Hard

Danielle van den Boogaard / PowNed

Over één ding zijn alle betrokkenen in Hard (151 min.) het wel eens: hardcore is eind jaren tachtig in Nederland ontstaan. Maar waar precies? In Amsterdam, op de illegale raves van Ray Oostendorp? Of toch in het Rotterdamse Parkzicht, met de feesten van DJ Rob? Deze rivaliteit werd destijds door de Euromasters van de Rotterdamse DJ Paul Estak al vervat in de single Amsterdam Waar Lech Dat Dan? (1992). Het was vooral een kwestie van ‘morphic resonance’, meent Dov Elkabas, alias DJ The Prophet. Er hangt iets in de lucht, dat er op verschillende plekken min of meer tegelijkertijd wordt uitgeplukt. Zonder dat ze het van elkaar weten.

Deze vierdelige serie van Arne van Terphoven en Duco Coops brengt met insiders de historie van Nederlandse hardcore en hardstyle in kaart en vormt daarmee een welkome aanvulling op de internationale productie Can You Feel It – How Dance Music Conquered The World en de Nederlandse serie 30 Jaar Dutch Dance. Na de baanbrekende avonden en illegale feesten van de formatieve jaren worden het genre en de bijbehorende scene via (outdoor)evenementen als Eurorave, Hellraiser en Thunderdome snel volwassen. Een derde van de Nederlandse jongeren identificeert zich halverwege de jaren negentig als gabber. Daarna gaat het echter snel bergafwaarts.

Er ontstaat een commerciële variant, happy hardcore, die bepaald niet door iedereen wordt gepruimd. Als de pionier Paul Elstak enkele hits scoort, beschouwen puristen dit als verraad. Hij moet zelfs beveiligd worden. Tegelijk wordt gabber alom gepersifleerd, een logisch gevolg van de vercommercialisering van de muziek en levensstijl die ooit underground waren. ‘Daar hebben wij ook aan meegewerkt’, erkennen Duncan Stutterheim en Irfan van Ewijk van ID&T, het bedrijf achter het Thunderdome-merk. Gabber is dood, schreeuwt de cover van het tijdschrift Update Magazine zelfs in die tijd. Tegelijk wordt zo ook de weg vrijgemaakt voor een nieuw subgenre, hardstyle.

In de tweede helft van deze straffe miniserie, waarin de randzaken die vaak met hardcore worden geassocieerd veelal links blijven liggen, tonen Van Terphoven en Coops hoe de Nederlandse bedrijvigheid intussen uitgroeit tot een internationale miljoenenbusiness, met eigen helden zoals Brennan Heart en Dr. Peacock. Dat is een aantrekkelijk verhaal, verlevendigd met smeuïge anekdotes en beelden van het betere hak- en zaagwerk op feesten en festivals. Het lijkt ook een mannenverhaal. Behoudens Lindsay van der Eng, ofwel DJ Korsakoff, komen er nauwelijks vrouwen aan bod in deze terugblik op de ontstaansgeschiedenis van een belangrijk Nederlands exportproduct.

Vluchten kan inmiddels écht niet meer, om de nederpopklassieker van Frans Halsema en Jenny Arean te parafraseren, de lekker ludieke start van Hards slotaflevering.

Wham! 10 Days in China

Martin Goddard / AVROTROS

Het is de grote droom van de Britse zanger George Michael, halverwege de jaren tachtig nog de ene helft van het popduo Wham!, om in Amerika door te breken. Maandenlang touren in de Verenigde Staten ziet hij echter niet zitten. Manager Simon Napier-Bell bedenkt een list: een bezoek aan China, het communistische land dat sinds mensenheugenis vrijwel onbereikbaar is voor westerlingen, zal beslist veel aandacht genereren en die Amerikaanse ambities binnen handbereik brengen. Andrew Ridgeley, de andere helft van Wham!, ziet er alleen weinig in. Hij vindt het maar een riskante onderneming, vertelt ie in de tweedelige docu Wham! 10 Days In China (91 min.).

Die titel impliceert al dat de trip er toch is gekomen. Met Ridgeley en andere leden van Team Wham! – George Michael, die in 2016 overleed, natuurlijk uitgezonderd – reconstrueert Mike Christie deze reis naar de andere kant van de wereld. Ook de Britse roddelpers, met wie dan nog vooral Ridgeley een moeizame relatie heeft, sluit aan. Want de strapatsen van Wham! zijn natuurlijk eerst en vooral een publiciteitsstunt, om via een ideologische opponent de VS open te breken. Teneinde de kosten te drukken moet er ook een documentaire, gemaakt door de gerenommeerde filmmaker Lindsay Anderson, opgenomen worden – en dat is dus niet dit tweeluik.

De cultuurclash die Anderson voor ogen had, is er overigens wel degelijk in te herkennen. Ingepast in het verhaal van de boezemvrienden George en Andrew, dat onlangs ook al in de documentaires Wham! (2023) en Wham! The Story Of Last Christmas (2024) is vervat. Het ongemak waarmee de twee Britten, gadegeslagen door journalisten en fotografen uit eigen land, zich door China bewegen, wordt door Christie gepaard aan de reactie op hen van gewone Chinezen. Stoïcijns voor zich uit starende mannen, die voor het eerst hun muziek horen. Concertgangers die stil blijven zitten en niet weten hoe ze moeten meeklappen. En een enkeling die zich dan, in weerwil van de plaatselijke regels, toch helemaal laat gaan – en prompt wordt gearresteerd.

‘Het was een soort raam’, herinnert Cui Jian zich. ‘En op het moment dat je dat raam opendoet, zie je dat de wereld groter is.’ Net als andere Chinese concertbezoekers zal hij later zelf carrière maken als artiest. In die zin lijken de optredens van Wham! in Beijing en Guangzhou op dat legendarische Sex Pistols-concert in het Manchester van 1976, waarover het verhaal gaat dat elke afzonderlijke aanwezige daarna z’n eigen punkband begon. En net als Johnny Rotten en de andere Pistols worden George Michael en Andrew Ridgeley permanent met argusogen bekeken door de Britse pers. Enkele journalisten hebben natuurlijk ook hun giftige pen meegenomen.

De beelden voor Lindsay Andersons documentaire, die uiteindelijk achter slot en grendel zouden belanden, brengen de driehoeksverhouding tussen Wham!, China en de media overtuigend in kaart en vormen meteen een treffend tijdsbeeld. Ruim veertig jaar na dato laten ze bovendien nog eens zien hoe getalenteerd George Michael, die later definitief een wereldster zou worden als soloartiest, als jonkie al was.

Sexy Baby

Filmbuff

Of ze nu 12, 22 of 32 zijn, de drie vrouwelijke hoofdpersonen van Sexy Baby (83 min.) krijgen elk op hun eigen manier te maken met de seksualisering van de wereld waarin zij leven. Jill Bauer en Ronna Gradus tonen hoe Amerikaanse meisjes en vrouwen in videoclips, op sociale media en in porno continu worden geconfronteerd met expliciete beelden van hoe zij eruit moeten zien en hoe ze zich dienen te gedragen.

