Dunya

IJswater Films

In het kleine appartement in Amsterdam hangt een foto van oma aan de muur. Zingen was haar lust en haar leven. Ze trad op onder de naam Betty Wels, maar echt beroemd werd ze nooit. Ook haar dochter Sabine van der Horst is dol op zingen. Haar hele leven lang zat ze in bandjes. En nu stimuleert ze haar negentienjarige dochter om werk te maken van haar zangtalent. Dunya (60 min.) zou volgens haar naar de Herman Brood Academie moeten gaan.

Moeder en dochter ogen soms bijna als vriendinnen. Ze zingen niet alleen samen, ze stoppen bijvoorbeeld ook tegelijk met blowen – en beginnen allebei ook al snel weer. Sabine heeft een pittig leven achter de rug: ze raakte verslaafd aan harddrugs en was een tijd dakloos. Zoals haar eigen moeder ooit haar toevlucht nam tot drank. Het valt Sabine op dat ook haar dochter wel een glaasje lust. Ze wil de jonge vrouw behoeden voor de fouten die Dunya’s oma en zijzelf hebben gemaakt. Sabine klinkt daarbij alleen meer als een oudere zus dan als een bezorgde ouder.

De wisselwerking tussen moeder en dochter, afwisselend stroef en soepel, resulteert in fraaie scènes. ‘Ik had me wel een beetje uitgesloofd’, zingt Sabine bijvoorbeeld uit volle borst mee met een liedje van haar eigen moeder, terwijl Dunya een sigaretje rookt en haar telefoon checkt. ‘Dat was de drank. Die steeg me naar mijn hoofd. Ik heb de auto toen maar laten staan. En daarom ben ik maar naar een hotel gegaan.’ Samen maken ze zich vervolgens op voor het refrein: ‘Heehee. Ongemerkt. Had ik mezelf in de nesten gewerkt.’

Documentairemaker Tim Bary, die enkele jaren geleden afstudeerde met een spannend en intiem portret van een gabber die klassiek pianist wil worden (Wognum), observeert van heel dichtbij – en zonder de situatie of ontwikkelingen verder in te kaderen of uit te leggen – hoe moeder en dochter samen optrekken. Op een gegeven moment zingen ze zelfs samen in een bandje. Tegelijkertijd lijkt Dunya ook de behoefte te hebben om zich los te maken van haar moeder en zo misschien ook de directe lijn met haar heftige familieverleden te verbreken.

Het is een traditionele en aansprekende coming of age-vertelling, die zich afspeelt binnen een volks Amsterdams milieu. Waarbij de ouder het kind net zo hard nodig lijkt te hebben als andersom en de valkuilen van de ene generatie ook op het levenspad van de volgende dreigen op te duiken.

Crazy Days

Docmakers

Hij moet zich soms als de kapitein van de Titanic voelen: terwijl de tweede Coronagolf Nederland in zijn greep krijgt probeert Riccardo Minasi zijn project bij het Nationale Opera & Ballet drijvende te houden. Samen met een jonge internationale cast bereidt de Italiaanse dirigent zich voor op enkele uitverkochte uitvoeringen van Mozarts fameuze opera Le Nozze De Figaro. Met angst en beven kijken ze uit naar de dinsdagen, naar weer een nieuwe persconferentie die roet in het eten kan gooien.

Intussen ontsmetten ze consciëntieus hun handen en proberen ze ondanks de anderhalve meter afstand gezamenlijk scènes in te studeren. Terwijl ze hun concentratie en enthousiasme proberen vast te houden, kijkt regisseur Sanne Rovers mee tijdens deze Crazy Days (65 min.). Ze laat haar camera door de lege gangen van het operagebouw dwalen, houdt zo nu en dan halt voor een repetitie of fraai gestileerde passage uit de opera en spreekt met de voornaamste spelers.

Corona blijft alomtegenwoordig. Het maakt immers nogal een verschil of je toewerkt naar een serie voorstellingen of naar een livestream (en deze documentaire, die waarschijnlijk door meer mensen zal worden gezien dan de uitvoeringen). De magie van het moment zal in dat laatste geval in het luchtledige, zonder interactie met het publiek, tot stand gebracht moeten worden. En de complete onderneming kan natuurlijk ook nog van het ene op het andere moment worden stopgezet.

Het werken aan Le Nozze De Figaro wordt daarmee een allegorie voor hoe het de kunstensector sowieso is vergaan tijdens de Coronacrisis: ze is volledig overgeleverd aan de grillen van het virus en een overheid die daarop probeert te anticiperen. Dat zorgt voor twijfel, frustratie én teleurstelling. Voor een streamuitvoering is bijvoorbeeld niet de gehele cast nodig. Naarmate de pay-off van hun inspanningen – of het uitblijven daarvan – in zicht komt begint het water hen echt aan de lippen te staan.

Iedereen weet nochtans: wat er ook gebeurt, het orkest speelt door.

Hoe Overleef Ik: Francine Oomen Doorbreekt Het Zwijgen

Francine Oomen / c: Pascalle Bonnier

Als tiener had ze haar eigen Hoe Overleef Ik-boeken wel kunnen gebruiken, bekent gevierd schrijver Francine Oomen aan het begin van deze persoonlijke film. Hoe overleef ik de uitdagingen en gevaren van mijn puberteit? Haar voornaamste houvast tijdens die lastige jaren was de drie-eenheid lezen, tekenen en schrijven. Intussen was er dat ene trauma, dat al in de openingsscène van Hoe Overleef Ik: Francine Oomen Doorbreekt Het Zwijgen (55 min.) aan de orde komt en dat toch pas tegen het eind van de documentaire (vrijwel) volledig wordt ingelost.

