Ronnie Wood: Somebody Up There Likes Me

Piece Of Magic

Hij was de goedlachse sfeermaker, die de lastpost Mick Taylor moest vervangen. Die had op zijn beurt Brian Jones afgelost. De gitarist die de machtsstrijd binnen The Rolling Stones verloor van de tandem Mick Jagger en Keith Richards en daarna letterlijk ten onder was gegaan in een zwembad. Nee, Ronnie Wood had niet al te veel spatjes toen hij lid werd van ‘the greatest rock & roll band on earth’. Lekkere gitarist, complementaire persoonlijkheid bovendien.

In Ronnie Wood: Somebody Up There Likes Me (72 min.) wordt de man in eerste instantie gepresenteerd als schilder, een activiteit die hij op advies van zijn vriend, de kunstenaar Damien Hirst, zou hebben opgenomen. Regisseur Mike Figgis bevraagt hem intussen, via het trekken van thematische kaarten, over zijn voorliefde voor drank, sigaretten en vrouwen. ‘Ik ben mentaal nooit ouder dan 29 geworden’, bekent Wood, die tegenwoordig toch echt zo oud oogt als hij is: in de zeventig. Met datzelfde rattensmoeltje, dat wel. En ravenzwart haar, nog altijd.

Dit portret neemt zijn leven en loopbaan door met alle mensen die je daarin verwacht: vriend Rod Stewart (met wie hij in zowel The Jef Beck Group als The Faces zat), zijn natuurlijk veel jongere vrouw Sally Wood en de drie andere Stones, een band waarvan hij inmiddels alweer bijna een halve eeuw deel uitmaakt. Met riffmeister ‘Keef’ vormt Wood een hecht duo, dat volgens eigen zeggen ‘de oeroude kunst van het vervlechten’ beoefent en duidelijk nog altijd met veel plezier samen op het podium staat.

Het interessantst wordt Somebody Up There Likes Me als de hoofdpersoon ingaat op zijn excessieve drank- en drugsgebruik, dat hij kan herleiden tot zijn vroegste jeugd (‘We wisten nooit in welke tuin m’n vader wakker zou worden.’) en dat uiteindelijk tot een serieuze crisis zou leiden. Dan komt Figgis even voorbij de rock & roll-clichés die natuurlijk ook weer her en der opduiken in deze vermakelijke popdocu over een zeventiger van nog nét geen dertig.

Jim Allison: Breakthrough

HBO

Als kind had hij de bijnaam ‘Diamond Head’. Volgens zijn broer Murphy omdat zijn hoofd uit ‘the hardest substance known to man’ bestond. Ofwel: als Jim Allison iets in z’n kop had, dan had hij het niet in zijn… juist. In dat opzicht is er sindsdien weinig veranderd. Allison weet nog altijd precies wat hij wil, stoort zich daarbij niet aan conventies en gaat door tot het gaatje.

De Texaan oogt tegenwoordig als een willekeurige oudere bluesmuzikant. En dat klopt: de man zingt en speelt bepaald niet onverdienstelijk mondharmonica. Met countryheld Willie Nelson bijvoorbeeld. En hij heeft sinds 2018 een Nobelprijs voor Geneeskunde op zak, dat ook. Voor zijn baanbrekende kankeronderzoek naar de zogenaamde T-cel receptor.

In Jim Allison: Breakthrough (84 min.), waarin acteur Woody Harrelson als verteller fungeert, belicht de gelauwerde immunoloog zelf, samen met familieleden, vrienden en collega’s zijn levensloop, wetenschappelijke loopbaan en het onderzoek dat niet alleen zijn eigen leven volledig heeft veranderd. Dat is door regisseur Bill Haney met fraaie animaties gevisualiseerd.

Bij een test met muizen ontdekt Allison halverwege de jaren negentig een manier om tumoren onschadelijk te maken. Een behandeling tegen kanker is dan nog ver weg. En daar heeft Allison zijn zinnen op gezet. Voor Sharon Belvin, een 22-jarige vrouw met een hersentumor, die in deze gedegen film alle kankerpatiënten vertegenwoordigt die wachten op een behandeling.

Én voor zijn eigen moeder, die aan de gevreesde ziekte overleed toen hij een jongen van elf was. Met een buik vol verdriet en een hoofd als een diamant, dat wel.

Laurel Canyon: A Place In Time

In Laurel Canyon, een idyllisch deel van Los Angeles, hing magie in de lucht: de geest van de sixties waarde er rond en bracht zijn meest verlichte vertegenwoordigers mee. Ze vormden bands als The Byrds, Love, The Mamas & The Papas, Buffalo Springfield en The Doors. En de fotografen Henry Diltz en Nurit Wilde, de laissez-faire vertellers van dat historische verhaal, keken hun ogen uit en legden voor het nageslacht vast wat zij mochten zien.

Dit babyboomer-tweeluik van Alison Ellwood kijkt ook over de Love & Peace-schutting: de vallei vormde immers niet alleen een toevluchtsoord voor musicerende hippies. Ook Frank Zappa, The Monkees en Alice Cooper hielden er huis. Zodat het er niet te serieus en zoetsappig aan toe zou gaan in Laurel Canyon: A Place In Time (156 min.). En anders kwam Sadie Mae Glutz, één van de vooraanstaande leden van The Manson Family, wel even langs, met haar vriendje Bobby Beausoleil.

Niet veel later zouden deze twee betrokken raken bij de gruwelijke Tate- en LaBianca-moorden, die een rassenoorlog hadden moeten ontketenen. Ideetje van hun leider, de gesjeesde muzikant Charles Manson. Helter Skelter, juist. De oorlog in Vietnam en een volledig uit de hand gelopen concert van The Rolling Stones bij de Altamont-racebaan, waarbij de als beveiligers ingehuurde Hells Angels een zwarte concertganger doodden, zouden de geest van de vrijgevochten jaren zestig, perfect vervat in het nummer Woodstock van Joni Mitchell, vervolgens weer helemaal in de fles doen verdwijnen.

In Laurel Canyon, zo laat het tweede deel van deze verzorgde en ook wat brave documentaire zien, vond er intussen een wisseling van de wacht plaats, waarbij seventieshelden als Jackson Browne, The Flying Burrito Brothers, Bonnie Raitt, The Eagles en Linda Ronstadt het nieuwe decennium een countryfeel meegaven en zo een eigen hoofdstuk toevoegden aan de muziekgeschiedenis van dit glorieuze deel van de ‘City Of Angels’. Wat de rol van Laurel Canyon daarin was – en of de plek überhaupt echt een rol speelde – blijft daarbij een beetje ongewis.

