Ze Noemen Me Baboe

Cinema Delicatessen

‘Ba’ betekent juffrouw, ‘boe’ moeder. Ze noemen haar dus Baboe. Juffrouwmoeder. Oftewel: kindermeisje. Haar echte naam doet er niet toe. Het is zelfs maar de vraag of de ‘Belandas’ die kennen: Alima. Op de vlucht voor een gearrangeerd huwelijk is de Javaanse vrouw bij het Nederlandse gezin beland. Niet veel later zit ze zelfs met hen op de boot naar Holland. ‘Baboe’ draagt voortaan zorg voor de aandoenlijke peuter Jantje.

Eenmaal terug in Nederlands Indië worden zij en haar bijna-familie eerst geconfronteerd met de Japanse bezetting en daarna met de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, die voor Alima een heel persoonlijke dimensie krijgt via de onweerstaanbare revolutionair Riboet. Het is een tijd waarin haar loyaliteiten, en die van vele andere lokale gezinshulpen, danig op de proef worden gesteld.

Het kindermeisje doet in Ze Noemen Me Baboe (78 min.) zelf haar verhaal. Althans, regisseur Sandra Beerends heeft op basis van getuigenissen van (kinderen en kleinkinderen van) voormalige baboes en Nederlandse kinderen die een baboe hadden een poëtische voice-over tekst geschreven. Vanuit het perspectief van een fictief kindermeisje, Alima dus, dat zich richt tot haar jong gestorven moeder.

De filmmaakster heeft dit persoonlijke relaas – van een gewone vrouw die op een scharnierpunt in de Nederlandse koloniale historie belandt – verbeeld met een vloeiende combinatie van privé-video’s en (nooit eerder vertoond) beeldmateriaal uit Nederlandse en Indonesische archieven. Een subtiel geluidsdecor en zorgvuldig samengestelde soundtrack kleuren de zwart-wit beelden verder in.

Met deze absolute tour de force brengt Beerends zo op een klein en menselijk niveau, via de empowerment van een kindermeisje, een pregnant stuk Nederlandse historie tot leven.

The Sea Between Us

IDFA

Bijna dertig jaar na het officiële einde van de burgeroorlog in Libanon ijlt de strijd nog altijd na. In The Sea Between Us (102 min.) volgt filmmaakster Marlene Edoyan, die zelf in Libanon opgroeide, twee vrouwen die op een heel verschillende manier omgaan met de erfenis van hun verscheurde land, waar sjiieten, christenen en soennieten vreedzaam samen proberen te leven.

De blonde Falangiste Wafaa Khayrallah lijkt nog steeds achter elke boom een vijand te zien. Ze wapent zichzelf en haar onwillige tienerzoon, die echt geen zin heeft om te oefenen met die luchtbuks, tegen een mogelijke nieuwe oorlog. De islamitische Hayat Fakhereldine lijkt een verzoenendere toon te hebben gevonden. Zij zoekt verbinding met de mensen om haar heen.

Edoyan alterneert in deze stemmige film tussen de twee vrouwen. Zij kijkt en luistert bijvoorbeeld mee als ze een oud-strijder of de ouders van een martelaar ontmoeten. Lange gesprekken over oorlog, de wonden die deze heeft geslagen en of – en zo ja: hoe – die kunnen worden geheeld. Tussendoor is er ook nog het gewone leven, bijvoorbeeld als Wafaa haar hulp in huis, die illegaal in het land verblijft, probeert te bewegen om tóch bij haar te blijven werken.

Ook op die momenten is en blijven de politieke verhoudingen in het land en de regio, Syrië in het bijzonder, te allen tijde op de achtergrond aanwezig. Via de twee parallel vertelde levens belicht Edoyan zo de actuele situatie in deze voormalige brandhaard van het Midden-Oosten, waar in de aanloop naar parlementsverkiezingen de tegenstellingen weer eens ouderwets worden vergroot.

For Sama

Het is een scène die je nooit meer vergeet. Een gewonde vrouw wordt binnengebracht in een noodhospitaal in Aleppo. Ze is hoogzwanger. Het is onduidelijk of de aanstaande moeder kan overleven. De artsen besluiten tot een spoedkeizersnede. Het grijze jongetje dat zo ter wereld wordt gebracht oogt levenloos.

Ze beginnen het kind te reanimeren, schudden hem door elkaar en wrijven zijn ruggetje warm. Wat ze ook doen, het jongetje wil de geest maar niet krijgen. Burgerjournalist Waad al-Kateab staat er met haar camera bovenop en vangt zo een sleutelscène voor haar film: nieuw leven in het hart van de oorlog. Heeft het een kans?

In de persoonlijke film For Sama (95 min.), die op het festival van Cannes werd gekozen tot beste documentaire, richt de jonge Syrische filmmaakster zich in haar verbindende voice-over tot het kind dat in haar eigen buik tot volle wasdom is gekomen. Ze vertelt Sama haar levensverhaal en toont het werk van haar activistische echtgenoot Hamza, die als arts in het hospitaal werkt.

Intussen probeert al-Kateab, samen met co-regisseur Edward Watts, bewijsmateriaal te verzamelen van de vernietigende burgeroorlog in Syrië, die ook haar prille gezin steeds verder in het nauw brengt. Ze stelt zichzelf daarbij pijnlijke vragen: heeft een kind een kans op een normaal leven als rondom haar een bloedige burgeroorlog woedt? En: ben je een egoïst of zelfs een lafaard als je in die omstandigheden je huis ontvlucht?

Het zijn de elementaire dilemma’s die oorlog losmaakt in gewone mensen en die ook al in talloze andere documentaires over Syrië aan de orde zijn gesteld. Het decor voelt ook vertrouwd: een belegerde en inmiddels volkomen kapot geschoten stad, die van alle kanten wordt aangevallen. Totdat er écht geen leven meer inzit. Toch went de bijbehorende mengeling van (wan)hoop, paniek en galgenhumor nooit.

Zeker niet als de bijbehorende mensen echt tot leven komen en hun relaas van binnenuit wordt verteld. Zoals in het verpletterende For Sama, een documentaire die – naast Last Men In Aleppo, City Of Ghosts en The Cave – een plek verwerft in het rijtje essentiële Syrië-films, dat eigenlijk verplicht moet worden gesteld voor iedereen met een gemakkelijke mening over oorlogsslachtoffers en vluchtelingen.

The Cave

Als reusachtige roofvogels cirkelen Assads en Poetins bommenwerpers boven Damascus. Hun bommen zaaien dood en verderf op de grond, waar de wijk Oost-Ghouta al ruim vijf jaar wordt belegerd. Meer dan 400.000 inwoners zitten als ratten in de val. Ze zijn gereduceerd tot bommenvoer en leven van de ene naar de andere verpletterende inslag.

Onder de stad is een netwerk van grotten aangelegd. Er wonen mensen, hele gezinnen zelfs, en er is een klein noodhospitaal. Daar zwaait de 29-jarige Amani Ballour de scepter. De jonge, idealistische vrouw stuurt in The Cave (107 min.) enkele doctoren en verpleegsters aan, die in barbaarse omstandigheden werk verrichten dat letterlijk van levensbelang is. Intussen proberen ze iets van menselijkheid te behouden.