Myrtle, het vierjarige zusje van de vroegwijze New Yorkse puber Winnifred (12), heeft de boodschap ook al begrepen, zo blijkt in de openingsscène van deze prikkelende documentaire uit 2012. Ze danst lekker mee met de sexy clip van Lady Gaga’s Pokerface en blijkt bovendien fan van ‘Britney Bitch’. Ze refereert daarbij, zo wordt al snel duidelijk, aan de openingsregel van de Britney Spears-hit Gimme More: ‘It’s Britney, bitch.’

Haar oudere zus weet intussen heel goed hoe het wél moet. Tenminste, volgens haar gescheiden ouders Ken en Jennifer en hun sociale kring. ‘Mensen weten meer over Paris Hilton en Lindsay Lohan dan over Susan B. Anthony en Ruth Bader Ginsberg’, debiteert de Joods-Amerikaanse tiener netjes in een theaterstuk, dat is gebaseerd op persoonlijke ervaringen van meisjes uit haar toneelgroep. ‘En dat moet maar eens veranderen.’

Dat het leven niet zo eenvoudig is, blijkt als Winnifred desondanks sexy foto’s op haar Facebook-pagina heeft gepost. Daarmee verkent ze in zekere zin het terrein waarop Nichole (32) al kind aan huis is. Zij maakte naam als de (paaldansende) pornoster Nakita Kash en haalde zo zelfs het televisieprogramma America’s Got Talent. ‘Vrouwen willen Nakita Kash zijn’, zegt zij (ont)nuchter(end). ‘Terwijl ik gewoon één van hen wil zijn.’

Veel van wat porno je voorschotelt ziet er goed uit, legt Nichole uit. Dat betekent nog niet dat het ook goed voelt. Het is volgens haar ‘sport fucking’, het neerzetten van een prestatie. Pornificatie. En dat is volgens de ex-pornoster iets totaal anders dan de liefde bedrijven. Het duurde overigens even voordat ze dit in haar eigen relatie met Dave doorkreeg. Nu proberen zij samen zwanger te worden. Dat gaat alleen nog niet vanzelf.

Hulponderwijzeres Laura (22) tenslotte is duidelijk niet ongevoelig voor de ideaalbeelden die op vrouwen en seks worden geprojecteerd. Ze meldt zich met ‘labia envy’ bij een plastisch chirurg voor wat zomaar een scène uit Sunny Bergmans baanbrekende docu Beperkt Houdbaar (2007) had kunnen zijn. Ze wil een ‘designer vagina’. Haar moeder Terry snapt het niet helemaal, maar steunt Laura door dik en dun.

Dochterlief kan niet wachten op de eerste keer seks, zegt ze, met een lichaam waarop ze daadwerkelijk trots kan zijn. Het is de tragiek van een generatie meisjes en vrouwen die permanent wordt geconfronteerd met vrijwel onbereikbare ideaalbeelden, tonen Bauer en Gradus. Zij hadden destijds, zo’n vijftien jaar geleden, er vast alleen een vermoeden van dat ook jongens en mannen daaraan massaal ten prooi zouden gaan vallen.

Boy George & Culture Club

VPRO

De popdocu Boy George & Culture Club (95 min.) had een routineus verhaal over de opkomst en ondergang van het zoveelste bandje kunnen worden, verteld door de vier leden, inmiddels mannen van dik in de zestig. Culture Club begon eind jaren zeventig namelijk net als al die andere: met de droom om met hun liedjes, de weerslagen van hun eigen leven, de wereld te veroveren.

Bassist Mikey Craig had gehoord dat George O’Dowd, die later furore zou maken onder de naam Boy George, was ontslagen uit de populaire popgroep Bow Wow Wow en vroeg of hij met hem een nieuwe band wilde beginnen. Dat zag de androgyne zanger inderdaad wel zitten. Het overkwam hem allemaal, stelt George nu. Lachend: ‘Omdat ik een oogje had op de drummer.’

Even later wordt dat bandlid, Jon Moss, daadwerkelijk als een onweerstaanbare Adonis geïntroduceerd in deze documentaire van Alison Ellwood. Het was, zo lijkt de implicatie, liefde op het eerste gezicht tussen die twee. Stiekem, dat wel. Toen moest er alleen nog een (nieuwe) gitarist worden gezocht. ‘Het was niet mijn schuld’, grapt Roy Hay bij zijn entree in de film. ‘Het waren die andere drie.’

Culture Club schopte het al snel tot het populaire televisieprogramma Top Of The Pops. Dat optreden zorgde ervoor dat de Britse groep tegelijk immens populair werd en alweer uit elkaar begon te vallen. Want Boy George bleek zó’n aantrekkelijke en spraakmakende verschijning dat de anderen al snel werden gereduceerd tot ogenschijnlijk willekeurige begeleiders. Tot hun grote frustratie.

De archiefbeelden uit die periode spreken voor zich. Als de blikvanger van het Britse viertal tijdens een persconferentie per ongeluk spreekt over ‘mijn album’, wordt hij direct gecorrigeerd. ‘Ons album.’ Toen Boy George en Moss in 1984 vervolgens zonder de andere twee participeerden in de Band Aid-benefietsingle Do They Know It’s Christmas?, waren de rapen helemaal gaar.

En daarna stond ook Live Aid nog op het programma, de nagel aan de doodskist van de groep die simpelweg een vehikel voor het queer-icoon Boy George leek te zijn geworden. Hij had zelf intussen andere sores, die breed werden uitgemeten in de Britse pers. En daaraan ging, zo blijkt aan het eind van dik negentig vermakelijke minuten Culture Club, niet alleen de band bijna ten onder.

The Disciple: A Wu-Tang Fable

Cilvaringz (l) & RZA (r) / Netflix

Het verhaal van Tarik Azzougarh heeft iets van een jongensboek. Hij groeit op in Tilburg in ‘The Netherlands’, in een flat, zestien verdiepingen hoog, aan de noordkant van de Brabantse stad. Een Marokkaanse-Nederlands jongetje, dat in zijn tienerjaren volledig in de ban raakt van de toonaangevende Amerikaanse hiphopgroep The Wu-Tang Clan. Onder de naam ‘Cilvaringz’ droomt hij ervan om zelf als rapper en producer deel uit te gaan maken van deze negenkoppige crew. Het lijkt simpelweg een kwestie van tijd voordat hij de deksel op zijn neus krijgt.

De superfan trekt z’n stoutste schoenen aan, vertrekt naar Staten Island in New York en geeft daar een tape af voor Wu-Tangs grote roerganger RZA. En de rest is geschiedenis – al moet de Clan daarvoor eerst nog naar Amsterdam komen, Tarik in 1997 een plek bij hen op het podium bemachtigen en ook nog meermaals hun hoofdkwartier bezoeken. Het is een aansprekende geschiedenis, verteld in de Amerikaanse documentaire The Disciple: A Wu-Tang Fable (106 min.) en vooraf ongetwijfeld talloze malen gevisualiseerd – gemanifesteerd, zo je wilt – door dat immigrantenkind uit, of all places, Tilburg-Noord.

