McCartney – The Hunt For The Lost Bass

BBC / Freemantle / Dartmouth Films / maandag 6 juli, om 22.40 uur, op NPO2

Toen The Beatles in het voorjaar van 1970 uit elkaar gingen, raakte het instrument waarmee Paul McCartney groot was geworden vermist. Hij kocht de Höfner-vioolbasgitaar nadat Stu Sutcliffe, de oorspronkelijke bassist van de Britse band, in 1961 had besloten om voor de liefde in Hamburg te blijven en niet met de rest terug te keren naar Liverpool. Gitarist McCartney nam Sutcliffes taak toen over en kocht een bas die de hele Beatles-carrière meeging – en toen spoorloos verdween.

De zoektocht naar ‘de heilige graal van de rock & roll’ drijft de documentaire McCartney – The Hunt For The Lost Bass (87 min.) van Arthur Cary. Het is nog wel even de vraag om welke basgitaar het precies gaat: in 1963 kreeg McCartney namelijk een vervangende bas, van dezelfde Duitse fabrikant. Het oorspronkelijke instrument is waarschijnlijk voor het laatst vereeuwigd op een foto van de befaamde Let It Be-sessies in 1969. Jan en alleman heeft hem sindsdien echter nog gezien, vermoedelijk in de contreien van Bigfoot, het Monster van Loch Ness of Elvis.

Met de goedkeuring van Paul zelf, die ook zijn jongere broer Mike heeft gecharterd voor deze smakelijke film, gaat een medewerker van Höfner, Nick Wass, op zoek naar de befaamde basgitaar. Zijn echtgenote Cathy Harrison bedenkt een pakkende slogan: #TraceTheBass. De twee krijgen in 2023 versterking van een ander echtpaar, de ‘basdetectives’ Scott en Naomi Jones. Zodra hun zoektocht uitlekt naar de media, ontstaat er zelfs een soort nieuwe Beatlemania: de Joneses ontvangen binnen 48 uur zeshonderd e-mails met tips en aanknopingspunten.

Op het pad dat hen naar die befaamde bas moet leiden stuiten ze op een bonte stoet aan personages, zoals de Duitse graphic designer Klaus Voormann (die in Hamburg nog bijna zelf bassist van The Beatles was geworden), Pauls vakbroeder Elvis Costello, Wings-geluidstechnicus Ian Horne, de verdachte roadie Dik Mik, anti-Beatlesband Hawkwind en twee ambulancebroeders die helemaal idolaat zijn van de ‘fab four’. Via hen en die bas vindt Cary intussen een nieuw geitenpaadje naar de weg die McCartney en z’n bandje hebben afgelegd en die in docu’s al zo vaak is nagelopen.

Emily: I Am Kam

Greg Weight / maandag 29 juni, om 22.40 uur, op NPO2

Kunst als bevrijding. Van armoede, vooroordelen en gebrek aan zelfrespect. Via hun kleurrijke, gebatikte doeken vragen Emily Kam Kngwarray en de andere aboriginal-kunstenaressen van het Utopia Women’s Batik-programma vanaf eind jaren zeventig aandacht voor de achtergestelde positie van hun volk, Australië’s oorspronkelijke bewoners, en maken ze meteen een voorzichtig begin met het verbeteren daarvan.

De ontzagwekkende schilderwerken van de matriarch Emily Kam Kngwarray (1910-1996) mogen zich al snel in bijzondere aandacht verheugen. Dertig jaar na haar dood geldt zij als één van de beeldbepalende kunstenaars van Australië en als een onbetwist boegbeeld van de inheemse bevolking. In de boeiende documentaire Emily: I Am Kam (58 min.) laat Danielle MacLean zien dat dit bepaald niet vanzelf is gegaan. Tijdens de permanente strijd om hun land met de ‘whitefeller’ hebben Emily en de andere vrouwen van de inheemse gemeenschap in het woestijnachtige Alhalker Country in Centraal Australië niets voor niets gekregen.

Met trotse aboriginal-vrouwen, die destijds nog met hun beroemde voorvrouw hebben gewerkt of die later door haar zijn geïnspireerd, en witte kunstkenners en conservatoren van de National Gallery of Australia in Canberra, waar een overzichtstentoonstelling van Emily’s werk wordt georganiseerd, tekent MacLean de vrouw, de kunstenaar en de leider op. Zij komt verder tot leven met fraaie archiefbeelden, uit de tijd waarin Kam Kngwarray de kunst in zichzelf ontdekt en anderen de kunstenares in haar ontdekken, en hedendaagse beelden van de gemeenschap die met en zonder haar doorleeft, vervat in grondig doorleefde zang- en dansceremonies.

Emily Kam Kngwarray leeft voort als een vrouw die op latere leeftijd weliswaar nog moest leren hoe ze haar eigen naam kon schrijven en die tegelijk als geen ander kon schilderen wie zij was en is en wie zij, haar volk, waren en nog altijd zijn.

I Was A Teenage Sex Pistol

Pink Moon / vanaf donderdag 2 juli in de bioscoop

Hij schittert nu eens door afwezigheid: John Lydon. Ofwel: Johnny Rotten, het boegbeeld van The Sex Pistols. De man die de geschiedenis van de legendarische Britse punkband heeft bepaald en geschreven. En daarbinnen was wel héél véél ruimte voor ‘bassist’ Sid Vicious, de wildeman die in 1979 op 21-jarige leeftijd overleed aan een overdosis heroïne – en verdacht weinig voor zijn voorganger, de man die de basgitaar daadwerkelijk bespeelde: Glen Matlock.

Hij krijgt nu alle gelegenheid om zijn eigen versie van dat stukje pophistorie te delen in de documentaire I Was A Teenage Sex Pistol (96 min.) van Andre Relis en Nick Mead, die is gebaseerd op Matlock gelijknamige autobiografie (2012). Hij wordt daarbij in de rug gedekt door zijn voormalige Pistol-maatjes, gitarist Steve Jones en drummer Paul Cook. Samen schetsen zij de opkomst van hun band, waarvan hij als bassist en songschrijver een integraal onderdeel was.

Niet zonder trots demonstreert Glen Matlock hoe zijn baslijnen het fundament hebben gevormd voor de Pistols-klassiekers Anarchy In The UK, Pretty Vacant en God Save The Queen. Tegen de tijd dat die werden opgenomen voor het klassieke debuutalbum Never Mind The Bollocks (1977), was hij echter al de laan uitgestuurd. Volgens de officiële persverklaring van manager Malcolm McLaren, altijd op zoek naar nieuwe relletjes, omdat hij stiekem van The Beatles hield.

In werkelijkheid botste Matlock gedurig met Rotten en moest ie dus het veld ruimen. Hij zou echter nooit een punkvariant worden op de vergeten Beatle Pete Best of de man die nooit echt een Stone mocht zijn, Ian Stewart. Want het lukte de bassist in de navolgende decennia met Rich Kids, Iggy Pop, Johnny Thunders, The Faces en Blondie om een bestendige muzikale carrière op te bouwen. Hij zou zelfs nog op het podium belanden met zijn illustere opvolger, Sid Vicious.

