I, Sniper

Vice

‘Je hebt het gevoel dat je de families in de steek hebt gelaten.’ Steve Bailey veegt zijn tranen weg. De Amerikaanse agent heeft destijds de auto van het tweetal, met de spotter achter het stuur en zijn scherpschutter in de achterbak, staande gehouden, maar had niet door wie hij voor zich had. Uiteindelijk liet hij ze toch weer verder rijden. ‘We hadden ze’, constateert Bailey geëmotioneerd. ‘Mijn fout.’

De volstrekte willekeur van de moorden maakte het een stuk lastiger om hen in de kraag te grijpen. Natuurlijk, ze hadden een motief. Vooral hij, de 41-jarige Golfoorlog-veteraan John Muhammad. Lee Malvo, de Jamaicaanse tiener die daadwerkelijk de trekker overhaalde, was niet meer dan een werktuig. De dodelijke slachtoffers die ze samen maakten hadden feitelijk maar één ding gemeen: ze waren op het verkeerde moment op de verkeerde plek.

In het najaar van 2002, ruim een jaar na de aanslagen van 11 september 2001 en enkele maanden voor de Amerikaanse inval in Irak, begon het duivelse duo aan zijn beulswerk. Ze zouden uiteindelijk een hele serie dodelijke slachtoffers maken in de omgeving van Washington. Gewone, volstrekt onschuldige mensen. Op laffe wijze afgemaakt. Tankend bij het benzinestation. Zittend voor hun eigen huis. Of rustig het gras maaiend. Vermoord omdat Muhammad zijn woede op de wereld moest koelen en de outcast Malvo als was in diens handen was.

Vanuit de Red Onion State Prison te Virginia doet die laatste nu, via gesprekken met de gevangenistelefoon van maximaal een kwartier, zijn relaas in I, Sniper (308 min.). Daartegenover staan de huiveringwekkende verhalen van overlevenden, nabestaanden en politiemensen die jacht op hen maakten. De filmmakers, onder leiding van regisseur Ursula MacFarlane, hebben zich bovendien toegang verschaft tot ex-geliefden, familieleden en vrienden van het moordduo. Zij kunnen van binnenuit hun totale ontsporing duiden.

Deze achtdelige documentaireserie schetst hoe de terreurcampagne van Muhammad en Malvo huishoudt in de betrokken gemeenschap. Er ontstaat bijvoorbeeld een massale klopjacht op een man uit het Midden-Oosten en een kleine witte truck, terwijl de verdachten in werkelijkheid zwart waren en rondreden in een donkere Chevrolet Caprice. Schietend, welteverstaan. Alsof ze op een militaire missie waren. Maar tegen wie of wat? En hoe zijn ze gekomen tot hun ogenschijnlijk willekeurige wraakactie? Is er een levenspad denkbaar dat op een logische manier naar dit soort blinde woede leidt?

I, Sniper is groots aangepakt, dramatisch getoonzet en meeslepend gemonteerd. Een tragische geschiedenis die zich stap voor stap ontvouwt, steeds spannender wordt en onderweg ook aan diepte en betekenis wint. Totdat het drama in zijn volledige omvang zichtbaar is geworden. Geen gemakzuchtige trashy true crime dus, maar een gelaagd psychologisch portret van een jeugdige scherpschutter, diens getormenteerde leermeester en de wereld die zij ongenadig opschudden, met talloze verwoeste levens tot gevolg. Een vrijwel vergeten schokgolf die een kleine twintig jaar later hier en daar nog altijd nadreunt.

The Return: Life After ISIS

VPRO

‘Weet jij wat de Jihad echt inhoudt?’ zegt de ene kleuter tegen de andere. ‘De Jihad is belangrijk. Als je een Jihadi bent, kan niemand je pijn doen. Je bent je eigen baas, begrijp je?’ Intussen klauteren ze samen op een geïmproviseerd klimrek in Kamp Al-Roj. ‘En als je sterft als Jihadi, ga je rechtstreeks naar het paradijs.’

De kinderen zijn zojuist met hun moeders gearriveerd in het gevangenenkamp in het Noordoosten van Syrië en zullen daar nog een aanzienlijke tijd verblijven. De vrouwen komen oorspronkelijk uit Groot-Brittannië, Canada, de Verenigde Staten, Duitsland én Nederland. In hun geboortelanden zijn deze ‘bruiden’ van de terreurbeweging Islamitische Staat echter helemaal niet meer welkom. Maar waar moeten ze dan heen? En wat willen ze, ouder en soms wijzer, eigenlijk zelf?

The Return: Life After ISIS (90 min.) portretteert de vrouwen, waaronder Hafida Haddouch en Nawal Hammoudi uit Nederland, terwijl hun leven in de pauzestand staat en er alle gelegenheid is om te reflecteren op hun jeugd in het westen, hun bekering tot de fundamentalistische Islam en hun, veelal ellendige, tijd in het kalifaat. Regisseur Alba Sotorra Clua omkleedt deze herinneringen met beelden van de oorlog tegen Islamitische Staat en propagandavideo’s van de bruten zelf.

Is het voor te stellen dat de westerse tieners – want zo oud waren ze meestal toen ze radicaliseerden – ten prooi vielen aan de perverse IS-ideologie? Of valt het deze zusters van Laura H wel degelijk aan te rekenen dat ze afreisden naar het kalifaat en daar onderdeel werden van een regime dat zich schuldig maakte aan alle mogelijke mensenrechtenschendingen? Ook al kleeft er aan hun eigen handen, omdat ze thuis voor de kinderen moesten zorgen, dan toevallig geen bloed.

‘Ik wil naar huis en niet verplicht worden om hier te zijn’, moppert de Canadese Kimberly, die beweert dat ze zelfs nog nooit een verkeersboete heeft gehad. ‘Waarom wordt me de toegang tot mijn land en kinderen ontzegd?’ Haar begeleidster, de doorgaans vergevingsgezinde Koerdische vrouwenrechtenactiviste Sevinaz Evdike, reageert fel. ‘Jij misschien niet, maar je echtgenoot misschien wel. Hij kan mijn neef vermoord hebben. Mijn buurman. Mijn leraar. Of mijn vriend.’

In kampen zoals Roj bevinden zich zo’n 64.000 vrouwen en kinderen van Islamitische Staat. Deze indringende film ontdoet hen van hun afzichtelijke IS-tronie en geeft hen weer een menselijk gezicht, zónder dat ze daarmee automatisch ook de verantwoordelijkheid voor hun eigen keuzes mogen ontlopen. Verdient Hoda Muthana, een jonge Amerikaanse vrouw die onder de noemer @UmmJihad duizenden opruiende tweets plaatste, bijvoorbeeld ook een tweede kans?

