The Line

Apple TV

Als ze Islamitische Staat in 2017 uit de Iraakse stad Mosul hebben verjaagd, lijkt het verhaal klaar voor team 7 van de Navy SEALs. Mission accomplished. Op dat moment begint het echter pas voor de Amerikaanse pelotonscommandant Eddie Gallagher en zijn elite-eenheid. De ervaren rot Gallager wordt beschuldigd van oorlogsmisdaden. Door enkele leden van zijn eigen team, welteverstaan.

Die teamleden, en ook Gallagher zelf, komen aan het woord in The Line (226 min.), een vierdelige serie die is gebaseerd op de gelijknamige podcast. De ijzervreter, die van zijn ondergeschikten de bijnaam ‘El Diablo’ (de Duivel) heeft gekregen, kan niet begrijpen wat hij verkeerd heeft gedaan. Hij weet immers wat er van een man wordt gevraagd tijdens oorlog. En ze hebben hun missie toch tot een goed einde gebracht?

Gallaghers ondergeschikten verbazen zich er tegelijkertijd al heel lang over dat hij zo opzichtig pocht over het enorme aantal doden dat hij op zijn geweten heeft. Als ze eenmaal met hem in Irak zijn, zien de SEALs bovendien hoe Eddie een gewonde vijftienjarige krijgsgevangene doodsteekt, er een foto van maakt en die rondstuurt met de boodschap: ‘Deze heb ik te pakken gekregen met mijn jachtmes.’

Zijn teamleden hebben eveneens meegekregen hoe hij – voor de lol? – onschuldige Iraakse burgers neerschiet. Dat is niets minder dan moord met voorbedachte rade. Eddie bestrijdt dit echter met alles wat hij heeft. Als hij wordt opgepakt, zet zijn echtgenote Andrea direct een enorme Free Eddie-campagne op. Ze begint de klokkenluiders in de media bovendien weg te zetten als ‘millennial-SEALs’ die te laf zijn om echt te vechten.

In deze vierdelige serie proberen de documentairemakers Jeff Zimbalist en Doug Shultz er de vinger achter te krijgen wat er precies is gebeurd en hoe de zaak daarna is geëscaleerd. Ze hebben daarbij de beschikking over de oorspronkelijke verhoren en verklaringen in de rechtszaal, maar kunnen ook terugvallen op beelden die de militairen in Mosul hebben geschoten, onder andere met hun eigen helmcamera’s.

Naarmate The Line vordert, krijgt de serie steeds meer het karakter van een rechtbankdrama, waarin de verklaringen van Team Gallagher en de mannen die hem betichten van oorlogsmisdaden keihard botsen en – al dan niet bewerkte – getuigen voor onverwachte verhaalwendingen zorgen. De kwestie krijgt uiteindelijk zelfs een politieke lading als de Amerikaanse president Donald Trump zich er hoogstpersoonlijk mee bemoeit.

Het is een oncomfortabel verhaal, dat vrijwel alleen verliezers heeft opgeleverd. Waaronder, zo laat het zich tenminste aanzien, de waarheid. Dat wordt nog eens benadrukt in de epiloog waarin de zaak vanuit een geheel ander perspectief wordt belicht en Gallagher zelf nog heel even het achterste van zijn tong laat zien.

Turn Your Body To The Sun

Cinema Delicatessen

Een militair tribunaal legde Sandar Valiulin op 29 juni 1945 tien jaar werkstraf op in een heropvoedingskamp. De Tweede Wereldoorlog was nauwelijks zes weken voorbij. Van Hitlers hel werd hij veroordeeld tot Stalins socialistische ‘paradijs’. ‘Jullie worden naar de Goelag gebracht als landverraders’, leest zijn dochter Sana Valiulina, een schrijfster die al dertig jaar in Nederland woont, uit het vonnis voor aan haar zus Dinar. ‘Met jullie lafheid hebben jullie het Rode Leger beschaamd.’

Ruim 75 jaar later reizen de Russische zussen per trein hun vader achterna, naar de Goelag Archipel, van waaruit hij ooit begon te schrijven met hun moeder Tagira. Intussen ontleden ze het leven van de Tataarse jongen die in 1941 op negentienjarige leeftijd onder de wapenen werd geroepen. Sandar zou tijdens de oorlog in handen én aan de zijde van Hitler belanden. Een landverrader dus, volgens Stalin. En één van de weinige Russische krijgsgevangenen van de Duitsers die überhaupt overleefde.

Aan de hand van de bevindingen van Sandars dochters Sana en Dinar en zijn eigen  geschriften, ingelezen door Andrey Rudensky, dringt regisseur Aliona van der Horst in Turn Your Body To The Sun (93 min.) steeds dieper door in het leven van die ene getormenteerde Russische soldaat en de ontwrichtende wereld waarin hij halverwege de twintigste eeuw leefde. Ze heeft daarbij een uitgesproken troef: prachtig beeldmateriaal uit die tijd, dat ze echt ten volle uitbuit.

Van der Horst heeft de beelden ingekleurd (waarbij ze bovendien regelmatig inzoomt en veelvuldig gebruik maakt van slow-motion) en ondersteunt die met een zeer uitgesproken sounddesign, dat het materiaal een hypnotiserend karakter geeft. Zo overbrugt ze de driekwart eeuw die sindsdien zijn verstreken. De mannen van toen, die fel, glazig of beschadigd in de camera kijken, lijken simpelweg tot het hier en nu te behoren. Het zijn beelden van een verpletterende schoonheid.

Net als in haar vorige film Liefde Is Aardappelen (2017) belicht Aliona van der Horst, die een Russische moeder heeft en in Nederland opgroeide, zo via een klein familieverhaal een grotere geschiedenis. Uit de tijd dat Stalin de Sovjet-Unie in een ijzeren greep hield. Hoewel de man zelf al bijna zeventig jaar dood is, lijkt zijn erfenis nog altijd alomtegenwoordig. Stalins miljoenen slachtoffers bleven intussen veelal naamloos.

Gewone burgers zoals Sandar Valiulin belanden simpelweg in de kantlijn van de helden/wandaden van de grote leiders. ‘Mijn vader leefde bijna veertien jaar buiten het normale leven’, stelt Sana niet voor niets tegen het einde van deze poëtische film. Haar zwijgzame vader moest daarna getekend verder. Even daarvoor probeerde ze dat te omschrijven: ‘Zijn leven was…’. Ze zoekt naar het juiste woord in het Russisch en houdt het uiteindelijk bij een Nederlandse term: ‘onvervuld’.

Up To G-Cup: In Iraqi Kurdistan

‘Je ziet hier nooit dat twee mensen die van elkaar houden ook echt bij elkaar komen’, zegt Hind. ‘Dat is onmogelijk. Ik ben nu ook één van die mensen. Je moet je eigen liefdesleven doodtrappen.’ Hind koestert een onmogelijke liefde, heeft ze even daarvoor verteld. Voor een man die aan een ander is beloofd. De Koerdische vrouw probeert hem nu zelf ook te vergeten met een ander, zegt ze ongemakkelijk glimlachend. Die houdt van haar, méér dan zij waarschijnlijk ooit van hem zal kunnen houden. Hind begint weer zenuwachtig te lachen. ‘Klaar. Ik kan niet meer.’