Niet veel later in deze film van Joanna Natasegara zit de Wu-Tang Clan-fan, samen met zijn Nederlandse muziekvrienden, in de studio met z’n grote held. Die legt de lat hoog. ‘Ik wil geen stel klonen die mij gaan nadoen’, stelt RZA. ‘Daar hebben we allebei niets aan.’ De twee gaan vervolgens alsmaar inniger samenwerken. Dit culmineert uiteindelijk in het album Once Upon A Time In Shaolin. Daarvan wordt welgeteld één exemplaar gemaakt. Een uniek kunstwerk, zo is het idee, dat zal worden verkocht aan één enkele verzamelaar, die voor 88 jaar het exclusieve recht krijgt om de muziek te beluisteren.

Cilvaringz’ geesteskind, ‘het eerste geprivatiseerde muziekalbum ter wereld’, is bedoeld als een aanklacht tegen piraterij, downloaden en de bijbehorende waardedevaluatie van muziek. De kwajongenstreek groeit uit tot een wereldwijd gehypet project, met in eerste instantie louter winnaars. Totdat intern de pleuris uitbreekt en andere Wu-Tangers hem publiekelijk de mantel uit vegen. En dan wordt die unieke plaat ook nog gekocht door de meest gehate man van Amerika, Martin ‘Pharma Bro’ Shkreli, die zojuist fortuin heeft gemaakt door de prijs van cruciale kanker- en HIV-medicijnen exorbitant te verhogen.

The Disciple zelf is tegen die tijd allang naar de achtergrond verdrongen in deze met filmfragmenten, kungfu-scènes en tamelijk clichématige schaakbordzetten opgeleukte film. Natasegara behandelt de verwikkelingen rond de Shaolin-CD daarin als het echte jongensboekverhaal, ten faveure van het uitdiepen van haar hoofdpersonage Tarik Azzougarh, die slechts met grove penseelstreken wordt opgetekend. Zijn opmerkelijke muziekcarrière blijft desondanks onverminderd tot de verbeelding spreken.

Oasis: Don’t Look In Anger

Disney+

De ruzies van de broers Gallagher behoren inmiddels tot de folklore van de popmuziek. Net als pak ‘m beet de controversiële uitspraken van rapper Kanye West, Keith Richards’ (inmiddels overigens overwonnen) heroïneverslaving en het dronkemansgedrag van wijlen Shane MacGowan. Dat krijgt ook al snel iets van een gimmick: de ruzies tussen songschrijver Noel en zijn zingende jongere broer Liam als ‘unique selling point’ van Oasis, de werkemansband uit Manchester.

Na een volledig geëscaleerde woordenwisseling bij een concert in Parijs in 2009 hebben de twee elkaar ruim vijftien jaar niet ontmoet. Als ze samen met de andere bandleden gaan repeteren voor een serie reünieconcerten in 2025, vraagt dit dus enige afstemming. Die shows zijn, stellen ze in de documentaire Oasis: Don’t Look In Anger (122 min.), ‘een kans om het verhaal van de band te veranderen’ – al zullen de twee vast ook niet voor een appel en een ei weer samen op dat podium gaan staan. Die optredens moeten, in Gallagher-termen, ‘fucking carnage’ worden.

Nét voor de allereerste keer, op 4 juli in een stijf uitverkocht stadion in het Welshe Cardiff, geven Noel en Liam elkaar, op weg naar het podium, een ongemakkelijke knuffel. Even daarna toont Oasis zich voor het eerst in al die jaren weer aan de achterban, die vast van plan is om er een volksfeest van te maken. Tijdens de concerten, in elk uithoek van de wereld, huilen, knuffelen, dansen, bidden én zingen uitzinnige fans in de navolgende twee uur alsof ook zij de beste jaren van hun leven nog eens herbeleven – één van de uitgesproken troeven van deze reünietourfilm.

De regisseurs van dienst, Dylan Southern en Will Lovelace, portretteren enkelen van hen daarnaast in hun eigen gemeenschap, waar Oasis duidelijk een snaar heeft geraakt. Een Braziliaanse fan met de hond Bonehead bijvoorbeeld, vernoemd naar gitarist Paul ‘Bonehead’ Arthurs. Of de Zuid-Koreaanse haenyeo-duikster die met behulp van een collega en hun gezamenlijke voorliefde voor Oasis een donkere periode achter zich liet. Ook leuk: de kinderen van de Gallagher-broers, die elkaar nog nooit hadden ontmoet en nu samen uit hun dak gaan bij de optredens van hun beroemde vaders.

Noel en Liam beginnen na verloop van tijd hand in hand het podium op te lopen en geven zelfs hun eerste gezamenlijke interview in ruim twintig jaar. Older & wiser – en met archiefbeelden fraai afgezet tegen hun hoogtijdagen in de jaren negentig (eerder al vervat in Oasis: Supersonic, 1996). Don’t Look Back In Anger wordt daarmee precies wat de titel al belooft: een bevredigende terugkeer naar de band Oasis, hun tijdloos gebleken songs en de grote emoties die deze nog altijd losmaken. En hun tournee lijkt zelfs, tot nader order natuurlijk, voor verbroedering te hebben gezorgd tussen de beruchte Gallaghers.

Who is Martin Mull?

Netflix

Zet twee komieken tegenover elkaar voor een documentaire. ‘Ik wil teruggaan naar even voor je geboorte’, zegt de ene. ‘Negen maanden misschien. Je conceptie. Weet je dat nog?’ Waarna die andere antwoordt: ‘Toen ik nog maar een fles wijn onder de arm van mijn vader was?’. Precies, reageert de ene weer. ‘Ik was een toeval van sperma en eicel’, legt die andere vervolgens uit. ‘Daar komt het op neer.’ Waarna de ene toch meer een afmaker dan een aangever blijkt te zijn. ‘Dat had ik dus als ontbijt.’

Die ene is Bob Saget, bekend van Full House en America’s Funniest Home Videos. En de andere Martin Mull, bekend van… ja, waarvan eigenlijk? Niet van zijn grote liefde schilderen, in elk geval. Waarschijnlijk van zijn muziek, theatervoorstellingen, comedyshows of talloze film- en televisierollen. Mull kon zich in elke stijlvorm goed handhaven, maar was nergens écht goed in. Geen ideaal documentaire-subject zogezegd. Of, zoals hij het zelf formuleert: Who is Martin Mull? (94 min.). Om er meteen aan toe te voegen: ‘And who gives a shit?’

