AKA Jane Roe

FX

Ze heet Norma McCorvey. Maar Amerikanen kennen haar als Jane Roe. Van Roe versus Wade, de geruchtmakende rechtszaak die in 1973 leidde tot de legalisering van abortus in de Verenigde Staten. Zij zorgde er dus hoogstpersoonlijk voor dat Amerikaanse vrouwen baas in eigen buik werden. En toen, ruim twintig jaar later, keerde ze zich als donderslag bij heldere hemel ineens tégen het recht voor vrouwen om hun zwangerschap te beëindigen.

In AKA Jane Roe (80 min.) doen McCorvey, oud en broos inmiddels, en voormalige mede- en tegenstanders haar levensverhaal, dat wordt gedomineerd door die ene stap waardoor ze in de geschiedenisboeken zou belanden. Daarachter zit echter geen verheven idealiste – geen Rosa Parks zogezegd – maar een volkse vrouw met een scherpe tong, problematisch leven en flinke gebruiksaanwijzing. Die bovendien beweert dat ze zelf nooit een abortus heeft ondergaan.

Met haar beslissing om een handtekening te zetten onder de principiële zaak van ‘Jane Roe’ heeft ze echter een culturele oorlog in gang gezet, die met alle mogelijke middelen wordt uitgevochten en die haar land bijna een halve eeuw later nog altijd tot op het bot verdeelt. Ook ideologische tegenstanders van abortus komen aan het woord in deze spannende film van Nick Sweeney. Voor hen betekent ‘pro-choice’ in werkelijkheid ‘pro-death’.

Uiteindelijk krijgen ze met die boodschap halverwege de jaren negentig zowaar vat op het gezicht van het Amerikaanse recht op abortus: de vrouw die demonstranten bij een abortuskliniek even tevoren nog voor de grap heeft uitgenodigd om ‘gebarbecuede baby’s’ te komen eten. Voor het oog van de camera laat Norma McCorvey zich dopen en pleegt het ultieme verraad: ze wordt lid van de pro-life organisatie Operation Rescue, die natuurlijk wel raad weet met deze promotionele buitenkans.

En dan blijkt dat achter McCorveys plotselinge ommekeer een héél saillante geschiedenis schuil gaat, die deze documentaire naar een krachtige en lekker ongemakkelijke climax stuwt…

Saving Face

‘Ik word nooit meer zoals God me ooit heeft gemaakt, maar hopelijk wordt het nog wat beter voor mij’, zegt een Pakistaans meisje, dat haar halve gezicht achter een sluier moet verbergen.

‘Het kostte één seconde om mijn leven te ruïneren’, stelt een andere vrouw, die een oog dreigt te verliezen. Nadat de 39-jarige Zakia echtscheiding wilde aanvragen, werd ze door haar eigen man Pervez geattaqueerd. ‘Één seconde.’

‘Mijn echtgenoot gooide zuur op me’, vertelt Rukhsana bedremmeld. ‘En mijn schoonzus gooide daar benzine bij. Toen heeft mijn schoonmoeder een lucifer aangestoken en me in brand gezet.’

Het zijn gruwelijke herinneringen, waarbij het relaas van Rukhsana nog eens extra pijnlijk aandoet. Want zij woont inmiddels weer in bij diezelfde schoonfamilie. Het lukte de 25-jarige vrouw niet om zelfstandig haar kinderen te onderhouden, vertelt ze huilend. Rukhsana heeft daarom vrede moeten sluiten met de mensen die haar voor het leven hebben verminkt en woont nu ook weer op de plek waar de aanval heeft plaatsgevonden.

Yasir, haar wat sullig ogende echtgenoot, ontkent die overigens. Volgens hem heeft zijn vrouw het zichzelf aangedaan. Per ongeluk, in een hysterische bui. Kijk maar eens om je heen op de brandwondenafdeling van het ziekenhuis, zegt hij. ‘99 Procent van de vrouwen daar heeft zichzelf verbrand.’ Yasir heeft zelf overigens een opvallende brandwond op zijn rechterhand. ‘Die is van het doven van het vuur’, zegt hij hakkelend, als daar eens naar wordt gevraagd.

Bij het verhaal van de gehavende Rukhsana krijgt zelfs Mohammad Jawad het even te kwaad. In een hospitaal te Islamabad probeert de Britse plastische chirurg, van oorsprong Pakistaans, de vrouwen te helpen. Saving Face (40 min.) juist. Als in: het gezicht repareren. Maar ook: als poging van de betrokken mannen om gezichtsverlies te voorkomen of beperken. En daarvoor is in bepaalde kringen, blijkbaar, heel veel geoorloofd.

Per jaar worden in Pakistan ongeveer honderd vrouwen ongenadig toegetakeld met zulke zuuraanvallen. Deze indringende korte documentaire van Daniel Junge en Sharmeen Obaid Chinoy, in 2012 beloond met een Oscar, stelt die kwestie nadrukkelijk aan de orde en brengt tevens het verschrikkelijke leed dat de vrouwen is berokkend in beeld. En het doet bijna letterlijk pijn om dat te aanschouwen.

Saving Face kreeg overigens nog wel een naar staartje via een in de pers breed uitgemeten conflict tussen Rukhsana en filmmaakster Sharmeen Obaid Chinoy. Die laatste zou haar allerlei beloften hebben gedaan, die nooit zijn nagekomen.

Heilig Boontje

KRO-NCRV

‘Papa, weet je hoe de hostie wordt gezegend?’ vraagt de achtjarige Merle. Het Limburgse meisje geeft zelf antwoord: ‘Met een wc-borstel.’

‘O, zo’, zegt vader als hij de hele uitleg van zijn dochter heeft aangehoord. ‘Ja, dat is wijwater.’

‘Wat is wijwater?’

‘Dat is heilig water.’

‘Wat is heilig water?’

‘Dat is ook gezegend.’

‘En wat is gezegend?’

Voor dat antwoord heeft papa wel wat meer woorden nodig. Iets met een tekst, schoonspoelen en magische woorden.