Feit is dat vrouwen zoals zij worden uitgekotst door hun vroegere omgeving, waarnaar ze nu maar al te graag zouden terugkeren. Ze zitten daardoor gevangen in een soort niemandsland tussen de droom die een nachtmerrie werd – óók voor hen – en het andere leven dat hen – vanwege begrijpelijke overwegingen – niet wordt vergund. Dat schept getuige deze krachtige en ook belangwekkende film weliswaar een band, maar lijkt tegelijkertijd ook onhoudbaar. Al is het alleen vanwege die kinderen.

Nail Bomber: Manhunt

Netflix

Zie hem in de beginscène van Nail Bomber: Manhunt (72 min.) zitten in een net iets te donkere ruimte, die lijkt op een verlaten wegrestaurant. Verscholen in zijn kraag. Het gezicht verduisterd. Een biertje bestellend. Arthurs identiteit moet, ruim twintig jaar na dato, nog altijd geheim blijven. Omdat Zij nog altijd geloven dat hij, de infiltrant, óók een nazi is. ‘Een spion zijn vind ik leuk’, zegt Arthur nochtans. ‘Het geeft een kick.’

In 1999 ging hij undercover bij de extreemrechtse British National Party. Arthur begaf zich daarmee tevens in de omgeving van de man die dat jaar een spijkerbom op een multiculturele markt in de Londense wijk Brixton plaatste. Ook deze ‘David’ komt aan het woord. Niet letterlijk overigens, maar via een re-enactment van zijn politieverhoor. ‘s Mans identiteit blijft in eerste instantie onbekend en wordt in deze documentaire van Daniel Vernon pas gaandeweg onthuld.

In de weken na ‘Brixton’ zou de mysterieuze extremist, die op de onscherpe beelden van beveiligingscamera’s een wit honkbalpetje lijkt te dragen, nog meerdere malen toeslaan. En wederom op plekken waar vooral minderheden waren te vinden. De getroffen gemeenschap wist het zeker: de dader moest in extreemrechtse kringen worden gezocht. Dat hadden ze goed aangevoeld. De bommenlegger, op wiens persoonlijkheid en achtergrond overigens nauwelijks wordt ingegaan, wilde niets minder dan een rassenoorlog ontketenen.

Deze degelijke reconstructie van de terreurcampagne die de Britse neonazi net voor de eeuwwisseling ontketende en de klopjacht die er vervolgens op hem werd geopend moet het intussen niet van zijn spanning hebben. Op voorhand staat immers al vast dat de man uiteindelijk in de boeien wordt geslagen en valt ook te voorspellen dat het infiltrant Arnold zal zijn die hem het laatste zetje geeft. Nail Bomber: Manhunt is vooral geslaagd als sfeertekening van een onguur milieu, een geschokte gemeenschap en een grimmig tijdsgewricht, die op een noodlottige manier zullen samenkomen.

In The Face Of Terror

Dimitri Bontinck vertrekt in 2013 hoogstpersoonlijk naar Syrië. De Belg wil zijn zoon Jejoen ophalen. Die is in de voorgaande jaren geradicaliseerd en onder de invloed gekomen van Sharia4Belgium. Dimitri wil hem ter plaatse uit de klauwen van Islamitische Staat (IS) rukken. Hij haalt echter bakzeil. Als gevolg van zijn bevrijdingspoging wordt zijn zoon alleen beschouwd als een mogelijke spion en vastgezet. Jejoen slaat op de vlucht. Eenmaal thuis beweert de jongen dat hij in een cel heeft gezeten met de gegijzelde fotografen John Cantlie en Jim Foley.

Bontinck besluit contact op te nemen met Foleys ouders. Het Amerikaanse echtpaar wacht al een hele tijd op nieuws over hun oudste zoon. Zoals de Schot Michael Haines in onzekerheid verkeert over het lot van zijn broer David. En Carl en Marsha Mueller zich afvragen of hun enige kind, hulpverleenster Kayla, nog in leven is. Zij worden in deze driedelige documentaireserie gedwongen om In The Face Of Terror (175 min.) te staan. Diane en John Foley krijgen op 19 augustus 2014 zelfs de ergst denkbare klap te verwerken, in de vorm van een ijzingwekkende IS-video, waarin hun zoon voor het oog van de wereld een gruwelijke dood sterft.

Nog enkele andere gegijzelden zullen publiekelijk worden terechtgesteld. Drie IS-terroristen van Britse origine lijken verantwoordelijk. Van hun gevangenen hebben ze de bijnaam ‘The Beatles’ gekregen. Één van hen, de 26-jarige computerprogrammeur Mohammed Emwazi (bijgenaamd Jihadi John) uit West-Londen, zal zelf omkomen bij een Amerikaanse luchtaanval, maar zijn twee trawanten blijken nog in leven. Op initiatief van de nabestaanden van hun slachtoffers wordt in de eerste twee afleveringen van deze serie de jacht geopend op de Britse terroristen, die het kalifaat inmiddels zijn ontvlucht. En Kayla Muellers ouders vinden aanknopingspunten in de zaak van hun dochter, die nu al enkele jaren vermist is.

De derde aflevering van deze kwaliteitsserie van Tim Lawton, waarvoor acteur David Morrissey als voice-over fungeert, staat vreemd genoeg helemaal los van de eerste twee. Hierin wordt een andere vorm van terrorisme belicht: de extreemrechtse aanval op twee moskeeën in het Nieuw-Zeelandse Christchurch, die in maart 2019 meer dan vijftig moslims het leven kostte en ‘live’ werd gestreamd voor een enthousiaste achterban. Met het manifest van de dader in de hand, genaamd The Great Replacement, gaan onderzoekers en voormalige neo-Nazi’s op zoek naar diens banden met de Europese Identitaire Beweging en ultranationalisten in de Verenigde Staten.

Tegelijkertijd proberen de overlevenden en nabestaanden van deze fundamentalisten, aan beide zijden van een vuile oorlog, zin te geven aan het onuitputtelijke verdriet dat hen is toegebracht. Zij zijn uiteindelijk de helden van In The Face Of Terror, dat ondanks alles een soort eerbetoon wordt aan menselijke moed, compassie en veerkracht.

Seyran Ates: Sex, Revolution And Islam

‘Jij goddeloze hoer.’

‘Ik ga je neuken.’

‘Je moet worden doodgestoken.’

Zomaar wat reacties die Seyran Ates op social media krijgt. Zowel rechts als links kunnen haar bloed soms wel drinken. Conservatieve moslims moeten bijvoorbeeld niets hebben van de seksuele revolutie die de vrijdenker bepleit in de islam. En linksmensen en feministen hebben dan weer flinke kritiek op haar verzet tegen hoofddoekjes, die zij als een wapen van het patriarchaat ziet. De Turkse activiste en juriste, sinds haar jeugd woonachtig in Duitsland, wordt er alleen maar strijdbaarder van.

