Rebel Hearts

Discovery+

In Nederland dreigde er na het Tweede Vaticaans Concilie, de grote kerkvergadering waarbij in de eerste helft van de jaren zestig allerlei besluiten werden genomen om de kerk te moderniseren, een scheuring in de katholieke gemeenschap te ontstaan. De progressieve vleugel koesterde de vernieuwingen – al gingen die misschien nog niet ver genoeg – terwijl de conservatieve vleugel ervan gruwde.

In Californië kwam het in die tijd tot een frontale botsing tussen de aartsconservatieve kardinaal James McIntyre en de vooruitstrevende zusters van The Immaculate Heart Order. Tot afgrijzen van de leider van hun bisdom verbonden deze Rebel Hearts (103 min.) zich aan de burgerrechtenbeweging en protesteerden tegen Vietnam. Ze wilden zelfs het habijt afzweren. ‘Waarom zou je kleden als middeleeuwse vrouw je meer christen of heiliger maken?’ vroeg Anita Caspary, één van woordvoerders van de nonnen, zich hardop af in een televisie-interview.

Een halve eeuw later kijken de vrouwen terug op deze formatieve periode, waarin ze werden gedwongen om hun keuze voor het geloof te heroverwegen. Regisseur Pedro Kos kleedt hun herinneringen aan met fraai archiefmateriaal, een levendige soundtrack en hele coole animaties en vertelt zo de gloriejaren van een feministische beweging binnen de katholieke kerk, die wel móest botsen met het patriarchaat dat daar al eeuwen de dienst uitmaakte.

The Forever Prisoner

HBO

Ze hadden er een nieuw etiket opgeplakt: Enhanced Interrogation Techniques. In feite was het natuurlijk gewoon marteling. Na 11 september 2001 was echter alles geoorloofd, zolang nieuwe Al-Qaeda-aanslagen in de Verenigde Staten maar werden voorkomen. Toen de CIA in het voorjaar van 2002 Abu Zubayda, de vermeende nummer drie of vier van de terroristische organisatie van Osama bin Laden, in handen kreeg, was alles geoorloofd om informatie uit hem te krijgen.

Zubayda werd eindeloos ‘verhoord’ op een geheime locatie in Thailand, waarbij Amerikaanse functionarissen hun toevlucht namen tot zeer omstreden technieken: waterboarding, slaapdeprivatie, ernstige onderkoeling, keiharde muziek en totale vernedering. En zo nodig werd er zelfs een kist voor de dag gehaald, zodat hij levend kon worden begraven. Alles mocht als het maar geen zichtbare schade opleverde. Over psychisch letsel werd met geen woord gerept.

Toen ze klaar waren met hem, was één ding duidelijk: niemand mocht ooit zijn verhaal horen. Abu Zubayda zou The Forever Prisoner (120 min.) worden. Er werd expliciet gezegd: de gevangene mag nooit in de situatie komen waarin hij echt contact heeft met anderen en moet van de buitenwereld afgesloten blijven voor de rest van zijn leven. En dus verblijft de terrorist al bijna twintig jaar in Guantanamo Bay, een stukje juridisch niemandsland op Cuba.

Met insiders en kenners ontleedt Alex Gibney, die een Oscar won voor het thematisch verwante Taxi To The Dark Side (2007), gedetailleerd hoe het zover kwam. Het begon met het Amerikaanse besluit dat Al-Qaeda-strijders niet beschermd zouden worden door de conventie van Genève. Dit zette de deur wagenwijd open voor totaal ontsporende verhoorsessies. Om die inzichtelijk te maken gebruikt Gibney tekeningen die Zubayda zelf maakte om uit te leggen wat hij had doorgemaakt.

De videocassettes van deze verhoren zijn namelijk vernietigd. Er waren immers al verslagen gemaakt, stelde de CIA. Dat moest toch voldoende zijn? Die cruciale beslissing, ongetwijfeld ingegeven door puur zelfbehoud, is door de Amerikaanse documentairemaker, die zelf als messcherpe verteller fungeert, met veel drama verbeeld: begeleid door Strauss’ wals An Der Schönen, Blauen Donau worden de tapes letterlijk vermorzeld. Zoals het ook ging met de waarheid.

En dan te bedenken, constateert Alex Gibney bitter in deze ontluisterende film, dat de keuze om Enhanced Interrogation Techniques in te gaan zetten sowieso was gebaseerd op een totale misvatting: dat marteling betrouwbare informatie zou kunnen opleveren. Het nettoresultaat van al die illegale inspanningen, betoogt de Amerikaanse documentairemaker, was uiteindelijk niet veel meer of minder dan niets. Intussen zit Abu Zubayda nog altijd vast…

Blue Box

Norma Productions / VPRO

Een land zonder mensen voor mensen zonder land. Vanuit die gedachte ging Joseph Weits begin jaren dertig aan het werk. Hij probeerde land op te kopen dat later tot de staat Israël zou gaan behoren. Soms kocht hij de grond daarbij onder de voeten van de Palestijnen die erop werkten vandaan. Als hij dan een deal had gesloten met de eigenaar ervan, een rijke Arabier in Damascus, Beiroet of Caïro, was het zijn taak om de werkers van het land te verdrijven. Ondanks gewetensnood zette Weits door, voor de goede zaak.

Hij werd er een held van de Zionistische beweging mee. Toch heeft zijn (achter)kleindochter Michal Weits gaandeweg ambivalente gevoelens gekregen over de man die in de familie op handen wordt gedragen. Haar opa raakte er door de jaren heen van overtuigd dat Joden en Palestijnen niet samen in één land kunnen leven en orkestreerde vervolgens na de Tweede Wereldoorlog dat het land van Palestijnen werd geconfisqueerd en de eigenaren ervan naar het buitenland werden verdreven.

In Blue Box (82 min.) bestudeert Michal Josephs dagboeken om vat te krijgen op wat er toen is gebeurd. Fragmenten daaruit, ingesproken door de acteur Dror Keren, vormen samen met krachtige archiefbeelden het hart van deze persoonlijke film. Daarnaast spreekt de filmmaakster met familieleden over ‘s mans erfenis. Behalve talloze Joodse nederzettingen en verdreven Palestijnen bestaat die ook uit tientallen nazaten die zijn vernoemd naar zijn jongste zoon Yehiam. Die stierf in 1946 bij een bomaanslag en zou Joseph Weits z’n hele leven blijven achtervolgen.

Via het levensverhaal van haar omstreden overgrootvader krijgt Michal Weits grip op de zwangerschap, geboorte en jonge jaren van de staat Israël, waarvan zijzelf een inmiddels volwassen kind is. Daarvoor moet ze in deze spannende exercitie, laverend tussen trots en schaamte, wel het verleden van haar natie en geslacht kritisch tegen het licht houden. En zeker niet al haar familieleden zijn daar even gelukkig mee.