De oudere arts Salim zweert tijdens het opereren bijvoorbeeld bij klassieke muziek, terwijl kokkin Samaher altijd in is voor een geintje. Tijdens het bereiden van de maaltijd moet ze alleen regelmatig even bij haar pannen weg om een veilig plekje op te zoeken. Amani luistert ondertussen naar voicemail-berichtjes van haar vader. Hij is trots op zijn dochter, maar wat zou haar leven eenvoudig zijn als ze een jongen was geweest! Vrouwen horen volgens veel Syrische mannen nu eenmaal thuis, achter het aanrecht.

Tegelijkertijd worden er steeds nieuwe slachtoffers binnengebracht, soms zelfs per kruiwagen. Ernstig gewonden, mensen die helemaal in de war zijn en – niet alleen Amani’s hart breekt – beschadigde kleine kinderen. De ellende is met geen mogelijkheid te bezweren, zelfs niet door Amani en haar dappere team. Angst, gevaar en pure chaos nemen het hospitaal langzaam maar zeker over. Totdat ook de artsen zelf de wanhoop nabij zijn en een beslissing moeten nemen over hun eigen lot.

Nadat hij eerder in het bijzonder aangrijpende, voor een Oscar genomineerde Last Men in Aleppo (2017) een groepje hulpverleners portretteerde, dat na gevechten en bombardementen slachtoffers vanonder het puin probeerde te halen, heeft filmmaker Feras Fayyad opnieuw een ontzettend urgente film gemaakt over een klein groepje Syriërs, dat de gekmakende oorlog in hun land – tegen beter weten in – het hoofd blijft bieden.

Het resultaat is niets minder dan een eerbetoon aan menselijke moed. Een blijk van vertrouwen in de elementaire goedheid van de mens – of, op zijn minst, van sommige mensen. En een even onontkoombare als verpletterende film. The Cave is zonder enige twijfel één van de beste documentaires van het jaar 2019.

Settela, Gezicht Van Het Verleden

Hij noemde haar Esther. Een nette Joodse naam. Journalist Aad Wagenaar wist in 1994 natuurlijk niet hoe ze echt heette, dat desolate meisje met de witte hoofddoek. In het voorjaar van 1944 stond ze in de deuropening van een treinwagon, die elk ogenblik kon vertrekken naar het vernietigingskamp Auschwitz. Datzelfde meisje werd na de Tweede Wereldoorlog het gezicht van de (Nederlandse) Jodenvervolging. De vermoorde onschuld, letterlijk. En Wagenaar wilde een halve eeuw na dato beslist weten hoe ze écht heette.

De beelden werden onlangs ingekleurd, voor de Nederlandse speelfilm Gemmeker van regisseur Robert Schinkel. Ze zijn afkomstig uit een Westerbork-film die de Joodse fotograaf Rudolf Breslauer in opdracht van de Duitse kampcommandant Gemmeker maakte. Te midden van beelden van het dagelijks leven in het Drentse Durchgangslager is er ineens die ‘documentaire van zeven seconden’ waarin de Endlösung heel tastbaar wordt. Via een kwetsbaar meisje in een treinbarak, waarop pontificaal ‘74 pers’ staat geschreven. Zoveel mensen pasten er blijkbaar in de veewagen. De meesten van hen zouden nooit meer terugkeren naar huis.

In de documentaire Settela, Gezicht Van Het Verleden (55 min.) uit 1994 gaat filmmaker Cherry Duyns op zoek naar het verhaal achter de iconische beelden. Hij bevraagt de editor van de Westerbork-film, laat historici de precieze datum van het transport vaststellen (19 mei 1944) en spreekt overlevenden van de helletocht naar het vernietigingskamp. Zij bevestigen de opzienbarende conclusie die de speurder Wagenaar even daarvoor al had getrokken: het ‘gezicht van de Nederlandse Jodenvervolging’, de gestorven kinderen in het bijzonder, blijkt helemaal geen Joods meisje. Het is een Zigeunerin.

Ze heet Settela Steinbach, is een jaar of tien oud en komt uit het Limburgse Susteren, vertellen inmiddels bejaarde ooggetuigen als Crasa Wagner en het echtpaar Kercha en Leitji Rosenberg. Stukje bij beetje dringt Duyns met hen steeds dieper door in Steinbachs familieverhaal in deze serene, voor hedendaagse begrippen wat trage film. Via Settela, die bij de burgerlijke stand overigens stond geregistreerd onder haar Nederlandse naam Anna Maria, vertelt hij zo ook het verhaal van de Nazi-vervolging van de Nederlandse Sinti en Roma, een menselijke tragedie die tot dat moment onderbelicht was gebleven.

Is de scène met Settela inderdaad stiekem in de Duitse promotiefilm gefrommeld door Rudolf Breslauer, zoals Wagenaar veronderstelt? Als daad van verzet tegen de Shoah, die hij zelf ook niet zou overleven? Of is de wens hier toch de vader van de gedachte? Feit is dat Breslauer in zeven luttele seconden de onverdraaglijke waarheid van de transporten naar de vernietigingskampen op een indrukwekkende manier wist te vereeuwigen.

Settela, Gezicht Van Het Verleden is hier te bekijken.

Madam Prime Minister

Golda Meir / EO

Was ze wel opgewassen tegen haar taak? Kon ze dat, als vrouw, überhaupt zijn volgens sommige mannen in haar omgeving? Als compromiskandidaat werd Golda Meir in 1969 op 71-jarige leeftijd de eerste en enige vrouwelijke premier van Israël (en de derde vrouwelijke leider in de wereldgeschiedenis). Tijdens haar vijfjarige ambtstermijn loodste ze haar land door crises als de Uitputtingsoorlog, ‘het bloedbad van München’ en de Jom Kippoer-oorlog, maar ze bleef omstreden. ‘IJzeren Dame’ of toch ‘Moeder Van Israël’?

In het traditionele portret Madam Prime Minister (52 min.), volledig opgebouwd uit zitinterviews en archiefmateriaal, zijn voor- en tegenstanders (kleinzoon Gideon, medewerkers, politici, journalisten en vertegenwoordigers van de Mossad) het nog altijd niet eens of ze nu een vloek of een zegen voor het land was. Israëls slechtste premier ooit, zegt de één in deze degelijke film van Sagi BornsteinUdi Nir en Shani Rozanes. Een ander is dan weer van mening dat ze een belangrijke bijdrage aan haar land heeft geleverd en tegenwoordig niet voldoende op waarde wordt geschat.’

Als u er nu zo op terugkijkt’, vraagt een journalist de hoofdpersoon aan het eind van haar leven, ‘had u de baan dan moeten aannemen?’ Golda Meir aarzelt geen moment: ‘Ik heb in elk geval alles gegeven wat ik in me had. Of dat genoeg was of niet, kan ik zelf niet beoordelen.’ Verklaard tegenstander Uri Avnery, een journalist en voormalig lid van de Knesset die in de hele documentaire geen goed woord voor haar over heeft gehad, verwoordt het zo: ‘Vergeleken met haar opvolgers was ze een geweldige vrouw.’