Allerlei bekende Amerikaanse komieken, om te beginnen. Behalve Saget steken bijvoorbeeld ook Monty Pythons Eric Idle, Seth MacFarlane en Mulls grote vriend Steve Martin (die samen met hem The Steve Martin Mull Show vormde) de loftrompet over deze ‘comedian’s comedian’. Zijn broer David en zus Anodea geven verder een indruk van hoe het er bij de Mulls thuis aan toeging – niet fijn, door een kille en onverschillige vader – en zijn vrouw Wendy en dochter Maggie schetsen de man achter de grappenmaker, acteur en kunstenaar.

Bob Saget begon in 2018 aan dit portret van zijn favoriete komiek. De film is na Sagets plotselinge overlijden in 2022 afgemaakt door Neil Berkeley. Ook enkele mensen uit Mulls omgeving – zoals televisieproducer Norman Lear en tegenspeler Fred Willard, met wie hij de talkshowparodie Fernwood 2Night maakte – waren inmiddels overleden toen deze aardige docu z’n afronding naderde. De hoofdpersoon zelf was toen al een oude man. Hij zou nooit een absolute wereldster worden, maar heeft uiteindelijk wel erkenning gevonden als schilder.

En dan valt ook voor hem het doek.

Black Is Beautiful: The Kwame Brathwaite Story

Wayfarer Studios / Omroep Zwart

Zijn kinderen weten zogezegd van niets. En het kost z’n vrouw Sikolo een jaar om Kwame Brathwaite (1938-2023) te overreden, voordat zij toegang krijgen tot zijn archief. Daar vinden zoon Kwame Jr. en dochter Ndola de weerslag van zestig jaar fotografie. Met klassieke beelden van zwarte helden zoals Muhammad Ali, Stevie Wonder, Bob Marley, Oprah Winfrey en The Jackson 5 (tijdens een reis naar Afrika!) blijkt hun vader hoogstpersoonlijk voor de iconische beelden bij de ‘black is beautiful’-gedachte te hebben gezorgd – al levert even googelen op zijn naam dan nog verdacht weinig op.

Daar moet maar eens verandering in komen, vindt ook filmmaker Yemi Bamiro. In Black Is Beautiful: The Kwame Brathwaite Story (99 min.) toont hij hoe de Afro-Amerikaanse fotograaf zijn stem vindt via z’n camera. Voor Brathwaite is het laten zien van zwarte schoonheid, kracht en intelligentie ook een politieke keuze. Wit hoeft helemaal niet de norm te zijn, die het, zeker in zijn beginjaren, nog onbetwist is. Met de zogeheten ‘Grandassa Models’, zwarte modellen die niet aan witte idealen proberen te voldoen, staat hij begin jaren zestig aan de basis van een onweerstaanbaar alternatief.

En daarmee draagt Kwame Brathwaite, samen met z’n broer Elombe, bij aan het zelfrespect van Zwart Amerika en legt hij een fundament, waarop de burgerrechtenbeweging en Afro-Amerikaanse cultuur kunnen floreren. Des te frustrerender is het voor zijn familie als bij de opening van The National Museum For African American History And Culture in 2016 door de eerste zwarte president Barack Obama geen woord wordt gewijd aan de rol van de bevlogen fotograaf. Alle reden om de man alsnog te eren – zeker omdat hij zelf rond die tijd zijn herinneringen begint te verliezen.

Bamiro belicht in deze postume lofzang vervolgens hoe Kwame Brathwaite uitgroeit tot huisfotograaf van zowel de legendarische concertzaal The Apollo als het illustere tijdschrift Blues & Soul en hoe hij zich engageert met de strijd tegen Apartheid in Zuid-Afrika. Zo speelt de activistische fotograaf uit Harlem ook dan een essentiële rol bij de ontwikkeling van een zwart zelfbewustzijn. Een levensmissie waarvoor hij de laatste jaren, door hedendaagse iconen zoals Beyoncé, Alicia Keys en Rihanna, eindelijk de waardering krijgt die hem toekomt.

Move Ya Body: The Birth Of House

Autlook

De geboorteplaats is Chicago. In deze van oudsher uiterst gewelddadige en gesegregeerde Amerikaanse stad regeert de beruchte burgemeester Richard Daley ruim twintig jaar met harde hand. En omdat repressie nu eenmaal automatisch behoefte aan verlossing creëert, ontstaat begin jaren tachtig juist daar een nieuwe muziekstroming, met een kleurrijk karakter en een queer-randje: house.

Aangejaagd door een nieuw zwart zelfbewustzijn (treffend vertolkt door Jesse Jackson in zijn I Am Somebody-speech), gefaciliteerd door de emancipatie van de Amerikaanse LHBTIQ+-beweging, bloeiend op de asresten van de zwarte (en door sommige witte rockfans ronduit gehate) muziekstroming disco en mede mogelijk gemaakt door de ontwikkeling van een nieuw instrument, de synthesizer.

De naam ‘house’ verwijst naar The Warehouse, een undergroundclub in Chicago waar de befaamde deejay Frankie Knuckles de dansvloer vult met frisse sounds en beats. Daar start regisseur Elegance Bratton ook de documentaire Move Ya Body: The Birth Of House (92 min.), waarin de ontstaansgeschiedenis van deze elektronische dansmuziek wordt doorgenomen met wegbereiders en insiders.

Een sleutelrol is weggelegd voor producer Vince Lawrence, die samen met Jesse Saunders in 1984 een baanbrekende single aflevert, Fantasy – al worden de credits daarvoor ook geclaimd door de rockzangeres ‘Screaming Rachael’ Cain. Zij heeft de vocalen verzorgd en meet zich vervolgens het predicaat ‘Queen of House’ aan. Succes heeft nu eenmaal vele vaders (en moeders).

Het conflict tussen Lawrence en Cain zal zelfs uitmonden in een rechtszaak en staat model voor een gevoel dat bij de housepioniers postvat (en dat sowieso regelmatig klinkt vanuit zwarte muzikanten): het harde werk wordt door ons verricht, waarna witte artiesten er met het geld en succes vandoor gaan. In deze film zet Bratton in elk geval de spotlight op degenen met het zweet op hun rug.

Juist in die beperking in tijd en plaats – het Chicago van de eighties, geen oog bijvoorbeeld voor het nabijgelegen Detroit, de thuishaven van techno – zit ook de charme van deze interessante film over een muziekstroming die ruim een halve eeuw later nog altijd springlevend lijkt.

Giovanni/Carmen

Prospektor / NTR

Op het eerste oog is de Nederlandse theatermaker Giovanni Brand natuurlijk niet de meest voor de hand liggende persoon om de rol van Carmen op zich te nemen. Toch staat ie dichter bij de hoofdpersoon van Georges Bizets befaamde opera (1875), een vurige zigeunervrouw die alle mannen om haar vingers windt, dan die eerste indruk doet vermoeden.