Vanwege haar baanbrekende boeken gaat ze al meer dan tien jaar met beveiliging door het leven. En, oh ja, ook vanwege de progressieve Ibn Rushd-Goethe-moskee in Berlijn, waar mannen, vrouwen en LGBT’ers van harte welkom zijn. En waar vrouwen als imam kunnen functioneren, dat ook. In dit opzicht is ze een geestverwant van Sherin Khankan, de gedreven moslimfeminist uit de documentaire The Reformist die zich in Denemarken beijvert voor een vooruitstrevende islam.

In Seyrans moskee heeft ook haar neef Tugay z’n plek gevonden. Na de dood van z’n vader dreigde hij te radicaliseren, vertelt hij in Seyran Ates: Sex, Revolution And Islam (82 min.). Zijn tante nam hem net op tijd onder haar hoede. Anders was de tiener, die al jaren met een geheim rondliep, volgens eigen zeggen beslist de geschiedenisboeken ingegaan als dader van een terroristische aanslag. De dreiging van fundamentalistisch geweld speelt sowieso een belangrijke rol in deze stevige film.

Regisseur Nefise Özkal Lorentzen begeleidt Seyrans activiteiten met een jazzy soundtrack en gestileerde sequenties en laat de activiste met haar moeder en zus bovendien met speelgoedtreintjes, blokken en huisjes haar jeugd reconstrueren. Ze volgt haar ook tijdens het zendingswerk dat ze in de hele wereld verricht. Ates bezoekt bijvoorbeeld een herdenkingsbijeenkomst voor de terroristische aanslagen in Madrid en ontmoet nabestaanden van een slachtoffer van Anders Breivik.

In haar jonge jaren blijkt ze zelf ook een traumatische ervaring te hebben opgelopen. Ontspannen liggend op een matje in het park vertelt ze over de gebeurtenis die haar heeft gemaakt tot de uitgesproken moslimvernieuwer die ze nu is. In haar eigen moskee neemt Seyran Ates vervolgens lacherig met Tugay de respons daarop door: een archiefmap met verwensingen en bedreigingen. Hoewel haar (anonieme) opponenten creatief te werk proberen te gaan, is er één constante.

‘Uiteindelijk ben ik’, constateert ze met een zekere berusting, ‘toch altijd weer een hoer.’

Only The Devil Lives Without Hope

Herrie

‘Ik weet niet hoe hij er nu uitziet’, constateert Dilya Erkinzoda in de winter van 2016 over haar broer. ‘De enige foto die ik van Iskandar heb, is een paspoortfoto van toen hij 25 was.’ Inmiddels zit Iskandar Choedajberganov al zestien jaar in een Oezbeekse gevangenis. Volgens zijn zus, die tegenwoordig in Zweden verblijft, vanwege ‘religieuze en politieke redenen’. Hij wordt verdacht van betrokkenheid bij bomaanslagen in de hoofdstad Tasjkent in februari 1998 en heeft levenslang gekregen.

Amnesty International bekommert zich ook om zijn lot, maar komt niet eens in de buurt van de beruchte Jaslyk-gevangenis waar de ‘moslimextremist’ zit opgesloten. Ze moeten het doen met satellietfoto’s. Intussen blijft zijn zus onvermoeibaar voor Iskandars vrijlating ijveren. Als lid van de organisatie Moeders Tegen De Doodstraf En Marteling verzet ze zich tegen het schrikbewind van de dictator ter plaatse, president Islam Karimov. Vooralsnog zonder al te veel resultaat. Of het moet zijn dat Iskander nooit ter dood is gebracht.

Only The Devil Lives Without Hope (58 min.) is de weerslag van Erkinzoda’s jarenlange strijd om gerechtigheid, die een nieuwe wending lijkt te krijgen als Karimov overlijdt en diens opvolger Sjavkat Mirzijojev mogelijke herziening van vonnissen aankondigt. Tegelijkertijd ontstaan er spanningen in haar huwelijk met een Oezbeekse man. Is Dilya’s echtgenoot Anvar wel wie hij leek te zijn? En wat betekent dit dan voor de zaak van haar broer?

Via de strijdbare Oezbeekse vrouw en haar ontmoetingen met familieleden, een journaliste in ballingschap, andere mensenrechtenactivisten, een lid van de oppositie en Iskanders jeugdvriend Bekzod, die samen met hem werd gearresteerd, schetst documentairemaker Magnus Gertten in deze schrijnende film een wereld waarin vrijheid van meningsuiting een voorrecht is dat alleen aan de regerende elite is voorbehouden. En alle anderen moeten voortdurend op hun tellen passen.

En dan meldt ineens Iskandar zich, via zijn nieuwe advocaat. Met een boodschap die Dilya en haar familie helemaal uit het lood slaat…

In De Ban Van De Bom

&Bromet

Als hij bij de huidige bewoners van het pand van z’n voormalige werkgever zijn verhaal probeert te doen, zou je Frits Veerman gemakkelijk voor een complotdenker kunnen houden. Hij strooit met allerlei onbekende termen en namen en rept bovendien over spionage: zijn Pakistaanse collega Abdul Khan zou in de jaren zeventig geheime informatie over de verrijking van uranium hebben gestolen. En daarmee zou het Aziatische land, in een soort permanente oorlog verwikkeld met buurland India, een atoombom hebben kunnen testen. De informatie is daarna ook nog terechtgekomen bij schurkenstaten als Noord-Korea.

Jaaaah, Frits, ben je geneigd om te antwoorden, maar hoe gaat het thuis, met je vrouw en kinderen? Zulke reacties heeft de man vast ook vaak gekregen, te beginnen vanuit zijn werkgever FDO waar hij werkte aan zogenaamde ultracentrifuges. Daar hadden ze niets met zijn verhalen. Slecht voor de reputatie van het bedrijf. Frits moest zijn mond houden en werd langzaam maar zeker richting de uitgang gedirigeerd. Er was één klein probleem: hij had gelijk. De notoire complotdenker was in werkelijkheid een klokkenluider.

‘Heb je ooit wel eens de behoefte gevoeld om het voor Frits op te nemen?’ vraagt Frans Bromet in de tv-docu In De Ban Van De Bom (82 min.) aan Veermans voormalige collega Gerrit Kleyn. ‘Nu dus’, reageert die. ‘Nu is een beetje laat, hè’, vindt Bromet. Kleyn: ‘Ja, maar wat kan ik eraan doen?’ En dus stond Frits Veerman er tijdens die jaren grotendeels alleen voor. De Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) had weliswaar al snel in de smiezen dat het klopte wat hij beweerde, maar probeerde toch – onder invloed van de CIA? – om hem monddood te maken.

Frans Bromet onderzoekt die pijnlijke kwestie met Veerman zelf, zijn vrouw Marie en diverse deskundigen en bekijkt tevens of zijn poging om ruim veertig jaar na dato, via het Huis voor Klokkenluiders, alsnog te worden gerehabiliteerd kans van slagen heeft. Als blijkt dat de AIVD, de opvolger van de BVD, tevens participeert in dat Huis, wordt ook die hoop de bodem ingeslagen. Frits blijft echter, tegen beter weten in, geloven in een goede afloop. Intussen wordt Abdul Khan in Pakistan op het schild gehesen als een soort redder des vaderlands.

