You Don’t Nomi

De critici waren het erover eens: Showgirls was zonder enige twijfel de slechtste film van 1995. Beloond met een recordaantal van zeven Razzies, de anti-Oscars die jaarlijks worden uitgereikt. Voor onder meer slechtste film, hoofdrolspeler én regisseur. De Nederlander Paul Verhoeven ging zijn Award hoogstpersoonlijk ophalen, als eerste filmmaker in de historie. Hij stak nog nét zijn middelvinger niet op naar alle haters.

25 jaar na de première is het gesprek over die omstreden film, blijkbaar toch niet zo’n waardeloze rolprent, nog altijd niet verstomd. In You Don’t Nomi (91 min.) laat Jeffrey McHale allerlei verschillende lezingen los op de film. Van filmcritici die Showgirls destijds helemaal neersabelden, anderen die er een moderne klassieker inzien, een dichter die eindeloos inspiratie vond in de film en hedendaagse drag queens en andere performers die nog altijd op de planken staan met de bijbehorende musical.

Zij claimen voor Showgirls een eigen plek in de (cult)filmhistorie en plaatsen de beoogde blockbuster ook overtuigend binnen het oeuvre van de provocateur ‘Verhooven’ (die zelf overigens niet aan het woord komt). Als logisch vervolg op zijn Nederlandse periode, via fragmenten van Turks Fruit, Spetters en De Vierde Man. En als culminatie van zijn jaren in Hollywood, het (omgekeerde) uitroepteken achter kaskrakers als Robocop, Total Recall en Basic Instinct. In Showgirls zijn bovendien allerlei motieven en stijlvormen te ontwaren, die ook in zijn vroegere films en later werk als Zwartboek en Elle zijn te herkennen.

Ook de morele kritiek op de film – misogynie en homofobie – klonk Verhoeven-volgers vertrouwd in de oren. Net als de beschuldiging dat hij eigenlijk niet van de vrouwen in zijn films houdt. In dat opzicht maakte hij met Showgirls zijn duidelijkste slachtoffer: actrice Elizabeth Berkley, het voormalige sterretje uit de sitcom Saved By The Bell. Na haar rol als stripper in Showgirls kwam ze nauwelijks meer aan de bak. Afgaande op deze intrigerende documentaire had Berkley kunnen weten wat ze zich op de hals haalde. In de film heet ze niet voor niets Nomi Malone. Nomi. Als in: Know me. No me. Of: No… Me.

‘Wie heeft ‘t bij het rechte eind over Showgirls?’, vraagt Adam Nayman, auteur van het boek It Doesn’t Suck: Showgirls, zich af in deze verplichte film over film, waarbij rechtgeaarde cinefielen hun vingers aflikken. ‘De mensen die het een verschrikkelijk slechte grap vinden? Of degenen die het beschouwen als een onbegrepen meesterwerk?’ Nayman geeft zelf antwoord: Showgirls is een ‘masterpiece of shit’. Waarvan acte.

Narrowsburg

Het klinkt als het plot van een onvervalste B-film. Of in dit geval: een B-docu. Whacking Narrowsburg, of zoiets. Een tweederangs maffioso arriveert rond de eeuwwisseling met veel bravoure in een slaperig Amerikaans stadje om daar een gangsterfilm, met Four Deadly Reasons als beoogde titel, te gaan maken met de plaatselijke bevolking. En, o ja, om samen met zijn partner, de Française Jocelyne uit Zuid-Afrika (?), ook even het ‘Sundance van de Oostkust’ uit de grond te stampen: het enige echte Narrowsburg International Filmfestival.

’s Mans voornaamste wapenfeit? Een bijrol in de maffiakomedie Analyze This met Robert de Niro. En een manier van doen die bepaald niet zou misstaan in The Sopranos. Nee, deze patser heeft geen artiestennaam: hij heet echt Richie Castellano. Toch? En ja, hij komt uit The Bronx en zat een tijdje in de nor. In Attica om precies te zijn, vanwege gewapende overvallen op banken. Aan ‘street credibility’ bepaald geen gebrek. Right?

Maar is die hele onderneming van Richie en Jocelyn niet te mooi om waar te zijn? In Narrowsburg (84 min.) reconstrueren alle hoofdpersonen, inclusief de tweederangs maffioso en zijn ‘mystery lady’, de gebeurtenissen die natúúrlijk zullen uitlopen op een gigantisch fiasco. ‘Ik hou van de camera’, zegt Richie niettemin glunderend tijdens de start van zijn interview. ‘Ik heb altijd van aandacht gehouden. En hoe kun je meer aandacht krijgen dan dit? Hehe.’

En zo ontvouwt zich een kostelijke real life-comedy over een dubieus duo met meer wilde plannen dan goed is voor (het spaargeld van) de lokale gemeenschap. Regisseur Martha Shane raapt de brokstukken bij elkaar, plakt er speelfilmfragmenten en ruwe opnamen van de amateurs in actie tussen en lijmt het geheel vervolgens met een lekker vette knipoog aan elkaar. Gegarandeerd goed voor bijna anderhalve uur topvermaak.

Showbiz Kids

Evan Rachel Wood, Cameron Boyce, Henry Thomas & Wil Wheaton / HBO

Van Drew Barrymore en River Phoenix tot Britney Spears en Lindsay Lohan. Er zijn legio voorbeelden van kindersterren die op latere leeftijd in de problemen komen. Ze kunnen de weelde van het succes niet dragen, worden als jongvolwassene al beschouwd als oud nieuws of raken verstrikt in dat eeuwige dilemma: vinden al die mensen míj leuk of kicken ze gewoon op mijn bekendheid? Toch zijn er altijd weer kinderen – en niet te vergeten: hun ouders – die naar Hollywood verkassen om daar, voor eventjes dan, eeuwige roem te verwerven.

Marc Slater en zijn moeder Melanie zijn bijvoorbeeld vanuit Orlando in Florida gekomen om te auditeren voor een rol in de pilot van een serie. De ouders van het guitige joch hebben al hun spaargeld moeten aanspreken om de reis te betalen en een acteercoach in te huren. Zonder enige garantie op succes. Demi Singleton heeft al een voet tussen de deur gekregen in de entertainmentindustrie. Ze speelde maandenlang in de musicals School Of Rock en The Lion King. Maar kan ze het zich nu ook permitteren om een zomer vrijaf te nemen? vragen Demi en haar moeder zich af.