Ellwood verweeft al die verhalen, off screen geduid door de direct betrokkenen, overigens soepeltjes met elkaar en geeft de bijbehorende muziek behoorlijk wat ruimte. Al lijkt haar selectie ook tamelijk willekeurig en zijn de meeste van die zo-maakten-wij-belangwekkende-muziek verhalen al eerder verteld. Een halve eeuw later lijkt het alsof de trip nostalgia naar de helden van Laurel Canyon nu wel vaak genoeg is gemaakt, dat déze tijdgeest even niet meer per se hoeft te worden opgeroepen. Oké, boomer?

On The Record

HBO

Is #metoo te veel een ‘witte’ kwestie gebleven? In de openingsscène van On The Record (97 min.), een film die is opgebouwd rond beschuldigingen van seksueel misbruik tegen de Afro-Amerikaanse platenbaas Russell Simmons, wordt die suggestie wel gewekt – waarbij de aantijgingen tegen Bill Cosby en R. Kelly voor het gemak buiten beschouwing worden gelaten. De gedachtegang is: bovenaan de pikorde staat de witte man, ergens helemaal onderin bungelt de zwarte vrouw. Die wordt nauwelijks gehoord.

Één van die vrouwen, Drew Dixon, fungeert als protagonist van deze documentaire van Kirby Dick en Amy Ziering (die eerder thematisch verwante films als The Invisible War en The Hunting Ground maakten). Ze werkte in de jaren negentig bij Simmons’ hiphoplabel Def Jam, waar populaire acts als Run-DMC, Beastie Boys en Public Enemy onder contract stonden, en maakte op een bijzonder onplezierige manier kennis met de grote man daarvan (en later nog met een andere opdringerige platenbaas). En ze was – natuurlijk, zou je bijna zeggen – bepaald niet de enige.

On The Record, waaruit executive producer Oprah Winfrey zich eerder dit jaar overigens terugtrok, volgt Dixon als ze haar verhaal eind 2017 naar buiten brengt via een artikel in The New York Times. Terwijl ze dat, schoorvoetend, doet, is er dus al een camera die elke stap die ze zet vastlegt en intussen de emotionele schade opmaakt. Dick en Ziering laten daarnaast enkele andere slachtoffers van Simmons aan het woord. Die getuigenissen worden geplaatst binnen de hiphopcultuur waar termen als ‘bitch’ en ‘ho’ tot het standaardvocabulaire lijken te behoren. In hoeverre zorgt dat voor de normvervaging die ook tot misbruik kan leiden?

Wanneer is sowieso het juiste moment om het gedrag van bepaalde Afro-Amerikaanse mannen aan de orde te stellen? Wil je als zwarte vrouw bijvoorbeeld bijdragen aan het clichébeeld van de zwarte man als potentiële verkrachter? En, helemaal pijnlijk, horen deze ervaringen niet gewoon bij de traditionele rol van de Afro-Amerikaanse vrouwen, die al sinds ze met een slavenschip naar de Verenigde Staten werden afgevoerd zulk geweld krijgen te verduren?

In zulke invalshoeken, hoe navrant ook, zit inderdaad de meerwaarde van deze zwarte #metoo-docu, die verder de gebruikelijke route van dit soort aanklaagfilms volgt. Waarbij ook de beschuldigde zwarte man, net als zijn witte evenknieën, dus hardnekkig blijft ontkennen.

Suzi Q

NTR

‘Mogen we voor je gaat zitten even het achterwerk van het jaar zien?’, vraagt talkshowhost Russell Harty aan zijn gast Suzi Quatro. De Amerikaanse zangeres/bassiste draait zich inderdaad om in haar spijkerbroek, waarna de gastheer haar een ferme tik op de billen geeft. Zijn publiek moet er smakelijk om lachen.

Nee, in de jaren zeventig was het bepaald niet vanzelfsprekend dat je als vrouw serieus werd genomen in de popbusiness en seksisme was werkelijk overal. De hoofdpersoon van Suzi Q (75 min.), type stoere rockchick, kreeg er constant mee te maken. Kerels namen haar niet serieus of beschouwden haar vooral als ‘eye candy’.

Als een echte wegbereider speelde Quatro in de jaren zestig in één van de eerste meidenbands: The Pleasure Seekers, samen met haar zussen Patti en Arlene (met wie ze tegenwoordig een moeizame relatie heeft). Daarna volgde een succesvolle solocarrière. Met een flinke stroom hits, zoals Can The CanIf You Can’t Give Me Love en Stumblin’ In, een duet met Smokie-zanger Chris Norman.

En altijd weer moest ze zich, getuige deze degelijke biografie van Liam Firmager, verantwoorden voor het feit dat ze geen man was. Met die worsteling heeft Quatro wel het plat geplaveid voor vrouwen in de rock & roll, stellen prominente navolgers als Deborah Harry (Blondie), Joan Jett (The Runaways) en Kathy Valentine (The Go-Go’s).

In die invalshoek zit ook de voornaamste meerwaarde van deze tv-docu, die verder trouw het vaste stramien van popdocu’s volgt en netjes chronologisch Quatro’s loopbaan doorloopt met de zangeres zelf, intimi en collega’s.

Gewoon Boef

Videoland

Waar houdt Boef op en begint Sofiane Boussaadia? Waren die veelbesproken treitervlogs bijvoorbeeld het werk van een artiest die zich zo nodig moest manifesteren of van een allochtone jongen die zijn oprechte frustraties over de politie uitte? En hoe zat het met die al even omstreden uitspraak over ‘kechs‘, vrouwen die zich als hoeren gedroegen? Doelbewuste provocatie van een slim enfant terrible, verkeerd uitgelegde rant of toch een verbaal slippertje van een oerconservatieve jongen, die per ongeluk het achterste van zijn doorgaans zo vaardige tong liet zien?

In de driedelige serie Gewoon Boef (86 min.) trekt Olivier Garcia ruim een half jaar op met het omhoog gevallen ettertje/de buitengewoon getalenteerde rapper en zoomt daarbij tevens in op de achtergrond van dit vat vol tegenstrijdigheden, zijn stormachtige opkomst en de daaruit voortgevloeide controverses. Net als de docuserie die Videoland eerder uitbracht over generatiegenoot Famke Louise is het geheel snel en puur op inhoud gesneden. De drie afleveringen springen voortdurend in de tijd en wisselend gedurig van locatie; van een optreden in Turkije, Thaise relaxvakantie en rootsreis naar Parijs tot de plek waar Boefs/Sofianes leven zich sinds kort afspeelt: een ontzettend protserige villa.