Kabul, City In The Wind

Ooit, nog niet eens zo lang geleden, moet de Afghaanse hoofdstad Kabul een bruisend en vooruitstrevend oord zijn geweest. Een plek waar alleen vliegers met elkaar vochten, zo beschreef Khaled Hosseini de stad waar hij opgroeide in zijn bestseller De Vliegeraar (2003). Totdat halverwege de jaren zeventig een eindeloos gevecht begon, dat tot op de dag vandaag voortduurt.

De tiener Afshin Amiri en zijn kleine broertje Benjamin groeien op in dezelfde stad, een slordige halve eeuw later. Het is een totaal andere plek geworden. Kabul, een stoffige stad die leeft onder de schaduw van oorlog. De vader van de jongens, een voormalige militair, neemt hen mee naar een gedenkplaats voor slachtoffers van een vernietigende bomaanslag. Niet veel later vertrekt hij voor werk naar het buitenland en krijgt zijn zoon Afshin ineens de rol van gezinshoofd toebedeeld.

‘Waar ik bang voor ben?’, vraagt hij tijdens één van de indringende interviews, waarmee de lotgevallen van de achtergebleven broers zo nu en dan worden doorsneden. Hij kijkt recht in de camera van de Nederlands-Afghaanse filmmaker Aboozar Amini, die hem in de gesprekken zeer dicht op de huid zit, en laat een ongemakkelijk lange stilte vallen. ‘Zelfmoordaanslagen. Want mijn vader is erbij gewond geraakt en z’n vriend Reza is omgekomen.’

Hoewel Amini ervoor past om zulk geweld expliciet in beeld te brengen, is de dreiging ervan permanent op de achtergrond aanwezig in Kabul, City In The Wind (89 min.). Als zijn derde hoofdpersoon, de sjacherende buschauffeur Abbas Tanay die voortdurend malheur heeft met zijn gammele voertuig, bijvoorbeeld gezellig met zijn vrienden in het theehuis zit te kletsen, komt net het nieuws binnen dat er weer een bomaanslag is gepleegd. De Taliban is nog niet verslagen, constateren de mannen gezamenlijk, of IS steekt alweer zijn lelijke kop op.

‘Ze zeggen dat het morgen gaat sneeuwen’, vervolgt een goedlachse man met baard het gesprek. Alsof die bom alweer is vergeten. ‘President Ashraf Ghani zegt dat we moeten bidden om regen’, reageert een ander. ‘En wat doen we voor bomaanslagen?’ Ook naar de moskee, constateert de eerste man glunderend. ‘Dan stuur ik de zelfmoordterrorist, die jullie allemaal afmaakt.’

De mannen gieren het uit van het lachen en houden de ellende om hen heen zo even op afstand. Galgenhumor als overlevingsstrategie. Net als de hasjpijp. Een larmoyant lied. Of gewoon doen wat papa van je verwacht. Deze subtiele film toont hoe gewone mensen ondanks alles hun leven vervolgen. Zelfs in een Kabul, vereeuwigd met fraaie panoramashots, dat nog maar een schim lijkt van de plek waar ooit vooral vliegers met elkaar vochten.

I, Dolours

‘If you hate the British army, clap your hands’, zingt een groep schoolkinderen op straat enthousiast, terwijl de gemoederen in Belfast begin jaren zeventig oplopen. ‘If you hate the British army…’ In diezelfde tijd mengt ook Dolours Price, de hoofdpersoon van deze documentaire, zich in het Noord-Ierse conflict: ze wordt lid van het Irish Republican Army (IRA) en begint een bloedige strijd met de Britse overheersers en de aan hen gelieerde loyalisten.

In I, Dolours (82 min.) construeert filmmaker Maurice Sweeney haar levensverhaal, via een serie interviews die Price in 2010 gaf aan journalist Ed Moloney. Ze oogt daarin als een doorsnee vrouw van middelbare leeftijd, die je eerder op naailes verwacht dan in de gewelddadige tak van een bevrijdingsbeweging/terreurgroep. Geen persoon in elk geval waaraan je bankovervallen, verdwijningen, bomaanslagen en liquidaties zou toeschrijven.

Achter Dolours’ conventionele uiterlijk gaat echter een geharde vrouw schuil, die volledig is gevormd door The Troubles, het gevecht om Ulster. Als ze in 1973, na een bomaanslag in Londen, voor jaren in een Engelse gevangenis belandt, zet ze daar samen met haar eveneens geradicaliseerde zus Marian meteen een hongerstaking op. Die wordt door de Britten rigoureus de kop ingedrukt. Dolours zal er de rest van haar leven mee blijven worstelen.

De traumatische gebeurtenis is indringend verfilmd in deze solide film, waarin Sweeney een overtuigende middenweg tussen documentaire en drama vindt en zijn hoofdpersonage zich zo nu en dan laat verleiden om héél voorzichtig haar kwetsbare kant, en zowaar iets van wroeging, te laten zien.

Dichter Bij Tanja

Leo de Boer wil Dichter Bij Tanja (90 min.) komen. Uiteindelijk komt de filmmaker echter vooral dichter bij een andere Nederlandse vrouw in Colombia, Liduine Zumpolle. Als vertegenwoordiger van de organisatie Handen Voor De Vrede probeert zij, met gevaar voor lijf en leden, guerrillero’s los te weken uit de FARC. En bij die revolutionaire beweging heeft Tanja Nijmeijer zich aangesloten, een Overijssels meisje met een sterk rechtvaardigheidsgevoel. Zo is ze in het hart van de bloedige burgeroorlog beland, die al een halve eeuw woedt in het Zuid-Amerikaanse land.

‘Een zeer onzeker, emotioneel zwabberend meisje’, zegt Liduine over Tanja in deze documentaire uit 2010. ‘A rebel without a cause.’ Ze heeft in eerste instantie weinig goeds te melden over de studente die in het ‘suffe Groningen’ al bezig was met de dierenbescherming en veganistisch at en in Colombia de wapens opnam. ‘Er kwamen een paar linkse, ongetwijfeld goed salsa dansende, muziek makende en hash rokende Colombianen langs en daar is ze aan verslingerd geraakt.’ Tegelijkertijd herkent Liduine zich ook in Tanja. Zij arriveerde ooit met soortgelijke idealen in Zuid-Amerika.

De struise FARC-kenner lijkt Leo de Boers enige kans om in contact te komen met de hoofdpersoon van zijn film. De familie van Tanja wil niets van hem weten, bang om wéér gebruikt te worden door journalisten die maar geen genoeg krijgen van hun iconische dochter. De Nederlandse filmmaker moet zich dus verlaten op Liduine, die net als Tanja door roeien en ruiten gaat om haar doelen te verwezenlijken. Het publiceren van uitgelekte Nijmeijers dagboeken bijvoorbeeld. Zonder dat ze het zelf echt doorheeft, groeit zij uit tot het belangrijkste personage van De Boers documentaire.