Regisseur Alex Winter, die zelf als jongeling actief was op Broadway, paart de lotgevallen van de twee aspirant-publieksfavorieten in de interessante documentaire Showbiz Kids (94 min.) aan de ervaringen van gewezen kindersterren zoals Evan Rachel Wood (Thirteen), Henry Thomas (E.T.), Mila Jovovich (Return To The Blue Lagoon), Wil Wheaton (Stand By Me), Todd Bridges (Diff’rent Strokes), Mara Wilson (Mrs. Doubtfire) en de onlangs op twintigjarige leeftijd aan een epilepsie-aanval overleden Cameron Boyce (Jesse). Hun verhalen over plotselinge roem en de keerzijde daarvan worden geïllustreerd met fragmenten uit de films en televisieprogramma’s waarin ze ooit schitterden.

Een aardige trouvaille is ook één van de allereerste kindersterren, Baby Peggy. Diana Serra Cary is de grens van honderd jaar inmiddels gepasseerd en kan vanuit eigen ervaring bevestigen dat de kansen en uitdagingen van hedendaagse sterretjes eigenlijk al zo oud zijn als pak ‘m beet Shirley Temple. Waarbij alle actoren rondom de Hollywood-ster in spe – de ouders, managers, filmbonzen, fans én kritische recensenten – wel eens uit het oog verliezen dat ze toch echt met een tere kinderziel hebben te maken.

De Kleine Man, Tijd En De Troubadour

EO

‘De kleine man voorzag dat er ruzie zou komen’, stelt Sipa Labakhua in de autobiografische voorstelling De Kleine Man, Tijd En De Troubadour (55 min.) van het poppentheater waarmee hij door zijn geboorteland Abchazië trekt. ‘Hij waarschuwde de zijnen, tevergeefs.’ Na de val van de Sovjet-Unie aan het begin van de jaren negentig ontstond er oorlog in de voormalige deelrepubliek waar Labakhua opgroeide en zijn vader, de kleine man, toentertijd een politieke functie bekleedde.

In deze bespiegelende roadmovie volgt Ineke Smits de zelfverklaarde troubadour door het land aan de Zwarte Zee, dat is getekend door de strijd met Georgië. Ze doorsnijdt zijn ontmoetingen met gewone burgers – van een jonge kunstenares die niets begrijpt van patriottisme tot twee zangeressen van traditionele Abchazische liederen – met passages uit zijn surrealistische voorstelling. ‘Dit is een parabel over de tijd die slaapt’, zegt Labakhua daarover in gesprek met zijn publiek. ‘Hij slaapt nog steeds, maar vermoordde mijn vader, hij verzwolg hem. Mijn manier om met slapende tijd om te gaan, is door ermee te spelen.’

Spelenderwijs werpt de poppenspeler, in eendrachtige samenwerking met Smits, elementaire vragen op over hoe we als mensen worden bepaald door onze oorsprong. Is dit land, met z’n Sovjet-flats, idyllische natuur en oorlogsruïnes, nog hun thuis? vraagt Labakhua zich af, terwijl hij door het land rijdt, een agressieve hond afschudt en steeds dichter bij zijn vader, de kleine man, komt. En waardoor wordt een thuisland überhaupt gekenmerkt? Na een lange tocht concludeert de troubadour voor zichzelf. ‘Mijn land is mijn kunst en mijn thuis is mijn talent. Daar zijn geen grenzen.’

Maria By Callas

Fonds de Dotation Maria Callas / NTR

‘Er zitten twee personen in me’, zegt de hoofdpersoon van deze film tijdens een tv-interview met David Frost uit 1970. ‘Ik wil graag Maria zijn, maar moet ook Callas recht doen.’ De eigenzinnige vrouw en de wereldberoemde operaster staan soms op gespannen voet met elkaar. ‘En als het erop aankomt, wie wint er dan?’ wil Frost weten. ‘Maria of Callas?’ De gevierde sopraan houdt zich op de vlakte: ‘Ik hoop dat ze niet zonder elkaar kunnen bestaan.’

In een ander fragment uit hetzelfde interview, dat regisseur Tom Volf gebruikt als anker voor zijn portret van Maria Callas (1923-1977), is ze een stuk explicieter. Die status van beroemdheid, voortdurend op de huid gezeten door de schandaalpers, kan haar gestolen worden. ‘Ik had liever een gelukkig gezin gehad en kinderen. Dat is de voornaamste roeping van de vrouw. Maar het lot heeft me deze carrière gegeven.’

Die loopbaan heeft haar tot de grote ster van Verdi-, Puccini- en Bellini-opera’s gemaakt, maar blijkens Maria By Callas (112 min.) net zoveel conflicten en frustraties opgeleverd; van een publiek ontslag bij het Metropolitan Orchestra tot een groots opgezet concert in Rome, dat vanwege bronchitis moest worden afgezegd. Die beslissing is haar nog jaren nagedragen en noopt haar in latere tijden tot een wat gematigdere toon, tot aan valse bescheidenheid aan toe.

Duidelijk is dat de Grieks-Amerikaanse zangeres een dame met temperament was. Ze maakt in deze stevige biografie, opgebouwd uit een uitbundige hoeveelheid archiefmateriaal en met opvallend lange muziekstukken, regelmatig een teleurgestelde indruk, ook omdat ze zich in vraaggesprekken steeds weer moet verdedigen. Maria wil eigenlijk een vrouw zijn, die zich helemaal kan wegcijferen voor een man. Zegt ze.

Intussen lucht ze haar hart in brieven aan haar zanglerares/hartsvriendin Elvira de Hidalgo, actrice Grace Kelly en haar geliefde, de steenrijke scheepsmagnaat Aristoteles ‘Aristo’ Onassis. Voor hem geeft ze ook haar huwelijk op. Uiteindelijk zal hij haar echter weer verlaten voor een andere celibrity. ‘Ik ben ervan overtuigd dat Onassis m’n vriendschap nodig heeft’, zegt ze daarover tegen David Frost. ‘Want ik vertel hem de waarheid. Niet dat jullie mannen graag de waarheid horen.’