De jonge vrouw werkt in de eerste lingeriewinkel van Iraaks Koerdistan. Die is te vinden in een groot winkelcentrum te Suleimaniyahh en wordt van materiaal voorzien door de Nederlands-Koerdische Shapol, de centrale figuur in deze documentaire van Jacqueline van Vugt. In de winkel speelt een belangrijk deel van Up To G-Cup: In Iraqi Kurdistan (81 min.) zich af. Vrouwen passen er beha’s of ondergoed – activiteiten die ze zorgvuldig afschermen van de camera. Tussen de praktische handelingen en gesprekjes door doen ze, soms in bedekte termen, hun persoonlijke verhaal. Over de positie van vrouwen, seksuele ervaringen en oorlog, altijd weer oorlog.

Ze hebben stuk voor stuk zo hun littekens opgelopen. Lingerie kan hen helpen om hun zelfvertrouwen te vergroten, maar confronteert hen ook met zichzelf en de wereld waarin ze (moeten) leven. Schaamte speelt daarbinnen een belangrijke rol. En die speelt soms ook op in deze solide film, die volledig vanuit vrouwelijk perspectief wordt verteld. En de ervaringen van deze Koerdische vrouwen mogen ons dan misschien vertrouwd in de oren klinken, ze hebben nog altijd weinig aan urgentie ingeboet.

Turning Point: 9/11 And The War On Terror

Netflix

Als één gebeurtenis in de moderne geschiedenis zich leent voor minutieuze reconstructies, dan is het 11 september 2001. Twintig jaar na dato verschijnt er de ene na de andere documentaire over de dag waarop Al-Qaeda, de terroristische organisatie van Osama bin Laden, de westerse wereld op zijn grondvesten deed schudden. Hoe gewone Amerikanen de aanslagen beleefden wordt bijvoorbeeld opgeroepen in 9/11: One Day In America en 9/11 – Life Under Attack. En hoe de beslissers op die traumatische septemberdag opereerden staat centraal in 9/11: Inside The President’s War Room.

Die ene fatale septemberdag in 2001 kende een jarenlange aanloop en de gevolgen ervan zijn twintig jaar later nog altijd op allerlei plekken in de wereld zichtbaar. Met mensen die toentertijd met hun poten in de modder stonden en anderen die de kwestie juist met een helikopterview kunnen bekijken tracht Brian Knappenberger in deze vijfdelige serie de complete geschiedenis in kaart te brengen. Op microniveau: de voorbereidingen van de daders en daarna de jacht op hen en hun medestanders.

En op macroniveau: de Russische invasie van Afghanistan, de Golfoorlog, het ontstaan van Al-Qaeda, de aanslag op het World Trade Center in 1993 en de opkomst van de Taliban, ontwikkelingen die zich afspeelden vóórdat de vliegtuigen zich in de WTC-torens boorden. En gebeurtenissen die juist op deze dag in gang werden gezet: de oorlog in Afghanistan, het zeer kwestieuze Amerikaanse ingrijpen in Irak, de afrekening met Bin Laden, Amerika’s permanente drone-oorlog en Trumps deal met de Taliban.

Knappenberger probeert in Turning Point: 9/11 And The War On Terror (315 min.) ook andere perspectieven – vanuit Afghanistan, Irak en Pakistan – de ruimte te geven. De Amerikaanse beleving blijft desondanks te allen tijde centraal staan. ‘Niemand wist wie ons had aangevallen, waarom ze dat hadden gedaan of wat er nog zou komen’, verwoordt terrorisme-expert Bruce Hoffman het breed gevoelde sentiment op 11 september. ‘En dit leidde tot de belangrijkste vraag van dat tijdperk: waarom haten ze ons?’

In een poging om die elementaire vraag van een antwoord te voorzien komt de documentairemaker bijvoorbeeld terecht bij voormalig Moedjahedien-leider Gulbuddin Hekmatyar, Taliban-voorman Jalaluddin Shinwari en de Afghaanse vicepresident Ahmad Zia Massoud (tevens de broer van Ahmad Shah Massoud, de leider van de zogenaamde Noordelijke Alliantie en een potentiële bondgenoot van de Verenigde Staten, die twee dagen voor 11 september werd geliquideerd). Zij zijn kritisch op het Amerikaanse handelen in de jaren na 9/11.

Daarnaast komt onder anderen Witte Huis-raadsman Alberto Gonzales aan het woord. Hij beijverde zich destijds om internationale afspraken rond het oppakken en vastzetten van verdachten terzijde te schuiven en hen bovendien te onderwerpen aan ‘verbeterde ondervragingstechnieken’, zoals slaapdeprivatie en ‘waterboarding’. Ook het Democratische congreslid Barbara Lee, dat zich in die jaren als enige parlementariër tegen de enorme verruiming van de bevoegdheden van de Amerikaanse president verzette, krijgt een podium.

Met vaste hand schetst Knappenberger aldus een gedegen en veelomvattend beeld van de betekenis van 11 september. Tegelijkertijd behandelt zijn serie allerlei deelonderwerpen die al eerder en diepgravender aan de orde zijn gekomen in documentaires over het Amerikaanse buitenlandbeleid en de gevolgen daarvan. Turning Point werkt tenslotte als vanzelfsprekend toe naar het twintigjarige ‘jubileum’ van de 9/11-aanslagen als de Verenigde Staten, met de staart ferm tussen de benen, uit Afghanistan vertrekken en de Taliban opnieuw de macht grijpen.

‘Helaas denk ik dat Osama bin Laden een gelukkig of tenminste een heel tevreden man zou zijn geweest als hij nog zou leven’, concludeert Bruce Hoffman tenslotte. ‘De onderneming die hij in 1988 begon bestaat al meer dan drie decennia. Die heeft het meest geavanceerde leger in de geschiedenis uitgedaagd, dat van de Verenigde Staten. Op 9/11 was er nog maar één Al-Qaeda. Vandaag staan er vier keer zoveel buitenlandse terroristenorganisaties die de Al-Qaeda-ideologie delen op de lijst van het ministerie van Buitenlandse Zaken als toen.’

The Unknown Known

De verbeelding had in zijn ogen gefaald. Ze hadden moeten imagineren wat er zou kunnen gebeuren. Dan waren de terroristische aanslagen van 11 september 2001 wellicht voorkomen. En Donald Rumsfeld had zich bij het begin van zijn ambtstermijn als Amerikaans minister van defensie, acht maanden eerder, nog voorgenomen om nooit in een soort post-Pearl Harbor hoorzitting terecht te komen, waarin hij zou worden doorgezaagd over waarom er wanneer door wie niet was ingegrepen.

De man die als de architect van de navolgende Amerikaanse inval in Irak te boek is komen te staan, heeft in deze intrigerende interviewfilm van Errol Morris uit 2013 ook allerlei theorieën opgebouwd rond geheel eigen constructies zoals ‘known knowns’, ‘known unknowns’, ‘unknown unknowns en ‘unknown knowns’. Als Donald op zijn praatstoel zit, is het sowieso altijd genieten geblazen – ook al gruw je misschien van wat hij zegt. De man is een begenadigd denker en spreker en bovendien niet bang om de degens te kruisen met een opponent.