Via Liduine brengt hij zijn zoektocht naar de mythische revolutionair Tanja Nijmeijer in beeld. Dat gaat niet zonder slag of stoot. Het knettert regelmatig tussen de vrouw die Tanja wakker wil maken uit haar boze droom en de man die diezelfde droom ook wel romantisch vindt. Allebei hebben ze bovendien hun eigen motieven om ‘de Hollandse’ op te sporen. Hij een film. Zij, zo blijkt later, een boek. Intussen probeert De Boer ook de contacten met Tanjas moeder warm te houden. Als zij ervan overtuigd raakt dat zijn queeste een brug naar haar dochter kan leggen, wil ze wellicht tóch meewerken.

Stukje bij beetje komt Leo de Boer zo steeds dichter bij het subject van zijn film. Al heeft hij geen idee waar hij haar moet zoeken. Of Tanja überhaupt nog in leven is.

The Accountant Of Auschwitz

Vrolijke marsmuziek klinkt in de openingsscène van deze film. In beeld verschijnt de zwart-wit foto van een jonge militair. Rond brilletje, melancholiek gezicht. De stem van deze Oskar Gröning zorgt voor de herinneringen bij archiefbeelden van een concentratiekamp. ‘Het hoofdkamp van Auschwitz was net een klein dorp, met veel geroddel en geklets. Er was een kantine, een bioscoop.’ Intussen zien we hoe gezellig de medewerkers van het beruchte kamp ‘t hadden met elkaar. De opgewekte muziek zwelt weer aan: ‘Links um die Ecke…’ In het kader van de vrijetijdsbesteding wordt er enthousiast gesport. De atleten hebben ook mooie trainingspakjes aan, met een SS-embleem erop.

‘Het was een plek waar je vriendschappen voor het leven opdeed en waar ik met veel plezier op terugkijk’, blikt Gröning bij de start van The Accountant Of Auschwitz (75 min.) met weemoedige stem terug. Inmiddels wordt het archiefmateriaal van de levenslustige jongelingen afgewisseld met de huiveringwekkende beelden die we doorgaans associëren met het vernietigingskamp. ‘We waren ervan overtuigd dat we verraden waren door de hele wereld en dat er een grote samenzwering van Joden tegen ons was’, zegt de kampmedewerker nu, op zoek naar een verklaring en rechtvaardiging voor zijn eigen gedrag in de Tweede Wereldoorlog.

‘Maar je moet je toch hebben gerealiseerd dat zeker die kinderen je helemaal niets misdaan kunnen hebben?’ werpt de interviewer van dienst tegen, terwijl de alomtegenwoordige marsmuziek gaandeweg helemaal vastloopt en de openingsscène aan zijn einde komt. ‘Die kinderen zijn op het moment zelf natuurlijk niet de vijand’, stelt Gröning. ‘De vijand is het bloed dat door hun aderen stroomt.’ Die gedachtegang maakte het voor de Duitser (blijkbaar) mogelijk om te werken bij Auschwitz. Zijn werk in het kamp was voor hem een normale baan. De één werkt nu eenmaal bij Philips of Volkswagen, een ander bij de Firma Endlösung.

Oskar Gröning verzamelde bijvoorbeeld de spullen van Joden die aankwamen in het vernietigingskamp. Zij hadden die immers toch niet meer nodig – waaruit je overigens meteen kunt afleiden dat hij er wel degelijk van op de hoogte was wat er met de nieuwe kampgasten zou gaan gebeuren. Maar is de man, die zelf ogenschijnlijk verder geen geweldsdaden pleegde, daarmee ook (mede)verantwoordelijk voor de genocide die in zijn directe werkomgeving plaatsvond?

Die principiële vraag drijft deze film van Matthew Shoychet, waarin De Zaak Gröning wordt geplaatst tegen de achtergrond van rechtszaken tegen oorlogsmisdadigers (die verdacht vaak met een heel beperkte straf zijn weggekomen). Van beruchte beulen als John Demjanjuk lijkt het logisch dat ze tot in lengte van dagen worden vervolgd, maar kun je ook iemand veroordelen die zelf geen mens heeft vermoord en daartoe ook niet de opdracht heeft gegeven? En: wanneer houdt iemands schuld op?

The Good Terrorist

Was het in zekere zin kinderspel waar de zogenaamde Hofstadgroep, die in 2004 met veel machtsvertoon door de Haagse politie werd gearresteerd, zich mee bezighield? Of hadden de leden van de terroristische cel daadwerkelijk de potentie om later aanslagen van het kaliber Brussel of Parijs te gaan plegen? Hun toenmalige advocaat Victor Koppe is duidelijk: die Hofstadgroep stelde weinig voor.

Paul Abels, Raadadviseur Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, is daarvan niet overtuigd: in wezen hadden deze ‘homegrown terroristen’ hetzelfde gedachtengoed als de moslimextremisten die later wel degelijk een bloedbad aanrichtten. De tijd was blijkbaar alleen nog niet rijp voor zo’n goed georganiseerde aanslag.

Afgaande op wat voormalig Hofstadgroep-lid Jason Walters zelf zegt in The Good Terrorist (80 min.) – en de moord op Theo van Gogh door Hofstadgroep-lid Mohammed B. – ben je geneigd om Abels te volgen. Niet-moslims waren volgens de jonge Jason onrein. De grootst mogelijke misdadigers. Het zorgde voor superioriteitsgevoelens. En een dodenlijst. ‘Quasi-serieus’, zegt hij nu. ‘Half opschepperig bedoeld.’

‘Het is de islamisering van de radicaliteit’, stelt de Belgische gevangenisdocent en activist Luk Vervaet in deze film van Robert Oey. De bron van de radicalisering van bepaalde jongeren is volgens hem vooral de onvrede die zij van binnen voelen, de islam is niet meer dan een omhulsel. Hun bloedeigen Rage Against The Machine, die uiteindelijk wel uitdooft.

Jason Walters is in dat verband een interessante casus. Oey spreekt met mensen die direct met hem te maken kregen: de officier van justitie, het afdelingshoofd van de Terroristenafdeling van de Penitentiaire Inrichting Vught en de gevangenisdocent, die hem daar begeleidde bij zijn studie Cultuurwetenschappen –de stap die hem naar verluidt richting deradicalisering leidde.

Maar kunnen mensen daadwerkelijk deradicaliseren? vraagt Robert Oey, geholpen door geluidstechnicus en medebedenker van deze film Maaik Krijgsman (die zo nu en dan ook in beeld verschijnt), zich af. Hebben we de mogelijkheid om onszelf te resetten? En hoe zouden anderen dat dan kunnen controleren? Zoals Jason zelf stelt: de echte (de)radicalisering komt van binnenuit.