Zelf ziet hij die als bevestiging van het feit dat hij het inmiddels heeft gemaakt. Al weet ook deze Boef dat geld bepaald niet altijd gelukkig maakt. Dat materialisme zou bovendien wel eens een uitingsvorm van verlatingsangst kunnen zijn, concluderen zowel maker als subject van deze serie in een privésessie psychologie van de koude grond. ‘Iemand die van je houdt kan de volgende dag niet meer van je houden. Dat is gewoon het leven’, stelt de beschadigde jongen/rapper met dollartekens in de ogen. ‘Maar geld… Als je honderd euro naast je bed legt en je wordt wakker, dan ligt er nog steeds honderd euro naast je bed.’

Noem dat gerust plat of cynisch. Hij heeft met die attitude wél de belofte waargemaakt die de tiener Sofiane, ook toen al een Boef overigens, ooit deed aan zijn adoptiemoeder. ‘Please make something of your life’, zei zij op haar sterfbed tegen de jongen, die speciaal voor de gelegenheid enkele dagen uit de gevangenis mocht. ‘Dat is me bijgebleven’, zegt hij nu. ‘Ik dacht: ik moet het maken, begrijp je? En drie jaar later blies ik op.’ Ondanks dat succes is de behoefte aan een thuis gebleven, zo blijkt uit persoonlijke gesprekken met de hoofdpersoon zelf, enkele jeugdvrienden en de bijna onvermijdelijke Ali B. Die krijgen in dit schurende portret bovendien extra reliëf via de omgang met zijn Habiba Selma en ontmoetingen met zowel zijn biologische als zijn stiefvader.

Gewoon Boef schetst zo trefzeker het fenomeen Boef/de (probleem)jongere Soef. Held van de jeugd van tegenwoordig. En tevens de verpersoonlijking van wat je ‘de jeugd van tegenwoordig’ zou kunnen noemen.

If I Should Fall From Grace – The Shane MacGowan Story

Het is die lach waarmee de film wordt beëindigd. Een volledig doorrookte variant op de giechel waarmee Sesamstraat’s Ernie elke sketch met Bert afsluit. Van een notoire dronkenlap ditmaal, die om zijn eigen spitsvondigheden lacht. Waarbij het lachen veel mensen in zijn directe omgeving waarschijnlijk allang is vergaan.

Want hij had zoveel kunnen worden: geweldige zanger, ijzersterke frontman en – in het bijzonder – ongenaakbare songschrijver. En , ondanks die godvergeten drankzucht, ís Shane MacGowan dat ook allemaal geworden. Eerst en vooral van de illustere Britse folkpunkband The Pogues, daarna ook van zijn eigen vehikels The Popes en The Shane Gang. Maar er had zóveel meer ingezeten. Als hij niet de onbedwingbare behoefte had gevoeld om altijd en overal de bodem van elke fles te zoeken….

Sarah Share’s portret If I Should Fall From Grace – The Shane MacGowan Story (91 min.) uit 2001 observeert de doorgewinterde innemer, ook van harddrugs trouwens, in zijn dagelijks leven, waarin hij heldere momenten en scherpe statements afwisselt met typische dronkemanspraat en -fratsen. Ze spreekt verder met zijn opvallend nuchtere vader Maurice en moeder Therese, tante Monica en vriendin Victoria Clarke en neemt zijn carrière door met andere Pogues-leden, manager Joey Cashman en collega-poëet Nick Cave. De nadruk ligt daarbij (gelukkig) op zijn onmiskenbare talent als tekst- en songschrijver.

Want een man die zo openlijk zijn talent verkwanselt, wordt onvermijdelijk een parodie op zichzelf. Zijn optredens werden op een gegeven moment de ideale gelegenheid voor een pijnlijk soort ramptoerisme, waarbij een deel van het publiek vooral stond te wachten op hoe Shane dronken zou worden. Zoals die ene keer met The Popes op het Pinkpop-festival van 1995, waarbij hij na enkele nummers van het podium gehaald moest worden. Hij was – en lijkt nog altijd – geen schim meer van de man die hij ooit moet zijn geweest.

Daartegenover staat nog altijd een overweldigend songboek, met tijdloze klassiekers die iedereen, van elke generatie, kunnen aanspreken, zoals A Rainy Night In SohoIf I Should Fall From The Grace Of God en – dat ene kerstliedje dat wél deugt – Fairytale Of New York. Zulke prachtsongs verraden dat onder al die lol en bravoure nog altijd een zeer sensitief jongetje zit dat – stiekem, niet doorvertellen! – lijkt te worstelen met zijn eigen verlegenheid.En dan duurt het nooit lang of die langzaam wegstervende gggggg-lach klinkt weer…

In 1997 maakte de BBC ook al een informatief en tamelijk braaf portret van de gevierde songsmid, The Great Hunger: The Life & Songs Of Shane MacGowan, waarin collega’s als Bono, Christy Moore, Sinéad O’Connor, Billy Bragg en wederom Nick Cave hun licht over hem laten schijnen.

Once Were Brothers: Robbie Robertson & The Band

Elliot Landy

Ze gingen dwars tegen de tijdgeest in. Terwijl hun generatiegenoten opzichtig rebelleerden tegen alles wat ook maar riekte naar de wereld van hun ouders, gingen de vijf leden van The Band voor hun debuutalbum Music From Big Pink pontificaal op de foto met hun families.

Het bleek de ideale illustratie van hun muzikale attitude: in de hoogtijdagen van de psychedelische pop ging de Canadese groep in 1968 ongegeneerd terug naar de basis. Met zwaar dooraderde muziek, die we sindsdien ‘americana’ zijn gaan noemen. Gemaakt op het tijdloze kruispunt van folk, country, rock, blues en pop.

Ruim een halve eeuw later zijn er nog maar twee leden in leven: toetsenist Garth Hudson én gitarist/songschrijver Robbie Robertson. En die doet in Once Were Brothers: Robbie Robertson & The Band (101 min.) zijn muzikale levensverhaal, dat uiteindelijk tot een climax komt in de veelgeroemde supergroep (die tevens fungeerde als band voor Bob Dylan).

Robertson toont zich een geanimeerde verteller. Hij wordt bovendien in de rug gedekt door zijn vrouw Dominique en diverse medewerkers van zijn band, waarbij dat andere nog levende Band-lid, Hudson, helaas ontbreekt. Ze zijn ook allang geen broeders meer, zingt Robertson in het titelnummer van de film, Once Were Brothers.

