Trial By Media

Netflix

‘If it bleeds, it leads.’ Curtis Sliwa, de flamboyante New Yorker die eind jaren zeventig de militante burgerwacht The Guardian Angels oprichtte, heeft een eenvoudige verklaring voor de enorme ophef rond Bernhard Goetz. Net als Sliwa vond deze ‘Subway Vigilante‘ dat het hard nodig was dat de stad veiliger werd gemaakt.

En net als Paul Kersey, het Charles Bronson-personage uit de omstreden Death Wish-speelfilmreeks, besloot hij om het recht in eigen hand te nemen. De man, die enkele jaren daarvoor was overvallen, schoot vier zwarte jongens neer in de metro en groeide zo binnen de kortste keren uit tot het middelpunt van een enorme mediahype. Bernhard Goetz werd zowel gebombardeerd tot ‘poster boy’ voor de National Rifle Association als uitgemaakt voor schietgrage racist, die in koele bloede een stel ‘nikkers’ had afgemaakt.

Trial By Media (367 min.) belicht zes van dit soort spraakmakende true crime-verhalen en brengt ze met direct betrokkenen, aanklagers, advocaten, activisten en politici opnieuw in kaart. Van de tientallen politiekogels die werden afgevuurd op de ongewapende Afrikaanse immigrant Amadou Diallo (door Bruce Springsteen vereeuwigd in American Skin (41 Shots)) en de geruchtmakende groepsverkrachting in een bar (verfilmd met Jodie Foster onder de noemer The Accused) tot de jongen die, nadat hij in de tv-show Jenny Jones werd geconfronteerd met een liefdesverklaring van een andere man, maar één uitweg zag: zijn wapen.

Zulke dramatische gebeurtenissen worden vervat in gedegen reconstructies, met een stevige bronnenlijst en fraai archiefmateriaal. Die leveren verder geen spraakmakende nieuwe onthullingen op en resulteren ook niet in een soort metavisie op de rol van de pers in dit soort zaken (zoals bijvoorbeeld het Nederlandse televisieprogramma Medialogica steeds probeert te vinden). Trial By Media is vooral een hervertelling van spannende en schokkende verhalen die zich stuk voor stuk afspeelden onder het oog van een groot publiek, dat door verschillende partijen slim werd bespeeld en zo ook weer invloed had op de afwikkeling ervan.

Een erg smakelijke voorbeeld daarvan is de gang van zaken rond de strafzaak tegen de protserig rijke zorgondernemer Richard Scrushy (HealthSouth) uit Alabama. Hij wordt beschuldigd van grootschalige fraude en start vervolgens, om de gunst van het volk (weer) te winnen, een soort tweede carrière als tv-dominee. ’s Mans advocaten maken van zijn rechtszaak intussen een onvervalste ‘good ol’ boy-show’. Met smeuïge verhalen houden ze pers en publiek zoveel mogelijk uit de buurt van de feiten. En dat werkt: want een goed verhaal, zo luidt een andere boutade van en over de media, moet je niet dood checken.

The Trials Of Henry Kissinger

Zou voormalig minister van Buitenlandse Zaken, nationaal veiligheidsadviseur van de Verenigde Staten én winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede Henry Kissinger vanwege misdaden tegen de menselijkheid voor het Internationaal Strafhof in Den Haag moeten worden gedaagd? Waarom zou de gelauwerde diplomaat, een graag geziene gast in de media (ook door hemzelf), niet hetzelfde lot moeten ondergaan als pak ‘m beet Slobodan Milosevic en Augusto Pinochet?

Voornaamste verschil: Kissinger is een politicus uit de Verenigde Staten, een land dat zweert bij de internationale rechtsorde. Zolang het zich daar zelf niet aan hoeft te houden. In The Trials Of Henry Kissinger (79 min.) uit 2002, gebaseerd op een boek van Christopher Hitchens, zet regisseur Eugene Jarecki de ‘aanklacht’ tegen de machtspoliticus op een rij. Die is gestoeld op ‘s mans betrokkenheid bij conflicten in Vietnam, Cambodja, Chile en Oost-Timor.

Als aanklagers fungeren historici en goed ingevoerde journalisten zoals Seymour Hersh, daar tegenover neemt Kissingers voormalige collega Alexander Haig de rol van getuige à decharge op zich. De man zelf zwijgt in alle toonaarden, maar is via uitgebreid archiefmateriaal toch prominent aanwezig. Vanuit al die bronnen komt een vrij consistent beeld naar voren: van een meester in ‘plausible deniability’, die geen woorden nodig heeft om te communiceren wat hij wil en dus ook verdomd lastig op woorden is te pakken.

Intussen schetst deze scherpe film, waarin acteur Brian Cox als verteller fungeert, met verve de duistere achterkant van de internationale politiek, waarbij individuele mensen niet meer dan pionnen lijken te zijn op een levensgroot schaakbord – waar ze elk ogenblik ook weer vanaf geslagen kunnen worden.

The Innocence Files

Netflix

Kun je vertrouwen op ooggetuigen? Houden agenten en aanklagers zich zelf eigenlijk wel aan de wet? En leveren bijtwonden enigszins betrouwbaar bewijsmateriaal op? Het zijn zulke elementaire vragen over het Amerikaanse rechtssysteem die The Innocence Files (570 min.) domineren. In de negendelige documentaireserie worden enkele zaken onderzocht van het zogenaamde Innocence Project, waarbij een team van gedreven Amerikaanse juristen mogelijke gerechtelijke dwalingen, veelal uit de tijd dat DNA nog niet kon worden gebruikt als (ontlastend) bewijsmateriaal, onder de loep neemt en ten onrechte veroordeelde landgenoten weer vrij probeert te krijgen.

De serie van de docucracks Alex Gibney, Liz Garbus en Roger Ross Williams introduceert in dat kader enkele naamloze Amerikanen, meestal afkomstig uit een minderheidsgroepering en probleemwijk, die voor jáááren achter de tralies zijn verdwenen. Het gaat zonder uitzondering om schrijnende verhalen van mannen, jongens nog soms, die voor het leven werden getekend door een wrede speling van het lot. En dat lot werd soms meer dan zomaar een handje geholpen door overijverige, véél te gretige of gewoon slinkse agenten, officieren van justitie en getuige-deskundigen.