Die verhandeling roept echter weer zijn eigen vragen op bij zijn dochter. Het is duidelijk: Merle neemt die aanstaande Heilige Communie bloedserieus. En Eva Nijsten heeft daarover een hartstikke leuke jeugddocu gemaakt: Heilig Boontje (15 min.).

Haar hoofdpersoon leeft op een lekker ongecompliceerde manier toe naar dat bijzondere moment, dat haar ouders als kind heel intens hebben beleefd. En als je een communiefeest geeft, krijg je veel cadeautjes. Dat weet Merle natuurlijk ook best. Net als haar vriendjes. Of ze nu gelovig zijn of niet.

Nijsten laat Merle zelf haar vader, opa, klasgenootjes en vriendjes interviewen. Dat is een bescheiden meesterzet. Het levert ontwapenende gesprekjes op over het geloof en de eerste communie, waaraan in bepaalde Roomse dorpen blijkbaar nog heel veel tijd en aandacht wordt besteed.

Blasphemy

VPRO

‘Onthoofd alle godslasteraars’, scanderen de bezoekers van een politieke bijeenkomst van Tehreek-e-Labbaik Pakistan (TLP) in het najaar van 2018. Khadim Hussain Rizvi, leider van de religieuze partij, zet de menigte naar zijn hand. Hij heeft zijn zinnen gezet op de politieke macht in Pakistan. De man oogt als de archetypische extremistische moslim. Type Taliban of Islamitische Staat. Met het vuur in de ogen, een gal spuitende mond en nog net geen kromzwaard in de hand.

Voor de gemiddelde westerling slaat Rizvi onbegrijpelijke, angstaanjagende taal uit. ‘Een ieder die de Heilige Profeet beledigt of zijn status als de laatste Profeet betwist is volgens de sharia een godslasteraar’, zegt de scherpslijper bijvoorbeeld. ‘Zo’n ernstig vergrijp is onvergeeflijk.’ En sinds 1986 staat er inderdaad de doodstraf op godslastering in Pakistan. Getuige de documentaire Blasphemy (75 min.) zorgt dit voor een ronduit unheimische atmosfeer in het islamitische land.

Om de eer van de profeet te redden (of gewoon om een onderlinge rekening te vereffenen) kan iemand zomaar worden beschuldigd van blasfemie en wordt geweld tegen ongelovigen min of meer gelegitimeerd, met moord en doodslag op de ‘lasteraars’ of de mensen die het voor hen opnemen tot gevolg. Filmmaker Mohammed Ali Naqvi geeft beide zijden van het debat het woord: de aanklagers en geestelijken die blasfemie genadeloos willen afstraffen en de vermeende lasteraars en hun pleitbezorgers, die worden beperkt in hun vrijheid van meningsuiting en bovendien ernstig bedreigd.

Terwijl de verkiezingen van 2018 naderen, wordt de discussie steeds verder op de spits gedreven en kan nog meer geweld bijna niet uitblijven. Blasphemy registreert dit proces nauwgezet en brengt zo tevens een naargeestige, beklemmende en, voor de gemiddelde westerling, ook totaal onbegrijpelijke wereld in beeld. Waar de overtuiging van de één, desnoods met redeloos geweld, wordt opgelegd aan een ander.

De documentaire Blasphemy is hier te bekijken.

Angels On Diamond Street

Vanaf de muur kijkt Martin Luther King goedkeurend toe hoe inwoners van Noord-Philadelphia op plastic borden een maaltijd krijgen geserveerd. Al 34 jaar wordt er in de soepkeuken van The Church of the Advocate eten uitgedeeld aan buurtbewoners die het wel kunnen gebruiken. De voedselvoorziening is oorspronkelijk ontstaan als een initiatief van de Black Panther-beweging en huldigt nog altijd de idealen van de burgerrechtenbeweging.

Als de Mexicaanse vrouw Carmela Hernandez en haar vier kinderen, die al enkele jaren illegaal in het land verblijven en nu dreigen te worden uitgezet, hun toevlucht zoeken in de kerk, aarzelen pastor Renee McKenzie en haar gemeenschap geen ogenblik. Het gezin wordt met open armen ontvangen. Met dit staaltje burgerlijke ongehoorzaamheid kan ook de documentaire Angels On Diamond Street (87 min.) echt van start.

‘Dit is niet Donald Trump’, doceert vrijwilliger Barbara Easly-Cox, terwijl ze een muurtekening in de kerk, van een diabolisch ogende witte man met een vervaarlijke hond, laat zien aan haar nieuwe gasten. ‘Dit schilderij dateert van begin jaren zeventig. Hij staat voor het Jim Crow-tijdperk.’ Voor de strijdbare Easly-Cox zijn de historische parallellen echter onmiskenbaar. ‘Carmela’s verhaal is ons verhaal.’

Twee jaar lang volgt Petr Lom met zijn camera de ontwikkelingen in de activistische parochie. Tot héél enerverende ontwikkelingen leidt dit niet. Deze documentaire slaagt er vooral in om van binnenuit een hechte gemeenschap te portretteren, die een veilige haven biedt aan gewone stervelingen voor wie de veel bewierookte Amerikaanse Droom altijd buiten handbereik is gebleven.

Buddha In Africa

NCRV / BOS

In het hart van Afrika krijgen kinderen een Chinese naam. Ze leren Mandarijn, eten (vegetarisch) met stokjes en krijgen onderricht in kung fu. Het weeshuis ACC in Malawi wordt gerund door de Boeddhistische oprichter Hui Li en een groep Chinese leerkrachten, die de Afrikaanse kinderen met tucht en discipline opvoeden.

De ultieme beloning is de mogelijkheid om door te studeren in China. Het vijftienjarige kung fu-talent Enock Bello (Chinese naam: Alu) krijgt die kans, maar erg veel zin heeft hij er eigenlijk niet in. Net als veel andere kinderen zou ‘Alu’ zich het liefst bevrijden van het Chinese juk. Maar wat is zijn alternatief? De jongen redt zich inmiddels beter in het Mandarijn dan in zijn eigen taal.

