Taxi To The Dark Side

THINKfilm

Hij is maar een gewone taxichauffeur. Toch behoort Dilawar blijkbaar tot ‘the worst of the worst’. Hij wordt op 1 december 2002 in elk geval door een Afghaanse krijgsheer overgedragen aan het Amerikaanse leger. Dilawar zou betrokken zijn geweest bij de voorbereidingen voor een raketaanval. Op 5 december leveren de militairen hem af bij de Bagram-gevangenis, een voormalige Sovjet-basis die wordt gebruikt door de Verenigde Staten. Binnen enkele dagen is hij dood.

Het overlijden van de Afghaanse taxichauffeur is door de patholoog van dienst officieel gekwalificeerd als ‘moord’, ontdekt de vanuit Kaboel opererende New York Times-journalist Carlotta Gall. Zij informeert Dilawars familie dat hij bovendien ernstig is mishandeld. De Amerikaanse bewaarders bleven hem net zo lang slaan en schoppen, totdat ze hoorden dat hij luidkeels om Allah riep. Als Dilawar alle ontberingen zou hebben overleefd, hadden zijn benen sowieso geamputeerd moeten worden. De zaak is in de welbekende doofpot gestopt.

In de gevangenissen die de Verenigde Staten, in het kader van hun militaire reactie op de terroristische aanslagen van 11 september 2001, hebben geopend in Afghanistan en Irak, zijn zeker honderd dodelijke slachtoffers gevallen, betoogt Alex Gibney in Taxi To The Dark Side (106 min.), de messcherpe documentaire waarvoor hij in 2007 een Oscar won. Dilawars dood is het logische gevolg van de keuze van de Amerikaanse president George W. Bush om het spel niet langer volgens de regels te spelen en de Conventies van Genève terzijde te schuiven.

De gewone soldaten, die van martelpraktijken worden beschuldigd, die zijn weggezet als ‘rotte appels’ en die hem nu te woord staan, zijn dus niet Gibneys voornaamste mikpunt in deze uitstekend gedocumenteerde film. Hij richt zich op de beslissers. Zij zijn moreel verantwoordelijk. Óók voor de ernstige misstanden in de Abu Ghraib-gevangenis in Irak en op Guantanamo Bay, de Amerikaanse gevangenis op Cuba waar kopstukken van Osama bin Ladens terreurorganisatie Al-Qaeda en andere PUCs (Persons under US Custody) worden vastgehouden.

Zij worden daar overvallen met kiezelharde muziek, bedreigd door agressieve honden, in stressposities geplaatst, gedwongen om zich uit te kleden, ongezond lang van hun slaap beroofd, seksueel vernederd… Vanuit de gedachte dat ze beschikken over wezenlijke informatie, waarmee de Amerikanen hun ‘war on terror’ kunnen winnen. Terwijl elke deskundige hen kan vertellen – en de gelegenheid in deze docu ook te baat neemt – dat gemartelde mensen vertellen wat ze denken dat de ander wil horen. De aldus verkregen informatie is volstrekt onbetrouwbaar.

Die dringt nochtans vrijwel ongefilterd door tot de hoogste regionen van de Amerikaanse overheid en beïnvloedt de beslissingen over leven en dood die daar worden genomen. Met oorlogsmisdaden, maakt Alex Gibney zonneklaar in dit pijnlijke schotschrift tegen marteling, als onvermijdelijk gevolg.

One In A Million

Jack MacInnes / KEO Films

Als Itab Azzam en Jack MacInnes in 2015 het elfjarige Syrische meisje Israa ontmoeten, is zij al enige tijd van huis. Vanuit Aleppo is Israa met haar familie naar de Turkse stad Izmir gevlucht. Van daaruit wil het gezin nu, in de rubberboot van een smokkelaar, de Middellandse Zee oversteken naar Europa.

Nadat vader Tarek ervoor heeft gezorgd dat al z’n kinderen een zwemvest aanhebben, kunnen ze vertrekken. ‘Samen leven of sterven.’ Hij heeft zijn falafel- en shoarmastand in Aleppo verlaten om zijn kinderen een (betere) toekomst te bieden en kan dan niet vermoeden wat hen in de komende tien jaar nog te wachten staat. Tarek drukt Azzam, die zelf afkomstig is uit Syrië, en haar Britse collega MacInnes wel op het hart: ‘Als er iets slechts met ons gebeurt, moeten jullie ons verhaal vertellen.’

One In A Million (102 min.) begint als Israa in 2025 terugkeert in haar volledig verwoeste geboortestad. Kom je op bezoek of wil je blijven? vraagt een taxichauffeur haar dan. Het antwoord moet ze hem schuldig blijven. Als jonge Syrische vrouw vraagt ze zich wel af: ben ik een buitenlander geworden? De ‘wie ben ik?’-vraag houdt haar vaker bezig. Als ze tien jaar eerder in Oostenrijk ‘een trein vol vreemdelingen’ ziet, bijvoorbeeld, en zich dan pas realiseert: hier ben ik de vreemdeling.

Na een lange reis bereikt het Syrische gezin Duitsland. Daar beginnen de uitdagingen voor Israa’s familie pas echt. Eerst juicht vader Tarek de westerse vrijheden nog toe, later moet hij hoofdschuddend aanzien hoe die zijn vrouw Nisreen en hun kinderen grondig veranderen. Totdat hij zich, als een traditionele pater familias, genoodzaakt voelt om de familie-eer te bewaken. Azzam en MacInnes leggen dit pijnlijke proces van binnenuit vast, met oog voor alle betrokkenen.

Want ook Israa heeft zich, als de puberteit eenmaal achter de rug is, te verhouden tot haar nieuwe leefomgeving: wil ze gewoon een westerse tiener worden? Of wil ze de traditie waarbinnen ze is opgegroeid recht aan doen? Haar ontmoeting met Mohammed, een charmante jongen die eveneens is gevlucht uit Syrië, dwingt ook haar om positie te kiezen in deze intieme film en te bepalen hoe – en, nadat de Syrische dictator Assad eind 2024 is afgezet, ook wáár – ze verder wil met haar leven.

Volgt Israa het voorbeeld van haar moeder? En wat betekent dit dan voor de relatie met haar vader?

Poisonings: The Untold Story

Channel 4

Deel het bewijs dat je Novitsjok hebt aangetroffen, zegt de Russische ambassadeur in een speech tegen de Britse politie. En geef ons toegang tot Sergej en Joelia.

‘Nog nooit in mijn carrière – en ik heb zeer veel ervaring in moordonderzoeken – heb ik de verdachte toegang gegeven tot het bewijsmateriaal, de plaats delict en de slachtoffers’, blikt Neil Basu, het bedachtzame hoofd van de Britse anti terrorisme-eenheid, terug in Salisbury Poisonings: The Untold Story (141 min.). ‘Onze reactie was: dacht het niet.’

Samen met collega’s van de Wiltshire-politie, een speciaal onderzoekslaboratorium en het eliteteam chemische oorlogsvoering van het Britse leger staat hij voor de taak om de verantwoordelijken voor de vergiftiging van de overgelopen Russische inlichtingenofficier Sergej Skripal en zijn volwassen dochter Joelia op 4 maart 2018 in te rekenen.