Regisseur Daniel Roher geeft deze gedegen popdocu echter extra ‘star quality’ met mannen bij wie alleen de achternaam al volstaat: Clapton, Springsteen en Scorsese. Die laatste documenteerde in 1978 ook het afscheid van The Band, die toen al ten prooi was gevallen aan de verleidingen waarmee elke groep van statuur wordt geconfronteerd.

The Last Waltz vormt ook de vanzelfsprekende apotheose van deze film, die de band recht doet. Zonder tot enorme hoogte te stijgen.

Ramses: Où Est Mon Prince

Met een hoed op en een nonchalant pak aan arriveert hij op het Amsterdamse stadhuis. Voor het oog van de camera gaat Ramses Shaffy (1933-2009) er op 10 februari 1977 zijn Nederlandse paspoort ophalen. De zanger oogt gespannen. Hij haalt een balpen uit zijn jaszak. Kapot. Een ander exemplaar dan maar. Die handtekening moet tenslotte echt worden gezet. Even opmeten daarna. Zonder hoed natuurlijk. 1 meter 85. Intussen laat Ramses het persoonsbewijs zien waarmee hij het tot dusver moest doen: een ‘paspoort voor vreemdelingen’.

Even later, als hij het felbegeerde kleinood in handen heeft, richt hij zich tot de aanwezige ambtenaren, luid en met overslaande stem: ‘Mag ik jullie ontzettend bedanken voor de medewerking? Ik heb er lang over gedaan, maar ik ben Nederlander! Fantastisch! En we zullen doorgaan. Ik begin vast, begrijp je wel?’ Het is Ramses Shaffy ten voeten uit. Zoals we hem hebben leren kennen: als een onvervalste levenskunstenaar voor wie het bestaan nooit meeslepend genoeg kon zijn. Met een onweerstaanbare charme ook. ‘Ik hoor erbij’, zegt hij nog, met een duidelijke snik in zijn stem. ‘Ik hoor erbij. Belachelijk, hè?’

Grote emoties, publiek beleefd. Van een Egyptisch-Pools jongetje dat op zesjarige leeftijd door zijn moeder in Parijs op de trein werd gezet en in een Nederlands pleeggezin moest opgroeien. Onder de gefingeerde echte mensennaam Didi Snellen. Die ingrijpende gebeurtenis ligt ook onder de met een Gouden Kalf bekroonde documentaire Ramses: Où Est Mon Prince (70 min.) uit 2002, waarin regisseur (en Shaffy’s voormalige overbuurjongen) Pieter Fleury eerst met prachtig archiefmateriaal en persoonlijke interviews met ex-vriend Joop Admiraal (‘heel Amsterdam was verliefd op Rames’), zangeres Liesbeth List (‘hij leefde boven de wet en was daarom zo bijzonder’) en pianist Louis van Dijk (‘een goeroe van de vrijheid’) leven en carrière van het flamboyante podiumbeest doorlicht.

Daarna introduceert hij Ramses zelf, een breekbare oude man inmiddels, die nauwelijks meer voor zichzelf kan zorgen. Nog altijd even uitgesproken, theatraal en drankzuchtig, dat wel. En op elk moment van de dag in staat om de knop om te zetten en zijn muzikale zelf aan. Zet hem achter een piano en zijn vingers vinden automatisch de juiste toetsen. En plots is daar ook, als vanzelf, die gedragen zangstem. ‘Ik kijk naar de wolken die over drijven’, zingt hij bijvoorbeeld, naar boven kijkend (naar zijn moeder?). ‘En ben dan zo bang dat die eenzaamheid zal blijven.’ Een traan biggelt inmiddels over zijn wang.

En zo wordt hij in deze hartveroverende filmklassieker opnieuw de man die genadeloos over je heen walst, waaraan je je kapot ergert en die je toch alleen – er is echt geen andere keus – in je hart kunt sluiten.

In Heb Me Lief, het portret van een kwetsbare Liesbeth List, is Ramses Shaffy natuurlijk ook prominent aanwezig.

Thunder Soul

Vrijwel alle Amerikaanse high school stage bands, die in de jaren zeventig aan muziekwedstrijden deelnamen, waren blank. En zo klonken ze ook: zo wit als maar zijn kon. Gladgestreken Duke Ellington- en Count Basie-evergreens. Gespeeld door ideale schoonzonen en –dochters. Bleekscheten met bloempotkapsels, in kreukvrije schoolkostuums. De Kashmere Stage Band was anders: zwart, om te beginnen. Uitbundige Afro-zwart, zeg maar. En dat hoorde je: funky as hell. Übercool. Zij speelden niets minder dan Thunder Soul (83 min.).

Dertig jaar later keren ze terug naar de repetitieruimte van de Kashmere-middelbare school in Houston voor een reünieconcert. Sommige van hen hebben in de tussentijd geen instrument meer aangeraakt. Ze zijn echter van heinde en verre gekomen om eer te betonen aan hun grote inspirator, muziekleraar Conrad O. ‘Prof’ Johnson. Maar dan moet er eerst nog flink geoefend worden, want de eerste sessie klinkt nergens naar. Bepaald nog niet als een ‘soultrain’ die genadeloos over je heen dendert en tóch zijn slicke beweginkjes en danspasjes op orde heeft.

Deze swingende documentaire van Mark Landsman uit 2010 documenteert hoe de mannen en vrouwen van middelbare leeftijd samen weer die geoliede machine van weleer proberen te vormen en terugkijken op de tijd die hen muzikaal vormde, maar komt ook voorbij die muziek: via repetities kregen de zwarte jongeren, kinderen van gesegregeerd Amerika, toentertijd lessen voor het leven mee. De vaderfiguur Johnson gaf hen zelfvertrouwen, structuur en een toekomstperspectief.

Diezelfde ‘Prof’ is inmiddels hoogbejaard en kampt met een zeer broze gezondheid. Voordat het te laat is, willen zijn voormalige leerlingen hem nog één keer laten zien wat ze hebben geleerd. Die hartroerende geste wordt in deze gesmeerde film met een lekker Hollywood-sausje uitgeserveerd. Dat werkt wel: deze feelgood-docu activeert zowel de hartslag als de traanklieren.