Met Buddha In Africa (93 min.) laat regisseur Nicole Schafer zien hoe de geschiedenis in Afrika zich blijft herhalen; waar zomaar een christelijke missieschooltje had kunnen staan, heeft zich nu een Chinees internaat op Boeddhistische grondslag gevestigd. De activiteiten van de verantwoordelijke liefdadigheidsinstelling zijn tevens een treffend voorbeeld van hoe China, dat jarenlang met zijn rug naar de rest van de wereld stond, zich nu actief bemoeit met het dagelijks leven op een ander continent.

De bevoogding van Afrikaanse jongeren zoals Enock begint gaandeweg steeds nadrukkelijker te schuren in deze observerende film. Ze raken vervreemd van hun directe omgeving, ten faveure van een cultuur waarvan ze ook nooit volwaardig deel kunnen uitmaken. Zo blijkt dat de weg naar de hel, zelfs als je persoonlijke verlichting nastreeft, toch geplaveid kan zijn met goede bedoelingen.

Sama

Human

Een Palestijnse moslima als deejay. Waarom niet eigenlijk? De 25-jarige Sama reist inmiddels continu van het ene technofeest naar de andere danceparty. Ze komt oorspronkelijk uit Ramallah en woonde jarenlang in het hectische Caïro, maar opereert tegenwoordig vanuit Parijs, waar ze vlakbij het vliegveld woont. Geen plek om echt te relaxen, maar wel zo handig als je uit een koffer leeft.

In Sama (13 min.) doorkruist de jonge Palestijnse vrouw in een onmogelijk tempo de wereld. Als een onversaagde boodschapper voor haar eigen muziek, waarin een kosmopolitische aard doorklinkt. ‘Ik breek techno’, zegt ze daarover in dit lekker snelle en straf gemonteerde portret van regisseur Jan Beddegenoodts. ‘Of techno breekt mij.’

De Palestijnse wereldburger bereikt intussen de halve aardkloot. Alleen naar Israël gaan ligt tegenwoordig moeilijk. Het is daarom maar de vraag of een show in Haifa kan doorgaan. Sama wil echter zeker geen politieke boodschap uitdragen, zegt ze beslist. Of het moet zijn dat ook zij, Palestijnse jongeren, ‘gewoon’ willen feesten. Net als de rest van de wereld. Als dat niet verbroedert…

Bikram: Yogi, Guru, Predator

Netflix

Hoe is het toch mogelijk dat anderen direct kunnen zien wat voor jou soms heel lang verborgen blijft? Neem Bikram Choudhury. Één blik op deze blitse yogaleraar, meestal alleen gekleed in een Speedo, is eigenlijk voldoende: charlatan, machtswellusteling en seksfreak. Toch weet de man vanaf begin jaren zeventig een enorme schare volgelingen op te bouwen. Hij wordt de ‘bad boy van yoga’ gedubd. McYoga zelfs. En met zijn ‘martelkamer-aanpak’ weet de Indiase yogameester in de Verenigde Staten een lucratieve franchise op te bouwen. Waarbij ‘s mans massale lerarentrainingen een geweldige ‘cash cow’ werden.

Kijk er een fractie van een seconde naar in de documentaire Bikram: Yogi, Guru, Predator (95 min.) en je ziet: een slinkse combinatie van grootspraak, vernedering en groepsdruk. Vervat in platte, semi-diepzinnige oneliners. Zijn leerlingen hebben evenwel het gevoel dat hij recht in hun ziel kijkt, hen de straf geeft die ze al zo lang verdienen en – uiteindelijk – een beter mens van hen zal maken. Wat zien zij wel en wij, de buitenstaanders, niet? En waarom zien zij niet dat dit onmogelijk goed kan blijven gaan? Iets wat elke outsider vanaf de allereerste minuut voorziet?

Deze stevige film van Eva Orner wordt afgewikkeld volgens het inmiddels welbekende #metoo-sjabloon: man met machtspositie dringt zich op bij van hem afhankelijke jonge vrouw en overschrijdt langzaam maar zeker al haar grenzen. Het overkwam bijvoorbeeld Sarah Baughn, die later een rechtszaak tegen Bikram zou aanspannen. Nadat ze door hem was overweldigd, hoorde ze zichzelf bij vertrek gewoon ‘goedenacht, chef’ zeggen. Zo waren de verhoudingen. Hij was de baas. En zij was gebaat bij zijn goedkeuring, dat ook. Mede daardoor duurde het zo lang voordat de zaak publiek werd: allemaal wilden ze een eigen Bikram-school runnen en bleven ze ook in de achterliggende filosofie geloven.

Bikram zelf blijft intussen een enigma. De archetypische goeroe die ook maar gewoon een man van vlees, dat vooral, en bloed blijkt te zijn. Uitgerust met dat typische roofdierachtige instinct, waarmee hij onmiddellijk het zwakste plekje van anderen weet te vinden en dit vervolgens genadeloos exploiteert. Zou deze Bikram, een goeroe tenslotte, zien wat wij zien als we naar hem kijken? Het lijkt er vooralsnog helemaal niet op. Aan het eind van de film blijkt dat hij zijn werkterrein simpelweg heeft verlegd. En daar ziet blijkbaar (nog) niemand wat wij, kijkers van deze frontale aanval, niet meer kunnen aanzien.

The Sea Between Us

IDFA

Bijna dertig jaar na het officiële einde van de burgeroorlog in Libanon ijlt de strijd nog altijd na. In The Sea Between Us (102 min.) volgt filmmaakster Marlene Edoyan, die zelf in Libanon opgroeide, twee vrouwen die op een heel verschillende manier omgaan met de erfenis van hun verscheurde land, waar sjiieten, christenen en soennieten vreedzaam samen proberen te leven.

De blonde Falangiste Wafaa Khayrallah lijkt nog steeds achter elke boom een vijand te zien. Ze wapent zichzelf en haar onwillige tienerzoon, die echt geen zin heeft om te oefenen met die luchtbuks, tegen een mogelijke nieuwe oorlog. De islamitische Hayat Fakhereldine lijkt een verzoenendere toon te hebben gevonden. Zij zoekt verbinding met de mensen om haar heen.