De eerste drie afleveringen, geregisseerd door Williams, richten zich bijvoorbeeld op twee kindermoorden en de gewelddadige dood van een man en de verkrachting van diens echtgenote aan het begin van de jaren negentig. De verdachten van deze misdrijven hebben één ding gemeen: ze zijn alledrie veroordeeld op basis van verklaringen van één en dezelfde expert. ‘Ik ben slechts de boodschapper die het bewijs verzamelt voor de jury’, zegt forensisch tandheelkundige Michael West over de kritiek dat hij er maar wat op los heeft gefabuleerd. ‘En als er ergens een nieuwe methode uitkomt die aantoont: ‘Hij is onschuldig’ kúnnen we hem vrij laten.’

En tot die tijd zitten ze dus achter slot en grendel, soms tientallen jaren lang. Of ze het nu gedaan hebben of niet. Als mogelijke slachtoffers van al dan niet bewuste ‘testilying’. Hoewel hij flink onder vuur wordt genomen, zit de morsige West niettemin met zichtbaar genoegen voor de camera. Een larger than life-personage, dat overduidelijk geniet van de aandacht – en al even duidelijk: niet berekend is op zijn taak. Anderen die een gerechtelijke dwaling hebben gefaciliteerd stellen zich aanmerkelijk nederiger op en trekken, geëmotioneerd zelfs, het boetekleed aan. ‘Het spijt me’, zegt een vrouw die een man onterecht voor haar verkrachter heeft aangezien. Van slachtoffer is ze daarmee dader geworden, concludeert ze nu zelf.

Het leed dat op die manier werd veroorzaakt is nauwelijks te bevatten. Complete levens werden verwoest. Van de mannen in de cel én van hun partners, kinderen en ouders. Na de veroordeling gaat het leven weliswaar verder – of houdt op, dat ook – maar lijkt het elke glans te hebben verloren. Er rest de mannen niets anders dan strijden voor hun recht. Dit vaste stramien is eigenlijk in elke aflevering van The Innocence Files zichtbaar. Dat zorgt ervoor dat alle verhalen, hoe indringend ze ook worden verteld, in essentie hetzelfde zijn. Tegelijkertijd maken die overeenkomsten ook helder dat het bij deze gerechtelijke dwalingen niet om individuele blunders gaat, maar om ernstige systeemfouten in het Amerikaanse justitiële systeem. Die, natuurlijk, buitenproportioneel minderheidsgroepen raken.

How To Fix A Drug Scandal

Netflix

Zitten er mensen onschuldig in de cel? Die vraag dringt zich onmiddellijk op als Sonja Farak in 2013 wordt aangehouden. De chemicus van het Amherst-laboratorium in de Amerikaanse staat Massachusetts test in beslag genomen drugs en zou wel eens met bewijsmateriaal kunnen hebben geknoeid. Moeten die rechtszaken nu opnieuw? En wat kan Farak hebben bewogen om haar beroepseer op zo’n flagrante wijze te schenden? Ze zal toch niet zelf…?

De Amerikaanse true crime-crack Erin Lee Carr (Mommy Dead And DearestAt The Heart Of Gold: Inside The USA Gymnastics Scandal en I Love You, Now Die: The Commonwealth v. Michelle Carter) brengt de zaak tegen de 35-jarige chemicus in How To Fix A Drug Scandal (208 min.) samen met de kwestie rond een andere laborante: Annie Dookhan van het eveneens in Massachusetts gevestigde Hinton-misdaadlab. Zij heeft er ook een potje van gemaakt bij het testen van drugsbewijs.

Alle elementen voor een onvervalste nagelbijter lijken aanwezig. Toch duurt het even voordat deze vierdelige documentaireserie op stoom komt. Zeker de eerste aflevering is erg uitleggerig: wat doet zo’n drugslaborant nu precies en welke consequenties heeft het als dat werk niet kan worden vertrouwd? Dit gaat ten koste van het verteltempo, dat later wel wat wordt opgeschroefd.

Erin Lee Carr kleedt de vertelling aan met chique reconstructies, waarin actrice Shannon O’Neill Sonja Farak vertolkt, en kadert die in met een waslijst aan bronnen: openbaar aanklagers, advocaten, verdachten, deskundigen, journalisten en de moeder en zus van Farak. Die laatste komt zelf niet aan het woord. En ook Dookhan laat verstek gaan. Al is het sowieso de vraag wat zij had kunnen toevoegen. De meerwaarde van de tweede casus blijft beperkt.

Dit is en blijft het relaas van Sonja Farak, de welhaast malicieuze manier waarop het Openbaar Ministerie van de staat Massachusetts is omgegaan met de strapatsen van haar dolende medewerker en wat de consequenties daarvan zijn geweest voor honderden, misschien wel duizenden, veroordeelden. Daarbij is de vraag gerechtvaardigd of die vertelling wel een miniserie waard is of toch ook gewoon in één stevige docu over deze geruchtmakende zaak had gepast.

Kill Chain: The Cyber War On America’s Elections

HBO

Kunnen de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2020 worden gehackt? De Finse cybersecurity-expert Harri Hursti meent van wel. De man heeft recht van spreken. In 2005 hackte hij hoogstpersoonlijk een stemmachine en beïnvloedde zo de uitslag die daar uitrolde. Diezelfde machine wordt op diverse plekken nog steeds ingezet. De vraag ligt dan voor de hand: zijn de verkiezingen van 2016, waarbij Donald Trump werd gekozen tot president, wel reglementair verlopen? (Hoe) heeft Poetins Rusland het verloop beïnvloed en de uitslag gestuurd?

In Kill Chain: The Cyber War On America’s Elections (91 min.) demonstreert Hursti op diverse manieren en plekken hoe kwetsbaar de hedendaagse (Amerikaanse) democratie is. Via Ebay weet hij bijvoorbeeld gewoon een stemmachine, die eigenlijk op een beveiligde locatie moet zijn opgeslagen, op de kop te tikken. Slechts 75 dollar. Het apparaat dat niet te hacken zou zijn wordt vervolgens binnen de kortste keren gekraakt tijdens de hackathon Def Con. Het is heel eenvoudig om software voor deze machine te schrijven, die stilletjes stemmen verandert en geen bewijs daarvan achterlaat, stelt Hursti.