Met dat vermakelijke relaas, opgetekend met fraai archiefmateriaal en aangekleed met quotes van Billy Idol en leden van verwante bands zoals The MC5, Blondie, The Damned, Sigue Sigue Sputnik, Dead Boys, The Vandals, Spandau Ballet en The Stray Cats, zetten Relis en Mead de schijnwerper nu eens vol op de grote onbekende Sex Pistol.

Bring Me The Beauties: A Model Cult

HBO Max

‘We hebben allemaal een gelofte afgelegd voor een leven in dienstbaarheid’, hoort Hoyt Richards zichzelf zeggen als hij de audiocassette aanzet. ‘Maar blijkbaar had John Andreadis andere plannen, die onlangs aan het licht zijn gekomen. Het nastreven van een egoïstisch doel zou het grootste verraad zijn.’ En daaraan heeft Andreadis zich schuldig gemaakt. Hij is halverwege de jaren tachtig verliefd geworden op het fotomodel Jacki Adams, een nieuw lid van de Eternal Values-gemeenschap. Terwijl hij door leider Frederick van Mierers hoogstpersoonlijk klaargestoomd wordt om ‘de incarnatie van God’ te worden. ‘Het betekent dat hij niet van mij houdt’, zou Von Mierers wraaklustig hebben gezegd. ‘Want hij koos voor Jacki.’

En dat is in de ogen van de zelfverklaarde ‘spiritueel astroloog’ een onvergeeflijke zonde. Von Mierers, een voormalig model dat afkomstig lijkt te zijn uit de New Yorkse high society, geldt als een New Age-superster – niet in het minst omdat hij een ‘walk-in’ is, een alien van de ster Arcturus die zich heeft genesteld in een menselijk lichaam en dus hoog verheven is boven gewone stervelingen. Hij heeft louter mooie mensen, zoals het mannelijke topmodel Hoyt, om zich heen verzameld en begint, ondersteund door zijn uitverkorenen, de twee geliefden te verstoten. Totdat hen het leven echt onmogelijk is gemaakt en Jacki besluit om de klok te gaan luiden over ‘de modellensekte’. Waar het einde der tijden – natuurlijk, zouden we bijna zeggen – al is aangekondigd.

En laat het maar aan Chris Smith, de filmmaker achter smeuïge producties zoals Jim & Andy: The Great Beyond, Fyre: The Greatest Party That Never Happened en Don’t Die: The Man Who Wants To Live Forever, over om daar een volvette productie van te maken: de driedelige serie Bring Me The Beauties: A Model Cult (173 min.). Hij hangt zijn vertelling op aan het relaas van Hoyt Richards (echte naam: John Hoyt), een man die er tijdens zijn lidmaatschap van The Eternal Values nog gewoon een succesvolle modelcarrière op nahoudt en die tegelijk elk contact met zijn familie heeft verbroken. Zij zien hem overal, behalve in het echt. Andere oud-leden ondersteunen zijn herinneringen aan de sekte en hun enigmatische leider, Frederick von Mierers.

Als die van het toneel verdwijnt, lijkt deze miniserie even zijn schwung kwijt te raken. Smith pakt de draad echter weer op waar ook Hoyt en zijn andere hoofdpersonen dat doen: bij de vraag wie ze nu zijn en wat ze samen waren.  Een sekte misschien? Want hoewel hun leider zich daar altijd ferm tegen uitsprak, realiseren ze zich nu dat hij wel degelijk gebruik maakte van de daarvan bekende verleidings- en controlemechanismen. Bring Me The Beauties mondt daardoor niet, zoals veel docu’s over sekarische bewegingen, uit in een aanklacht, maar in zelfreflectie en herbronning. ‘Ik heb geleerd dat de remedie voor schaamte kwetsbaarheid is’, stelt Hoyt. ‘En de manier waarop je je kwetsbaarheid toont, is door het vertellen van je verhaal, door het te ownen.’

Lenny Bruce: Swear To Tell The Truth

Whyaduck Productions

Zijn scheiding van Hot Honey Harlow maakte Lenny Bruce van Lenny Bruce, stelt zijn moeder Sally. Van tevoren zocht de Amerikaanse stand-upcomedian (1925-1966) ook al de grenzen van het betamelijke op, zowel op het podium als in zijn privéleven, maar daarna was de beer pas écht los.

Honey Bruce, hun dochter Kitty en Lenny’s moeder Sally Marr schetsen in Lenny Bruce: Swear To Tell The Truth (97 min.) een levendig beeld van de branieschopper uit New York. Hij maakte van zijn hart nooit een moordkuil, maar moest zijn mond vervolgens wel talloze malen spoelen. Als een aanstootgevend woord maar vaak genoeg wordt gebruikt, zo leek echter Bruces stellige overtuiging, wordt het onschadelijk gemaakt.

Hij verdient ‘De Bad Taste Award’ schreef een krant toen Lenny Bruce in de jaren vijftig een vaste gast werd op de Amerikaanse televisie. Toen moesten zijn problemen met de wet nog beginnen. Regisseur Robert B. Weide toont in dit postume portret uit 1998 hoe de controversiële comedian zichzelf langzaam in een hoek van de kamer schilderde en daarbij een fiks handje werd geholpen door de Amerikaanse autoriteiten.

Zij begonnen Bruce te vervolgen voor obsceen gedrag en -taalgebruik tijdens optredens en arresteerden hem ook vanwege het bezit van drugs. Al snel durfden clubeigenaren hun vingers niet meer te branden aan de komiek en dreigde zijn carrière uit te doven. Intussen ging de man, die de lusten van het leven nauwelijks kon weerstaan en ervan overtuigd was dat hij geen eerlijk proces had gekregen, naar de gallemiezen.

Hij liet een half afgemaakte zin achter op zijn typemachine, aldus verteller Robert de Niro in deze boeiende film, die met een jazzy soundtrack lekker op temperatuur is gebracht: ‘Conspiracy to interfere with the Fourth Amendment const…’ Het woord ‘constitutes’ zou hij nooit afmaken. Lenny Bruce ging ten onder aan datgene waarvoor hij had gestreden, het vrije woord, in combinatie met het gebruik van harddrugs.

Na hem zou er nooit meer een optredende artiest voor de rechter worden gedaagd vanwege obsceniteiten, constateert Weide tot besluit, alvorens hij voor de aftiteling de kraker I Fought The Law van de befaamde punkband The Clash instart. De boodschap daarvan, vervat in een zin van slechts vier woorden, is onontkoombaar: ‘And the law won.’

Thom Browne – The Man Who Tailors Dreams

Reiner Holzemer

‘Wat zegt zijn werk over Thom Browne zelf?’ werpt Tim Blank, hoofdredacteur van The Business Of Fashion, direct, met het nodige aplomb, de centrale vraag van dit portret op. ‘Die vraag heb ik hem al een miljoen keer gesteld, maar hij geeft er nooit echt antwoord op.’