Edoyan alterneert in deze stemmige film tussen de twee vrouwen. Zij kijkt en luistert bijvoorbeeld mee als ze een oud-strijder of de ouders van een martelaar ontmoeten. Lange gesprekken over oorlog, de wonden die deze heeft geslagen en of – en zo ja: hoe – die kunnen worden geheeld. Tussendoor is er ook nog het gewone leven, bijvoorbeeld als Wafaa haar hulp in huis, die illegaal in het land verblijft, probeert te bewegen om tóch bij haar te blijven werken.

Ook op die momenten is en blijven de politieke verhoudingen in het land en de regio, Syrië in het bijzonder, te allen tijde op de achtergrond aanwezig. Via de twee parallel vertelde levens belicht Edoyan zo de actuele situatie in deze voormalige brandhaard van het Midden-Oosten, waar in de aanloop naar parlementsverkiezingen de tegenstellingen weer eens ouderwets worden vergroot.

Khartoum Offside

‘Voetbal is voor mannen en niet gepast voor vrouwen’, verordonneert de Islamitische Jurisprudentie Organisatie. ‘We waarschuwen nadrukkelijk tegen activiteiten die de verschillen tussen mannen en vrouwen opheffen. Als vrouwen toch deze sport gaan beoefenen, gaan ze in tegen hun natuur. Dat kan gewelddadige instincten oproepen.’

Dus nee, de Zuid-Soedanese autoriteiten zitten bepaald niet te wachten op de oprichting van een nationaal vrouwenvoetbalteam, dat het land ook nog eens in het buitenland wil gaan vertegenwoordigen. Het is de realiteit van alledag voor de hoofdpersonen van Khartoum Offside (76 min.), die als representanten van het ‘zwakke geslacht’ voortdurend beperkingen krijgen opgelegd. Toch hebben ze al eens stiekem met en tegen jongens gevoetbald.

Voor filmmaakster Marwa Zein lijkt het voetbal vooral een voorwendsel om vrouwen in een streng islamitisch land, dat is ontstaan na een bloedige burgeroorlog, te portretteren. Haar hoofdpersonen zijn mondiger en wereldser dan je op basis van al die restricties zou verwachten, zoals blijkt in een fraaie scène waarin de vrouwen samen naar een wedstrijd van FC Barcelona kijken en ze opmerkelijk goed op de hoogte blijken te zijn van de verhoudingen in het internationale voetbal.

Khartoum Offside bestaat voor een groot deel uit zulke fly on the wall-scènetjes, afgewisseld met een enkele poëtische muzikale sequentie. Gezamenlijk vormen die een aardige sfeerschets van het leven van jonge vrouwen in een land, dat nog altijd wordt gedomineerd door religieuze dogma’s en… mannen.

De Klas van ’94

NTR

Het was een Arabische school. Géén islamitische school. In de Amsterdamse Rivierenbuurt werd begin jaren zeventig speciaal voor kinderen van Marokkaanse gastarbeiders de Bouschraschool opgericht. Ze kregen eenmaal per dag een uur Arabische les, zodat ze klaar waren voor terugkeer naar hun eigen land. Historicus Nadia Bouras zat in De Klas Van ‘94 (50 min.), toen diezelfde school inmiddels een Islamitische school was geworden. Ze ontvangt nu in het toenmalige klaslokaal leerlingen waarmee ze toentertijd op school zat en die natuurlijk gewoon in Nederland zijn gebleven. Ook enkele leerkrachten keren terug naar de klas.

Verder brengt Bouras in Friesland een bezoek aan de Nederlandse dominee Rolf Boiten die de Bouschraschool in 1971 samen met zijn vrouw oprichtte. ‘Wij zeiden: we willen een school waarbij wij samen zijn, ook met mensen die andersdenkend zijn’, vertelt de inmiddels hoogbejaarde dominee over de grondslag van hun geesteskind. ‘Wij vragen van de Marokkaanse leerkrachten dat ze de islam representeren en wij vragen van de Nederlandse leerkrachten dat ze zeggen: daar hebben wij wat mee, met dat christendom. Op die manier krijg je een andere samenleving. En dat was de grote vreugde.’

Boitens idealisme heeft uiteindelijk geleid tot een school met een islamitische signatuur, het type school dat tegenwoordig eerder een symbool lijkt te zijn geworden van segregatie dan van integratie. Intussen is ook het maatschappelijk klimaat rond het verblijf van de voormalige gastarbeiders en hun nazaten in Nederland aanmerkelijk verhard. Hoe interessant die thematiek ook is, deze televisiedocu van Hassnae Bouazza wordt uiteindelijk nooit héél veel meer dan een soort aangeklede aflevering van Klasgenoten op locatie, waarin particuliere herinneringen slechts beperkt een nieuw of ander licht werpen op een actuele maatschappelijke kwestie.

Ghosts Of Sugar Land

Netflix

Ze verschijnen allemaal gemaskerd voor de camera: als Spider Man, Super Mario of Star Wars-schurk. Alleen ‘Mark’ komt met zijn gezicht in beeld. Hij was de enige zwarte jongen in de vriendengroep. Ze willen hem nu overigens ook best ‘Steve’ noemen. Zolang het maar niet zijn eigen naam is.

Alle jongens groeiden op in een multiculturele wijk in Sugar Land, Texas. Ze waren bovendien stuk voor stuk moslim. En dat wilde ‘Mark’, een jongen die maar moeilijk zijn plek kon vinden, ook best worden. Ook al stonden moslims volgens hen nóg lager in de pikorde dan zwarte Amerikanen.

In Ghosts Of Sugar Land (22 min.), een korte documentaire van Bassam Tariq, kijken de vrienden terug op hoe ze samen opgroeiden en vertellen ze hoe ‘Mark’ voor hun ogen radicaliseerde, een proces dat inzichtelijk wordt gemaakt via Facebook-posts van de verder afwezige hoofdpersoon.