De filmmakers Simon Ardizzone, Russell Michaels en Sarah Teale leveren daarbij een interessante casus in Georgia, waarbij één van de twee kandidaten voor het gouverneurschap in 2018 zelf de kiesmachines in beheer had. Drie keer raden wie de bijzonder spannende tweestrijd op het nippertje heeft gewonnen… Hursti en zijn team maken aannemelijk dat die verkiezingen wel eens niet geheel reglementair kunnen zijn verlopen – en dat de uitslagen van verkiezingen, waarbij geen papieren registratie van de stemmen wordt aangelegd, sowieso niet mogen worden vertrouwd.

Daarmee stelt deze interessante en tot nadenken stemmende film hele praktische, en daarmee ook filosofische, vragen over de houdbaarheid van ons politieke systeem en hoe dat beter zou moeten worden beschermd.

Blasphemy

VPRO

‘Onthoofd alle godslasteraars’, scanderen de bezoekers van een politieke bijeenkomst van Tehreek-e-Labbaik Pakistan (TLP) in het najaar van 2018. Khadim Hussain Rizvi, leider van de religieuze partij, zet de menigte naar zijn hand. Hij heeft zijn zinnen gezet op de politieke macht in Pakistan. De man oogt als de archetypische extremistische moslim. Type Taliban of Islamitische Staat. Met het vuur in de ogen, een gal spuitende mond en nog net geen kromzwaard in de hand.

Voor de gemiddelde westerling slaat Rizvi onbegrijpelijke, angstaanjagende taal uit. ‘Een ieder die de Heilige Profeet beledigt of zijn status als de laatste Profeet betwist is volgens de sharia een godslasteraar’, zegt de scherpslijper bijvoorbeeld. ‘Zo’n ernstig vergrijp is onvergeeflijk.’ En sinds 1986 staat er inderdaad de doodstraf op godslastering in Pakistan. Getuige de documentaire Blasphemy (75 min.) zorgt dit voor een ronduit unheimische atmosfeer in het islamitische land.

Om de eer van de profeet te redden (of gewoon om een onderlinge rekening te vereffenen) kan iemand zomaar worden beschuldigd van blasfemie en wordt geweld tegen ongelovigen min of meer gelegitimeerd, met moord en doodslag op de ‘lasteraars’ of de mensen die het voor hen opnemen tot gevolg. Filmmaker Mohammed Ali Naqvi geeft beide zijden van het debat het woord: de aanklagers en geestelijken die blasfemie genadeloos willen afstraffen en de vermeende lasteraars en hun pleitbezorgers, die worden beperkt in hun vrijheid van meningsuiting en bovendien ernstig bedreigd.

Terwijl de verkiezingen van 2018 naderen, wordt de discussie steeds verder op de spits gedreven en kan nog meer geweld bijna niet uitblijven. Blasphemy registreert dit proces nauwgezet en brengt zo tevens een naargeestige, beklemmende en, voor de gemiddelde westerling, ook totaal onbegrijpelijke wereld in beeld. Waar de overtuiging van de één, desnoods met redeloos geweld, wordt opgelegd aan een ander.

De documentaire Blasphemy is hier te bekijken.

Carmen Meets Borat

‘Ik ben Borat’, zegt het gelijknamige typetje van de Britse komiek Sacha Baron Cohen tot grote hilariteit van de verzamelde dorpsbewoners in het gemeenschapshuis van het Roemeense zigeunerdorp Glod. Ze kijken welwillend toe hoe hij op het krakkemikkige televisietje door hun eigen dorp loopt: ‘Dit is mijn land Kazachstan.’ De opmerking leidt tot commotie in het zaaltje. ‘Kazachstan? Dat is geen Kazachstan. Eikels!’

‘Kijk, Oana is op tv!’ constateren ze niettemin gierend, als Borat ‘Orkin, de dorpsverkrachter’ heeft voorgesteld. Niet veel later introduceert hij ene Muktar Sahanov ‘de dorpsmecanicien en -aborteur’. Langzaam maar zeker begint het de dorpsbewoners te dagen: die Amerikaanse filmcrew heeft hen voor de gek gehouden. Ze kwamen helemaal geen documentaire opnemen. ‘Borat heeft ons helemaal verkeerd gefilmd! Hij zet het hele dorp voor lul.’

Roemeense cameraploegen die vervolgens verhaal komen halen in Glod krijgen de wind van voren. Ook de Nederlandse filmmaakster Mercedes Stalenhoef en haar crew, die al een hele tijd filmen in het dorp, kunnen op weerwerk rekenen. Uiteindelijk wil ‘aborteur’ Spiri het nog wel één keer uitleggen: ‘Ze stonden daar te filmen en vroegen of ik vonken wou maken’, zegt hij, terwijl hij met een laskap op staat te lassen en verdwijnt in zijn eigen rookwolk. ‘Ze zeggen dat ik gynaecoloog ben en dat ik abortussen doe.’

Het bezoek van Borat – en de dolkomische afwikkeling daarvan – heeft ook Stalenhoef overvallen. Zij was wel degelijk een documentaire aan het maken over het desolate leven van de Roemeense zigeuners, waar de drank nogal eens in de man en de wijsheid dus in de kan is. In dat kader volgde ze Spiri’s zeventienjarige kleindochter Ionela – zelf geeft ze de voorkeur aan de naam Carmen – die Glod nog liever vandaag dan morgen zou verlaten. Zij droomt van een bestaan in het Spanje, dat ze kent van soapseries.

Wat waarschijnlijk een stemmig portret van een ongedurige tiener in een stuk achtergesteld Europa had moeten worden, is in 2008 uitgemond in Carmen Meets Borat (60 min.), een heerlijke tragikomische film waarin niet alleen de bespotte ‘Glodiatoren’ een slaatje proberen te slaan uit het bezoek van Borat. Intussen zit Carmen nog altijd vast in dat godvergeten dorp, waar ze allang een echtgenoot in spe had moeten strikken.

Carmen Meets Borat is hier te bekijken.

De Villamoord

KRO-NCRV

Zaten Nevzat Altay en de acht andere verdachten van De Villamoord (131 min.) in 1998 jarenlang onschuldig vast? Dan zou het volgens rechtspsycholoog Peter van Koppen gaan om de grootste gerechtelijke dwaling in de recente Nederlandse geschiedenis. Bovendien zou de echte dader dan nog op vrije voeten zijn en wellicht ook een bedreiging kunnen vormen voor de vrouw die de schietpartij in Arnhem overleefde, waarbij haar tante Geke om het leven kwam.

