Azart Come Make Art

Marja de Vries / Amstelfilm

Van een vissersboot maakt hij een varend theater, dat ruim dertig jaar de wereld rond zeilt. Sinds 1989 vaart de Azart, het ‘Ship Of Fools’ van de Nederlandse avonturier August Dirks, vanuit Amsterdam de wereld rond. Iedereen is welkom aan boord bij dit narrenschip. Come make art! zegt de kapitein en artistiek leider van het internationale, steeds van samenstelling wisselende collectief van acteurs, muzikanten, theatermakers, komieken en kunstenaars enthousiast.

Dirks is ook alomtegenwoordig in de documentaire Azart Come Make Art (83 min.) van Masha Novikova, die in de jaren tachtig zelf een tijd op de zottenschuit woonde, en Annike Kaljouw, die het schip sinds 2017 volgt met haar camera. Hij krijgt van hen alle ruimte om in zijn eigen ronkende taal, koeterwaals soms, kond te doen van zijn geesteskind, dat de wilde wateren bevaart en in elke uithoek van de wereld aanmeert om daar ongegeneerd theater en lol te gaan maken.

Dat gaat bepaald niet altijd vanzelf. De geschiedenis van de Azart lijkt in deze joyeuze film soms ook op een feest van de gemiste kansen, met allerlei reizen en bestemmingen die ergens onderweg verdampen. Want Dirks’ Villa Kakelbont op zee hangt van de houwtje-touwtje oplossingen aan elkaar. En van binnen de lijntjes kleuren wil de kapitein doorgaans ook niet weten. Hij ligt dus nogal eens overhoop met pennenlikkers, die het ‘artistieke kapitaal’ van de Azart niet altijd op waarde schatten.

Via de historie van het schip en de perikelen aan de kade, verlevendigd met stop motion-animaties, benadrukken Novikova en Kaljouw en passant ook het belang van culturele broedplaatsen, waar kunstenaars de ruimte krijgen om te experimenteren, te falen én te groeien. Als culturele piraten hebben de kleurrijke bemanningsleden van de Azart, geïnspireerd door het schilderij Het Narrenschip van Jheronimus Bosch, bovendien werkelijk in alle windstreken drukte en jolijt gebracht.

Inmiddels wordt Dirks zelf, door fysieke malheur, gedwongen om pas op de plaats te maken. Voordat hij ‘voor onbepaalde tijd op wereldtournee vertrekt’ dient er in deze bruisende weerslag van de filosofie dat elke dag een feest zou kunnen/moeten worden dus een (voorlopige) eindbestemming gevonden te worden voor het schip dat hij met zoveel joie de vivre heeft aangestuurd en dat hem nog altijd levensadem geeft.

Kho Liang Ie – Ontwerper Van Zijn Tijd

Lex Reitsma / AVROTROS

Op het getuigschrift dat Kho Liang Ie (1927-1975) op 6 juli 1954 kreeg uitgereikt van het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs te Amsterdam, de latere Rietveldacademie, staat dat hij het eindexamen ‘binnenhuiskunst’ met goed gevolg heeft afgelegd. Zijn zoon Eng Tie Kho is er ruim zeventig jaar later nog altijd verguld mee. Kunst. Géén architectuur. ‘Ik denk dat hij juist een kunstenaar was, in wie hij was.’

De man die zou uitgroeien tot een toonaangevende industrieel ontwerper en interieurarchitect was in 1949 van Jakarta naar Nederland gekomen, volgens zijn dochter Mira met het idee dat hij snel zou terugkeren naar huis en dan een Chinese vrouw ging trouwen. Na zijn afstuderen werd hij echter al snel benaderd door Artifort uit Maastricht, de start van een bloeiende carrière als architect die uiteindelijk alleen slechts een jaar of twintig zou duren. Op 47-jarige leeftijd overleed Kho Liang Li, de designer van talloze meubels, interieurs en kantoortuinen, waaronder het interieur van het stationsgebouw van Schiphol.

Ruim vijftig jaar later is Kho Liang Ie – Ontwerper Van Zijn Tijd (52 min.) in de vergetelheid geraakt en beijvert met name zijn zoon Eng Bo zich voor een overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum te Amsterdam, de plek waar zijn vader bij leven en welzijn al eens exposeerde. Regisseur Lex Reitsma (Het Oog Dat Voelt: De Portretten Van Koos Breukel / Rietveldhuizen: Een Meubel Om In Te Wonen) volgt Ie’s kinderen tijdens de samenstelling van dit retrospectief en zoomt intussen, samen met collega’s en kunsthistoricus Ineke van Ginneke, in op de carrière en het levenswerk van de begenadigde ontwerper.

Hij behandelt diens ontwerpen ook daadwerkelijk als kunstwerken, zorgvuldig uitgestald en gestileerd vereeuwigd, die op geen enkele manier zijn te vergelijken met zielloze gebruiksvoorwerpen en die bovendien de tand des tijds doorgaans glansrijk hebben doorstaan. Zo wordt dit postume portret, in combinatie met de expositie die op dit moment in het Stedelijk Museum is te zien, een waardig eerbetoon aan leven en werk van Kho Liang Ie.

The Oligarch & The Art Dealer

VPRO / vanaf woensdag 3 juni, om 20.25 uur, op NPO2

Het zou echt een wonder zijn als we het schilderij Wasserschlangen II van Gustav Klimt voor 180 miljoen dollar kunnen krijgen, houdt kunsthandelaar Yves Bouvier zijn vaste cliënt Dmitry Rybolovlev voor. Dit is een kans uit duizenden! Bouvier heeft gezien hoe de ogen van de Russische oligarch begonnen te glinsteren toen hij het kunstwerk voor het eerst zag. En de man heeft hele diepe zakken.

Uiteindelijk weet de Zwitserse dealer de koop te sluiten. Voor 183 miljoen. Goede deal, niet? Hij wordt er zelf ook niet slechter van: bij elke aankoop krijgt hij twee procent commissie. En ‘Rybo’ heeft er geen idee van dat hij de Klimt in werkelijkheid voor slechts 126 miljoen heeft aangekocht via het bekende veilinghuis Sotheby’s. In stilte verdwijnt er dus nog eens 57 miljoen in Bouviers zak. Dat smaakt dus naar meer.

Welkom in de schimmige wereld van The Oligarch & The Art Dealer (175 min.), waar kunsthandel, dubieus geld en oplichting hand in hand gaan en Bouvier en Rybolovlev inmiddels recht tegenover elkaar staan. De mediaschuwe Rus laat zich in deze driedelige serie van Andreas Dalsgaard vertegenwoordigen door advocaten en vertrouwelingen, terwijl zijn opponent zelf pontificaal voor de camera gaat zitten.