Of waren al die opruiende berichten, vragen de gemaskerde kameraden zich nu af, eigenlijk bedoeld om hén uit hun tent te lokken? Met andere woorden: hadden ze een mol, een FBI-infiltrant, in de gelederen, die moest bekijken of zij gevoelig waren voor een extremistische opvatting van de islam?

‘Mark’ zou inmiddels de oversteek hebben gemaakt naar Syrië, waar hij zich heeft aangesloten bij Islamitische Staat. Niets is echter zeker: voor hetzelfde geld houdt hij zich gewoon, met een andere identiteit, ergens in Amerika schuil. Die elementaire twijfel drijft deze boeiende interviewfilm, die even klein als raak is.

Na afloop blijft wel één vraag hangen: waarom hoefde ‘Mark’, of hij nu Jihad-strijder of toch undercoveragent is, eigenlijk géén masker te krijgen?

The Reformist

Marie Skovsgaard

Zou ze dan ook een homohuwelijk kunnen sluiten? De Deense auteur en godsdienstsocioloog Sherin Khankan heeft zelf geen bezwaren, maar haar medestanders zien nog wel wat beren op de weg. En dan is er nog die andere kwestie: zitten haar geloofsgenoten überhaupt op een vrouwelijke imam te wachten?

De vrijgevochten Khankan, kind van een islamitische man uit Syrië en een christelijke vrouw uit Finland, staat een progressieve islam voor, waarin aloude waarden en gebruiken worden vertaald naar een moderne Europese context. Een ‘methodologie van het hart’, in plaats van eeuwenoude dogma’s. Met haar organisatie Femimam maakt ze zich bijvoorbeeld sterk voor een vrouwenmoskee. Als die er in 2016 inderdaad komt, de Mariam Moskee in Kopenhagen, levert dat behalve een heleboel aandacht natuurlijk ook flinke kritiek op.

The Reformist (59 min.) laat zich daardoor echter niet ontmoedigen en gaat ook stug door met het verlenen van islamitische geestelijke zorg aan vrouwen van wie de man niet wil toestemmen in een echtscheiding, meisjes die uitgehuwelijkt dreigen te worden en moslims die verliefd zijn geworden op iemand met een ander geloof. Als ze besluit om voor de camera een islamitisch interreligieus huwelijk te sluiten, waarbij de geliefden overigens onherkenbaar in beeld worden gebracht, zorgt dit ook in eigen kring voor tweespalt.

Loopt de ‘moslimfeministe’ niet veel te veel voor de troepen uit? Filmmaker Marie Skovgaard legt van zeer dichtbij vast hoe Sherin Khankan trouw probeert te blijven aan zichzelf, zonder de moslims om haar heen van zich te vervreemden. Dat blijkt een welhaast onmogelijke opdracht voor deze moedige vrouw, die wil meehelpen aan een wereld waarin de islam en het christendom vreedzaam kunnen co-existeren.

Celibaat

Ze zullen elkaar vast heel anders leren kennen door de film, zegt Edgard bij het begin van deze documentaire. Hij is één van de Kruisheren van Sint Agatha die in Celibaat (70 min.) worden geportretteerd. En daarvan mag de kloosterorde in het land van Cuijk er dan maar een handvol hebben. Dat wil niet zeggen dat ze alles met elkaar delen. Een goede confrater is immers nog geen goede vriend.

Net als in zijn vorige film Boer Peer, over een bijna honderdjarige Brabantse keuterboer die zijn hele leven halverwege de twintigste eeuw is blijven steken, begeeft filmmaker Daan Jongbloed zich in een stilaan verdwijnende wereld. Met zijn camera zwerft hij, in stemmig zwart-wit, door een omgeving, waarin de tijd stil lijkt te hebben gestaan – al blijft de klok hoorbaar doortikken. Ook omdat Jongbloed tijdens de montage de stilte heeft verkozen boven het toevoegen van muziek.

Hij spreekt vier van de Kruisheren en bevraagt hen los van elkaar over thema’s als eenzaamheid, verliefd zijn en – de titel van deze film verraadt het al – seksuele onthouding. Het zijn gesprekken waarin hij letterlijk dichtbij komt. ‘Ik zie in de kerk waartoe ik behoor eigenlijk een huiver voor seksualiteit en een zeker wantrouwen of argwaan daartegen’, stelt de bedachtzaam formulerende Joe bijvoorbeeld. Hij kwam op zijn zeventiende in het klooster en voelde zich er direct meer thuis dan in het huis van zijn ouders, maar is tegelijkertijd wel ‘heel nieuwsgierig’ hoe dat is, ‘gewoon een ander aan te raken, met respect en tederheid’.

Kruisheer Edgard heeft nog nooit gemeenschap gehad met een vrouw, bekent hij zonder omhaal van woorden. ‘Maar ik kan niet missen wat ik niet ken.’ Hij ervaart het kloosterleven op middelbare leeftijd nog altijd als een soort schoolkamp. Het mag dan soms aanvoelen als een kleine kloteorde, zegt hij ferm, het is wel zíjn kleine kloteorde. Jongbloed heeft een zomerlang onderdeel uitgemaakt van het selecte gezelschap Kruisheren. Hij kreeg zelfs zijn eigen kamertje in het oudste bewoonde klooster van Nederland. Die investering betaalt zich dubbel en dwars uit.

Geen thema blijft onbesproken. De broeders laten zich echt in hun ziel kijken en antwoorden ook als Jongbloed bijzonder impertinente vragen stelt. Hij doorsnijdt hun getuigenissen met de gewone dagelijkse dingen die het leven in een mannenhuishouden nu eenmaal met zich meebrengt. Zo ontstaat een afwisselend aandoenlijk, beklemmend en ontroerend beeld van een kleine gemeenschap, waarin iedereen op zijn eigen manier een relatie met God onderhoudt (‘de jus op het eten’, aldus Edgard) en met zichzelf in het reine probeert te blijven.

Hail Satan?