In deze driedelige documentaire van Joost van Wijk wordt de zaak nog eens helemaal doorgelicht. Met de hoofdverdachte, diens advocaat, een ooggetuige, betrokken politiemannen, een familielid, enkele deskundigen én de verdachte, op basis van wiens getuigenverklaring alle anderen zijn veroordeeld. Een bekentenis die hij nu als vals betitelt. Afgelegd onder aanzienlijke druk. Fysiek bewijs voor betrokkenheid van de mannen is er verder niet – een constatering waarbij, sinds geruchtmakende justitiële dwalingen als de Schiedammer Parkmoord en de Puttense moordzaak, eigenlijk alle alarmbellen zouden moeten afgaan.

De aanpak van Van Wijk doet bijna Amerikaans aan, met een slimme en dwingende voice-over van Stefan Stasse, fraaie beelden en visualisaties van de plaats delict en ronduit chique muziek. Zo maakt hij, in de traditie van true crime-klassiekers als The Thin Blue Line, de Paradise Lost-trilogie en Making A Murderer, gehakt van het politieonderzoek, waarbij tunnelvisie de waarheidsvinding in de weg zou hebben gestaan. Beeldmateriaal van de politieverhoren maakt dat tastbaar: de verdachten worden op alle mogelijke manieren onder druk gezet om te bekennen en krijgen intussen tevens de benodigde daderkennis gevoerd. Met dramatische gevolgen, niet alleen voor de zaak zelf.

Daarna richt de krachtige miniserie zich op wat er dan wél kan zijn gebeurd in die Arnhemse villa, met nieuw (technisch) onderzoek en actuele verklaringen. Zo komt een ongemakkelijke alternatieve hypothese bovendrijven, die verder overigens niet in beton wordt gegoten. Dat is, als de zaak wordt heropend, aan politie en justitie. De Villamoord oogt intussen als een soort deluxe-aflevering van het fameuze televisieprogramma Peter R. de Vries Misdaadverslaggever. Zónder koene presentator en verplichte confrontatie voor de (verborgen) camera, maar mét journalistiek graafwerk en opmerkelijke bevindingen die de geruchtmakende strafzaak wel eens een beslissende draai zouden kunnen geven.

Wordt ongetwijfeld vervolgd. In de rechtszaal. Of op de beeldbuis.

Advocate

Philippe Bellaïche / Homemadedocs

Het is een duivels dilemma, maar advocaat Lea Tsemel lijkt geen moment te twijfelen. Ze staat de 13-jarige Palestijnse jongen Ahmad bij. Hij zou in Pisgat Ze’ev, een wijk van Jeruzalem, een Joodse leeftijdsgenoot hebben neergestoken. Als de zaak wordt afgewikkeld vóórdat Ahmad veertien wordt, de minimumleeftijd waarop je in Israël kunt worden veroordeeld tot gevangenisstraf, kan hij ervan afkomen met jeugddetentie. Dan moet Ahmad alleen wel bekennen dat hij van plan was om de Joodse jongen te vermoorden, iets wat hij ten enen male ontkent.

Tsemel, een Israëlische ijzervreetster die van het verdedigen van politieke gevangenen haar levensmissie heeft gemaakt, laat de zaak voorkomen. Dat kan haar jonge cliënt duur komen te staan. Hoewel de puber tijdens een verhoor flink onder druk is gezet om te bekennen, blijft Tsemel een onwankelbaar vertrouwen houden in het Israëlische rechtssysteem. Ze wil bovendien voorkomen dat het imago van Palestijnse jongeren met een (valse) bekentenis verder wordt bezoedeld. Maar rechtvaardigt dat doel het risico dat ze neemt voor haar jeugdige cliënt?

In de messcherpe documentaire Advocate (109 min.) observeren Rachel Leah Jones en Philippe Bellaïche van héél dichtbij hoe Tsemel en haar Palestijnse collega Tareq Barghout, samen met de ouders van Ahmad, de verdediging van de jongen opzetten. Ahmad zelf is met animatie onherkenbaar gemaakt. Tussen de beraadslagingen en zittingen door wordt tevens het levensverhaal van de idealistische advocate zelf verteld, dat meteen dienst doet als een beknopte historie van het Israëlisch-Palestijnse conflict. Haar werk maakte van Tsemel en haar echtgenoot Michel Warschawski, die zich als journalist ook sterk maakt voor de Palestijnse zaak, paria‘s in hun eigen gemeenschap.

‘Zij kan ook geen einde maken aan de bezetting, ook al is ze er zelf waarschijnlijk van overtuigd dat dit nog tijdens haar leven gaat gebeuren, en mede dankzij haar’, zegt dochter Talila, die zich blijft verbazen over haar moeders strijdbaarheid. ‘Ik ben bereid om de prijs daarvoor te betalen, zodat er ruimte blijft voor een vrouw zoals zij.’ In de onderhavige casus is het echter wel de vraag of diezelfde Lea haar hand niet heeft overspeeld. Waarvoor de dertienjarige Ahmad nu wellicht de rekening krijgt gepresenteerd, in de vorm van een fikse gevangenisstraf.

The Trial

Als je hun eigen toelichting hoort, kan er geen twijfel bestaan over de schuld van de verdachten. Zij hebben zich schuldig gemaakt aan verraad van het proletariaat en het socialistische ideaal en geven dat nu ruiterlijk toe. Vanuit hun functies hebben de vooraanstaande wetenschappers en economen een poging gewaagd om het communistische regime omver te werpen.

In de rechtszaal luistert een enorm publiek ademloos toe hoe deze mannen zichzelf beschuldigen. Buiten roepen demonstranten ongegeneerd om de doodstraf. Het is 1930. Jozef Stalin is sinds twee jaar aan de macht in de Sovjet-Unie. Tegenstanders zullen in de komende jaren stelselmatig monddood worden gemaakt. Of gewoon dood.

En er zullen processen worden gevoerd. Showprocessen. Tegen iedereen die kan worden aangemerkt als criticaster van Stalins schrikbewind. In The Trial (128 min.) reconstrueert Sergei Loznitsa de eerste vertoning. Want dat was het: een opvoering. Waarbij een geheel verzonnen complot te berde wordt gebracht, op basis waarvan daadwerkelijk mensen worden veroordeeld.

Als de uitkomst niet zo naargeestig zou zijn – en het venijn zit in deze film echt in de staart – en de links met het heden niet zo voor de hand hadden gelegen – probeer maar eens níet te denken aan de schijnwereld die de huidige Russische leider Vladimir Poetin om zich heen optrekt – had het een geinig schouwspel kunnen zijn. Een dictatoriale komedie.