‘Mijn hele wereld is in elkaar gedonderd’, vertelt Bouvier, die schathemelrijk is geworden van zijn werk ‘voor’ de Russische zakenman, die officieel laat optekenen dat hij geen ‘oligarch’ genoemd wil worden. ‘Zowel mijn professionele als persoonlijke leven. Dat wil ik hem betaald zetten. Ik wil hem op z’n gezicht slaan en bestraffen. Hij is degene die naar de gevangenis of de goelag moet worden gestuurd. Niet ik.’

Via de twee opponenten krijgt Dalsgaard een inkijkje bij de zogeheten ‘freeports’, verborgen vrijhandelszones voor kunst waar handige jongens zoals Yves Bouvier kunnen floreren. Moneyland, noemt journalist Oliver Bullough deze plekken. Geld kan er al naar believen verdwijnen en weer opduiken. Het zijn oorden waar de superrijken ongestoord hun gang kunnen gaan en dus ook, zonder al te veel kennis, investeren in kunst.

Belangrijke werken verdwijnen zo in de zeer exclusieve privécollecties van de allerrijksten. Die worden op hun beurt getild door tussenpersonen zoals Bouvier, die met hun zogenaamde kennersoog (‘absoluut meesterwerk’) eerst kunstmatig de prijs opdrijven en er dan zelf een slaatje uit slaan. En het gereputeerde veilinghuis Sotheby’s, met kilo’s boter op het hoofd, faciliteert zulke praktijken heel discreet.

The Oligarch & The Art Dealer ontleedt het fascinerende conflict tussen de twee voormalige partners, dat in ‘s werelds rechtbanken en media wordt uitgevochten, tot in detail en daarmee ook de schimmige wereld waarbinnen zich dit afspeelt. Het duurt alleen even voordat ook de machinaties van de Russische miljardair onder het vergrootglas worden gelegd. Ook die lijken uiteindelijk slechts ‘business as usual’.

Intussen probeert Yves Bouvier, die een paria is geworden in z’n natuurlijke habitat, nog altijd de indruk te wekken dat hij niet meer dan een handige handelaar was.

Ai Weiwei’s Turandot

Incipit Film / La Monte Productions

Hij is bepaald geen voor de hand liggende keuze als regisseur voor Turandot. En ook voor Ai Weiwei is ‘t in het voorjaar van 2020 een flinke stap om zich over een opera van Giacomo Puccini te ontfermen. Hij heeft er eigenlijk niets mee. En dat is waarschijnlijk precies de reden dat de tegendraadse Chinese kunstenaar de klus toch heeft aanvaard. Los daarvan had hij ruim dertig jaar geleden al eens een rolletje als figurant in de opera. En toen kreeg hij ook te maken met Chiang Ching, die nu als choreografe fungeert voor zijn uitvoering van Puccini’s laatste opera voor het Teatro Dell’Opera in Rome.

Ai Weiwei’s Turandot (77 min.) wordt dus een héél andere opera. Politiek geladen, dat staat vast. Want voor Ai Weiwei is kunst altijd politiek. Turandot gaat in zijn optiek over vluchtelingen. Zoals hij zelf is, als dappere en onvermoeibare strijder tegen de Chinese dictatuur die tegenwoordig noodgedwongen vanuit het westen opereert. Turandot representeert de autocratie waartegen hij zelf te hoop – en bijna stuk – is gelopen en is zo bezien dus ook een persoonlijk project. ‘Het is geen simpele opera. Het gaat om ons begrip en onze individuele interpretatie van hoe onze wereld zou moeten zijn.’

Het is een bijzondere tijd voor kunstenaars zoals wij, houdt hij de cast en crew voor. Met deze opera kunnen ze een rol spelen in het verdedigen van de vrede en menselijkheid. De Chinese kunstenaar, die tijdens z’n leven regelmatig als vleesgeworden opgestoken middelvinger heeft geacteerd, lardeert zijn versie van Turandot dus met paraplu’s als schild tegen de oproerpolitie, Michael Jackson-achtige moonwalks en geladen nieuwsbeelden uit de wereld van nu. Documentairemaker Maxim Derevianko registreert dit maakproces en doorsnijdt ‘t met impressies van zijn roerige kunstenaarsbestaan.

En dan – het is tenslotte 2020, het jaar van de pandemie – gooit het Coronavirus, halverwege de film, roet in het eten en bevriest de ontwikkeling van Weiweis interpretatie van Turandot. En wanneer de productie in 2022 wordt hervat, valt Rusland, tot grote ontzetting van een aantal medewerkers aan de groots opgezette productie, buurland Oekraïne binnen.

Het Nieuwe Rijksmuseum

Column Film / Cinema Delicatessen

Trefzeker schildert Oeke Hoogendijk in deze vierdelige documentaireserie uit 2013 als een moderne Hollandse meester de eindeloze verbouwing van Het Rijksmuseum in Amsterdam, die in 2003 van start is gegaan en daarna alsmaar averij heeft opgelopen. Tien jaar lang bevindt het museum zich in transitie en wordt er over van alles en nog wat gebakkeleid: binnen het museum zelf en met de Fietsersbond, de Rijksgebouwendienst en de ingehuurde architecten uit Sevilla en Parijs.

Hoogendijk werkt in deze vierdelige serie, oorspronkelijk in twee delen uitgebracht in respectievelijk 2008 en 2013 en later ook nog vervat in een speciaal voor de bioscoop gemaakte film, voortdurend met contrast en synergie. Met een verduiveld slimme parallelmontage, waardoor verhaallijnen samenvloeien of op elkaar botsen, smeedt ze een meeslepend epos, waarin eindeloos gedoe over de restauratie van het museumgebouw, gesymboliseerd door een hoogoplopende publieke ruzie over de onderdoorgang en fietserstunnel, wordt gepaard aan datgene wat alle medewerkers van het museum bindt: hun uitputtende kennis van en pure liefde voor kunst. Elk (gerestaureerd) kunstwerk, elke (mogelijke) nieuwe aankoop en, ja ook, elk twistgesprek is doordesemd van pure passie voor het museum en z’n collectie.

Het Nieuwe Rijksmuseum (217 min.) heeft ook zijn eigen ‘helden’ voortgebracht: de degelijke hoofddirecteur Ronald de Leeuw, bijvoorbeeld, die had gehoopt het nieuwe Rijksmuseum op te kunnen leveren voor zijn pensioen. Diens flamboyante opvolger Wim Pijbes, die altijd wel een steen in zijn achterzak lijkt te hebben, om in de vijver te gooien. En de purist Taco Dibbits, die eerst als hoofd conservator 17e eeuw en later als directeur collecties openlijk warm loopt voor de topfunctie (en die in 2016 ook daadwerkelijk hoofddirecteur zal worden). Pijbes claimt later als directeur van een nieuw migratiemuseum ook een prominente rol in The Road To Fenix, terwijl Dibbits vanuit Het Rijksmuseum nog in diverse documentaires (Mijn Rembrandt, Nieuw Licht: Het Rijksmuseum En De Slavernij en De Vereniging Rembrandt) zal figureren.

