deze docu daarmee eerst en vooral een sprekend exposé over de leedvermaakbusiness, die tegenwoordig in de media en online welig mag tieren.
De Falkland-oorlog van 1982 werpt vier jaar later nog altijd z’n schaduw over de wedstrijd tussen Engeland en Argentinië, in de kwartfinale van het wereldkampioenschap voetbal in Mexico op 22 juni 1986. Het is de dag waarop ‘de Hand van God’ zal interveniëren in een voetbalwedstrijd – en één enkele speler boven alle gewone stervelingen zal uittorenen.
Toch is The Match (91 min.), de gestileerde documentaire van Juan Cabral en Santiago Franco, meer dan simpelweg het verhaal van Diego Maradona, aan de hand van zijn meesterstuk. Cabral en Franco plaatsen de Britse teamcaptain Gary Lineker (terzijde gestaan door de oud-internationals John Barnes en Peter Shilton) en zijn Argentijnse tegenhanger Jorge Valdano (ondersteund door z’n ploeggenoten Oscar Ruggeri, Jorge Burruchaga, Ricardo Giusti en Julio Olarticoechea) in een breed opgezette vertelling, die de context, het belang en de reikwijdte van die ene legendarische wedstrijd met veel bravoure uitdiept. Lineker en Valdano krijgen ook meteen de rol van verteller toebedeeld.
Die match begint overigens pas halverwege. De filmmakers nemen eerst de tijd om alle bouwstenen voor dat titanengevecht te schetsen. Het wegzenden van de Argentijnse speler Antonio Rattín tijdens het WK van 1966 in Engeland bijvoorbeeld, de directe aanleiding voor de wereldvoetbalbond FIFA om rode kaarten, en gele, te introduceren. Of de onverwachte entree van Diego Maradona tijdens een concert van de Britse rockband Queen in Argentinië, voor zijn eigen versie van de klassieker Another One Bites The Dust. En, natuurlijk, het plotseling opvlammende gewapende conflict tussen de twee landen rond Las Malvinas, ofwel de Falklandeilanden, voor de kust van Argentinië.
In het Azteca-stadion duurt het tot de tweede helft voordat de wedstrijd loskomt. Eerst door Maradona’s handsbal, één van de meest omstreden doelpunten uit de voetbalhistorie. Drie minuten later gevolgd door zijn allermooiste doelpunt, een weergaloze solo langs vijf verbouwereerde Engelsen. Cabral en Franco laten de fameuze goal in eerste instantie niet zien. Ze geven simpelweg de Argentijnse commentator van dienst alle ruimte en tonen ondertussen close-ups van de gebiologeerde gezichten van de oud-spelers, terwijl zij de beelden aanschouwen die hun verdere leven hebben bepaald – al is ook de zogeheten ‘Nek van God’ essentieel geweest voor de Argentijnse overwinning.
The Match wordt zo een lekker lyrische film over sport, politiek en mythologie, die het gejuich in het hier en nu of toen en daar ontstijgt. Over een wedstrijd die véél meer is geworden dan een krachtmeting tussen twee voetbalelftallen – en topsport behandelt als de hartslag van een land, tijd en wereld.
Ook de gouden medaille op de Olympische Spelen van 2024 heeft de honger niet kunnen stillen. Begin 2025 maakt Novak Djokovic, de succesvolste tennisser aller tijden, zich op voor zijn 25e Grand Slam-titel. Stoppen wordt voor de ‘wolf’, het nationale dier van zijn land Servië, pas een optie als zijn lichaam écht niet meer wil – of als de jonkies hem structureel alle hoeken van de baan laten zien.
Echt populair is Djokovic nooit geworden. Hij werd beschouwd als een soort spelbreker, de man die zich ongevraagd begon te bemoeien met de verheven tweestrijd tussen de iconen Roger Federer en Rafael Nadal, het duo dat jarenlang de dienst uitmaakte in de tenniswereld. Een uitdager die zich bovendien niet wist te gedragen. Als een vulkaan kon de Serviër uitbarsten. Hij koelde die woede dan op z’n rackets.
Zijn schurkenimago heeft natuurlijk ook een plek gekregen in de documentaire Novak Djokovic: The Wolf In Winter (93 min.). Djokovic en zijn vrouw Jelena, ouders Srdan en Dijana en broers Marko en Djordje verbinden dit met zijn Servische inborst. Als alles tegenzit en iedereen tegen je lijkt te zijn, vallen Serviërs terug op ‘inat’, een soort innerlijke koppigheid waarmee ze hun eigen gelijk willen aantonen.
Regisseur Jason Hehir benadrukt daarbij ook de invloed van de Joegoslavische burgeroorlog. De kleine Novak, die als kind onbedaarlijk kon huilen als hij eens verloor, groeide op toen de NAVO bommen dropte op Servië. Demonstranten begonnen destijds met ‘target’ op hun borst rond te lopen. Hen konden ze misschien doden, was de boodschap, maar hun geest zouden ze er nooit onder krijgen.
Die rebelse houding kenmerkt ook Djokovic, getuige bijvoorbeeld een hoogopgelopen kwestie rond de Australian Open in 2022. Toen het Coronavirus in de hele wereld huishield, wilde de recordwinnaar ongevaccineerd deelnemen. ‘Ik kwam op voor mijn recht’, zegt hij er ruim vier jaar later over. ‘Voor de bescherming van mijn integriteit en wat ik denk dat het beste is voor mijn lichaam. Dat is alles.’
In Melbourne wil de routinier nu, als ‘een leeuw in de winter’ aldus journalist Howard Bryant, voor de elfde keer winnen en dus zijn 25e Grand Slam binnenhalen, het hart van de tweede helft van deze overtuigende sportdocu. Dit gaat, zoals waarschijnlijk bij alle grote kampioenen, gepaard met elementaire twijfel. ‘Hoe lang nog?’ vraagt Novak Djokovic zich af. ‘Waarom doe ik mezelf en mijn gezin dit steeds weer aan?’
Als coaches van de aartsrivalen Real Madrid en FC Barcelona ontwikkelden ze zich allebei tot de belichaming van een voetbalfilosofie. Met de zelfverklaarde ‘special one’ José Mourinho als geboren winnaar, ten koste van alles. En Cruijff-adept Pep Guardiola als de pure liefhebber – en zonder enige twijfel ook een echte winnaar. Vanaf 2010 maakten ze elkaar enkele seizoenen het leven zuur in Spanje. Zo’n vijftien jaar later krijgen ze nu allebei, vrijwel tegelijkertijd, hun eigen documentaireserie.
De drie afleveringen van Mourinho (171 min.) zijn grofweg gewijd aan zijn opeenvolgende gloriejaren bij respectievelijk Chelsea, Inter Milaan en Real Madrid (en zijn terugkeer naar Chelsea), met nauwelijks aandacht voor de mindere periodes die daarna kwamen. Een leven gecondenseerd tot z’n gloriedagen. De vierdelige serie A Beautiful Obsession (157 min.) volgt Pep Guardiola juist als zijn team Manchester City, na vier opeenvolgende kampioenschappen, in 2024 begint te verliezen – en verliezen.