Verhalen Van Berlijn – Paul Spies In Het Humboldt Forum

Alexander Schippel

Ooit stond er het Berliner Stadtschloss. Het Pruisische paleis werd echter zwaar beschadigd in de Tweede Wereldoorlog en in 1950 op instigatie van DDR-leider Walter Ulbricht zelfs opgeblazen. Op diezelfde plek, in het hart van Berlijn, is nu een moderne replica herrezen: het Humboldt Forum. Voor het samenstellen van een permanente expositie aldaar over de relatie van Berlijn tot de wereld wordt in 2016 zowaar een Nederlander gevraagd: kunsthistoricus Paul Spies, de directeur van het Amsterdam Museum.

‘Bewonderenswaardig’ vindt die het, dat een buitenlander zo’n belangrijke klus krijgt toebedeeld. In Verhalen Van Berlijn – Paul Spies In Het Humboldt Forum (91 min.) volgt Sonia Herman Dolz de Nederlandse chef-curator gedurende enkele jaren tijdens zijn poging om de moderne geschiedenis van de Duitse hoofdstad samen te ballen in de permanente expositie Berlin Global, een ‘omstreden prestigeproject’ aldus verteller Huub Stapel. Spies richt zich daarbij op verhalen van de Berlijners zelf en hun beleving van de wereldstad.

Een mooi voorbeeld daarvan is de massieve deur van een kluis uit het befaamde Joodse warenhuis Wertheim, die in de jaren negentig onderdak bood aan de ondergrondse technoclub Tresor. Nadat de club in 2005 werd gesloten, bevond de loodzware roestige deur zich jarenlang in een kraakpand. Van daaruit heeft hij nu zijn weg gevonden naar de expositie, waar de deur allerlei aspecten van de stadsgeschiedenis representeert; van de Jodenvervolging tot de periode dat Berlijn de technohoofdstad van de wereld was.

Herman Dolz zet haar film breed op. Ze concentreert zich natuurlijk op de totstandkoming van de expositie, maar belicht ook het gezinsleven van Paul Spies en ruimt tijd in voor het werk van zijn vrouw Meike Ziegler, die een kunstwerk over de Muur maakt. Daarnaast waaiert ze uit naar de persoonlijke verhalen van gewone Berlijners die verschillende elementen van de stad weerspiegelen, zoals het leven in de DDR, de Turkse gemeenschap van Berlijn en het voormalige Niemandsland rond de Muur, waar tegenwoordig een levendig ‘Mauerpark’ is.

Dat is een ambitieuze opzet, waarbinnen niet alle verhaallijnen tot volle wasdom komen. Tegelijkertijd doet die grootse aanpak recht aan de wereldstad Berlijn, waarin allerlei uiteenlopende verhalen samen proberen te komen tot één enkele vertelling, die voortdurend van kleur verschiet.

Eat Your Catfish

IDFA

Als het drama in een documentaire over iemand met de spierziekte ALS niet zorgvuldig wordt gedoseerd, kan die al snel bijna net beklemmend worden als de ziekte zelf. De diagnose is immers niets minder dan een doodvonnis, dat weliswaar direct wordt uitgesproken, maar uiteindelijk zo langzaam wordt voltrokken dat elk verlies afzonderlijk moet worden geïncasseerd en geïncorporeerd in het leven. In het beste geval weet de chroniqueur van dat proces er een film met de spreekwoordelijke lach en traan van te maken, die onvermijdelijk afstevent op een dramatisch einde.

Eat Your Catfish (73 min.) heeft evenwel niets van een rechttoe rechtaan tearjerker. De film is (vrijwel) volledig gemaakt vanuit het perspectief van de Amerikaanse vrouw Kathryn, via een camera die aan de achterkant van haar rolstoel is bevestigd en daardoor een heel intiem beeld geeft van haar leefwereld. Zij weet inmiddels vijf jaar dat ze ALS heeft en is in die periode compleet verlamd geraakt. Bij vrijwel elke activiteit moet ze worden geholpen, door steeds andere verzorgers bovendien. Nur die Gedanken sind frei. Letterlijk, in dit geval.

Nadat ze die met oogbewegingen heeft toevertrouwd aan een speciaal keyboard, worden ze hardop uitgesproken door een computerstem. Kathryn formuleert messcherp. ‘Ben jij eigenlijk wel in staat om aandacht te schenken aan iets anders dan jezelf?’ vraagt ze bijvoorbeeld aan haar Iraans-Amerikaanse echtgenoot Saïd, die de zorg voor zijn vrouw niet aankan of niet wil aankunnen. Hij reageert niet. Daarom blijft Kathryn de zin maar herhalen. Totdat ze tot een bijtende conclusie komt:  ‘Jij bent de zwakste persoon die ik ken.’

De sfeer in Huize Arjomand is sowieso vaak te snijden. Niet alleen tussen Kathryn en haar man. Ook zoon Noah, die deze documentaire samen met zijn coregisseurs Adam Isenberg en Senem Tüzem samenstelde uit negenhonderd uur film, ergert zich groen en geel aan zijn vader en botst daarnaast regelmatig met zijn moeder. Ieder voor zich bereiden ze zich voor op zo’n beetje het enige waarvoor Kathryn nog wil leven: het huwelijk van haar dochter Minou. Die feestelijke aangelegenheid fungeert als richtpunt voor de film, die daar met de nodige tijdsprongen naar toewerkt.

Eat Your Catfish blijft ook dan grotendeels vrij van sentiment. De documentaire, die met flashbacks de vroegere Kathryn laat zien, spiegelt het leven met ALS af als een ontluisterende ervaring: kil, kaal en hard. Geen materiaal voor een happy end – al is Kathryns scherpzinnige geest op geen enkele manier aangetast geraakt en behoudt ze ook te allen tijde haar gevoel voor (galgen)humor.

The First Wave

National Geographic

‘Elke keer als ik naar hem kijk zie ik die jonge kinderen’, zegt verpleegkundige Kellie Wunsch geëmotioneerd, terwijl ze wordt getroost door een collega. ‘Ik heb het gewoon nodig dat het goed met hem gaat.’ Ahmed Ellis, een Afro-Amerikaanse man van halverwege de dertig, had haar verteld over zijn gezin en daarna indringend gevraagd: ‘Laat me alstjeblieft niet sterven!’

Inmiddels is Ellis, in het dagelijks schoolbeveiliger, buiten bewustzijn en geïntubeerd. Als zijn vrouw Alexis en zoontje Austin videobellen naar het ziekenhuis, houdt Kellie de iPad recht voor Ahmeds gezicht en probeert ze hem bij het gesprek te betrekken. Het is echter nog maar de vraag of hij het Coronavirus te boven komt. De artsen en verpleegkundigen van het Long Island Jewish Medical Center moeten daarvoor alle zeilen bijzetten.