Het is een typische David & Goliath-vertelling over een man die, jawel, een complot op het spoor komt en vervolgens jarenlang dwars wordt gezeten, ook door de Nederlandse staat, bij het naar buiten brengen daarvan. Totdat er van de gedreven idealist alleen nog een roepende in de woestijn over is. Bromet neemt alleen wel heel veel tijd om die eenzame strijd uit de doeken te doen. Een iets strengere selectie van de interviews en dus een hoger verteltempo zouden dit schrijnende verhaal, dat inmiddels een erg tragisch staartje heeft gekregen, goed hebben gedaan.

Salah

VPRO

De dag dat hij op zijn tiende Hamid Abaaoud ontmoette werd er een tragische ontwikkeling in gang gezet die zijn leven en dat van talloze anderen voorgoed zou veranderen. Samen met hem zou Salah Abdeslam eerst het dievenpad opgaan in hun gezamenlijke woonplaats Molenbeek. Enkele jaren later volgde de radicalisering die hen, onder de vlag van Islamitische Staat, naar Parijs zou brengen, waar ze op 13 november 2015 participeerden in een gruwelijke terroristische aanslag.

131 onschuldige mensen kwamen daarbij om. Net als zeven handlangers van Salah (180 min.), onder wie diezelfde Hamid. Zelf zou hij nog vier maanden op vrije voeten blijven. Totdat Abdeslam op 18 maart 2016 bij een anti-terreuractie alsnog in de boeien werd geslagen, gewoon in zijn eigen thuisbasis Molenbeek. Slechts vier dagen later zou er echter opnieuw bloed vloeien: bij aanslagen op vliegveld Zaventem te Brussel en het metrostation van Maalbeek vielen op dinsdag 22 maart 35 doden en ruim 340 gewonden.

Deze vierdelige serie van Eric Goens onderzoekt hoe het zover heeft kunnen komen met enkele familieleden van Abdeslam, de oud-leraar die zich over hem ontfermde, zijn advocaat, een islamoloog, de officier van justitie, een terreurexpert en enkele geanonimiseerde leden van de antiterreureenheid. Hun bevindingen worden omkleed met chique reconstructies van de verhoren van de hoofdpersoon zelf, die het niet over zijn hart kon verkrijgen om bij de aanslagen in Parijs ook zichzelf op te blazen.

In de twee laatste afleveringen reconstrueren medewerkers van de luchthaven en de nabestaande van een slachtoffer op indringende wijze de gebeurtenissen op 22 maart 2016 en de gevolgen daarvan voor hen en hun directe omgeving. Het is al met al een even triest als fascinerend relaas, dat talloze vragen oproept. Met de kennis van nu is het bijvoorbeeld bijna niet te bevatten dat een concrete waarschuwing van één van Salahs familieleden niet werd opgepikt door de Belgische justitie en dat Salah bij een groots opgezette arrestatiepoging wist te ontsnappen.

Zulke dramatische ontwikkelingen hebben er in elk geval toe geleid dat hij, als enige overlevende aanslagpleger, nu een status heeft verworven die helemaal niet lijkt te passen bij zijn oorspronkelijke rol en positie in de terreurorganisatie. Salah Abdeslam, de kleine crimineel die zichzelf uiteindelijk niet kon of wilde offeren, leeft voort als één van Europa’s gevaarlijkste terroristen en wint intussen – door te zwijgen en verder te radicaliseren – alleen maar aan mysterie.

Once Upon A Time In Iraq

‘Waar zou u de serie mee beginnen?’ wil de interviewer bij de start van Once Upon A Time In Iraq (295 min.) weten. ‘Jeetje…’, peinst de Amerikaanse oorlogscorrespondent Dexter Filkins (The New York Times). ‘Irak zou niet met 9/11 in verband moeten worden gebracht, maar dat is helaas wel gebeurd.’

Regisseur James Bluemel keert daarna inderdaad terug naar de aanslagen op 11 september 2001, die door de Amerikaanse president George W. Bush als aanleiding werden gebruikt om in het voorjaar van 2003 Irak binnen te vallen. Ook al was (en is) de connectie tussen de terroristische aanval op het Amerikaanse World Trade Center en het Pentagon en het gehate regime van de Iraakse leider Saddam Hoessein nooit overtuigend aangetoond. Hem wilden Amerikaanse neoconservatieven echter al heel lang weg hebben. In elk geval sinds de Golfoorlog, toen president George H. Bush – juist, de vader van – Hoessein begin jaren negentig op zijn plek liet zitten.

Dat is de politieke context, die tot een eindeloze (burger)oorlog en de opkomst van Islamitische Staat zou leiden. Deze tragische geschiedenis wordt in deze krachtige vijfdelige docureeks, met acteur Andy Serkis als verteller, nu eens niet uit de doeken gedaan door politieke kopstukken, hooggeplaatste militairen en topdiplomaten (die in de docuserie The Iraq War al uitgebreid aan het woord zijn gekomen), maar door gewone mensen uit Irak en de Verenigde Staten: burgers, journalisten en soldaten. De mensen die – toen de bombardementen, beschietingen en onthoofdingen begonnen – met hun poten in de modder stonden. Of in het bloed.

En zij hebben nogal wat op hun lever. Een meisje herinnert zich bijvoorbeeld hoe ze een oog verloor door een granaatscherf. Een tolk vertelt hoe hij in een kuil de gevluchte Saddam Hoessein ontdekte. Een Amerikaanse bataljonscommandant realiseert zich nu dat hij langzaam maar zeker helemaal doordraaide. Een Iraakse militair verhaalt over hoe hij als enige een moordpartij van IS overleefde. Een jonge vrouw herinnert zich hoe ze als kind tijdens de komst van het Amerikaanse leger begroette: ‘Zijn jullie Ninja Turtles?’ En één van die soldaten, sergeant Rudy Reyes, laat een fles tequila aanrukken, om zijn verhaal te kunnen doen. ‘Of het ‘t allemaal waard was?’ vraagt Bluemel naderhand. Reyes: ‘Nou ja, dat moet gewoon. Wat is het alternatief?’

Grote geschiedenis, kortom, bezien door gewone mensen, die uitstekend invoelbaar maken hoe het is om te leven of werken te midden van oorlog en terreur. En die nog altijd kampen met de gevolgen daarvan. ‘Waar eindigt dit verhaal?’ vraagt de filmmaker tot besluit aan oorlogsjournalist Dexter Filkins. ‘Ik weet het niet’, antwoordt deze vertwijfeld. ‘Ik denk niet dat er binnenkort een einde aan komt. Er is geen oplossing. In het Midden-Oosten is er geen oplossing. We zijn er nog lang zoet mee.’