Capturing Lee Miller

NTR

Haar zoon Antony wist van niets. ‘Ik kende mijn moeder als een nutteloze dronkaard. Als een hysterica voor wie het nemen van de trein al een hele onderneming was.’ Toen vond zijn vrouw een collectie foto’s op zolder. Antony Penrose kon het nauwelijks geloven. Was dit werk van zijn moeder? En was zij dat ook, die stijlvolle vrouw in Vogue?

Toen Antony talloze naaktfoto’s van zijn moeder zag, kon hij zijn ogen helemaal niet meer geloven. En toen hij ook nog hoorde dat die waren gemaakt door haar vader, zijn eigen opa Theodore, wist hij ook niet of hij zijn oren mocht vertrouwen. Voor zijn geestesoog ontstond een nieuwe vrouw, de vrouw die zijn moeder ooit geweest moest zijn: Lee Miller (1907-1977). Model. Muze. Icoon. Fotograaf. Surrealistische kunstenaar. En oorlogscorrespondent.

Penrose besloot een biografie over die onbekende moeder te schrijven, The Lives Of Lee Miller, en fungeert nu tevens als één van de intimi, deskundigen en navolgers in Capturing Lee Miller (60 min.) die haar leven en oeuvre proberen te duiden. Van de vrijheid blijheid van het interbellum en haar jaren als Alles van sterfotograaf Man Ray via de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog naar de periode waarin ze zichzelf helemaal kwijtraakte en weer terug probeerde te vinden.

Regisseur Teresa Griffiths volgt de bewogen levensroute van haar hoofdpersoon nauwgezet, probeert het wezen van de enigmatische vrouw te vangen in stijlvolle sequenties en lardeert dit geheel met fraaie zwart-wit foto’s van en met de ontzettend veelzijdige Lee Miller. Zo belicht ze alle zijden van een vrouw die haar tijd ver vooruit was, voor wie de wereld te klein leek en die uiteindelijk tóch in de vergetelheid raakte. En dat vond ze misschien niet eens zo heel erg. Haar verleden, vol met trauma’s ook, werd veilig opgeborgen, op zolder.

Het komt allemaal samen in die ene wereldberoemde foto van Lee Miller in de badkuip van Adolf Hitler, die ongeveer op datzelfde moment een einde aan zijn leven heeft gemaakt. Een ongenaakbare blote vrouw, met een staatsieportret van Der Führer op de rand van het bad, die tevergeefs de ellende van het concentratiekamp van Dachau, waar ze die ochtend een serie indrukwekkende foto’s voor Vogue heeft geschoten, van zich af probeert te wassen.

Ronnie Wood: Somebody Up There Likes Me

Piece Of Magic

Hij was de goedlachse sfeermaker, die de lastpost Mick Taylor moest vervangen. Die had op zijn beurt Brian Jones afgelost. De gitarist die de machtsstrijd binnen The Rolling Stones verloor van de tandem Mick Jagger en Keith Richards en daarna letterlijk ten onder was gegaan in een zwembad. Nee, Ronnie Wood had niet al te veel spatjes toen hij lid werd van ‘the greatest rock & roll band on earth’. Lekkere gitarist, complementaire persoonlijkheid bovendien.

In Ronnie Wood: Somebody Up There Likes Me (72 min.) wordt de man in eerste instantie gepresenteerd als schilder, een activiteit die hij op advies van zijn vriend, de kunstenaar Damien Hirst, zou hebben opgenomen. Regisseur Mike Figgis bevraagt hem intussen, via het trekken van thematische kaarten, over zijn voorliefde voor drank, sigaretten en vrouwen. ‘Ik ben mentaal nooit ouder dan 29 geworden’, bekent Wood, die tegenwoordig toch echt zo oud oogt als hij is: in de zeventig. Met datzelfde rattensmoeltje, dat wel. En ravenzwart haar, nog altijd.

Dit portret neemt zijn leven en loopbaan door met alle mensen die je daarin verwacht: vriend Rod Stewart (met wie hij in zowel The Jef Beck Group als The Faces zat), zijn natuurlijk veel jongere vrouw Sally Wood en de drie andere Stones, een band waarvan hij inmiddels alweer bijna een halve eeuw deel uitmaakt. Met riffmeister ‘Keef’ vormt Wood een hecht duo, dat volgens eigen zeggen ‘de oeroude kunst van het vervlechten’ beoefent en duidelijk nog altijd met veel plezier samen op het podium staat.

Het interessantst wordt Somebody Up There Likes Me als de hoofdpersoon ingaat op zijn excessieve drank- en drugsgebruik, dat hij kan herleiden tot zijn vroegste jeugd (‘We wisten nooit in welke tuin m’n vader wakker zou worden.’) en dat uiteindelijk tot een serieuze crisis zou leiden. Dan komt Figgis even voorbij de rock & roll-clichés die natuurlijk ook weer her en der opduiken in deze vermakelijke popdocu over een zeventiger van nog nét geen dertig.

Disclosure

Netflix

Via films ontdekken we onszelf. Ze vormen een afspiegeling van wie we zijn. Of, beter, van hoe Hollywood ons ziet. In het geval van transgenders levert dat een problematisch beeld op: van transmannen en -vrouwen als dankbaar mikpunt van spot bijvoorbeeld, in films als Tootsie, Mrs. Doubtfire en Ace Ventura: Pet Detective. Er is het idee dat wij komisch zijn, stelt schrijver Tiq Milan in Disclosure (108 min.). ‘Dat we freaks zijn. Dat we ons verkleden om anderen aan het lachen te brengen.’

Ook pijnlijk: transgenders als gestoorde seriemoordenaar. In talloze klassieke thrillers, zoals Psycho, Dressed To Kill en The Silence Of The Lambs. Het kan echter nog erger: als slachtoffer van een geweldsmisdrijf. Enkele acteurs in deze boeiende documentaire van Amy Scholder en Sam Feder vertellen hoe ze inmiddels talloze malen op een gruwelijke wijze om het leven zijn gebracht voor de camera. Omdat dat, blijkbaar, de meest voor de hand liggende manier was/is om een transman of – vrouw te incorporeren in een verhaal.