‘Wat is er gebeurd, hoe herhalen de dingen zich en hoe kun je ervoor zorgen dat die herhaling, dat intergenerationele trauma, stopt?’ vat ze het nog een keer samen voor haar uitgever Elik Lettinga. ‘Want dat is wat ik uiteindelijk wil onderzoeken.’ Oomen is tenslotte niet voor niets schrijver geworden. Een boek moet de afronding worden van een zeer persoonlijk proces dat nu al enkele jaren in beslag neemt. Dit heeft haar heel wat kruim gekost en lijkt vooralsnog weinig echte verlichting op te leveren.

Pascalle Bonnier volgt haar op die intieme reis: door het verleden (naar de echtscheiding van haar ouders bijvoorbeeld, die daarna allebei zouden trouwen met de buurman/vrouw) en naar een toekomst waarin ze haar eigen rol als partner en ouder een nieuwe invulling kan geven. Want intimiteit en verbinding blijven heel moeilijk voor Oomen. ‘Ik ben mijn hele leven bezig met me te herinneren wat liefde nu echt is’, zegt ze bijvoorbeeld gefrustreerd als haar relatie is gestrand. ‘Niet die shit die m’n ouders me voorgedaan hebben.’

Bonnier waakt er intussen voor dat de film geen al te tobberig karakter krijgt. Ze verluchtigt Oomens confrontatie met de demonen uit haar jeugd bijvoorbeeld met enkele komische scènes waarin zij een paar schapen aankoopt voor bij haar nieuwe woning. Terwijl de schrijfster nog druk aan het ‘socialiseren’ is met haar nieuwe huisgenoten, zetten die het op een lopen. Eenmaal thuis laat ook ex-echtgenoot Erik, met wie ze nog altijd een goed contact onderhoudt, zich wéér in de luren leggen door de schichtige beesten. Een nieuw begin, zo gemakkelijk is dat nog niet.

Met vallen en opstaan probeert Francine Oomen zo in dit persoonlijke portret tegelijkertijd in het reine te komen met haar verleden en een vruchtbare basis te leggen voor een leven met haar dierbaren.

Dit Ben Ik Niet

Nederlands Film Festival

In eerste instantie heeft ze ‘het volste vertrouwen’ in hem. Ontspannen vertrouwt Rian haar levensverhaal toe aan haar 42-jarige zoon Joris, die speciaal voor de gelegenheid enkele weken bij haar is ingetrokken, inclusief de feestdagen. Een zus van Joris Koptod Nioky geeft dan weer direct aan dat ze helemaal geen zin heeft in het oprakelen van het verleden. Bang voor de grote emoties die loskomen. Dat kwartje valt pas later bij Rian. Als de film bijna klaar is, heeft ze spijt als haren op haar hoofd dat ze heeft besloten om mee te werken.

Dit Ben Ik Niet (102 min.), constateert Rian boos en diep teleurgesteld als ze een voorlopige montage van de egodocu te zien krijgt. Joris wil oud zeer bovenhalen, misschien zelfs rekeningen vereffenen. Deze film kan een manier zijn om weer verbinding tot stand te brengen binnen de familie, zegt hij onderweg, maar dat lijkt eerlijk gezegd toch echt niet de insteek. Als een film daarvoor überhaupt een geëigend middel zou zijn. De maker kan de camera immers als wapen inzetten en heeft later ook nog altijd de montage – scherp, associatief en humorvol, in dit geval – om de vertelling naar zich toe te trekken.

Het ogenschijnlijk bijna lukraak samengestelde gezin waarbinnen de documentairemaker opgroeide – een uitvloeisel van de woongroepen van de jaren zeventig – is nooit een veilige omgeving voor hem geworden, betoogt hij. Joris en zijn (half)broers en -zussen zijn beschadigd uit de strijd gekomen die hun jeugd gaandeweg werd. Rian, die bang is dat ze wordt geportretteerd als een ‘tokkie’, herinnert zich dat totaal anders. De vragen van haar zoon en diens conclusies ervaart ze als een koude douche. ‘Als ik jou zou opnemen, dan zou jij ook van alles zien over jezelf’, zegt ze verontwaardigd. ‘Nou, dat is wat ik nu zie.’

Joris laat zijn 71-jarige moeder naar getuigenissen van enkele van haar (stief)kinderen kijken. ‘Is er nou nooit iemand geweest – een docent, een buurman, een buurvrouw, een vriend, iemand die vaak over de vloer kwam – die zag dat het niet in orde was bij ons?’ vraagt een broer van Joris zich af. Rian vertrekt ogenschijnlijk geen spier als ze wordt gedwongen om via hen naar zichzelf te kijken. Ook letterlijk: Joris zet een laptop op het salontafeltje voor haar. Op het beeldscherm ziet ze zichzelf zitten zoals ze daar nu zit: een oudere vrouw, met een kussen op haar schoot, die participeert in wat ze zelf ‘een lelijke film’ noemt. Een documentaire die onderdeel zal worden van een hevig ontsporende familieruzie.