Can’t Get You Out Of My Head

BBC

De ‘Illuminatie’, die volgens een deel van de mensheid nog altijd vanuit de coulissen een groot deel van de ontwikkelingen op het wereldtoneel bestieren, zouden een verzinsel zijn van schrijver Kerry Thornley en zijn vriend Greg Hill. Het was de belachelijkste complottheorie die de twee representanten van de Amerikaanse tegencultuur in de jaren zestig konden bedenken. Wie zou er nu werkelijk kunnen geloven in het geheime genootschap van een achttiende eeuwse professor uit Beieren? Hun ‘Operation Mindfuck’ zou echter een doorslaand succes worden – of een gigantisch fiasco – dat tot op de dag van vandaag doorwerkt.

Een bezopen samenzweringstheorie die voor werkelijkheid wordt aangezien, in een wereld waar wel degelijk ook echte complotten worden gesmeed. Het is maar één van de vele kleine verhalen die Adam Curtis in zijn zoveelste ambitieuze project Can’t Get You Out Of My Head (473 min.) verbindt aan de grote verhalen van onze tijd, zoals individualisering, consumentisme en technologie als ideaal middel om (het onderbewuste van) de grote massa te bespelen. Als een ouderwetse schoolmeester, met zijn eigen tics en preoccupaties, wandelt hij met veel bravoure door het doolhof van de moderne geschiedenis. Het resultaat is een ontzagwekkend labyrint op zichzelf: een wirwar van lange, korte en losse verhaallijntjes die op gezaghebbende toon aan elkaar worden geknoopt. Orde in de chaos, die op zichzelf ook weer net zo goed voor verwarring zou kunnen zorgen.

Typisch Curtis, de Britse homo universalis die met zijn wijdlopige video-essays een genre op zichzelf is geworden. In zijn beschouwingen op de hedendaagse maatschappij maakt hij gebruik van inzichten uit de moderne psychologie, economie, filosofie, geschiedenis, sociologie en politiek. Hij hangt die ditmaal op aan enkele hoofdpersonen (zoals bijvoorbeeld Mao Zedongs militante vierde vrouw Jiang Qing, valium-propagator Arthur Sackler, Artsen Zonder Grenzen-oprichter Bernard Kouchner, transgender-activist Julia Grant en Afeni Shakur, lid van The Black Panthers, crack-verslaafde én moeder van een wereldberoemde rapper). Curtis illustreert zijn betoog zoals gebruikelijk met een uitbundige collectie archiefmateriaal en zet daarbij treffende accenten met een edgy soundtrack.

Noem het gerust pompeus, tendentieus en hier en daar zelfs incoherent (of gewoon niet helemaal te bevatten; probeer de Franse revolutie bijvoorbeeld maar eens te verbinden met Tupac Shakur en de chaostheorie). Ook deze nieuwe Adam Curtis-productie probeert echter een net over de aardbol te gooien en zo de psyche van onze tijd te vangen. Alsof je in hartje winter de luiken eens goed tegen elkaar openzet. In de laatste van de zes afleveringen culmineert dit in vragen over de vermeende machinaties achter het Brexit en de verkiezing van Donald Trump en of zulke samenzweringstheorieën niet gewoon pogingen zijn om vat te krijgen op een voor ons allen onbegrijpelijk wereld.

Uiteindelijk ging zelfs Kerry Thornley twijfelen over Operation Mindfuck. Niet zozeer over de ‘Illuminati’, maar over zijn eigen rol in het satirisch bedoelde complot: was hij misschien, zonder dat hij het wist of wilde, toch ingezet als een werktuig van de CIA?

Notturno

Cinéart

Hun levens zijn doordesemd met oorlog. Een oneindige strijd, die hen soms tijdelijk in slaap sust en die dan toch weer plotseling kan oplaaien. Al ruim een eeuw. Sinds de val van het Ottomaanse rijk, aan het einde van de Eerste Wereldoorlog.

In het grensgebied tussen Irak, Koerdistan, Syrië en Libanon heeft de bevolking (moeten) leren leven met voortdurend gevaar. Terwijl een eendenjager in het holst van de nacht met zijn kano het water opgaat, klinkt er tussen het rustgevende getsjirp van de krekels bijvoorbeeld regelmatig ratelend geschut. De man kijkt er niet van op.

Intussen zijn er overal militairen die de wacht houden, klaar om in te grijpen als de situatie daar om vraagt. Want Islamitische Staat, dat ongenadig huishield in de regio, is nog altijd niet definitief verslagen. De herinneringen aan het horrorbewind van de terreurbeweging houdt menigeen nog altijd in zijn greep. Niet alleen in de nachtelijke uren.

Gianfranco Rosi vangt die dagelijkse realiteit in Notturno (100 min.) met lange, zorgvuldig gekadreerde en prachtige uitgelichte (nacht)shots, die het oog van een meester verraden. Hij schildert met luchten: van bloedstollend mooi tot ronduit onheilspellend. De camera verroert zich intussen niet en sublimeert de grauwe werkelijkheid van het leven.

Rosi’s aanpak is verder uitgesproken sober. Geen interviews. Geen muziek. En geen duidelijke protagonisten. Gesproken wordt er ook nauwelijks. Of het moet dat gekerm op de psychiatrische afdeling zijn. De repetities voor een geladen toneelvoorstelling. Of het gejammer van een Koerdische moeder die in een verlaten gevangenis haar gestorven zoon betreurt.

In de meest indrukwekkende scène vertellen kinderen aan de hand van zelfgemaakte tekeningen over hun ervaringen met Islamitische Staat. ‘Als de kinderen huilden, werden ze door IS-mannen met een stok geslagen’, zegt een jongetje over zijn tijd in een gevangenenkamp. Hij wijst naar zijn tekening. ‘Dit is hun bloed.’

Kalm observeert Rosi gewone mensen die ‘gewoon’ hun leven leiden. Hele gezinnen op één kamer, soldaten op patrouille en vluchtelingen in een modderig kamp. Nietige wezens, overlevend in het perpetuum mobile van geweld waarin ze ooit terecht zijn gekomen. Het komt allemaal samen in de blik van die ene, in zijn eigen capuchon verscholen tienerjongen, die gepijnigd voor zich uitstaart.

Rohwedder: Einigkeit Und Mord Und Freiheit

Netflix

De Rote Armee Fraction eiste de aanslag op. De derde generatie daarvan, om precies te zijn. Als die al ooit heeft bestaan. Namen of gezichten heeft de Duitse politie daarbij nooit weten te verkrijgen. Vaststaat dat Detlev Karsten Rohwedder, de leider van de zogenaamde Treuhand, op 1 april 1991 in koelen bloede werd vermoord. En dat de extreem-linkse terreurbeweging RAF de dood van het ‘imperialistische beest’ claimde met zo’n typisch bombastische verklaring tegen het kapitalisme.