In de eerste minuten van de documentaire Thom Browne – The Man Who Tailors Dreams (95 min.) mogen eerst kopstukken uit zijn werkwereld – een Anna Wintour, een Janet Jackson, een Whoopi Goldberg – hun zegje doen voordat de Amerikaanse modeontwerper zelf aan bod komt. Zijn werk heeft dan al voor hem gesproken: geheel eigen herinterpretaties van het maatpak, gepresenteerd met veel drama, theater en, jawel, korte broek.

Hij draagt het grijze pak zelf, vertelt Thom Browne dan in deze gestileerde film, maar ook de mensen om hem heen moesten ‘m in onversneden vorm uitdragen. ‘Zodat het duidelijk zou zijn dat de look niet aan één individu gekoppeld was, maar over de hele linie identiek was. Ik zie het ook als een levend kunstwerk: als je ons in al onze uniformiteit ziet, straalt dat iets heel krachtigs uit. Want binnen die uniformiteit zie je prachtige, unieke individuen.’

Documentairemaker Reiner Holzemer heeft dan al laten zien dat Browne bepaald geen pakken voor grijze muizen maakt – of voor de talloze teddyberen die, netjes in pak natuurlijk, ‘s mans buitenissige creaties vanuit de zaal aanschouwen tijdens de publieke presentatie ervan. Hij volgt de ontwerper als die weer een ravissante nieuwe collectie, ook voor vrouwen, op een lekker ontregelende manier presenteert. Wie het pak past, lijkt het parool, trekke hem aan.

Maar wie hij nu zelf is? Thom Browne had een ‘gemakkelijke jeugd’, deed een tijd aan wedstrijdzwemmen en wist daarna niet wat hij met zijn leven aan moest. In New York vond hij via Giorgio Armani, Ralph Lauren én David Bowie zijn weg in de modewereld en bakende daar al snel zijn geheel eigen hoekje af, waar alles lijkt te mogen en kunnen en Holzemer nu vol de spotlights op zet. Zijn hoofdpersoon blijft intussen ‘gewoon’ een enigma.

Kings From Queens: The Run-DMC Story

Peacock

Bij de introductie van Run-DMC in de Rock & Roll Hall Of Fame in 2009 vat de rapper Eminem het bondig samen: ‘Ze waren de eerste rocksterren van de rap. De eerste filmsterren van rap. De eerste rapgroep die op MTV was te zien. De eerste rapgroep met een platina plaat. De eerste rapgroep met een eigen sneaker. En de eerste die wereldwijd stadions uitverkocht.’ En daarvoor hadden Joseph ‘Run’ Simmons, Darryl ‘DMC’ McDaniels en Jason ‘Jam Master Jay’ Mizell, voegt Eminem er bij de start van Kings From Queens: The Run-DMC Story (140 min.) nog aan toe, in feite niet meer nodig dan ‘two turntables and a microphone’.

De gastenlijst van deze driedelige docuserie van Kirk Fraser onderstreept de status van het New Yorkse trio nog maar eens en oogt als een stamboom van de eerste hiphop-generatie: Runs oudere broer en platenbaas Russell Simmons, Cheryl ‘Salt’ James (Salt-N-Pepa), Kurtis Blow, Doug E. Fresh, Chuck D (Public Enemy), Ice-T, Ad-Rock en Mike D (Beastie Boys), LL Cool J en Ice Cube. Ook Tom Morello (Rage Against The Machine), Eminem en Questlove (The Roots) kussen de ring van The Beatles/Stones van de hiphop. Één man ontbreekt natuurlijk: Run-DMC’s deejay Jam Master Jay. Hij werd in 2002 vermoord, het breekpunt van de slotaflevering van Kings From Queens.

Dan heeft Run-DMC’s zegetocht – de opkomst netjes geschetst in deel 1, gevolgd door een patente dwarsdoorsnede van hun glorieperiode in het tweede deel – sowieso al averij opgelopen. De drie leden kiezen elk hun eigen pad. Run trekt zich terug met z’n familie en in de kerk, waar hij zich ontwikkelt tot de ‘Reverend Joseph Simmons’. DMC krijgt stemproblemen, die een psychosomatisch karakter lijken te hebben, en daalt vervolgens af in zijn eigen diepte. En Jay volgt zijn neus richting steeds weer nieuwe muziek. Totdat hij wordt neergeschoten bij zijn eigen studio. Zijn weduwe Terri vertelt er geëmotioneerd over. Op ‘s mans uitvaart wordt Run-DMC daarna meteen opgeheven.

Ruim twintig jaar later laat Fraser zich door Run en DMC op sleeptouw nemen naar de plekken die hun levens en carrière hebben gevormd. Hij geeft hun baanbrekende rapsongs natuurlijk ook alle ruimte en zet de teksten met typografie aan. Zo werkt ie toe naar een allerlaatste Run-DMC show, als headliner van een groot festival in Yankee Stadium in 2023, ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van hiphop. Daar laten de twee rappende ‘Kings of Rock’, die tegenwoordig vooral bezig lijken met hun religie en eigen comic books, nog eenmaal oude tijden herleven. Zónder hun maatje Jam Master Jay, het oliemannetje binnen hun driemanschap.

Suzan & Freek: We Vieren Het Leven

Videoland

‘Jij zegt heel vaak: ik vind het heel leuk om Suzan van Suzan & Freek te zijn’, vertelt Freek aan het begin van de documentaire Suzan & Freek: Tussen Jou En Mij (2023), terwijl hij met zijn arm om Suzan op het strand van Santa Barbara zit. ‘En ik vind het leuk om Freek van Suzan & Freek te zijn.’ Sindsdien is er heel wat gebeurd – understatement! – maar lijken ze dat gevoel vast te hebben gehouden.

Suzan & Freek: We Vieren Het Leven (64 min.) is tenminste doortrokken van een soort onverwoestbaar optimisme. Ondanks dat verpletterende nieuws in mei 2025: Freek heeft uitgezaaide longkanker, zonder kans op genezing. Die boodschap sloeg natuurlijk in als een bom. Het was zelfs de vraag of het zingende duo ooit nog samen het podium zou betreden. Maar zie daar: precies een jaar later staan Suzan Stortelder en Freek Rikkerink met hun band in het Gelredome te Arnhem. Tienmaal, welteverstaan.

Al snel volgde er ook beter nieuws: ze mochten hun eerste kindje Sef verwelkomen en kregen een prominente rol als coach in het televisieprogramma The Voice Of Holland. De twee hielden er intussen allebei hun eigen coping strategie op na. Suzan stortte zich op het inrichten van de kinderkamer. En Freek begon alles wat los en vast zit te lezen over mensen die een vergelijkbaar ‘rampscenario’ hadden gekregen. Zo lijken ze, doelbewust levend in het hier en nu, de boel weer behoorlijk op de rit te hebben gekregen.