Behalve deze kopstukken stelen ook talloze stille krachten van Het Rijksmuseum op hun eigen manier de show. De kakkineuze hoofdconservator 18e eeuw Reinier Baarsen bijvoorbeeld, onvermoeibaar druk met het inrichten van zijn ideale ruimte. Huismeester Leo van Gerven, een noeste werker die dagelijks waakt over het gebouw en met een buks jaagt op duiven. En het zachtmoedige hoofd van het Aziatische Paviljoen Menno Fitski, wiens ogen beginnen te glinsteren bij alles wat met de aankoop van twee levensgrote beelden van Japanse tempelwachters heeft te maken. Het zijn boeiende karakters binnen een wereld die, met behulp ook van een kleurrijke klassieke soundtrack, nog niet eerder zo meeslepend in beeld is gebracht. En als alles is overwonnen en uitgevochten, volgt een aangrijpende apotheose: de officiële opening van Het Nieuwe Rijksmuseum.

Jean-Paul Goude: Breaking The Frame

AVROTROS

De man en zijn kunst zijn niet veranderd, betoogt de centrale verteller bij de start van Jean-Paul Goude: Breaking The Frame (52 min.). Maar de wereld wel.

Het werk van de Franse illustrator, regisseur, fotograaf, beeldhouwer, modeontwerper, reclamemaker en designer, zo lijkt de implicatie, moet dus vooral in z’n context worden gezien. In Goudes werk is een permanente fascinatie voor het menselijk lichaam, liefst van kleur, terug te zien. En bij zijn pogingen om barricaden tussen verschillende culturen te halen heeft hij zich regelmatig – andere tijd! – verlaten op exotische stereotypen. Daarmee is hij ook opgegroeid. Sla er Kuifje in Afrika bijvoorbeeld maar eens op na. Is een koloniale blik, ondanks al zijn goede bedoelingen, dan niet logisch?

In de jaren zeventig verwerft Jean-Paul Goude, laat Michel Guerrin zien in dit gedegen portret, de bijnaam ‘The French Correction’: met alle mogelijke middelen probeert hij – in het pre-Photoshop tijdperk, als ook plastische chirurgie nog niet wijdverbreid is – met slimme trucs en aanpassingen het uiterlijk van zijn modellen te verbeteren. Deze missie vervolmaakt hij met de supermodellen Radiah Frye, Farida Khelfa en Grace Jones (voor wie hij bijvoorbeeld haar kenmerkende kubistische kapsel bedacht). Goude maakt talloze iconische beelden van/met deze kleurrijke vrouwen.

Met hedendaagse ogen bekeken kunnen sommige Goude-creaties, constateren nieuwe generaties vrouwen, ook in deze film, helemaal niet door de beugel. Dit verrast Farida Khelfa. Zij heeft zich als model altijd laten voorstaan op haar Arabische roots. ‘Ik ben verbaasd dat mensen het niet gewoon als kunst kunnen zien.’ Jean-Paul Goude vindt de ophef rond sommige beelden die hij heeft gecreëerd zelfs ‘pure hypocrisie’. Bits: ‘Ze zien tegenwoordig overal racisme in.’ Tegelijkertijd zou hij sommige beelden, van een vrijwel naakte Grace Jones in een kooi bijvoorbeeld, liever niet hebben gemaakt.

Goude heeft nooit een statement willen maken, stelt hij met de wijsheid van nu. Hij is vooral op zoek geweest naar schoonheid.

Tina In Sexbierum

VPRO

Haar vrienden voorspellen dat ze binnen de kortste keren terug komt naar Amsterdam. Met hangende pootjes, natuurlijk. Want wat heeft zij als Iraanse kunstenares nu te zoeken in – ongemakkelijke stilte, nauwelijks onderdrukte lach of misprijzende blik – een dorp in Friesland? Tina Farifteh (Kitten Of Vluchteling?) gaat het desondanks proberen in het verre Noorden, waar ook nog Nederlanders schijnen te wonen.

In Sexbierum sluit ze vriendschap met de aimabele aardappelboer Auke. Zijn hele familie, inclusief zijn vrouw, ligt begraven in het Friese dorp. En Auke, inmiddels al even in de tachtig, straks ook. ‘Ik wil hier ook koste wat het kost niet vandaan’, zegt hij stellig. Zij krijgen hem echt met nog geen honderd paarden Sexbierum uit. ‘Zelfs jij niet.’ Auke is weleens in Amsterdam geweest, vertelt hij lachend, maar dan wil ie meestal al snel weer terug naar huis. ‘Dan begonnen we halverwege de Afsluitdijk het Friese volkslied weer te zingen.’

Die dijk is Tina, op zoek naar een betaalbare woning, nu ook overgestoken. In Amsterdam heeft ze zich nooit ‘de ander’ gevoeld. Lukt het haar in Sexbierum ook om onderdeel te worden van de ‘Mienskip’, de plaatselijke gemeenschap? Dat lijkt tevens de centrale vraag van de driedelige serie Tina In Sexbierum (95 min.). Kan zij zich als ontwortelde vrouw thuis voelen in de provincie – en buiten haar eigen bubbel? Samen met de plaatselijke bevolking, enkele ‘Hollanders’ en andere import tast Farifteh de grenzen af.

Is het Sinterklaasfeest in Sexbierum bijvoorbeeld een beetje met z’n tijd meegegaan? En in hoeverre is integratie in het Friese dorp werkelijk een proces dat van beide kanten komt? Wat valt er op dat gebied te leren van de fanfare, die is samengegaan met twee andere verenigingen? Naarmate de miniserie vordert, krijgt die ook meer scherpe randjes – niet in het minst omdat de situatie in Fariftehs geboorteland Iran steeds verder ontspoort en zij zich daardoor nog eens extra realiseert waar ze vandaan komt en waar ze nu is beland.

Ver van Teheran verlangt ‘Onze Vrouw in Friesland’ naar een thuisgevoel, waarin al wat zij is op een vanzelfsprekende manier samenkomt. Ze drukt die behoefte uit in een theatrale apotheose, de zorgvuldig gechoreografeerde ontmoeting tussen haar twee werelden waarmee Tina in Sexbierum, onderdeel van een gelijknamig transmediaal project, wordt afgerond. Die voelt enigszins als een Fremdkörper, niet in het minst omdat de held van deze fijne serie, haar steun en toeverlaat Auke, dan even ontbreekt.

Verweesd Eigendom

The Film Kitchen / Max

Ruim tachtig jaar later zijn ruim drieduizend objecten, persoonlijke bezittingen die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s werden geroofd van Joodse families en kunsthandelaren, nog altijd verweesd.