The Unknown Known (102 min.) ontwikkelt zich dan ook tot een heerlijk verbaal steekspel, door Morris aangekleed met strategisch geplaatste archiefbeelden en dwingende muziek, waarbij alle retorische middelen geoorloofd zijn. Nadat hij in alle toonaarden heeft ontkend dat iemand van de Amerikaanse regering heeft gesuggereerd dat Iraks leider Saddam Hoessein iets met 11 september had te maken, laat Morris bijvoorbeeld doodleuk archiefbeelden zien waarin ‘Rummy’ precies dat doet. Zonder het letterlijk te zeggen, dat wel.

‘Geloof in de onvermijdelijkheid van conflict kan één van de oorzaken van een conflict worden’, citeert Rumsfeld even later één van de vele memoranda uit zijn eigen archief, vervat in het boek Rumsfeld’s Rules. ‘Dat is echt zo. En dan heb je de andere kant van de medaille, die al even waar is: als je vrede wenst, bereid je dan voor op oorlog.’ Op dat moment grijpt Morris in: ‘Als die uitgangspunten allebei waar zijn, kun je zo’n beetje alles rechtvaardigen.’ Rumsfeld begint te glimlachen: ‘Alle generalisaties zijn vals’, zegt hij en laat een korte stilte vallen. ‘Ook deze.’

Gedurende zijn lange loopbaan werkte Donald Rumsfeld nauw samen met de Republikeinse presidenten Nixon, Ford en Reagan. Die laatste koos hem bijna, bijna!, als vicepresident. Als dat was gebeurd, zou waarschijnlijk de rode loper voor hem zijn uitgelegd als presidentskandidaat. George H. Bush, de man die ’t wél werd, belandde in 1989 inderdaad in het Witte Huis. De twee zouden nooit vrienden worden. Toch vroeg Bush’s oudste zoon George, de 43e president van de Verenigde Staten, Rumsfeld als minister. Lachend: ‘Ik denk niet dat George W’s vader mij heeft voorgedragen.’

Als diens minister van defensie zou hij definitief in de geschiedenisboeken belanden. Geassocieerd met schandvlekken als het illegale gevangenenkamp Guantanamo Bay, ‘verbeterde ondervragingstechnieken’ en die ene desastreuze poging om Irak te ontdoen van massavernietigingswapens die uiteindelijk nooit werden gevonden, maar altijd strijdbaar en vol (zelf)spot.

9/11: Inside The President’s War Room

Apple TV+

De dag begon met een lekker rondje joggen. Toen kreeg George W. Bush zijn dagelijkse CIA-briefing. En daarna stond er een bezoek aan de Emma E. Booker-basisschool in Florida op het programma voor de Amerikaanse president. Daar zouden uiteindelijk klassieke beelden van Bush worden gemaakt: terwijl hij geacht werd om te luisteren naar spellende kinderen, probeerde ‘Dubya’ zijn gezicht in de plooi te houden. Hij was zojuist geïnformeerd over huiveringwekkende gebeurtenissen in New York.

‘Het eerste vliegtuig leek op een ongeluk,’ vat hij de situatie op die hachelijke dinsdagochtend in september 2001 twintig jaar later samen. ‘Het tweede maakte duidelijk dat het een aanval was. En het derde toestel betekende niets minder dan een oorlogsverklaring.’ Hij omschrijft de situatie in 9/11: Inside The President’s War Room (90 min.) als ‘een psychologische tsunami’. Voor deze gebeurtenis bestond geen draaiboek. Zijn regering zou moeten improviseren, zo bevestigen ook vicepresident Dick Cheney, stafchef Andy Card, veiligheidsadviseur Condoleezza Rice, minister van buitenlandse zaken Colin Powell en adviseur Karl Rove.

De uitputtende bronnenlijst, inclusief talloze onderknuppels, behoort meteen tot de uitgesproken troeven van deze nauwgezette reconstructie van hoe Amerika’s belangrijkste gezagsdragers de terroristische aanslagen van 11 september beleefden. Vrijwel alle belangrijke spelers binnen de Republikeinse regering Bush leveren een bijdrage en geven de documentaire van Adam Wishart, waarvoor acteur Jeff Daniels als verteller fungeert, een gezaghebbend karakter. Dit is hoe de beslissers destijds hebben gedacht en gehandeld – of hoe ze het zich nu herinneren.

Saillant is bijvoorbeeld de situatie rond het door Al-Qaeda-terroristen gekaapte vliegtuig United 93. Cheney geeft het bevel ‘take the track’. Ofwel: haal het toestel neer. Ook Bush geeft zijn goedkeuring om het vliegtuig, waarin zich ook onschuldige Amerikaanse passagiers bevinden, te attaqueren. ‘Was ik blij met die beslissing?’ zegt de voormalige president nu. ‘Nee. Maar stond ik achter dat besluit? Zeker.’ Als United 93 even later inderdaad uit het luchtruim is verdwenen, weten Bush en zijn medewerkers vreemd genoeg niet of zij dat zelf op hun geweten hebben of niet.

Want de tv-ontvangst en telefoonverbinding in het regeringsvliegtuig Air Force One waren ronduit slecht. En ‘the leader of the free world’ was voor zijn nieuwsvoorziening veelal gewoon aangewezen op televisiezenders. Uiteindelijk bleken enkele dappere passagiers de kapers te hebben overmeesterd, waarna het vliegtuig was neergestort. De gedachte aan de moed van de United 93-passagiers en het lot dat hen ten deel viel zorgen nog altijd voor emoties bij de direct betrokkenen, die zich 9/11 sowieso herinneren als een emotionele achtbaan: twijfel, onzekerheid en ook angst vochten om voorrang, zo nu en dan gepareerd met galgenhumor.

Zulke momenten zijn tevens terug te zien op officiële foto’s van die fatale dag, die het optreden van Bush tijdens dit scharnierpunt in de moderne Amerikaanse historie in beeld brengen. De dag eindigde met de afkondiging van de zogenaamde Bush-doctrine: hij maakte in niet mis te verstane bewoordingen duidelijk dat ze terug gingen slaan naar de terroristen én naar degenen die hen onderdak verschaften. Een kleine maand later zouden Amerikaanse troepen in Afghanistan landen. En anderhalf jaar later vielen de Verenigde Staten het Irak van Saddam Hoessein binnen.

9/11 – Life Under Attack

VPRO

‘Kijk, daar links zie je het World Trade Center’, zegt Randy Rousseau tegen zijn vrouw en twee kinderen. ‘Een paar jaar geleden was daar een terroristische aanslag.’ Het Californische gezin is op bezoek in New York. Op dinsdag 11 september 2001, de dag waarop er een nog veel grotere aanslag op de WTC-torens zal worden uitgevoerd. En vader Rousseau en diverse andere gewone Amerikanen zullen die fatale dag vastleggen met hun camera’s.

Hun ooggetuigenverslagen vormen de basis voor 9/11 – Life Under Attack (85 min.). Van het onbekommerde begin van de dag tot eerst het ongeloof en daarna de totale ontzetting dat het geen ongeluk of bom is, maar vliegtuigen die het World Trade Center zijn binnengevlogen. En dan gaan de wolkenkrabbers – die met geen mogelijkheid omver te krijgen zijn, volgens een overtuigde omstander – ook nog genadeloos onderuit. Om over het nieuws van buiten New York, toestel United 93 dat op weg is naar het Witte Huis of Capitool in Washington, nog maar te zwijgen.