Achter de schermen schijnt José Mourinho een mensenmens te zijn. Die krijgt echter weinig ruimte in ‘zijn’ miniserie. ‘Ik zag jongens het veld opgaan met tranen in hun ogen’, vertelt zijn personage, de geboren bluffer, bijvoorbeeld op kenmerkende wijze, over hoe hij, Barcelona’s voormalige ‘vertaler’, Inter Milaan met een emotionele speech tijdens de rust prepareerde voor het vervolg van de Champions League-halve finale tegen het machtige Barça. ‘Niet om te voetballen. Om weerstand te bieden in een oorlog.’
Even later, als die beker daadwerkelijk is gewonnen, toont hij kort, gecontroleerd, zijn kwetsbare kant. Want Mourinho weet al dat hij zijn team gaat verlaten voor een volgende club, Real Madrid, en reist niet mee terug naar Milaan om met hen de overwinning te vieren. ‘Ik kon ’t gewoon niet’, vertelt de topcoach, bij beelden van hoe hij geëmotioneerd afscheid neemt van zijn spelers. ‘Ik vluchtte voor die emotie.’ Om er meteen, heel geroutineerd, weer zo’n straffe oneliner aan toe te voegen: ‘De klus was geklaard.’
In Spanje gaat de Portugees de strijd aan met een verwende sterrenploeg, een ‘kleedkamer vol ego’s’ aangevoerd door Reals vermaarde keeper Iker Casillas, teneinde het Barcelona van Pep en Messi te kunnen verslaan. Nadat dit is gelukt, begint Mourinho’s conflictmodel zich tegen hem te keren. Als Casillas, met wie hij sowieso een ‘kille’ relatie onderhoudt, voor een wedstrijd de opstelling zou hebben gelekt naar de pers, verwijst de coach hem naar de reservebank. Intussen verliest hij zo de kleedkamer.
In die kleedkamer, van Manchester City welteverstaan, moet Pep Guardiola in het seizoen 2024-2025 het lek weer boven zien te krijgen. Zijn ze de passie kwijtgeraakt? vraagt de Spaanse stercoach zich af in de observerende eerste aflevering van ‘zijn’ puike docuserie. ‘Geef me het gevoel dat jullie willen winnen!’ schreeuwt hij zijn spelers toe, als de gifbeker maar niet leeg lijkt te raken. Met geladen speeches probeert ie de ommekeer te bewerkstelligen. En er zijn fikse woordenwisselingen achter de schermen.
‘Je maakt geen documentaire over een verliezer’, zegt Peps rivaal met kenmerkende arrogantie in Mourinho, maar verliezen levert wel degelijk een fascinerend schouwspel op. Net als de wederopbouw van een nieuwe succesploeg bij City, in de tweede aflevering van A Beautiful Obsession. Die geeft echt een blik achter de schermen bij een topsportorganisatie, waar afscheid moet worden genomen van oude helden, zoals de geëmotioneerde spelmaker Kevin De Bruyne, en nieuwe iconen worden gerekruteerd.
Als zijn team helemaal stuk zit, verlengt Pep zowaar zijn contract, voor zijn finale seizoen bij de club waar hij sinds 2016 de scepter zwaait. Die laatste akte vormt de onderlegger voor de laatste twee afleveringen van de serie, als Guardiola alle middelen inzet, waaronder zijn eigen echtscheiding, om een nieuwe voetbalmachine te construeren – en wat dit losmaakt bij City’s top, vervat in besprekingen en privéberichtjes. Die emotionele open- en eerlijkheid contrasteert met de façade die Mourinho blijft ophouden.
Waar de Portugees rancune en wraak als motor lijkt te gebruiken, wil zijn Spaanse concullega ogenschijnlijk vooral zijn passie en liefde delen. Hij blijft maar knuffelen. Slechte verliezers zijn ze allebei. Voor José wordt het dus tandenknarsen, want ditmaal wordt hij echt overvleugeld door Pep. Het meeslepende A Beautiful Obsession maakt daadwerkelijk zichtbaar wat ‘t in het hier en nu betekent om topsport te bedrijven, terwijl Mourinho, met louter archiefmateriaal, vooral een imposante carrière nog eens doorneemt.
Inmiddels is José Mourinho overigens terug bij Real Madrid en heeft Pep Guardiola een sabbatical, volgens zijn nooit aflatende concullega ‘een teken van zwakte’, opgenomen. Om te ontdekken of er ‘een leven na voetbal’ bestaat.
De twee topcoaches schitteren trouwens door afwezigheid in elkaars serie. Pep zou volgens dit artikel naar verluidt best bereid zijn geweest om in José’s (anti)heldenepos op te draven. Hij moest ’t alleen wel even zelf vragen.
Na nog geen zeven minuten klinkt het startschot in De Marathonloper (90 min.). De deelnemers aan de marathon van Amsterdam van 2024 gaan op pad om hun eigen grenzen te verleggen. ‘Today is your day’ vuurt de speaker hen enigszins overspannen aan. Nog eens aangezet met: ’You are a hero. You are making your own masterpiece. You are part of sporting history in Amsterdam!’
Vooralsnog lijken de lopers echter vooral bezig met het schrijven van hun persoonlijke stukje geschiedenis. Ze hebben allemaal hun eigen redenen om die ruim 42 kilometer te overwinnen. Rechter Rami Hirzalla is twintig jaar eerder bijvoorbeeld gediagnosticeerd met MS en realiseert zich dat hij met een tijdbom in zijn lijf rent. Schilder Joost van Gent is slechtziend en loopt de marathon voor het eerst, onder begeleiding van twee buddy’s van Running Blind. Als duolopers blijven ze tot aan de meet met een oranje band verbonden. En de Vlaming Jordy Costermans werd vroeger een ‘bolletje vet’ genoemd door zijn vader en heeft via het lopen van marathons zijn zelfrespect hervonden. ‘Ik heb niemand iets te bewijzen’, zegt hij, vast ook tegen zichzelf.
Regisseur Paul Cohen volgt zulke lopers van de start tot aan de finish en laat hen in deze observerende film ook, volledig buiten beeld overigens, aan het woord. De door hem aangestuurde cameramensen, waaronder ook enkele fietsers, blijven te allen tijde gericht op het evenement zelf, in de hoop zo de collectieve ervaring te vatten. Want alle deelnemers die voor de camera zwoegen, excelleren of lijden hebben hun eigen verhaal. Net als de mensen die hen ondersteunen of vanaf de kant aanmoedigen. Al die flarden van levens vormen samen het wezen van de marathon en resulteren bovendien in aangrijpende scènes. Van een hoogbejaarde Indiase loper op z’n laatste benen. Of de vrouw met een ‘ren tegen kanker’-T-shirt, die geëmotioneerd moet uitstappen.