Haar zoon houdt de teugels intussen stevig in handen bij deze ontleding van wat hij als zijn eigen verhaal beschouwt: close-up beelden van een huishouden van Jan Steen, strak gearrangeerde gesprekken, tijdsprongen, parallel gemonteerde gesprekken, ontregelende geluiden en spannende muziek (waaronder een ingenieus slotduet). Als maker trekt Koptod Nioky alles uit de kast om zijn persoonlijke betoog kracht bij te zetten, maar van wie is dat verhaal eigenlijk? Van hem als kind? Van zijn moeder? Of van andere familieleden, waarvan sommigen zijn missie ondersteunen en anderen juist verafschuwen wat hij bij zijn naasten aanricht?

Als de film wordt ontdaan van zijn morele dimensies – kan dat überhaupt en is dat gewenst? – dan resteert een enerverende, zinnenprikkelende en slim gestructureerde vertelling over een kind dat zijn moeder wil laten zien wie ze volgens hem is – en dat wil dat ze ook hem nu eindelijk eens ziet. Als buitenstaander zie je daarnaast een gecompliceerde familiesituatie die, voor het oog van de wereld, verder op scherp wordt gezet.

Blue Monday

Chester / KRO-NCRV

Zij kijken recht in de camera. En wij als kijkers een héél klein beetje in hun ziel. ‘Ik ben wel heel erg geneigd te geloven dat dit voor mij de juiste zoektocht en de juiste weg is’, zegt Jerry Allon, een dertiger die wil weten wie zijn biologische vader is. ‘En als dan blijkt dat het allemaal een platte ziekte is die mij gewoon maar op een spoor zet waar ik eigenlijk niet op had moeten zitten, zou ik dat wel erg vinden.’ Hij denkt hardop verder en concludeert vervolgens: ‘Dan ben ik toch zieker dan ik dacht.’

Dat is ook het lastige van psychoses, constateert hij in Blue Monday (55 min.), een documentaire van Ingrid Kamerling (die tevens werkzaam is als psycholoog en eerder al het thematisch verwante Rusteloze Zielen, Scènes uit de TBS maakte). Je overtuigingen blijven in eerste instantie doorgaans dicht bij de realiteit en gaan er dan steeds meer langs lopen, Totdat je, zo heeft Jerry ervaren, helemaal vast zit in een horrorwereld. Los van de psychiatrische problematiek zelf moet dat een enorme mindfuck zijn. Als je jezelf al niet meer kunt vertrouwen…

Chester heeft soortgelijke ervaringen. Hij kent beide kanten van de medaille. De euforie: ‘Het is alsof je ineens door hebt hoe het universum werkt.’ En het diepe, diepe dal: ‘Ik dacht letterlijk dat ik in de hel was, om gemarteld te worden.’ Joyce is dan weer geneigd om zichzelf pijn te doen en heeft bij de stemmen die ze hoort ook nog eens elementaire vragen: ‘Wanneer is iets een psychose en wanneer is iets een spirituele crisis?’ Van de medische wereld heeft ze op dat vlak weinig te verwachten. Die willen de stemmen simpelweg wegdrukken met medicatie. ‘Ze vragen nooit: wat zeggen de stemmen?’

Kamerling geeft haar hoofdpersonen in Blue Monday alle gelegenheid om hun diepste zielenroerselen te delen en dringt zo echt door tot hun belevingswereld, die ze verder vervat in lange close-up shots en stemmige beelden van bovenaf of met opmerkelijk veel hoofdruimte. De drie hoofdpersonen maken daardoor een kwetsbare en onthechte indruk, die nog eens wordt versterkt door het weelderige geluidsdecor en de stemmige muziek. Het is duidelijk: Jerry, Chester en Joyce voeren elk hun eigen eenzame strijd, die bij anderen vaak voor onbegrip zorgt.

Aan het eind van de tunnel lijkt echter licht te gloren. Tijdens de film beginnen ze heel voorzichtig weer contact te maken met de buitenwereld, waarvoor zij soms zo vreemd lijken – en die voor hen ook vaak vreemd aanvoelt.

No Hay Camino

‘Ik heb het gevoel dat hoe minder ik over de dood nadenk’, vertelt Heddy Honigmann aan Johanna ter Steege, de hoofdrolspeelster van haar speelfilm Tot Ziens (1995), ‘hoe langer ik ga leven.’

Voor het eerst in haar lange carrière als filmer heeft ze geen idee waar ze mee bezig is. Voor het eerst ook zal ze de hoofdrol spelen in haar eigen film, die ze ook nog gewoon moet regisseren. Het was niet Honigmanns idee, deze film die wel eens haar allerlaatste zou kunnen worden: No Hay Camino (92 min.). Vrij vertaald: er is geen weg. Ze moest ervan worden overtuigd om ‘m te maken. In deze roadmovie reist de documentairemaakster, die ongeneeslijke ziek is, naar haar geboorteland Peru. Op weg naar… Ja, naar wat eigenlijk? Naar de vader, met wie ze zo’n lastige relatie had?

‘Laat ik niet melodramatisch doen’, veegt ze haar tranen weg als ze in Lima eindelijk het huis heeft gevonden waar ze is opgegroeid. Heddy Honigmann (O Amor NaturalCrazy en Buddy) moet vervolgens praten als brugman om even binnen te mogen kijken. ‘Als je verderop gaat, Adri, maak dan maar een portret van mij en m’n lantaarnpaal’, instrueert ze als regisseur haar cameraman. ‘Dat is het portret van mijn jeugd.’ Al te veel geduld heeft de hoofdpersoon Heddy Honigmann, tegenwoordig veroordeeld tot een rolstoel of rollator, vervolgens niet met de opnames die Adri Schrover van haar maakt. ‘Oké, basta’, klinkt het ferm.