Tegenwoordig zijn de schilderijen, kasten, tapijten en andere spullen in bewaring bij de Nederlandse staat. Een groot deel bevindt zich in het depot van het Collectiecentrum Nederland te Amersfoort. Researchers gaan vier jaar lang onderzoek doen om deze ‘verweesde objecten’ te koppelen aan nabestaanden van de oorspronkelijke eigenaren, die de Tweede Wereldoorlog doorgaans niet hebben overleefd.

In de geserreerde documentaire Verweesd Eigendom (50 min.) volgen Piet de Blaauw en Frénk van der Linden dit proces aan de hand van twee concrete voorbeelden. De casus Van Son bijvoorbeeld. Als de Joodse familie uit Hilversum in 1940 met de boot naar Engeland is vertrokken, trekt een NSB’er in hun huis. Na de oorlog blijkt het meubilair en de kunstverzameling te zijn verdwenen.

Het schilderij Lezende Vrouw van de kunstenaar Jan Sluijters uit 1911 is bijvoorbeeld weg. Enkele jaren later duikt het werk ineens op bij de Biënnale in Venetië, waarna het wordt aangekocht door Het Van Abbemuseum in Eindhoven. Namens de jongste zoon Mischa van Son, wiens gezondheid inmiddels erg broos is, probeert familievriend André Broers het schilderij nu terug te krijgen.

De zussen Renée en Denise Citroen krijgen intussen bericht dat er servies is getraceerd van hun grootouders, die zijn vermoord in het vernietigingskamp Auschwitz. Of ze een claim willen indienen? Dat idee haalt emotioneel heel wat overhoop. In de praktijk blijkt het echter bijzonder lastig om de borden van het echtpaar, dat in Amsterdam een juwelierszaak runde, daadwerkelijk te verkrijgen.

Want hoewel alle betrokken functionarissen en organisaties welwillend zijn om geroofde spullen terug te bezorgen, zit de bureaucratie hen danig in de weg. Tot grote frustratie van de nabestaanden, die het gevoel krijgen dat ze blij zijn gemaakt met een dode mus. Tegelijk wordt de ‘culturele shoah’, constateren de zussen Citroen verontwaardigd in deze ingetogen pijnlijke film, niet gecorrigeerd.

De Nederlandse autoriteiten hebben te veel een ambtenarenmentaliteit om zich emotioneel in te kunnen leven, stelt ook Andre Broers bozig. Het aanvragen van restitutie blijkt steeds weer een mijnenveld waarin het gemakkelijk verdwalen is – en gewond raken bijna onvermijdelijk lijkt. Met als gevolg dat sommige rechthebbenden niet eens meer aan de pijnlijke en dure procedure beginnen.

De Adviescommissie-Asscher adviseerde onlangs overigens aan het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap: maak Joodse roofkunst uit depots zichtbaar.

Hokusai, Impressions De Soleil Levant

France TV / AVROTROS

Zijn echte naam is altijd onbekend gebleven. De Japanse schilder wordt bekend onder zijn pseudoniem Hokusai (noordster). We weten wel dat hij werd geboren op de 23e dag van de negende maan in het Jaar van de Draak van het tiende jaar van het Hōreki-tijdperk, meldt de alomtegenwoordige verteller van de documentaire Hokusai, Impressions De Soleil Levant (58 min.). Ofwel: 31 oktober 1760.

Ruim 250 jaar later spreekt het werk van de kunstenaar nog altijd tot de verbeelding. Hij is opgegroeid in de Japanse hoofdstad Edo, het huidige Tokio. In een land, dat strak wordt geleid door de Shogun en dat zich volledig heeft afgesloten van de rest van de wereld. De jonge illustrator, dan nog Shunrō genaamd, gaat in de leer bij de Shunshō-studio, waar hij zich bekwaamt in de houtbewerkingskunst Ukiyo-e. Met kerven in zachte kersenhoutbokken en verf leert hij kleurrijke prints te maken.

Nauwgezet probeert regisseur Lise Barron de persoonlijke en artistieke ontwikkeling van de latere Hokusai, die ook nog door het leven gaat als Sōri, Taito en Litsu, te reconstrueren. Soms is ze haar protagonist enige tijd kwijt, waarna hij plotseling weer van zich doet spreken met bloemrijke kunst die het Japan van zijn tijd doet herleven. Een wereld van kabuki-acteurs, courtisanes, samoerai, draken en manga, vervat in een ontzaglijke hoeveelheid tekeningen, illustraties en schilderijen.

Barron omlijst haar vertelling over de enigmatische kunstenaar, die zich steeds blijft ontwikkelen en daarbij ook wordt beïnvloed door de grote Nederlandse schilders, met sfeervolle sequenties van woodprinten en sumo-worstelaars en fraaie archiefbeelden van Japanse cultuur. Zo haalt ze een kunstenaar die al een kleine twee eeuwen dood is – en die zich in de jaren voor zijn overlijden overigens Manji noemt – overtuigend naar het hier en nu.

Dennis Tyfus – Eindelijk Op Canvas

VRT / Docville

‘We gaan een documentaire maken van vijftig minuten met alles wat Dennis gedaan heeft en wat hij dus nu doet’, vertelt regisseur Katherine Schmelzer in de openingsscène van Dennis Tyfus – Eindelijk Op Canvas (52 min.) aan één van de kunstenaars die daarin aan het woord komt, Peter Fengler. ‘Ja, dat is kort’, reageert die. ‘Dat is krap.’ Zijn Vlaamse collega Gerard Herman vult al snel aan: ‘Ik denk niet dat dat mogelijk gaat zijn om iets van vijftig minuten over Dennis te maken.’ Waarna Sara Weyns, directrice van het Middelheimmuseum, de grap doorzet: ‘Het is een begin…’

Welk leven is er wél in vijftig minuten te vangen? Die vraag dringt zich onwillekeurig op, bij eenieder die de Antwerpse kunstenaar nog niet kent. Die gaat in de navolgende vijftig, snel voorbij fladderende minuten kennis maken met een man die werkelijk niet voor één gat – of door één cameralens – te vangen is: tekenaar, radiomaker, ontwerper, performancekunstenaar, organisator, tatoeëerder en eigenaar van het obscure noise-platenlabel Ultra Exzema. Tijdens deze film legt hij zich toe op het maken van olieverfschilderijen. Voor een expositie in de Tim van Laere Gallery te Rome.

Katherine Schmelzer en coregisseur Pieter Verbiest volgen de creatieve duizendpoot gedurende dit intensieve proces, waarin hun overactieve hoofdpersoon zichzelf weer eens helemaal opnieuw wil gaan uitvinden. Tyfus weet in dit joyeuze portret ogenschijnlijk niet waar hij mee bezig is – en wil dat vermoedelijk ook helemaal niet weten. Zijn vriendin, kunstenares Charline Tyberchein, wordt er soms ‘zot’ van, vertelt ze. Tegelijk lijkt zij hem ook wel een beetje te benijden om die heerlijk onbezonnen werkwijze, ‘hoe da ge dan toch uzelf kunt verrassen terwijl da ge aan het maken zijt’.