Via de persoonlijke bijdragen van New Yorkers die hun ogen niet kunnen geloven vangt Karen Edwards de paniek, het verdriet en de chaos van deze rampdag, die zal fungeren als een belangrijk plotpoint in de moderne wereldgeschiedenis. De Britse filmmaakster laat het schokkende beeldmateriaal zijn werk doen en voegt slechts beperkt elementen toe: verbindende teksten in beeld, een sinistere soundtrack en het huiveringwekkende radiocontact met hulpverleners, mensen die vastzitten in de WTC-torens en stewardessen en passagiers van de gekaapte vliegtuigen.

Twintig jaar na dato wordt dat tragische etmaal zo weer probleemloos opgeroepen. Door mensen die de aanslagen moesten ondergaan kunnen wij, stuk voor stuk kinderen van de post-911 wereld, deze in zekere zin alsnog van minuut tot minuut beleven.

De zesdelige docuserie 9/11: One Day In America kent overigens een enigszins vergelijkbare opzet.

Debriefing Drone-Operator

Human

Alleen de joystick ontbreekt. Waarmee je over het zwart-witte land op het beeldscherm kunt bewegen. En straks, op het moment suprême, zult afdrukken. Debriefing Drone-Operator (10 min.) brengt je virtueel naar Afghanistan of de Gazastrook. In het hart van de strijd tegen de Taliban, Al-Qaeda of Palestijnse strijders. Én in de positie om te beschikken over leven en dood.

Zoals de mannen die je ondertussen hoort in deze korte videobrief van Jack Faber. ‘We hadden er jaren naartoe gewerkt, maar je kunt niet vergeten dat je uiteindelijk hebt meegewerkt aan de dood van iemand, zegt één van de drone-bestuurders. ‘Vanuit de lucht kun je niet inzoomen’, stelt een collega. ‘Je ziet geen mensen, geen gezichten. Dat is gemakkelijker te verwerken.’

Zonder geluid en ogenschijnlijk doelloos beweegt je cursor tegelijkertijd over het scherm. Hoog boven de bordkartonnen gebouwen, rijdende speelgoedauto’s en een enkel bewegend poppetje. Totdat het doel is geïdentificeerd. Dramatische muziek zwelt aan. De tijd van zoeken, nadenken of twijfelen is voorbij. Vuur! Een explosie maakt zich meester van het beeldscherm.

Zoals in de shooter games die je wellicht al eens hebt gespeeld. Dertienduizend drone-aanvallen werden er zo al uitgevoerd, naar verluidt duizenden tegenstanders uitgeschakeld. Vanaf een veilige afstand. ‘Ik trek geen champagne open en maak geen vreugdedans’, houdt een operator je voor. ‘Maar ik vergiet ook geen tranen en kan ’s nachts goed slapen.’

GAME OVER

Chris The Swiss

Zijn ontzielde lichaam werd op 7 januari 1992 aangetroffen in het Kroatische stadje Karlovac, gesneuveld tijdens de oorlog in het voormalige Joegoslavië. Christian Würtenberg, een gewone Zwitserse jongen. Journalist. Avonturier. En, volgens sommigen, een moedig man. ‘Het was een zelfmoordmissie’, stelt zijn broer Michael. ‘Geen enkele foto, geen enkele zin, niets is het waard om je leven voor te wagen. Geen enkel verhaal is reden genoeg om te sterven.’

De nicht van Chris The Swiss (90 min.), regisseur Anja Kofmel, wil weten wat Christian dreef en reist hem ruim twintig jaar later achterna. Intussen spreekt ze met zijn plaatselijke fixer, andere oorlogsjournalisten en huurlingen. Wat ze via hen te weten komt, verwerkt Kofmel in stemmige zwartwit-animaties die de laatste levensdagen van haar neef, zijn gemoedstoestand en de Joegoslavische burgeroorlog in het algemeen verbeelden. Dat is geen vrolijk stemmend verhaal.

Anja Kofmel is vooral benieuwd naar de onverwachte afslag die Christian in zijn laatste levensfase heeft genomen. In hoeverre zet die alles op zijn kop? vraagt de Zwitserse filmmaakster zich af. Of sluit deze wending juist aan bij de activiteiten die haar neef eerder heeft ontplooid in Zuid-Afrika? De beruchte terrorist Carlos de Jakhals noemt ‘Chris The Swiss’ in elk geval een dubbelagent. Vaststaat dat hij steeds verder is afgedaald in de hel die oorlog is. Totdat de dood erop volgde.

Deze overtuigende hybride van (ego)documentaire en animatiefilm uit 2018 zet dat drama goed in de verf en verdwaalt met hem in het morele mijnenveld van de Joegoslavische burgeroorlog, waarbinnen niets hoeft te zijn wat het ooit was of nu lijkt.

Hunger Ward

Abeer is zes jaar oud en weegt vijftien pond. Vijftien. Pond. Met grote ogen kijkt ze toe hoe een zuster van de Aslam-kliniek in het Noorden van Jemen een naald inbrengt in haar linkerarmpje. Het meisje gaat aan het infuus. Om te redden wat er nog te redden valt.

Even later zit ze wezenloos voor zich uit te staren, in een ruimte met allemaal vrouwen in zwarte boerka’s met net zo’n weerloos hummeltje op hun schoot. ‘Hebt u genoeg geld om haar te kunnen voeden?’ vraagt zuster Mekkia Mahdi aan Abeers vader. Het antwoord laat zich raden. ‘Lach één keer naar me’, probeert de zuster het ondervoede meisje nog een reactie te ontlokken. Abeer heeft haar echter niet meer dan een flauwe glimlach te bieden, terwijl ze met haar vader het ziekenhuis verlaat. Op weg naar een ongewisse toekomst in dat troosteloze land.

Andere kinderen verlaten de Hunger Ward (40 min.) als ze hun laatste adem al hebben uitgeblazen. De hongersnood in Jemen is alomtegenwoordig. Het leven van twee miljoen kinderen hangt aan een zijden draadje. En ook de oorlog zelf kan ze nog te pakken krijgen. Het is allemaal vervat in die blik van Abeer: de tristesse, het lijden, de totale verslagenheid. Gevangen in een vicieuze cirkel van oorlog en honger, die zo nu en dan ook van deze gestileerde, indringende en voor een Oscar genomineerde korte documentaire van Skye Fitzgerald een moedeloos makende bedoening dreigt te maken.

Bij gebrek aan licht aan het eind van de tunnel, zijn er alleen de onvermoeibare ziekenhuismedewerkers die voor licht en verlichting zorgen: Zij vertegenwoordigen de hoop tegen wil en dank. Dagelijks brengen ze dat ene, ondanks alles troostrijke, uitgangspunt in de praktijk: het redden van één mensenleven is als het redden van de complete mensheid.

Het Laatste Joegoslavische Elftal

O, Chetniks
O, Chetniks
Maak een salade klaar
Want er komt vlees
We zullen de Kroaten afslachten!