Het duurt niet lang of het dringt tot alle betrokkenen door dat de opdracht voor de moordaanslag moet zijn gegeven in het Kremlin, dat doorgaans bruut afrekent met dubbelagenten. Ze zijn onderdeel geworden van een geheime geopolitieke oorlog. Twee jaar eerder is ook de voormalige KGB-agent Alexander Litvinenko al geliquideerd in Londen.

Deze geladen driedelige serie van Sophie Wright blikt terug op de kille moordaanslag op de Skripals en de zoektocht naar de daders en hun opdrachtgevers met gewone Britten die daarbij ongewild betrokken zijn geraakt: behalve politieagenten gaat het ook om artsen en verpleegkundigen van het ziekenhuis en medewerkers van de lokale gezondheidsdienst.

Vier maanden na de vergiftiging van Sergej Skripal en zijn dochter wordt er opnieuw Novitsjok aangetroffen, bij twee gewone Britse burgers in het nabijgelegen Amesbury. Na de politieman Nick Bailey, die als eerste het huis van de Skripals betrad en daarna ernstig ziek werd, zweven nu ook Charlie Rowley en Dawn Sturgess tussen leven en dood.

Poisonings: The Untold Story belicht de stressvolle situatie volledig vanuit Brits perspectief, gaat het drama daarbij niet uit de weg en plaatst de gebeurtenissen in hun geopolitieke context: de alsmaar toenemende spanningen tussen Poetin en het westen, die begin 2022 definitief zullen escaleren met de Russische inval in Oekraïne.

Traces

2Brave Productions / Stranger Films

Met elk individueel ervaringsverhaal wordt het collectieve verdriet verder ingekleurd. Iedere Oekraïense vrouw in de stemmige documentaire Traces (84 min.) heeft haar eigen beelden, geluiden en geuren vastgehouden, van de dag dat Russische soldaten hun leven binnendrongen. Ze kon nog net tegen haar echtgenoot en zoon zeggen hoeveel ze van hen hield. Ze voelde de loop van een geweer in haar mond. Ze was volgens de mannen ‘een ster van het internet’ geworden. Ze kreeg elektroshocks toegediend. Of ze hoorde tot haar grote ontzetting naderhand dat de soldaten onderling Oekraïens spraken.

In deze film van ervaringsdeskundige Alisa Kovalenko, geregisseerd met Marysia Nikitiuk, doen Oekraïense slachtoffers van seksueel geweld hun verhaal. Buitene beeld. Alleen. In hun eigen omgeving. Die duidelijk ook betere tijden heeft gekend. Later proberen ze daaraan hun eigen hoofdstuk toe te voegen. Onder aanvoering van de onverzettelijke Irina Dovhan, die de organisatie SEMA Oekraine heeft opgericht, beginnen ze getuigenissen over seksueel geweld op te tekenen, te beginnen met die van henzelf, in de hoop dat ze deze oorlogsmisdaden kunnen inbrengen bij het Internationaal Strafhof in Den Haag.

Met een klein team vertrekt Tania bijvoorbeeld naar een volledig kapotgeschoten huis op het platteland, om de slachtofferverklaring van Nina op te halen. ‘Ik zei: wat wil je van me?’ begint de duidelijk getraumatiseerde vrouw, die wakker werd gemaakt door een soldaat die met een schijnwerper in haar gezicht scheen, te vertellen. ‘Je had mijn zoon kunnen zijn. Wat zou je ervan vinden als iemand dit bij jouw moeder zou doen? Toen sloeg hij me met de kolf van zijn geweer. Ik heb er nog een litteken van. Hij sloeg me. Mijn lip raakte opgezwollen, ik bloedde. Het was zo beangstigend dat ik me ervoor schaam om het te vertellen…’

Terwijl ze zulke tragische herinneringen verzamelen, de schade van het systematische seksuele geweld tijdens de oorlog inventariseren en zo stukje bij beetje ook hun eigen machteloosheid overwinnen, ontstaat er een zusterschap tussen de vrouwen. Hun strijdbaarheid is het levende bewijs dat de vijand uiteindelijk niet heeft gewonnen. En deze film doet dienst als een indringend pamflet om, ondanks de pijn en de schaamte, vooral niet te zwijgen over wat vrouwen – al zo lang als er oorlog is, in Oekraïne dus al vanaf 2014 – wordt aangedaan: Do Not Stay Silent.

Soldier’s Bones

Zeppers

De Vietnamoorlog die iedereen allang spuugzat was, kon volgens de Amerikaanse generaal Julian Ewell wel degelijk nog gewonnen worden. Hij initieerde eind 1968 in het zuidwesten van Vietnam de omstreden operatie Speedy Express, die hemzelf de bijnaam ‘The Butcher Of The Delta’ opleverde. De militaire campagne van het Amerikaanse leger in de zogeheten Mekongdelta, die tot halverwege 1969 duurde, kostte naar verluidt bijna 11.000 Vietcong-strijders het leven. Toch werden er in totaal nog geen 750 wapens ingenomen.

Waren dit echt vijandelijke strijders? vroeg de 27-jarige Newsweek-journalist Alec Demitri Shimkin zich dus begin jaren zeventig af. Of had de Negende Infanterie Divisie van het Amerikaanse leger Ewells parool ‘kill anything that moves’ letterlijk genomen en gewone Vietnamezen vermoord? Shimkin beet zich vast in de zaak en verdween daarna van de aardbodem. Sinds 1972 werd er niets meer van hem vernomen. In de documentaire Soldier’s Bones (90 min.) neemt de Nederlandse documentairemaker Kasper Verkaik ruim vijftig jaar later het stokje van hem over.

Aan de hand van ingelezen brieven die Alec Shimkin tijdens zijn speurwerk naar het thuisfront stuurde reconstrueert hij diens diepgravende onderzoek. Verkaik weet ook getuigen op te sporen die nader licht werpen op Operation Speedy Express. Met Shimkins zus Eleanor, verloofde Mary Ann, nicht Barbara, beste vriend Bill en enkele collega’s in Vietnam probeert hij bovendien vat te krijgen op de idealistische Amerikaanse journalist, die eerst actief was in de burgerrechtenbeweging en later besloot om de omstreden oorlog in Zuidoost-Azië te gaan verslaan.

Deze kalme en sfeervolle reis door het hedendaagse Vietnam is aangekleed met huiveringwekkende beelden uit dat zwarte verleden en wordt zo meteen een hypnotische tocht naar het ‘heart of darkness’ van de oorlog – en het hart van een jonge man die weigerde om zich neer te leggen bij oorlogsmisdaden en die ervan overtuigd raakte dat hij een belangrijk verhaal op het spoor was gekomen. ‘Death is our business’, stond er volgens Shimkin op één van de Amerikaanse helikopters, die dood en verderf zaaiden in de Mekongdelta. ‘And business is good.’

In de Verenigde Staten zat, na de commotie rond het bloedbad in het dorpje My Lai in 1968, echter niemand te wachten op nóg een voorbeeld dat de oorlog in Vietnam niet deugde. Met Alec Shimkin verdween dus ook het verhaal van Operation Speedy Express in een nooit meer te openen bureaulade, die Kasper Verkaik nu vol overtuiging openrukt.