Hij zou de torso van Iggy Pop krijgen. Vleugels. Hoorns, natuurlijk. En twee kinderen die bewonderend naar hem zouden opkijken. Baphomet. Ofwel: de Duivel zelf. Een gedegenereerde bok, comfortabel op zijn troon. Met op zijn schoot voldoende ruimte voor bezoekers om even te gaan zitten. Te poseren voor de onvermijdelijke foto. Vreemd genoeg zaten ze er in Oklahoma niet op te wachten. De hel brak los rond het monument dat The Satanic Temple wilde laten plaatsen op officieel overheidsterrein, direct naast een christelijk monument met de tien geboden.

Puberale pesterij? Of toch een serieus politiek statement? Hail Satan? (94 min.) onthult stapsgewijs de motieven van het verantwoordelijke gezelschap, dat in eerste instantie zo lijkt te zijn weggelopen uit een goedkope horrorfilm. Hun ludieke en provocerende acties werken aanvankelijk vooral op de lachspieren (en resulteren in krantenkoppen als: ‘Mississippi police want to arrest the Satanists who turn dead people gay’), maar worden in deze heerlijke film van Penny Lane gaandeweg van een serieuze onderlaag voorzien.

Als woordvoerder van de inmiddels wijdvertakte satanische organisatie opereert een enigmatische jongeling die zich Lucien Greaves noemt. Hij heeft een onderkoeld soort humor en bovendien een beschadigd oog dat je gemakkelijk voor een ‘evil eye’ zou kunnen verslijten (over ‘evil’ gesproken: draai het om, zeggen de satanisten, en er staat ‘live’). Greaves opereert als een soort satanische variant op The Yes Men, overtuigde antiglobaliseringsactivisten die wereldwijd hun punt maken met hilarische en messcherpe pranks en daarmee inmiddels drie documentaires hebben gevuld.

Zelf zal hij zeggen: Satan staat simpelweg voor ‘de tegenstander’. Een nuttige dwarsligger. In hedendaagse termen: een troll. En die rol speelt Lucien Greaves, ondersteund door een kleurrijk gezelschap van overtuigde en in deze film soms geanonimiseerde tempeliers, met plezier en verve. Vanuit één centrale overtuiging: de Verenigde Staten zijn in wezen een seculier land, dat zich aan het christelijke juk moet zien te ontworstelen. En dat resulteert in provocerende acties die Conservatief Amerika steeds weer op de kast krijgen.

Filmmaker Lane plaatst de activiteiten van The Satanic Temple, een club die duidelijk is geworteld in de alternatieve jongerencultuur, in hun historische context: de ‘satanische paniek’ van de jaren tachtig en negentig, toen allerlei rituele moorden en verkrachtingen aan satanisten werden toegeschreven (denk aan de Paradise Lost-trilogie) en metalmuziek en het gezelschapsspel Dungeons & Dragons in de ban dreigden te worden gedaan. Die associatie roepen de satanisten nog steeds op bij brave burgers – en dat vinden deze geboren outsiders stiekem helemaal niet erg.

En soms boeken ze zelfs concreet resultaat: die Baphomet in Oklahoma zou bijvoorbeeld een flinke staart krijgen. Nog voordat het blasfemische beeld kon worden geplaatst, besliste het hooggerechtshof van de staat Oklahoma dat het monument met de tien geboden moest worden verwijderd. Het bleek toch in strijd met de scheiding tussen kerk en staat. En toen hoefde Baphomet er ook niet meer te komen voor Lucien en zijn tempelgenoten. Althans, in Oklahoma…

Waco: Madman Or Messiah

Een leider die alle antwoorden heeft en zelf toch één groot vraagteken blijft. Het is niet vreemd dat charismatische mannen als Bhagwan Sri Rajneesh, Jim Jones en Charles Manson een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefenen op zowel hun (voormalige) volgelingen als filmmakers. Na recente documentaires over de Bhagwan-beweging (Wild Wild Country), The Peoples Temple (Jonestown: Terror In The Jungle) en de Manson-familie (Inside The Manson Cult: The Lost Tapes) heeft Christopher Spencer nu de Waco-archieven uitgeplozen om met negen voormalige leden van de Branch Davidians en zijn tegenstanders een al even illustere sekteleider te portretteren: David Koresh.

Alle elementen voor een interessant en dramatisch verhaal dienen zich in 1993 als vanzelf aan rond de thuisbasis van diens religieuze gemeenschap op Mount Carmel, nabij Waco, Texas. De enigmatische leider die zich als vanzelfsprekend, omdat hij nu eenmaal een heilige plicht heeft, de (minderjarige) meisjes toe-eigent, gaat steeds meer in zichzelf geloven en zorgt zo intern voor spanningen. Het absolute Wij-gevoel, dat hij probeert af te dwingen, zorgt automatisch ook voor frictie met de buitenwereld. Waar Koresh zijn volgelingen de hemel op aarde leek bieden, leidt hij ze in werkelijkheid met vaste hand naar de poorten van de hel. Waar een eindconfrontatie van liefst Bijbelse proporties volgt. In het geval van Waco: de langste belegering uit de Amerikaanse historie. Met 82 dode leden, waaronder 23 kinderen, tot gevolg.

Het tweeluik Waco: Madman Or Messiah (172 min.) vertelt in eerste instantie twee parallelle verhalen: de ontwikkeling van de Branch Davidiansen de getormenteerde jongeling Vernon Howell – net als Charles Manson een mislukte muzikant – die zich onder de naam David Koresh opwerpt als absolute leider van de religieuze gemeenschap. Én de aanloop naar de maandenlange belegering van de thuisbasis van de sekte in Waco, die in het tweede deel zal uitlopen op een bloedige confrontatie tussen zwaarbewapende sekteleden en de FBI. Waarbij de federale agenten de ene na de andere tactische blunder begaan en Koresh en de zijnen, in een slinkse mediaoorlog, rücksichtslos als niets minder dan de vijand portretteren. Dat zal alle betrokkenen duur komen te staan.