Loznitsa maakt het de kijker alleen niet gemakkelijk. Hij observeert slechts en laat de rechtszaak tot in detail zien. Elke getuigenis wordt, ogenschijnlijk, van begin tot eind in beeld gebracht. Zo is te zien hoe bureaucratisch de aanklagers te werk gingen en wordt het archaïsche taalgebruik daarbij (‘krachten van de oude bourgeoisie’) benadrukt.

Met een speeltijd van ruim twee uur is deze film echter een heel lange zit, die serieuze investering en doorzettingsvermogen van de kijker vereist. Als pijnlijk precieze geschiedschrijving is The Trial niets minder dan een voltreffer. Dat is echter niet per definitie hetzelfde als het engageren van je publiek met een meeslepend verhaal. Dat had ook moeiteloos in de helft van de speelduur gekund.

The Devil Next Door

Netflix

Voor menige Israëliër was eind jaren tachtig een proces eigenlijk overbodig. John Demjanjuk, een voormalige medewerker van de Ford-fabriek in Cleveland, moest wel de beul zijn die in het nazi-vernietigingskamp Treblinka eigenhandig tienduizenden Joden had vermoord. Daarover kon – en mocht – geen discussie zijn. ‘Ik was er honderd procent van overtuigd dat Demjanjuk niet Iwan de Verschrikkelijke was’, zegt zijn flamboyante Israëlische advocaat Yoram Sheftel. ‘En ik was er honderd procent van overtuigd dat hij schuldig bevonden en ter dood veroordeeld zou worden.’

Sheftel is één van de blikvangers van de puike vijfdelige documentaireserie The Devil Next Door (222 min.) van Yossi Bloch en Daniel Sivan. ‘Ik heb van elke seconde genoten’, stelt de onvoorstelbaar pedante advocaat zelfs over de geruchtmakende rechtszaak tegen de vermeende oorlogsmisdadiger. En, inderdaad, het ‘showproces’ is nog niet afgerond of Sheftel heeft al een boek in de winkel liggen. Ruim dertig jaar na dato spugen zijn voormalige opponenten nog altijd op de man die duidelijk garen heeft gesponnen bij de kwestie John Demjanjuk, die in de Joodse gemeenschap zo ontzettend veel emotie losmaakte.

Vrijspraak zou een ongelooflijke klap in het gezicht zijn van de mensen die hem zeggen te herkennen als Iwan de Verschrikkelijke, de man die hele families uitmoordde en henzelf voor het leven tekende. Maar hoe betrouwbaar zijn ooggetuigen eigenlijk? Zeker als ze zwaar getraumatiseerd zijn en er sinds de gruwelijke daden bovendien meer dan veertig jaar is verstreken? Zulke godsonmogelijke dilemma’s maken van The Devil Next Door, waarin zowel Demjanjuks kleinzoon, schoonzoon en advocaten als de toenmalige aanklagers en rechters participeren, een fascinerende, aangrijpende en nog altijd actuele serie.

Where’s My Roy Cohn?

Altimeter Films

Where’s My Roy Cohn? (98 min.), schijnt Donald Trump nog wel eens te roepen als er een smerig klusje opgeknapt moet worden. Roy Cohn (1927-1986) was de spreekwoordelijke bullebak, die letterlijk over lijken ging om zijn cliënt te dienen. Een soort ‘Moszkowicz from hell’, met verdacht weinig respect voor de wet. En een man die intussen consequent aan ‘the wrong side of history’ belandde.

Bij het proces dat leidde tot de ter dood veroordeling van de Amerikaanse communisten Julius en Ethel Rosenberg, bijvoorbeeld. Of als rechterhand van senator Joe McCarthy, die een heksenjacht op vermeende communisten ontkende, het zogenaamde McCarthyisme. In een consigliererol voor de New Yorkse maffia ook. Én als een soort peetvader voor de jonge Donald Trump, die Cohns parool ‘als ze jou slaan, sla ze dan tien keer zo hard terug’ sindsdien volledig heeft verinnerlijkt.

Matt Tyrnauer portretteert het larger than life-personage Cohn met familieleden, geliefden, collega’s, journalisten en ‘dirty trickster’ Roger Stone, die de kneepjes van het vak kreeg bijgebracht door de diabolische Cohn en in de afgelopen jaren zelf als klusjesman voor Donald Trump fungeerde. Zij strooien met spraakmakende verhalen en smeuïge anekdotes, die door Tyrnauer met de nodige zwier aan fraai archiefmateriaal zijn geknoopt en met bombastische muziek worden opgediend.

Where’s My Roy Cohn? stevent uiteindelijk af op een tragische climax als de (niet al te) stiekeme homoseksueel ten prooi valt aan de meest gevreesde ziekte van zijn tijd. In dat kader zal hij na zijn dood nog worden vereeuwigd in het vermaarde theaterstuk Angels In America. Dit boeiende portret toont bovendien aan hoe invloedrijk de rücksichtslose Cohn is geweest. Ruim dertig jaar na zijn dood werpt hij nog altijd een schaduw over het hedendaagse Amerika, waar zijn voormalige protegé het zowaar tot president geschopt heeft.

The Accountant Of Auschwitz

Vrolijke marsmuziek klinkt in de openingsscène van deze film. In beeld verschijnt de zwart-wit foto van een jonge militair. Rond brilletje, melancholiek gezicht. De stem van deze Oskar Gröning zorgt voor de herinneringen bij archiefbeelden van een concentratiekamp. ‘Het hoofdkamp van Auschwitz was net een klein dorp, met veel geroddel en geklets. Er was een kantine, een bioscoop.’ Intussen zien we hoe gezellig de medewerkers van het beruchte kamp ‘t hadden met elkaar. De opgewekte muziek zwelt weer aan: ‘Links um die Ecke…’ In het kader van de vrijetijdsbesteding wordt er enthousiast gesport. De atleten hebben ook mooie trainingspakjes aan, met een SS-embleem erop.

‘Het was een plek waar je vriendschappen voor het leven opdeed en waar ik met veel plezier op terugkijk’, blikt Gröning bij de start van The Accountant Of Auschwitz (75 min.) met weemoedige stem terug. Inmiddels wordt het archiefmateriaal van de levenslustige jongelingen afgewisseld met de huiveringwekkende beelden die we doorgaans associëren met het vernietigingskamp. ‘We waren ervan overtuigd dat we verraden waren door de hele wereld en dat er een grote samenzwering van Joden tegen ons was’, zegt de kampmedewerker nu, op zoek naar een verklaring en rechtvaardiging voor zijn eigen gedrag in de Tweede Wereldoorlog.