Definitieve antwoorden zijn Oey dus per definitie niet gegeven in deze, met dwingende klassieke muziek aangeklede denkfilm over de psychologie van het (moslim)terrorisme. Ook niet als hij zijn licht opdoet in Islamabad, het Rifgebergte of gewoon in Den Haag, bij een winkelier die er ooit getuige van was hoe de Hofstadgroep werd ingerekend. Waarbij steeds dezelfde vraag opspeelt: bestaat er zoiets als een ex-terrorist? En hoe herken je die dan?

XY Chelsea

‘Misschien ben ik gewoon jong, naïef en dom’, schreef soldaat Bradley Manning aan Adrian Lamo, een hacker waarmee hij al een tijdje chatte en die hem niet veel later rücksichtslos zou verraden. Lamo gaf Manning aan bij het Amerikaanse leger: hij had in 2010 honderdduizenden geheime documenten gelekt naar de klokkenluiderssite Wikileaks, waaronder de geruchtmakende Collateral Murder-video met beelden van Amerikaanse soldaten die vanuit een helikopter willekeurige Iraakse burgers neermaaiden. Manning zou hoogverraad hebben gepleegd.

De Amerikaanse militair verdween in 2013 voor 35 jaar achter slot en grendel en groeide intussen uit tot een martelaar voor het vrije woord. En alsof dat nog niet genoeg was, maakte hij vanuit de cel bekend dat hij voortaan als vrouw door het leven ging en Chelsea genoemd wilde worden. De documentaire XY Chelsea (92 min.) pakt het verhaal op als Mannings advocatenteam begin 2017 te horen krijgt dat de Amerikaanse president Barack Obama, net voor het einde van zijn ambtstermijn, heeft besloten om hun cliënt strafvermindering te geven.

Enkele maanden later staat ze plotseling op straat, in een wereld die transvrouwen en ‘landverraders’ zoals zij met argusogen bekijkt. Vervreemd doolt Chelsea door haar nieuwe leven, gaat op bezoek bij de mensen die haar in de voorgaande jaren door dik en dun hebben gesteund en treedt in interviews en fotoshoots voor het eerst als vrouw in de openbaarheid. Intussen vertelt ze filmmaker Tim Travers Hawkins haar tragische levensverhaal.

Het resultaat is een unheimische film over een getroebleerd mens dat wil werken aan een nieuwe toekomst, maar steeds opnieuw wordt geconfronteerd met haar verleden. ‘Ik heb het gevoel dat ik in een hoek word gedreven’, zegt ze strijdbaar. ‘Ik heb geen andere keus dan terugvechten. Ik ga in elk geval zeker niet zitten wachten op het moment dat iemand mij, of ons allemaal, komt redden. Want de kans lijkt me groot dat er helemaal niemand komt.’

Terwijl Chelsea Manning spreekt, laat de filmmaker langzaam het geluid van een Trump-speech opkomen. De boodschap is duidelijk: ook van hem heeft Chelsea niets te verwachten. Enkele seconden later verschijnt er een tweet in beeld: transgenders zijn volgens de president niet welkom in het leger. Waarna de hoofdpersoon doet wat Amerikaanse helden doen in zulke situaties: ze pakt de handschoen op en haalt zich in dit stemmige portret weer een heleboel nieuwe problemen op de hals.

Morir Para Contar

In brandhaarden als Syrië, Rwanda en Bosnië stellen ze hun leven in de waagschaal voor een hoger ideaal: de wereld informeren over geweld, onrecht en misdaden tegen de menselijkheid. Dat ze daarbij zelf het gevaar lopen om tegen een verdwaalde kogel te lopen of op een ontploffende bom te gaan staan, moeten oorlogsjournalisten en -fotografen op de koop toe nemen.

‘Ik heb veel geluk in mijn leven omdat de mensen die van me houden dat doen op de mooiste, meeste radicale manier: door mij vrij te laten’, zegt journalist David Beriain in Morir Para Contar (88 min.). ‘Ondanks dat dat voor mijn ouders, mijn broer, mijn vrienden en in het bijzonder mijn vrouw betekent dat ooit de telefoon kan gaan en de beller kan zeggen: David komt niet terug.’

In deze onderhoudende documentaire spreekt Hernán Zin, die twintig jaar lang van oorlog naar oorlog zwierf, met vakgenoten over de voetangels en klemmen van hun professie. ‘Angst is nodig’, stelt Carlos Hernández bijvoorbeeld. ‘Als we geen angst hadden, zouden we de eerste dag in een oorlogsgebied sterven. Een angst die we onder controle moeten krijgen en moeten doseren. We moeten ermee leren leven om dagelijks te kunnen werken in een oorlog.’

Zin illustreert hun bespiegelingen en herinneringen aan gestorven collega’s met impressies van enkele concrete oorlogssituaties waarin zij zich staande moesten houden. Zijn eigen verhaal fungeert als verbindende factor: sinds een incident in Afghanistan in 2012 zit hij helemaal in de knoop met zichzelf. Met deze film (Engelse titel: Dying To Tell) probeert de Spaanse filmmaker vat te krijgen op het risicovolle vak dat hem heeft gemaakt tot wie hij is – en wil hij er tegelijkertijd los van komen.

Armadillo

De blik in de ogen van die ene naamloze soldaat. Daarin zit deze complete film opgesloten: het is de horror van oorlog, bezien door iemand die daarmee voor het eerst kennis maakt en er voorgoed door wordt veranderd.

Deze bijzonder indringende documentaire uit 2010 volgt een Deens peloton, dat wordt uitgezonden naar de Afghaanse provincie Helmand, waar de Taliban op hen wacht. Het zijn nog maar jongens die naar Afghanistan vertrekken. Voordat hun missie start, laten ze zich nog één keer helemaal gaan tijdens een soort vrijgezellenfeestje, compleet met sterke drank en een stripper. Op weg naar een avontuur, waarover ze straks sterke verhalen kunnen vertellen aan hun vrienden thuis en waarmee ze, ook niet onbelangrijk, indruk zullen maken op de meisjes.

Eenmaal op de vooruitgeschoven militaire post Armadillo (101 min.) wacht de oorlog: het landerige wachten (dat wordt gedood met schietspelletjes en porno), de moeizame communicatie met de plaatselijke bevolking (die maar loopt te zaniken over akkers die zijn vertrapt tijdens patrouilles) en het altijd dreigende gevaar (achter elke baardmans kan een Talibanner schuilgaan). Filmmaker Janus Metz bivakkeert met zijn camera zes maanden lang echt te midden van de militairen, zodat hij zich hun ‘mindset eigen kan maken en de oorlog van binnenuit, vanuit het perspectief van de kanonniers en het kanonnenvlees, kan laten zien.

Naarmate de missie vordert, wordt de oorlog steeds tastbaarder en krijgen de manschappen bovendien eelt op hun ziel. Erg veel begrip voor de lokale Afghanen, die knel zitten tussen de internationale troepenmacht en de Taliban, is er dan niet meer. Het wordt Wij tegen Zij – waarbij het niet meer zo belangrijk lijkt wie er precies bij Zij hoort en wie niet. Dat gaat van kwaad tot erger. Weg vluchtende vrouwen en kinderen zijn geen burgers meer om te beschermen, maar ‘combat indicators’, signalen dat de vijand op het punt staat om toe te slaan. Als een klein Afghaans meisje sneuvelt bij een granaatontploffing, leidt dit bijvoorbeeld tot een ronduit onverschillige reactie van één van de betrokken militairen: ‘Als je in deze wereld leeft en je kijkt naar het nieuws met de duizenden mensen die dagelijks sterven, dan zit ik er niet mee dat hier één klein meisje omkomt.’