In het ziekenhuis in Queens moet ook regelmatig een minuut stilte worden ingelast. Intensieve zorg, beademing en reanimatie kunnen het overlijden van een patiënt lang niet altijd voorkomen. Soms weerklinkt ook ineens Here Comes The Sun van The Beatles op de afdeling. Dan mag iemand van de beademing af. Het zijn de spaarzame momenten waarop er even licht gloort aan het eind van een angstaanjagende tunnel.

Verder lijkt er sprake van permanente crisis in het ziekenhuis in New York, dat in het voorjaar van 2020 tot de grote brandhaarden van The First Wave (93 min.) van COVID-19 behoort. Regisseur Matthew Heineman tekent van binnenuit op hoe het huilen zelfs ervaren krachten soms nader dan het lachen staat. Een eindeloze stroom patiënten belandt uitgeteld in bed, ogenschijnlijk meer dood dan levend. Waarbij het de vraag is of ze dat ooit nog zullen verlaten.

Behalve op Ahmed Ellis richt Heineman zich daarbij op de jonge immigrante Brussels Jabon. Na een keizersnede is ze met haar pasgeboren zoon Lyon in het ziekenhuis terecht gekomen. Haar halve familie is besmet geraakt met het Coronavirus. Verder portretteert hij het team van de betrokken arts Nathalie Dougé, die na de dood van George Floyd betrokken raakt bij Black Lives Matters-demonstraties en op haar werk ziet dat ook COVID-19 minderheden extra hard treft.

Matthew Heineman schuwt het drama niet en heeft er ook gevoel voor: een oog dat langzaam dichtvalt of plotseling wordt opengesperd, de hand die krachteloos probeert te zwaaien of het hoofdschudden van hulpverleners die tevergeefs hebben geprobeerd om het leven van een patiënt te redden. Het zijn tragische beelden van een crisis die we inmiddels uit en te na kennen – ook uit documentaires – en het liefst even zouden vergeten.

The First Wave weet toch door die Coronamoeheid heen te breken. Als een soort shockbehandeling. Zo ernstig was – en is/wordt – het dus in de ziekenhuizen. Tegelijkertijd laat de film ook de medemenselijkheid zien, die juist op zulke momenten komt bovendrijven. Als een patiënt bijvoorbeeld het ziekenhuis mag verlaten om thuis verder aan zijn/haar herstel te werken, gebeurt dat onder luid applaus van het zorgpersoneel.

Zulke verbondenheid in tijden van nood is zeker niet (meer) overal vanzelfsprekend.

Muhammad Ali

PBS

Hij heeft één van de best gedocumenteerde levens van de afgelopen honderd jaar geleid. Het aantal documentaires over Muhammad Ali is nauwelijks te overzien. In Oscar-winnaar When We Were Kings (1996) wordt bijvoorbeeld zijn ‘rumble in the jungle’ met George Foreman belicht. Thrilla In Manila (2008) plaatst hem op de Filipijnen voor de allerlaatste keer tegenover aartsvijand Joe Frazier (die hij tot op het bot beledigde, gebruikmakend van racistische retoriek). The Trials Of Muhammad Ali (2013) concentreert zich op Ali’s problemen met justitie, nadat hij heeft geweigerd om een ‘tour of duty’ in Vietnam te doen. En Blood Brothers: Malcolm X & Muhammad Ali (2021) behandelt de relatie van de zwarte bokser met de vermoorde woordvoerder van de militante Nation Of Islam.

Het is maar een willekeurige selectie: zowat elk aspect van Ali’s roerige leven is inmiddels uit en te na in beeld gebracht. In films die een deel ervan uitdiepen of juist de grootsheid ervan proberen te omvatten (zoals Antoine Fuqua’s What’s My Name: Muhammad Ali uit 2019). En toch voelt Ken Burns, de grootmeester van de Amerikaanse historische documentaire, zich geroepen om nóg een portret te maken van ‘the greatest’, simpelweg Muhammad Ali (446 min.) getiteld. Net als in klassieke series zoals The Civil War, Baseball en Country Music is zijn aanpak tamelijk traditioneel: een verteller (Keith David in dit geval) leidt de kijker op gezaghebbende toon door Ali’s leven, ondersteund door weldadig archiefmateriaal en een uitgelezen selectie van sprekers (dochters Hana en Rasheda Ali, ex-vrouwen Belinda Boyd en Veronica Porche, broer Rahaman en zijn protégé en laatste opponent in een titelgevecht Larry Holmes bijvoorbeeld).

Van zijn opkomst als bokser onder de slavennaam Cassius Clay en eerste wereldtitelgevecht tegen Sonny Liston in 1964, via zijn bekering tot de islam en bijbehorende naamsverandering en politieke bewustwording naar zijn schorsing als bokser en onwaarschijnlijke comeback tot aan de aftakeling op latere leeftijd, een logisch gevolg van alle klappen die hij gedurende zijn leven moest incasseren. Samen met zijn coregisseurs, dochter Sarah en haar echtgenoot David McMahon, plaatst Burns die ontwikkeling, opgebouwd rond enkele heroïsche gevechten, voortdurend binnen z’n maatschappelijke context. De man, sporter en mediapersoonlijkheid Muhammad Ali kunnen immers niet los worden gezien van de tijd en wereld waarin hij leefde. In de bijna acht uur speeltijd van deze epische serie, op temperatuur gebracht met dampende zwarte muziek, blijft vrijwel geen aspect onbelicht van één van de beste boksers – en pochers en treiteraars – van de twintigste eeuw: zijn vechtlust, (media)geilheid, idealisme, wreedheid en veerkracht.

Tot nader order is dit zonder enige twijfel het definitieve portret van de man met de lijfspreuk ‘float like a butterfly, sting like a bee’. Wat natuurlijk niet wil zeggen dat er ook echt geen documentaires meer over hem zullen worden gemaakt.

Paul Newman: Behind Blue Eyes

Mediawan Rights

‘Er zat altijd een bepaalde kwetsbaarheid in hem’, zegt zijn biografe Elena Oumano. ‘Ook als hij een slechterik speelde, werden vrouwen verliefd op hem en wilden ze “die stoute jongen” redden.’ Met die gevoelige onderstroom voorkwam acteur Paul Newman (1925-2008) volgens haar dat hij overkwam als de eerste de beste bordkartonnen versie van mannelijkheid. ‘Hij was zo aantrekkelijk en verleidelijk’, vult regisseur Ron Shelton aan, ‘omdat je hem nooit helemaal te pakken kreeg.

In Paul Newman: Behind Blue Eyes (52 min) akkert regisseur Pierre-Francois Gaudry Newmans complete filmografie door, met een hele zwik fraaie speelfilmfragmenten, enkele oude interviews met de ster zelf, een bescheiden hoeveelheid backstage-beelden en quotes van acteurs die samen met hem op het witte doek belandden, zoals Ellen Burstyn, James Naughton, Brigitte Fossey, Mary Elizabeth Mastrantonio en Lolita Davidovich.