Net als de baanbrekende documentaire The Celluloid Closet (1995), waarin wordt ontleed hoe homoseksualiteit door de jaren heen (verhuld) is geportretteerd in film, belicht Disclosure via een uitputtende collectie speelfilmfragmenten (en televisieprogramma’s zoals Oprah en The Jerry Springer Show) hoe Hollywood op alle mogelijke manieren, van heel lomp en expliciet tot zeer subtiel, heeft bijgedragen aan de beeldvorming van transgenders, en in sommige gevallen ook aan transfobie.

Prominente transmannen en -vrouwen zoals actrice Laverne Cox (Orange Is The New Black), regisseur Lilly Wachowsky (The Matrix) en actrice Trace Lysette voorzien de fragmenten van persoonlijk commentaar. Over hoe die beelden, en het gedachtegoed dat daarachter schuilgaat, hun eigen zelfbeeld en transitie hebben beïnvloed en hoe films, zoals bijvoorbeeld de klassieke documentaire Paris Is Burning, soms ook positieve effecten hebben gehad op hun emancipatie.

‘Het is een interessante vraag om jezelf te stellen wat ik nu zou voelen als een openlijke transpersoon als ik geen representatie van mezelf had gezien in de media’, vat de actrice en schrijfster Jen Richards het treffend samen. ‘Enerzijds had ik me dat gevoel van monsterlijkheid nooit eigen gemaakt, van angst voor onthulling, van mezelf als weerzinwekkend of als de clou van een grap.’ Van de andere kant: ‘Zou ik weten dat ik trans ben als ik nooit gendervariatie op het scherm had gezien?’

Jim Allison: Breakthrough

HBO

Als kind had hij de bijnaam ‘Diamond Head’. Volgens zijn broer Murphy omdat zijn hoofd uit ‘the hardest substance known to man’ bestond. Ofwel: als Jim Allison iets in z’n kop had, dan had hij het niet in zijn… juist. In dat opzicht is er sindsdien weinig veranderd. Allison weet nog altijd precies wat hij wil, stoort zich daarbij niet aan conventies en gaat door tot het gaatje.

De Texaan oogt tegenwoordig als een willekeurige oudere bluesmuzikant. En dat klopt: de man zingt en speelt bepaald niet onverdienstelijk mondharmonica. Met countryheld Willie Nelson bijvoorbeeld. En hij heeft sinds 2018 een Nobelprijs voor Geneeskunde op zak, dat ook. Voor zijn baanbrekende kankeronderzoek naar de zogenaamde T-cel receptor.

In Jim Allison: Breakthrough (84 min.), waarin acteur Woody Harrelson als verteller fungeert, belicht de gelauwerde immunoloog zelf, samen met familieleden, vrienden en collega’s zijn levensloop, wetenschappelijke loopbaan en het onderzoek dat niet alleen zijn eigen leven volledig heeft veranderd. Dat is door regisseur Bill Haney met fraaie animaties gevisualiseerd.

Bij een test met muizen ontdekt Allison halverwege de jaren negentig een manier om tumoren onschadelijk te maken. Een behandeling tegen kanker is dan nog ver weg. En daar heeft Allison zijn zinnen op gezet. Voor Sharon Belvin, een 22-jarige vrouw met een hersentumor, die in deze gedegen film alle kankerpatiënten vertegenwoordigt die wachten op een behandeling.

Én voor zijn eigen moeder, die aan de gevreesde ziekte overleed toen hij een jongen van elf was. Met een buik vol verdriet en een hoofd als een diamant, dat wel.

Be Water

Hij moest eerst in Hongkong een superster worden voordat hij een serieuze kans kreeg in Hollywood. Als een Oosterse variant op de actieheld zou Bruce Lee, in 1973 op slechts 32-jarige leeftijd overleden, een absolute legende worden. De grootste material arts-acteur aller tijden, de gedroomde ster van elke kung fu-film.

In Be Water (98 min.) plaatst regisseur Bao Nguyen Lee’s leven en loopbaan nadrukkelijk binnen de historie van Aziaten in de Verenigde Staten, die van oudsher een achtergestelde positie hadden, te maken kregen met allerlei stereotypen (‘stille harde werkers’) en soms openlijk werden gediscrimineerd. Ook hij zou als acteur voortdurend worden getypecast als ‘die Chinees’.

Zolang het tenminste geen hoofdrol was. Toen Bruce Lee het idee voor de serie Kung Fu aandroeg bij Warner Brothers, werd dat enthousiast ontvangen. Voor de hoofdrol werd alleen een Amerikaanse acteur gevraagd. De rol van Chinese monnik zou één van de hoogtepunten uit de carrière van David Carradine worden. En Lee, op wiens lijf de rol letterlijk geschreven was, droop ontgoocheld af.

Totdat hij via een omweg naar Hongkong dus alsnog zijn eerste echte hoofdrol in een grote Hollywood-productie bemachtigde. De première van Enter The Dragon, inmiddels een echte filmklassieker, zou hij echter nooit meemaken. Van een gewone, ambitieuze jongen, geboren in het Chinatown van San Francisco, werd hij postuum alsnog een mythe, de vleesgeworden Fist Of Fury.

Dat tragische verhaal wordt door Nguyen volledig verteld met archiefmateriaal, dat buiten beeld wordt ingekleurd door zijn broer, vrouw, dochter, vrienden, collega’s en kenners. Ondanks het feit dat de hoofdpersoon zelf slechts beperkt aan het woord komt, slaagt de filmmaker er heel behoorlijk in om door te dringen tot de man Bruce Lee, die verscholen zit achter de legende.

Bokken En Geiten

IDFA

Ooit vormden ze één harmonie. Halverwege de 19e eeuw ontstond er echter een conflict met de dienstdoende pastoor en volgde een opsplitsing. Sindsdien vechten de opstandige Bokken en de Geiten, de meelopers van meneer pastoor, als kat en hond. Op wereldniveau, dat wel. Twee toonaangevende harmonieën uit één en hetzelfde plaatsje, het Limburgse Thorn. De rivaliteit tussen de Koninklijke Harmonie van Thorn, alias De Bokken, en de Kerkelijke Harmonie St. Michael, bijgenaamd De Geiten, heeft voor twee volledig langs elkaar (heen) levende gemeenschappen gezorgd. Met eigen cafés, middenstand en verenigingen.