‘Maar je moet je toch hebben gerealiseerd dat zeker die kinderen je helemaal niets misdaan kunnen hebben?’ werpt de interviewer van dienst tegen, terwijl de alomtegenwoordige marsmuziek gaandeweg helemaal vastloopt en de openingsscène aan zijn einde komt. ‘Die kinderen zijn op het moment zelf natuurlijk niet de vijand’, stelt Gröning. ‘De vijand is het bloed dat door hun aderen stroomt.’ Die gedachtegang maakte het voor de Duitser (blijkbaar) mogelijk om te werken bij Auschwitz. Zijn werk in het kamp was voor hem een normale baan. De één werkt nu eenmaal bij Philips of Volkswagen, een ander bij de Firma Endlösung.

Oskar Gröning verzamelde bijvoorbeeld de spullen van Joden die aankwamen in het vernietigingskamp. Zij hadden die immers toch niet meer nodig – waaruit je overigens meteen kunt afleiden dat hij er wel degelijk van op de hoogte was wat er met de nieuwe kampgasten zou gaan gebeuren. Maar is de man, die zelf ogenschijnlijk verder geen geweldsdaden pleegde, daarmee ook (mede)verantwoordelijk voor de genocide die in zijn directe werkomgeving plaatsvond?

Die principiële vraag drijft deze film van Matthew Shoychet, waarin De Zaak Gröning wordt geplaatst tegen de achtergrond van rechtszaken tegen oorlogsmisdadigers (die verdacht vaak met een heel beperkte straf zijn weggekomen). Van beruchte beulen als John Demjanjuk lijkt het logisch dat ze tot in lengte van dagen worden vervolgd, maar kun je ook iemand veroordelen die zelf geen mens heeft vermoord en daartoe ook niet de opdracht heeft gegeven? En: wanneer houdt iemands schuld op?

De Zaak Tuitjenhorn

Anneke Tromp / Zeppers

Binnen zes weken verandert Nico Tromp van een gewaardeerde huisarts in een man die door de Inspectie Gezondheidszorg (IGZ) publiekelijk is geschorst en door het Openbaar Ministerie wordt beschuldigd van ‘moord’ op één van zijn patiënten. In opperste wanhoop maakt hij begin oktober 2013 een einde aan zijn leven. ‘Jullie zijn beter af zonder mij’, schrijft hij in een afscheidsbrief aan zijn gezin.

Haar echtgenoot is het slachtoffer van karaktermoord, meent Anneke Tromp. Na zijn overlijden start ze een juridisch gevecht voor eerherstel. In de documentaire De Zaak Tuitjenhorn (66 min.) keert Sarah Vos, gebruikmakend van de officiële getuigenverklaringen, verhoren en rechtszaak, de zaak binnenstebuiten die ooit is begonnen met een terminaal zieke dorpsgenoot (65) van Tromp. Bij de behandeling wijkt de huisarts vervolgens af van de bestaande protocollen en dient hem 1 gram morfine toe. Waarna de man terstond komt te overlijden…

Een jonge coassistent die met hem meeliep verbaast zich over Tromps handelen. Ze maakt melding van de kwestie bij een begeleidende huisarts, die haar verklaring op zijn beurt doorstuurt naar de Inspectie. En die schakelt weer justitie in, waarna Nico Tromp midden in de nacht van zijn bed wordt gelicht en een Kafkaëske nachtmerrie begint. De huisarts uit Tuitjenhorn stort helemaal in en wordt opgenomen in een psychiatrische instelling. Volgens zijn zoon Reinier was hij ‘ontzettend bang’ om in de gevangenis te komen.

De politie ziet er nochtans geen been in om Tromp tijdens zijn opname, drie weken voor zijn zelfdoding, te verhoren. Delen van dit gesprek zijn voor deze film gereconstrueerd, waarbij acteur Pierre Bokma de rol van medewerker van de opsporingseenheid van de Inspectie Gezondheidszorg op zich neemt. Bokma geeft ook tijdens de rechtszaak een stem aan de IGZ omdat Vos geen toestemming heeft gekregen om de oorspronkelijke geluidsopnames te gebruiken. De betrokken medewerkers van de Inspectie worden overigens wel met naam en toenaam genoemd.

Heeft de huisarts, zoals de jonge coassistent denkt en door de IGZ lijkt te worden ondersteund, een patiënt vermoord? Of is Nico Tromp, zoals zijn weduwe en zoon denken, geheel ten onrechte aan de schandpaal genageld? Wat de juiste toedracht ook is – het is helder aan welke kant Sarah Vos staat – de actie van de coassistent heeft een keten van gebeurtenissen in gang gezet, die uiteindelijk tot nóg een familietragedie leidt. Waardoor deze tragische film een relaas is geworden met louter verliezers, voor wie een Pyrrusoverwinning het hoogst haalbare lijkt.

The Silence Of Others

In de Jerte-vallei in Extremadura staren enkele beelden in de verte. Ze representeren de slachtoffers van het Franco-regime in Spanje. Kort na de onthulling van het monument, ruim dertig jaar nadat de dictator in 1975 stierf, heeft een onbekende onverlaat de beelden beschoten. Stuk voor stuk dragen ze nu kogelgaten. De verantwoordelijke kunstenaar Francisco Cedenilla beschouwt die als de vervolmaking van zijn werk.

‘Het belangrijkste wat we van Franco moeten onthouden’, zegt Jaime Alonso nochtans doodgemoedereerd, ‘is dat hij nooit verkeerd zat.’ Daarna vertelt de medewerker van de Franco-stichting gedreven hoe de voormalige dictator, die Spanje meer dan vier decennia regeerde, zijn land bevrijdde van communistische tirannie. Geen woord over verdwenen landgenoten, marteling of genocide. Franco’s aanhangers willen nog altijd geen kwaad woord horen over hun leider.

Veel Spanjaarden, waaronder talloze vooraanstaande politici, zwijgen sowieso het liefst over het verleden (en laten bijvoorbeeld ook de straatnamen, met verwijzingen naar gewezen helden van het bewind, het liefst ongemoeid). Zeker de amnestiewet, die ervoor heeft gezorgd dat de beulen van het Franco-regime zich nooit hebben hoeven te verantwoorden voor hun daden, is en blijft taboe. Een groep slachtoffers en nabestaanden laat het er echter niet bij zitten en probeert al sinds 2010 internationaal recht te halen.