Maar was de Rote Armee Fraction wel verantwoordelijk voor de brute moord op de man, die de voormalige DDR gereed moest maken voor een plek in de vrijemarkteconomie van het Verenigde Duitsland en die met de bijbehorende bedrijfsliquidaties en massaontslagen vele vijanden had gemaakt? Of ging het in werkelijkheid om een slinkse actie van de Stasi, de binnenlandse veiligheidsdienst van het voormalige Oost-Duitsland?

Die vragen liggen ten grondslag aan de boeiende vierdelige serie Rohwedder: Einigkeit Und Mord Und Freiheit (168 min.), waarin de achterkant van de succesvolle Duitse hereniging, aan het einde van de Koude Oorlog, wordt belicht: roofkapitalisme, corruptie en het verkeerd soort nationalisme. Regisseur Jan Peter Georg Tschurtschenthaler laat in dat kader Treuhand-medewerkers, politici, misdaadbestrijders, DDR-functionarissen, Stasi-agenten, (misdaad)journalisten en ook twee voormalige RAF-leden, van de tweede generatie, aan het woord.

Hij illustreert hun relaas met fascinerende archiefbeelden van de gebeurtenissen rond ‘Die Wende’, oude interviews met Rohwedder en een straffe reconstructie van de schimmige schietactie. Zo wordt het verscheurde land opgeroepen dat een eenheid moest gaan vormen. Binnen dat onverdraagzame klimaat zou Detlev Rohwedder uitgroeien tot een perfecte bliksemafleider, waarop menigeen zijn woede kon koelen en een onbekende schutter uiteindelijk daadwerkelijk het vuur opende.

Playing God

Hoeveel geld moet je neertellen voor een mensenleven? Dat verschilt nogal, eerlijk gezegd. ‘Als het een beurshandelaar of bankier is die op straat dood valt, dan moet je echt meer betalen dan bij een ober, soldaat, agent of brandweerman’, zegt Ken Feinberg nuchter in Playing God (98 min.). ‘Zo werkt het systeem nu eenmaal.’

De Amerikaanse advocaat weet waarover hij praat: Feinberg wordt met de regelmaat van de klok gevraagd om als arbiter op te treden als na een ramp, ongeluk of aanval de schade moet worden opgemaakt (en bedrijven of de overheid zelf mogelijke rechtszaken willen voorkomen). Na tragedies zoals de aanslagen van 11 september 2001, Orkaan Katrina en de Sandy Hook-school shooting was hij het die zich boog over de verzoeken van slachtoffers – of van lieden die een slaatje probeerden te slaan uit de situatie.

Dat vereist een olifantshuid. Eigenlijk kan een man als Kenneth R. Feinberg geen goed doen, er is altijd wel iemand die teleurgesteld is, z’n onmacht op hem richt of behoefte heeft om zijn woede te koelen. En geld – bloedgeld, zeggen sommigen – kan sowieso de onderliggende ellende nooit wegpoetsen. ‘Er zit geen enkel plezier in dat geld’, zegt Rosemary Cain, die een familielid verloor tijdens de aanslagen van 11 september. ‘Het is overladen met schuld.’

Deze interessante documentaire van de Duitse documentairemaakster Karin Jurschick behandelt de belangrijkste klussen en dilemma’s van Feinbergs werkzame leven, dat in de jaren tachtig een vlucht nam met een zaak van veteranen die compensatie wilden voor het gebruik van napalm tijdens de Vietnamoorlog, en zoekt daarbij ook de rafelranden op: is hij wel altijd zo onafhankelijk? Kan dat überhaupt in gevallen waarbij hij zelf is ingehuurd door een partij die de schade of het letsel heeft veroorzaakt?

Duidelijk is dat een levenlang salomonsoordelen vellen een wissel op je trekt. ‘Overdag zie ik het slechtste van de menselijke beschaving: dood, woede, frustratie, drama’, zegt Feinberg in de openingsscène, terwijl hij in het donker voor de televisie zit en weldadige klassieke muziek op zich laat inwerken. ‘In de nacht laaf ik me aan een concert of opera, het summum van menselijke beschaving: Wagner, Verdi, Beethoven, Brahms, Mahler.’

Intussen zwerft de camera over foto’s van Feinberg met allerlei Amerikaanse hoogwaardigheidsbekleders. Ieder voor zich moesten ze soms voor God spelen en de waarde van een mensenleven bepalen. Die prijs was, afhankelijk van het gezichtspunt van de betrokkene, altijd te hoog of te laag.

Why We Hate

Haat valt af te leren. Is logisch. Beschermt ons. Wordt doelbewust ingezet. Kan besmettelijk zijn. Én maakt héél veel kapot.

Aan de hand van zes subthema’s en een daarbij behorende wetenschapper schetst de docuserie Why We Hate (264 min.), geregisseerd door Geeta Gandbir en Sam Pollard en geproduceerd door Steven Spielberg en Alex Gibney, de psychologische, genetische, sociologische, juridische, neurologische en biologische achtergronden van de menselijke behoefte om De Ander te wantrouwen, beschimpen of zelfs bestrijden. Dit levert interessante inzichten en dwarsverbanden op, die met soms schokkende beelden worden geïllustreerd.

Over tribalisme bijvoorbeeld, een fenomeen dat zowel zichtbaar is in de rivaliteit tussen voetbalclubs als de permanente stammenstrijd tussen de Democratische en Republikeinse partij in de Verenigde Staten en de steeds weer oplaaiende oorlog tussen Israël en de Palestijnen. Hopeloze kwesties ogenschijnlijk, waarbij ‘de psychologie van het slachtofferschap’ (ook al behoor je tot de bovenliggende partij) een dominante rol lijkt te spelen. Wetenschappelijke experimenten tonen echter aan dat die verhoudingen wel degelijk zijn te reframen – al leidt dat helaas niet per definitie ook tot betere verhoudingen.

Het blijft tevens pijnlijk hoe effectief propaganda kan zijn als middel om een andere bevolkingsgroep te dehumaniseren. De bijbehorende weerzinwekkende beelden – de Obama’s als apen, moslims als vleesgeworden bommen en Joden als afgezanten van de Duivel – mogen dan bekend zijn, het blijft nauwelijks te bevatten dat mensen bereid zijn om dit soort vuiligheid te produceren en consumeren. En de gevolgen daarvan zijn onmiskenbaar. In Rwanda werden de Tutsi’s in de jaren negentig bijvoorbeeld stelselmatig door kranten en radiostations van de Hutu-meerderheid uitgemaakt voor ‘kakkerlakken’. En wat doe je met zulke beesten? Juist: kapot maken.

Met verve slalomt de zesdelige serie Why We Hate verder langs de burgeroorlog in het voormalige Joegoslavië, Pol Pots Cambodja en het Hongarije van Viktor Orbán, zoomt in op het Internationaal Strafhof in Den Haag, de Charleston Church Shooting en de beruchte Milgram– en Stanford Prison- experimenten (en de rol van instructie daarbij) en introduceert haatzaaiers die tot inkeer zijn gekomen, zoals een voormalige neonazi, ex-extremistische moslim en oud-lid van de omstreden Westboro Baptist Church. Uit hun gezamenlijke relaas kan tóch hoop worden geput. Als voorbeelden daarvan focussen Gandbir en Pollard op hoe Zuid-Afrika Apartheid en Duitsland het Derde Rijk achter zich hebben gelaten.