‘Waarom maken we deze documentaire volgens jou?’ vraagt de interviewer van dienst in deze docu aan Suzan, terwijl ze met Sef in de kinderwagen aan de waterkant zit. ‘Ik vind het zelf heel leuk om dingen vast te leggen’, antwoordt zij. ‘Ik wilde dit zelf voor mezelf ook hebben en ik vind het prima dat andere mensen het ook zien.’ Dan lijkt ze ‘t vooral te hebben over die concertreeks, want nuchter als ze (blijkbaar) zijn, gaan Suzan & Freek, nadat ze dat overbekende verhaal hebben gedaan, het liefst over tot de orde van de dag.

Daarmee wordt dat vieren van het leven toch vooral een gesmeerd lopend kijkje achter de schermen bij een groots opgezette live-productie, waarvoor alles tot in de puntjes wordt geregeld en de twee bijvoorbeeld over het publiek gaan zweven. Er staat zelfs een dixi onder het podium, grapt hun vriend Snelle, die natuurlijk ook van de partij is in het Geldedome. Net als een geëmotioneerde Claude en ‘hun’ Voice Of Holland-winnaar Ruben Hillen. Samen vieren ze ongegeneerd het leven. Van Suzan & Freek, in het bijzonder.

Azart Come Make Art

Marja de Vries / Amstelfilm

Van een vissersboot maakt hij een varend theater, dat ruim dertig jaar de wereld rond zeilt. Sinds 1989 vaart de Azart, het ‘Ship Of Fools’ van de Nederlandse avonturier August Dirks, vanuit Amsterdam de wereld rond. Iedereen is welkom aan boord bij dit narrenschip. Come make art! zegt de kapitein en artistiek leider van het internationale, steeds van samenstelling wisselende collectief van acteurs, muzikanten, theatermakers, komieken en kunstenaars enthousiast.

Dirks is ook alomtegenwoordig in de documentaire Azart Come Make Art (83 min.) van Masha Novikova, die in de jaren tachtig zelf een tijd op de zottenschuit woonde, en Annike Kaljouw, die het schip sinds 2017 volgt met haar camera. Hij krijgt van hen alle ruimte om in zijn eigen ronkende taal, koeterwaals soms, kond te doen van zijn geesteskind, dat de wilde wateren bevaart en in elke uithoek van de wereld aanmeert om daar ongegeneerd theater en lol te gaan maken.

Dat gaat bepaald niet altijd vanzelf. De geschiedenis van de Azart lijkt in deze joyeuze film soms ook op een feest van de gemiste kansen, met allerlei reizen en bestemmingen die ergens onderweg verdampen. Want Dirks’ Villa Kakelbont op zee hangt van de houwtje-touwtje oplossingen aan elkaar. En van binnen de lijntjes kleuren wil de kapitein doorgaans ook niet weten. Hij ligt dus nogal eens overhoop met pennenlikkers, die het ‘artistieke kapitaal’ van de Azart niet altijd op waarde schatten.

Via de historie van het schip en de perikelen aan de kade, verlevendigd met stop motion-animaties, benadrukken Novikova en Kaljouw en passant ook het belang van culturele broedplaatsen, waar kunstenaars de ruimte krijgen om te experimenteren, te falen én te groeien. Als culturele piraten hebben de kleurrijke bemanningsleden van de Azart, geïnspireerd door het schilderij Het Narrenschip van Jheronimus Bosch, bovendien werkelijk in alle windstreken drukte en jolijt gebracht.

Inmiddels wordt Dirks zelf, door fysieke malheur, gedwongen om pas op de plaats te maken. Voordat hij ‘voor onbepaalde tijd op wereldtournee vertrekt’ dient er in deze bruisende weerslag van de filosofie dat elke dag een feest zou kunnen/moeten worden dus een (voorlopige) eindbestemming gevonden te worden voor het schip dat hij met zoveel joie de vivre heeft aangestuurd en dat hem nog altijd levensadem geeft.

Earth, Wind & Fire (To Be Celestial Vs. That’s The Weight Of The World)

HBO

Met de begeestering en overtuigingskracht van een echte liefhebber is Ahmir ‘Questlove’ Thompson al enkele jaren druk doende om zijn eigen muzikale helden te eren in documentaires. De drummer van de Amerikaanse hiphopgroep The Roots, die tegenwoordig vooral actief is als filmmaker, heeft zich al gebogen over respectievelijk het Harlem Cultural Festival in 1969 in de Oscar-winnaar Summer Of Soul (…Or When The Revolution Could Not Be Televised), de muzikale invloed van het befaamde televisieprogramma Saturday Night Live in Ladies & Gentlemen… 50 Years Of SNL Music en de brille van Sly & The Family Stone in Sly Lives! (Aka The Burden Of Black Genius).

Nu bekommert Questlove zich om de Afro-Amerikaanse soul-, funk- en discogroep die tussen 1971 en 1984 veertig miljoen platen verkocht, dertig hits had en zes Grammy Awards won: Earth, Wind & Fire. En hij geeft ook die film een onnavolgbare ondertitel mee: (To Be Celestial Vs. That’s The Weight Of The World) (119 min.). Centrale figuur is de enigmatische bandleider Maurice White (1941-2016), een man met een enorme geldingsdrang en groter dan grote ideeën, geïnspireerd door spiritualiteit, meditatie en astrologie. Een man ook, die zelden het achterste van zijn tong laat zien – en ook in deze film, waarin hij via archiefbeelden en -interviews aanwezig is, ongrijpbaar blijft.

Maurice White leert zijn groep eerst ongenadig funken, maakt daarna fluks de oversteek naar een top 40-publiek en omarmt tenslotte zeer commerciële disco. De dampende optredens van Earth, Wind & Fire gaan vergezeld van spectaculaire kostuums, uitzinnige decors en uitgekiende podiumchoreografie. Totdat White gaandeweg zijn ‘mojo’ kwijtraakt en de groep zonder aankondiging vooraf plotseling ontbindt. De man die in het openbaar geloof, hoop en liefde predikt, heerst achter de schermen als een verlichte despoot en zet zo behoorlijk wat kwaad bloed bij sommige andere groepsleden. Die hebben sowieso al langer het gevoel dat ze door hem worden behandeld als willekeurige sessiemuzikanten. Totdat ze tóch niet zonder elkaar blijken te kunnen – en willen.

Thompson tekent deze geschiedenis vaardig op met de bandleden Philip BaileyRalph Johnson en Maurices broer Verdine White, andere verwanten van de voorman en Earth, Wind & Fire-medewerkers, zoekt zijn heil tevens bij tijdgenoten zoals Booker T. Jones, Lionel Richie en Stevie Wonder (die tot Questloves grote verbazing bekent dat zijn evergreen I Wish is geïnspireerd op EWF’s eerste hit Shining Star) en geeft de navolgers Flea, Anderson .Paak en H.E.R. alle gelegenheid om de loftrompet te steken over White en consorten. En die maken in de 21e eeuw nog een serieuze revival door als Barack en Michelle Obama, nog altijd fan, in 2009 hun entree maken in Het Witte Huis.