Waar lopen ze vanaf? vraagt een buitenstaander zich onwillekeurig af. En waar willen ze, behalve naar de eindstreep waar die enthousiaste speaker alweer wacht, eigenlijk naartoe? De tocht die ze, voor deze race en in deze boeiende kijkfilm, zijn aangegaan leidt hoe dan ook naar binnen. Naar wie ze zijn of willen zijn. ‘If you are a finisher here today, you are a hero’, galmt de spreekstalmeester hen toe. ‘And you did it. You made your masterpiece!’
‘Ze voerden een eeuwige oorlog op de tennisbaan. En nu proberen ze elkaars leven te redden.’ De woorden zijn afkomstig van Chris Everts voormalige echtgenoot Andy Mill, maar zijn quote is niet voor niets te horen als de titel van deze documentaire in beeld verschijnt: Chris & Martina: The Final Set (97 min.). Dit is de tagline, de reden om deze film te bekijken. Want dat is behalve een boeiende terugblik op één van de grootste tweekampen uit de sporthistorie vooral ook een aangrijpend portret van twee vrouwen die door ziekte, kanker, voor het eerst de controle over hun leven helemaal kwijt zijn en dan elkaars gezelschap weer opzoeken.
Chris Evert en Martina Navratilova vormen in de jaren zeventig en tachtig de Yin en Yang van het vrouwentennis. Het meisjemeisje uit Florida versus de communistische ‘overloper’ uit Tsjechoslowakije. Verfijnd baseline-spel tegenover krachtig serve & volley. Natuurtalent versus power. ‘Cute’ tegen ‘tomboy’. Achteraf bezien lijkt het onvermijdelijk dat de ‘Chrissie Craze’ ook gepaard zou gaan met Martina-weerzin. Zeker als haar geaardheid, een publiek geheim in de tenniswereld, de media bereikt. Navratilova wordt in The New York Daily News ongewild geout als ‘biseksueel’, de term die als vluchtheuvel wordt gebruikt door vrouwen die in werkelijkheid op vrouwen vallen.
De aanvankelijke vriendschap tussen de twee tegenpolen lijkt in dit dubbelportret van Rebecca Gitlitz dan te zijn veranderd in ijzige rivaliteit. Omdat een innige relatie het ten koste van alles willen winnen in de weg zou kunnen staan. Inmiddels zijn de vriendschapsbanden hersteld en kunnen de aartsrivalen samen op de bank wedstrijden terugkijken – en zowaar blij zijn voor de ander. Gitlitz laat hen ondertussen reflecteren op hun levens die volledig in dienst stonden van de sport. Ze worden daarbij terzijde gestaan door familieleden en kennissen, tennisinsiders en voormalige concullega’s zoals Billie Jean King, John McEnroe en Pam Shriver.
Terwijl Evert en Navratilova elkaar aansporen om nog eenmaal het beste uit zichzelf te halen, tijdens de allesbeslissende tiebreak tegen een gemeenschappelijke opponent die niet maalt om geld, macht of status, tonen ze uit welk hout ze zijn gesneden. Ieder voor zich gaan ze moedig de strijd aan met de ingrijpende kankerbehandelingen. En samen lijken ze, net als tijdens hun epische tenniscarrières, vooralsnog onverslaanbaar.
Lionel Messi had de beste voetballer kunnen worden die Spanje ooit heeft gehad. Hoe vaak zou hij wereldkampioen zijn geworden, met zijn vaste maatjes van FC Barcelona, Xavi en Iniesta, aan zijn zijde? Het zal echter anders lopen: de kleine Leo wordt de grote held van zijn geboorteland Argentinië, de enige echte opvolger van Diego Maradona – die hij inmiddels ook wel heeft overvleugeld.
Als tiener is Messi, die op z’n dertiende al naar Barcelona is verkast, echter buiten beeld geraakt bij de nationale jeugdteams van Argentinië. De Spaanse voetbalbond staat tegelijk klaar om hem in te lijven. Dat is Messi’s agent Horacio Gaggioli toch te gortig. Hij vraagt journalist Jaume Marcet van Barça TV om een videoband samen te stellen met hoogtepunten van de behendige en watervlugge linkspoot.
Messi: La Cinta Olvidada (internationale titel: Messi: The Forgotten Tape, 24 min.) is het verhaal van die VHS-tape. Claudio Vivas, de assistent-trainer van het Argentijnse nationale elftal is direct overtuigd. Hij laat de compilatievideo zien aan bondscoach Marcelo Bielsa. ‘Laat eens zien, speel wat af’, zegt die, herinnert Vivas zich. ‘Maar speel hem op normale snelheid af.’ De assistent kan zijn eigen ogen ook nauwelijks geloven. ‘Marcelo, dit is normale snelheid. Ik drukte alleen op afspelen.’
De Mythe Messi is geboren. Een speler die sneller denkt en handelt dan gewone stervelingen, waaronder gerenommeerde voetbaltrainers, kunnen bevatten. Zelfs nu hij tegen de veertig loopt. In deze alleraardigste korte docu van Nicolás Salazar is de jonge Messi te zien, een dartele tiener die iedereen helemaal doldraait – en die zijn voormalige jeugdtrainers en medespelers nog altijd in verrukking brengt.
Een heerlijk klein verhaal over een grote voetballer, in de markt gezet dus met een videoband. Omdat zien in zijn geval nu eenmaal automatisch tot geloven leidt. Ineens krijgt de Argentijnse voetbalbond dus haast. Op 1 juni 2004 wordt ‘Leonel André Mecci Cuccittini’ opgeroepen voor een nationaal elftal van zijn geboorteland. Argentijnse voetbalfans krijgen daarna nog volop gelegenheid om zijn naam te leren spellen.
‘Ik wilde hetzelfde bereiken als Cafu, vertelt Marcelinho bij een kolossale muurschildering van de recordinternational, die in 1994 en 2002 wereldkampioen werd met het Braziliaanse nationale elftal. ‘Met de wereldcup staan, erkend worden. Niet alleen in mijn land, maar wereldwijd.’ Even later komt Gamão, de man die de muurschilderij heeft gemaakt, erbij zitten. ‘Voetbal is alles voor het getto’, stelt hij. ‘Het is de gemakkelijkste kans om hier weg te komen.’ Cafu symboliseert volgens de graffitikunstenaar dat verhaal. ‘Brazilië zit op de voetbaltroon door de favela’s.’
Cafu groeide op in de favela Jardim Irene, vertelt hij in Várzea: Onde Nasce O Futebol (internationale titel: The Root Of The Game, 123 min.), een driedelige serie over het zogeheten Várzea-voetbal in São Paulo, een knock-out toernooi waarin verschillende favela’s het tegen elkaar opnemen. Toen hij in 2002 wereldkampioen werd, dacht de voormalige rechtsback: ‘Jarim Irene kijkt naar mij. Ze vragen zich vast af of Cafu ook naar Jardim Irene kijkt. Kijkt de aanvoerder ook naar ons?’ Op archiefbeelden is intussen te zien hoe iemand met een stift ‘100 % Jardim Irene’ op Cafu’s shirt schrijft. Zo wordt de volksheld ook vereeuwigd met de wereldcup, als jongen uit de favela die ‘de koning van de finales’ wordt.