De houding van de soldaten zal zich nog verder verharden, zeker als via de intercom berichten binnenkomen dat een collega zwaargewond is geraakt door een bermbom. ‘Ik zou er echt geen moeite mee hebben om al die klootzakken over de kling te jagen’, fulmineert een hospik, die zowel vriend als vijand ter zijde zou moeten staan. ‘Je zou je bijna rottiger voelen als je zo’n straathond doodschiet.’ Het is dergelijke ontmenselijking van de vijand, en daarmee van henzelf, die Metz genadeloos vastlegt en die de Deense soldaten uiteindelijk op een duister pad zal brengen, dat op geen enkele manier meer valt te verenigen met de vredesmissie die hen naar Afghanistan heeft gebracht.

Armadillo, dat op diverse filmfestivals in de prijzen viel, veroorzaakte in eigen land de nodige ophef en laat de donkerste kant van oorlog zien – in de geest van speelfilms als Apocalypse Now en Full Metal Jacket. Het is een film die demonstreert hoe ogenschijnlijk doodnormale jongens, zonder dat ze het zelf doorhebben, kunnen veranderen in een soort menselijke duivels. Zolang de omstandigheden maar hels genoeg zijn – of er genoeg is om hels over te worden.

De Erfenis Van Een Verzetsheld

VPRO

De plattegrond van een huis. Een oude foto ervan. ‘Van wie was dat huis?’, wil de interviewer weten. ‘Dat was van een NSB’er geweest.’ Jeugdherinneringen. Aan de petroleumlamp. Banken zonder leuning. Een uitschuifbare tafel. ‘Nee, die klapte niet uit’, meent een andere dochter van verzetsstrijder Johannes Post. ‘Volgens mij was het één tafel.’ Even later: ‘Weet jij toevallig hoe het tafelzeil eruitzag?’

Als de kleuren en het patroon van dat zeil zijn bepaald, het op de keukentafel is gelegd en daar stoelen omheen zijn geplaatst, kan de documentaire De Erfenis Van Een Verzetsheld (55 min.) beginnen. ‘Oh ja, zeg!’ reageert een oudere vrouw met rollator enthousiast als ze het decor van deze interviewdocumentaire van Geertjan Lassche betreedt. ‘Zoals het vroeger was.’ ‘We hadden allemaal een vaste plaats’, vertelt een andere dochter van Johannes Post aan één van zijn kleinkinderen. Die kijkt eens rond: ‘Ziet er wel een beetje krap uit.’

Op hun oude plek in de keuken van de familie Post denken zijn vier nog levende kinderen terug aan hun vader. Lassche helpt de drie inmiddels bejaarde dochters van Johannes Post en zijn ene zoon op weg en stimuleert hen om hun herinneringen te delen met hun eigen kroost, de kleinkinderen van de mythische verzetsheld. De symboliek is helder: een nieuwe generatie wordt ingewijd in de wederwaardigheden van de Tweede Wereldoorlog in Nederland en een belangrijk icoon daarvan.

Ieder heeft zijn eigen kijk op en herinneringen aan de man, die in het boek De Levensroman Van Johannes Post tot bovenmenselijke proporties is opgeblazen. Hun verhalen botsen regelmatig met elkaar. Op de kruispunten bevindt zich waarschijnlijk zoiets als de waarheid. De filmmaker illustreert de getuigenissen met figuratieve zwart-wit beelden van sinistere SS’ers, blaffende nazihonden en de bedompte cel, vanwaaruit Post op 16 juli 1944 naar zijn einde in de duinen bij Overveen zou zijn geleid.

De familie Post, inclusief aangetrouwde familie, gaat intussen op zoek naar de man achter de mythe. Was Johannes een zeer principieel mens of vooral een ongelooflijke avonturier? Had hij een amoureuze relatie met het Joodse meisje Thea, dat door hem als koerier werd ingezet? Én: ben je hem uiteindelijk dankbaar voor zijn verzet of neem je het hem juist kwalijk dat hij alles, waaronder het lot van zijn eigen kinderen, in de waagschaal heeft gesteld?

Het zijn vragen waarop geen eenduidig antwoord valt te formuleren – vragen die al véél vaker zijn gesteld bovendien. Met zijn speelse vorm en insteek formuleert De Erfenis Van Een Verzetsheld, op basis van het welbekende verhaal van het Nederlandse verzet in de Tweede Wereldoorlog en de Jodenvervolging, echter een antwoord dat weer als nieuw klinkt.

Shoah

Blijmoedig glimlachend heeft hij Lanzmann tot dan toe te woord gestaan. Wat moet hij anders? Michaël Podchlebnik, één van de slechts twee overlevenden van Hitlers vernietigingskamp in het Poolse Chelmno, waar voor het eerst met gas werd gewerkt. Vierhonderdduizend anderen stierven er een wisse dood. Wat rest hem anders dan die peilloze ellende weglachen? Podchlebnik probeert te volharden in zijn lach. Moet hij soms huilen? En dan stelt Claude Lanzmann die ene vraag: hoe reageerde je toen je voor het eerst lijken moest inladen, nadat de deuren van de gaskamers werden geopend?

De vraag moet eerst worden vertaald naar het Hebreeuws. Het gezicht van Podchlebnik betrekt zienderogen: ‘Wat moest ik anders dan huilen?’ Het lid van het ’Sonderkommando’, gevangenen die anderen van en naar de gaskamers moesten begeleiden, probeert op zijn lip te bijten, maar de tranen laten zich niet meer beteugelen. ‘Op de derde dag vond ik mijn vrouw en kinderen.’ Hij kijkt bijna smekend naar de Franse filmmaker, alsof hij nog eenmaal om genade wil vragen. Die laat echter een stilte vallen. ‘Ik heb mijn vrouw begraven en daarna gevraagd of ik ook gedood kon worden. De Duitsers vonden me echter nog sterk genoeg om te werken.’

Het is Lanzmann ten voeten uit: hij dwingt zijn subjecten, met alle beschikbare middelen, om he-le-maal tot de bodem te gaan. Zoals in de klassiek geworden scène met Abraham Bomba, de kapper van concentratiekamp Treblinka. Het eindresultaat van al dat vragen en wroeten wordt beschouwd als het ultieme document over de Holocaust: Shoah (551 min.), een episch werk van ruim negen uur. In 1985 eindelijk opgeleverd, na twaalf jaar afschrikwekkend monnikenwerk. Tweehonderd uur beeldmateriaal, verzameld in veertien landen, vijf jaar lang gemonteerd. Een levenswerk over de dood – of hoe je die, vaak door puur geluk of anders door enorm doorzettingsvermogen, te slim af kunt zijn. En – vooral – hoe je een handlanger van diezelfde dood kunt worden.