Brands wortels liggen in een woonwagen. Behalve een vrijgevochten vamp ziet hij in Carmen ook een representatie van de Roma en Sinti, waarbij vooroordelen en clichés regelmatig om voorrang vechten. In de korte documentaire Giovanni/Carmen (34 min.) volgt Laura Stek haar hoofdpersoon dus zowel naar een stierenvechtersarena in Sevilla, waar hij zich als een androgyne toreador uitleeft in zijn rol, als naar een wagen waar zijn familie op hem wacht.

In zijn eigen leven beweegt Giovanni Brand zich tussen de ene wereld, het leven op wielen, en de andere, de burgermaatschappij, met alle uitdagingen en complicaties van dien. Taalproblemen bijvoorbeeld, vanwege zijn aanvankelijke laaggeletterdheid. Of door zijn geladen verhouding, als queerpersoon, tot masculiniteit. Op dat pad is Carmen een logisch tussenstation – hoewel dat dansen als de vurige verleidster voor hem soms ook ‘heel Hollands’ voelt.

Brand spreekt verder met de ervaren Carmen-vertolker Matia Kataeva van het Teatro de la Maestranza, laat zich bijspijkeren door flamencodanseres Conchi Maya en bezoekt zijn eigen neef, volkszanger Bob Offenberg. Met dramatische en gestileerde scènes vangt Stek tegelijk hoe haar hoofdpersoon, afwisselend geheel overtuigd en licht beschroomd, werkt aan zijn eigen, satirische interpretatie van ‘het meest toxische liefdesverhaal dat er bestaat’.

Intussen lijkt hij ook weer een stukje van de liefde voor zichzelf, zijn achtergrond en de kronkelige weg die hij heeft afgelegd te vinden.

Pulp: What Do You Do For An Encore?

MUBI

Als na een lange carrière de balans moet worden opgemaakt in een terugblikdocu, zijn er voor bekende bands in wezen twee opties. Óf alle groepsleden krijgen de gelegenheid om, liefst los van elkaar, ongefilterd terug te blikken. Zodat niemand controle heeft, behalve de filmmaker van dienst, die hun meningsverschillen, tegenstrijdige herinneringen en hoogte- en dieptepunten met elkaar moet zien te verzoenen, in een logisch verhaal, waarin de opkomst, succesperiode, ondergang en wederopstanding zijn te herkennen – en waarmee alvast een volgende concertreeks wordt aangekondigd.

Óf één van die bandleden krijgt volledige controle, zoals in Pulp: What Do You Do For An Encore (98 min.). Hoewel Garth Jennings officieel te boek staat als maker, fungeert Pulp-frontman Jarvis Cocker daarin als regisseur van zijn eigen leven en dat van z’n band. Als verteller laveert hij soepeltjes tussen impressies van het groots opgezette concert dat de Britse popgroep op 13 juni 2025 gaf in de Londense O2 Arena, naar verluidt het 566e optreden in de bandhistorie, en de lange, lange weg die Pulp daarnaartoe moest afleggen. Het succes is Cocker en co beslist niet komen aanwaaien.

Die zoektocht naar eeuwige roem begon in Sheffield, waar hij op 19 september 1963 ter wereld kwam als Jarvis Branson Cocker. Echt blij was hij niet met die voornaam, vertelt de zanger aan het begin van de film. Zelf had ie liever John geheten. ‘Met een achternaam zoals Cocker’, zegt zijn moeder in een oud fragment, ‘konden we hem moeilijk ‘Everhard’ noemen.’ Jarvis’ oma kan daar wel om lachen. ‘Ik zou je zoveel verhalen over hem vertellen’, voegt zij er glunderend aan toe. ‘Maar ik heb hem beloofd dat ik dit niet zou doen.’ Om vervolgens natuurlijk tóch aan een anekdote te beginnen…

Verder houdt ‘Everhard’ Cocker de teugels stevig in handen. Dit is zijn verhaal. Een handzame versie van bijna een halve eeuw Pulp, met veel zelfspot uitgeserveerd: tijdens een ingelaste pauze verschijnt er bijvoorbeeld een stukje gras in beeld, waar hij zelf op een zomeravond in 1983 zou zijn ontmaagd. En doorrr… Naar de hoogtijdagen van zijn band: op het podium tot leven gebracht met een uitgebreide bezetting, en tussendoor door Cocker zelf, voortdurend laverend tussen ernst en scherts, geordend tot een vermakelijk bandverhaal. Dat inmiddels dus bij de toegift is aanbeland.

Bubbel Bubbel

Narrative Identity

De drie duo’s starten vanuit een wit canvas. Ze zijn samen in de bubbel gestapt, die audiovisual kunstenaar Rutger Nijkamp en filmmaker Vincent Boy Kars voor hen hebben gecreëerd. 2 Uur, 22 minuten en 22 seconden zijn ze daar tot elkaar veroordeeld, om samen te scheppen. Een creatieve blind date, in een kale witte ruimte. Zonder plan of extra attributen.

Een performancekunstenares met een fascinatie voor slapstick en clowns en een danseres die aan storytelling wil doen. Een autonoom kunstenares die leeft voor haar werk en een broodschilder die zijn kunst maakt om te kunnen leven. En een voormalige deejay die een traditioneel instrument, de harp, heeft leren bespelen en een woordmuzikant met de behoefte om alle beperkingen achter zich te laten.

Wit en zwart. Puristisch en commercieel. Jong en oud. Salomé Mooij en Cicely Wijnaldum. Marjolijn van den Assem en Daan Koens. En Ranie Ribeiro en Tom America. Tegenpolen, die soms meer gemeen hebben dan ze in eerste instantie denken. In Bubbel Bubbel (55 min.) gaan ze als duo het creatieve proces aan. Los van elkaar, soms tegenover de ander en vaak ook samen. Wie neemt de leiding? En waar botst het?

Dat wordt het duidelijkst bij de twee schilders. Marjolijn beziet het kunstenaarschap als ‘psychotherapie die je jezelf afneemt’. Een manier van leven, voorbestemd. ‘Ons beroep is eigenlijk levensgevaarlijk’, zegt ze met het nodige drama. ‘Alleen: we kunnen niet anders.’ Haar partner Daan schildert vooral om zichzelf van een inkomen te voorzien en kijkt dus ook waar behoefte aan is. Zo heeft hij zich ras uit de schulden gewerkt.

Vanuit zulke frictie kan echter ook zomaar makerslol ontstaan. Zoals een botsing van ideeën van 1+1 zowel 3 als nog niet eens 2 kan maken. Deze scherpe film, opgestart vanuit een even simpel als krachtig idee en uitstekend gecast, toont intussen, teruggebracht tot z’n essentie, het wezen van kunst, zelfexpressie en het creatieve proces.

Club Heaven

Clin d’oeil films / Cinema Delicatessen

Voor jou tien anderen. Die boodschap krijgen de medewerkers van Club Heaven (77 min.), ofwel de Chinese EDM-club Play House in Chengdu, bij het begin van hun dienst steeds weer te horen. Op barse toon. Niet zo verveeld, tandje erbij. De klant verlangt meer. En wij ook. Als jij niet levert, staan er talloze achttien- en negentienjarigen klaar om ’t van je over te nemen.