Várzea-spelers zoals Marcelinho (Milianos) en Sujão (MEC) dromen er ook van om profvoetballer te worden – en niet tot de negentig procent van hun wijk te gaan behoren die op het verkeerde pad belandt. Vooralsnog is het hen niet gelukt om echt een carrière op te bouwen, maar met de Várzea-wedstrijden kunnen ze min of meer hun gezin onderhouden. In de kwartfinale staan de twee tegenover elkaar, in wat ook de climax van de eerste aflevering van deze miniserie van Alec Cutter gaat worden. In tegenstelling tot hun succesvolle landgenoten die bij Europese topclubs moeiteloos miljoenen binnen harken, moeten Marcelinho en Sujão koste wat het kost winnen. Want zij hebben écht niets te verliezen.
In de navolgende afleveringen van deze dikke productie zal de winnaar van de twee het, ten overstaan van z’n eigen gemeenschap, in de volgende ronde van de Super Copa Pioneer moeten opnemen tegen een andere wijk, waar criminelen de dienst uitmaken en een carrière in de (drugs)criminaliteit continu lonkt. ‘Ik heb nergens zoveel druk gevoeld als bij de Várzea’, vertelt de Braziliaanse international Raphinha, die tegenwoordig bij FC Barcelona speelt. ‘Je speelt een wedstrijd en ziet mensen met wapens die ons bedreigen of tijdens de wedstrijd met elkaar vechten.’ Hij herinnert zich hoe er bij een wedstrijd eens op de kleedkamerdeur werd gebonsd. ‘Als we zouden winnen, zouden we het niet overleven.’
Voetbal biedt de bewoners van favela’s desondanks een uitweg, toont Várzea: Onde Nasce O Futebol. Als mogelijk carrièrepad – of, realistischer, als tijdverdrijf en schouwspel dat even de druk van het dagelijks bestaan verlicht. De Várzea-wedstrijden, met al hun zwaar oververhitte peptalks, wilde overtredingen en ongegeneerde vreugde- of woede-uitbarstingen, hebben onmiskenbaar een ventielfunctie voor mensen die vaak alle hoeken van de kamer al eens hebben gezien. Intussen krijgt het winnen van die Super Copa Pinoneer, een plaatselijke variant op de hoofdprijs bij het Broer van Grunsven-toernooi of de George Baker, een belang dat alleen met de echte wereldcup is te vergelijken.
Wie mag hem, in naam van z’n favela, omhoog heffen?
Op 13 januari 1991 bereikt de alsmaar verder ontsporende rivaliteit tussen Boixos Nois, de harde kern van FC Barcelona, en de beruchte Brigadas Blanquiazules van stadgenoot Espanyol een nieuw dieptepunt: de Espanyol-supporter Frederic Rouquier gaat de boeken in als het eerste dodelijke slachtoffer in de geschiedenis van georganiseerd supportersgeweld in Spanje. Het gaat vermoedelijk om een wraakactie: een maand eerder is Boixos Nois-lid Sergi Segarra ernstig gewond geraakt.
Rouquier heeft een karakteristiek profiel, met extreemrechtse antecedenten. Hij is afkomstig uit Frankrijk, heeft een verleden in het Front National en werkt sinds enige tijd in een Spaanse winkel waar skinheadkleding wordt verkocht. Daarmee past hij prima in een subcultuur, die in 1982 is ontstaan nadat Britse hooligans het WK in Spanje bezochten en die in Spanje regelmatig wordt gelinkt aan neonazi’s en fascisten. Rouquiers dood staat centraal in de eerste aflevering van de driedelige serie Ultras: Pasion Y Muerte (internationale titel: Ultras: Passion And Death, 133 min.).
Daarna zoomt regisseur Pedro García Campos in op een volgend ijkpunt binnen de Spaanse hooliganscene waarin relschoppende kaalkoppen in bomberjacks en legerkistjes de dienst uitmaken. Afwisselend steken zij hun middelvinger op, maken de Hitlergroet of gaan op de vuist (en erger). Bij een wedstrijd tussen Atletico Madrid en Real Sociedad wordt op 9 december 1998 Aitor Zabaleta, een 28-jarige fan uit San Sebastián, doodgestoken door een lid van Frente Atletico. De fatale steekpartij dreigt de spanningen tussen Baskenland en de rest van Spanje te verergeren.
In de laatste aflevering van deze grimmige, door geanonimiseerde ultra’s bevolkte en met reconstructies aangeklede miniserie belicht Campos een massale vechtpartij in 2014, tussen Frente Atletico en de radicale supportersgroep Riazor Blues van Deportivo La Coruna. Die kost de Galicische fan ‘Jimmy’ leven kost. Als hij aan de rand van een brug hangt, wordt ie met flessen op zijn hoofd geslagen. Jimmy valt bewusteloos in een rivier. En Jan en alleman kan via talloze filmpjes van het geweld meegenieten. Zijn dood geldt als de eerste Spaanse ‘voetbalmisdaad in het digitale tijdperk’.
Met zijn focus op het hooliganisme, waarbij oudgediende José Luis Ochaita van Real Madrids omstreden Ultra Sur nog de rol van spijtoptant op zich neemt, wordt Ultras: Pasion Y Muerte bijna het tegendeel van de documentaire Ultras (2026), waarin Ragnhild Ekner juist voorbij het geweld kijkt en de rol van supportersgroepen als sociaal netwerk benadrukt. Campos komt bovendien tot de conclusie dat het einde nog lang niet in zicht is. De ongeregeldheden verplaatsen zich naar kleinere clubs en naar buiten het stadion. Rivaliserende clans spreken nu ook rustig in de bossen af.
Een hele generatie Noren is opgegroeid zonder eindtoernooi. Beter: met toernooien zonder het Noorse voetbalelftal. Sinds het Europees Kampioenschap van 2000 krijgt Noorwegen steeds de deksel op de neus tijdens de kwalificatie. De ene deceptie volgt op de andere.
Als de voetbalbond in 2020 oud-international Ståle Solbakken aanstelt als bondscoach, is er echter nieuwe hoop. Het Scandinavische elftal heeft met aanvoerder en spelverdeler Martin Ødegaard (Arsenal) en spits Erling Haaland (Manchester City) inmiddels internationale sterren in de gelederen. Toch gaat het in de kwalificatieronden voor het WK van 2022 en het EK van 2024 wéér mis. Solbakken dreigt de zak te krijgen. Hij krijgt echter nog één allerlaatste kans, om zich te plaatsen voor het wereldkampioenschap in de Verenigde Staten, Mexico en Canada van 2026.