Hans Heijnen, zelf Limburger van geboorte, tekent de tweespalt in ‘het witte stadje’ met zichtbare compassie, gevoel voor drama en een stiekeme knipoog op in de documentaire Bokken En Geiten (85 min.) uit 1998. De harmonieën zijn niet met elkaar te vergelijken, vinden ze van elkaar. ‘De vuile was van de Bokken ligt eerder op straat dan die van de Geiten’, meent een overtuigde Bok. ‘Dat betekent dat de Bokken het hart op de tong dragen.’ Huichelaars, wil hij maar zeggen, die Geiten. ‘De Geiten, en ik dus ook,’ zet een geit daartegenover, ‘zijn zachter van karakter dan de Bokken.’

Notabelen houden zich intussen zorgvuldig op de vlakte tegenover Heijnen, die het vuurtje zo nu en dan voorzichtig oppookt. Voordat ze het weten worden ook zij, en hun hele gezin erbij, voortaan tot één van de twee kampen gerekend. De rivaliteit in Thorn doet denken aan de strijd tussen de voetbalclubs Spakenburg en IJsselmeervogels, zoals vastgelegd in de sportdocu Hoe Rood En Blauw Spakenburg Verdeelt (2005), en Heijnens eigen film over de kinnesinne tussen de Groesbeekse verenigingen Achilles en de Treffers, Voetbal Is Oorlog (2018).

Eerst en vooral is deze film, waarin verteller Huub Stapel de kijker in Limburgs dialect door het Thornse mijnenveld leidt en Heijnen op gepaste momenten ferme accenten zet met meeslepende concertpassages, echter een bijzonder vermakelijke ode aan het langzaam wegkwijnende verenigingsleven, dat overal in Nederland vergrijst en op sommige plekken zelfs uitsterft. Zowel de Bokken als de Geiten, die elkaar tijdens officiële wedstrijden zoveel mogelijk ontwijken, hebben inmiddels al hun 150-jarig jubileum gevierd en blazen nog altijd een duchtig deuntje mee.

En aan het eind van Bokken En Geiten wordt er, gelukkig, ouderwets ‘zo’ne goeie hebben wij nog niet gehad’ gezongen. Waarbij de ene harmonie wereldkampioen is en de andere kampioen van het dorp. Terwijl dat nog niet zo lang daarvoor toch echt andersom was.

Bokken En Geiten is hier te bekijken.

Laurel Canyon: A Place In Time

In Laurel Canyon, een idyllisch deel van Los Angeles, hing magie in de lucht: de geest van de sixties waarde er rond en bracht zijn meest verlichte vertegenwoordigers mee. Ze vormden bands als The Byrds, Love, The Mamas & The Papas, Buffalo Springfield en The Doors. En de fotografen Henry Diltz en Nurit Wilde, de laissez-faire vertellers van dat historische verhaal, keken hun ogen uit en legden voor het nageslacht vast wat zij mochten zien.

Dit babyboomer-tweeluik van Alison Ellwood kijkt ook over de Love & Peace-schutting: de vallei vormde immers niet alleen een toevluchtsoord voor musicerende hippies. Ook Frank Zappa, The Monkees en Alice Cooper hielden er huis. Zodat het er niet te serieus en zoetsappig aan toe zou gaan in Laurel Canyon: A Place In Time (156 min.). En anders kwam Sadie Mae Glutz, één van de vooraanstaande leden van The Manson Family, wel even langs, met haar vriendje Bobby Beausoleil.

Niet veel later zouden deze twee betrokken raken bij de gruwelijke Tate- en LaBianca-moorden, die een rassenoorlog hadden moeten ontketenen. Ideetje van hun leider, de gesjeesde muzikant Charles Manson. Helter Skelter, juist. De oorlog in Vietnam en een volledig uit de hand gelopen concert van The Rolling Stones bij de Altamont-racebaan, waarbij de als beveiligers ingehuurde Hells Angels een zwarte concertganger doodden, zouden de geest van de vrijgevochten jaren zestig, perfect vervat in het nummer Woodstock van Joni Mitchell, vervolgens weer helemaal in de fles doen verdwijnen.

In Laurel Canyon, zo laat het tweede deel van deze verzorgde en ook wat brave documentaire zien, vond er intussen een wisseling van de wacht plaats, waarbij seventieshelden als Jackson Browne, The Flying Burrito Brothers, Bonnie Raitt, The Eagles en Linda Ronstadt het nieuwe decennium een countryfeel meegaven en zo een eigen hoofdstuk toevoegden aan de muziekgeschiedenis van dit glorieuze deel van de ‘City Of Angels’. Wat de rol van Laurel Canyon daarin was – en of de plek überhaupt echt een rol speelde – blijft daarbij een beetje ongewis.

Ellwood verweeft al die verhalen, off screen geduid door de direct betrokkenen, overigens soepeltjes met elkaar en geeft de bijbehorende muziek behoorlijk wat ruimte. Al lijkt haar selectie ook tamelijk willekeurig en zijn de meeste van die zo-maakten-wij-belangwekkende-muziek verhalen al eerder verteld. Een halve eeuw later lijkt het alsof de trip nostalgia naar de helden van Laurel Canyon nu wel vaak genoeg is gemaakt, dat déze tijdgeest even niet meer per se hoeft te worden opgeroepen. Oké, boomer?

Martin Margiela In His Own Words

Hij is en blijft een mysterie. Een man die geen interviews geeft en zich niet laat filmen of fotograferen. Het werk van Martin Margiela moet voor zichzelf spreken. Soms heeft hij spijt van die beslissing, zegt de Belgische modeontwerper in de documentaire Martin Margiela In His Own Words (90 min.), waarvoor hij dus tóch heeft ingestemd met een interview. ‘Het is moeilijk om naam te maken voor jezelf als men die niet kan verbinden met een gezicht.’

Herkenbaar in beeld wil Margiela nog steeds niet. Dat laat hij in deze stijlvolle film van regisseur Reiner Holzemer over aan mensen uit zijn directe (werk)omgeving of kenners zoals trendwatcher Li Edelkoort, collega Jean Paul Gaultier en filmmaakster/model Sandrine Dumas, die zijn eigen visie op z’n leven, carrière en collecties aanvullen en becommentariëren. ‘Mij bevalt het idee niet, om beroemd te zijn’ zegt hij nog. ‘Anonimiteit is waardevoller voor mij. Zijn zoals alle anderen, houdt me in balans.’