Er is uiteindelijk ook geen alternatief voor het loslaten van de haat, zo wordt glashelder. Met het ontmenselijken van de ander, stelt mensenrechtenadvocaat Patricia Viseur Sellers bijvoorbeeld, doen we ook onze eigen humaniteit geweld aan.

This Is Not A Movie

VPRO

Dit is geen speelfilm.

‘Je kunt een Hollywood-crew hiernaartoe brengen en een film maken’, zegt de Britse oorlogsjournalist Robert Fisk terwijl hij in 2018 door de volledig verwoeste Syrische stad Homs loopt. ‘Alleen kunnen de doden niet praten en zijn de levenden allemaal weg.’ Op deze plek, zo realiseerde hij zich enkele jaren geleden, begint het verhaal van de mensen die uiteindelijk als vluchteling in Griekenland, Hongarije en Duitsland zijn beland. ‘Hier is de lont naar het kruitvat aangestoken.’

Nogmaals: This Is Not A Movie (108 min.).

Regisseur Yung Chang volgt de vermaarde Midden-Oosten correspondent naar conflictgebieden als Syrië, Libanon en Bosnië en laat Fisk aan het woord over de ervaringen die hem nog altijd achtervolgen. Zoals de slachting onder Palestijnse burgers bij Sabra & Shatila, volgens Fisk het hedendaagse equivalent van nazi-oorlogsmisdaden. Die traumatische gebeurtenis in 1982, onder het oog van Israëlische militairen, bevrijdde hem van elke vorm van schroom om te berichten over de werkelijkheid zoals hij die zag. Gewoon de ongemakkelijke feiten. Zonder de behoefte om daarbij beide partijen aan het woord te laten en een soort (vals) evenwicht te creëren.

Dit is immers geen speelfilm.

Fisks parool is en blijft: challenge authority. Teneinde, ergens, de waarheid te vinden. Dit gedegen portret van de strijdbare correspondent, die zich al een halve eeuw in ‘s werelds voornaamste brandhaard bevindt en liefst zelf ter plekke, met pen en papier in de hand, poolshoogte gaat nemen als er iets gebeurt, werkt tevens als een aanklacht tegen oorlog in het algemeen en het allereerste slachtoffer daarbij: diezelfde waarheid. En die zal de inmiddels 73-jarige Robert Fisk, met alles wat hij in zich heeft, tot zijn allerlaatste ademtocht blijven zoeken. Wat anderen – of het nu gaat om de autoriteiten of zijn eigen eindredacteuren – daar ook van vinden…

Dit. Is. Echt.

This Is Not A Movie is hier te bekijken.

Once The Dust Settles

VPRO

Het slagveld of rampgebied van nu is de toeristische attractie van straks. Wat gebeurt er als het stof is neergedaald? vraagt documentairemaker John Appel zich af. (Hoe) kun je je bestaan weer oppakken nadat de storm is uitgeraasd of de laatste kogel is afgevuurd en jouw leven, blijkbaar, nog niet is beëindigd?

Appel onderzocht eerder de rol van het toeval bij calamiteiten in zijn film Wrong Time, Wrong Place uit 2012, waarvoor hij mensen portretteerde die betrokken raakten bij de massamoord van Anders Breivik op het Noorse eiland Utoya. In Once The Dust Settles (87 min.) bezoekt hij drie voormalige rampplekken en onderzoekt wat de situatie en mensen daar met elkaar gemeen hebben: Amatrice (getroffen door een verwoestende aardbeving), Tsjernobyl (van de kernreactorontploffing) en Aleppo (strijdtoneel van de Syrische burgeroorlog).

Appel presenteert zijn bevindingen als losse blokken. Het zijn eigenlijk drie films in één, met elk hun eigen hoofdpersonen. Een Italiaanse pastor die zijn thuis is kwijtgeraakt, de operator van unit 4 van de beruchte Russische kernreactor die ooit een zwijgcontract moest ondertekenen van de KGB en een Syrische hoteleigenaar en reisgids die jarenlang hun werk niet konden uitoefenen en hun stiel nu weer proberen op te pakken. Terwijl ze hun weg vinden in een nieuwe werkelijkheid, proberen ze zich tevens te verzoenen met hun ervaringen uit het verleden.

Once The Dust Settles is een verzorgde, bespiegelende en soms ook wat trage documentaire geworden over menselijke veerkracht. Vanuit de gedachte dat op de puinhopen van toen nu iets nieuws kan ontstaan. Hopelijk iets beters…

De Puinhopen Van Irak

VPRO

’Ik eet geen vlees en tomatensoep meer’, zegt een grafdelver in de Iraakse hoofdstad Bagdad. ‘Die doen me denken aan de gruwelijkheden. Al die ellende. Onze kleren zaten altijd onder het bloed.’ De man leeft volgens eigen zeggen van brood en thee. En als hij aan al die verminkte lichamen denkt, krijgt-ie helemaal geen hap meer door zijn keel. Hij is helemaal kapot. ‘Ik drink elke dag om te kunnen slapen.’

In de vijfdelige documentaireserie De puinhopen van Irak (125 min.) neemt Sakir Khader de menselijke schade op van de oorlog in het verscheurde land, dat generaties lang met ijzeren vuist werd geregeerd door Saddam Hoessein. De voormalige dictator, in 2003 afgezet door de Amerikanen, is in bepaalde contreien nog altijd populair, constateert de Palestijns Nederlandse filmmaker in één van zijn bespiegelende voice-overs.

En de Amerikanen kunnen bij veel Irakezen nog altijd weinig goed doen. Effenden zij niet gewoon het pad voor Islamitische Staat? ‘We gaan je zo eerst te eten geven’, grapt een man bijvoorbeeld, die door een Amerikaanse scherpschutter een broer verloor, als hij van Khader hoort dat Nederland participeerde in de invasie van Irak door de Verenigde Staten. ‘Daarna maken we je af.’

Hoe dichter hij naar zijn Arabische roots reist, constateert Sakir Khader, hoe groter de conflicten worden. In elke aflevering probeert hij, soms enigszins geforceerd, zijn eigen geschiedenis te verbinden met z’n riskante trips door Irak. Met zijn persoonlijke betrokkenheid, lef en doorzettingsvermogen slaagt hij erin om de tegenstellingen in het land, en het brute geweld dat daaruit voortvloeit, in kaart te brengen via gewone Irakezen.