Zoals dat gaat in dit soort tv-portretten schetsen zij een aansprekend beeld van de Amerikaanse acteur die ruim een halve eeuw een beeldbepalende figuur was in Hollywood en schitterde in bioscoophits als Cat On A Hot Tin Roof, The Hustler, Cool Hand Luke, Butch Cassidy And The Sundance Kid, The Sting en The Color Of Money. Tegelijkertijd was er de man achter de filmster: verlegen, progressief en zéér op zijn privéleven gesteld.

Deze film, waarin een alwetende verteller de boel soepel aan elkaar praat, brengt die elementen netjes bij elkaar en werkt toe naar het einde van Newmans leven op 83-jarige leeftijd, als eindelijk het grafschrift kan worden geopenbaard dat hij zich al in de jaren vijftig had ingebeeld: ‘Hier ligt Paul Newman. Zijn acteercarrière eindigde toen zijn blauwe ogen bruin werden.’

Huisje, Boompje… Weduwe

EO

‘Onze verhalen beginnen waar het leven van onze vent eindigt’, stelt één van de twee Mariekes van Huisje, Boompje… Weduwe (45 min.) opvallend luchtig bij aanvang van deze korte televisiedocu. De twee jonge vrouwen noemen zichzelf ‘widowchicks’. Sinds ze elkaar twee jaar geleden hebben ontmoet via een weduwenforum zijn ze echte vriendinnen. ‘Terwijl vrienden om ons heen bezig waren met relaties, carrières en baby’s rouwden wij om onze overleden vent.’

Nadat hun echtgenoten enkele jaren geleden plotseling overleden, gingen Marieke van Lierop (28) en Marieke Foppen (33) geleidelijk aan verder met hun leven. Ze moesten wel. En er kwam ook weer ruimte voor een nieuwe partner, die de last van het verleden ook een beetje op zijn schouders kreeg. Die moest zich bovendien zien te verhouden tot hun schoonouders.

De twee Mariekes vertellen hun verhaal nu aan een derde naamgenoot, Marieke de Man. Zij zet de vriendinnen naast elkaar op een bank en geeft hen alle ruimte. De chemie tussen de twee jonge vrouwen is zichtbaar. Hun gedeelde ervaringen hebben voor een soort zusterband gezorgd. Behalve verdriet is er gelukkig ook ruimte voor een gulle lach. Ook al heeft het leven hen inmiddels alweer voor stevige nieuwe uitdagingen gesteld.

De ene Marieke maakt zich op voor nieuw geluk, de andere moet opnieuw tegenslag overwinnen. Dat gaan ze allebei op hun eigen onverschrokken manier aan, in een vlotte docu die qua vorm en toonzetting doet denken aan televisieprogramma’s als Je Zal Het Maar Hebben of Over Mijn Lijk. Rouw en verdriet krijgen vrijwel permanent tegenwicht van lol en humor, zodat het leven draaglijk blijft. Of gewoon weer leuk wordt.

‘Het kan echt alle kanten op in het leven’, zegt Marieke, ‘die met die bril’, tot besluit. ‘Dat hebben wij wel ervaren. En dat rouwen meer is dan huilen in een hoekje, dat ook.’

Gogo

Paradiso

Ze is de oudste van haar klas. Dik in de negentig inmiddels. Priscilla Sitienei, alias Gogo, heeft nooit leren lezen of schrijven. Nu zit ze samen met zes van haar eigen achterkleinkinderen op de basisschool van het Keniaanse dorp Ndalat, waar ze al haar hele leven woont. Gogo, die hetzelfde olijfgroene schooluniform draagt als de andere leerlingen, wil haar diploma halen, maar ook een signaal afgeven: kinderen moeten leren, zo is haar vaste overtuiging.

Dat klinkt als een modern sprookje. Letterlijk: via een zeer zoete soundtrack, die niet zou misstaan in een feelgoodfilm uit Hollywood. En zo oogt Gogo (84 min.) ook. Een lieve film, met sprankelende kleuren en een positieve boodschap. Dat is ook precies wat je op de documentaire van Pascal Plisson tegen kunt hebben: de werkelijkheid wordt wel heel erg gladgestreken. Deze film wil, moet, zal inspireren! En Gogo zou, dat ook, zo een rol van Whoopi Goldberg kunnen zijn.

Als de oude vrouw buffelt om haar diploma te halen, een standje krijgt van haar lerares of tijdens een schoolreisje met haar klasgenoten giraffen, olifanten en leeuwen spot, lijkt ze in alles een lievige knuffeloma. Er is ook een andere Gogo: wanneer de bouw van een nieuwe slaapzaal bij de school niet wil vlotten, spreekt ze de bouwvakkers streng toe. Pit heeft ze echt in overvloed. En aan levenservaring natuurlijk ook geen gebrek bij Gogo, die ruim een halve eeuw als vroedvrouw werkte.

Het is alleen de vraag of Sitienei‘s zicht nog goed is om haar schoolwerk te kunnen doen. Daardoor is het nog even afwachten of de film daadwerkelijk afstevent op het eigenlijk verplichte happy end.

Listening To Kenny G

IDFA

Hij kan doorgaan voor de Dinand Woesthoff van de Amerikaanse jazz. Net als de zanger van de Nederlandse rockband Kane weet saxofonist Kenny G als geen ander het grote publiek te behagen én alle critici en ‘serieuze liefhebbers’ serieus tegen de haren in te strijken. Waar Woesthoff en zijn groep voortdurend met weerstand hadden te maken – men neme bijvoorbeeld de Facebook-groep Bij Een Miljoen Likes Stopt Kane – is in de Verenigde Staten het ridiculiseren van de toeterende krullenbol uitgegroeid tot een soort volkssport.

De verzamelde jazzkenners aan het begin van Listening To Kenny G (96 min.) bijten dan ook op hun lip om niet al te laatdunkend over de man en zijn instrumentale muziek te spreken. ‘Hij maakt “leuke” muziek voor “leuke” mensen’, zegt criticus Will Layman van Popmatters bijvoorbeeld. ‘Ik maak mezelf alleen wijs dat ik beter ben dan dat.’ Wat jazz interessant maakt is de dialoog tussen verschillende muzikanten, stelt hij even later. ‘En wat je in Kenny G’s muziek hoort is totaal geen gesprek. Dat is een soloproject. Dit is geen seks, dit is masturbatie.’