Terwijl Honigmann in gesprek gaat met haar zus, vriendin Kristien Hemmerechts of Peruanen waarmee ze in haar lange carrière te maken heeft gehad, dwalen ze automatisch ook door haar omvangrijke oeuvre en houden halt bij beelden of mensen die daarmee zijn verbonden: de Peruaanse taxichauffeurs uit Metaal En Melancholie (1994), het jongetje dat in El Olvido (2008) zegt geen enkele leuke herinnering te hebben en de man die (sneller) alle doden op een kerkhof te Sarajevo moet introduceren in Goede Man, Lieve Zoon (2002). Intussen blijft ze zelf soms een wat nukkige hoofdpersoon voor de ervaren regisseur, bedreven de situatie naar haar hand zettend, die ze nog altijd is.

Op haar vader – een Joodse kunstenaar die na de oorlog naar Peru emigreerde en daar bekendheid verwierf als cartoonist – krijgt ze ook slechts met moeite vat. Anderen blijken heel andere herinneringen te hebben aan de man waarmee zij nog echt in het reine moet komen. En eenmaal terug in Nederland wil Honigmann van haar eigen zoon Stefan, die haar vergezelt naar ziekenhuisbehandelingen, weten of zij zelf misschien ook een overheersende ouder was. Het leven is in dat opzicht net als film maken, constateert ze tenslotte met collega José Luis Guerin, die een korte film heeft gemaakt waarmee deze persoonlijke en bespiegelende film (bijna) wordt afgerond:

Er is geen weg. Je vindt de weg door langzaam te lopen. En als je achterom kijkt, zie je de weg die je hebt afgelegd.

Shelley In Wonderland

Halal

Noem ‘t gerust een cliché of gimmick. Maar als de aspirant-Miss Senior USA en haar concurrenten zich opmaken voor de strijd om de titel, kan er eigenlijk maar één nummer klinken: Oh, Pretty Woman van ‘good old’ Roy Orbison. De soepele gitaarriff transporteert alles en iedereen direct naar de tijd waarin alle deelnemers hun gloriejaren beleefden. Intussen zijn de dames op een leeftijd aanbeland waarop ze – althans volgens eigen zeggen – niet meer worden gezien.

Dat geldt misschien ook wel een beetje voor Shelley Lee Sybil Gish, de hoofdpersoon van deze smakelijke korte documentaire van Sophie Dros. De 63-jarige Miss Senior Utah is duidelijk gespannen voor de missverkiezing en hoe zij zich daarbinnen zal manifesteren. Terwijl concurrenten oefenen op een dansje bij Elvis’ Jailhouse Rock, de harp bespelen of de show proberen te stelen met kleine acrobatiek wil zij excelleren met I Have A Dream van ABBA. Toepasselijk nummer.

Muziek speelt wel vaker een sleutelrol in Shelley In Wonderland (40 min.). In de bus zingen de dames, met elk hun kroontje parmantig op het hoofd, uit volle borst You Are My Sunshine. Bij de visagie wordt gezamenlijk een enthousiast There’s No Business Like Show Business aangeheven. En daarna laat regisseur Sophie Dros hun verdere verrichtingen tijdens het ‘showgirl-bootcamp’ ook nog eens begeleiden door Cyndi Lauper: Girls Just Wanna Have Fun, juist.

Tussen de bedrijven door kletsen de meiden over hun relaties, echtscheidingen en nieuwe vriendjes en vertelt Shelley op haar hotelkamer het verhaal van haar veelbewogen leven, dat ooit begon bij de Mormoonse Latter-Day Saints-kerkgemeenschap. Die terugblik wordt door Dros vaardig geïllustreerd met enkele fraaie sequenties met familiefoto’s en privévideo’s. Uit de jaren dat de schoonheidskoningin op leeftijd zichzelf zocht en steeds weer kwijtraakte.

En dan is de avond van de Miss Senior-verkiezing aangebroken. I’m a queen, houdt Shelley zichzelf voor. Ze doet dit tenslotte voor zichzelf, niet voor de overwinning. Net als haar concurrenten lijkt ze iets terug te willen vinden dat ergens onderweg verloren is gegaan. In die zin is deze observerende film een soort ode aan de (eeuwige) jeugd, die je nooit helemaal achter je hoeft te laten. Of, anders bezien, die je een leven lang kan blijven achtervolgen.

Menige liedjesschrijver heeft er een compleet songboek aan gewijd.

Dertien Dagen

Floor Haak / c: Gijs Haak

‘Laatste keer dat ik in bad ben geweest, denk ik’, zegt Floor Haak monter, nadat hij met enige moeite naakt op zijn bed is gaan zitten. ‘Hoop ik. Ik kan nu verder wel vies worden.’ Vertel eens: wat is het plan? oppert zijn filmmakende zoon Gijs. ‘Het plan is om volgende week te beginnen met niet eten en niet drinken’, antwoordt Floor. ‘En dan ga ik vanzelf dood als het goed gaat.’