Mede dankzij de eerste zwarte Amerikaanse president en zijn echtgenote hebben hits als FantasyBoogie Wonderland en September een zoveelste nieuw leven gekregen. Deze ferme film, die is volgestort met fraai archiefmateriaal en opgeleukt met animaties, legt alle stukjes van de kleurrijke Earth, Wind & Fire-puzzel nog eens netjes op hun plek. Zodat het totaalplaatje, dat verder niet héél wereldschokkend is, volledig zichtbaar wordt.

Marlee Matlin: Not Alone Anymore

Kino Lorber

Toen ze haar Oscar ging ophalen, durfde Marlee Matlin eigenlijk niet blij te zijn, vertelt ze veertig jaar later. Ze kreeg de Academy Award overhandigd door acteur William Hurt, haar tegenspeler in de film Children Of A Lesser God (1986) en sinds enige tijd ook haar geliefde. Was hij werkelijk blij dat zij op 21-jarige leeftijd, als eerste dove actrice in de geschiedenis, met haar debuut de belangrijkste filmprijs won? Het destabiliseerde hun relatie, die we tegenwoordig ‘toxisch’ zouden noemen.

In haar autobiografie I’ll Scream Later (2010) zou Matlin nog indringend verhalen over haar ervaringen met seksueel geweld. Daarmee was ze haar tijd vooruit. #metoo liet toen nog zeven jaar op zich wachten. Ze zou haar hele leven voor de troepen uitlopen, getuige de documentaire Marlee Matlin: Not Alone Anyore (97 min.). Nadat zij als eerste dove acteur een Oscar won, stond ze 35 jaar later ook aan de basis van haar opvolger. Troy Kotsur kon alleen een Academy Award winnen voor zijn rol in CODA (2021) doordat Matlin, die een bijrol had als zijn eveneens dove vrouw, had gedreigd met opstappen als er een horende acteur zouden worden ingehuurd als haar echtgenoot.

Regisseur Shoshannah Stern, een eveneens dove filmmaakster, neemt voor deze docu tegenover haar hoofdpersoon plaats op een bank en bespreekt met haar in gebarentaal – niet vertolkt, wel ondertiteld – een roerig leven.  Die Oscar bracht Matlin, na toch weer enkele jaren sappelen, rollen in de befaamde televisieseries The West Wing, Seinfeld en The Larry Sanders Show, maar plaatste haar tevens in de voorhoede van de emancipatiestrijd van doven. Toen er een nieuwe voorzitter moest komen bij de dovenuniversiteit Gallaudet, leek er bijvoorbeeld wéér een horende kandidaat te worden gekozen (het thema van de docu Deaf President Now!) en moest Matlin bijspringen.

Marlee Matlins relatie met de dovengemeenschap blijft desondanks lastig, vertelt ze tegen Stern. Want ook zij kreeg gedurig kritiek, zoals toen ze sprekend de winnaar van een Oscar bekend maakte. Dat werd beschouwd als verraad aan haar eigen identiteit als dove vrouw. In dit delicate portret, waarin zowel horende en niet-horende familieleden, vrienden en collega’s hun licht over haar laten schijnen, kijkt Matlin intussen grondig naar wie ze was, wat ze is geworden en welke weg haar heeft gebracht van toen naar nu, waarin ze zowaar een geladen aflevering van de televisieserie Accused over een jonge dove vrouw regisseert, de aangrijpende apotheose van dit boeiende persoonlijke portret.

Kho Liang Ie – Ontwerper Van Zijn Tijd

Lex Reitsma / AVROTROS

Op het getuigschrift dat Kho Liang Ie (1927-1975) op 6 juli 1954 kreeg uitgereikt van het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs te Amsterdam, de latere Rietveldacademie, staat dat hij het eindexamen ‘binnenhuiskunst’ met goed gevolg heeft afgelegd. Zijn zoon Eng Tie Kho is er ruim zeventig jaar later nog altijd verguld mee. Kunst. Géén architectuur. ‘Ik denk dat hij juist een kunstenaar was, in wie hij was.’

De man die zou uitgroeien tot een toonaangevende industrieel ontwerper en interieurarchitect was in 1949 van Jakarta naar Nederland gekomen, volgens zijn dochter Mira met het idee dat hij snel zou terugkeren naar huis en dan een Chinese vrouw ging trouwen. Na zijn afstuderen werd hij echter al snel benaderd door Artifort uit Maastricht, de start van een bloeiende carrière als architect die uiteindelijk alleen slechts een jaar of twintig zou duren. Op 47-jarige leeftijd overleed Kho Liang Li, de designer van talloze meubels, interieurs en kantoortuinen, waaronder het interieur van het stationsgebouw van Schiphol.

Ruim vijftig jaar later is Kho Liang Ie – Ontwerper Van Zijn Tijd (52 min.) in de vergetelheid geraakt en beijvert met name zijn zoon Eng Bo zich voor een overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum te Amsterdam, de plek waar zijn vader bij leven en welzijn al eens exposeerde. Regisseur Lex Reitsma (Het Oog Dat Voelt: De Portretten Van Koos Breukel / Rietveldhuizen: Een Meubel Om In Te Wonen) volgt Ie’s kinderen tijdens de samenstelling van dit retrospectief en zoomt intussen, samen met collega’s en kunsthistoricus Ineke van Ginneke, in op de carrière en het levenswerk van de begenadigde ontwerper.

Hij behandelt diens ontwerpen ook daadwerkelijk als kunstwerken, zorgvuldig uitgestald en gestileerd vereeuwigd, die op geen enkele manier zijn te vergelijken met zielloze gebruiksvoorwerpen en die bovendien de tand des tijds doorgaans glansrijk hebben doorstaan. Zo wordt dit postume portret, in combinatie met de expositie die op dit moment in het Stedelijk Museum is te zien, een waardig eerbetoon aan leven en werk van Kho Liang Ie.

The Battle Over Citizen Kane

PBS

In The Battle Over Citizen Kane (110 min.) wordt een verpletterende botsing gereconstrueerd. Tussen twee gi-gan-ti-sche ego’s, welteverstaan. Tussen Orson Welles (1915-1985), de maker van de baanbrekende film Citizen Kane (1941), en William Randolph Hearst (1863-1951), de mediamagnaat op wiens leven die film is gebaseerd. Twee mannen met wie altijd wat loos is. Ze zijn allebei mateloos, roekeloos en grenzeloos en lijken waarschijnlijk ook meer op elkaar dan ze zichzelf realiseren.

Deze documentaire van Thomas Lennon en Michael Epstein uit 1996, die destijds werd genomineerd voor een Oscar, zet de levens van deze twee mastodonten tegenover elkaar. De rijkeluiszoon Hearst bouwt een eigen krantenimperium op, probeert tevergeefs burgemeester, gouverneur en president te worden en groeit desondanks uit tot één van de rijkste en machtigste mannen van de Verenigde Staten. Welles wordt intussen beschouwd als een absoluut wonderkind, maakt als jongeling furore in het New Yorkse theater en jaagt half Amerika in 1938 de stuipen op het lijf met het nét iets te realistische hoorspel War Of The Worlds over een acute aanval van buitenaardse wezens.