De Indische Tafel: Jongens Van De Japanse Kampen

Pieter van Huystee Film / NTR

Nadat hij met een belletje heeft geklingeld, spreekt Hans Rasker de andere genodigden aan de Indische tafel toe. ‘Hartelijk welkom bij deze laatste maaltijd voor de zomervakantie’, zegt hij tegen de leden van de tamelijk chique mannenclub, waarna ie even recht in de camera kijkt. ‘En Pieter, jij ook van harte welkom en je medewerkers.’

Pieter is documentaireproducent Pieter van Huystee, de maker van Als Ik Mijn Ogen Sluit (2024), een persoonlijke film over de ervaringen van zijn eigen moeder en oma en andere Nederlandse vrouwen, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in een Jappenkamp zaten. Nu laat hij de mannen, bij wie zijn vader ooit aan tafel zat, de ogen sluiten en speelt dan in op wat er bij hen bovenkomt, verhalen die ze verder alleen met elkaar delen.

Verhalen ook die ze, vanwege hun jonge leeftijd, soms alleen uit de overlevering kennen – hoewel hun ouders er lang niet altijd happig op waren om ze na de oorlog te vertellen. De inmiddels gepensioneerde ‘jongens’ verlaten zich op hun prille geheugens en op wat er bewaard is gebleven van hun levens in het voormalige Nederlands Indië: dagboeken, brieven, foto’s, tekeningen, boeken, knuffels en andere herinnerdingen.

De Indische Tafel: Jongens Van De Japanse Kampen (70 min.) is hun gezamenlijke relaas over een kindertijd die een kwestie van overleven werd. Dat lukte niet iedereen. Zoals ook sommige moeders zouden bezwijken aan de ontberingen van het kamp. Honger, ziekte en geweld werden menigeen te veel. Intussen raakte hun vader, met wie ze na de oorlog herenigd hoopten te worden, steeds verder op de achtergrond.

Van Huystee omlijst de herinneringen van deze ontheemde mannen, die zich tachtig jaar later nog steeds niet altijd thuis voelen in Nederland, met een uitgebreide collectie archieffoto’s en -beelden en versterkt de dramatische loop van zijn vertelling met een uitgesproken soundtrack. Zo roept hij de klamme hitte, zoemende krekels en geur van kretek-sigaretten op van een verloren wereld, die maar niet vergeten kan worden.

Als ze tien worden – halverwege deze geladen film – moeten de jongens het kamp verlaten, weg bij hun moeders. Ze hebben geen idee waar ze naartoe gaan. ‘Niemand huilde’, herinnert één van hen zich. ‘De vrouwen hielden zich allemaal goed. En wij waren ook stil. Ik geloof niet dat er één jongetje huilde.’ Op de dag vóór zijn vertrek wordt er, bij gebrek aan foto’s, een tekening van hem gemaakt. En dan wacht het onbekende…

Holland Gate – De Vlucht Uit Kabul

KRO-NCRV

Niemand had zien aankomen dat de Taliban de macht in Afghanistan in augustus 2021 zo snel zouden kunnen overnemen. Behalve iedereen die op de hoogte was van de situatie ter plaatse.

Voor de medewerkers van de Nederlandse ambassade in Kabul kwam dit volgens plaatsvervangend ambassadeur Ceel Roels in elk geval helemaal niet als een verrassing. Toch hield de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Sigrid Kaag, in de Tweede Kamer staande dat het tempo van de opmars van de Taliban de hele internationale gemeenschap had overvallen. Zij is ook de grote afwezige in het vierdelige docudrama Holland Gate – De Vlucht Uit Kabul (123 min.) over Nederlands vertrek uit Afghanistan, waarin haar ministerie flink onder vuur wordt genomen.

Er was nóg een opvallend meningsverschil: de ambassade wilde alle zestig lokale medewerkers evacueren, Den Haag slechts drie. Daarnaast is er het verhaal van het ambassadeteam, dat al was vertrokken toen de nood aan de man kwam op het vliegveld van Kabul en ‘burger’ Janno Cazemier, die hier z’n verhaal doet, verantwoordelijk maakte voor de evacuatie van tolken en andere Afghaanse ondersteuners van Nederland. Over wie, via de ‘leave no man behind’-regeling, wel en niet in aanmerking kwamen voor evacuatie, ontstond daarna ook nog politieke discussie.

Die keuze kon letterlijk van levensbelang worden, zo wordt nog eens bevestigd door het verhaal van de Afghaanse vriendinnen Aziza en Mursal, met behulp van acteurs gedramatiseerd, en een aantal plaatselijke medewerkers, die op hun onderduikadres in Afghanistan zijn geïnterviewd. Uit veiligheidsoverwegingen zijn zij stuk voor stuk, soms met behulp van AI, geanonimiseerd. Ze voelden zich aan hun lot overgelaten door de Nederlanders. En dat zorgt bijna vijf jaar later nog altijd voor schaamte bij een aantal direct betrokkenen in Nederland.

Via een gat in een hek konden ‘special forces’ op het vliegveld uiteindelijk de veilige plek creëren waaraan deze miniserie, naar een idee van Els van Driel en geregisseerd door Joey Boink en Annemieke Ruggenberg, zijn naam ontleent – al verwijst die titel ongetwijfeld ook naar Watergate en alle andere Gate-schandalen. Want de politici, diplomaten en experts in Holland Gate zijn duidelijk ook van mening dat Nederland z’n ‘ereschuld’ naar Afghaanse medewerkers niet heeft ingelost en de kastanjes bovendien uit het vuur heeft laten halen door vrijwilligers.

Het was een ‘clusterfuck’, aldus CDA-kamerlid Derk Boswijk, tegenwoordig staatssecretaris van het Ministerie van Defensie. Samen met partijgenoot en oud-minister Ank Bijleveld, het kritische kamerlid Salima Belhaj (D66) en voormalig staatssecretaris van Justitie en Veiligheid Ankie Broekers-Knol (VVD), die met de suggestie dat er mogelijk 100.000 Afghanen naar Nederland zouden komen nog flink olie op het vuur gooide, verzorgen zij de politieke terugblik op een affaire, waarbij letterlijk mensenlevens op het spel stonden.

Dit gaat consequenties hebben voor militaire missies in de toekomst, concludeert Boswijk aan het eind van deze ontluisterende ontleding van Holland Gate. ‘Wie wil er nog voor Nederland werken als je weet dat, als het fout gaat, je in de steek wordt gelaten?’

American Doctor

Tiny Boxer Films

Hij dwingt de filmmaakster om voor haar eigen camera kleur te bekennen. De Joods-Amerikaanse orthopedisch chirurg Mark Perlmutter toont Poh Si Teng in de openingsscène van American Doctor (93 min.) beelden van zijn werk in Gaza. En hij wil dat zij die ook voorschotelt aan de kijkers van haar documentaire.

‘Deze eerste foto laat de kinderen zien die we in feite direct elimineren’, zegt hij geëmotioneerd, bij de aanblik van Palestijnse kinderen die niet meer waren te redden. ‘Dit ga ik blurren of toch niet gebruiken’, reageert Teng afwijzend. Ze wil de waardigheid van de kinderen niet beschadigen. ‘Nee, ik heb de toestemming van hun nabestaanden om deze foto’s te laten zien’, corrigeert Perlmutter. ‘Hun lichamen vertellen het verhaal van dit trauma, van deze genocide. Je bewijst hen geen dienst door die niet te laten zien.’