De hoogbejaarde man uit Vrouwenpolder heeft alleen geen idee hoe dat zal zijn. Vandaar dat het hem ook wel een goed idee lijkt als het hele gebeuren wordt gefilmd. ‘Dan kunnen andere mensen zien hoe dat is en kunnen ze eventueel ook daarvoor kiezen als ze eraan toe zijn.’ Zijn gezicht betrekt heel even: ‘En dan hoeven ze niet te wachten tot er dan eindelijk pillen zijn.’

Dertien Dagen (43 min.) zullen Floor Haak (1932-2019) nog vergund zijn. En Gijs (en zijn broer Michiel) blijft al die tijd aan zijn zijde: filmend, pratend, zorgend, wachtend en tenslotte wakend. Hun vader doet gewoon fitheidsoefeningen, neemt zijn pillen en bekijkt alvast zijn kist en bidprentje. De teneur is rustig en ontspannen. Met een lichte toon, (zelf)relativering en de nodige humor.

Soms, als hij even ligt te slapen, lijkt Floor het leven al te hebben verlaten. Zelf noemt hij dat dan ‘een proefligging’. Te midden van alles wat hij liefhad zet de oudere man zo, ogenschijnlijk zonder twijfel of verdriet, de allerlaatste stappen naar de dood. ‘Geef me maar even mijn vader’, zegt hij als er oude foto’s rondom zijn bed worden geplaatst. ‘Ik hoop dat ie trots op me was.’

Het wordt een waardig einde, waar Floor Haak zelf ‘heel tevreden’ over is. En zijn zoon Gijs heeft dat – en de man die zijn vader was – sereen vereeuwigd. Met voldoende distantie en toch héél intiem. Ondersteund door sfeervolle muziek, waaronder een gezamenlijk gezongen Hallejujah. En doordrenkt met de onvoorwaardelijke liefde die alleen een kind voor zijn ouder kan voelen.

Vanuit het hiernamaals ziet Floor, zonder enige twijfel, dat het goed is.

Zijn kleindochter Mila maakte een jaar voor zijn overlijden overigens ook een film over Floor Haak: Het Laatste Beeld. Terwijl zij zijn dagelijks bestaan filmt, vertelt hij haar over zijn leven.

Up To G-Cup: In Iraqi Kurdistan

‘Je ziet hier nooit dat twee mensen die van elkaar houden ook echt bij elkaar komen’, zegt Hind. ‘Dat is onmogelijk. Ik ben nu ook één van die mensen. Je moet je eigen liefdesleven doodtrappen.’ Hind koestert een onmogelijke liefde, heeft ze even daarvoor verteld. Voor een man die aan een ander is beloofd. De Koerdische vrouw probeert hem nu zelf ook te vergeten met een ander, zegt ze ongemakkelijk glimlachend. Die houdt van haar, méér dan zij waarschijnlijk ooit van hem zal kunnen houden. Hind begint weer zenuwachtig te lachen. ‘Klaar. Ik kan niet meer.’

De jonge vrouw werkt in de eerste lingeriewinkel van Iraaks Koerdistan. Die is te vinden in een groot winkelcentrum te Suleimaniyahh en wordt van materiaal voorzien door de Nederlands-Koerdische Shapol, de centrale figuur in deze documentaire van Jacqueline van Vugt. In de winkel speelt een belangrijk deel van Up To G-Cup: In Iraqi Kurdistan (81 min.) zich af. Vrouwen passen er beha’s of ondergoed – activiteiten die ze zorgvuldig afschermen van de camera. Tussen de praktische handelingen en gesprekjes door doen ze, soms in bedekte termen, hun persoonlijke verhaal. Over de positie van vrouwen, seksuele ervaringen en oorlog, altijd weer oorlog.

Ze hebben stuk voor stuk zo hun littekens opgelopen. Lingerie kan hen helpen om hun zelfvertrouwen te vergroten, maar confronteert hen ook met zichzelf en de wereld waarin ze (moeten) leven. Schaamte speelt daarbinnen een belangrijke rol. En die speelt soms ook op in deze solide film, die volledig vanuit vrouwelijk perspectief wordt verteld. En de ervaringen van deze Koerdische vrouwen mogen ons dan misschien vertrouwd in de oren klinken, ze hebben nog altijd weinig aan urgentie ingeboet.

The Photograph

Memphis Films

Sherman de Jesus kent hem alleen van die ene verweerde zwartwit-foto. Gemaakt in de befaamde Harlem Studio te New York, ongeveer honderd jaar geleden. Zijn opa Juan de Jesus, een zeeman en handelaar uit Curaçao. Fier kijkt hij in de camera. Een donkere man in zijn nette pak. Een knappe kerel ook, vindt Donna Mussenden, de weduwe van de toenmalige fotograaf James van der Zee (1886-1983) die ook diens erfgoed beheert.

In de eerste helft van de twintigste eeuw vereeuwigde Van der Zee de Afro-Amerikaanse gemeenschap van New York tijdens de zogenaamde Harlem Renaissance, toen zwarte muziek, kunst en literatuur floreerden. De mannen, vrouwen en kinderen van de zogenaamde ‘New Negro Movement’ staan er op hun paasbest op. Het zijn trotse foto’s, van mensen die aan zichzelf en de rest van de wereld, waar racisme en segregatie nog aan de orde van de dag zijn, willen laten zien dat ze iets voorstellen.