Een kwestie van zelfbehoud, zo lijkt het. Geen opzichtige poging tot mythevorming. Al wordt Margiela her en der wel degelijk ‘de Banksy van de modewereld’ genoemd. En dus zijn in dit gedegen (zelf)portret, waarvoor Holzemer nauwgezet de verschillende shows van de ontwerper doorloopt en de toonaangevende Belgische band dEUS de soundtrack verzorgde, alleen zijn handen in beeld. De werktuigen van een eigenzinnige en inventieve geest, die de internationale modewereld stormenderhand heeft veroverd.

En die in 2008 plotseling ander werk kregen, toen hij bij het twintigjarige jubileum van de Maison Martin Margiela in Parijs op 29 september 2008 plotsklaps besloot om per direct de modewereld te verlaten. Sinds die tijd mogen die handen schilderen en beeldhouwen en leidt de man die hun arbeid ongetwijfeld met een kritisch oog beziet écht een anoniem leven. ‘Ik vind het heerlijk om alleen te zijn, met niemand om me heen. Gewoon alleen zijn en doen wat ik leuk vind.’

On The Record

HBO

Is #metoo te veel een ‘witte’ kwestie gebleven? In de openingsscène van On The Record (97 min.), een film die is opgebouwd rond beschuldigingen van seksueel misbruik tegen de Afro-Amerikaanse platenbaas Russell Simmons, wordt die suggestie wel gewekt – waarbij de aantijgingen tegen Bill Cosby en R. Kelly voor het gemak buiten beschouwing worden gelaten. De gedachtegang is: bovenaan de pikorde staat de witte man, ergens helemaal onderin bungelt de zwarte vrouw. Die wordt nauwelijks gehoord.

Één van die vrouwen, Drew Dixon, fungeert als protagonist van deze documentaire van Kirby Dick en Amy Ziering (die eerder thematisch verwante films als The Invisible War en The Hunting Ground maakten). Ze werkte in de jaren negentig bij Simmons’ hiphoplabel Def Jam, waar populaire acts als Run-DMC, Beastie Boys en Public Enemy onder contract stonden, en maakte op een bijzonder onplezierige manier kennis met de grote man daarvan (en later nog met een andere opdringerige platenbaas). En ze was – natuurlijk, zou je bijna zeggen – bepaald niet de enige.

On The Record, waaruit executive producer Oprah Winfrey zich eerder dit jaar overigens terugtrok, volgt Dixon als ze haar verhaal eind 2017 naar buiten brengt via een artikel in The New York Times. Terwijl ze dat, schoorvoetend, doet, is er dus al een camera die elke stap die ze zet vastlegt en intussen de emotionele schade opmaakt. Dick en Ziering laten daarnaast enkele andere slachtoffers van Simmons aan het woord. Die getuigenissen worden geplaatst binnen de hiphopcultuur waar termen als ‘bitch’ en ‘ho’ tot het standaardvocabulaire lijken te behoren. In hoeverre zorgt dat voor de normvervaging die ook tot misbruik kan leiden?

Wanneer is sowieso het juiste moment om het gedrag van bepaalde Afro-Amerikaanse mannen aan de orde te stellen? Wil je als zwarte vrouw bijvoorbeeld bijdragen aan het clichébeeld van de zwarte man als potentiële verkrachter? En, helemaal pijnlijk, horen deze ervaringen niet gewoon bij de traditionele rol van de Afro-Amerikaanse vrouwen, die al sinds ze met een slavenschip naar de Verenigde Staten werden afgevoerd zulk geweld krijgen te verduren?

In zulke invalshoeken, hoe navrant ook, zit inderdaad de meerwaarde van deze zwarte #metoo-docu, die verder de gebruikelijke route van dit soort aanklaagfilms volgt. Waarbij ook de beschuldigde zwarte man, net als zijn witte evenknieën, dus hardnekkig blijft ontkennen.

The Painter And The Thief

Het is een onvergetelijke scène: Karl-Bertil Nordland ziet voor het eerst een schilderij van zichzelf en barst in tranen uit. Hij, de outcast, heeft nooit iets moois in zichzelf kunnen ontdekken. En nu krijgt hij te zien hoe schilderes Barbora Kysilkova hem, met zijn troebele blik en opzichtige tatoeages, blijkbaar ziet: als een intrigerend mens, de perfecte muze voor haar, de gedreven kunstenaar.

Ze hebben elkaar op een héél bijzondere plek en manier ontmoet, de twee hoofdpersonen van The Painter And The Thief (102 min.). In de rechtbank, waar hij terechtstond voor de diefstal van haar schilderijen. Samen met een kornuit ontvreemdde Bertil uit een Noorse galerie twee werken, die sindsdien spoorloos zijn. Ook voor hemzelf. Hij weet, werkelijk waar, niet meer waar hij ze met z’n stonede kop heeft gelaten.

Barbora herkent Bertil van de bewakingscamerabeelden en besluit hem aan te spreken. Als tegenprestatie wil ze dat hij poseert voor een portret. Het is de start van een hartveroverende vriendschap, tussen twee jonge mensen die regelmatig in de hoek hebben gezeten waar de klappen vallen. Letterlijk. Hij is uiteindelijk gevlucht in dope en misdaad, zij in obsessief schilderen.

Regisseur Benjamin Ree observeert de toenadering tussen de twee dolende zielen en spreekt hen tevens los van elkaar, over zichzelf én die ander. Die wisseling van perspectieven en een bijzonder effectieve flashback-structuur zorgen ervoor dat het relaas van The Painter en The Thief, en de beschadigde mensen die achter deze twee personages schuilgaan, echt onder de huid kruipt en daar voorlopig ook van geen wijken wil weten.

En als Bertil dan ook nog eens ongenadig uit de bocht vliegt, krijgt deze intrigerende film over lotsverbondenheid en zielsverwantschap helemaal een dramatische lading…

Suzi Q

NTR

‘Mogen we voor je gaat zitten even het achterwerk van het jaar zien?’, vraagt talkshowhost Russell Harty aan zijn gast Suzi Quatro. De Amerikaanse zangeres/bassiste draait zich inderdaad om in haar spijkerbroek, waarna de gastheer haar een ferme tik op de billen geeft. Zijn publiek moet er smakelijk om lachen.