Tussendoor maakt het filmmakende duo, aan de hand van uiteenlopende bronnen zoals schilder Luc Tuymans, kunsthistorica Anny de Decker en Sonic Youth-gitarist Thurston Moore, vlotte uitstapjes naar alle lumineuze ideeën, bokkensprongen en rare fratsen die hun protagonist door de jaren heen, in naam van de kunst, op zijn naam heeft geschreven. Wat te denken bijvoorbeeld van No Choice Tattoos? Waarbij iemand een nog onbekende tatoeage kan laten zetten door Tyfus. ‘Laat mij maar doen’, legt z’n vriend Gerard Herman het concept uit. ‘Vertrouw er maar op dat het goed komt.’

De No Choice Taxi biedt klanten dan weer de kans om ‘vrijwillig ontvoerd’ te worden. In de wereld van Dennis Tyfus, die afwisselend een verbaasde glimlach, gefronste wenkbrauwen of een ongecontroleerd schuddende buik oproept, tuimelen de anarchistische ideeën werkelijk over elkaar heen. Met een bijzondere rol voor blokluiten – zo mogelijk in combinatie met zijn (andere) grote liefde, de punkband The Ramones. Of zoals Thurston Moore het treffend omschrijft in een film die met vijftig minuten tegelijk véél te kort en toch precies goed is: joyful disturbance.

De Film Die Nooit Afkwam

&Bromet’/ EO

De zwarte bladzijde uit het filmende leven van Frans Bromet kan in 2017 alsnog worden omgeslagen. De documentaire die hij in de jaren zeventig wilde maken over schilder en Holocaust-overlever Sieg Maandag (1937-2013), waarvan de productie jaren eerder vanwege een volledig uit de hand gelopen conflict tussen Bromet en zijn producent George Becht was afgebroken, kan toch nog worden voltooid.

De Film Die Nooit Afkwam (58 min.) begint bij de foto die George Rodger (1908-1995) van de kleine Sieg maakte bij de bevrijding van het concentratiekamp Bergen-Belsen in 1945. De Britse fotograaf van het vermaarde tijdschrift Life kan, als Bromet hem een heel leven later opzoekt, nauwelijks geloven dat het jongetje zijn leven daarna ‘gewoon’ heeft kunnen vervolgen en nog altijd in leven is. Tot een ontmoeting tussen de fotograaf en zijn subject en de foto die daarvan moet worden gemaakt – het beoogde einde van de nooit afgeronde docu Life’s Picture – zal het door alle productionele perikelen echter nooit komen.

Bromet, zelf afkomstig uit een Joodse familie, wilde toentertijd nadrukkelijk uit de zwaarte weg blijven. Niet te veel inzoomen op de ontzaglijke ellende van het kamp, bijvoorbeeld – ook omdat hij die confrontatie zelf nauwelijks aankon. In plaats daarvan filmde hij opgeprikte, soms bijna clowneske reconstructiescènes, waarin Maandag zijn eigen belevenissen naspeelde. Die waren vermoedelijk ook de spreekwoordelijke druppel voor producent Becht. Samen met Sieg Maandags weduwe Karen en zijn kinderen Sarah en Simon kijkt de filmmaker het beeldmateriaal nu terug en bespreekt met hen de man daarachter.

Gaandeweg wordt tevens duidelijk hoe, waarom en door wie Bromets oorspronkelijke film werd getorpedeerd en hoe de direct betrokkenen, waaronder hijzelf, daar jaren later op terugkijken. De tijd lijkt in elk geval deze wonden wel te hebben geheeld. En met De Film Die Alsnog Afkwam kan Bromet toch zijn oorspronkelijke vraag beantwoorden: hoe kan een mens verder leven na het concentratiekamp? De vraag is dan alleen nog hoe hij die nieuwe docu naar z’n einde kan brengen. En ook die vraag wijst uiteindelijk zichzelf, in deze boeiende film over de erfenis van de Tweede Wereldoorlog en hoe die te beheren.

De Film Die Nooit Afkwam is hier te zien.

Streetart Frankey

September Film

Met zijn guitige lach, pretoogjes en – jawel! – Frankey-rode muts zou hij kunnen doorgaan voor een personage uit zijn eigen oeuvre. Sterker, misschien is Streetart Frankey (68 min.) – want over hem hebben we ‘t – dat ook wel. Een naïeve, speelse en grappige kaaskopvariant op – pak ‘m gerust beet – de Britse straatkunstenaar Banksy.

Frankey is de man achter de legoversie van André Hazes op de Dam, een waterkraan die eruit ziet als Manneke Pis en de (Nederlandse) leeuw met het helpbordje die kopje onder gaat in een hoofdstedelijke gracht. Als een soort Kuifje in Amsterdam begeeft hij zich op het kruispunt tussen Maurizio Cattelan, Wim T. Schippers en – daar istie weer! – Banksy. Schatplichtig aan Suske en Wiske, Ghostbusters en Buurman & Buurman.

Peter Wingerder volgt Frankey, die eigenlijk – ssst! – Frank de Ruwe heet, van de ene vette knipoog naar de andere schelmenstreek. Samen met zijn geliefde Urs Hasham, die het ‘megaleuk’ vindt om mee te doen en mee te helpen, maakt ie van elke (on)bezonnen actie ook een lekkere foto, die onderdeel is van ’s mans alsmaar uitdijende collectie straatkunstwerkjes, waarmee hij ook best ’s werelds galerieën en musea in wil.

’s Mans strapatsen worden in deze joyeuze film opgeleukt met tekeningen van Typex en animaties van Ot Leendertse. Met een poppetje van een speels figuurtje met een Frankey-rode muts bijvoorbeeld. Zo heeft Streetart Frankey – de docu dus – uiteindelijk hetzelfde effect als het werk van de Nederlandse kunstenaar, designer en handige jongen met precies dezelfde naam: een mens wordt er zowaar vrolijk van.

Kom daar maar eens om in tijden waarin het begrip – lees het navolgende woord aub met gefronste wenkbrauwen –  ‘documentaire’ toch vooral associaties oproept met de oorlog in Oekraïne, het lijden van Gaza en de wankelende democratie in de Verenigde Staten. Over dat laatste gesproken: Frankey – en in zijn kielzog: Wingerder – is erbij als dat wankelen (weer) begint: tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2024.

Als de held van dit verhaal – nee, niet Donald Trump! – New York heeft voorzien van openbare Teenage Mutant Ninja Turtles en WALL-E verkeersborden, hijst hij zich in een levensgrote Hug For Unity-knuffelbeer. Voor de verandering zónder Frankey-rode muts. Als ie in dat pak, in het kader van de naderende verkiezingen, de straat op wil, moet Frankey echter wel een kogelvrij vest aan. Het blijft tenslotte Amerika.