In het hedendaagse New York gaat Sherman de Jesus, met The Photograph (98 min.) in de hand, de gangen na van de fotograaf, die later ook zwarte iconen als Muhammad Ali en Bill Cosby portretteerde, en schetst de wereld waarin deze leefde. De Nederlandse filmmaker laat zich, begeleid door dampende jazzmuziek, bovendien rondleiden door fotografen, historici en andere chroniqueurs en luistert naar hun verhalen over uiteenlopende onderwerpen als de vermaarde Cotton Club, lynchpartijen, burgerrechtenpionier Marcus Garvey, de crackepidemie en gentrificatie.

De Jesus geeft ook zijn ogen – en de onze – goed de kost. Hij vangt zo kalm de atmosfeer op straat in Harlem en vereeuwigt op zijn beurt de gezichten van de Afro-Amerikaanse gemeenschap die zich daar ophoudt. Het is een kleurrijke omgeving, waar de Harlem Renaissance een kleine eeuw later nog altijd voelbaar is en waar hij zich ook zelf senang voelt.

Hoogtijdagen – Portret Van Een Gehavend Gebied

Mokum

Zo’n beetje elk afzonderlijk shot van deze documentaire zou op een ansichtkaart kunnen. Verstuurd vanuit het verre Kola, een schiereiland in het Noordwesten van Rusland. Gelegen in de Poolcirkel. Waar de Sovjet-Unie ooit grootse verwachtingen losmaakte. Over bodemschatten die voor mijnbouw, werkgelegenheid en welvaart zouden gaan zorgen.

Utopia werd gaandeweg echter een Russische variant op Nergenshuizen. Tegenwoordig reppen ze er vooral over verloren tijden. Vergane glorie. En het rijk dat ten onder ging met de filosofie waarop die was gegrondvest: het communisme. Het is een plek geworden van opgepoetste herinneringen, geknakte ambities en – als je meer wilt van het leven – het verlangen om er zo snel mogelijk weg te gaan. Nú, als het kan.

Regisseur Ben van Lieshout vangt de desolate atmosfeer met een film die oogt als een serie bewegende foto’s, waarbij de camera zich nauwelijks verroert en slechts een heel enkele keer rugdekking krijgt van muziek. Hoogtijdagen – Portret Van Een Gehavend Gebied (90 min.) is doortrokken van de scheefgetrokken huizen, verouderde industrie, doodgeslagen leuzen, afgebladderde gebouwen, bergen afval en standbeelden van Sovjet-helden die hun fierheid allang zijn verloren.

Hier en daar lopen of rijden er nog wat verdwaalde Russen door het beeld. Zij slijten hun (laatste) levensdagen in deze sombere uithoek van de aarde, waarin de filmmaker een soort onttakelde schoonheid heeft ontdekt. Onderkoeld vertellen deze achterblijvers over hoe de wereld om hen heen is veranderd en gaandeweg ook hen van hun dromen heeft beroofd. Hoopvol werd onverbiddelijk melancholiek.

Kalm en trefzeker schetst Van Lieshout via Kola en z’n bevolking de opkomst en ondergang van het Russische communisme. Dat is geen meeslepende vertelling geworden – soms een beetje traag en saai zelfs – maar veeleer een soort wrakkenmuseum. Voor een wereld die inmiddels een glorieuze toekomst achter zich heeft liggen.

A Man And A Camera

IFFR

‘Wat is daar de bedoeling van?’ vraagt de man die net lekker met zijn hark bezig was in de tuin. ‘Hallo! Ik vraag wat de bedoeling ervan is.’ Hij is dichter bij A Man And A Camera (63 min.) komen staan, maar antwoord blijft uit. ‘Bent u doof?’ wil een andere man, eveneens werkzaam in het groen, even later weten. Ook nu blijft het stil vanachter de camera.

De man en zijn camera, vermoedelijk documentairemaker Guido Hendrikx, loopt door. Naar een nieuw ‘slachtoffer’, wiens privacy – ongevraagd en zonder commentaar – zal worden geschonden. Aan de deur, in de tuin of bij de intercom. En soms: gewoon binnen, in hun eigen huis. De reacties lopen uiteen: van verbaasd en geamuseerd tot boos en verontwaardigd.

Een beetje geheimzinnig dit. Vertel…

Is het de bedoeling dat ik wat zeg?

Ik doe de deur weer dicht hoor.

Geef die man eens even een koekje.

Ik vind ‘t allemaal prima zo.

Wilt u mee naar binnen?

Zal ik even koffiezetten voor je?

Wat is de diepere zin daarvan? 

Spoor je wel, kerel? 

Ik wil dat je nu weggaat. Anders bel ik de politie.

Je krijgt vijf tellen om te zeggen wat je komt doen. Anders sla ik dat ding in elkaar.

En dan voegt een andere man, zonder waarschuwing vooraf, de daad bij het woord.

Dat is overigens een uitzondering. De andere geportretteerden maken gewoon contact. Zoals je dat doet met een vreemde die geen woord terugzegt. Wat Hendrikx, eerder verantwoordelijk voor de bekroonde en bijzonder ongemakkelijke vluchtelingenfilm Stranger In Paradise, op die manier probeert te zeggen? Heel veel, waarschijnlijk.

Is A Man And A Camera een pleidooi om zorgvuldiger onze privacy te beschermen? Of een relativering daarvan? Een eerbetoon aan de vaderlandse volksaard? Of juist een demasqué? En wat is de kijker van zijn film dan? Een lid van de eigen parochie? Of een nietsontziende voyeur? En zou hij, als almachtige man achter die camera, werkelijk helemaal niets hebben gezegd tegen zijn subjecten? 