Zo wordt, behalve de hal zelf, ook het team geprepareerd voor weer een avond in de Chinese nachtclub, die slechts één God kent: Mammon. De yens moeten rollen, van de clientèle naar de eigenaar van deze Electronic Dance Music-hemel. En ook zijn personeel praat tussen de bedrijven door louter over geld, houdt zich onledig met gokspelletjes of bediscussieert de kosten van cosmetische ingrepen.

Het feest zelf wordt in deze documentaire van Jona Honer van enige afstand, vanuit de ingewanden van de vleesgeworden geldmachine, weergegeven als een surrealistische kerkdienst voor het kapitalisme. Een thermische camera kijkt ogenschijnlijk stiekem mee bij het vertier voor z’n oog. Alsof je naar de negatieven van een liederlijke foto zit te kijken. Waarbij elk geluid, ook geen dancebeat dus, ontbreekt.

De camera lijkt in deze vervreemdende film sowieso meestal verdekt opgesteld, beweegt nauwelijks en registreert slechts het systeem, waarin de mensen, zowel de medewerkers van de club als de bezoekers daarvan, slechts onbeduidende radertjes vormen. Zo tekent zich in Club Heaven een zielloze wereld af, waarvan geld, macht en status het kloppende hart vormen. De hemel op aarde zogezegd.

Jay-Z In 8

MUBI

Twee mannen van middelbare leeftijd aan een tafel. Tegenover elkaar, in een immense zaal. In zwartwit ook, volledig gericht op elkaar. Een zwarte man, met dreads en een flinke muts op. En een witte, met een kalend hoofd en een volle grijswitte baard. Hiphop-superster Jay-Z en sterproducer Rick Rubin, in wat een Amerikaanse aflevering van Zomergasten of een portretterende podcast zou kunnen zijn. Van bijna zes uur, in acht bedrijven: Jay-Z In 8 (354 min.).

Gastheer Rubin, een cruciale figuur in de ontwikkeling van de Amerikaanse rock en rap, was enkele jaren geleden zelf hoofdpersoon van een docuserie, Shangri-La (2019), en ontving eerder ook al ex-Beatle Paul McCartney voor een diepgaand gesprek in McCartney 3, 2, 1 (2021). Rubin is zen. Geen man voor kritische vragen. Hij heeft zich volledig ondergedompeld in z’n gesprekspartner, neemt (blootsvoets en zo nu en dan ook in kenmerkende kleermakerszit) plaats op zijn stoel en vraagt vervolgens raak, met oprechte interesse, bijna kinderlijk enthousiasme en soms een filosofische inslag.

De geanimeerde conversatie met rapper en producer Shawn Carter, alias Jay-Z, is doorsneden met sleutelsongs uit diens lange loopbaan. De teksten daarvan, waarin hij zijn ziel binnenstebuiten keert, worden zonder poespas in beeld gebracht. Geen blingbling uit de videoclips dus, maar de pure straatpoëzie. De twee mannen luisteren aandachtig, wisselen blikken van herkenning uit en knikken en fluisterrappen zo nu en dan ook enthousiast mee. Twee mannen, jongetjes bijna, in verbinding. Knuffelend zelfs. Bloedsbroeders die voor het oog van de wereld diezelfde wereld even lijken te vergeten.

Tegen die opzet en Rubins werkwijze valt best wat in te brengen – wanneer mondt invoelen bijvoorbeeld uit in stroop om de mond smeren? hoe is bepaald wat er aan de orde komt? – maar hij creëert een veilige omgeving voor Jay-Z om diepgaand te reflecteren op zijn achtergrond, familie, imago, carrière en relatie (met Beyoncé; haar naam valt niet eenmaal). Deze omvangrijke gespreksfilm voelt echt als een samenwerking, waarbij Rubin op de aftiteling staat vermeld als regisseur en Jay-Z als executive producer, en wordt een ongegeneerde viering van Jay-Z’s taal, verhaal en muziek.

Billy Idol Should Be Dead

Live Nation

Zijn arrogante grijns wordt inmiddels omlijst door een oude mannengezicht. Het haar is, een kleine halve eeuw nadat hij met zijn band Generation X onderdeel werd van de eerste punkgolf, in elk geval nog altijd peroxideblond. En, ogenschijnlijk zonder al te veel moeite, krijgt hij ook die gebalde vuist nog wel stoer in de lucht.

In zijn jonge jaren was Billy Idol even onuitstaanbaar als onweerstaanbaar. Een wandelend – nee: continu poserend – rock & roll-cliché, zeker toen hij eenmaal solo en naar New York was gegaan. Samen met MTV werd Idol groot en scoorde hij in de eighties hits als White Wedding, Rebel Yell en Eyes Without A Face. Rockend, snuivend en neukend in de allerhoogste versnelling – op weg naar het totale niets.

Want uiteindelijk wordt de act Billy Idol zelfs William Broad, kind van een net middenklassegezin uit Bromley in Greater London, te veel. Halverwege de jaren tachtig begint dat ongenaakbare imago, en het bijbehorende destructieve gedrag, hem steeds meer op te breken. Hij is voortdurend ‘coked up’, neemt nogal eens een overdosis en heeft een motorongeluk. Wel met een Harley-Davidson, gelukkig.

Vandaar ongetwijfeld ook de titel van deze typische rockdoc: Billy Idol Should Be Dead (135 min.), waarin regisseur Jonas Åkerlund behalve Billy zelf ook zijn moeder Joan, zus Jane, ex Perri en kinderen Willem, Bonnie en Brant, allerlei profi’s uit de muziekbusiness en bekende collega’s zoals Miley Cyrus, Nile Rodgers, Billie Joe Armstrong, Steve Jones en Pete Townshend aan het woord laat.

Zijn lotgevallen hebben vaak een karikaturaal randje. Als hij probeert te stoppen met heroïne, vertelt Billy Idol bijvoorbeeld over zijn bijzonder hardnekkige drugsverslaving, stapt ie over naar crack. Zulke sterke verhalen zijn door Åkerlund vervat in comic-achtige animaties, die ‘s mans cartooneske karakter nog eens bevestigen en laten zien dat hij, zonder dat motorongeluk, ook carrière had kunnen maken als actieheld.

Totdat het zelfs voor hem, de Britse bloedsbroeder van onze eigen Herman Brood, te zwaar wordt om ‘Mr. Rock & Roll 24/7’ te zijn. De schuinsmarcheerder van weleer lijkt tegenwoordig zelfs eerst en vooral een echt familiemens, dat bovendien zeker niet onsympathiek overkomt. Maar of dit betekent dat hij ook een brave burgerman is geworden?