En ditmaal slaagt de fanatieke coach wél in zijn missie. In het tweeluik Norges Vei Tilbake (internationale titel: Norway: The Dark Horse, 120 min.) reconstrueert Emil Trier de Noorse wederopstanding: hoe een elftal, dat in 2023 nog gebroken uit een verloren beslissingswedstrijd tegen Schotland is gekomen, zich weer opricht en via zeges op Italië, Moldavië, Estland en Israël een ideale uitgangspositie verwerft om het WK te bereiken. De climax daarvan, de allesbeslissende laatste wedstrijd tegen groepsfavoriet Italië, is alleen vreemd genoeg al aan het begin van de tweede aflevering geposteerd.
Als die horde is genomen – en, net als de vorige wedstrijden, met de gebruikelijke bombast en het nodige drama is uitgeserveerd – volgt de voorbereiding van het Noorse elftal op het wereldkampioenschap zelf, inclusief een oefenwedstrijd tegen het Nederlands elftal. Deze productie dreigt dan als een nachtkaars uit te gaan. Wat rest is alleen nog een kwestie die vermoedelijk vooral in Noorwegen zelf de gemoederen verhit: welke spelers halen de definitieve WK-selectie wel/niet? Is er bijvoorbeeld een plek voor Jens Petter Hauge, de sterspeler van de Champions League-revelatie Bodø/Glimt?
Net als de rest van het land verneemt de flankaanvaller het nieuws via een live-uitzending op televisie, waarin de namen van de geselecteerde spelers nog altijd omfloerst bekend worden gemaakt. Zodat het toch nog even spannend wordt.
Achter elke afzonderlijke naam hoort een uitroepteken. Carlos Alberto Parreira! (de coach die het Braziliaanse voetbalelftal in de aanloop naar het WK van 1994 door lastige tijden loodst). Dunga! (zijn onverwoestbare aanvoerder die daar de beslissende strafschop voor zijn rekening neemt). Branco! (de man die met z’n verwoestende linkerbeen dan al hoogstpersoonlijk het Nederlands elftal uit het toernooi heeft geknald). Bebeto! (de ene helft van het beste Braziliaanse spitsenduo sinds Pelé en Garrincha, die tijdens het toernooi vader wordt en al wiegend z’n doelpunten viert). En Romário! (Bebeto’s ongrijpbare aanvalsmaatje en de goaltjesdief onder de goaltjesdieven). In de Verenigde Staten maken ze hun land, na 24 lange jaren, met een zege op Italië eindelijk weer wereldkampioen.
Vrijwel de gehele Seleçao draaft ruim dertig jaar na dato ook op voor de terugblik Tetra: Acreditar De Novo (86 min.), inclusief ook Márcio Santos!, Jorginho!, Raí!, Mauro Silva!, Zinho!, Paulo Sérgio!, Viola!, Aldair! én reservekeeper Gilmar Rinaldi! Hij maakte in ‘94 achter de schermen maar liefst acht uur beeldmateriaal, dat nu als basis dient voor deze documentaire van Luis Ara. Alleen Rinaldi’s concurrent Taffarel! (de doelman die in de finale als overwinnaar uit de penaltyserie kwam) schittert ditmaal door afwezigheid. Zijn voormalige teamgenoten halen verrukt en geëmotioneerd herinneringen op aan een enerverend toernooi, dat even daarvoor extra lading heeft gekregen door het overlijden van hun teamgenoot Dener en de Braziliaanse Formule 1-legende Ayrton Senna.
Uit Rinaldi’s beelden komen smakelijke anekdotes voort, bijvoorbeeld over die ene motivatiespeech in de kleedkamer, nét voor aanvang van de WK-finale, waarin de spelers worden aangespoord om als Japanse Kawasaki-piloten voor de overwinning te gaan. Tot grote hilariteit van zijn medespelers corrigeert spits Romário de spreker direct: hij bedoelt kamikazepiloten! Zo wordt de spanning voor de belangrijkste wedstrijd van hun leven even doorbroken. Ook voormalige tegenstanders van Brazilië (de Zweed Patrik Andersson, de Amerikaan Tab Ramos, de Nederlanders Aron Winter en Ronald de Boer en de Italianen Gianluca Pagliuca, Demetrio Albertini, Alberico Evani) blikken in deze vermakelijke sportdocu terug op het toernooi dat voor hén uitloopt op een teleurstelling.
Inmiddels is het opnieuw 24 jaar geleden dat het Braziliaanse elftal wereldkampioen is geworden, tijdens het WK van 2002 in Zuid-Korea en Japan, en snakt ‘s werelds succesvolste voetballand naar een nieuwe titel – al zou het natuurlijk ook wel aardig zijn als Virgil van Dijk!, Frenkie de Jong! en Memphis Depay! over een jaar of dertig op een soortgelijke manier mogen terugkijken op hun avontuur in de Verenigde Staten, Canada en Mexico in 2026.
Bij de meeste voetbaldocu’s gaat tachtig procent over de carrière van de hoofdpersoon en slechts twintig over zijn privéleven. De Duitse aanvaller Lukas Podolski, die maar liefst 130 keer uitkwam voor ‘Die Mannschaft’, zou dat in ‘zijn’ documentaire graag omdraaien. Terwijl hij op z’n veertigste bezig is aan zijn ‘vermoedelijk laatste seizoen’ als speler van de Poolse club Górnik Zabrze, maakt de zakenman Podolski bijvoorbeeld al overuren. In een sportwinkel overlegt hij met enkele medewerkers over een ‘goodbye collection’, om zijn pensionering als voetballer ook te gelde te maken. Één van de anderen stelt een LD-tuinkabouter voor. Poldi (94 min.) twijfelt. Iedereen heeft al een tuinkabouter. ‘Klopt’, antwoordt één van de anderen. ‘Maar niet eentje die op jou lijkt.’
Daarmee is de toon gezet voor een voetbalportret dat vooral geen routineuze sportdocu mag worden. Natuurlijk komt Podolski’s loopbaan, die hem langs clubs als FC Köln, Bayern München, Arsenal, Inter Milan en Galatasaray heeft geleid, aan de orde in deze film van Nicolas Berse-Gilles, Simone Schillinger en Kai Sehr, maar, ondanks de bijdrage van Duitse kopstukken zoals Joachim Löw, Oliver Kahn, Toni Kroos, Thomas Müller en Bastian Schweinsteiger, gebeurt dit met mate. De nadruk ligt meer op de man dan op de voetballer. In 1987 verkaste die als peuter met zijn hele familie, stuk voor stuk ‘positiv verrückt’ aldus Podolski, van Polen naar Duitsland. Als kind van een migrantengezin werd ‘geen woorden maar daden’ zijn levensfilosofie. Ofwel: wer schläft verliert.