The Silence Of Others (91 min.) documenteert hun jarenlange pogingen om, met behulp van een Argentijnse onderzoeksrechter, alsnog gerechtigheid te laten geschieden. De documentaire van Almudena Carracedo en Robert Bahar schetst tevens de achterkant van die queeste om het collectieve zwijgen te beëindigen: het onbeschrijflijke leed dat gebeurtenissen die zich soms een halve eeuw geleden voltrokken nog altijd veroorzaken in de levens van gewone, vaak hoogbejaarde Spanjaarden. Sommige getuigenissen van Franco-slachtoffers gaan werkelijk door merg en been.

In dat verband speelt ook de vraag op of je als dader eigenlijk vergiffenis kunt eisen. Of is het voorbehouden aan het slachtoffer om (eventueel) vergeving te géven? Én: kun je als samenleving werkelijk verder met zoveel lijken in de kast (en onder de grond)? De vraag stellen…

Het Fatale Scooterongeluk

Ik reed niet, zegt de één. Híj reed.

Nee, beweert de ander. Ik reed niet. Dat was híj.

Zie daar de kern van de spraakmakende strafzaak die in de documentaire Het Fatale Scooterongeluk (56 min.) wordt gereconstrueerd. Op weg naar een overval op een hotel in Nijmegen wil de politie twee jongens staande houden vanwege een defect achterlicht. Ze slaan op de vlucht en rijden een voetganger aan. Mario van de Geijn, medewerker van filmhuis Lux, overlijdt kort daarna. Maar wie reed er op die fatale januaridag in 2010 op de scooter en wie was er ‘slechts’ bijrijder?

Mohamed el G. (19) en Mohamed A. (18) blijven consequent elkáár beschuldigen. En ooggetuigen kunnen ook geen uitsluitsel geven. Daarmee ontstaat een patstelling, die zal resulteren in een jarenlange juridische hellegang voor Van de Geijns nabestaanden. De twee verdachten, die zich na het ongeluk ook al schuldig hebben gemaakt aan intimidatie van hulpverleners, zullen zich daarin van hun allerslechtste kant laten zien en de rechtsgang tot in den treure traineren.

Programmamaker Hetty Nietsch heeft de zaak al die jaren van zeer nabij gevolgd en contact onderhouden met Mario van de Geijns levenspartner Gé Creemers, die op zoek blijft naar rechtvaardigheid en dialoog. Met ooggetuigen, politieagenten, medewerkers van het ziekenhuis, officieren van justitie, journalisten en de advocaten van de twee verdachten neemt Nietsch het ongeluk en de nasleep daarvan minutieus door. Ze ondersteunt haar narratief met nieuwsbeelden en reconstructies van de politieverhoren. Oud-rechter Egbert Myjer fungeert opmerkelijk genoeg als verteller.

Het eindresultaat bevat weliswaar veel pratende hoofden, recht in de camera, maar maakt tegelijkertijd het centrale dilemma van een uiterst frustrerende strafzaak inzichtelijk. Want zolang niet duidelijk is wie er achter het stuur zat, kun je de één het ongeluk van de ander niet aanrekenen. Of zijn de twee, als (potentiële) plegers van een misdrijf, roekeloze rijders en schaamteloze saboteurs van de rechtsgang, misschien sowieso allebei schuldig?

12 Jours

 

In de beperking toont zich de meester. Of: het beste idee is een simpel idee. De drie gitaarakkoorden die tezamen een wereldhit vormen, het gebaar dat een stortvloed aan woorden voorkomt of – in dit geval – de doodeenvoudige documentairesetting die elke verdere regie-ingreep overbodig maakt.

Regisseur Raymond Depardon kiest in 12 Jours (85 min.) voor een mise-en-scène zonder enige opsmuk: gewone, kwetsbare mensen presenteren zich aan de rechter, houden hun pleidooi en leveren zich daarna over aan zijn/haar oordeel. Gewone, kwetsbare mensen die gedwongen zijn opgenomen in een psychiatrische inrichting, dat wel. Binnen twaalf dagen na de verplichte opname moet worden bepaald of die behandeling nog noodzakelijk is.

En daar zitten ze dan: tot in elke vezel van hun lijf gespannen, troebel voor zich uitstarend of, gewoon, zoals wij daar zouden zitten. Strijdbaar misschien, de schijn ophoudend en afhankelijk, heel afhankelijk. Ze zijn schizofreen, gaan gebukt onder paranoia of hebben een zeer zware depressie. Ze leiden hun leven niet, ze lijden het.

Neem de man met de ontheemde blik. Hij zou zomaar in een willekeurig nieuwsbericht kunnen worden opgevoerd. Als anonieme dader van een gruwelijke misdrijf, met alleen een hoofdletter en punt als achternaam. Een monster, zonder enige twijfel. Deze indringende film laat hem zien als mens: een gewone man, overspoeld door wanen en nachtmerries. Een man die een politieke partij wil oprichten om psychiaters af te schaffen.

Tussen al die tragische gesprekken plaatst Depardon, een Franse documentairemaker met inmiddels een indrukwekkende staat van dienst, trage beelden van patiënten in hun verplichte leefomgeving. Dramatische muziek begeleidt hoe ze verweesd en ontzield ronddolen in een wereld, die maar niet van hen wil – en mag – worden. Als schimmen van wie ze ook hadden kunnen zijn.

Flint Town

 

Ooit waren ze met 300 politieagenten. Nu zijn er nog maar 98. Op niet minder dan 100.000 burgers. Er rijden maximaal 9 politieauto’s tegelijkertijd door Flint, Michigan om de stad in de gaten te houden, zo becijfert één van die 98 agenten. Ze geven zelf bovendien grif toe dat hun korps en de inwoners van Flint, dat al decennia tot Amerika’s gewelddadigste steden behoort, op voet van oorlog met elkaar staan. En dan blijkt ook het drinkwater in de stad nog eens te zijn vergiftigd met lood…

Een stad in nood vraagt om drastische maatregelen. De eerste vrouwelijke burgemeester Karen Weaver laat er na haar verkiezing in november 2015 geen gras over groeien en ontslaat direct de korpschef. De nieuwe commissaris, crimefighter Tim Johnson, krijgt de opdracht om de stad terug te veroveren. Met een speciaal samengesteld arrestatieteam bindt hij de strijd aan met de wild om zich heen grijpende criminaliteit. Dat is het uitgangspunt van de achtdelige documentaireserie Flint Town (334 min.) van Drea CooperZackary Canepari en Jessica Dimmock, waarin enkele leden van het belaagde politiekorps worden gevolgd tijdens hun dagelijkse bezigheden. Intussen worden er, om de spanning nog wat verder op te voeren, elders in het land (dodelijke) aanslagen gepleegd op politieagenten.