Net als Sinan Can maakt Khader zo een wereld toegankelijk die we vooral kennen van mistroostige berichten in de media. De boodschap is overigens niet per definitie optimistischer. ‘Misschien ben ik dood wel beter af dan in leven’, stelt de mijnenruimer Hassan bijvoorbeeld mismoedig. Net als veel landgenoten is hij het leven, in elk geval dít leven, moe. Maar hoe kan deze cyclus van geweld worden doorbroken?

Ghosts Of Sugar Land

Netflix

Ze verschijnen allemaal gemaskerd voor de camera: als Spider Man, Super Mario of Star Wars-schurk. Alleen ‘Mark’ komt met zijn gezicht in beeld. Hij was de enige zwarte jongen in de vriendengroep. Ze willen hem nu overigens ook best ‘Steve’ noemen. Zolang het maar niet zijn eigen naam is.

Alle jongens groeiden op in een multiculturele wijk in Sugar Land, Texas. Ze waren bovendien stuk voor stuk moslim. En dat wilde ‘Mark’, een jongen die maar moeilijk zijn plek kon vinden, ook best worden. Ook al stonden moslims volgens hen nóg lager in de pikorde dan zwarte Amerikanen.

In Ghosts Of Sugar Land (22 min.), een korte documentaire van Bassam Tariq, kijken de vrienden terug op hoe ze samen opgroeiden en vertellen ze hoe ‘Mark’ voor hun ogen radicaliseerde, een proces dat inzichtelijk wordt gemaakt via Facebook-posts van de verder afwezige hoofdpersoon.

Of waren al die opruiende berichten, vragen de gemaskerde kameraden zich nu af, eigenlijk bedoeld om hén uit hun tent te lokken? Met andere woorden: hadden ze een mol, een FBI-infiltrant, in de gelederen, die moest bekijken of zij gevoelig waren voor een extremistische opvatting van de islam?

‘Mark’ zou inmiddels de oversteek hebben gemaakt naar Syrië, waar hij zich heeft aangesloten bij Islamitische Staat. Niets is echter zeker: voor hetzelfde geld houdt hij zich gewoon, met een andere identiteit, ergens in Amerika schuil. Die elementaire twijfel drijft deze boeiende interviewfilm, die even klein als raak is.

Na afloop blijft wel één vraag hangen: waarom hoefde ‘Mark’, of hij nu Jihad-strijder of toch undercoveragent is, eigenlijk géén masker te krijgen?

One Day In September

The games must go on.’ De woorden van IOC-voorzitter Avery Brundage hangen nog altijd als een slagschaduw over de Olympische Spelen van München in 1972. Ondanks een terroristische aanslag op het Israëlische team, waarbij diverse atleten op brute wijze werden geslachtofferd, ging het toernooi door. Sporters, zoals de Nederlandse judoka Wim Ruska, die na ‘het bloedbad van München’ een medaille wonnen, zouden zich daarvoor tot in lengte der dagen moeten verantwoorden.

De Oscar-winnende documentaire One Day In September (93 min.) van Kevin Macdonald uit 1999 volgt met overlevenden, nabestaanden, politieagenten, onderhandelaars, politici, journalisten én Jamal Al-Gashey, de enige aanvaller van Black September die de actie zou overleven, de aanloop naar en gebeurtenissen op die fatale vijfde september van 1972. De Palestijnse terreurgroep eiste dat meer dan tweehonderd medestanders werden vrijgelaten uit gevangenissen in de gehele wereld, in Israël in het bijzonder. De geplande gijzeling zou he-le-maal uit de hand lopen.

Illustratief is het relaas van de Nederlandse vrouw Ankie Spitzer. Voor de Olympische Spelen zette ze haar echtgenoot, de Israëlische schermcoach André Spitzer, nietsvermoedend op de trein. Ze zou hem nooit meer terugzien. Behalve dan in het televisienieuws, toen hij met een geweer in zijn rug door de gijzelnemers naar voren werd geschoven, om vanuit een raam met de verzamelde media te praten. Ankie, die later correspondent in Israël zal worden voor Nieuwsuur en de VRT, zag het met afgrijzen aan. Ze zou nog ruim veertig jaar moeten ijveren voor een herdenking van ‘München’.

Filmmaker Macdonald laat de verbijsterende gebeurtenissen in het Olympische dorp echt herleven met deze straffe reconstructie. De Schotse filmmaker maakt bijzonder effectief gebruik van graphics om de stormachtige ontwikkelingen te verduidelijken en zet de naargeestige sfeer bovendien vet aan met muziek. Ook acteur Michael Douglas is een belangrijke troef. Als verteller geeft hij het drama echt urgentie. Zo slaagt Macdonald erin om de hectiek van het moment te vangen: de gewelddadige actie van Black September en het navolgende geblunder van de West-Duitse autoriteiten, dat de situatie nog veel erger maakte.

Niet iedereen bewaart overigens slechte herinneringen aan het ‘Munich Massacre’. De actie heeft zijn doel bereikt, constateert Al-Gashey, die niet wil zeggen of hij persoonlijk Israëli’s heeft gedood of niet, ruim 25 jaar na dato in One Day In September: ‘Ik ben trots op wat ik heb gedaan in München omdat dit De Palestijnse Zaak enorm heeft geholpen. Vóór München had de wereld geen idee van onze strijd.’

I, Dolours

‘If you hate the British army, clap your hands’, zingt een groep schoolkinderen op straat enthousiast, terwijl de gemoederen in Belfast begin jaren zeventig oplopen. ‘If you hate the British army…’ In diezelfde tijd mengt ook Dolours Price, de hoofdpersoon van deze documentaire, zich in het Noord-Ierse conflict: ze wordt lid van het Irish Republican Army (IRA) en begint een bloedige strijd met de Britse overheersers en de aan hen gelieerde loyalisten.

In I, Dolours (82 min.) construeert filmmaker Maurice Sweeney haar levensverhaal, via een serie interviews die Price in 2010 gaf aan journalist Ed Moloney. Ze oogt daarin als een doorsnee vrouw van middelbare leeftijd, die je eerder op naailes verwacht dan in de gewelddadige tak van een bevrijdingsbeweging/terreurgroep. Geen persoon in elk geval waaraan je bankovervallen, verdwijningen, bomaanslagen en liquidaties zou toeschrijven.

Achter Dolours’ conventionele uiterlijk gaat echter een geharde vrouw schuil, die volledig is gevormd door The Troubles, het gevecht om Ulster. Als ze in 1973, na een bomaanslag in Londen, voor jaren in een Engelse gevangenis belandt, zet ze daar samen met haar eveneens geradicaliseerde zus Marian meteen een hongerstaking op. Die wordt door de Britten rigoureus de kop ingedrukt. Dolours zal er de rest van haar leven mee blijven worstelen.

De traumatische gebeurtenis is indringend verfilmd in deze solide film, waarin Sweeney een overtuigende middenweg tussen documentaire en drama vindt en zijn hoofdpersonage zich zo nu en dan laat verleiden om héél voorzichtig haar kwetsbare kant, en zowaar iets van wroeging, te laten zien.