Samen met zijn vrouw, zoon, ouders, zus, tantes en oma laat hij zijn achtergrond, jeugd, gezinsleven, zakelijke carrière én voetbalbestaan de revue passeren. Dat gebeurt open, nuchter en met veel humor. Als ze zijn aanbeland bij Podolski’s periode in Londen, snijden de filmmakers bijvoorbeeld een pijnpuntje aan: ‘We hebben beelden van Arsenal die we graag zouden gebruiken. Ze vragen daar [****] euro voor.’ Poldi vertrekt geen spier. ‘Dat gaat dan ten koste van je budget’, antwoordt hij grinnikend en loopt vervolgens alle leden van de filmcrew na. ‘Als iedereen [****] lapt, dan is het voor de bakker.’ Daarna verschijnt er een tekst in beeld: ‘Het geld werd niet ingezameld. Vandaar alleen een foto.’ Van Lukas Podolski, glunderend in een Arsenal-shirt. Hij heeft vermoedelijk net gescoord.
Zo nemen Berge-Gilles, Schillinger en Podolski in deze zeer vermakelijke documentaire behalve zichzelf ook consequent de dertien-in-een-dozijn sportfilm op de hak. Waarbij ze zich, helemaal aan het eind, zelfs nog bezondigen aan een kostelijk staaltje geschiedvervalsing en de hoofdpersoon Duitsland hoogstpersoonlijk naar de wereldtitel laten schieten.
Terwijl de Spaanse toptennisser Rafael Nadal in 2024 nog eenmaal terug probeert te komen aan de top, zodat hij voor de vijftiende keer kan deelnemen aan zijn favoriete toernooi Roland Garros, blikt hij in de vierdelige serie Rafa (226 min.) van Zach Heinzerling terug op een lange carrière die hem 22 Grand Slam-titels heeft bezorgd. Als einddertiger oogt hij fragieler dan ooit. Nadal lijkt nauwelijks meer op de krijger van weleer, een Samson-achtige figuur met een ‘morgen bestaat niet’-attitude. De zweetband is gebleven, maar zijn haar is tegenwoordig een stuk korter en begint uit te dunnen. En Rafa draagt ook geen shirts zonder mouwen of ‘piratenbroeken’ meer.
Hij begon ooit met een achterstand, blijkt uit de eerste aflevering. Rafael Nadal werd al jong gediagnosticeerd met de Ziekte van Müller-Weiss. Hij is de enige topsporter met deze chronische voetaandoening, die waarschijnlijk is verergerd doordat hij al op zeer jonge leeftijd intensief begon te sporten en die hem al zijn hele loopbaan parten speelt. Een orthopedische inlegzool vermindert de pijn, maar kan die nooit helemaal weghalen. Die voeten blijven zijn achilleshiel als topsporter – al lijkt ie anno 2024 van de ene in het andere kwetsuur te belanden. Kan Nadal accepteren dat zijn topsportleven er (bijna) opzit en de rest van zijn bestaan, met vrouw en kinderen, nu echt gaat beginnen?
In deel twee van Rafa kijkt hij terug op zijn rivaliteit met de Zwitser Roger Federer, die heeft geresulteerd in talloze heroïsche tweekampen, op Wimbledon in het bijzonder, en die hen allebei naar grootse hoogten heeft opgestuwd. De laatste twee afleveringen van deze miniserie belichten respectievelijk zijn periode als nummer één van de wereld die krijgt te maken met nóg een ‘tennisgod’, Novak Djokovic, en zijn remonte aan de zijde van een nieuwe coach, z’n grote voorbeeld Carlos Moya. Intussen blijft hij in zijn laatste tennisjaar verwoede pogingen doen om waardig afscheid te nemen en nog eenmaal te schitteren op Roland Garros, het graveltoernooi dat hij veertien (!) maal won.
Met impressies van zijn grootste finales, fraaie jeugdfilmpjes en kwetsbare achter de schermen-scènes van z’n comeback, ondersteund door gesprekken met de tenniscrack zelf en zijn persoonlijke en professionele entourage, toont Heinzerling de achterkant van een groot kampioen, die ook maar een gewoon mens blijkt te zijn. Met z’n eigen twijfels en angsten, zorg over het gewoeker met zijn gezondheid en een permanent ongemak rond roem. Een man van grootse daden, maar zeker niet van grote woorden. En toch behept – of daarmee opgezadeld door de bikkelharde coach die hem van jongs af aan begeleidde, zijn eigen oom Toni – met de onstuitbare drang om te (blijven) winnen.
Een man die doorgaat tot het écht niet meer gaat. Ook daarom is deze impressie van het laatste jaar van zijn tenniscarrière interessanter dan het afscheid van zijn grote rivaal (en dierbare vriend) Roger Federer, dat is vervat in de tamelijk beperkte en bleke film Federer: Twelve Final Days (2024). Die match heeft Rafael Nadal tot nader order – het definitieve Federer portret volgt vast nog – in elk geval gewonnen.
Sinds het wereldkampioenschap voetbal van 2026 acht jaar geleden is toegewezen aan de Verenigde Staten, Canada en Mexico, is het doel van het Amerikaanse team duidelijk: de wereldcup pakken in eigen land. Ofwel: U.S. Against The World: Four Years With The Men’s National Soccer Team (302 min.), een beetje zoals het ook al een tijdje buiten het voetbalstadion gaat. En president Donald Trump is natuurlijk ook de eerste die de overwinning zal claimen als het daadwerkelijk zover komt.
Halverwege het project, bij het WK van 2022 in Qatar, komt Team USA in elk geval niet verder dan de achtste finale, waarin niemand minder/meer dan het Nederlands elftal van Louis van Gaal te sterk blijkt. Dat toernooi wordt afgewikkeld in de eerste aflevering van deze gelikte vijfdelige serie van Rand Getlin en Janina Pelayo. In de navolgende jaren en afleveringen neemt de zelfverklaarde ‘Golden Generation’ nog aan diverse andere, altijd weer héél belangrijke toernooien deel en dreigt hun missie serieuze averij op te lopen.
Als de Amerikanen in 2024 bijvoorbeeld deelnemen aan de Copa América, eveneens in eigen land, komt bondscoach Gregg Berhalter door tegenvallende resultaten onder enorme druk te staan. Want ook in Amerika ziet de scheidsrechter het soms helemaal verkeerd en staan er stuurlui aan de wal die het écht beter weten. Een leiderschapswissel blijkt onvermijdelijk. De no-nonsense trainer wordt opgevolgd door de Argentijnse toptrainer Mauricio Pochettino. Maar of de resultaten daarvan beter worden?
Getlin en Pelayo maken van elke afzonderlijke match (Uruguay! Panama! Guatemala!) een enerverende samenvatting en laten tussendoor miniportretjes van enkele spelers en hun gezinnen zien. Veteraan Tim Ream bijvoorbeeld, die na bijna tien jaar in de Britse Premier League, hoopt dat hij toch weer mee mag naar het WK. Linksback Antonee Robinson, die daaraan, vanwege een aanhoudende blessure, inmiddels flink twijfelt. En alle spelers die, door geboorteplek of familiebanden, eigenlijk ‘toevallig’ Amerikaan zijn.