Coldplay: A Head Full Of Dreams

NTR

Begin de film alstjeblieft niet met een band die het podium oploopt, geeft Chris Martin regisseur Mat Whitecross mee bij de start van Coldplay: A Head Full Of Dreams (105 min.). Dat is immers al zoooo vaak gedaan. Verder legt de zanger zijn lot volledig in handen van de filmmaker die de Britse popgroep al sinds 1996 kent en filmt. Martin hoeft de documentaire ook niet te zien. Anders komt hij toch maar in de verleiding om allerlei oekazes uit te vaardigen over wat er wel en niet in mag.

Waarna Coldplay, gevolgd door de camera, het podium van een volgepakt stadion in Sao Paulo opstapt en die film kan beginnen… Dat wordt uiteindelijk toch een vrij conventionele popdocu over de opkomst van een toonaangevende band. Dat Whitecross er vanaf het prille begin bij was, toen de leden elkaar als aspirant-muzikant ontmoetten op University College, betaalt zich wel uit in fraaie opnames van de allereerste optredens van de groep die later onder de noemer Coldplay zal doorbreken én in vrijwel ongelimiteerde toegang als diezelfde band inmiddels wereldberoemd is.

Die insidersblik wordt gecompleteerd door de groepsleden zelf, die aan de hand van Whitecross’ beelden (volledig offscreen) terugblikken op hun carrière. Het grote gebaar, waarmee ze de aarde veroverden, zat er vanaf het begin in. Net als, zeker bij Chris Martin, grote ambities. Al in 1998, toen zijn band nog gewoon een bandje was, voorspelde de frontman op camera dat Coldplay binnen de kortste tijd ‘een gigantische band’ zou zijn. ‘Over vier jaar zie je dit op de nationale televisie.’ In 2002, op de kop af vier jaar en drie dagen later, was de groep de hoofdact van het Glastonbury-festival.

In de navolgende jaren zouden er nog vele pieken volgen, maar ook diepe dalen en felle kritiek (‘muziek voor bedplassers’, aldus Oasis-ontdekker Alan McGee). Die worden in deze lijvige autobiografie stuk voor stuk grondig nagelopen. En dan, helemaal aan het eind, als alles is gezegd en elke hit is gespeeld (en luidkeels meegezongen), lopen ze na een diepe buiging naar het euforische publiek en de verplichte groepsknuffel onder een ovationeel applaus van het podium af en begint de aftiteling te lopen…

Koplopers X Stefania

William Rutten / VPRO

Ze zong al bij De Voice Kids, was lid van Kinderen Voor Kinderen en mocht met de meidengroep Kisses in 2016 deelnemen aan het Junior Eurovisiesongfestival in Malta (waar het slim samengestelde trio een verdienstelijke achtste plek veroverde).

Het zal aan veel volwassenen voorbij zijn gegaan. Tenzij ze jonge kinderen hebben. Want daarvoor is Stefania al enkele jaren een gedroomde BFF. Een tienersterretje, dat dagelijks is te bewonderen via YouTube, TikTok of Zapp. Ze speelde natuurlijk ook in allerlei speelfilms en tv-series.

Dit jaar zou Stefania de oversteek naar een volwassen publiek gaan maken. Ze bleek van achteren namelijk Liberakakis te heten. Grieks, juist. En dat land zocht nog een deelnemer voor het Eurovisie Songfestival, dat dit jaar niet geheel toevallig in Nederland zou plaatsvinden.

Enter de jeugddocu Koplopers X Stefania (15 min.), waarin de Utrechtse zangeres wordt gevolgd tijdens haar voorbereidingen op de performance die haar (inter)nationale doorbraak kan betekenen. Iedereen weet inmiddels hoe dat zal aflopen. Althans voorlopig.

Filmmaakster Cassandra Offenberg legt de weg die de zangeres moet afleggen naar Rotterdam van dichtbij vast: de besprekingen met haar management, oefensessies met ‘de beste choreograaf van Griekenland’ en contacten met vriendje Jannes (die zelf in de boyband Fource zit).

Al te veel diepgang krijgt dat niet. Deze korte docu is vlot en aanstekelijk gemonteerd en smaakvol aangekleed, maar komt slechts beperkt onder de waterlijn bij de jeugdige ster. Het onderscheid met de filmpjes die de Stefania’s van deze wereld zelf al rondsturen is daardoor niet héél evident.

Ook als, in de tweede helft van het portretje, de actualiteit Stefania’s plannen begint in te halen (‘ik haat het dat ‘t in mijn documentaire komt, dat woord Corona’) blijft het tienermeisje Stefania een beetje verborgen achter de gelijknamige artieste.

De Kift: Water Wieg Me – Een Muzikale Ode Aan De Droefenis

NTR

Schrijven begint met luisteren. Het opzuigen van verhalen, er vervolgens even op kauwen en ze dan weer op geheel eigen wijze uitspugen. In teksten, in muziek. Ferry Heijne, zanger van de ‘poëtische fanfarepunkband’ De Kift, vaart letterlijk uit om persoonlijke getuigenissen van buitengewone gewone Nederlanders op te tekenen.

Met zijn boot belandt hij in De Kift: Water Wieg Me – Een Muzikale Ode Aan De Droefenis (53 min.) bijvoorbeeld bij Bas. De man rouwt om het verlies van zijn twintigjarige dochter Belle, die enkele jaren geleden tijdens een wandeling in het park werd getroffen door een blikseminslag. Heijne verwerkt diens ervaringen in een verklanking van het gedicht Melopee van Paul van Ostaijen. Over de vergankelijkheid van het bestaan.

‘Langs het hoogriet / Langs de laagwei / Schuift de kano naar zee / Schuift met de schuivende maan de kano naar zee’

In deze fraaie, gestileerde film van Sanne Rovers ontmoet Ferry Heijne verder een Iraakse schrijver die dreigde te verpieteren in een asielzoekerscentrum, een vrouw met liefdesverdriet én een woonboot en een oudere man die voelt dat zijn lichaam stilaan begint te haperen. En onvermijdelijk komt Heijne onderweg ook zichzelf tegen – en zijn vader, die bijkans bij toeval ook jarenlang deel uitmaakte van De Kift.

En als de hoofdpersonen uiteindelijk te horen krijgen wat Ferry en zijn muzikale kompanen, die her en der, als vanzelfsprekend, in het oer-Hollandse decor opduiken om hun muziek ten gehore te brengen, van hun getuigenissen hebben gemaakt, vloeien beeld en muziek helemaal samen tot een lekker melancholische lofzang op het leven.