Het is sowieso een ‘hell of a job’ voor het groentje dat recht van de politieacademie de straat op wordt gestuurd, de agente die het eigenlijk wel gezien heeft en wil overstappen naar de FBI, en haar vriend, een cynisch geworden smeris van de oude stempel, om politieagent te zijn in Flint. Op hun tenen lopen ze voortdurend achter de feiten aan, worden gedurig onder het vergrootglas van de Black Lives Matter-beweging gelegd en proberen intussen te voorkomen dat ze voortijdig opbranden. De camera kijkt mee terwijl de mannen en vrouwen in blauw patrouilleren, onderzoeken en arresteren in het door armoede en geweld geteisterde Flint. Conflicten met de plaatselijke bevolking liggen voortdurend op de loer. Hoe win je het gevecht om de stad, zonder dat die zijn ziel verliest?

Nee, die pet past echt niet iedereen, zo onderstreept deze serie, die thematisch sterk verwant is met de documentaire The Force(waarover ik enkele weken geleden hier al schreef), nog maar eens. Zeker omdat de geportretteerde politieagenten, vanwege dreigende bezuinigingen, voortdurend ontslag boven het hoofd hangt. Wie zijn ze nog als ze geen ‘cop’ meer kunnen zijn? Flint Town neemt ruim de tijd, dik 5,5 uur, om de kleine verhalen van die agenten op straat af te zetten tegen het grotere verhaal van een verscheurde stad, dat wordt verteld door plaatselijke verslaggevers, gewone (boze) burgers en de politiechef zelf. Binnen dat spanningsveld, tussen gloedvol verwoord beleid en de keiharde realiteit, kan de gewone diender het eigenlijk nooit goed doen.

De industriestad Flint in Michigan vormde ook het decor voor Roger & Me, de eerste documentaire van Michael Moore. Amerika’s bekendste documentairemaker startte zijn carrière in 1989 met een film over de desastreuze gevolgen van het besluit van autogigant General Motors om de fabriek in zijn geboortestad te sluiten. Met een camera in de aanslag ging Michael Moore op zoek naar GM’s CEO Roger Smith om hem ter verantwoording te roepen.

The Force

‘Dit land is in essentie gesticht op wantrouwen jegens de overheid’, zegt politiechef Whent tegen zijn manschappen. ‘Wij zijn het meest zichtbare uithangbord van die overheid. We rijden rond in een zwart-witte auto met knipperende lichten en dragen een uniform met een blinkende ster. We geven jullie veel gezag en een wapen. Het is redelijk dat mensen verwachten dat je uitlegt waarom je doet wat je doet.’

Herfst 2014. Sean Whent is hoofdcommissaris nummer zes van de Californische stad Oakland in tien jaar. Zijn korps, waar een ‘giftige machocultuur’ zou heersen, ligt op alle mogelijke manieren onder vuur. Vanwege corruptie, machtsmisbruik en excessief geweld. De knop moet om volgens de nieuwe leider. Hij wil geen foute agenten meer en een einde aan de ‘blue wall of silence’. Wangedrag dient voortaan direct te worden gemeld.

Whents ferme taal wordt in de navolgende periode op alle mogelijke manieren op de proef gesteld, getuige de enerverende documentaire The Force (92 min.), waarin het politiekorps van de door raciale spanningen verscheurde Amerikaanse stad twee jaar lang wordt gevolgd. Terwijl activisten van de Black Lives Matter-beweging elke misstap van het korps met mobieltjes proberen vast te leggen, wapenen de agenten zich met bodycams, die de beelden leveren waarmee hun kant van het verhaal kan worden bevestigd.

Oakland oogt in deze ‘fly on the wall’-docu van Peter Nicks als de frontlinie van een oorlog tussen staat en volk om het hart van Amerika. The Force kiest daarbij het perspectief van de politie, van de gewone diender die in deze betonnen jungle moet zien te overleven. Zonder dat de film daarmee ook automatisch partij kiest voor het blauw op straat. De schandalen die het korps ook onder het bewind van Whent blijven teisteren worden eveneens belicht in deze krachtige film, waarmee een verrassend nieuw licht wordt geworpen op – kwinkslag-alarrumm! – de klassieke slogan ‘may the force be with you’.

 

Baltimore Rising

Als ons collectieve geestesoog een beeld oproept van het slagveld dat de Amerikaanse ‘war on drugs’ heeft veroorzaakt, dan belandt het vast onwillekeurig in de verloederde wijken van Baltimore, Maryland. Met dank aan schrijver David Simon, die de gevaarlijke straathoeken en bijbehorende drugshandel vereeuwigde in twee genadeloze non-fictie boeken, Homicide en The Corner, en zijn magnum opus, de veelgeprezen televisieserie The Wire.

In de degelijke documentaire Baltimore Rising (93 min.) van Sonja Sohn, die de politieagente Shakima ‘Kima’ Greggs speelde in The Wire, blijkt Simons centrale thema, de stelselmatige vertrapping van de zwarte onderklasse, bijna vijftien jaar later nog altijd springlevend. Nadat de 25-jarige Freddie Gray in 2015 sterft door hardhandig politie-optreden wordt Baltimore, dat jaarlijks hoge ogen gooit bij de verkiezing van Amerika’s moordhoofdstad, het strijdtoneel voor protesten van de Black Lives Matter-beweging.

Tegen de achtergrond van de processen tegen de agenten die betrokken waren bij de fatale arrestatie van Gray, volgt Sohn enkele activisten, agenten, buurtwerkers en de nieuwe politiecommissaris van Baltimore. Zo maakt ze de verschillende strategieën – confrontatie of juist verzoening? – voor hoe de crisis in hun stad moet worden aangepakt inzichtelijk, zonder dat dit tot wezenlijk nieuwe vergezichten of een echt dramatische ontknoping leidt.