Tengs documentaire is nog geen drie minuten onderweg en de gewraakte foto verschijnt vol in beeld: zes lichaampjes van Palestijnse kinderen, die het geweld in Gaza niet hebben overleefd. Het is niet om aan te zien, maar moet naar de stellige overtuiging van Mark Perlmutter – en in zijn kielzog dus ook Poh Si Teng – wél worden gezien. Daarmee is ook de missie van deze film helder – en van de protagonisten ervan. Drie Amerikaanse artsen die aandacht vragen – nee: eisen! – voor oorlogsmisdaden in Gaza.

De Pakistaans-Amerikaanse trauma-arts Feroze Sidhwa werkt samen met Perlmutter in het Nasser-ziekenhuis in Khan Younis, in het zuiden van Gaza. Samen met hun collega’s stellen zij in gevaarlijke omstandigheden alles in het werk om gewonde Palestijnse burgers zo goed mogelijk te behandelen. ‘Als deze man het overleeft, dan komt dat door God’, zegt Sidhwa bijvoorbeeld tegen hen na een spoedoperatie, waarbij ze gevoelsmatig met één arm op hun rug moesten werken. ‘Niet door wat wij hebben gedaan.’

Zijn collega Thaer Ahmad, een Palestijns-Amerikaanse spoedarts, zou niets liever doen dan ook zijn bijdrage leveren in Gaza. Hij wordt bij de grens echter steeds tegengehouden door de Israëli’s. In eigen land probeert hij dus aandacht te genereren voor de situatie van de Palestijnen, in het bijzonder voor zijn overtuiging dat het Israëlische leger gericht schiet op journalisten, medisch personeel én kinderen. Artsen zoals zij zien vrijwel dagelijks jonge slachtoffers, beaamt zijn collega Feroze Sidhwa.

In Gaza sterven er volgens hem zelfs zeshonderd keer zoveel kinderen door geweld als in Oekraïne. De gezamenlijke aanklacht van Perlmutter, Ahmad en Sidhwa, die allemaal met hun poten in de modder (en het bloed) hebben gestaan, tegen Israëls optreden in Gaza is nauwelijks te negeren, maar lijkt vooralsnog wel aan dovenmansoren gericht. Met American Doctor zet Poh Si Teng hun wanhopig woedende boodschap nog eens kracht bij: in deze oorlog wordt elk recht geschonden. Wie roept Israël een halt toe?

Als in maart 2025 een staakt-het-vuren wordt beëindigd, volgt er bijvoorbeeld binnen enkele dagen een luchtaanval op een ‘terrorist’ die in het Nasser-ziekenhuis zou verblijven. ‘Dit is de eerste keer dat ik een patiënt die was opgeblazen heb geopereerd die vervolgens werd opgeblazen in zijn ziekenhuisbed’, blikt Feroze Sidhwa, nog altijd strijdbaar, terug. ‘Met zulke situaties krijg je als arts niet vaak te maken.’ Zelf is ie ook door het oog van de naald gekropen. Voor hetzelfde geld was hij bij z’n patiënt geweest.

Deze film wordt daarmee een indringend eerbetoon aan zorgverleners zoals hij, die steeds weer de moed vinden om in een hopeloze omgeving hun essentiële vak te blijven uitoefenen.

Heilig Schuim

VPRO

John Kavakure is een BBB, vertelt hij in de documentaire Heilig Schuim (59 min.). Een Black Belgian Brewer. Als jongeling werd hij in de jaren negentig door Belgische Jezuïeten in de kofferbak van een auto zijn geboorteland Burundi uitgesmokkeld, op de vlucht voor de burgeroorlog die daar was uitgebroken tussen Hutu’s en Tutsi’s. In België belandde de Burundees op het Institut Meurice, waar hij zich als enige zwarte – en soms ook onbegrepen of genegeerde – student verder kon bekwamen in het brouwen van bier.

John is opgegroeid met bier. In zijn jeugd leerde zijn grootmoeder hem al hoe hij met bananen en de graansoort sorghum eigen bier kon maken. Het gerstenat is sowieso alomtegenwoordig in Burundi. De economie van het Afrikaanse land draait er zelfs voor een groot deel op. En ook cultureel speelt bier een belangrijke rol. Bij belangrijke gelegenheden in het leven – van geboorten tot huwelijken – wordt gezamenlijk de fles geheven. ‘In Afrika drinken we geen bier’, zegt Kavakure enthousiast. ‘We delen het!’

Het lag dus voor de hand dat hij ooit terug zou keren naar zijn geboorteland, om er de missie van zijn oma voort te zetten. Met eigen bier: Soma Burundi. Dat bier drink je niet, zegt John als een volleerde marketeer. Dat próef je. Maar of de marktleider, Heineken-dochter Brarudi, ook zo blij was met een plaatselijke concurrent? De vraag stellen is hem beantwoorden. In 2013 vertrok Kavakure alweer uit Burundi. Hij voelde zich er niet meer veilig, vertelt hij in deze documentaire van Thomas Blom en Misha Wessel.

In de film reconstrueren zij Johns levensverhaal niet rechttoe rechtaan, maar laten ze de puzzelstukjes langzaam maar zeker in elkaar vallen. Pas tegen het einde is het totaalplaatje min of meer volledig zichtbaar – al blijft er ook dan nog wel wat te vragen en raden over. Feit is dat bier, de gezelschapsdrank die gewone Burundezen bij elkaar brengt, ook voor tweespalt heeft gezorgd in de voormalige Belgische kolonie, waar de oude koloniale verhoudingen nog altijd doorwerken in Burundi’s heden.

Als hij zich dan toch nog eens in zijn geboorteland meldt, om zijn moeder te bezoeken en een kijkje te gaan nemen bij de brouwerij die hij er heeft achtergelaten, laat John Kavakure, ondanks zijn openlijke trots, gulle lach en sterke ideeën over hoe Soma-bier moet worden gebrouwen, zijn waakzaamheid nooit helemaal varen. Hij weet dat in dit Afrikaanse land, dat hem zoveel heeft gegeven, soms ook zomaar alles weer kan worden afgenomen.

Mariinka

Savage Film

‘Je zult nog versteld staan als we Donetsk terugveroveren’, zegt Mark over de telefoon tegen zijn broer Ruslan. ‘We gaan jullie helemaal kapot maken.’ Ruslan reageert fel. ‘Doe het dan. Ik ben die bedreigingen van jou inmiddels strontzat.’

De broers Zolotko staan recht tegenover elkaar: Mark vecht voor Oekraïne, Ruslan zit in het Russische leger. Ze hebben nog twee broers: Maksim is ernstig gewond geraakt en zit al enige tijd in een rolstoel. En Daniil is, toen ze met z’n vieren nog in een weeshuis in het Oekraïense grensstadje Mariinka (94 min.) zaten, geadopteerd door een christelijke Amerikaanse familie en gaat tegenwoordig door het leven als Samuel Scruggs.