The Changin’ Times Of Ike White

VPRO

Volgens kenners had hij de potentie om de nieuwe Jimi Hendrix te worden, die toen net was overleden. Een virtuoze gitarist. Multi-instrumentalist zelfs. Soulvolle zanger, begenadigde songschrijver en muzikant met een geheel eigen visie bovendien. Één probleem: optreden kon niet. Ike White zat achter de tralies, in de beruchte San Quentin-gevangenis. Veroordeeld tot levenslang vanwege de moord op een winkelmedewerker.

The Changin’ Times Of Ike White (79 min.) ontrukt deze grillige artiest, die halverwege de jaren zeventig vanuit de gevangenis debuteerde met de elpee Changin’ Times, aan de vergetelheid. Als het leven anders was gelopen, had hij wellicht de status van generatiegenoten als Hendrix, Sly Stone of Stevie Wonder (met wie White kortstondig samenwerkte) kunnen verwerven. Zo zou het niet lopen, al kwam hij nog wel vrij: op 5 februari 1978 openden de gevangenisdeuren zich. Na veertien jaar eindigde Ike’s detentie, maar niet lang daarna verdween hij volledig uit beeld.

Regisseur Daniel Vernon gaat op zoek naar de man die na zijn gevangenschap een andere naam aannam en ontrafelt met de geliefden en kinderen die hij heeft achtergelaten het uiteindelijk toch tamelijk tragische levensverhaal van rasmuzikant, vrouwenverslinder en ‘zijn eigen grootste vijand’ Ike White. Hij kan daarbij een beroep doen op ’s mans privé-archief en heeft enkele cruciale gebeurtenissen uit zijn leven bovendien met animaties verbeeld.

Ike bleef weg lopen voor zijn verleden, luidt op basis daarvan de conclusie. Voor zichzelf ook, waarschijnlijk. Zonder ooit een klassieker als Hey Joe of Purple Haze achter te laten. Alleen beduimelde geluidsopnames, talloze rekwisieten en herinneringen, heel veel herinneringen. Aan een man met vele gezichten, die zijn potentieel nooit helemaal waarmaakte.

Liesbeth List – Heb Me Lief

https://www.deborahvandam.nl/projects/liesbeth-list-heb-me-lief

‘Onopgemaakt ben ik Elly Driessen’, zegt de zangeres, terwijl ze zich in de openingsscène van deze documentaire zorgvuldig opmaakt. ‘En met make-up is ’t het Liesbeth List-gezicht.’ Haar karakteristieke zangstem weerklinkt. ‘Als een boom die is ontworteld. Door de adem van de tijd losgerukt uit de grond onder mijn voeten ben ik herbeplant op onbekend terrein.’ Waarna de titel van de film uit 2006 in beeld verschijnt: Liesbeth List – Heb Me Lief (52 min.).

‘Het ontbreekt me eigenlijk aan niets’, zingt ze vervolgens, op het podium van alweer een theater. ‘Maar toch: ik hoor niet hier.’ Het is geen toeval dat filmmaakster Deborah van Dam haar portret van List juist met dit lied start. Het refereert aan het centrale drama uit haar leven: de zangeres bracht haar jongste jaren door in een jappenkamp in Nederlands Indië. Na de dood van haar moeder werd ze op zevenjarige leeftijd door haar vader achtergelaten bij Jaap List, de vuurtorenwachter van Vlieland. Elly Driessen werd Liesbeth List.

En die kreeg, als geen ander, van doen met Ramses. Altijd weer Ramses (in wiens docu Ramses: Où Est Mon Prince ze ook prominent aanwezig was). De weergaloze chansonnier, flamboyante mediapersoonlijkheid en onverbeterlijke drinkebroer. Ramses Shaffy, de (onbeantwoorde) liefde van Lists leven. Deze film bevat een fijne scène waarin ze met Ramses, inmiddels een breekbare oude man, een prachtige nieuwe versie van diens klassieker Laat Me opneemt met Alderliefste. De oude magie herleeft. Voor haar theatervoorstelling Dichterbij Liesbeth werkt de grand old lady daarnaast vanzelfsprekend samen met Beau van Erven Dorens, Bastiaan Ragas en wijlen Antonie Kamerling.

Intussen herontdekt Liesbeth List in deze film, allereerst met frisse tegenzin, haar eigen verleden als Elly Driessen. Waarbij het afgewezen kind altijd zichtbaar blijft in de volgroeide vrouw, die zich hier van haar kwetsbaarste kant toont. Als halfzus van een ander kind van haar vader, maar ook als moeder van haar eigen dochter Elisah. Gevoelens die perfect zijn vervat in een tekst die Freek de Jonge voor haar schreef: ‘En nu ben ik moeder. Moeder dan mijn moeder. Meer moeder dan mijn moeder. Ooit heeft kunnen zijn.’ Daarmee bewijst List/Driessen haar moeder Corrie, die ze eigenlijk nooit heeft leren kennen, op passende wijze eer.

En als apotheose voor dit portret, dat de essentie van de vrouw blootlegt, leeft de zangeres zich uit in een gedragen interpretatie van Frank Boeijens De Verzoening, met de sleutelwoorden die ook haar eigen leven lijken te domineren: Heb Me Lief.

De documentaire Liesbeth List – Heb Me Lief is hier te bekijken.

De Dijk – Hou Me Vast

NTR

De knuppel gaat in het hoenderhok. Huub van der Lubbe vraagt zich af of ze het bijltje er niet bij neer moeten gooien. Dertig jaar lang was spelen met De Dijk het allerleukste wat hij deed. Op dit moment kan de zanger echter nog wel een paar andere dingen bedenken, die hij ooit eens wil doen. De rest kan z’n oren nauwelijks geloven: ‘die eikel’ gaat hun band toch niet opblazen?

Deze heikele kwestie vormt het startpunt voor de documentaire De Dijk – Hou Me Vast (83 min.) uit 2011, waarvoor Suzanne Raes de nederpopgroep, aan de vooravond van het dertigjarige jubileum, een veelbewogen jaar lang volgde. In de steeds terugkerende beelden vanuit het spreekwoordelijke tourbusje, waarmee ze het land blijven doorkruisen, ogen de mannen nog steeds als een echt bandje.

Jongens onder elkaar. Van dik in de vijftig. Jongetjes nog, stiekem. Als ze door soullegende Solomon Burke worden benaderd om samen een plaat op te nemen, bijvoorbeeld. Die invitatie leidt onder anderen tot een prachtige scène als de bandleden, los van elkaar, de eerste gezamenlijke opname Hold On Tight terugluisteren. Zo trots als een hond met zeven lullen.