Toch zijn er hele volksstammen bereid om ook buiten de wachtkamer, lift of slaapkamer naar Kenny Gorelick te luisteren. En zelf snapt hij dat wel. Hij heeft nu eenmaal een geweldig oor voor melodieën. Logisch. ‘s Mans ontwapenende eerlijkheid is een belangrijke troef van deze film. Net als de speelse manier waarop regisseur en interviewer Penny Lane hem tegemoet treedt. De twee hebben duidelijk chemie. En dat maakt deze documentaire – ook al verafschuw je Kenny G’s smooth jazz – tot een hartstikke aardige traktatie.

Behalve de muziek van die ene omstreden saxofonist – en vader, golfer, piloot en investeerder – behandelt Lane ook de vraag wat nu eigenlijk goede kunst is en wie dat dan bepaalt. Kenny wil zich intussen buigen over/vergrijpen aan het oeuvre van erkende jazzhelden zoals John Coltrane en Stan Getz. Net als Dinand weet hij dat de strontkar sowieso over hem wordt uitgereden. Hij maakt zich echter allang niet meer zo druk om de jazzpolitie. Zegt ie. En als Kenny G dat met een ontspannen glimlach beweert, is het lastig om dat niet te geloven.

De Bellers

Remko Liebregts / KRO-NCRV

Een speciaal team onderhoudt het contact met de familie van de patiënten. Vanwege de strenge Corona-maatregelen, tijdens de eerste golf in het voorjaar van 2020, moeten ze dat telefonisch doen. Vrijwel dagelijks informeren De Bellers (75 min.) verwanten over hoe het gaat met hun vader, moeder of broer, die is opgenomen op de Intensive Care-afdeling van Amsterdam UMC.

Het zijn intensieve gesprekken. De familieleden aan de andere kant van de lijn, die vaak al een hele tijd zijn afgesneden van hun geliefde, snakken naar goed nieuws. Soms kunnen de artsen van het speciale support team hen inderdaad hoop geven, andere keren moeten ze die hoop juist de bodem inslaan. De bijbehorende emoties zijn regelmatig van hun gezicht af te lezen als ze de familie empathisch en toch professioneel proberen te informeren.

Die telefoongesprekken vormen het hart van deze observerende documentaire van Meral Uslu, Maria Mok, Paul Cohen en Martijn van Haalen, die verder nog enkele indringende scènes vanuit het ziekenhuis zelf bevat. De gesprekken geven enerzijds inzicht in wat er ook op menselijk vlak van ziekenhuisartsen wordt gevraagd en laten tegelijkertijd zien hoe zij dat deel van hun werk tijdens de pandemie echt met één arm op de rug gebonden moeten doen.

Tijdens sommige telefoontjes, met familieleden die niet of nauwelijks Nederlands spreken, worden ze gedwongen om nóg een extra omweg, via een tolk, te nemen. ‘Goeiedag, meneer’, begint dokter Remko Liebregts bijvoorbeeld zo’n gesprek. ‘We hebben elkaar dit weekend gesproken. Toen ging het nog niet zo goed met uw broer, maar de situatie lijkt nu wat gunstiger te zijn.’

Nadat de arts heeft uitgelegd dat de patiënt minder ondersteuning nodig heeft van beademingsapparatuur, neemt de Imam en geestelijk verzorger van het ziekenhuis het over. ‘Met Allah’s hulp is zijn toestand verbeterd’, geeft Mohammed Ben Ayad een vrije vertaling van Liebregts’ boodschap aan het familielid aan de andere kant van de lijn. ‘Moge Allah jullie kracht geven, zodat jullie sterk blijven. En dat Hij jullie gebeden mag accepteren en dat Hij jullie beloont.’ De man reageert geëmotioneerd. ‘God zij dank’, klinkt het. ‘God zij geprezen.’

Het Coronavirus blijkt echter een grillige vijand. De patiënt die nu uit de gevarenzone lijkt te zijn, kan morgen weer in kritieke toestand geraken. De medici kunnen soms niet meer dan volgen en proberen de verwanten daarin mee te nemen. Dat verzacht beslist de pijn – al kan die lang niet altijd worden weggenomen.

69: The Saga Of Danny Hernandez

Toen hij groot ‘69’ op zijn voorhoofd liet tatoeëren, was er geen weg meer terug voor Daniel Hernandez, een latino-tiener uit Bushwick, Brooklyn. Hij zou het moeten gaan maken als Tekashi69 (ofwel: 6ix9ine). Als rapper met regenbooghaar, diverse gezichtstatoeages en tanden in allerlei verschillende kleuren. Ophef werd z’n handelsmerk. Zijn videoclips hadden zogezegd een enorme ‘shock value’: seks, coke en geweld. En op Instagram schopte hij wild om zich heen. Succes verzekerd: een bepaalde categorie jongeren identificeert zich maar wat graag met een straatwijze gangster.

In 69: The Saga Of Danny Hernandez (102 min.) wil regisseur Vikram Gandhi, bekend van zijn hoofdrol als nep-goeroe in de documentaire Kumaré, vat krijgen op de omstreden rapper, die zich uiteindelijk helemaal vastdraait in zijn eigen shit. Dat wordt de filmmaker niet door iedereen in dank afgenomen. Een buurtbewoner die hem te woord wil staan wordt ter plaatse luidkeels ter verantwoording geroepen. In dat opzicht doet Gandhi’s queeste denken aan Nick Broomfields pogingen om klaarheid te krijgen in de moorden op Tupac en Biggie, helden van een eerdere hiphopgeneratie. 

Ook Gandhi krijgt vooral belangrijke bijfiguren te spreken: Danny Hernandez zelf wil hem niet te woord staan. En dus meldt de filmmaker zich bij diens tatoeëerder, geluidstechnicus, chauffeur, haarstylist en collega’s (waarmee hij tegenwoordig soms op gespannen voet staat). Sara Molina, Hernandez’s ex-vriendin en moeder van zijn dochter, probeert de jongen achter het personage te schetsen. Al heeft ook zij nooit echt aan de binnenkant mogen kijken bij dit typische product van een New Yorkse achterbuurt, dat heeft geleerd dat hij moet vechten om te overleven.

Met zijn bronnen, geïllustreerd met clips en social media-uitingen van zijn hoofdpersonage, probeert Vikram Gandhi de opmars van Hernandez te vangen. Eerst begon hij zijn eigen kledinglijn, met teksten als Nigger, HIV of Pussy Eater erop. Daarna was er de rel rond een filmpje van groepsseks met een dertienjarig meisje, dat hij ongegeneerd deelde via social media. En toen volgde ook nog de ‘beef’ met rapper Trippie Redd, waarbij hij zich ter zijde liet staan door de beruchte Nine Trey Bloods Gang. Waar Tekashi69 kwam, zo was toen wel duidelijk, kwam gedonder.