Sam probeert de verwikkelingen in Mariinka, vijf kilometer ten zuidwesten van Donetsk, vanaf de andere kant van de wereld te volgen. Daar wordt de jonge verpleegkundige Natalia Borodynia permanent geconfronteerd met de gevolgen van de oorlog, die in dit gebied al sinds 2014 woekert. Als er weer doden of gewonden zijn gevallen, probeert zij samen met collega’s, vaak tevergeefs overigens, te redden wie er te redden valt.

Nog niet zo lang geleden was Natalia een gewone tiener, die op de middelbare school genoot van dansvoorstellingen en die op weg naar bokstraining de Zolotko-broers leerde kennen. Haar beschadigde jeugdvriendin Angela Pisareva pendelt in deze film van Pieter-Jan De Pue (The Land of The Enlightened), in de loop van tien jaar gefilmd, ondertussen met allerlei smokkelwaar op en neer naar de frontlinie. Zo kan ze overleven.

Via deze jonge Oekraïners, die elk op hun eigen manier overleven, toont de Belgische filmmaker de ontmanteling van hun land, waar alles van waarde daadwerkelijk weerloos is geworden. In een aangrijpende scène treft Natalia in haar verwoeste ouderlijk huis bijvoorbeeld de brokstukken van haar vroegere leven aan: zwartgeblakerde boksmedailles, een feeërieke dansjurk en de foto van haar overleden moeder.

Behalve de grauwe werkelijkheid van opgroeien in oorlogstijd toont Mariinka in wrange poëtische sequenties, begeleid door sacrale muziek, ook wat ooit was, onderweg verloren ging en in de toekomst wellicht weer zou kunnen zijn. In een kapotgeschoten zaal danst Natalia met een medesoldaat bijvoorbeeld nog eens op haar examenbal. De werkelijkheid heeft hen ingehaald, maar het verlangen naar een normaal bestaan blijft.

Deze fraaie en aangrijpende film, geschoten op 16 mm, springt zo voortdurend op en neer in de tijd, door de formatieve jaren van jonge mensen waarmee het leven lelijke trucs heeft uitgehaald, en toont zo op diverse niveaus de totale ontwrichting die oorlog teweeg brengt.

Never Look Away

Greenwich Entertainment

Ze legt de camera als een wapen op haar schouder, om zo de schijnwerper te kunnen zetten op wat anders onbelicht blijft. Met gevaar voor eigen leven. In opdracht van de Amerikaanse nieuwszender CNN trekt cameravrouw Margaret Moth in de jaren negentig van de ene naar de andere brandhaard. Georgië, Irak, Rwanda, Zaïre en Libanon. Net als voor veel collega’s is oorlog als een verslaving voor Moth. Oog in oog met de dood voelt ze zich springlevend.

Waarom Margaret zo is (geworden)? Daarop krijgen CNN-collega’s zoals Christiane Amanpour, Stefano Kotsonis en Joe Duran ook maar geen vat. Ergens in die onverzettelijke cameravrouw zit onmiskenbaar woede, dat zien ze wel. Haar wortels liggen in Nieuw-Zeeland. Daar laat ze zich ook al op jonge leeftijd steriliseren. Geen normaal gezinsleven voor Margaret Moth, die oogt als een zus van Joan Jett. Moth (mot) is overigens een, zo je wilt, artiestennaam. Ze heet eigenlijk Wilson en heeft volgens haar broer Ross en zussen Jan en Shirley heel wat te verbergen en vergeten.

In haar uitvalsbasis Houston leeft ze een wild leven, vol avontuur, drugs en (jongere) vriendjes. En tijdens haar werk staat Moth steeds met haar neus en camera bovenop de actie. Never Look Away (85 min.), juist. Totdat ze in Sarajevo, waar de scherpschutters op ‘Sniper Alley’ gericht op cameramensen schieten, bruut wordt afgestraft voor haar moed, het kantelpunt van deze ferme film van Lucy Lawless. Die tekent Moth levendig op – zonder al het mysterie weg te halen – met behulp van animaties, maquettes van het slagveld en – natuurlijk – het bewijsmateriaal dat zij met haar camera verzamelde.

The Tony Blair Story

VPRO

Even lijkt hij de wereld, of op zijn minst Groot-Brittannië, in zijn hand te hebben. Tony Blair slaagt er in 1998 zowaar in om vrede te sluiten in Noord-Ierland, iets wat zijn conservatieve voorgangers Thatcher en Major niet wilden of konden. Tegenwoordig staat de voormalige Britse premier, die met zijn geheel vernieuwde Labour-partij een einde heeft gemaakt aan achttien jaar heerschappij van The Tories, er véél minder goed op.

Als premier ontwikkelt Blair zich destijds, aan de zijde van zijn Amerikaanse geestverwant Bill Clinton, tot een erkende wereldleider. Ook met Clintons opvolger George W. Bush ontwikkelt hij een ‘special relationship’. Na de terroristische aanslagen van 11 september 2001 volgt ie Bush dus ook bij diens zeer omstreden inval in Irak in 2003. En dan begint ook Blairs ogenschijnlijk onverwoestbare imago af te bladderen.

De hoofdpersoon gaat er zelf eens goed voor zitten aan het begin van deze driedelige serie van Michael Waldman. Hij wordt in The Tony Blair Story (156 min.) in de rug gedekt door zijn echtgenote Cherie, de Amerikaanse politici Bill Clinton en Condoleezza Rice en z’n getrouwen Anji Hunter, Alastair Campbell en de onlangs door de zaak Epstein ernstig in opspraak geraakte Peter Mandelson. Daartegenover staan (zeer) kritische partijgenoten zoals Jack Straw, Clare Short en Jeremy Corbyn.

Tijdens zijn eerste campagne is Tony Blair net een bloem die tot bloei komt in de zonneschijn, stelt schrijver/journalist Robert Harris, die ziet hoe de jurist groeit in zijn rol als politicus, in deel 1 van deze miniserie. Op het toppunt van Blairs roem, wanneer hij in 1999 een sleutelrol heeft gespeeld in het bezweren van het gewapende conflict in Kosovo, bespeurt Harris ook dat de premier losgezongen begint te raken van de realiteit.

Dat neemt tragische vormen aan als hij Groot-Brittannië meesleept in een oorlog in Irak, het onderwerp van aflevering 2, om nooit aangetroffen massavernietigingswapens onschadelijk te maken. Die beslissing was volgens z’n vrouw Cherie in eerste instantie helemaal niet zo vanzelfsprekend. ‘Je moet kiezen. En als Tony eenmaal heeft gekozen, kan hij anderen ervan overtuigen dat dit altijd al de voor de hand liggende keuze was.’

Of dat een teken van te veel zelfvertrouwen is? wil Waldman weten. Daarover houdt Cherie zich op de vlakte. Duidelijk is dat de beeldvorming rond haar man dan definitief verandert: Tony Blair wordt de leugenaar Tony Bliar. De man zelf weigert intussen om zich echt in de kaarten te laten kijken. ‘Als mensen een eerlijk verhaal willen, vraag een leider dan niet om zichzelf te beoordelen. Want dan krijg je een politiek antwoord.’