Als Orson Welles op 24-jarige leeftijd zijn eerste film gaat maken, kiest hij de meedogenloze mediatycoon als zijn doelwit. Die is wel wat kritiek gewend en trekt zich daar doorgaans weinig van aan. Welles maakt echter één cruciale fout: hij richt zijn peilen ook op Hearsts maîtresse, de 35 jaar jongere actrice Marion Davies. Het jeugdige genie bestaat het zelfs om zijn koosnaampje voor haar edele delen, ‘rosebud’, belachelijk te maken. Als dat nieuws uitlekt, stelt de grondlegger van de Amerikaanse riooljournalistiek alles in het werk om Welles film te laten vernietigen en de maker daarvan helemaal kapot te maken – een kwestie die ook nog zal worden opgeroepen in de speelfilm RKO 281 (1999).

The Battle Over Citizen Kane, in goede banen geleid door een lekker vileine verteller (schrijver Richard Ben Cramer), verhaalt over hoe die epische ruzie hen allebei ten gronde richt. William Randolph Hearst besmet er zijn eigen reputatie mee, terwijl Orson Welles al snel ‘Amerika’s jongste has been’ wordt gedubd en er nooit meer helemaal bovenop zal komen. En het gekke is, betogen Lennon en Epstein in deze gesmeerd lopende film, in de fictieve hoofdpersoon van de gewraakte film, Charles Foster Kane, zijn ze allebei te herkennen. ‘Orson maakte een autobiografische film’, stelt Robert Wise zelfs, die Citizen Kane monteerde. ‘Maar hij realiseerde zich dat helemaal niet.’

Batik, Beats & Bumbu

Periscoop Film / vanaf donderdag 18 juni in de bioscoop

De eerste generatie Nederlanders met Indonesische roots probeerde geruisloos te integreren. Generatie twee vormde zogezegd een brug tussen de eerste en de volgende generaties. En de derde generatie, waarop Claire Pijman zich richt in de documentaire Batik, Beats & Bumbu (84 min.), probeert de verbinding te leggen tussen de wereld waarin zij zijn opgegroeid en het land van hun voorouders.

‘Er is wel echt iets aan het bloeien’, stelt Megan de Klerk, de leadzangeres van Nusantara Beat, een zeskoppige groep uit Amsterdam die zich onderscheidt met moderne interpretaties van traditionele Indonesische muziek. Pijman (Living The Light – Robby Muller / Een Vrouw Als Monique) volgt de groep naar Indonesië voor enkele optredens. Ook de andere hoofdpersonen van deze bedaarde film, jonge kunstenaars met wortels in het voormalige Nederlands Indië, doen inspiratie op in het Aziatische land waar hun oorsprong ligt.

Chefkok Vanja van der Leeden, auteur van het boek Indorock, laat zich door haar collega William Wongso bijvoorbeeld nóg verder inwijden in de geheimen van de Indonesische keuken. De modeontwerpers Romée Mulder en Myrthe Groot van atelier Guave bezoeken hun batikcontact Nia Hasan Batik. En deejay Michiel Sekan is als baas van zijn eigen platenlabel Jiwa Jiwa Records en connaisseur van de Indonesische muziek altijd op zoek naar verborgen pareltjes. Hij schrijft ook een boek, Soundwriters, over de Indische muzikale diaspora.

Stuk voor stuk zoeken ze een weg door hun eigen culturele erfgoed: wat valt er nog te ontdekken en hoe kunnen – en mogen – ze daar hun eigen draai aan geven? Deze documentaire registreert dat proces, waarin zij ook nadrukkelijk verbinding zoeken met vakbroeders en -zusters in Indonesië. Dat levert geen héél spannende of verrassende vertelling op. Pijman volgt haar hoofdpersonen simpelweg op de weg die zij afleggen: van Nederland naar dat land, waar ze net zo goed thuis zijn, en nóg dieper de cultuur in, die ze zich eigen hebben gemaakt.

Eenmaal terug in het land waar ze zijn opgegroeid vertalen deze vertegenwoordigers van de derde generatie Indische Nederlanders hun indrukken naar exposities, feesten en optredens, waarmee ons aller cultuur verder wordt verrijkt.

Michael Jackson: The Verdict

Netflix

Hij fungeert als een soort vooruitgeschoven post voor de familie Jackson. Nu de speelfilm Michael, waarin de beschuldigingen van kindermisbruik tegen de King Of Pop onbesproken blijven, is uitgegroeid tot een wereldwijde bioscoophit, wordt Michael Jacksons voormalige advocaat Brian Oxman ingezet om de schade ook in de documentaires die volgen op die film zoveel mogelijk te beperken. Michael Jackson: The Verdict (156 min.) is na An American Tragedy en The Trial de derde serie waarin de gestaalde ‘smooth talker’ opdraaft. En daarin treft hij opnieuw openbaar aanklager Ron Zonen tegenover zich.

Ook de Britse televisiemaker Martin Bashir is ditmaal van de partij. Zijn documentaire Living With Michael Jackson (2003) zette de zaak destijds in gang. Voor de camera bekende ‘Wacko Jacko’ dat Gavin Arvizo, het dertienjarige jongetje dat nét iets te dicht tegen hem aan zat, op zijn landgoed Neverland regelmatig bij hem in bed sliep. Daarna viel de halve wereld over Michael Jackson heen. De Amerikaanse zanger werd er later nog van beschuldigd dat hij Arvizo ‘Jezussap’, ofwel alcohol, had gegeven, pornografie met de jongen bekeek en hem ook had misbruikt. En het joch zou niet z’n enige slachtoffer zijn.

Verder wordt deze driedelige serie van Nick Green bevolkt door vertrouwde gezichten, bronnen die dik twee decennia na de rechtszaak tegen de popster in 2005 en zeventien jaar na zijn overlijden nog altijd een dagtaak hebben aan het belichten van Jacksons bedorven erfenis, zoals Jacksons oud-medewerkers Vincent Amen en Raymone Bain, voormalig familievriend Stacy Brown, de Arvizo-vertrouwelinge Louise Palanker en rechercheur Rosibel Smith. Green lijkt bovendien exclusief (?) toegang te hebben gekregen tot Jacksons beveiliger Kerry Anderson, rechtbankjournalist Diane Dimond en enkele juryleden.

Binnen deze zeer polariserende kwestie, die onlangs in Nederland een soort reprise heeft gekregen met de geruchtmakende strafzaken tegen Marco Borsato en Ali B., belanden zij doorgaans duidelijk aan één kant van de maatschappelijke discussie: als Jackson-apologeet, tegen beter weten in (?) zijn onschuld bepleitend. Of helemaal overtuigd van zijn schuld, gewapend met een heleboel belastende feiten (die niet zomaar met gezond verstand weggeredeneerd kunnen worden). Al deze vooruitgeschoven bronnen zijn niet meer dan pionnen in de aanhoudende media-oorlog rond Jackson, die ouderwets is opgelaaid.