Daarbij was het altijd weer de vraag of Danny Hernandez echt kwaad in de zin had of vooral uit was op goedkope publiciteit. Wat zijn motivatie ook mocht zijn, al die commotie legde hem bepaald geen windeieren: met hits als GummoTrollz en Gooba werd Tekashi69 een mondiaal fenomeen. Totdat hij dus werd ingehaald door zijn eigen Bad Boy-imago en zich serieus in de nesten werkte. Daar zit ook de aantrekkingskracht van deze scandaleuze documentaire, die een toxische wereld blootlegt waarin zo’n beetje alles wat fout is zowel de weg naar roem en geld als de levende hel kan plaveien.

Punk In London

Netflix

Hoe punk wil je het hebben?

Terwijl het ene bandlid probeert uit te leggen wat dat nu is, punk, laat het andere zijn ontblote achterwerk zien voor de camera. Die wil de boodschap – schijt aan alles? – blijkbaar nog even kracht bij zetten in Punk In London (90 min.) een documentaire van Wolfgang Büld uit 1977. Hij bezocht destijds cruciale plekken in de Britse hoofdstad en portretteerde daar de eerste generatie punkbands. Illustere namen als The Adverts, X-Ray-Specs, Wayne County And The Electric Chairs en The Killjoys

Tijdens zijn omzwervingen langs de pleisterplaatsen van de punkhype komt de Duitse filmmaker ook terecht bij Arturo Bassick. Deze negentienjarige jongeling (echte naam: Arthur Billingsley) speelt sinds enkele maanden bas bij The Lurkers, die net een bescheiden hitje hebben met Shadow. In de woonkamer van zijn ouderlijk huis, omringd door z’n vader en moeder die gezellig rond het tv-toestel zijn gaan zitten, geeft hij uitgebreid tekst en uitleg over onder meer het politieke karakter van punkmuziek.

Dan verschijnen ineens The Boomtown Rats, die later ook nog in de film zelf zullen opduiken, op de televisie in het programma Top Of The Pops. ‘Waardeloos!’ reageert Bassick direct in stijl. ‘Lang niet zo goed als The Lurkers.’ Hij legt uit: ‘Zij hebben een groot label achter zich dat er geld in pompt. Alleen zo word je beroemd. Corrupt. Uitverkoop!’ Gelukkig voor de nieuwbakken Lurker vindt zijn vader Bassicks band ‘beter dan gemiddeld’ en moet zijn moeder zelfs aan The Rolling Stones denken.

Büld laat zich regelmatig met een kluitje in het riet sturen door zelfbewuste punkers met een gemeenplaats over waarom zij wél punk zijn, anderen juist niet of het genre in de uitverkoop wordt gedaan, maar intussen dringt hij wel degelijk tot het binnenste door van een jeugdcultuur die zich voor even het middelpunt van de wereld waant, met zijn eigen platenwinkels, poptijdschriften en rivalen (de gevreesde Teddy Boys, vetkuiven die hun territorium maar wat graag verdedigen).

Alleen The Stranglers, op dat moment één van de grootste en meest omstreden groepen van de subcultuur, weigeren categorisch om aan Bülds film mee te werken. Al valt ook dat leed te overzien, omdat enkele bandleden hem nog wel even hoogmoedig te woord staan als hij daarover verhaal gaat halen bij hen. The Jam en The Clash, twee van de interessantste bands van de eerste Britse punkgolf, zijn gelukkig wel van de partij en krijgen tegen het einde van dit vermakelijke tijdsbeeld ook nog eens uitgebreid het podium.

The Bee Gees: How Can You Mend A Broken Heart

Barry Gibb, 75 jaar inmiddels, is de laatste der Bee Gees. De andere twee broers, de tweeling Robin en Maurice, zijn al enige tijd overleden. Met de soundtrack voor de film Saturday Night Fever maakten ze in 1977 het best verkochte album aller tijden. Totdat Michael Jackson hen met Thriller van de troon stootte. Hun muziek leeft echter voort, zoals dat dan zo mooi heet.

Frank Marshall stoft de roerige geschiedenis van de drie gebroeders vakkundig af in The Bee Gees: How Can You Mend A Broken Heart (111 min.). Via interviews met Barry, oude vraaggesprekken met zijn broers, herinneringen van intimi en de verplichte loftuitingen van collega’s (zoals Eric Clapton, Noel Gallagher, Chris Martin en Justin Timberlake; hun bijdragen passen overigens zo in dit hilarische Twitterdraadje) tekent hij hun opkomst, ondergang én wederopstanding op.

Het verhaal moge bekend zijn: hoe de Gibb-broers in de sixties, als een soort Australische surrogaat-Beatles, eerst uiterst succesvol werden, vervolgens ernstig gebrouilleerd raakten en daarna, via het ontdekken van hun eigen falsetstem, de weg omhoog terugvonden in de hoogtijdagen van disco. Met kneiterhits als Stayin’ Alive, How Deep Is Your Love en Night Fever als gevolg – en een positie als pispaal voor alle discohaters.

Intussen raakte hun jongere broer Andy Gibb, die op eigen kracht een tieneridool was geworden, steeds verder in de problemen en begonnen de Bee Gees zich toe te leggen op het produceren van collega’s als Barbra Streisand, Diana Ross en Celine Dion. Totdat de tijd hen definitief inhaalde. Het is een tamelijk stereotiep popverhaal, dat nochtans met veel plezier wordt verteld en natuurlijk helemaal is volgestort met hits.

Legale Wiet

&Bromet / KRO-NCRV

Het duurt niet lang, nooit eigenlijk, voordat Frans Bromet heeft gevonden waar het schuurt in de plannen van de overheid om een experiment met legale wietteelt op te zetten. John en Ines Weijers zijn bijvoorbeeld al jarenlang actief als wietkweker. Volgens eigen zeggen is de politie daarvan altijd op de hoogte gesteld en hebben ze ook netjes belasting betaald. Toch is het tot een veroordeling gekomen. Eerst louter symbolisch, zonder daadwerkelijk straf. Later heeft het stel van de Hoge Raad echter één maand voorwaardelijke gevangenisstraf aan zijn broek gekregen.

John en Ines moeten ook een aanzienlijke boete betalen, waardoor ze zelfs, wederom volgens eigen zeggen, hun huis hebben moeten verkopen. Vanzelfsprekend staan ze nu te trappelen om onderdeel te worden van het aangekondigde wietexperiment, zodat ze financieel weer een beetje Boven Jan kunnen komen. Één probleem: dat experiment is alleen toegankelijk voor telers zónder strafblad. Het is het Nederlandse gedoogbeleid in een notendop: gebruik en verkoop zijn al enige tijd legaal, maar de aanlevering bij coffeeshops, via de zogenaamde achterdeur, is officieel altijd illegaal gebleven. Met nu mogelijk heel vervelende gevolgen voor traditionele toeleveranciers zoals het echtpaar Weijers.