Op 18 augustus 1999 nemen supporters van Klein-Joegoslavië in Belgrado alvast een voorschot op een klinkende overwinning op de grote concurrent voor deelname aan het Europees Kampioenschap voetbal van 2000 in Nederland en België. Dit wordt echter niet zomaar een spannende interland. Bij deze wedstrijd – en de return van enkele maanden later in de Kroatische hoofdstad Zagreb – wordt de burgeroorlog, die begin jaren negentig woedde in de Balkan, nog eens dunnetjes overgedaan.

De belangrijkste spelers op het veld – de Kroaten Boban, Suker en Prosinecki versus de Serviërs Mijatovic, Savicevic en Mihajlovic – speelden jarenlang voor hetzelfde team, Het Laatste Joegoslavische Elftal (82 min.). In 1987 werden ze samen zelfs wereldkampioen bij de junioren. Deze ‘Gouden Generatie’ zou echter nooit tot volledige bloei komen. Slechts drie jaar later werden ze tijdens een oefenwedstrijd tegen het Nederlands elftal door hun eigen publiek uitgejouwd.

Op 15 mei 1991 viel in Belgrado definitief het doek voor het Joegoslavische elftal, dat zijn allerlaatste wedstrijd in de sterkste opstelling met 7-0 won van de Faeröer Eilanden. Geëmotioneerd nam de laatste bondscoach Ivica Osim vervolgens afscheid van zijn job. Niet veel later vielen de eerste bommen op ‘s mans woonplaats Sarajevo en werd ‘het voormalige Joegoslavië’ uitgesloten van deelname aan het Europees Kampioenschap in Zweden, waar vervanger Denemarken de titel greep.

‘Je succes is weggevaagd, je plannen en dromen zijn wreed verstuurd’, constateert Osim somber in deze aangrijpende documentaire van Vuk Janic uit 2000. ‘Veel mensen weten niet hoe ze daarmee om moeten gaan. Ik denk dat de mensen die gedood zijn beter af zijn. Ik weet dat het verschrikkelijk is om te zeggen omdat hun verwanten nog steeds rouwen om het verlies, maar veel mensen zijn hun ziel kwijt. Ze leven nog wel, maar zijn niet in leven.’

Janic spreekt in zijn film tevens indringend met de sterspelers Boban, Mihajlovic, Savicevic, Mijatovic en Prosinecki en hun ouders en tekent de gevolgen van de oorlog op voor hun levens, carrières en het Joegoslavië waarin zij opgroeiden. Het is het relaas van een land dat naar de kloten gaat – of moedwillig wordt geholpen. En een vertelling over hoe een gezamenlijke droom door krachten van buitenaf, die ook binnen het elftal zelf resoneren, voorgoed wordt geknakt.

De film eindigt vervolgens bijna zoals hij begon: het strijdtoneel is alleen verplaatst naar Zagreb. Kroatische supporters onthalen hun tegenstander op 9 oktober 1999 bij de returnwedstrijd, die gaat bepalen of Klein-Joegoslavië of Kroatië aan het EK van 2000 mag deelnemen, op een hartstochtelijk gezongen lied, waarin de gezamenlijke historie van de beide landen op een wrange wijze doorklinkt.

O, Kroatië, lieve moeder
We zullen de Serviërs afslachten!

The People Vs. Agent Orange

IDFA

‘Als je denkt dat je te klein bent om het verschil te maken, heb je nog nooit met een mug van doen gehad.’

Terwijl Agent Orange vanaf 1971 niet meer gebruikt mocht worden bij de oorlog in Vietnam, bleven ze het ontbladeringsmiddel gewoon gebruiken in Amerikaanse natuurgebieden. In Oregon zag Carol Van Strum wat de gevolgen daarvan bij haar thuis waren: haar kinderen werden ziek, hun tuin veranderde in een woestenij en de hond ging dood. Ze kon niet meer lijdzaam toekijken. Met de actiegroep Citizens Against Toxic Sprays (CATS) begon Carol informatie te verzamelen over de ontbladering van haar leefomgeving. Die strijd duurt tot op dag van vandaag en heeft haar echt ongelooflijk veel gekost – méér dan wat een mens eigenlijk kan dragen.

In Vietnam is Tran To Nga, die een kind verloor als gevolg van het gebruik van Agent Orange, ondertussen ook in het geweer gekomen. Ze heeft de producenten aangeklaagd. Hun herbicide werd ingezet als chemisch wapen, om delen van haar land te ontdoen van begroeiing die de communistische vijand kon beschermen. Agent Orange heeft in Trans land uiteindelijk gewerkt als een massavernietigingswapen, waarvan de schade ruim een halve eeuw later nog altijd zichtbaar is. Dat wordt in The People Vs. Agent Orange (87 min.) treffend geïllustreerd met een schokkende scène in een Vietnamees kinderziekenhuis. 

Gaandeweg onthullen de filmmakers Kate Taverna en Alan Adelson hoe diep de beerput eigenlijk is, zowel in Vietnam als in de Verenigde Staten zelf, en hoezeer de dreggers daarvan, weggezet als notoire complotdenkers, zijn tegengewerkt. Door de Amerikaanse overheid en de betrokken multinationals: verdwenen bewijsmateriaal, intimidatie en – naar het zich laat aanzien – bruut geweld. Zulk onrecht kan eigenlijk geen mens onberoerd laten. De volksgezondheid – niet alleen van voormalige vijanden, maar ook van gewone Amerikaanse burgers – is rücksichtslos opgeofferd voor bedrijfs- of regeringsbelangen.

Voor Carol en Tran wordt de strijd intussen een race tegen de klok: leven ze lang genoeg om hun recht te halen of hebben hun tegenstrevers uiteindelijk toch een langere adem? Dat is om woest van te worden.

Brief Aan Mijn Papa

Het is een universeel gevoel: dat je vader voortdurend over je schouder meekijkt, adviezen geeft en kritiek levert. En dat jij als kind die overleden ouder voortdurend meeneemt – meesleept soms – in je leven. Hengelend naar zijn trots, bang voor zijn toorn en zoekend naar waar hij en jij elkaar raken.

De vader van journalist, schrijver en theatermaker Ibrahim Selman stierf in december 1974, tijdens de strijd voor een onafhankelijke staat voor hun volk, de Koerden. Ibrahim, inmiddels bijna zeventig, kwam er pas enkele maanden later achter. Zijn vader sneuvelde in een land dat nog steeds niet bestaat: Koerdistan. Een land dat niet mág bestaan. Het idee wordt nog altijd doodgedrukt tussen Irak, Turkije, Iran en Syrië. Menige Koerd is noodgedwongen op de vlucht geslagen. In 1981 belandde Ibrahim Selman zo in Nederland.

In Brief Aan Mijn Papa (75 min.) bezoekt hij het land van zijn oorsprong. Hij beleidt zijn tocht langs familieleden, jeugdherinneringen en plekken die de recente Koerdische historie hebben getekend met een persoonlijke voice-over, gericht aan de ouder die al ruim veertig jaar ontbreekt. Die tekst is alleen erg breedsprakig, particulier of uitleggerig, waardoor sommige scènes, zoals het bezoek aan een plek waar vaderlief begraven zou liggen, een beetje doodslaan. More betekent in dit geval inderdaad less.