Hij toont zich strijdbaar in dit breed opgezette en genuanceerde portret, overtuigd van wie hij is, wat hij heeft gedaan en welke resultaten hij heeft geboekt. Een man die door sommigen nog altijd diep wordt geminacht en bij anderen juist op een zekere herwaardering mag rekenen. Een politicus die, wat je ook van hem vindt, tot de beeldbepalende leiders van de afgelopen dertig jaar moet worden gerekend.

Trailer The Tony Blair Story

The Lions By The River Tigris

Amstelfilm

Het waren niet alleen bloeddorstige barbaren, maar ook onvervalste cultuurbarbaren. Alles van waarde bleek in handen van Islamitische Staat (IS) daadwerkelijk weerloos. In de drie jaar (2014-2017) dat de moslimfundamentalisten de lakens uitdeelden in de Noord-Iraakse stad Mosul richtten ze een ongekende ravage aan. Zo’n elfduizend levens gingen er verloren bij het weer bevrijden van de stad, waarna het historische centrum grotendeels verwoest bleek. En kunstwerken en andere artefacten van de stad waren door IS-strijders letterlijk stukgeslagen, kapot geboord of opgeblazen.

Te midden van de ruïnes en het puin, op de plek waar ooit huizen stonden en complete levens zich afspeelden, is nog ergens de ziel van de achtduizend jaar oude stad te ontwaren. Sommige bewoners van Mosul zetten zich actief in om die te bewaren. Zo is de oud-militair Fakhri al Jawal bijvoorbeeld druk doende om een eigen museumpje op te bouwen. In zijn kringloopwinkel verzamelt hij allerlei spullen met culturele, historische of emotionele waarde. Zodat ze niet definitief verloren raken. Fakhri heeft z’n zinnen nu gezet op The Lions By The River Tigris (91 min.)

Dit ruim zeventig jaar oud marmeren wapen met twee leeuwen is verwerkt in een imposante deurstijl. De deur behoort alleen tot het huis van de visser Bashar Salih. Beter: tot wat ooit Bashars huis was. Wat er nog rest van het gebouw kan, net als een groot deel van Mosuls historische centrum, elk ogenblik instorten. En dan zouden ook die twee trotse leeuwen wel eens kunnen gaan hemelen. Bashar is desondanks vast van plan om zijn huis te herbouwen. Zijn eigen vrouw maant hem om dit idee los te laten. Ze moeten verder – of haar echtgenoot dit nu wil of niet.

Bashar weigert echter om de Leeuwen, die hij tijdens het schrikbewind van IS aan het oog onttrok, te verkopen. Fakhri blijft tegelijkertijd aandringen. Totdat het ook zijn maat Fadil al Badri, een violist die sinds de aftocht van IS zijn instrument weer voor de dag heeft gehaald, tegen de borst stuit. ‘Ik voorspel je één ding’, probeert hij zijn vriend tot rede te brengen. ‘Je zult die deur nooit krijgen.’ Fakhri is alleen zo koppig als een ezel. Net als Bashar. Samen vertegenwoordigen zij in deze film het verdriet over wat verloren is gegaan en de hoop dat er van alle ellende toch weer iets is te maken.

Regisseur Zaradasht Ahmed toont ondertussen hoe hun stad langzaam maar zeker begint te ontwaken uit z’n boze droom en weer tot leven komt. Deze ingetogen documentaire, rijk aan symboliek en melancholie, is een eerbetoon aan hoe de mens weer mens wordt en opnieuw de waarde van het leven om hem heen begint te zien. En tussen de brokstukken van hun bestaan begint zowaar ook het gras weer te groeien. En dan volgen de bloemen vanzelf.

Checkpoint

Yoav Shamir Films

‘Als de Palestijnen komen’, zegt een Israëlische soldaat bij de start van Checkpoint (80 min.), ‘dan voeren we onze show op.’ Die voorstelling, het checken van burgers die van en naar Gaza of de Westelijke Jordaanoever willen, wordt in deze observerende documentaire uit 2003 zonder commentaar gadegeslagen door de Israëlische filmmaker Yoav Shamir.

Zijn film speelt zich volledig af bij grensposten, waar Palestijnse burgers zich melden om op bezoek te gaan bij een rouwend familielid, met een ziek kind naar de dokter willen of de laatste voorbereidingen proberen te treffen voor een huwelijk. Zij moeten daarvoor toestemming krijgen van Israëlische soldaten, puberale jongens soms nog, die verantwoordelijk zijn gemaakt voor de veiligheid van hun land.

Bij het checkpunt ontstaat vervolgens een Babylonische spraakverwarring, fel twistgesprek of Kafkaëske crisis. Iemand die van de ene soldaat probleemloos de grens mag passeren, kan een uur later op de terugweg zomaar worden tegengehouden door een ander – en belandt dan in een soort niemandsland tussen hier en daar, met een voor alle betrokkenen frustrerende woordenwisseling als gevolg.

De menselijke maat raakt intussen volledig zoek. Een passagier van een ambulance moet bijvoorbeeld voor elke inzittende uitleggen waarom die zo nodig een behandeling in het ziekenhuis van Nablus moet krijgen en niet gewoon in het nabijgelegen Jenin kan worden geholpen. In spanning wachten de passagiers vervolgens af als de dienstdoende Israëlische soldaat hun identiteitsbewijzen controleert.

Zulke routines worden zowel in de brandende zon als stromende regen uitgevoerd. Gewone burgers zijn volledig overgeleverd aan de procedures – en grillen – van de poortwachters van dienst. Zo nu en dan doorbreekt iemand de patstelling of strijkt een soldaat over zijn hart, maar het dagelijkse ritueel – dat ook het karakter kan krijgen van treiteren, intimidatie of vernedering – blijft natuurlijk gewoon bestaan.

In het klein ontstaan er bij die grensposten, gefilmd in de periode van 2001 tot 2003, steeds weer nieuwe varianten op het conflict dat de wereld een kleine 25 jaar later nog in z’n greep houdt en alleen maar verder is ontspoord.

The Eukrainian

Viktor Nordenskiöld / Freetown Films

Hoe kom je Europa binnen – en dan ook nog in tijden van oorlog? Voor die opdracht ziet de Oekraïense vicepremier Olha Stefanishyna zich gesteld in deze documentaire van Viktor Nordenskiöld. Sinds de Russische aanval op 24 februari 2022 zoekt Oekraïne toenadering tot de Europese Unie. En zij is degene die de entree van haar land uiteindelijk moet bewerkstelligen.

Aan het begin van deze film kijkt The Eukrainian (90 min.) recht in de camera. Stefanishyna ziet daarin zichzelf. ‘Het zou interessant zijn om mezelf te vergelijken met hoe ik eruit zag toen je begon te filmen’, zegt ze tegen de Zweedse documentairemaker. ‘Op beelden heb ik gezien dat ik veranderd ben.’ Waarna Nordenskiöld teruggaat in de tijd, naar die februari-dag waarop ze dat ene verontrustende telefoontje krijgt: Rusland is zojuist haar land binnengevallen.

Hij volgt Stefanishyna in de navolgende twee jaar als zij voorop gaat in het diplomatieke gevecht achter de oorlog, dat eerder ook al inzichtelijk werd gemaakt in films zoals Un Président, l’Europe Et La Guerre (2023) en Facing War (2025). Omdat de strijd zich nu eenmaal niet alleen afspeelt aan de frontlinie of onderhandelingstafel, maar tevens wordt uitgevochten in de publieke ruimte. Ook beeldvorming bepaalt uiteindelijk de uitkomst van die verlammende oorlog.