In deel 1 van Legale Wiet (55 min.) uit 2021 melden zich ook nieuwe spelers op de cannabismarkt, zoals Project C. Dit samenwerkingsverband van een kassenbouwer, voormalig statenlid van de SP, huisarts en advocaat (Peter Schouten, die de laatste tijd regelmatig in het nieuws is als advocaat van kroongetuige Nabil B. en vriend van Peter R. De Vries) wil het groot aanpakken en overweegt zelfs om aandelen uit te geven. Veel bewoners van de gemeente die ze op het oog hebben, het Brabantse Etten-Leur, zitten echter helemaal niet te wachten op zo’n ‘wietfabriek’ in de omgeving. Ze beginnen zich daartegen te verzetten.

Geïnteresseerd en toch kritisch gaat Frans Bromet het gesprek aan met al deze actoren, waarbij ook één van de initiatiefnemers van het experiment, huidig Tweede Kamer-voorzitter Vera Bergkamp (D66), de burgemeesters van de beoogde experimentgemeenten Tilburg en Etten-Leur en enkele coffeeshophouders een duit in het zakje mogen doen. Intussen dreigt het experiment, dat zich nu al jaren voortsleept en in die tijd ook Bromet licht moedeloos lijkt te maken, vast te lopen in een bureaucratisch moeras. In dat opzicht is deze gespreksfilm tevens een treffend portret van het Nederlandse softdrugsbeleid. Jarenlang liepen we voor de muziek uit, tegenwoordig vooral achter de feiten aan.

Het tweede deel van Legale Wiet (56 min.), uitgebracht in de zomer van 2024, lijkt in eerste instantie een herhaling van zetten: overheid en leveranciers houden elkaar nog altijd in een houdgreep. Intussen spreekt Frans Bromet met voormalig minister voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport Ernst Kuipers, steekt z’n licht op bij een Amerikaanse wietteler en een aantal nieuwe initiatieven en zoekt enkele deelnemers aan het experiment, zoals John en Ines Weijers, opnieuw op. En dan lijkt er zowaar toch iets van beweging te komen in het wietdossier…

F@ck This Job

Het beeldscherm is verdeeld in vier vlakken. In elk vlak is een Russische zender te zien. Drie ervan hebben vastgehouden aan hun gebruikelijke programmering: een dramaserie, reality-tv en een comedy of iets dergelijks. Business as usual. Linksonder is echter een live-verslag van een (zelfmoord)aanslag op het Domodedovo-vliegveld in Moskou te zien. Het is 24 januari 2011, de dag waarop de onafhankelijke televisiezender Dozhd Vladimir Poetin tegen de haren instrijkt.

Dat juist Dozhd de almachtige Russische leider zou tarten, hadden waarschijnlijk slechts weinigen voorspeld. Het station begon als een speeltje van Natasha Sindeeva, een flamboyante dame met een rijke vent, de bankier Sasha Vinokurov, die zich had voorgenomen om een ‘optimistic channel’ te beginnen. Ze rolde zelfs nog eens de rode loper uit voor Poetins aaibare opvolger/voorganger Dmitri Medvedev. Totdat het journalistieke bloed toch begon te kruipen waar het niet gaan mocht.

En dan verandert de documentaire F@ck This Job (102 min.) van Vera Krichevskaya, die zelf als lekker luchtige verteller fungeert, ook langzaam maar zeker van toon. Waar de filmmaakster eerst uitgebreid stilstaat bij Natasha’s roze Porsche, haar droomhuwelijk in ‘het Russische Versailles’ en de flair waarmee ze Dozhd opstuwt in de vaart der volkeren, komt de nadruk gaandeweg steeds meer te liggen op hoe diezelfde losbol zich ontwikkelt tot een voorvechtster van het vrije woord.

Deze film is dan allang een naargeestige impressie geworden van het hedendaagse Rusland, waar de vrijheid van meningsuiting rigoureus de kop wordt ingedrukt en het op helden tegen wil en dank zoals Natasha Sindeeva en de journalisten van Dozhd begint aan te komen. Ook voor hen gaat dat echter niet vanzelf. Terwijl haar medewerkers zich van alle kanten bedreigd beginnen te voelen, krijgt hun wilskrachtige leidsvrouwe het, mede door gezondheidsproblemen, steeds lastiger.

Krichevskaya probeert de persoonlijke malheur van haar protagonist te verbinden met de deplorabele staat van het land waarin zij allebei leven. Die twee komen niet altijd even soepel samen. Dit neemt echter niet weg dat F@ck This Job een film is, waarbij het lachen, om de vermakelijke capriolen van een nouveau riche-type, je gaandeweg vergaat als je ziet hoe zij, juist zij, met gevaar voor eigen lijf en leden de strijd met de nietsontziende Russische leider blijft aangaan.

Negen Koffers

EO

Voor mij, voor Hem, voor Haar. Ofwel: LiLaLo, het Jiddische theater dat de echtelieden Jacques en Jossy Halland in 1959 openden in Amsterdam. Het huiskamertheater zou tot 1982 een podium bieden aan typisch Jiddisch repertoire en mocht in die periode gasten uit binnen- en buitenland ontvangen, waaronder grootheden als Fellini en Picasso.

Het was de grote droom van de Hallands om hun liedjes en verhalen naar een groot publiek te brengen. In de documentaire Negen Koffers (57 min.) vertolkt Ellen ten Damme hun repertoire voor het eerst in Carré. Regisseur Marieke Rodenburg volgt de Nederlandse zangeres terwijl ze op de weg daarnaartoe het leven en werk van de zangeres en pianist ontdekt.

Ten Damme volgt het spoor van het echtpaar, dat elkaar in de Jiddische theaterwereld heeft leren kennen, naar Frankrijk. Ze arriveren daar voor aanvang van de Tweede Wereldoorlog, sluiten zich aan bij het verzet tegen de Duitsers en treden na de oorlog op met Franse grootheden als Juliette Greco en Fernandel. Intussen dromen ze van een eigen theater.

Met oude beelden van optredens van Jacques en Jossy Halland en gesprekken die zij hadden met interviewers als Berend Boudewijn en Ischa Meijer slaagt Rodenburg erin om de mensen achter de podiumpersoonlijkheden en hun gezamenlijke missie over het voetlicht te brengen. Samen met pianist Ringo Maurer eigent Ellen ten Damme zich intussen overtuigend hun oeuvre toe.

Negen Koffers doet daarmee enigszins denken aan de documentaire Claudia de Breij – Hier Zijn Wij, waarin documentairemaakster Suzanne Raes eerder dit jaar de Nederlandse kleinkunstenares en enkele getrouwen volgde toen ze zich verdiepten in het leven en de carrière van Heintje Davids, de Joodse rasartieste die maar geen afscheid kon nemen.