The Essence Of Eva

NTR

Ze is zowel de droom als de nachtmerrie van elke muzikant die het helemaal wil gaan maken. Eva Cassidy overlijdt op 2 november 1996 op slechts 33-jarige leeftijd als een grote onbekende, een getalenteerde zangeres die haar belofte nooit helemaal waar heeft kunnen maken. Haar hele carrière heeft ze genoegen moeten nemen met een kleine schare van trouwe fans. Enkele jaren na haar vroegtijdige dood breekt Cassidy echter alsnog wereldwijd door met het compilatiealbum Songbird, waarop ze eigen interpretaties brengt van klassiekers zoals Stings Fields Of Gold, de traditional Wade In The Water en de Wizard Of Oz-hit Over The Rainbow.

Ze moet zo’n zangeres zijn geweest zoals iedere muziekliefhebber wel kent: bemind in kleine kring, door de rest van de wereld over het hoofd gezien. In de documentaire The Essence Of Eva (82 min.) halen Alex Fegan en Malcolm Willis haar alsnog uit de kroegen, restaurants en kleine zaaltjes, waartoe ze bij leven en welzijn was veroordeeld. Met familieleden, vrienden en collega-muzikanten tekenen ze een vrouw en artiest op, die wars is van opsmuk en haar oren ook niet zomaar laat hangen naar wat de muziekbusiness van haar vraagt. Een platencontract bij het befaamde jazzlabel Blue Notes Records gaat daarom aan haar neus voorbij – al biedt directeur Bruce Lundvall daarvoor, nét voordat Eva het tijdige voor het eeuwige verwisselt, nog wel zijn excuses aan.

Illustratief voor Cassidy’s carrière is de totstandkoming van het door haar zelf uitgebrachte live-album Live At Blues Alley. Eerst moet er geld geleend worden om twee avonden in een club in Washington D.C. vast te kunnen leggen. Dan blijkt er een bromgeluid in de opname van de eerste avond te zitten. En de dag erop is ze zelf verkouden. Cassidy heeft dan al niet lang meer te leven. Ze wordt, begin dertig nog maar, gediagnosticeerd met kanker. Tijdens een avond in The Bayou waarop lokale muzikanten geld voor haar inzamelen, betreedt de vrouw die postuum wereldberoemd zal worden, nog eenmaal het podium. Ze zingt – werkelijk waar – de Louis Armstrong-evergreen What A Wonderful World en lijkt daarna gedoemd om vergeten te worden, net als talloze andere zangeressen die plaatselijk worden gekoesterd.

Voor Eva Cassidy zal het echter anders lopen. Via een omweg wordt ze na haar dood alsnog een ster. En misschien is dat wel precies zoals het had moeten zijn. ‘Als ze nog geleefd had, denk ik ook niet dat ze in grote zalen had opgetreden’, meent haar moeder Barbara in dit liefdevolle portret. ‘Dat had ze zwaar gevonden, denk je niet?’ Vader Hugh valt haar direct bij: ‘Ze had het nooit over succes.’

Travis Barker: Louder Than Fear

Disney+

Travis Barker heeft zijn eigen kledingmerk, rent marathons en is getrouwd met een Kardashian, Kourtney. Eerst en vooral is hij echter drummer. Barker speelt alles wat los en vast zit. Als een bezetene. Bij de punkbands Blink-182, Transplants en Box Car Racer bijvoorbeeld, zijn natuurlijke habitat. Maar ook rappers zoals Eminem, Lil Wayne en Trippie Redd voorziet hij van een drive en fundament.

Bij de start van de documentaire Travis Barker: Louder Than Fear (100 min.), in de loop van negen jaar gefilmd (2017-2026) gefilmd door Michael Dwyer en Justin Krook, krijgt ie dan ook uitgebreid lof toegezwaaid door zijn vakbroeders Stewart Copeland (The Police), Lars Ulrich (Metallica), Questlove? (The Roots), Tommy Lee (Mötley Crüe), Sheila E. (Prince) en wijlen Taylor Hawkins (Foo Fighters).

De filmmakers portretteren hem als een authentiek drumbeest, een vleesgeworden variant op de Muppets-drummer Animal (die op zijn beurt weer een pastiche van Keith Moon van The Who is). Zijn moeder Gloria, veel te jong overleden, spoorde Barker aan om drummer te worden. Op z’n vijftiende nam hij er meteen enkele goed zichtbare tatoeages bij. Zodat ie nooit kan terugvallen op een reguliere baan.

Drummen is ook zijn therapie. Voor een rottige jeugd, de aanhoudende worsteling met verslaving en dat ene vliegtuigongeluk, in september 2008, waarbij hij enkele vrienden en collega’s verloor. Zelf kwam Travis Barker in kritieke toestand in een brandwondencentrum terecht, liefst 65 procent van zijn lichaam was verbrand. Er wachtten 27 operaties op hem – en, natuurlijk, survivor’s guild.

Sindsdien weigert hij te vliegen. Als er weer een wereldtournee voor de deur staat, reist hij per boot. Per cruiseschip, waar gewoon geoefend moet worden. Die crash, verwerkt in een zeer vurige drumsolo, heeft hem als mens getekend en fungeert ook als vliegwiel voor dit portret van een maniakale muzikant, dat gaandeweg, als al zijn andere activiteiten ook nog kort moeten worden belicht, wel wat wegloopt.

Travis Barker, zoveel is dan allang duidelijk, is er een treffend voorbeeld van dat ook drummers een apart slag volk zijn. Apart slagvolk.

Charlotte Sohy, La Consécration d’Une Compositrice

France TV

Rolmodellen heeft ze niet. Vrijwel alle vrouwelijke musici en componisten die zich vóór haar hebben gemanifesteerd in de klassieke muziek zijn aan het begin van de twintigste eeuw, als Charlotte Sohy (1887-1955) haar eerste composities schrijft, in de vergetelheid geraakt. Zoals ook de Franse componiste, na haar overlijden op 68-jarige leeftijd, zal overkomen. De geschiedenis wordt doorgaans nu eenmaal geschreven door mannen. En die willen vrouwen, ook als ze hun bladmuziek doelbewust verbloemd ondertekenen met Ch. Sohy, nog wel eens over het hoofd zien.

Pas als haar kleinzoon François-Henri Labey zich over haar muzikale nalatenschap buigt, begint het tij te keren. In Charlotte Sohy, La Consécration d’Une Compositrice (uitzendtitel: Charlotte Sohy – een onvolprezen componist, 52 min.) schetst Matthias Weber de postume comeback van de Franse componiste. Via Claire Bodin, die een festival organiseert voor vrouwelijke componisten, komt de jonge dirigente Debora Waldman in 2013 aanraking met Sohy’s werk. Het is liefde op het eerste gezicht. Op het festival ontmoet ze vervolgens François-Henri, die haar meteen voorziet van ander werk van zijn grootmoeder.