Daar schrikt hij zich een hoedje – vast niet Frankey-rood – bij een campagnebijeenkomst van de Republikeinse presidentskandidaat: ‘nog nooit zo’n negatief event meegemaakt’. En dan wordt de zelfverklaarde held nog gekozen ook! Is de beoogde campagne ‘Frankey Comes To America’ daarna nog wel gepast? vraagt de echte held – Streetart Frankey dus – zich dan af. Al te lang laat hij zich echter niet uit het veld slaan. De plicht/pret roept!

En dus eindigt deze documentaire waar ie begon: bij een zorgvuldig voorbereide en secuur uitgevoerde ludieke actie van de Frankey-rode muts en het mannetje daaronder, de enige echte Frankey.

When I Go Outside

Too Many Words Inc. / AVROTROS

In zijn huidige thuis, de Canadese stad Winnipeg, maakt de Koerdische kunstenaar Bîstyek een replica van de benauwde kamers waarin hij, eerst in Syrië en daarna in Libanon, als kind opgroeide. Die representeert de pittige jeugd die hij heeft gehad, vol gevaren en ontberingen, met het hele gezin in een eenkamerappartement. Zonder vader bovendien, want die overleed vlak na zijn geboorte.

Samen met zijn onverzettelijke moeder en broers probeerde Bîstyek, dromend van een eigen stem en een podium om die te laten horen, te overleven in een kille omgeving. Die vijandigheid ontdekte hij al op jonge leeftijd. Als jongetje werd hij hardhandig geconfronteerd met zijn identiteit. Een tekening die de jonge Bîstyek maakte van de Koerdische vlag werd door een docent bijvoorbeeld beloond met een oorvijg.

Als vluchteling heeft hij dus helemaal geen ‘mijn land’ om naar terug te verlangen, toont Geordie Sabbagh in de documentaire When I Go Outside (69 min.). Alleen een plek waar hij toevallig is geboren. In zijn huidige thuis Canada gaat de autodidact Bîstyek, die regelmatig wordt vergeleken met de befaamde straatkunstenaar Jean-Michel Basquiat ook aan het werk in die representatie van zijn vroegere kinderkamer.

In de beklemmende ruimte zet hij een bed neer en begint te werken. Totdat die kamer, de zelfgebouwde kooi waar hij ook weer uit wil breken, zijn gehele leven tot dusver omvat – of tenminste Bîstyeks eigen visie daarop. You don’t belong, staat er bijvoorbeeld op de muur, te midden van zijn kleurrijke, graffiti-achtige werk. Of: I will get out of here. En, terugdenkend aan hoe hij als kind al beroemd wilde worden: I wasn’t dreaming.

‘Zijn kunst is een reflectie van onze levens’, zegt een Koerdische vluchteling, die eveneens in Canada is beland, aan het begin van dit levendige portret, dat onderweg wel wat praterig wordt. Vanuit zijn eigen perspectief kijkt Bîstyek naar de Amerikaanse populaire cultuur, constateert een andere liefhebber van ‘s mans ‘outsider art’. En tegelijkertijd geeft hij een nieuwe draai aan de cultuur van het Midden-Oosten.

Een Gevleugelde Herinnering

Daiara Tukano in het Mauritshuis / Ida Does / NTR

In 1644 keert Johan Maurits van Nassau-Siegen terug uit Brazilië met dertien schepen vol suiker, tabak, ivoor, tropisch hout, kunst en goud, ter waarde van toen 2,6 miljoen gulden. Met zijn Braziliaanse fortuin laat ‘Mauricio de Nassau’, die ook het pad effende voor de trans-Atlantische slavernij, in Den Haag het Mauritshuis bouwen, dat sinds 1882 dienst doet als museum met een historische collectie.

Ida Does start de documentaire Een Gevleugelde Herinnering (Portugese titel: Uma Memória Emplumada, 56 min.), een logisch vervolg op haar film Nieuw Licht: Het Rijksmuseum En De Slavernij, met een zeer uitgebreide uitleg over de historische context van het museum. De boodschap is helder: de huidige beheerders van het Mauritshuis hebben zich te verhouden tot deze koloniale geschiedenis en de kunstwerken die daaruit zijn voortgevloeid.

De Braziliaanse kunstenares Daiara Tukano heeft inmiddels de opdracht gekregen om een muurschildering te maken. Als zij rondkijkt in het Mauritshuis, verbaast ze zich over sommige kunstwerken. Op een schilderij van Mary Stuart lijkt een donkere jongen bijvoorbeeld vooral als exotische accessoire te dienen. Waarom weten we niets van die jongen? vraagt ze zich af. Het is sowieso de vraag waarom zwarte personages eigenlijk altijd een onderdanige positie innemen?

Tegelijkertijd krijgt directeur Martine Gosselink – vertelt ze tijdens een bezoek van Braziliaanse museumdirecteuren – regelmatig ook de kritiek dat het Mauritshuis z’n eigen nest bevuilt en zijn oprichter te negatief benadert. Het is een ongemakkelijk gesprek. Kun en mag je van de schoonheid van kunst genieten, zonder de politieke en historische context ervan in ogenschouw te nemen? En hoe kan de dominantie van het witte westerse verhaal worden doorbroken?

Does heeft deze dialoog ingebed in een breed uitwaaierende vertelling, die zich voor een belangrijk deel ook in Brazilië afspeelt, waar Daiara en haar vader, een leider van het Tukano-volk, hun perspectief toevoegen. Die kijk op de pijnlijke historie, inheemse cultuur en thema’s en de kunst die deze hebben voortgebracht worden bovendien tot leven gewekt, met behulp van inheemse rituelen, poëzie en kunst en een bloemrijke soundtrack van Bernardo Bravo du Gomide.

Op de presentatie van Daiara Tukano’s muurschilderij, tijdens de Braziliëdag van 2024, komen deze elementen samen in het Mauritshuis, tijdens een nog wat onwennig gezamenlijk gezongen inheems lied. Zo klinken al die stemmen samen, als het rumoer voor even is verstomd.

The Road To Fenix

M&N Film

In een oude havenloods in de Rotterdamse wijk Katendrecht, een omgeving die ooit werd bevolkt door zeelui en hoeren, is in de afgelopen jaren het migratiemuseum Fenix verrezen. Bij de officiële opening in mei 2025, in aanwezigheid van koningin Máxima, spreekt de jonge directeur van het museum, Anne Kremers, over migratie ‘als universele menselijke beweging’. Behalve in de historie moet de kunstcollectie van Fenix dus ook in het hier en nu geworteld zijn.

Na de feestelijke opening gaat deze film van Mark Bakker vijf jaar terug in de tijd, om The Road To Fenix (91 min.) op te tekenen. En daarin speelt niet alleen Kremers een belangrijke rol. De hoofdrol wordt opgeëist door Wim Pijbes, oud-directeur van Het Rijksmuseum en in die hoedanigheid ook één van de hoofdpersonen van Oeke Hoogendijks klassieke documentaireserie Het Nieuwe Rijksmuseum. Hij is tegenwoordig directeur van Droom en Daad, het filantropische fonds van de Rotterdamse rederijfamilie Van der Vorm dat de culturele sector in de havenstad ondersteunt en ook Fenix heeft geïnitieerd.