Met haar idealisme en daadkracht is Olha Stefanishyna een uitstekend visitekaartje voor een land met de aspiratie om lid te worden van de Europese familie – en daarnaast is ze ook gewoon een feilbaar mens. Als ze na een bilateraaltje haar eigen visitekaartje wil overhandigen aan de Zweedse minister Hans Dahlgren, merkt Stefanishyna bijvoorbeeld net op tijd dat ze hem bijna de verkeerde versie geeft. Het kaartje zónder haar telefoonnummer. Grappend: ‘This is for bad people.’

Een cruciaal moment in Stefanishyna’s campagne om haar land de Europese gemeenschap binnen te loodsen is voorzien op 15 december 2023. Dan bespreken Europese regeringsleiders een voorstel om te gaan onderhandelen over Oekraïnes toetreding. De Hongaarse premier Viktor Orbán ligt vooralsnog dwars. Intussen ontstaat er in eigen land discussie over een wetsvoorstel om de rechten van minderheden beter te beschermen, een voorwaarde voor die toetreding.

Tussen de bedrijven door probeert Stefanishyna mens te blijven. Om precies te zijn: moeder. Gedwongen door de omstandigheden moet ze soms afstand nemen van haar kinderen. Zij verblijven vermoedelijk bij haar ex-echtgenoot (die overigens niet in deze boeiende kijk achter de schermen participeert). ‘Het enige wat ik voor mijn kinderen wil, is dat ze de kans krijgen om hun eigen leven te leiden, zegt de vicepremier aan het eind van de film, als ze weer recht in de camera kijkt.

Waarna Olha Stefanishyna, terwijl ze hen langzaam voor haar geestesoog haalt, voorzichtig begint te glimlachen.

Dogs Of War

BBC

Hoewel internationale wetten het inzetten van huurlingen bij gewapende conflicten verbieden, zijn er wereldwijd naar schatting zo’n 100.000 buitenlandse beroepssoldaten actief. ‘Oorlog is verslavend’, vertelt de Britse huursoldaat David Tomkins, die zo’n veertig jaar (mee)vocht en voor wapens zorgde in landen als Somalië, Koeweit, Afghanistan, Sierra Leone en Colombia in Dogs Of War (87 min.). ‘Chaos is verslavend. Het is net een drug. En ik vond het geweldig!’

Zijn carrière als huurling kreeg halverwege de jaren zeventig een pikstart in Angola. Toen er een burgeroorlog uitbrak in het Afrikaanse land, bleek er behoefte aan een explosievenexpert. En Dave had net naam gemaakt in Londen als bankrover. Met zelfgemaakte nitroglycerine bracht hij kluizen tot ontploffing. Zo’n man konden ze goed gebruiken. ‘Ik schaam me diep voor een aantal dingen die in Angola zijn gebeurd’, stelt David een halve eeuw later. ‘Die zouden nooit mogen gebeuren, in welke oorlog dan ook.’

Angola mocht dan een voorbeeld zijn van hoe ’t niet moest. Tomkins had de smaak wel degelijk te pakken gekregen. Volgende missie: het omleggen van president Étienne Eyadéma van Togo. Rationalisatie: de man had zelf zijn voorganger laten liquideren. Oog om oog, tand om tand. Opblazen, die kerel! Zover zou ’t echter nooit komen. Uiteindelijk ging Dave zelfs nog op bezoek bij Eyadéma, vertelt hij in deze boeiende film van David Whitney, waarin ie het verhaal van zijn loopbaan in de oorlogs- en wapenbusiness doet.

Van de revenuen daarvan kon hij zijn gezin prima onderhouden, stelt Tomkins. Er stond zowaar een Rolls Royce in de garage. Intussen viel en valt hij zichzelf niet lastig met ethische vragen. ‘I can’t be sorry for everybody in the world’, legt hij uit. ‘The world is what it is.’ Hij was nu eenmaal ‘proud to be a criminal’. Zo doet de gepensioneerde huurling elke kwestie af met een straffe oneliner. Over de jaren negentig, toen de halve wereld in brand stond, zegt ie bijvoorbeeld: ‘A bad time for the world, but good for me.’

David Whitney verbeeldt ‘s mans herinneringen met enigszins kluchtige reconstructies en kadert ze verder in met quotes van direct betrokkenen, deskundigen en de huurlingen Alex Lennox, Dean Shelley en Peter McAleese (die samen met Tomkins ook al was te zien in Killing Escobar, Whitneys reconstructie van hun mislukte moordaanslag op de Colombiaanse drugscrimineel). Samen schetsen zij letterlijk een gewetenloze business, waarin het eigen gewin voorop staat en de rest een zorg is voor anderen of voor later.

Als ík ‘t niet zou doen, zegt David Tomkins bijna letterlijk, dan zou een ander ’t doen. En wanneer David Whitney maar blijft doorvragen naar zijn gevoelens over z’n roemruchte verleden, schiet dat bij hem in het verkeerde keelgat. Hij heeft helemaal geen berouw. ‘I wouldn’t swap one day of my fucking life for you or anybody else’, bijt hij de filmmaker toe. ‘I live for me and my family only. That’s the end of the story… Done!’

The Lives Of My Father

DR Sales

Als nieuwsproducer heeft zijn vader de halve wereld gezien. Hij reisde van brandhaard naar conflictgebied. En overal maakte ie foto’s van zichzelf, liefst met een volautomatisch wapen in de hand. In Bosnië, Cambodja, Syrië, Congo, Iran, Cuba en Afghanistan. Totdat Bjørn Hallstrøm, thuis in Noorwegen, zijn auto aan de kant van de weg zette en aan z’n zoon Didrik bekende dat hij een dubbelleven had geleid. Bjørn beweerde dat hij al die jaren een spion voor de Amerikaanse inlichtingendienst CIA was geweest.

Boven op zolder heeft Didrik een doos met oude VHS-videobanden liggen. Als hij die laat digitaliseren, weet de Noorse veertiger niet wat hij ziet. Zijn vader in Koeweit bijvoorbeeld. ‘Rambo!’ roepend, schiet hij, quasi-stoer, een mitrailleur leeg in de lucht, naar z’n denkbeeldige vijand, de Iraakse leider Saddam Hoessein. Bjørns zoon besluit hem op te zoeken. Hij woont tegenwoordig in de Bulgaarse hoofdstad Sofia en nadert het einde van z’n leven. Daar voelt Didrik hem aan de tand over The Lives Of My Father (86 min.).

Op een zolderkamer biecht Bjørn Hallstrøm aan zijn zoon op hoe hij z’n televisiereportages gebruikte als dekmantel voor zijn werk als spion. Enkele jongeren die hij daarvoor meenam naar het buitenland en in gevaarlijke situaties bracht, tasten daarover nog altijd in het duister. Totdat filmmaker Magnus Skatvold hen op de hoogte brengt van wat die flamboyante producer achter hun rug uitspookte. Hallstrøms strapatsen zorgden ook thuis voor steeds meer problemen, vertelt zijn ex-vrouw en Didriks moeder Jane.