Deze grondige terugblik op de rechtszaak die, hoeveel blaren Brian Oxman ook op zijn tong praat, ‘s mans nalatenschap is gaan domineren, gooit ongetwijfeld ook weer olie op het vuur – al is het wel opmerkelijk dat Michel Jackson: The Verdict helemaal geen aandacht besteedt aan de beschuldigingen die later, bijvoorbeeld via de spraakmakende documentaire Leaving Neverland, nog tegen Jackson zijn geuit.

The Great Hip Hop Hoax

Vertigo Films / Docplay / vrijdag 12 juni, om 20.30 uur, op NPO2 Extra

In Londen, het centrum van de Britse muziekwereld, worden ze aan het begin van deze eeuw als Schotse rappers totaal niet serieus genomen. Een medewerker van een platenmaatschappij dubt hen met het nodige dedain ‘de rappende Proclaimers’, naar de Schotser dan Schotse tweelingbroers Craig en Charlie Reid die ooit een wereldwijde hit scoorden met (I’m Gonna Be) 500 Miles. Gedesillusioneerd keren Billy Boyd en Gavin Bain terug naar Dundee.

Niet veel later melden ze zich opnieuw in Londen, met een Amerikaanse tongval. Als respectievelijk Silibil en Brains McLoud, ofwel het Californische hiphopduo Silibil n’ Brains – ook al zijn ze in werkelijkheid nog nooit in de Verenigde Staten geweest. The Great Hip Hop Hoax (88 min.) Is van start gegaan. Binnen de kortste keren krijgen de twee extra puberale varianten op Eminem een platencontract onder hun neus geschoven en lijkt hun kostje gekocht.

De Britse filmmaakster Jeanie Finlay tekent het jongensboekverhaal in deze vermakelijke docu uit 2013 op met de bijna karikaturale relrappers zelf en mensen uit hun persoonlijke en professionele omgeving, lardeert hun herinneringen met interviews, backstage-materiaal en televisieoptredens van Silibil n’ Brains en hecht dit geheel vervolgens af met tamelijk cartooneske animaties, die de banale absurditeit van hun schelmenstreek nog eens benadrukken.

De gretigheid waarmee de complete muziekindustrie erin tuint en het hiphopduo, dat zelf natuurlijk wel beter weet, in z’n eigen imago begint te geloven, is tegelijkertijd verbazingwekkend en volkomen begrijpelijk – al worden de Schotse poseurs uiteindelijk, een illusie armer, natuurlijk tóch ingehaald door de wetten van de business die ze zo gemakkelijk in luren hebben gelegd als Silibil en Brains McLoud.

Room To Move

Netflix

De Amerikaanse danser en choreograaf Jenn Freeman is al in de dertig als ze antwoord krijgt op de vraag waarmee ze al haar hele leven rondloopt: waarom ben ik anders dan anderen? Op de dag dat Freeman wordt gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis, neemt ook filmmaker Alexander Hammer contact met haar op. Hij wil een documentaire met haar maken.

Room To Move (112 min.) is doorsneden met een stem die mechanisch alle mogelijke kenmerken, uitingsvormen en symptomen van autisme opdreunt, die vervolgens zijn te herkennen in Jenns leven of gestileerde representaties daarvan voor een voorstelling waaraan zij werkt. Daarnaast gaat ze in gesprek met klinisch psycholoog Kimberly Gilbert. Op een gegeven moment nam dans me meer af dan het me gaf, vertelt Freeman dan. Ze is ergens onderweg haar reddingsboei kwijtgeraakt – al weet ze dat doorgaans goed te verbergen bij haar leerlingen en collega’s.

Met geregistreerde scènes, tevens gefilmd door Jenns echtgenoot Ian Stuart, kan Hammer zeer dicht op de huid komen bij zijn hoofdpersoon en de uitdagingen van haar dagelijks leven vangen. Hij klutst al die verschillende verhaalelementen, waaronder ook een hele zwik familiefilmpjes, bij elkaar en probeert zo ‘de neurodivergente ervaring’ te vatten. Gaandeweg komt de documentairemaker zelf ook steeds meer in beeld. Ook hij worstelt gedurig met zijn (psychische) gezondheid en belandt tijdens het maken van de film in diverse crises. Jenn en hij vinden elkaar daarin.

Zij begint hem dan ook te filmen. En Alex gaat eveneens in gesprek met dokter Gilbert. De grenzen tussen maker en subject zijn dan al behoorlijk vervaagd, in een lang uitgesponnen en erg grillige film waarin de uitdagingen en valkuilen van het leven met autisme, alsmede de aanverwante thematiek en diagnoses, worden geëxploreerd. Room To Move dreigt een kamer te worden waarin ze zichzelf in een hoek hebben geschilderd. Met steeds minder bewegingsruimte. Uiteindelijk, na het verplichte vallen en opstaan, volgt echter toch een positieve, lekker Amerikaanse eindconclusie.

Het maken van deze documentaire heeft, daarover zijn Jenn Freeman en Alexander Hammer ‘t aan het eind wel eens, niets minder dan hun leven gered. En die diagnose is een geschenk gebleken.

Room 237: Being An Inquiry Into The Shining In 9 Parts

IFC Films

De beweringen in deze film komen niet voor rekening van Stanley Kubrick, zijn erven of de makers van de film The Shining, meldt de documentaire Room 237: Being An Inquiry Into The Shining In 9 Parts (103 min.) bij aanvang. Dat is geen overbodige luxe. In de navolgende honderd minuten wordt Kubricks klassieke horrorfilm uit 1980 over de waanzinnig wordende beheerder van het geïsoleerde Overlook Hotel in Colorado, gebaseerd op de gelijknamige bestseller van Stephen King, van (geheel nieuwe) betekenis voorzien door een vijftal geobsedeerde Kubrick-adepten, die zelf buiten beeld blijven.

The Shining is een film over de genocide op de ‘native American’, stelt één van hen. Nee, beweert een ander, Kubricks sinistere film is een allegorie voor de Holocaust. En de volgende connaisseur ziet een verband met de maanlanding, die door de Amerikaanse sterregisseur in scène zou zijn gezet in een filmstudio. Niet alleen schoonheid zit immers ‘in the eye of the beholder’ – al helpt het dat Stanley Kubrick een onovertroffen oog voor detail had en niets aan het toeval overliet. En dus kan het grote ‘Hineininterpretieren’ beginnen bij pak ‘m beet Calumet-bakpoeder, de Duitse Adler Eagle-typemachine of het labyrintische tapijt in de hotelgangen.