Pijbes staat voor ‘hoge kwaliteit, lage drempel’, zegt ie zelf. ‘Verwacht dingen die je kunt verwachten’, houdt hij buurtbewoners voor. ‘Maar verwacht vooral verrassingen.’ Een kolossale tornado bijvoorbeeld, ontworpen door de Chinese architect Ma Yansong, op het dak van het museum. Dat heeft nogal wat voeten in de aarde. Voor de metershoge zeemeeuw die Ma op het dak wil laten landen – de eerste vogel die je begroet als je een haven invaart en de laatste vogel die je weer uitzwaait – gaan de handen nu niet direct op elkaar in de Maasstad. Zoals Kremers en Pijbes wel meer flinke hobbels moeten nemen in de aanloop naar deze nieuwe Rotterdamse blikvanger.

Intussen moet ook de collectie worden samengesteld. Om inspiratie op te doen reizen Kremers en haar team af naar het Amerikaanse Ellis Island National Museum Of Immigration en het Canadian Museum of Immigration. Elders proberen ze interessante aankopen te doen. Zo tikt Pijbes op een onbewaakt ogenblik bijvoorbeeld een portret van de Rotterdamse wereldburger Erasmus op de kop. En in hun eigen ateliers zijn hedendaagse kunstenaars zoals Efrat Zehavi en Raquel van Haver aan het werk. Beya Gille Gacha fabriceert bijvoorbeeld een collectie handen. Want als we elkaars taal niet spreken, stelt zij, zijn we genoodzaakt om met onze handen te spreken.

Behalve kunstwerken en foto’s toont Bakker hoe ook gewone gebruiksvoorwerpen met een emotionele lading, zoals de stoelen die Molukkers bij hun komst kregen en koffers die de reis van en naar Nederland hebben gemaakt, een plek verwerven in het gelaagde verhaal over migratie dat Fenix wil delen. Zijn documentaire wordt daarmee een traditionele making of-film: hoe met vereende kracht, worstelend met tegenslag en weerwerk, een museum uit de grond wordt gestampt. Misschien niet met zoveel grandeur als bij Pijbes’ vorige project, Het Rijksmuseum, maar met evenveel bloed, zweet en tranen.

Mijn Broer

Koert Davidse

Thuis in het Zeeuwse dorp ‘s-Heer Hendrikskinderen hebben zijn ouders nooit een groot probleem gemaakt van de homoseksualiteit van Bart Davidse. Voor hen blijft de oudere broer van filmmaker Koert Davidse gewoon Bart. Ze spreken alleen nooit over zijn geaardheid. Ook niet als hij, inmiddels als kunstenaar woonachtig in Amsterdam, besmet raakt met het HIV-virus.

In het dagboek van zijn vader leest Koert een kleine veertig jaar later dat die boodschap wel degelijk is overgekomen. ‘Bart belt om zeven uur dat hij weer ernstig ziek is’, schrijft pa begin 1986, het jaar waarin zijn zoon op slechts 28-jarige leeftijd zal overlijden, in het dagboek waarin hij het leven en werk in hun tuinderij documenteert. ‘Zware koorts. Dat is al de derde maal binnen één maand. Wij zijn erg bang dat hij AIDS heeft.’

Als familie weten zij zich geen raad met de situatie. ‘Ik weet nog heel goed dat ik met ma bij Bart zijn bed zat’, herinnert Koert zich. ‘Hij lag op de IC. Toen liep er een traan uit zijn oog.’ Als z’n moeder die wil wegvegen, houdt Koert haar tegen, bang voor besmetting. ‘We wisten dus echt niks van AIDS’, constateert hij nu, vol schaamte. ‘Echt verschrikkelijk!’ ‘Ja’, reageert zus Karin, terwijl ze strak voor zich uit kijkt. ‘Klopt.’

Samen met Karin, hun andere zus Wilma en vrienden uit Barts andere leven in Amsterdam reconstrueert Davidse het veel te korte bestaan van zijn grote broer. In de hoofdstad zal Bart zich vestigen als kunstenaar en kan hij zich uitleven in darkrooms, leerbars bezoeken en cruisen op straat. En daar, in dat Sodom en Gomorra, ligt volgens de veelal vrome mensen uit z’n geboortedorp ook de oorsprong van zijn ondergang.

In Mijn Broer (83 min.) onderzoekt Koert Davidse de enorme afstand tussen Barts levens, die na het overlijden van zijn broer ernstig opspeelt. De Zeeuwse begrafenisondernemer blijkt bijvoorbeeld niet bereid om zijn lichaam op te halen. En er is eigenlijk ook geen kerk die de uitvaart wil verzorgen. Behoedzaam waadt deze delicate film door dat ongemakkelijke verleden, met oog voor beide kanten van het verhaal.

Davidse ondersteunt zijn relaas met live geënsceneerde foto’s, die dierbare herinneringen aan het leven met zijn broer en belangrijke momenten uit zijn beladen ziekteproces en afscheid representeren. Tegelijkertijd maakt hij ook weer kennis met die broer via zijn kunst en bezittingen, die tezamen zijn opgenomen in de expositie Bart Davidse: Een Leven In Beelden, die zijn bewonderde broer weer tot leven wekken.

En met hem wordt ook die traumatische episode uit de wereldwijde queerhistorie, nog niet eens zo lang geleden, weer uitgelicht. Als een dodelijke ziekte ook in Nederland homo’s nog eens extra tot outcast verklaart.

Robert Rauschenberg: Everything Is Art

ZDF / AVROTROS / maandag 2 maart, om 22.45 uur, op NPO2

Hij koopt in de jaren vijftig een opgezette angorageit voor 30 dollar, beschildert die met felle kleuren en plaatst er vervolgens een autoband omheen, als een soort zwemband. Geplaatst op een zorgvuldig vormgegeven plateau vormt het dier de ‘combine’ Monogram, een huwelijk van schilderij en sculptuur. Het is een typisch werk voor Robert Rauschenberg (1925-2008), één van de toonaangevende kunstenaars van de twintigste eeuw die regelmatig ‘found objects’ integreerde in zijn werk en die in zijn lange loopbaan alle mogelijke kunstvormen en -stijlen aftastte.

Volgens zijn zoon Christopher was zo’n kunstwerk als Monogram niet bedoeld als kritiek op de consumptiemaatschappij, maar simpelweg zijn manier om de wereld verder te ontdekken. Gedreven door een nooit te bevredigen nieuwsgierigheid. Rauschenberg vertelde volgens zijn zoon ooit dat hij medelijden had met mensen die een oude sok lelijk vinden. Want met zulke spullen krijgen ze dagelijks te maken. ‘Als mensen zich afvragen waarom ik zoveel lelijke spullen in mijn kunst verwerk’, zei hij volgens Christopher wel eens, ‘zeggen ze in wezen dat ze de wereld waarin ze leven lelijk vinden.’