Lanzmann stelt in dat kader vaak kleine, praktische vragen. Over zaken die door hun enormiteit nauwelijks zijn te bevatten. Om zo via herinnering uiteindelijk bij herbeleving te komen. Hij wil van de Poolse spoorwegwerker Henryk Gawkowski, machinist van de trein naar Treblinka, bijvoorbeeld weten of hij in de locomotief ooit geschreeuw hoorde vanuit de wagons. ‘Natuurlijk, ze schreeuwden om water.’ ‘Kun je daar ooit aan wennen’, vraagt Lanzmann door. Nee, antwoordt de machinist. Hij wist natuurlijk dat de mensen achter hem menselijk waren. Net als hijzelf. Gawkowski valt even stil. De Duitsers gaven hem Wodka te drinken, bekent hij. Zonder drank had hij het nooit kunnen doen. Zo wordt de uitvoering van die gruwelijke genocide klein en menselijk gemaakt.

Is Shoah, met zijn kolossale omvang en detaillistische insteek, nog altijd een probaat middel om jongeren te waarschuwen voor de verschrikkingen van extreemrechtse ideologieën? Dat valt te betwijfelen. Daarvoor is de film veel te lang van stof en wreekt zich de keuze om geen archiefmateriaal te gebruiken, maar de overlevenden, getuigen én functionarissen van het naziregime (soms gebruikmakend van een verborgen camera) in het hier en nu leeg te laten lopen over het toen en daar. Shoah is daardoor uiteindelijk meer een verzameling verpletterend bewijsmateriaal dan wat we tegenwoordig een meeslepende film zouden noemen. In die zin heeft Steven Spielbergs speelfilm Schindler’s List, met dat meisje in de roze jas tegen een verder volledig zwart-wit decor als een ultiem onschuldig symbool voor de Jodenvervolging, tegenwoordig waarschijnlijk meer overtuigingskracht.

Kijkers met een ‘ouderwetse’ aandachtsspanne kunnen echter volledig wegzinken in de tocht door de hel, waartoe Lanzmann zijn gesprekspartners (‘meedogenloos’, zegt hij zelf in de aan hem en zijn magnum opus gewijde documentaire Claude Lanzmann: Spectres of The Shoah) verleidt dan wel dwingt. Shoah veroorzaakt dan een soort secundaire herbeleving, waarbij je stapsgewijs afdaalt naar de diepste krochten van de menselijke ziel.

The Spy Who Fell To Earth

Was de Egyptenaar Ashraf Marwan een spion voor Israël? Een dubbelspion voor zijn eigen land? Of toch een dubbel-dubbelspion voor de Israëli’s? Het zijn vragen die onvermijdelijk aan hem blijven kleven. Zoals ook zijn dood in 2007 is omgeven met mysterie: viel Marwan per ongeluk van het balkon van zijn Londense flat? Maakte hij op die manier rigoureus een einde aan zijn veelbewogen bestaan? Of was het ‘gewoon’ moord? En welke geheime dienst had die dan verordonneerd?

In de wereld van de internationale spionage is niets wat het lijkt en lijkt ook niets wat het is. Neem de veelbesproken Jom Kippoer-oorlog in 1973: zorgde Marwan ervoor dat Egypte buurland Israël op lafhartige wijze kon verrassen op een Joodse feestdag? Of lichtte hij de Israëlische geheime dienst Mossad juist op tijd in, zodat verder onheil kon worden voorkomen? De historicus Ahron Bregman trekt in zijn omstreden boek The Spy Who Fell To Earth (93 min.), waarop deze documentaire is gebaseerd, zijn eigen conclusies. Die dan weer door een ander worden bestreden.

Het haantje Bregman, die tevens als hoofdpersoon voor deze knarsende film van Tom Meadmore fungeert, weet als geen ander dat hij elke bron in zijn onderzoek moet wantrouwen. Want nog altijd hebben alle medewerkers van de Israëlische inlichtingendienst en die ene Egyptische journalist die het standpunt van zijn regering vertolkt een eigen agenda: zij willen hun eigen acties versluieren, de tegenstander verzwakken of simpelweg hun eigen stompzinnige blunders maskeren.

De historicus zelf had ook een agenda toen hij de Egyptische superspion probeerde te ontmaskeren, bekent hij nu. Hij wilde simpelweg scoren. Een absolute primeur. Ahron Bregman realiseert zich nu dat hij daarmee woekerde met andermans leven. Een spion die in opspraak raakt is zijn leven niet meer zeker. Want ook al is de waarheid nog zo snel, de leugen achterhaalt hem wel. Ofwel: heeft Bregman met zijn onthullingen misschien de gebeurtenissen in gang hebben gezet die zouden leiden tot Marwans dood? Het kostte hem zelf in elk geval zijn huwelijk.

De kijker laat zich intussen geblinddoekt door het mijnenveld van de internationale spionageoorlog leiden in deze interessante film, die de oorlog achter de oorlog tussen Israël en de haar omringende landen belicht.

Het Voorval: Armando En De Mythe

Was hij het zelf, de vijftienjarige jongen die in de Tweede Wereldoorlog een Duitse militair doodstak in de bossen bij Amersfoort? Het is een vraag die deze hele film over Armando (1929-2018) drijft. Het voorval, speciaal in het door hemzelf beschreven ‘schuldige landschap’ verfilmd voor deze documentaire, heeft tevens een prominente plek gekregen in het oeuvre van de Nederlandse schrijver/schilder, maar de man zelf wil er eigenlijk niet al te diep op ingaan. Of juist wel?

De hoogbejaarde kunstenaar positioneert zichzelf in Het Voorval: Armando En De Mythe (64 min.) direct als een tegendraadse hoofdpersoon en gesprekspartner. ‘Weet je wat mij een beetje tegenvalt van jullie?’, vraagt hij bij de start van de documentaire aan de filmmakers Sjors Swierstra en Roelof Jan Minneboo. ‘Dat jullie niet meteen gezegd hebben: wat een prachtige schilderijen heb je staan daar.’ Hij bemoeit zich ook met hun werk. Ze kunnen bijvoorbeeld beter niet filmen als hij zegt dat hij zijn werk nu ter plekke laat drogen. ‘Je moet niet merken dat ik het voor het publiek doe.’

‘Nou, kom maar op met die vragen’, klinkt het even later enigszins provocerend. Of: ‘Ik geloof dat je nu iets te ingewikkeld doet.’ En: ‘Laat je niets wijsmaken.’ Zo cultiveert Armando zijn eigen imago van dwarse prijsvechter. Met een minder milde blik zou je hem met gemak ook voor een poseur kunnen verslijten. Hij portretteert zichzelf bijvoorbeeld als een gevoelsarme persoon. ‘Je werk is toch wel gevoelig?’, werpt Roelof Jan Minneboo tegen. ‘Kennelijk. Maar ik weet van niks. Ik maak het. En ik denk er ook niet bij na waarom.’ ‘Kunsthistorici zeggen dat je werk een verwerking van de Tweede Wereldoorlog is’, pareert Minneboo. Armando: ‘Die weten meer dan ik.’