Terwijl zijn verhalen van diverse kanten worden aangevuld en bevestigd – door presentatrice Bettina Rasmussen, cameraman Anders Berg en zijn jeugdvriend Hans Jørgen Insulan bijvoorbeeld, die beweert overal vanaf te hebben geweten – blijft Bjørn, ondanks de longziekte COPD, roken als een ketter. Hij is oud geworden. Een breekbare man uit een andere tijd, met z’n eigen vaderissues. Niet zonder trots schetst hij zijn verborgen bestaan, waarin ie ook nog voor een Britse geheime dienst actief zou zijn geweest.

‘Als ik de keuze had gehad tussen mijn werk en mijn gezin’, laat Hallstrøm zich aan het eind van deze documentaire ontvallen, ‘dan zou ik waarschijnlijk voor mijn werk hebben gekozen.’ Dat is geen verrassing voor zijn zoon. ‘Ik heb altijd het gevoel gehad dat je ergens anders wilde zijn’, zegt hij. Want wat er ook gebeurde in zijn kinderleven, voor z’n vader was er altijd iets belangrijker. Net als Bjørn is hij met één ouder opgegroeid. Voor hem was nooit meer weggelegd dan een bijrol als verweesd kind van de held in een waanzinnige avonturenfilm.

‘Dit begint verdacht veel op psychoanalyse te lijken, Didrik’, verzucht Bjørn. Hij kiest in deze boeiende film, die ook beschikbaar is als miniserie onder de noemer The Agent – The Life And Lies Of My Father, zijn vaste uitweg: een sigaretje.

Gerry Adams: A Ballymurphy Man

Galway Film Fleadh

Hij belichaamt als geen ander de afgelopen halve eeuw van Noord-Ierland. Toen ‘The Troubles’ losbarstten, sloot Gerry Adams zich aan bij het gewapende verzet van de Irish Republican Army (IRA) tegen de Britse overheersing. Later ontwikkelde hij zich tot het gezicht van Sinn Féin, de politieke tak van de IRA, en behoorde hij tot de architecten van het zogeheten Goedevrijdagakkoord in 1998, dat nu alweer ruim 25 jaar voor vrede zorgt op dit woelige stukje aarde dat ook wel Ulster wordt genoemd.

De ene Noord-Ier (of Brit) kan het bloed van de katholieke activist nog altijd wel drinken, terwijl een andere Noord-Ier juist zweert bij Gerry Adams: A Ballymurphy Man (117 min.). De Engelse documentairemaakster Trisha Ziff behoort in elk geval niet tot de eerste categorie. Zij voelt hem tenminste niet uitgebreid aan de tand over zijn bijdrage aan het sektarische geweld, zoals z’n vermeende rol als brein achter IRA-aanslagen. Deze beschuldiging stak onlangs weer de kop op in Say Nothing (2024), de veelgeprezen dramaserie die is gebaseerd op een non-fictie bestseller van Patrick Radden Keefe.

Dat zit ook ingebakken in de vorm van dit portret, waarin Adams zelf zijn levensverhaal doet, zonder vragen of andere sprekers, en daarmee meteen chronologisch Ulsters recente historie doorloopt, die wordt geïllustreerd met een weelde aan archiefmateriaal. De documentaire werd gefilmd in de loop van vijf jaar, die ogenschijnlijk vooral aan interviews zijn besteed, en heeft het karakter gekregen van een autobiografie. Dat heeft bij een sleutelfiguur zoals Gerry Adams beslist z’n waarde, maar dus ook zo z’n beperkingen. Want het achterste van zijn tong laat ie doorgaans niet zien.

Het is natuurlijk de vraag wat kritische bevraging van deze door de wol geverfde spreekbuis zou hebben opgeleverd. Elke vraag is waarschijnlijk al eens aan hem gesteld. En het antwoord, op z’n minst in gedachten, allang geformuleerd. Zoals elk deel van zijn leven ook z’n eigen oneliner heeft gekregen. Zijn jeugd in de wijk Ballymurphy in Belfast bijvoorbeeld, als telg van een zéér arm gezin. ‘Maar niemand die dat doorhad, want iedereen in onze omgeving was straatarm.’ Of de vijandigheid en het gevaar die hem al z’n hele leven ten deel vallen. ‘Ik ben gezegend met waardeloze moordenaars.’

Een bevlogen man die inmiddels plaats heeft gemaakt voor een nieuwe generatie Noord-Ieren en die nu nog eens goed op z’n praatstoel gaat zitten. Hij heeft ontegenzeggelijk iets te zeggen en krijgt daar in deze film ook alle gelegenheid voor.

The Stringer: The Man Who Took The Photo

Netflix

In december 2022, vijftig jaar na dato, krijgt fotograaf Gary Knight van de belangenorganisatie The VII Foundation een telefoontje van Carl Robinson, een voormalige fotoredacteur van het Amerikaanse persbureau Associated Press (AP) in Saigon: die ene foto van het Vietnamese ‘Napalmmeisje’ Kim Phúc, misschien wel de meest iconische oorlogsfoto ooit, is helemaal niet gemaakt door AP-fotograaf Nick Út, die er een Pulitzer Prize en de World Press Photo Of The Year van 1973 mee won. Het tragische beeld van een naakt negenjarige meisje met ernstige brandwonden zou in werkelijkheid zijn gemaakt door een Vietnamese freelancer.

Wie The Stringer: The Man Who Took The Photo (103 min.) was, is altijd onbekend gebleven. Dat Huỳnh Công Út, alias Nick Út, de bekroonde foto niet had gemaakt, was destijds wel ‘een publiek geheim onder Vietnamese fotografen’, ontdekt Gary Knight. Aan hem de taak om een halve eeuw later alsnog diens naam te ontdekken en vervolgens te bekijken of de fotograaf nog in leven en op te sporen is. Tijdens zijn uitgebreide onderzoek, de basis voor deze boeiende documentaire van Bao Nguyen, maakt hij een rondgang langs allerlei direct betrokkenen en ooggetuigen. Hij stuit op stilzwijgen, tegenwerking én de identiteit van de stringer: Nguyen Trành Nghê.

Stukje bij beetje, ook met behulp van een analyse van de foto’s en filmbeelden die op de bewuste dag zijn gemaakt, verzamelt Knight alle puzzelstukjes van wat er zich op 8 juni 1972 heeft afgespeeld bij de Cao Dai-tempel in Trang Bang, zo’n vijftig kilometer van Saigon. Een cruciale rol was daarna ook weggelegd voor AP-eindredacteur Horst Faas. Hij had zo z’n eigen motieven, zowel professioneel als persoonlijk, om de klassiek geworden foto toe te schrijven aan Út, een 21-jarige Vietnamese fotograaf met een beladen familiehistorie bij Associated Press. En die heeft vermoedelijk een doorslaggevende rol gespeeld in de afwikkeling van de zaak.

De gevolgen daarvan zijn in feite voor alle betrokkenen tragisch, toont deze genuanceerde reconstructie aan. Ook voor de man die een halve eeuw onterechte eer van zich af moet schudden en daar voorlopig nog niet aan wil. Deze kwestie ken écht alleen verliezers. Net als de oorlog zelf.