De Nederlandse Amerikaan Sergino Dest en de Duitse Amerikaan Malik Tillman worden er nog uitgelicht in de slotaflevering van deze vermakelijke miniserie. Dit geldt helaas niet voor die andere PSV’er, de Mexicaanse Amerikaan Ricardo Pepi. Zij zijn stuk voor stuk onderdeel van een sportploeg, met een opmerkelijk emotionele coach, die gedurende de jaren heel wat teleurstellingen moet slikken om uiteindelijk uit te kunnen komen bij het beoogde einddoel: die wereldtitel in eigen land.
Tijdens het wereldkampioenschap van 2010 in Zuid-Afrika barst de bom die al enkele jaren onder het Franse voetbalelftal ligt: nadat spits Nicolas Anelka uit de selectie wordt verwijderd, weigeren de andere spelers om te trainen. Zo escaleert een kwestie waarover in eigen land dan al kranten worden volgeschreven. Uiteindelijk druipt Frankrijk na de eerste ronde met de staart tussen de benen af. En de spelers krijgen de zwarte piet toebedeeld. De kwestie ligt echter een stuk genuanceerder, blijkt uit de fascinerende reconstructie Le Bus: Les Bleus En Grève (81 min.).
‘Deze leugen duurt al vijftien jaar’, zegt voormalig aanvoerder Patrice Évra. ‘Ik nam mijn verantwoordelijkheid en ik wil dat Raymond Domenech, de bondscoach, dat ook doet.’ En die blijkt inderdaad bereid tot een interview. Domenech heeft bovendien al die jaren een dagboek bijgehouden, dat de filmmakers Jérôme Fritel en Christophe Astruc nu in z’n geheel mogen inzien. En daarin maakt hij van zijn hart geen moordkuil. ‘Ik zag Pat Évra’, schrijft de geplaagde coach, die zijn eigen spelers soms als ‘klootzakken’ of ‘idioten’ omschrijft. ‘Hij kan maar beter zwijgen…’
Nauwgezet ontleden Fritel en Astruc met verder ook de spelers William Gallas en Bacary Sagna, Domenechs ex-partner Estelle Denis, perschef François Manardo, conditietrainer Robert Duverne en minister van Sport Roselyne Bachelot hoe de situatie rond het elftal, dat met kanonnen als Henry, Anelka en Ribéry een serieuze kanshebber voor de wereldtitel leek, steeds verder escaleert. De bom barst definitief na een aanvaring tussen Domenech en Anelka, tijdens de rust van de wedstrijd tegen Mexico. ‘Rot op, vuile klootzak!’ kopt de sportkrant L’Équipe.
Het is de vraag of Nicolas Anelka, die dan al de reputatie heeft van een enfant terrible, deze woorden ooit zo heeft uitgesproken. Zelfs Raymond Domenech kan zich dat niet herinneren. Feit is wel dat dit beeld zich zet in de media – en dat iemand binnen de groep deze informatie dus moet hebben gelekt naar een journalist. Al snel wordt het Franse team opgeslokt door een bijzonder onguur spelletje Wie Is de Mol?. Bij de buitenwacht domineert intussen het beeld van een stelletje verwende vedetten, dat nergens meer voor is te motiveren, zelfs niet voor een wereldtitel.
Als de spelers hun positie proberen te verduidelijken met een persverklaring, in de hoop de crisis te kunnen bezweren en het WK enigszins te redden, weigert perschef Manardo die echter voor te lezen. Daarna stapt de bondscoach zelf naar voren. ‘Ik dacht als eerste: ze hebben dit niet geschreven’, herinnert Raymond Domenech zich, met kenmerkend dedain. ‘Er staan geen spelfouten in.’ Terwijl het team op zijn bevel wacht in de spelersbus, leest hij de boodschap, die haaks staat op zijn eigen positie, echter met een stalen gezicht voor en is zijn ploeg reddeloos verloren.
Het tekent het dwarse karakter van de onorthodoxe coach, die dan al een tijd op voet van oorlog leeft met de Franse pers en die ook een flinke rol lijkt te hebben gehad in het ontstaan en ontsporen van het conflict. Domenech komt zo frontaal in botsing met de speler die hij zelf heeft laten debuteren bij Les Bleus en vervolgens tot aanvoerder heeft gebombardeerd, Patrice Évra. Als haantjes staan ze tegenover elkaar, in een gevecht waarbij zowel reputaties als de nationale trots sneuvelen.
‘Als ik sterf, film het’, zegt Dean Potter voordat hij de rotswand ‘Heaven’ in het Yosemite Park in de Amerikaanse staat Utah gaat beklimmen. Wanneer The Dark Wizard (236 min.) valt, dondert hij honderden meters naar beneden. Want Potter klimt ‘free solo’, zonder enige vorm van zekering, en zoekt steeds zijn eigen grenzen op. Één fout betekent de dood. ‘Volg me tot op de grond, film het’, instrueert hij zijn vriend Brad Lynch. Die moet er zo’n twintig jaar later nog altijd niet aan denken. ‘Als hij daar valt, ga ik dat niet filmen.’
Het is een cruciaal moment in Potters ontwikkeling en deze vierdelige serie die aan hem is gewijd. Direct daarna, aan het einde van de eerste aflevering, loopt zijn relatie met topklimster Steph Davis op de klippen en heeft hij écht niets meer te verlezen. Graham Potter begint steeds nadrukkelijker met de dood te spotten. En hij beperkt zich niet alleen tot klimmen. De Amerikaanse waaghals houdt zich ook onledig met skydiven, basejumpen én slacklinen, het lopen over een zelf gespannen lijn tussen twee bergen, natuurlijk ook zonder deugdelijke zekering. Dat kan niet goed aflopen.
Als Potter wordt geconfronteerd met een jongere en getalenteerdere rivaal, Alex Honnold (de onverstoorbare hoofdpersoon van de Oscar-winnende documentaire Free Solo), ziet hij zich genoodzaakt om zijn eigen grenzen steeds verder te verleggen. Deze miniserie van Peter Mortimer, Nick Rosen en Josh Lowell documenteert dat proces: met elk record dat hij verliest en elke bokkensprong die ie vervolgens maakt – ‘free basen’ bijvoorbeeld, een combinatie van free solo-klimmen en basejumpen – raakt hij zichzelf verder kwijt. En ook zijn beste vrienden beginnen gaandeweg af te haken.
Uit zijn dagboek, verlevendigd met elementaire illustraties (die voor dit portret tot leven worden gewekt), komt een man naar voren, die letterlijk de hoogste toppen beklimt en door de diepste dalen moet. Volgens zijn oudere zus Elizabeth had Dean van hun ouders, die in een pijnlijke scheiding verzeild waren geraakt, een ‘sad gene’ geërfd. Hij was, zoals één van z’n vrienden ‘t uitdrukt, zowel gezegend als vervloekt. Te midden van alle adembenemende beelden – want elke zelfoverwinning, recordpoging en verplaswedstrijd is natuurlijk gefilmd – openbaart zich een labiele man.