Behalve voormalige sekteleden komen in deze stevige film ook hun voormalige opponenten aan het woord: FBI-medewerkers, de undercoveragent die bij de Branch Dividians infiltreerde en onderhandelaars die een confrontatie met Koresh’ familie moesten zien te voorkomen. Bijbel-kenners proberen intussen vat te krijgen op de ideologie en profetieën van Koresh, terwijl zijn stiefbroer en tante de persoon achter de messias/madman proberen te duiden. De grote leider zelf laat van zich horen via 247 geluidsbanden die door de FBI zijn gemaakt tijdens de belegering. Die opnames maken tastbaar hoe de situatie in Waco steeds verder ontspoort en een dramatische ontknoping, met het bijbehorende martelaarschap voor David Koresh, onafwendbaar wordt.

Tegelijkertijd geven de tapes een inkijkje in het hoofd van deze zelfverklaarde heiland, die nog altijd diep onder de huid zit bij zijn voormalige volgelingen. Waarbij onvermijdelijk de vraag opspeelt: was de man echt in zichzelf gaan geloven of was alles, van de diepe vergezichten tot de vurige preken, onderdeel van één grote relishow die alleen nog met hel en verdoemenis kon eindigen?

Een Goede Moslima

‘Het is warm buiten, die oven geeft warmte en die arme vrouw moet een hoofddoek om en een lange broek?’, zeurt Frans Bromet op kenmerkende wijze tegen zijn hoofdpersoon Yeter Akin, terwijl haar tantes in Turkije een plaatselijke pannenkoek bereiden. ‘Die vrouwen zijn dus zo sterk dat ze tegen die warmte kunnen’, reageert Yeter onverstoorbaar. Intussen pakt één van de tantes met een verschrikt ‘ooow’ een pannenkoek van het vuur. ‘Verbrand?’, vraagt Bromet plagend. ‘Ja’, laat Yeter, sinds haar dertiende woonachtig in Nederland, zich niet uit het lood slaan. ‘Die is verbrand.’

De nestor onder de Nederlandse camerajournalisten, dik in de zeventig inmiddels, opereert nog altijd regelmatig als de vleesgeworden scepsis. Hij houdt zich van de domme, vraagt echt door en prikkelt als de situatie daar in zijn ogen om vraagt. Samen met Akin, met wie hij eerder een film over eerwraak maakte, gaat Bromet ditmaal op zoek naar waaraan Een Goede Moslima (71 min.) eigenlijk moet voldoen. En het is prettig dat hij daarbij niet met meel in de mond spreekt of al te voorzichtig te werk gaat. Bromet reageert gewoon zoals hij altijd doet en stelt simpelweg de vragen die in hem opkomen.

De gesprekken van Bromet en Akin, met elkaar en met allerlei verschillende vrouwelijke moslims, worden afgewisseld met een interview dat Yeter deed met een Duitse vriendin. De onherkenbaar gemaakte vrouw, gefilmd met een smartphone, vertelt hoe haar dochter langzaam radicaliseerde en uiteindelijk naar het kalifaat van Islamitische Staat vertrok. Dat interview voelt een beetje als een fremdkörper in deze erg praterige televisiedocumentaire, niet Bromets beste film, die een aardig inkijkje geeft in de wereld van moslima’s, zonder dat dit verder wezenlijk nieuwe inzichten oplevert.

The Witchdoctor Hunters

EO

‘Mijn kind lag op de grond. Zijn linkerhand lag op zijn buik’, zegt de vader van de zesjarige Issa in de openingsscène van The Witchdoctor Hunters (56 min.). ‘De man pakte zijn kapmes en hakte het hoofd van mijn zoon eraf.’ Vader wordt ondervraagd door de Oegandese politie: ‘Dus hij deed dat en het bloed spatte alle kanten uit?’ ‘Nee’, corrigeert Issa’s vader. ‘Hij ving het bloed op in plastic zakken en stopte die in een tas. Het was een rugzak en daar deed hij het hoofd in.’ De agent vraagt door: ‘Waarom liet u hem uw kind offeren?’ Vader: ‘Ik kreeg één miljard shilling.’

Met kinderoffers valt in Oeganda een flinke smak geld te verdienen. Want als je kinderledematen in de fundering van een gebouw verwerkt, schijnt dat macht en voorspoed te brengen. Dat is een relatief nieuw idee, blijkbaar. En waar een vraag is, ontstaat meestal al snel ook een aanbod. Je moet alleen bereid zijn om een (of: je) kind te laten afslachten, in stukken te hakken en de verschillende lichaamsdelen in de juiste handen te laten belanden. Plaatselijke medicijnmannen – Oeganda schijnt er miljoenen te hebben – spelen daarin vaak een sleutelrol.

Peter Sewakiryanga, de hoofdpersoon van deze journalistieke documentaire van Mags Gavan en Joost van der Valk, bindt met zijn organisatie Kyampisi Childcare Ministries actief de strijd aan met deze ‘witchdoctors’. Hij krijgt ook de medicijnman die Issa zou hebben geslachtofferd te pakken. ‘Ik behandel mensen die last hebben van demonen’, zegt deze. ‘En ik geef kinderen aan onvruchtbare vrouwen.’ Of hij ook ooit offers heeft gebracht, wil Sewakiryanga weten. ‘Ik heb nog nooit iets geofferd’, zegt de medicijnman met een stalen gezicht.

In The Witchdoctor Hunters openen Gavan en Van der Valk opnieuw een even gruwelijke als onbegrijpelijke wereld. Zoals het Brits-Nederlandse filmduo eerder deed in de met een BAFTA en Emmy Award bekroonde documentaire Saving Africa’s Witch Children (2008), over kinderen die bezeten zouden zijn door de duivel en daarom rücksichtslos uit de weg moeten worden geruimd, en Donordrama (2018), een schrijnende film over de internationale handel in menselijke organen uit India en Bangladesh.

Het resultaat is wederom schokkend: afgetapt bloed, handel in kinderschedels en afgehakte handen. In het kielzog van Peter Sewakiryanga nemen de filmmakers de schade op bij de slachtoffers en hun familieleden, maar maken ze ook jacht op de daders, die via een undercoveractie met verborgen camera in de val moeten worden gelokt. Zo wordt een angstaanjagende wereld blootgelegd, waarin bijgeloof en winstbejag hand in hand gaan en het leven van een kind soms niet meer waard lijkt dan dat van een willekeurig dier.