Waar Claudia de Breij nadrukkelijk de verbinding zocht met haar eigen leven en thema’s, lijkt Ellen ten Damme het Jiddische theater van Jacques en Jossy Halland vooral een interessante uitdaging te vinden, die mooi aansluit bij haar eerdere uitstapjes naar ‘Paris’, ‘Berlin’ en Casablanca. Maar of er ook een innerlijke noodzaak is om juist dit repertoire te omarmen?

Negen koffers weet nochtans doeltreffend het werk van de Hallands, de Jiddische cultuur en de charme daarvan in de spotlights te zetten.

Children Of The Mist

IDFA

‘Ik zal echt niet zó naïef zijn’, beweert Di ferm. Het Vietnamese meisje weet het zeker: mij gaat beslist niet gebeuren wat m’n oudere zus La is overkomen. ‘Op die avond was mijn moeder dronken’, herinnert Di zich. ‘Toen realiseerde ze zich ineens dat ze La al een tijdje niet had gezien. Ze vroeg mij waar ze was. Ik dacht dat ze was teruggegaan naar kostschool. Toen ik ons varken had gevoerd, zag ik mama huilend aan de telefoon zitten. De buren vertelden me dat mijn zus was ontvoerd.’

Di’s moeder is zelf ook het slachtoffer geworden van zulke ‘bride-kidnapping’, een eeuwenoud gebruik binnen de Hmong-gemeenschap, die huist in het bergachtige landschap van Noord-Vietnam. Rond nieuwjaar ontvoeren mannen, jongens vaak nog, er hele jonge meisjes met wie ze in het huwelijk willen treden. Di’s vader kan bijvoorbeeld nog altijd trots vertellen over hoe hij dat destijds zelf heeft aangepakt.

Of ze nu wil of niet, het is een lot dat ook zijn dochter boven het hoofd hangt in Children Of The Mist (92 min.). Voor haar debuutfilm volgt regisseur Diem Ha Le het opgroeiende meisje drie jaar lang, in een periode waarin ze volgens onze westerse normen gewoon nog kind is – en ook moet zijn. Terwijl Di op school in contact wordt gebracht met moderne waarden, is haar zus La op haar zeventiende inmiddels voor de tweede keer zwanger.

De filmmaakster laat feilloos zien hoe meerdere Hmong-generaties hun geheel eigen rituelen en gebruiken koesteren en er tegelijk ook in gevangen zitten. Als een meisje eenmaal is weggerukt uit haar natuurlijke omgeving, worden automatisch de onderhandelingen tussen de twee families, vergezeld van veel vormelijkheden, drank en drama, opgestart en is het nog maar de vraag of, en zo ja wat, de beoogde echtelieden dan nog te vertellen hebben.

Dat zou zomaar ook het voorland kunnen zijn van Di, die met het ene been ferm in de 21e eeuw staat en met het andere toch ook in de traditie van haar volk. Zeker als nieuwjaar nadert, zorgt dat voor frictie met haar ouders, waarbij het tienermeisje en haar bitse moeder soms vechten als kat en hond. Want als Di zou besluiten om haar ‘rover’ af te wijzen, kan dat wel eens voor gezichtsverlies van haar familie zorgen.

Dit leidt in Children Of The Mist tot pijnlijke taferelen, waarbij conflicten, soms bijna letterlijk, voor de camera worden uitgevochten. Dat tekent zich in deze indringende film bovendien af tegen een dramatisch decor, de rijstvelden en mistige heuvels van Noord-Vietnam, waar een opgroeiend Hmong-meisje zich net zo thuis, nietig en verloren kan voelen als binnen de tradities van haar volk.

14 Peaks: Nothing Is Impossible

Netflix

De befaamde Italiaanse alpinist Reinhold Messner was de eerste die de top van de veertien hoogste bergen van de wereld bereikte. Hij deed er in totaal zestien jaar over. Een andere klimmer slaagde er later in om ze te bedwingen in slechts zeven jaar. De Nepalees Nirmal Purja heeft het in 2019 in zijn hoofd gehaald om deze bergtoppen van 8000 meter hoogte te gaan beklimmen in niet meer dan zeven maanden. Dat is onmogelijk, zegt alles en iedereen. Voor een doorgewinterde streber zoals ‘Nims’ is dat echter alleen maar een aansporing. Hij dubt het ambitieuze plan Project Possible.

Dat is nogal een uitdaging. Ook voor filmmaker Torquil Jones: hoe houd je een tocht langs veertien toppen interessant? Ze lijken allemaal op elkaar: hoog, wit en gevaarlijk. Als het er veertien worden tenminste, want zo’n ambitieuze onderneming kan natuurlijk onderweg stranden op een onbegaanbare wand, in een sneeuwstorm of met een fatale val. Daar lijkt het alleen nooit echt op. Ook doordat Purja zelf fungeert als verteller en alle gebeurtenissen achteraf van commentaar voorziet. 14 Peaks: Nothing Is Impossible (101 min.) moet z’n spanning dus ergens anders vandaan halen.

En dus biedt elke top zijn eigen specifieke uitdaging. De eerste, Annapurna in thuisbasis Nepal, is bijvoorbeeld zo gevaarlijk dat er, volgens collega Don Bowie, voor elke drie klimmers die de top bereiken één doodgaat. Check. (V). Bij een andere berg krijgt ‘Nims’ last van de hoogteziekte H.A.C.E. (V), tijdens een volgende beklimming stuit de popi Nepalees op een collega die meer dood dan levend is (V) en bij de Mount Everest moet hij zich dan weer een weg banen door een hele file van klimmers (V). Purja maakt er een foto van, die direct ‘viral’ gaat.

Zo gaat het maar door, beklimming op beklimming. Die worden gepresenteerd met straffe oneliners van het type ‘Je ziel wordt onderdeel van de berg’ en ‘Als je opgeeft, sterf je’, dreigende en hé-le spannende muziek en enkele geanimeerde scènes (voor als er geen camera bij de hand was toen het echt over leven en dood ging). Jones lardeert Purja’s poging om eeuwige roem te verwerven – en meteen de Nepalese klimgemeenschap op de kaart te zetten, een doel dat hij blijft benadrukken – bovendien met enkele extra obstakels: geen financiering (V), uitblijvende klimvergunning (V) én doodzieke moeder (V).

En dan heeft de Nepalese klimheld één berg ook nog moeten beklimmen met een hardnekkige kater (V). Eigen schuld, dat wel. Ondanks al die grote en kleine hobbels op de weg naar het Guinness Book Of Records wordt 14 Peaks nooit écht enerverend. Daarvoor is de film toch te glad en geconstrueerd. Als een Hollywood-versie van het echte klimmersbestaan, waarbij mensen van vlees en bloed worden gereduceerd tot een bordkartonnen versie van zichzelf. En dat Nirmal Purja het allemaal voor een hoger doel – en niet gewoon voor zichzelf – zou hebben gedaan? Daar mag een mens best even besmuikt om grinniken. (V).