En dan wil de held ook nog met hen gaan optreden. Aan de einder gloort een Amerikaanse tournee. Dat zou een wedergeboorte zijn voor de band, die al zeker zeven levens had. De ogen van de oude rotten beginnen ervan te glinsteren. En dan slaat het noodlot toe en moeten de eeuwige jongens opnieuw schakelen.

‘Je kan de blues wel willen verlaten’, zingen ze zelf in een nummer waaraan tijdens de filmopnames druk wordt gesleuteld. ‘Maar de blues verlaat jou nooit.’ Raes krijgt de interne machinerie van de groep intussen stevig te pakken – de onderlinge concurrentie bijvoorbeeld, die tot de beste liedjes leidt – en kijkt zeer goed om zich heen in de oefenruimte, kleedkamer en studio.

Met die gedegen aanpak legt ze het grote, bloedende en nog altijd wild kloppende hart van De Dijk moeiteloos bloot.

De Dijk – Hou Me Vast is hier te bekijken.

Everybody’s Everything

Netflix

‘Lieve kleinzoon, mijn profeet, mijn getatoeëerde poëet, de lieverd’, schrijft Jack ‘Pack Ack’ Womack aan zijn kleinzoon Gustav Elijah Åhr, alias rapper Lil Peep. ‘De wonden die je vader je gaf, genas God niet, maar hij sloot ze, mogelijk als littekens, zodat je de kracht kreeg tegen hem op te komen voor jezelf. Om als een jongen je onafhankelijkheid te verklaren en om te zorgen dat je jezelf kon worden.’ De brieven van opa aan ‘Gus’ fungeren als structurerend element voor deze hartroerende film over het Amerikaanse megatalent, dat op 15 november 2017, twee weken na zijn 21e verjaardag, bezweek aan een overdosis.

Everybody’s Everything (115 min.) is een gelaagd portret van Lil Peep, met een uitgebreide sprekerslijst: van zijn moeder, grootouders en (ex-)vriendinnen tot samenwerkingspartners, collega’s en deskundigen. Iedereen, behalve zijn vader. Gezamenlijk proberen ze de vinger te leggen op het woelige bestaan van die expressieve jongen met de opvallende (gezichts)tatoeages (waaronder een net iets te groot uitgevallen ‘crybaby’ boven zijn rechteroog), die volgens zijn oma vooral waren bedoeld om een outsider van hem te maken. Uit een vreemd soort zelfbescherming. Om te voorkomen dat hij ooit voor een reguliere baan in aanmerking zou komen. Tegelijkertijd hield hij er ook nog opmerkelijke doelen op na als ‘het kapitalisme uit de muziekbusiness halen’.

Deze meeslepende film van Sebastian Jones en Ramez Silyan put uit een kortstondig, maar met kinderfilmpjes, backstage-video’s en vlogs uitbundig gedocumenteerd leven en is daarmee in zekere zin een logisch vervolg op de dramatische biopics van jeugdhelden van eerdere generaties, zoals Kurt Cobain, Amy Winehouse en Avicii: jonge, buitengewoon getalenteerde en zeer getroebleerde mensen die de uitersten van het bestaan blijven opzoeken en zichzelf zo onherroepelijk naar de gallemiezen helpen. Lil Peep lijkt iemand die zichzelf niet wilde zijn. Die zichzelf niet kón zijn. En die dus, en plein publique, helemaal kapot ging. Via zelfverdoving en zelfverminking naar – te langen leste – zelfdestructie.

Je zou tegen deze documentaire kunnen inbrengen dat de persoon Gus Åhr een beetje wordt geïdealiseerd en dat de film een erg lange aanloop neemt naar het drama dat zich uiteindelijk ontvouwt, maar die opzet zorgt er wel voor dat je echt iets krijgt met de jongen achter Lil Peep, zijn openhartige ‘emo-hiphop‘ en de bijbehorende subcultuur, gepersonifieerd door de onvermijdelijke entourage van (pseudo-)vrienden, uitzuigers én klaplopers. Jones en Silyan krijgen er weliswaar niet helemaal de vinger achter wat Gus precies dwarszat en de kop heeft gekost, maar blijven tegelijkertijd ook behoorlijk uit de buurt van de speculaties die openbare, turbulente en vroegtijdig in de knop gebroken levens zoals dat van Lil Peep nu eenmaal altijd omgeven.

Everybody’s Everything, over een jongen die in slechts 21 jaar meer pieken en dalen kende dan een gemiddelde honderdjarige en die daarna met donderend geraas definitief tot stilstand kwam, stemt niet per definitie vrolijk. ‘Ik denk dat het alleen zal helen op een manier dat de pijn nooit zal weggaan’, zegt opa tot besluit. De oorspronkelijke schok zwakt volgens hem af, maar ineens kan iets kleins ervoor zorgen dat hij kleine Gus weer springlevend voor zich ziet. Pack Ack zucht hardop en neemt een ogenblik adempauze. ‘Het grijpt je aan.’ En daarmee vat hij ook deze prachtfilm treffend samen.

De Vlucht Van Ronnie

VPRO

‘Elke ochtend word ik wakker met tien aanvragen voor hulp..’, verzuchtte de Nederlandse rapper/producer Ronnie Flex eerder deze week op Twitter. ‘Mijn docu komt volgende week uit.. ga het checken dan ga je zien dat ik jouw hulp nodig heb.’

Die hulpvraag heeft zonder twijfel te maken met het vaderschap. Hoe moet Flex het jonge hondenbestaan dat hij altijd heeft geleid combineren met de behoeften van een kind, dochter Nori Dua? Die afstemming kost Ronell Plasschaert de nodige moeite. ‘Ga je roken?’ vraagt zijn ex-vriendin bijvoorbeeld als hij er tijdens een bezoekje aan het tweetal even tussenuit piept. ‘In welk jaartal ga je stoppen?’

Even later babbelen vader en moeder ogenschijnlijk ontspannen over dat hun dochter toch echt worteltjes moet eten, niet de favoriete bezigheid van de nederhopper. ‘Aan tafel moet ik sowieso groenten gaan doorslikken voor haar ogen, ook al wil ik het niet’, zegt Ronnie, vooral tegen zichzelf. ‘Maar ja, op een gegeven moment, als zij oud genoeg is, moet zij ook wel begrijpen: Papa wil dat niet, maar ik moet het wel.’