Zijn vader wordt in Robert Rauschenberg: Everything Is Art (52 min.) geportretteerd als een man die altijd in beweging is gebleven en daardoor zóveel heeft geproduceerd dat zijn werk soms bijna als weinig exclusief wordt gezien. Zelf kon Rauschenberg daar overigens wel om grinniken. Alles beter dan de dood in de pot. Hij wilde laten zien dat kunst leeft en verbonden is met sociale en technologische ontwikkelingen, stelt de verteller van dit kunstportret van Susanne Brand. Kunstenaars waren voor hem een katalysator voor sociale verandering, mensenrechten en de vrijheid van expressie.

Rauschenberg wilde, kort gezegd, het leven (terug)brengen in de kunst, hield daarmee ook zichzelf in leven en wordt een kleine twintig jaar na zijn dood, zo blijkt in dit vitale portret, nog altijd in leven gehouden door liefhebbers en kenners die zijn omvangrijke en zeer diverse oeuvre in kaart proberen te brengen.

Trailer Robert Rauschenberg: Everything Is Art

Tenga Duro Signorina! Isabella Ducrot Unlimited

AVROTROS / maandag 16 februari, om 22.45 uur, op NPO 2

Ze heeft inmiddels een geweldige toekomst achter zich. ‘Het leven begint rond je zestigste’, houdt de hoogbejaarde Italiaanse kunstenares Isabella Ducrot een veel jongere interviewster voor. ‘Ik bedoel: het gelukkige leven. Geloof me maar: na je zestigste word je gelukkiger.’

Rond die tijd is zij zelf Isabella geworden. Van tevoren was ze nog gewoon Antonia Mosco, een onopvallende vrouw uit Napels. Een parvenu, vindt ze zelf. Een absolute nobody. Totdat ze rond haar 55e begon te schilderen en de wereld zich opende. Eerst op haar doeken, daarna daadwerkelijk. Het leven is sindsdien alleen maar leuker en interessanter geworden, vertelt Isabella in de documentaire Tenga Duro Signorina! Isabella Ducrot Unlimited (Engelse titel: Hold On Miss! Isabella Ducrot Unlimited, tv-versie: 52 min.).

Monica Stambrini volgt de Italiaanse kunstenares twee jaar lang met haar camera naar exposities in galeries in Londen, Stockholm en New York. De wereld, die doorgaans zweert bij alles wat jong en nieuw is, ligt nu aan de voeten van een vrouw die de negentig al is gepasseerd. Isabella Ductrot laat zich alle aandacht graag aanleunen. Ze krijgt eindelijk de erkenning die elk mens zoekt – en die zij, ook nu de jaren des verstands allang zijn gekomen, nog steeds wil.

Tegelijkertijd moet ze dealen met de kaarten die het leven op haar leeftijd nu eenmaal uitdeelt, zoals het overlijden van haar echtgenoot Vicky. Gelukkig kan de kwieke kunstenares, die ooit begon met het maken van erotische afbeeldingen, terugvallen op haar persoonlijke assistent. Nora Iosia bivakkeert al ruim 25 jaar aan Ducrots zijde en neemt haar veel zaken uit handen, ook als haar opdrachtgeefster op zeer gevorderde leeftijd wordt benaderd door het modehuis Dior.

Stambrini staat er met haar neus bovenop, legt alle ontwikkelingen rond haar protagonist zonder opsmuk vast en kleurt Ducrots onwerkelijke oude dag in met een opmerkelijke jeugdige soundtrack. Zo vereeuwigt ze een vrouw in de bloei van haar leven. Want hoewel haar honderdste verjaardag stilaan in zicht komt, denkt Isabella Ducrot er nog niet aan om afscheid te nemen van het bestaan. Haar kunst – en daarmee ook haar leven – is vitaler dan ooit. En deze film, mocht ook zij niet kunnen ontsnappen aan de dood, haar levende testament.

Lettre D’Amour À Léopold L. Foulem

Ça Tourne Productions

Hij rommelt wat aan in en rond zijn zomerhuis in Caraquet, ontvangt er nieuwe en oude vrienden en probeert vooral in leven te blijven. De befaamde Canadese keramist Léopold Foulem slikt inmiddels zo’n vijftien pillen per dag, om de diabetes in toom te houden en z’n hartproblemen te bezweren. Zijn echtgenoot Richard en zus Marie-Paule fungeren daarbij als zijn linker- en rechterhand. Richard bedient de oven en maakt de foto’s van Léopolds werk. Marie-Paule, opgeleid als verpleegster, verzorgt haar broer en ondersteunt hem in de huishouding.

En nu heeft een dorpsgenoot, Renée Blanchar, het plan opgevat om een portret te maken van de vermaarde kunstenaar. Ze kwam vroeger als klein meisje al in Léopolds cadeaushop Le Royaume Du Cadeau. Voor haar was de winkel, vertelt ze geëmotioneerd aan hem, een eerste venster op wat de wereld verder nog te bieden had. ‘Het was alsof ik Ali Baba’s grot binnenging. Ik zag dingen die ik nog nooit eerder had gezien.’ En achter de toonbank stond een flamboyante jonge man zoals ze die nog niet eerder had gezien. Door hem, weet ze nu, is ze zelf later filmmaker geworden.

Haar film heeft dan allang het karakter aangenomen van een Lettre D’Amour À Léopold L. Foulem (52 min.). Geen gewone keramist overigens, maar een conceptuele keramist. Hij maakt geen decoraties, maar interpretaties van decoraties. ‘Het lijkt misschien een object’, vertelt Foulem aan galeriehouder John Leroux, die bij hem op bezoek komt. ‘Maar is in feite een abstractie ervan. Het object heeft z’n functie verloren.’ Dit misverstand wordt ook in de hand gewerkt door het materiaal waarmee Foulem werkt, keramiek. Daardoor lijkt het al snel alsof hij simpelweg gebruiksvoorwerpen maakt.

Iemand die beter kijkt, zoals Blanchar met haar camera, ziet echter de ideeënrijkdom, de grotere verhalen en de kleine details over pak ‘m beet religie, macht en seksualiteit. Beelden waarmee hij niet alleen haar raakt. ‘Lieve Léopold’, besluit zij dit kleine en huiselijke portret, als de keramist voor de rest van het jaar naar zijn andere huis in Montréal vertrekt, met een persoonlijke voice-over. ‘Je hebt mijn verbeelding verrijkt. Je voedde mijn eerste intuïtie over het bestaan van een wereld waarin je jezelf kunt uitvinden en kunt creëren op je eigen manier.’