Die emotionele onderlaag kan The Dark Wizard soms ook goed gebruiken, want vier uur springen, balanceren en vliegen (met een wingsuit – en soms ook een hond in wingsuit) wordt toch al snel méér van hetzelfde. Dean Potter lijkt bezig aan een desperate vlucht voor zichzelf. Als een menselijke raaf, de onheilspellende zwarte vogel waarmee Potter zich is gaan identificeren. Die wordt door het filmmakende drietal ook optimaal uitgenut in deze typisch Amerikaanse productie, waarin de alfaman/paria/antiheld uiteindelijk, met ware doodsverachting, afstevent op een ‘glorieus’ slotakkoord.
Sport is oorlog voor de Sovjets. Tijdens ijshockeywedstrijden wordt dus de Red Army (84 min.) ingezet. Het nationale team van de Sovjet-Unie moet de suprematie van het communistische ideaal uitdragen en regelmatig een tik aan het vrije westen uitdelen in de Koude Oorlog.
In de jaren tachtig is vooral eerherstel nodig. Bij de Olympische Spelen van Lake Placid is ‘Het Rode Leger’ onverwacht verslagen door de Verenigde Staten, een overwinning die de Amerikaanse geschiedenis zal ingaan als ‘the miracle on ice’ en die onlangs nog is gereconstrueerd in de documentaire Miracle: The Boys Of ‘80 (2026). In de Sovjet Unie wordt de pijnlijke nederlaag beschouwd als niets minder dan een vernedering.
Aan het vernieuwde Sovjet-team, opgebouwd rond hockeyers die samen ‘De Russische Vijf’ worden genoemd, de taak om wraak te nemen. Dat moet gebeuren onder leiding van de bikkelharde coach Viktor Tikhonov, een man die intens wordt gehaat door zijn eigen team. ‘Als ik ooit een harttransplantatie nodig heb, wil ik het hart van Tikhonov’, zou één van zijn spelers ooit hebben gezegd. ‘Want hij heeft het nog nooit gebruikt.’
Dat wordt in deze boeiende film van Gabe Polsky uit 2014 nog eens benadrukt, als de hoofdpersoon daarvan, Tikhonovs sterspeler Slava Fetisov, in de Amerikaanse National Hockey League wil gaan spelen. Fetisov weigert om het leeuwendeel van zijn salaris af te staan aan de staat, roept daarmee heel wat ellende over zich af en krijgt dan van zijn coach en sommige teamgenoten zeker niet de rugdekking waarop hij hoopt.
Polsky omlijst alle verwikkelingen op, naast en boven het ijs met een zwierige Russische soundtrack, houdt het tempo er flink in en beschikt met de soms lekker dwarse Fetisov over een fijn centraal personage. Hij belichaamt de ontwikkeling die zijn land in die laatste jaren van de Koude Oorlog doormaakt. Na de ontmanteling van de Sovjet-Unie zal ook hij bovendien een opmerkelijke remonte maken in Vladimir Poetins Rusland.
Red Army wordt daarmee méér dan zomaar een sportfilm, over een superteam dat de ene prijs op de andere stapelt. De documentaire dringt door tot het wezen van de Sovjet-Unie, waar de staat almachtig is en gewone burgers volstrekt ondergeschikt zijn, en laat ook zien hoe dat maatschappijmodel steeds verder onder druk komt te staan en daaronder bezwijkt. Waarna het aloude patriotisme al snel toch weer opgeld doet.
‘Wie was die vent nu echt?’ formuleert Hulk Hogan (1953-2025) zelf bij de start alvast de centrale vraag voor deze vierdelige serie van Bryan Storkel, terwijl de gitaarriff van AC/DC’s banger It’s A Long Way To The Top de titelsequentie aankondigt. Hij realiseert zich terdege dat daarin zijn grote successen als showworstelkampioen aan de orde komen, alsmede de vele scheve schaatsen die hij ondertussen ook nog heeft gereden. Want Terry Bollea, Hulks echte naam, is bepaald geen onbeschreven blad.
Van de cartooneske Amerikaanse viking, de grootste ster die de WWE (World Wrestling Entertainment) ooit heeft voortgebracht, is dan, begin 2025, al niet meer héél véél over. Een versleten man die de schijn probeert op te houden en nog eenmaal zijn verhaal doet in Hulk Hogan: Real American (224 min.). De boomlange, helblonde en zonnebankbruine blaaskaak met de druipsnor, het opengescheurde shirt, de theatraal opengesperde ogen en een bandana of zweetband in felle kleuren laat soms zowaar even de man achter het metershoge imago zien.
Hogan breekt definitief door bij de eerste editie van Wrestlemania in 1985, bezocht door sterren als Muhammad Ali, Liberace en Andy Warhol. Als dit evenement een doorslaand succes wordt, is zijn kostje gekocht. Bollea belichaamt alles wat Ronald Reagans Amerika wil zijn en wordt zijn eigen hype: Hulkamania. Tegelijkertijd zal hij ook vastlopen in zijn eigen mythe: voor Terry Bollea is nauwelijks meer ruimte in het woelige leven van Hulk Hogan. Al snel springt er ook een New Yorkse ondernemer op de trein, die nu graag meewerkt aan deze serie, ene Donald J. Trump.
De president van de Verenigde Staten, de showworstelaar onder de Amerikaanse politici, komt volgens eigen zeggen recht uit een belangrijke Rusland-vergadering. Dit is natuurlijk belangrijker. Verder komen in deze miniserie Hulks (herstel: Terrys) eerste vrouw Linda, zijn zoon Nick en concullega’s zoals Jesse ‘The Body’ Ventura, Bret ‘Hitman’ Hart en Jake ‘The Snake’ Roberts aan het woord over de vleesgeworden actiefiguur. Zelf constateert ie halverwege dat Hulkamania inmiddels een vergelijkbare status heeft als Het Wilde Westen en de Tweede Wereldoorlog..
Natuurlijk is er in Real American ook aandacht voor zijn (leugens over) anabole steroïdegebruik, Heintje Davids-complex, relatieproblemen, realityshow, sekstape en al die groter-dan-grote Wrestlemania-tweekampen met een nieuwe, (on)verslaanbare tegenstander. Zelfs filmmaker en worstelfan Werner Herzog draaft nog even op om de vraag op te werpen of het personage Hulk Hogan ook het privéleven beheerst van de man, waarvan hij de echte naam liever niet wil weten. ‘Houd die maar geheim’, zegt Herzog samenzweerderig bij de start van de laatste aflevering.
Daarin werkt Storkel, met name via gevechten die zijn held buiten de ring moet leveren, toe naar de laatste ronde van Hulk Hogans leven, waaruit hij ruim vier uur grotesk vermaak heeft gepeurd. Gespeend van elke vorm van diepgang of subtiliteit, dat wel.