Flex lacht er wat bedremmeld bij. Als de jongen die hij ook nog gewoon is, getuige De Vlucht Van Ronnie (51 min.) van regisseur Sacha Vermeulen, die de rapper in 2017 al eens portretteerde in de documentaire Ronnie Flex: Alleen Met Iedereen. Een jongen met een enorme voorliefde voor ‘jonko’ bovendien: zonder pretsigaret komt er nauwelijks iets uit zijn handen.

Dat begint hij zelf ook wel als problematisch te zien, maar stoppen is gemakkelijker gezegd dan gedaan – ook al komt de peptalk in dit geval van Ali B. De vlucht van Ronnie ontwikkelt zich zo tot een klassiek coming of age-drama over een jongen die móet opgroeien. Of hij dat nu wil of niet. En, omdat hij nu eenmaal een Bekende Nederlander is, ook nog eens in het openbaar.

Vermeulen maakt zich intussen heel klein en legt Plasschaerts persoonlijke proces, met vallen en opstaan, gedurende een jaar van héél dichtbij vast. Zo vangt ze ook de somberte en existentiële eenzaamheid van de rapper, die misschien wel meer hulp nodig heeft dan hij zelf door heeft, om definitief een begin te kunnen maken met het andere leven dat hij zegt te willen.

De Vlucht Van Ronnie is hier te bekijken.

Raymond!

NTR

‘Wat bent u?’ vraagt een jongetje als Raymond van het Groenewoud, achtervolgd door een cameraploeg, het schoolplein van de Amsterdamse Montessori school oploopt. ‘Ik zing’, antwoordt die goedgeluimd. ‘Een zanger dus. Een Belgische zanger.’ Een meisje wil weten waarom hij dan in Nederland is. ‘Omdat ik hier naar school ging toen ik zeven of acht jaar oud was’, antwoordt Van het Groenewoud vriendelijk. ‘In de Tweede Wereldoorlog?’ wil een jongen weten. ‘Nee, nee, na de Tweede Wereldoorlog’, reageert hij ad rem. ‘Vóór de volgende.’

En daarmee is de toon gezet voor dit lekker scherpe portret van de Vlaamse muzikant, die zijn wortels in Nederland heeft liggen. In Raymond! (60 min.) onderneemt Van het Groenewoud een onvervalste trip nostalgia langs de plekken die zijn leven en carrière hebben gevormd. Wat begint als een weemoedige stroom van herinneringen (versterkt met fraaie uitvoeringen van sleutelliedjes op locatie, begeleid door Golden Earring, Black Box Revelation en Triggerfinger) mondt uiteindelijk uit in een bij vlagen tamelijk schrijnend (zelf)portret, zeker als zijn zoons en ex-geliefden als de zussen Mie en Nana de Backer aan het woord komen.

Er is een voorkant, stelt zijn laatste echtgenote Sigrid Spruyt. Een prachtig, imposant en wondermooi oeuvre. ‘Maar als je omkijkt en je kijkt naar de achterkant, dan zie je natuurlijk de puinhopen die het gekost heeft om dat op te bouwen. Je zou het als een soort seriemoord op relaties kunnen zien.’ Van het Groenewoud zelf beaamt dit min of meer. Het was een keuze tussen: ‘Wil ik het juiste leven, waarbij ik pijn doe? Of wil ik geen pijn doen en daardoor scheefgetrokken leven?’ Hij heeft het antwoord geformuleerd dat veel kunstenaars geven. ‘Dan heb ik eigenlijk op den duur altijd gekozen voor: ik wil het juiste parcours doen. Ook als het vreselijk veel pijn doet of kan doen.’

Zo kenschetst filmmaker Karel van Mileghem in Raymond! trefzeker de somberaar achter de songschrijver. Van het Groenewouds composities krijgen daardoor nog eens extra lading. En ’s mans songboek bevat ook genoeg luchtige bijdragen (waaronder zijn gospelhit Liefde Voor Muziek, die hij uitvoert op het schoolplein van het atheneum, waar hij in de jaren zestig acht jaar nodig had om uit te vinden dat hij er helemaal niets te zoeken had) om ervoor te zorgen dat dit portret nooit al te zwaarmoedig wordt.

DeWolff In Europa

NTR

Een cassetterecorder, een synthesizer en een drumsampler. Geen voor de hand liggend instrumentarium voor een band, die het liefst aan het eind van de jaren zeventig een strik om de toenmalige rockmuziek zou hebben gedaan, zodat die vervolgens eindeloos kon worden bewonderd. DeWolff, Limburgse geestverwant van klassieke supergroepen als Led Zeppelin en Deep Purple, wilde het ditmaal alleen eens anders doen. Niet zomaar album numero acht of negen afleveren. Ditmaal dus: géén gitaarversterker, Hammondorgel of drums.

Én schrijven en opnemen tijdens een Europese tournee. De dode uurtjes vullen. In de bus, kleedkamer of gewoon langs de kant van de weg. Met een brakke 4 sporen recorder, die voortdurend de geest dreigt te geven. Totale kosten: nog geen vijftig dollar. En heel veel bloed (nou ja!), zweet en tranen. Het resultaat, Tascam Tapes, ligt inmiddels in de winkel. DeWolff In Europa (59 min.) brengt de totstandkoming daarvan in beeld. Een tv-docu van Marcel de Vré, samengesteld uit maar liefst driehonderd uur beeldmateriaal dat de band zelf ‘on the road’ heeft geschoten.

De Vré houdt de lotgevallen van de rondreizende band en hun haperende opnameapparaat bij elkaar middels interviews met de gebroeders Pablo en Luca van der Poel en hun strijdmakker Robin Piso. Daar put hij wel wat enthousiast uit. Deze roadmovie is werkelijk dichtgeplamuurd met quotes. De opnames voor album numero acht of negen raken daarbij soms wat op de achtergrond, ten faveure van verzuchtingen van de DeWolffers, oude mannen in jonge lijven, over ‘de muziek van tegenwoordig’ en een tamelijk stereotiepe impressie van het tourleven, die uiteindelijk geen échte wanklank toelaat.

De geestdrift van de bandleden, en de drive waarmee ze ook de opnames voor die nieuwe langspeelplaat aanvliegen, vergoedt veel en geeft de hap-slik-weg tourfilm een aanstekelijk Kuifje In Europa-gevoel – en bezorgt de kijker vast zin om ze eens live te gaan zien.

In 2011 maakte Carin Goeijers ook al een film over de toen nog piepjonge retrorockband. De documentaire DeWolff werd vertoond op het IDFA en is nog altijd hier te bekijken op de website van de Limburgse regionale omroep L1.