Deze documentaire ontbeert daardoor de poëzie en zeggingskracht die een thematisch verwante film als Sidik En De Panter kenmerkt. Voor buitenstaanders is het lastig om de persoonlijke ervaring van Ibrahim Selman zelf te ontstijgen en het tragische relaas van de Koerden niet alleen te begrijpen maar ook echt te voelen. Dat is spijtig, want de bijbehorende verhalen zijn het op zich zeker waard om te vertellen.

‘Ik zoek rust, vader’, leest Ibrahim voor uit eigen werk, in een oud fragment uit het televisieprogramma De Wandeling dat het einde van de film aankondigt. ‘Gun me een paar eenzame dagen met stilte. Stilte is leven. Houd op met het gefluister in mijn oor. Een kwart eeuw na je dood.’

Once Upon A Time In Iraq

‘Waar zou u de serie mee beginnen?’ wil de interviewer bij de start van Once Upon A Time In Iraq (295 min.) weten. ‘Jeetje…’, peinst de Amerikaanse oorlogscorrespondent Dexter Filkins (The New York Times). ‘Irak zou niet met 9/11 in verband moeten worden gebracht, maar dat is helaas wel gebeurd.’

Regisseur James Bluemel keert daarna inderdaad terug naar de aanslagen op 11 september 2001, die door de Amerikaanse president George W. Bush als aanleiding werden gebruikt om in het voorjaar van 2003 Irak binnen te vallen. Ook al was (en is) de connectie tussen de terroristische aanval op het Amerikaanse World Trade Center en het Pentagon en het gehate regime van de Iraakse leider Saddam Hoessein nooit overtuigend aangetoond. Hem wilden Amerikaanse neoconservatieven echter al heel lang weg hebben. In elk geval sinds de Golfoorlog, toen president George H. Bush – juist, de vader van – Hoessein begin jaren negentig op zijn plek liet zitten.

Dat is de politieke context, die tot een eindeloze (burger)oorlog en de opkomst van Islamitische Staat zou leiden. Deze tragische geschiedenis wordt in deze krachtige vijfdelige docureeks, met acteur Andy Serkis als verteller, nu eens niet uit de doeken gedaan door politieke kopstukken, hooggeplaatste militairen en topdiplomaten (die in de docuserie The Iraq War al uitgebreid aan het woord zijn gekomen), maar door gewone mensen uit Irak en de Verenigde Staten: burgers, journalisten en soldaten. De mensen die – toen de bombardementen, beschietingen en onthoofdingen begonnen – met hun poten in de modder stonden. Of in het bloed.

En zij hebben nogal wat op hun lever. Een meisje herinnert zich bijvoorbeeld hoe ze een oog verloor door een granaatscherf. Een tolk vertelt hoe hij in een kuil de gevluchte Saddam Hoessein ontdekte. Een Amerikaanse bataljonscommandant realiseert zich nu dat hij langzaam maar zeker helemaal doordraaide. Een Iraakse militair verhaalt over hoe hij als enige een moordpartij van IS overleefde. Een jonge vrouw herinnert zich hoe ze als kind tijdens de komst van het Amerikaanse leger begroette: ‘Zijn jullie Ninja Turtles?’ En één van die soldaten, sergeant Rudy Reyes, laat een fles tequila aanrukken, om zijn verhaal te kunnen doen. ‘Of het ‘t allemaal waard was?’ vraagt Bluemel naderhand. Reyes: ‘Nou ja, dat moet gewoon. Wat is het alternatief?’

Grote geschiedenis, kortom, bezien door gewone mensen, die uitstekend invoelbaar maken hoe het is om te leven of werken te midden van oorlog en terreur. En die nog altijd kampen met de gevolgen daarvan. ‘Waar eindigt dit verhaal?’ vraagt de filmmaker tot besluit aan oorlogsjournalist Dexter Filkins. ‘Ik weet het niet’, antwoordt deze vertwijfeld. ‘Ik denk niet dat er binnenkort een einde aan komt. Er is geen oplossing. In het Midden-Oosten is er geen oplossing. We zijn er nog lang zoet mee.’

Can’t Get You Out Of My Head

BBC

De ‘Illuminatie’, die volgens een deel van de mensheid nog altijd vanuit de coulissen een groot deel van de ontwikkelingen op het wereldtoneel bestieren, zouden een verzinsel zijn van schrijver Kerry Thornley en zijn vriend Greg Hill. Het was de belachelijkste complottheorie die de twee representanten van de Amerikaanse tegencultuur in de jaren zestig konden bedenken. Wie zou er nu werkelijk kunnen geloven in het geheime genootschap van een achttiende eeuwse professor uit Beieren? Hun ‘Operation Mindfuck’ zou echter een doorslaand succes worden – of een gigantisch fiasco – dat tot op de dag van vandaag doorwerkt.

Een bezopen samenzweringstheorie die voor werkelijkheid wordt aangezien, in een wereld waar wel degelijk ook echte complotten worden gesmeed. Het is maar één van de vele kleine verhalen die Adam Curtis in zijn zoveelste ambitieuze project Can’t Get You Out Of My Head (473 min.) verbindt aan de grote verhalen van onze tijd, zoals individualisering, consumentisme en technologie als ideaal middel om (het onderbewuste van) de grote massa te bespelen. Als een ouderwetse schoolmeester, met zijn eigen tics en preoccupaties, wandelt hij met veel bravoure door het doolhof van de moderne geschiedenis. Het resultaat is een ontzagwekkend labyrint op zichzelf: een wirwar van lange, korte en losse verhaallijntjes die op gezaghebbende toon aan elkaar worden geknoopt. Orde in de chaos, die op zichzelf ook weer net zo goed voor verwarring zou kunnen zorgen.

Typisch Curtis, de Britse homo universalis die met zijn wijdlopige video-essays een genre op zichzelf is geworden. In zijn beschouwingen op de hedendaagse maatschappij maakt hij gebruik van inzichten uit de moderne psychologie, economie, filosofie, geschiedenis, sociologie en politiek. Hij hangt die ditmaal op aan enkele hoofdpersonen (zoals bijvoorbeeld Mao Zedongs militante vierde vrouw Jiang Qing, valium-propagator Arthur Sackler, Artsen Zonder Grenzen-oprichter Bernard Kouchner, transgender-activist Julia Grant en Afeni Shakur, lid van The Black Panthers, crack-verslaafde én moeder van een wereldberoemde rapper). Curtis illustreert zijn betoog zoals gebruikelijk met een uitbundige collectie archiefmateriaal en zet daarbij treffende accenten met een edgy soundtrack.

Noem het gerust pompeus, tendentieus en hier en daar zelfs incoherent (of gewoon niet helemaal te bevatten; probeer de Franse revolutie bijvoorbeeld maar eens te verbinden met Tupac Shakur en de chaostheorie). Ook deze nieuwe Adam Curtis-productie probeert echter een net over de aardbol te gooien en zo de psyche van onze tijd te vangen. Alsof je in hartje winter de luiken eens goed tegen elkaar openzet. In de laatste van de zes afleveringen culmineert dit in vragen over de vermeende machinaties achter het Brexit en de verkiezing van Donald Trump en of zulke samenzweringstheorieën niet gewoon pogingen zijn om vat te krijgen op een voor ons allen onbegrijpelijk wereld.