‘Zijn er specifieke tragedies?’ houdt de interviewer aan. ‘Ja, maar die zijn te persoonlijk. Dat gaat niemand wat aan.’ Hij staart voor zich uit en laat een ongemakkelijke stilte vallen. ‘Dat was de laatste vraag.’ Hij bekrachtigt het nog eens, met opgeheven vinger: ‘Dat was de laatste vraag.’ Maar daarmee is het onderwerp natuurlijk nog lang niet afgesloten in dit lekker schurende portret, dat en passant fraai in beeld brengt hoe de film zelf wordt gemaakt en bovendien helemaal voldoet aan wat de kunstenaar zelf zoekt in zijn werk: het moet knarsen, spanning hebben.

Gaandeweg begint Armando steeds meer te ogen als een overjarige bokser wiens klappen niet meer altijd aankomen. De verdediging waarmee hij zichzelf en het verhaal dat hem hoe dan ook vormt probeert te beschermen, verliest zienderogen zijn ondoordringbare karakter. En dan resteert een breekbare man in de allerlaatste fase van zijn leven, die overeind probeert te blijven als de gong al heeft geklonken. Het is een (ont)mytholisering die het fenomeen Armando siert.

Ganz: How I Lost My Beetle

‘Kun je je herinneren, kleine kever, hoeveel kilometer we samen hebben gereisd?’, vraagt Josef Ganz aan de creatie die hem zo ruw is afgenomen. ‘Toen jij de weg opging, werd mijn naam gewist.’ Intussen zien we archiefbeelden van marcherende Nazi’s, die hun Führer eer bewijzen. Zij zullen zijn idee voor een Volkswagen, een auto voor Jan Modaal, omarmen en er een wereldwijd succes van maken. Ganz, de geniale ontwerper van de voorloper van die auto, de zogenaamde Meikever, staat tegen die tijd allang buitenspel. Hij wordt ruim vóór het begin van de Tweede Wereldoorlog rücksichtslos kalt gestellt.

In Ganz: How I Lost My Beetle (85 min.) geeft Suzanne Raes een stem aan de vergeten auto-ontwerper. Op basis van Het Ware Verhaal Van De Kever: Hoe Hitler Zich Het Ontwerp Van Een Joods Genie Toe-eigende, een boek van de Nederlandse journalist Paul Schilperoord, schreef ze een zeer persoonlijke voice-over, waarin Josef Ganz zijn eigen levensverhaal doet. De Duitse acteur Joachim Król heeft die tekst ingesproken en fungeert daarmee als verteller voor deze historische documentaire, waarin de man, zijn droom én de ontwikkeling van een auto voor het gewone volk worden geportretteerd. Een zeer geslaagde keuze.

De Ganz van Raes richt zich rechtstreeks tot de Volkswagen Beetle. Terwijl hijzelf met de staart tussen de benen naar de andere kant van de wereld vertrok, werd zijn geesteskind na de Tweede Wereldoorlog één van de populairste auto’s van de wereld. ‘Wie had gedacht dat jij het symbool van de Duitse wederopstanding na de oorlog zou worden?’ Suzanne Raes versnijdt het meeslepende relaas van de verteller met de pogingen van Ganz-kenner Schilperoord en Josefs achterneef Lorenz om een exemplaar van z’n oorspronkelijke auto te bemachtigen en aan de praat te krijgen.

Verder introduceert ze de kunstenaar Rémy Markowitsch, die de expositie Nudnik: Forgetting Josef Ganz heeft gewijd aan de vergeten Joodse ingenieur, en Maja, de nicht van Ganz. Bij haar geboorte ontving zij een brief van hem, die ze sinds jaar en dag bij zich draagt. Was die verre oom Joe, die zijn laatste levensjaren als balling in Australië zou slijten, een gigantische fantast of toch de ‘absente vader’ en ‘anonieme verwekker’ van de Kever? ‘Als alles was gelopen zoals het had moeten lopen’, constateert Maja gelaten, ‘dan hadden we nu in een slot in Oostenrijk gezeten.’

Die tragiek, van een geniale ontwerper – en zijn nazaten die wellicht net zo schathemelrijk hadden kunnen worden als de familie Porsche – is in Ganz: How I Lost My Beetle met compassie en gevoel voor drama, hoewel misschien een beetje lang, opgetekend. Een man die ruim een halve eeuw dood is krijgt zo een tweede leven en de erkenning die hem al zo lang toekomt.

Waltz With Bashir

Ons geheugen haalt gemene streken met ons uit – of beschermt ons tegen onszelf. Het licht de ene herinnering buitensporig op, terwijl een andere stiekem wordt weggestopt. En dan is er nog de waarheid. Hoe verhoudt die zich tot wat het brein op ons commando opdist? Ari Folmans geheugen heeft hem in elk geval jaren in de steek gelaten. Zijn diensttijd als Israëlisch militair in Libanon hield zich schuil achter een luikje dat hij allang was vergeten. Totdat een oude vriend hem ruim twintig jaar later vertelde over zijn nachtmerrie over 26 woedende honden…

Dat ene geopende luikje bracht Folman in een ruimte met nog veel meer gesloten luikjes. in de navolgende jaren zocht hij daarom oude maten op en keerde met hen terug naar 1982, het jaar dat ze als dienstplichtige militairen in tanks naar Libanon werden gestuurd, een land waar toentertijd een permanente oorlog woedde. De geestesbeelden die zijn vrienden en hij van die tijd opriepen heeft de filmmaker vervat in magisch-realistische animaties. Het zijn geen feitelijke herinneringen, eerder hallucinaties of koortsdromen. Van een geest die de feiten naar zijn hand zet en ze naar behoefte inkleurt, uitvergroot of dragelijk maakt.

Het resultaat is een zinsbegoochelende trip down memory lane. Door een dwarsstraat uit het verleden die je eigenlijk liever zou mijden, maar die ook onvergetelijke beelden oplevert: naakte jongens die met hun wapen in de hand door het water waden, (dodelijk) verwonde Palestijnen waarbij in hun borst een kruis is gekerfd of een levensgrote blote vamp die een Israëlische soldaat van een wisse dood redt. Het met prijzen overladen Waltz With Bashir (89 min.) uit 2008 is tevens een heel persoonlijke film, die op onvergetelijke wijze het schemergebied tussen egodocumentaire en animatiefilm aftast en impliciete vragen stelt over wat ons geheugen doet met onwelgevallige herinneringen.

Zeker in Israël, dat de gevolgen van ‘Wir haben es nicht gewusst’ met zich meedraagt, is dat een heikel punt. Gaandeweg hervindt Ari Folman in gesprek met z’n vrienden en therapeut echter zijn eigen verleden als militair en gaat hij in de apotheose van de film uiteindelijk de confrontatie aan met Sabra en Shatila, een traumatische gebeurtenis die ieder enigszins functionerend brein zou willen verdringen.