Wat de onuitgesproken regels van het experiment ook waren, de camera zoekt gaandeweg ieders grenzen op en maakt van alle betrokkenen bovendien acteurs in het spel dat hun eigen leven wordt. Afhankelijk van z’n gemoedstoestand ziet de nietsvermoedende kijker dat geïntrigeerd aan of zit ie dat geïrriteerd uit. En dan valt Leonard Cohens Going Home in tijdens de aftiteling.

Het Leven Gaat Niet Altijd Over Tulpen

EO

Klaas Schouten, een noeste werker van tegen de zestig, heeft het mooi voor elkaar: hij is gelukkig getrouwd met Jolanda, hun tulpenkwekerij in het West-Friese Andijk floreert en zoon Simon en dochter Irene schaatsen nationaal en internationaal voor de medailles. En dan krijgt zijn echtgenote een hersenbloeding en staat zij, en daarmee ook haar directe familie, voor een lange en moeizame herstelperiode.

Regisseur Barbara Makkinga dringt in Het Leven Gaat Niet Altijd Over Tulpen (84 min.) diep door in het leven van het echtpaar Schouten en hun vier volwassen kinderen. Dat speelt zich af tegen een werkelijk prachtig decor. In de openingsscène poseert het gezin bijvoorbeeld te midden van een zee van gele tulpen voor een familiefoto. Waarna er hele fijne (drone)shots zijn te zien van de verwerking van bloemen op het uitgestrekte veld.

Het camerawerk, met veel oog voor symmetrie en detail, is één van de zegeningen van deze film, die daardoor groots aanvoelt en soms toch heel intiem wordt, bijvoorbeeld als de kinderen de dagelijkse zorg voor moeder voor hun rekening nemen of als vader Klaas van dichtbij wordt gevolgd tijdens een wedstrijd van één van zijn kinderen. Ook opvallend: de expressieve soundtrack van Vincent van Warmerdam, die wel erg de aandacht naar zich toetrekt.

Terwijl de beide zonen Simon en Klaas junior plannen maken om het bedrijf over te nemen, is het met name dochter Catherine die mantelzorger is voor hun moeder. In hoeverre vervult zij daarmee een wezenlijke taak binnen het familiebedrijf en vertegenwoordigt dit ook waarde? Het herstel van Jolanda, die is aangewezen op een rolstoel en ook geregeld in een verpleeghuis verblijft, verloopt intussen tergend langzaam. Ze is ook regelmatig somber of nukkig.

Met fragmenten uit familievideo’s toont Makkinga de vrouw die ze ooit was en de moeder die haar kinderen nog altijd in haar zien. Zo maakt ze inzichtelijk wat de familie is kwijtgeraakt. Dit drama treden ze overigens doorgaans met Hollandse nuchterheid tegemoet. Dat verdriet blijft veelal onderhuids. Het contrast is groot met hoe Klaas bijvoorbeeld reageert als hij meent dat één van zijn kinderen onrecht is aangedaan tijdens het schaatsen. Dan bliksemt het in zijn ogen.

Het Leven Gaat Niet Altijd Over Tulpen weet in, om en ver van huis de interne machinerie van de Schoutens uitstekend te vangen, al worden niet alle verschillende verhaallijntjes even zorgvuldig uitgewerkt en had enige duiding soms ook niet misstaan. De film is eerst en vooral een fraaie sfeerimpressie van een hecht gezin dat er in moeilijke tijden, zoals het nu eenmaal gewend is, gezamenlijk de schouders onder zet.

De Lijst Van Mengelberg

Moondocs

Van volksheld naar staatsvijand nummer één. Het ‘overkwam’ de immens populaire Nederlandse dirigent Willem Mengelberg, die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog tot ontsteltenis van veel landgenoten aan de zijde van de Duitse bezetter schaarde.

De keuze van Mengelberg, volgens zijn biograaf Frits Zwart bepaald geen prettige persoonlijkheid, liet een schokgolf door het land gaan, die 75 jaar na dato op bepaalde plekken nog altijd voor kleine rimpelingen in het water zorgt. ‘De musicus kunnen we prijzen’, zegt David Bazen, de huidige directeur van het Amsterdamse Concertgebouworkest, over de erfenis van het omstreden boegbeeld van zijn orkest. ‘Maar de mens Mengelberg blijft echt een problematische persoon.’

Toch is dat niet alles wat er kan (en moet) worden gezegd over de man die zijn volk zo opzichtig verraadde. De werkelijkheid lijkt genuanceerder dan het verhaal dat ervan is gemaakt. Zo was Mengelberg om te beginnen Duits van origine. Hij kwam op zijn tweede pas naar Nederland. Thuis zou er altijd in zijn moedertaal worden gesproken. Het is dan misschien geen echt excuus voor zijn latere geestdrift voor de nazi’s, zoals bijvoorbeeld nog altijd blijkt uit aantekeningen die de dirigent maakte op oude Duitse kranten, maar maakt die wel begrijpelijker.

En dan blijkt er ook nog een andere kant te zitten aan Mengelbergs positie tijdens de oorlog. Daarop concentreert Jaap van Eyck zich dan ook in De Lijst Van Mengelberg (77 min.). Hij gebruikt niet voor niets het woord ‘lijst’. Dat roept associaties op met Oskar Schindler die tijdens de oorlog bijna elfhonderd Joden redde (of, in een Nederlandse context, De Kinderen Van Truus Wijsmuller). Mengelberg spande zich in woord en daad in voor de Joden in zijn directe omgeving, zijn eigen orkestleden in het bijzonder.