Die is in 1909, schetst de centrale verteller van deze tv-docu, onderdeel geworden van een hecht duo. Want dan ontmoet Charlotte Sohy haar twaalf jaar oudere collega Marcel Labey (33). Het is ook dan liefde op het eerste gezicht – of beter: op het eerste gehoor. De twee zijn daarna altijd samen bezig. ‘Wordt het eerste resultaat een baby of een symfonie?’ vraagt Sohys docent compositie Vincent d’Indy zich af. Allebei, geeft kleindochter Catherine Werner honderd jaar later glimlachend antwoord. In het jaar erop. Er zullen er nog een flink aantal volgen: kinderen én composities.

Sohy heeft misschien niet héél veel werk nagelaten, maar volgens Debora Waldman is elk stuk een meesterwerk. In 2019 breekt zij de ban met een uitvoering van de symfonie Grand Guerre door het Orchestre Victor-Hugo Franche-Comté in Besançon. Sindsdien is Charlotte Sohy populairder dan ooit. Niet in het minst ook door de inspanningen van de celliste Héloïse Luzzati en pianiste Célia Oneto Bensaid. Zij nemen Sohys muziek op en geven uitvoeringen in haar voormalige huiskamer. De Chinese sterpianist Lang Lang gaat eveneens overstag. Ook hij betoont Sohy alle eer in dit gedegen portret.

Free Nelson Mandela

Channel 4

Eerst bevrijdt muziek de geest, daarna de man. In dit geval: Nelson Mandela. Sinds 1964 zit de leider van het African National Congress (ANC) op Robbeneiland een levenslange gevangenisstraf uit. Zijn strijd tegen het Apartheidsregime, dat al zoveel zwarte Zuid-Afrikanen heeft geknecht of gedood, krijgt gaandeweg echter steeds meer internationale steun. En muziek speelt daarbij een essentiële rol. Eerst als manier om zelfrespect te verkrijgen en uitdrukking te geven aan hoe de zwarte meerderheid van de Zuid-Afrikaanse bevolking lijdt onder het witte minderheidsregime. Later om Mandela te lanceren als een wereldwijd symbool en druk uit te oefenen op datzelfde bewind.

Free Nelson Mandela (92 min.), ter gelegenheid van Mandela’s 65e verjaardag in 1983 uitgebracht door The Special AKA, is daarvan het meest iconische voorbeeld. De compositie van Jerry Dammers, de spil van de Britse skaband The Specials, groeit uit tot hét strijdlied van de Anti-Apartheidsbeweging. Deze boeiende documentaire van James Rogan, die zich in Freddie Mercury: The Final Act (2021) al richtte op hoe muziek het bewustwordingsproces rond AIDS bevorderde, belicht nu de rol van songs van Miriam Makeba, Hugh Masekela, Gill Scott-Heron, Peter Gabriel, Bob Marley & The Wailers, Labi Siffre en Artists United Against Apartheid in de strijd tegen een racistisch maatschappijmodel.

En hoewel Rogan Jerry Dammers en andere westerse artiesten zoals Peter Gabriel, Bono, Steven Van Zandt en Jim Kerr aan het woord laat, krijgen zij nooit de overhand. De filmmaker realiseert zich dat het échte verhaal bij zwarte Zuid-Afrikanen zit en roept de bloedige Apartheid-historie op met schokkende nieuwsbeelden, audiofragmenten van Nelson Mandela en zijn omstreden echtgenote Winnie en interviews met nazaten van ANC-kopstukken zoals Steve Biko, Oliver Tambo en Joe Slovo. Hun gezamenlijke inzet blijkt uiteindelijk succesvol: in 1990 komt Nelson Mandela na ruim 27 jaar gevangenschap vrij. Vier jaar later wordt hij beëdigd als de eerste zwarte president van Zuid-Afrika.

Ruim veertig jaar sociale strijd, weerspiegeld in en ook aangejaagd door muziek, zijn niet zonder resultaat gebleven en hebben nu ook hun weg gevonden naar een even geladen als swingende film.

Alive Inside: A Story Of Music And Memory

Bond / 360

Kom eens een dagje bij me filmen, zei sociaal werker Dan Cohen ooit tegen filmmaker Michael Rossato-Bennett. Die ene dag werd drie jaar. Samen maakten ze een sprankelende reis door de menselijke geest, via ouderen met dementie en hun relatie met muziek. In 2014 verscheen de weerslag daarvan: Alive Inside: A Story Of Music And Memory (78 min.).

Het procedé oogt al snel vertrouwd: we zien een oudere Amerikaan in het verzorgingshuis Cobble Hill, die in het gat is gevallen dat ooit zijn geheugen was. Hij of zij is nauwelijks meer aanspreekbaar. Daarna toont Rossato-Bennett met foto’s en verhalen van dierbaren de persoon die nog ergens in die verstopte geest en dat broze lijf verscholen moet zitten. En als een duveltje uit een doosje tovert Cohen die vervolgens toch weer tevoorschijn. Met een heel eenvoudig instrument, dat alleen niet wordt vergoed door de zorgverzekering: een iPod met koptelefoon.

‘Er bestaat geen pil die dat kan’, stelt Dan Cohen. ‘Een medicijn kan hooguit de vonk dempen of het licht dimmen, maar kan die nooit naar buiten halen.’ En dat geldt bepaald niet alleen voor ouderen met dementie, toont Rossato-Bennett. Muziek kan ook anderen uit hun isolement halen: psychiatrische patiënten, slachtoffers van oorlogsgeweld in Congo of mensen die vanwege een lichamelijke aandoening aan een ziekenhuisbed zijn gekluisterd. Muziek is ‘the quickening art’, volgens de befaamde neuroloog Oliver Sacks (Awakenings), de kortste route naar het binnenste van de mens.

Het is een kunstvorm die de gehele mens kan raken en die ‘de film die alleen in iemands hoofd wordt afgespeeld’, ook wel geheugen genoemd, weer kan aanzetten. Via Louis Armstrong, The Andrews Sisters of Beach Boys komen beelden, geuren én danspasjes weer terug – ook al is het maar voor even. ‘Ik onderzoek de Ziekte van Alzheimer al 38 jaar’, vertelt dokter Peter Davis. ‘Maar ik heb niets beters te bieden aan mijn patiënten dan muziektherapie.’ Het aanschaffen van iPods – we schrijven begin jaren ’10 – heeft echter meer voeten in de aarde dan wie dan ook zou willen.

Gelukkig zijn er beelden van ouderen zoals Henry, een Afro-Amerikaanse man die helemaal opleeft door gospelmuziek en zo viral gaat, om de zaak vlot te trekken. Behalve een pleidooi voor muziek als ontsluiter van de menselijke ziel wordt Alive Inside, aangestuurd met Rossato-Bennetts enigszins zijige voice-over, daardoor ook een soort aanklacht tegen gezondheidszorg, die mensen reduceert tot patiënten en definieert aan de hand van hun deficiënties. Deze docu toont overtuigend dat zij eerst en vooral nog altijd mens zijn – met een onbedwingbare liefde voor muziek.