Inside The Manson Cult: The Lost Tapes

‘Ik ben Charlie’, zegt Thomas Walleman. ‘En als hij sterft, sterf ik.’ Het hippiemeisje Mary Brunner kijkt bewonderend toe als Walleman vervolgt: ‘Ik heb mijn persoonlijkheid opgegeven en ben geworden wat hij me heeft laten zien dat ik kon zijn.’ ‘En dat is wat?’ wil interviewer Robert Hendrickson weten? Walleman, een kerel met een woeste baard, begint gelukzalig te lachen: ‘Totale liefde.’

Wat Charles Manson bij die onvoorwaardelijke liefde voor ogen had, zou gaandeweg glashelder worden: volledige overgave. Aan hem, welteverstaan, de zelfverklaarde leider van The Family, een verzameling losgeslagen hippies die in 1969 uit moorden werd gestuurd. Ze zouden een achttal willekeurige slachtoffers maken, waaronder de hoogzwangere actrice Sharon Tate, en op de muren van de plaatsen delict opruiende, met bloed geschreven teksten als ‘Rise’ en ‘Death to pigs’ achterlaten. Zo hoopte Charlie een onvervalste rassenoorlog te ontketenen. Geïnspireerd door Helter Skelter van The Beatles.

Dat overbekende horrorverhaal, het symbolische einde van de vrijgevochten jaren zestig, werd al veel vaker verteld. En met elke poging was de kleine crimineel en loverboy avant la lettre Charlie Manson, die in 2017 zijn laatste adem uitblies in de gevangenis, nóg nadrukkelijker de verpersoonlijking van Het Kwaad geworden. Een extatisch lachende ‘creep‘ met hypnotiserende ogen, die zijn volgelingen, de meisjes in het bijzonder, werkelijk alles kon laten doen. Op basis daarvan rijst de vraag: is die onverkwikkelijke episode uit de historie van de tegencultuur nu nog niet voldoende uitgemolken?

De documentaire Inside The Manson Cult: The Lost Tapes (85 min.) van Hugh Ballantyne, die de komende twee woensdagen wordt uitgezonden op Canvas, heeft behalve de gebruikelijke vet aangezette voice-over, berouwvolle ex-volgelingen (‘Snake‘ en ‘Gypsy‘) en tamelijk overbodige reconstructies echter één belangrijke nieuwe troef: beelden die werden gemaakt binnen Mansons volledig doorgedraaide sekte, direct na de door hem geïnstigeerde moorden. Documentairemaker Hendrickson filmde en interviewde volgelingen op de beruchte Spahn Ranch en legde daar de blinde adoratie voor de inmiddels gearresteerde leider vast.

‘Ik ben bereid om voor hem te sterven’, zegt sektelid Lynette ‘Squeakie’ Fromme, die samen met twee andere Manson-groupies voor de camera met allerhande wapens in de weer is, zonder ook maar een spoor van twijfel. In zulke beelden zit de meerwaarde van deze zoveelste Manson-documentaire. De complete verdwazing van normale meisjes, die in handen van Charlie onvervalste moordwapens werden. ‘Je moet er de liefde mee bedrijven’, zegt diezelfde Fromme even later, terwijl ze liefdevol de loop van een geweer betast. In 1975 zal ze proberen om de daad bij het woord te voegen met een aanslag op de Amerikaanse president Ford.

Of Fathers And Sons

‘Hij is geboren op de dag dat het World Trade Center viel’, aait de Syrische vader Abu zijn zoon Mohammad-Omar (vernoemd naar Mullah Omar, de leider van de Afghaanse Taliban) over zijn bol. ‘Op de dag van de aanval vroeg ik God om die dag te zegenen met een kind.’ Abu Osama wil dat filmmaker Talal Derki, die zich in de Noord-Syrische provincie Idlib voordoet als sympathisant van IS en Al-Qaida, ook met zijn andere kinderen kennismaakt. Ze dragen namen als Osama (een verwijzing naar Bin Laden, de voormalige leider van Al-Qaida) en Ayman (vernoemd naar al-Zawahiri, diens opvolger bij de terreurorganisatie) en worden klaargestoomd voor de jihad.

Abu, overtuigd lid van de al-Nusrah-brigade, is een echte gelover. In zijn auto galmt hij enthousiast mee met strijdliederen. ‘Gods volgelingen zullen jullie vermorzelen, hoe lang het ook duurt’, zingt hij de ‘beschermers van Israël’ Hezbollah vol overgave toe. ‘We verspillen ons bloed ruimhartig, want God geeft ons onze kracht.’ Naar zijn kinderen kan Abu, bij wie Derki twee jaar inwoont, liefdevol zijn. Maar hij schuwt de harde hand (en voet) ook niet.

Gaandeweg verlegt de documentairemaker de focus in Of Father And Sons (53 min.) van de volwassen strijder naar zijn opgroeiende kinderen. Naar zijn jongens, om precies te zijn. In de gehele documentaire is nauwelijks een meisje of vrouw te zien. Die doen er niet toe. Het zijn de jongens die de (wan)hoop van het kalifaat vertegenwoordigen. Zij krijgen al op jonge leeftijd een shariastudie en gedegen militaire training, waarin marcheren en de stormbaan natuurlijk niet ontbreken. Zodat ze klaar zijn voor het slagveld.

Talal Derki, die de verwording van Syrië eerder vastlegde in Return To Homs (2013), ziet het met lede ogen en zorgvuldig observerende camera aan. Met bespiegelende voice-overs beschrijft hij ondertussen hoe zijn thuisland, dat hij zelf ooit ontvluchtte ‘om te ontsnappen aan het onrecht en de dood’, een Gouden Eeuw heeft gegeven aan wat hij ‘het salafisten-jihadisme’ noemt. Het stemt de documentairemaker – en de kijker met hem – ronduit somber.