Nee, in de jaren zeventig was het bepaald niet vanzelfsprekend dat je als vrouw serieus werd genomen in de popbusiness en seksisme was werkelijk overal. De hoofdpersoon van Suzi Q (75 min.), type stoere rockchick, kreeg er constant mee te maken. Kerels namen haar niet serieus of beschouwden haar vooral als ‘eye candy’.

Als een echte wegbereider speelde Quatro in de jaren zestig in één van de eerste meidenbands: The Pleasure Seekers, samen met haar zussen Patti en Arlene (met wie ze tegenwoordig een moeizame relatie heeft). Daarna volgde een succesvolle solocarrière. Met een flinke stroom hits, zoals Can The CanIf You Can’t Give Me Love en Stumblin’ In, een duet met Smokie-zanger Chris Norman.

En altijd weer moest ze zich, getuige deze degelijke biografie van Liam Firmager, verantwoorden voor het feit dat ze geen man was. Met die worsteling heeft Quatro wel het plat geplaveid voor vrouwen in de rock & roll, stellen prominente navolgers als Deborah Harry (Blondie), Joan Jett (The Runaways) en Kathy Valentine (The Go-Go’s).

In die invalshoek zit ook de voornaamste meerwaarde van deze tv-docu, die verder trouw het vaste stramien van popdocu’s volgt en netjes chronologisch Quatro’s loopbaan doorloopt met de zangeres zelf, intimi en collega’s.

Door De Ogen Van Arna: Architect Van Verbinding

BNNVARA

Vanuit de architectuur wil Arna Mackic de sociale cohesie bevorderen. In dat opzicht kan haar huidige thuisbasis Amsterdam, volgens haar een gesegregeerde gemeenschap, nog wel wat leren van de stad waar ze werd geboren: Mostar in Bosnië-Herzegovina. Mackic was vier toen er in 1992 oorlog uitbrak in het voormalig Joegoslavië. Een jaar later moest ze vluchten. Ze zou uiteindelijk in Zoetermeer terecht komen.

Intussen werd in haar geboorteland het idee van een inclusieve stad aan flarden geschoten: de oude brug, van waar stadsbewoners vroeger de Neretva-rivier indoken. Het was niets minder dan ‘een aanval op de multi-etniciteit van de stad’, aldus Mackic. De ziel moest kapot. In het huidige Mostar heeft ze nu plannen voor een duikmonument, waarmee het oude ritueel nieuw leven kan worden ingeblazen. ‘De meest logische manier om mensen weer met elkaar in contact te brengen.’

Nu is er juist op die plek echter een Kroatisch nationaal theater verrezen, een symbool van alles wat ze wil bestrijden. En dus zal Arna vooral in Nederland bruggen moeten bouwen. Letterlijk. In Groningen bijvoorbeeld, waar ze meedingt naar een prestigieuze opdracht. Deze documentaire van Frederick Mansell en Laurens Samsom kijkt mee Door De Ogen Van Arna: Architect Van Verbinding (55 min.) en laat zien wat zij (voor haar geestesoog) ziet.

Dan worden de tralies van de allang gesloten Bijlmerbajes in Amsterdam, waar de ambitieuze architecte kantoor houdt, bijvoorbeeld ineens veel meer dan een geprononceerd stukje stadsgeschiedenis. Zeker als je bedenkt dat de voormalige gevangeniscellen duidelijk zichtbaar zijn voor de bewoners van een nabijgelegen asielzoekerscentrum. Welke boodschap geef je nieuwkomers in Nederland op deze manier mee?

Mansell en Samsom volgen Mackic terwijl ze stedenbouwkundige plannen ontwikkelt, steden in Nederland en Bosnië bezoekt en op allerlei plekken lezingen geeft. Dat levert zeker interessante observaties op, maar maakt de film ook wel wat praterig. Waarbij het aansprekende persoonlijke verhaal van hun protagoniste bovendien tamelijk rationeel wordt afgehandeld. Haar persoonlijk leven blijft sowieso grotendeels buiten beeld. Door De Ogen Van Arna wordt daardoor een portret, dat vooral aan het hoofd appelleert en slechts een enkele keer het hart beroert.

Gewoon Boef

Videoland

Waar houdt Boef op en begint Sofiane Boussaadia? Waren die veelbesproken treitervlogs bijvoorbeeld het werk van een artiest die zich zo nodig moest manifesteren of van een allochtone jongen die zijn oprechte frustraties over de politie uitte? En hoe zat het met die al even omstreden uitspraak over ‘kechs‘, vrouwen die zich als hoeren gedroegen? Doelbewuste provocatie van een slim enfant terrible, verkeerd uitgelegde rant of toch een verbaal slippertje van een oerconservatieve jongen, die per ongeluk het achterste van zijn doorgaans zo vaardige tong liet zien?

In de driedelige serie Gewoon Boef (86 min.) trekt Olivier Garcia ruim een half jaar op met het omhoog gevallen ettertje/de buitengewoon getalenteerde rapper en zoomt daarbij tevens in op de achtergrond van dit vat vol tegenstrijdigheden, zijn stormachtige opkomst en de daaruit voortgevloeide controverses. Net als de docuserie die Videoland eerder uitbracht over generatiegenoot Famke Louise is het geheel snel en puur op inhoud gesneden. De drie afleveringen springen voortdurend in de tijd en wisselend gedurig van locatie; van een optreden in Turkije, Thaise relaxvakantie en rootsreis naar Parijs tot de plek waar Boefs/Sofianes leven zich sinds kort afspeelt: een ontzettend protserige villa.

Zelf ziet hij die als bevestiging van het feit dat hij het inmiddels heeft gemaakt. Al weet ook deze Boef dat geld bepaald niet altijd gelukkig maakt. Dat materialisme zou bovendien wel eens een uitingsvorm van verlatingsangst kunnen zijn, concluderen zowel maker als subject van deze serie in een privésessie psychologie van de koude grond. ‘Iemand die van je houdt kan de volgende dag niet meer van je houden. Dat is gewoon het leven’, stelt de beschadigde jongen/rapper met dollartekens in de ogen. ‘Maar geld… Als je honderd euro naast je bed legt en je wordt wakker, dan ligt er nog steeds honderd euro naast je bed.’