Uiteindelijk ging zelfs Kerry Thornley twijfelen over Operation Mindfuck. Niet zozeer over de ‘Illuminati’, maar over zijn eigen rol in het satirisch bedoelde complot: was hij misschien, zonder dat hij het wist of wilde, toch ingezet als een werktuig van de CIA?

Sigrid Kaag: Van Beiroet Tot Binnenhof

Hans Fels / VPRO

Onderhandelaar In Oorlogstijd, de aflevering van Tegenlicht die Shuchen Tan in 2015 maakte, heeft ongetwijfeld bijgedragen aan het imago van Sigrid Kaag als topdiplomaat, een vrouw die in de helleholen van de wereld strijdende partijen uit elkaar houdt of zelfs tot elkaar probeert te brengen. Het was moeilijk om níet onder de indruk te raken van de VN-gezant Kaag, die bijvoorbeeld het hoofd koel en hart kloppende hield tijdens de oorlog in Syrië en de vluchtelingenstroom die daardoor op gang kwam.

Die bewondering voelde Shuchen Tan zelf vermoedelijk ook. In de navolgende jaren bleef ze haar hoofdpersoon volgen. Het kwam desondanks als een verrassing toen die het steven wendde richting Nederland, om in eigen land minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking te worden in het kabinet Rutte III. Wat had de vaak kleine vaderlandse politiek te bieden aan deze vrouw van de wereld? En hoe zou die gedijen in een context, waarin er vaker vliegen werden afgevangen dan mensenlevens gered?

Die vraag ligt ten grondslag aan de documentaire Sigrid Kaag: Van Beiroet Tot Binnenhof (76 min.) en heeft alleen maar meer lading gekregen doordat de hoofdpersoon sindsdien ook nog politiek leider is geworden van haar partij D66 en de komende maanden dus als lijsttrekker campagne moet gaan voeren voor de Tweede Kamerverkiezingen. Moet gaan voeren, omdat het getuige deze film nog maar de vraag is of ze zich daarbij senang zal voelen. En, eerlijk gezegd, ook of ze daarin op haar best zal zijn.

‘Het is een totaal onbeschermde tak van sport, met een niveau van gemeenheid en laagte dat ongekend is’, zegt Sigrid Kaag zelf met een zeker dedain over de vaderlandse politiek, waarin ze desondanks ook de komende jaren een prominente rol wil spelen. Vanaf haar terugkeer naar Nederland is ze, mede vanwege haar Palestijnse echtgenoot die ooit actief was binnen de PLO, onderdeel geweest van een (online) lastercampagne. Tegelijkertijd is er de voortdurende druk om de persoon achter de politicus centraal te stellen. Dat gaat eveneens tegen haar natuur in. ‘Je moet weten of ze capabel zijn, of ze betrouwbaar zijn’, doceert ze. ‘En kunnen ze het aan?’

Al het andere is nodeloze ballast, wil Kaag maar zeggen. Maar of ze zich met die attitude staande zal kunnen houden in de slangenkuil die ook de Nederlandse politiek kan zijn? En waarom wil ze dat eigenlijk? Is het werkelijk alleen plichtsbetrachting? Het zijn vragen die ook Shuchen Tan zichzelf stelt in de voice-over waarmee ze de verschillende elementen van deze film, die geregeld schakelt tussen het huidige en vroegere leven van haar protagonist ‘Sigrid’, bij elkaar houdt. 

Dat is geen ongebreidelde lofzang geworden, zoals critici lijken te suggereren, die met het oog op de aanstaande verkiezingen de timing van de documentaire betwisten. En ook geen meeslepende film over een politieke buitenstaander die brandschoon probeert te blijven terwijl ze in een modderpoel duikt. Sigrid Kaag: Van Beiroet Tot Binnenhof is eerst en vooral, opnieuw, een portret van een diplomaat aan het werk. Waarbij het internationale decor van die eerdere film zeker zo interessant is als de Haagse kaasstolp waarbinnen ze tegenwoordig moet zien te blijven ademen.

Eind juni 2021 is deze documentaire onder vuur komen te liggen omdat de makers D66 de ruimte zouden hebben gegeven om de inhoud en uitzenddatum van de film te beïnvloeden. Zie hieronder het item van Nieuwsuur daarover:

This Rain Will Never Stop

De oorlog is nooit ver weg. In hun vaderland Syrië. Waar nog altijd familie woont. En in het land van hun moeder, Oekraïne. Waarnaar ze zeven jaar geleden zijn verkast. Dat zelf inmiddels in een onafhankelijkheidsstrijd is verwikkeld met de Russen. De Koerdische familie Suleiman probeert de omstandigheden het hoofd te bieden. Zo goed en zo kwaad als dat gaat. Vader Lazgin houdt contact met het thuisfront. En zoon Andriy meldt zich als vrijwilliger bij het Rode Kruis. Hij wordt belast met de distributie van elementaire goederen aan de bevolking.

De twintiger fungeert als protagonist voor deze stemmige documentaire van Alina Gorlova. Andriy reist af naar Duitsland voor de bruiloft van zijn broer. Brengt een emotioneel bezoek aan familie in Irak. En vergezelt in This Rain Will Never Stop (102 min.) tenslotte een dierbare op diens laatste reis. Intussen staat zijn leven stil en is de oorlog overal. Niet in de vorm van bommen en granaten. Veeleer als natuurlijke omgeving voor gewone mensen, die weten dat ze door moeten met hun leven. In desolaat zwartwit, dat wel. ‘Het ging de laatste tijd best goed’, meldt een familielid via Skype vanuit de Syrische stad Hasukah. ‘Maar de laatste vier dagen klinkt er weer geweervuur.’

Gorlova observeert en laat de gebeurtenissen zoveel mogelijk voor zich spreken. Ze dient ze op in losse, gefragmenteerde hoofdstukken, verbindt die met vervreemdende beeldsequenties en is bepaald niet scheutig met achtergrondinformatie. De cinematografie van haar cameraman Viacheslav Tsvietkov is indringend: met zowel oog voor detail – wassend water, dansende handen of een geknakte tak – als florerend in het grote en imposante: een mensenmassa die zich meldt voor hulp, leuzen roepende militairen of het onherbergzame landschap.

Die beelden van de natuur in al zijn woest- en wildheid komen voortdurend terug, als onheilszwanger decor voor de dingen die op Andriys pad komen en zijn bestaan beheersen. Samen met de unheimische soundtrack geven ze een beklemmende atmosfeer aan deze film, die overtuigend het perpetuum mobile van oorlog en vrede belicht, dat gewone stervelingen in hun greep kan krijgen.

The Hunt For Gaddafi’s Billions

VPRO

Na een uur krijgt hij telefoon en moet plotseling weg. George Darmanovic laat zijn gesprekspartners Misha Wessel en Thomas Blom met allerlei vragen achter. De Zuid-Afrikaanse geheimagent weet alles over de weggesluisde miljarden van de Libische leider Muammar Gaddafi, maar heeft het achterste van zijn tong nog niet laten zien.

Darmanovic vertrekt met de belofte dat hij bij een volgend interview foto’s en ander bewijsmateriaal zal laten zien. Wessel en Blom zullen hem echter nooit meer ontmoeten. Zes weken later wordt zijn ontzielde lichaam gevonden in de Servische hoofdstad Belgrado. Hij is geliquideerd. Later volgen ook de twee huurmoordenaars die Darmanovic zouden hebben neergeschoten.