Behalve met scènes uit The Shining, met een ionische maniakale rol van Jack Nicholson, lardeert documentairemaker Rodney Ascher hun soms vergezochte betogen ook met fragmenten uit de Kubrick-klassiekers 2001: A Space Oddity, A Clockwork Orange, Barry Lyndon, Full Metal Jacket en Eyes Wide Shut en andere roemruchte films zoals Jesus Christ Superstar, All The President’s Men en Schindler’s List. Room 237, een titel die verwijst naar een sinistere hotelkamer die in het boek overigens nog het nummer 217 had, wordt zo een vervreemdende ode aan de fantasie, zowel van de maker als de kijker, en verrukte/verrückte nitpickers.

Op zoek naar hun eigen waarheid lopen ze eindeloos rond in een zelf gecreëerd doolhof van ‘easter eggs’, doelbewuste continuïteitsfouten en verborgen boodschappen. Sommige van deze kijkers zitten vermoedelijk levenslang vast in het Overlook Hotel. ‘Mijn leven is in feite The Shining geworden’, constateert één van hen niet voor niets, met een mengeling van begeestering en berusting.

The Oligarch & The Art Dealer

VPRO / vanaf woensdag 3 juni, om 20.25 uur, op NPO2

Het zou echt een wonder zijn als we het schilderij Wasserschlangen II van Gustav Klimt voor 180 miljoen dollar kunnen krijgen, houdt kunsthandelaar Yves Bouvier zijn vaste cliënt Dmitry Rybolovlev voor. Dit is een kans uit duizenden! Bouvier heeft gezien hoe de ogen van de Russische oligarch begonnen te glinsteren toen hij het kunstwerk voor het eerst zag. En de man heeft hele diepe zakken.

Uiteindelijk weet de Zwitserse dealer de koop te sluiten. Voor 183 miljoen. Goede deal, niet? Hij wordt er zelf ook niet slechter van: bij elke aankoop krijgt hij twee procent commissie. En ‘Rybo’ heeft er geen idee van dat hij de Klimt in werkelijkheid voor slechts 126 miljoen heeft aangekocht via het bekende veilinghuis Sotheby’s. In stilte verdwijnt er dus nog eens 57 miljoen in Bouviers zak. Dat smaakt dus naar meer.

Welkom in de schimmige wereld van The Oligarch & The Art Dealer (175 min.), waar kunsthandel, dubieus geld en oplichting hand in hand gaan en Bouvier en Rybolovlev inmiddels recht tegenover elkaar staan. De mediaschuwe Rus laat zich in deze driedelige serie van Andreas Dalsgaard vertegenwoordigen door advocaten en vertrouwelingen, terwijl zijn opponent zelf pontificaal voor de camera gaat zitten.

‘Mijn hele wereld is in elkaar gedonderd’, vertelt Bouvier, die schathemelrijk is geworden van zijn werk ‘voor’ de Russische zakenman, die officieel laat optekenen dat hij geen ‘oligarch’ genoemd wil worden. ‘Zowel mijn professionele als persoonlijke leven. Dat wil ik hem betaald zetten. Ik wil hem op z’n gezicht slaan en bestraffen. Hij is degene die naar de gevangenis of de goelag moet worden gestuurd. Niet ik.’

Via de twee opponenten krijgt Dalsgaard een inkijkje bij de zogeheten ‘freeports’, verborgen vrijhandelszones voor kunst waar handige jongens zoals Yves Bouvier kunnen floreren. Moneyland, noemt journalist Oliver Bullough deze plekken. Geld kan er al naar believen verdwijnen en weer opduiken. Het zijn oorden waar de superrijken ongestoord hun gang kunnen gaan en dus ook, zonder al te veel kennis, investeren in kunst.

Belangrijke werken verdwijnen zo in de zeer exclusieve privécollecties van de allerrijksten. Die worden op hun beurt getild door tussenpersonen zoals Bouvier, die met hun zogenaamde kennersoog (‘absoluut meesterwerk’) eerst kunstmatig de prijs opdrijven en er dan zelf een slaatje uit slaan. En het gereputeerde veilinghuis Sotheby’s, met kilo’s boter op het hoofd, faciliteert zulke praktijken heel discreet.

The Oligarch & The Art Dealer ontleedt het fascinerende conflict tussen de twee voormalige partners, dat in ‘s werelds rechtbanken en media wordt uitgevochten, tot in detail en daarmee ook de schimmige wereld waarbinnen zich dit afspeelt. Het duurt alleen even voordat ook de machinaties van de Russische miljardair onder het vergrootglas worden gelegd. Ook die lijken uiteindelijk slechts ‘business as usual’.

Intussen probeert Yves Bouvier, die een paria is geworden in z’n natuurlijke habitat, nog altijd de indruk te wekken dat hij niet meer dan een handige handelaar was.

Tot De Laatste Noot

NTR

De één mist de ‘dodelijke perfectie’ niet, een ander beschouwt haar werk nog altijd als een ‘levenselixer’. In Tot De Laatste Noot (60 min.) portretteert Marlou van den Berge vier operazangeressen op leeftijd. Ze hebben in feite niets meer te bewijzen, maar dat voelt lang niet altijd zo.

Hoewel ze zich soms een marionet van de almachtige regisseur heeft gevoeld en aan het einde van haar carrière volgens een bruuske recensent ‘de vocale bruikbaarheid voorbij’ was, moest de Nederlandse sopraan Charlotte Margiono (1955) wel even wennen toen ze na een voorstelling niet meer werd begroet met een bos bloemen. ‘Dat is echt diva af’, vertelt ze zonder omhaal van woorden. ‘Géén bloemen meer.’

Haar Franse collega Sandrine Piau (1965) is nog altijd actief, maar twijfelt of ze moet doorgaan tot haar stem het begeeft. Iedere zangeres krijgt te maken met een afnemend stembereik, geleidelijk of juist héél plotseling. Dat betekent soms ook rollen opgeven of de componist vragen om de rol om te schrijven naar een iets lagere toonsoort. Maar waar en wanneer bereik je als performer je eigen grens?

De Duitse mezzosopraan Doris Soffel (1948) lijkt zich die vraag niet te willen stellen. Ze staat op late leeftijd nog altijd op de grootste podia en wil duidelijk in het harnas sterven. De Amerikaans-Nederlandse sopraan Roberta Alexander (1949–2025) tenslotte, die tijdens de montage van deze film is overleden, heeft dit uitgangspunt min of meer in de praktijk gebracht. Tot het laatst vraagt ze het uiterste van zichzelf.

Van den Berge (Ademtocht, De Vele Gevechten Van Maite Hontelé, Het Dinsdagavondgevoel en Klaas de Jonge, De Prijs Van Vrijheid) volgt deze vier gelauwerde operazangeressen tijdens repetities, voorstellingen en hun andere bezigheden, laat hen terugkijken naar fragmenten uit hun absolute hoogtijdagen en vangt ondertussen hun bespiegelingen op ouder worden en het dealen daarmee.

De opzet van Tot De Laatste Noot doet denken aan die van Tot De Laatste Snik!? (2022), de documentaire waarin Marcel Goedhart vijf Nederlandse pophelden portretteerde, en is al net zo effectief. Een boeiende film over hoe je als begenadigde veteraan vitaal, relevant én gelukkig blijft.