Noem dat gerust plat of cynisch. Hij heeft met die attitude wél de belofte waargemaakt die de tiener Sofiane, ook toen al een Boef overigens, ooit deed aan zijn adoptiemoeder. ‘Please make something of your life’, zei zij op haar sterfbed tegen de jongen, die speciaal voor de gelegenheid enkele dagen uit de gevangenis mocht. ‘Dat is me bijgebleven’, zegt hij nu. ‘Ik dacht: ik moet het maken, begrijp je? En drie jaar later blies ik op.’ Ondanks dat succes is de behoefte aan een thuis gebleven, zo blijkt uit persoonlijke gesprekken met de hoofdpersoon zelf, enkele jeugdvrienden en de bijna onvermijdelijke Ali B. Die krijgen in dit schurende portret bovendien extra reliëf via de omgang met zijn Habiba Selma en ontmoetingen met zowel zijn biologische als zijn stiefvader.

Gewoon Boef schetst zo trefzeker het fenomeen Boef/de (probleem)jongere Soef. Held van de jeugd van tegenwoordig. En tevens de verpersoonlijking van wat je ‘de jeugd van tegenwoordig’ zou kunnen noemen.

If I Should Fall From Grace – The Shane MacGowan Story

Het is die lach waarmee de film wordt beëindigd. Een volledig doorrookte variant op de giechel waarmee Sesamstraat’s Ernie elke sketch met Bert afsluit. Van een notoire dronkenlap ditmaal, die om zijn eigen spitsvondigheden lacht. Waarbij het lachen veel mensen in zijn directe omgeving waarschijnlijk allang is vergaan.

Want hij had zoveel kunnen worden: geweldige zanger, ijzersterke frontman en – in het bijzonder – ongenaakbare songschrijver. En , ondanks die godvergeten drankzucht, ís Shane MacGowan dat ook allemaal geworden. Eerst en vooral van de illustere Britse folkpunkband The Pogues, daarna ook van zijn eigen vehikels The Popes en The Shane Gang. Maar er had zóveel meer ingezeten. Als hij niet de onbedwingbare behoefte had gevoeld om altijd en overal de bodem van elke fles te zoeken….

Sarah Share’s portret If I Should Fall From Grace – The Shane MacGowan Story (91 min.) uit 2001 observeert de doorgewinterde innemer, ook van harddrugs trouwens, in zijn dagelijks leven, waarin hij heldere momenten en scherpe statements afwisselt met typische dronkemanspraat en -fratsen. Ze spreekt verder met zijn opvallend nuchtere vader Maurice en moeder Therese, tante Monica en vriendin Victoria Clarke en neemt zijn carrière door met andere Pogues-leden, manager Joey Cashman en collega-poëet Nick Cave. De nadruk ligt daarbij (gelukkig) op zijn onmiskenbare talent als tekst- en songschrijver.

Want een man die zo openlijk zijn talent verkwanselt, wordt onvermijdelijk een parodie op zichzelf. Zijn optredens werden op een gegeven moment de ideale gelegenheid voor een pijnlijk soort ramptoerisme, waarbij een deel van het publiek vooral stond te wachten op hoe Shane dronken zou worden. Zoals die ene keer met The Popes op het Pinkpop-festival van 1995, waarbij hij na enkele nummers van het podium gehaald moest worden. Hij was – en lijkt nog altijd – geen schim meer van de man die hij ooit moet zijn geweest.

Daartegenover staat nog altijd een overweldigend songboek, met tijdloze klassiekers die iedereen, van elke generatie, kunnen aanspreken, zoals A Rainy Night In SohoIf I Should Fall From The Grace Of God en – dat ene kerstliedje dat wél deugt – Fairytale Of New York. Zulke prachtsongs verraden dat onder al die lol en bravoure nog altijd een zeer sensitief jongetje zit dat – stiekem, niet doorvertellen! – lijkt te worstelen met zijn eigen verlegenheid.En dan duurt het nooit lang of die langzaam wegstervende gggggg-lach klinkt weer…

In 1997 maakte de BBC ook al een informatief en tamelijk braaf portret van de gevierde songsmid, The Great Hunger: The Life & Songs Of Shane MacGowan, waarin collega’s als Bono, Christy Moore, Sinéad O’Connor, Billy Bragg en wederom Nick Cave hun licht over hem laten schijnen.

Vieren Wat Kapot Is

AVROTROS

‘Van wie is dit werk hier?’ vraagt kunstenaar Bas van Wieringen aan een suppoost van het Stedelijk Museum in Amsterdam. ‘Nee, dat is gewoon stuk eigenlijk’, antwoordt de man. Toch staan er mensen te kijken bij de plek waar het parket is opengebroken en die officieel lijkt te zijn afgezet. ‘Ik vind het eigenlijk wel mooi’, zegt Van Wieringen. ‘Sommige mensen denken dat het een kunstwerk is’, reageert de suppoost met een brede glimlach.

De kunstenaar besluit bezoekers ermee te confronteren: is dit nu kunst of niet? De meesten denken dat het een gat in de grond is, maar helemaal zeker weten ze het ook niet. Waarmee het thema van de documentaire Vieren Wat Kapot Is (50 min.) meteen goed in de verf is gezet. Want Van Wieringens eigen kunst wordt ook niet altijd als zodanig herkend. In 2017 is een klein minimalistisch schilderij per ongeluk door een medewerker van het Frans Hals Museum overgeschilderd met latex. Dat veroorzaakte nogal wat commotie.

Het voorval was voor Denise Janzée aanleiding om een film te maken over ‘beschadigde kunst’, waarin ze de conceptuele kunstenaar aan het werk laat zien. Met een lamp die kapot wordt geslagen tegen de muur, een klok die op een vaste tijd wordt vastgespijkerd en een brandblusser die vuur en vlam vat, bijvoorbeeld. Intussen speelt op de achtergrond nog altijd de vraag wat er moet gebeuren met het overgeschilderde schilderijtje? Is dat een beschadigd kunstwerk of juist een nieuw werk geworden? Heeft het zijn waarde behouden? En kan er wellicht zelfs nog waarde aan worden toegevoegd?

Zo wordt deze documentaire behalve een aaneenschakeling van vermakelijke experimenten en projecten tevens een interessante gedachte-exercitie over wat nu eigenlijk kunst is of wordt. Én, als aardige uitsmijter, hoe je dat dan exposeert.