Deze kille afrekeningen lijken aan te tonen dat er echt wat op het spel staat in The Hunt For Gaddafi’s Billions (91 min.). Ettelijke miljarden dollars, zoals het zich laat aanzien. Toen de grond hem te heet onder de voeten werd, ten tijde van de Arabische Lente van 2011, besloot de Libische leider Gaddafi een groot deel van zijn vermogen, geschat op zeker 150 miljard dollar, clandestien naar het buitenland te verplaatsen. Als een enorme oorlogskas of voor – wie zal het zeggen? – een riant bestaan als pensionado.

Wat is er met dat geld gebeurd? En wie heeft er zich over ontfermd? Het spoor in deze groots opgezette internationale productie leidt naar Zuid-Afrika, waar een deel van de verdwenen cash werd vrijgemaakt voor een wapendeal en daarna spoorloos is verdwenen. Twee concurrerende groeperingen – bestaande uit dubieuze diplomaten, privédetectives, geheimagenten, wapenhandelaren, premiejagers en huurlingen – zetten de jacht in op de verdonkeremaande schat. Voor de goede zaak, hun land of – zo gaat dat in deze schimmige wereld – het op te strijken vindersloon.

Hun jarenlange speurtocht naar waar Gaddafi’s erfenis terecht is gekomen leidt Wessel en Blom naar de donkerste spelonken van de internationale diplomatie, waar ze stuiten op enkele politieke kopstukken die zich ogenschijnlijk in duistere zaakjes hebben begeven. Onderweg hebben de Nederlandse onderzoeksjournalisten zowaar ook een ontmoeting met een Deep Throat-achtige anonieme bron. In een parkeergarage, natuurlijk.

Stukje bij beetje komen ze in deze enerverende jacht op Gaddafi’s geld en de bijbehorende goudzoekers zo steeds dichter bij wat er met die miljarden gebeurd zou kunnen zijn.

The Hunt For Gaddafi’s Billions is hier te bekijken.

Downstream To Kinshasa

Andana Films

Het is een indrukwekkend gezicht. Voorop loopt een Afrikaanse priester, met een opzichtige kwast en een emmertje wijwater. Na hem volgt een hele stoet mannen en vrouwen. Een groot deel van hen loopt met krukken. Anderen maken duidelijk gebruik van een beenprothese. Ze zijn onderweg naar een massagraf, met slachtoffers van de zesdaagse oorlog in het noordoosten van Congo. Bij de stad Kisangani bonden twee buurlanden, Oeganda en Rwanda, daar in 2000 de strijd met elkaar aan. De deelnemers aan de mars overleefden de slachting, maar ze kwamen gehavend uit de strijd. Zonder een arm of een been. Of erger.

In een boot gaan ze vervolgens op weg naar de hoofdstad, Downstream To Kinshasa (89 min.). Van tevoren was er nog discussie: blijft die ene beroepsklager welkom? En is het eigenlijk wel handig als mensen met allerlei serieuze beperkingen meegaan? Douchen en poepen zijn voor mij echt een beproeving, bekent Sola, een krachtige jonge vrouw en begenadigde zangeres die beide benen mist. Ze zal de anderen uiteindelijk toch vergezellen, voor een soms barre tocht op de Congorivier. Naar een stad die helemaal niet op hun komst zit te wachten.

Die queeste om hun recht te gaan halen, de beloofde compensatie voor opgelopen schade, wordt door regisseur Dieudo Hamadi doorsneden met beelden van een pijnlijke theatervoorstelling over de oorlog en de gevolgen daarvan, waarin enkele reizigers een hoofdrol vertolken. ‘Kijk wat we zijn geworden!’ roept Président Lemalema, een krachtige man die zich staande moet zien te houden met twee krukken, vanaf het toneel. ‘Denk je dat we zo geboren zijn? Kinderen en volwassenen kijken op ons neer. We zijn waardeloos geworden.’

En nu zijn ze op zoek naar ‘bloedgeld’, smartengeld voor de ledematen die bruut werden afgehakt en het bloed van hun familieleden dat nodeloos werd vergoten. Onderweg maken ze ook een persoonlijke reis door; het permanente ervaren van waardeloosheid, dat nog eens wordt versterkt door hoe ze soms worden behandeld, maakt gaandeweg ruimte voor een gevoel van eigenwaarde. Zo wordt deze scherpe, emotionele én fraaie documentaire uiteindelijk toch een eerbetoon aan menselijke kracht.

Body Of Truth

Börres Weiffenbach / NTR

Het vrouwenlichaam als canvas voor grote maatschappelijke thema’s. Een Body Of Truth (53 min.) zogezegd. Vervaardigd door vier uiteenlopende vrouwelijke kunstenaars, die zo de onderwerpen uitdrukken die hen hebben gevormd. De Duitse filmmaakster Evelyn Schels brengt hen samen in een gestileerde documentaire.

De in New York woonachtige Shirin Neshat dealt in haar oeuvre bijvoorbeeld met haar vertrek uit Iran, waar de ‘westerse’ dictatuur van de Sjah plaatsmaakte voor het religieus fundamentalisme van Ayatollah Khomeini. Ze zoekt nog altijd de spanningen binnen de Islam op. Zo maakte Neshat bijvoorbeeld portretfoto’s van gesluierde vrouwen, onder wie de Pakistaanse mensenrechtenactiviste Malala, waarop ze gedichten heeft gekalligrafeerd.

Fotografe Katharina Sieverding bekommert zich als lid van de zogenaamde ’68-generatie om de erfenis van nazi-Duitsland. In haar jonge jaren vroeg ze zich af of haar land voldoende afstand had genomen van het verleden en tegenwoordig belicht ze hoe het fascisme zich in het moderne Duitsland manifesteert. Ze maakt daarvoor veelvuldig gebruik van afbeeldingen van haar eigen gezicht, dat fungeert als een spiegel voor wat ze wil zeggen.

De Israëlische kunstenares Sigalit Lindau is tevens getekend door de Tweede Wereldoorlog en werd ook sterk beïnvloed door de aanhoudende Intifada in haar eigen land. In haar werk probeert ze uit te drukken hoe het is om te leven met terreur. Ze maakt zichzelf bijvoorbeeld, geheel naakt, onderdeel van een spoel van watermeloenen in de Dode Zee, die uiteindelijk een bloedrode kleur onthult. Of gaat lekker hoepelen met een stuk prikkeldraad.

Automutilatie lijkt ook een centraal thema van Marina Abramovic. Met het geselen van haar eigen lijf probeert ze zich te bevrijden van haar achtergrond in het voormalig Joegoslavië en de oorlog die daar huis heeft gehouden. Ook nu vloeit er regelmatig bloed. Dat is bepaald geen prettig gezicht – en dat geldt voor veel van de getoonde bewijsstukken van deze uitgesproken vrouwen – maar maakt tevens inzichtelijk hoe het verleden jaren later nog altijd huishoudt in het leven van deze kunstenares.

Want waar we onze toekomst ook zien, zo leert Body Of Truth, het verleden kruipt als een schaduw achter ons aan en blijft verraden waar we vandaan komen.