75 Jaar later kunnen hun kinderen er nog steeds van getuigen. En dat doen ze dan ook uitgebreid in deze gedegen film, die met fraaie zwartwit-animaties en klassieke muziek naar een hoger plan wordt getild. Terwijl driekwart van de Nederlandse Joden tijdens de oorlog in vernietigingskampen belandde, werden hun ouders, gekenschetst als mensen ‘die verdienstelijk waren geweest voor de Nederlandse samenleving’, ondergebracht op Landgoed Schaffelaar in Barneveld. Van daaruit konden deze vertegenwoordigers van de culturele elite de oorlog uiteindelijk wél overleven.

‘Zo werkt het nu eenmaal’, zegt historica Pauline Micheels bijna schouderophalend. Ze blijft nochtans hard oordelen over Willem Mengelberg. Die ambiguïteit kenmerkt deze documentaire die weliswaar een onderbelichte kant verkent van de man die na de oorlog een dirigeerverbod kreeg, maar die hem verder helemaal niet probeert vrij te pleiten.

De Lijst Van Mengelberg is hier te zien.

Shadow Game

Je kunt het, zoals zij zelf proberen te doen, beschouwen als een game. Een spel dat overigens best jaaaren kan duren. Vóór je leven, mét de omstandigheden en tégen de (grens)politie. Het speelveld omvat bovendien zowat het complete Europese continent. En de spelers komen vanuit alle windstreken. Zolang het leven er maar (veel) slechter is dan hier, in het vrije westen. Afghanistan bijvoorbeeld. Syrië, natuurlijk. Of, ook altijd spannend, Soedan of Iran.

Shadow Game (90 min.) dus. De deelnemers, veelal jonger dan achttien, opereren het liefst in teams, maar als puntje bij paaltje komt staan ze er natuurlijk helemaal alleen voor. Dan is het ieder voor zich. Het kan alleen wel prettig zijn om samen het treinspel te spelen. Het containerspel. Of het loopspel. Vooral dat. Van het ene naar het andere land. Of, ook dat, verplicht enkele stappen achteruit of terug naar start. Ze proberen er desondanks de moed in te houden. Ze moeten wel.

‘Als je een berg opklimt en valt, verlies je en ga je dood’, zegt een vijftienjarige Afghaanse jongen, die dan al zeven maanden deelneemt, met de nodige zelfspot. ‘Als je eroverheen komt, win je.’ Aan dit spel met grenzen, verlevendigd met een bezwerende soundtrack, nemen ook de twee Syrische broers deel, die al in Jano & Shiro, A Brother’s Journey, eveneens van Els van Driel en Eefje Blankevoort, op weg waren naar de prijs: een verblijfsvergunning in een veilig Europees land.

Stuk voor stuk fantaseren de jongens – geen meisje te bekennen – over een zorgeloos bestaan in het vrije en welvarende Westen, als er geen spelletje meer met hen wordt gespeeld. Die droom moet worden verwezenlijkt via een tocht door het Europese mijnenveld, soms letterlijk, dat door de makers van Shadow Game is gevisualiseerd als een soort speelbord (dat je als buitenstaander het liefst, met een flukse beweging, ondersteboven zou gooien). God zegen de greep. Of: inshallah.

Als plaatselijke autoriteiten de spelers bijvoorbeeld weer eens confronteren met hun eigen variant op die dodelijke Neerlands Hoop-riedel (‘dit is het spel, dat zijn de regels en zo moet het gespeeld worden’) en een beurt laten overslaan in een godvergeten oord in Servië, Griekenland of Hongarije. Waar alle hoop op een hoger level lijkt te vervliegen. Dan heeft het spel even al zijn glans verloren. Even later ploegen ze toch weer verder. Wat rest hen anders?

Het is geen spel dat iemand voor z’n plezier speelt. Al blijven de deelnemers stug zichzelf filmen en hebben ze soms ook gewoon lol onderweg, bijvoorbeeld als ze luidkeels de Clash-hit Should I Stay Or Should I Go? zingen. Shadow Game omvat hun totaalervaring. Van ontheemd zijn in niemandsland. Waar niemand op je zit te wachten. Behalve de opponent dan. Een enkeling bereikt desondanks de finish, anderen dolen eindeloos rond in de uithoeken van het speelveld. Totdat ook hun game over is.

Obada

VPRO

Bij een viskraam in Zandvoort staat een Syrische jongen op zijn beurt te wachten. Hoe hij heet? wil de man achter de toonbank weten. ‘Obada’, antwoordt de jongen. Hij vult aan: ‘Ik heb twee miljoen subscribers op YouTube.’ De man kan het nauwelijks geloven: ‘Twee miljoen? Serieus? Wauw! Cool.’ Echt twee miljoen abonnees? vraagt een andere jongen, die ook op zijn visje staat te wachten, voor de zekerheid. ‘Ja, en een half miljard views.’

Obada (45 min.), die naderhand rustig zijn harinkje weghapt, is een YouTuber. Geen Nederlandse, maar een Arabische. Vanuit het Gelderse dorp Angeren verovert hij het Midden-Oosten. Hier stelt hij niks voor: gewoon een Syrische jongeling, zonder al te veel opleiding. Hij heeft de praktijkschool, waar ze hem volgens eigen zeggen ‘kankervluchteling’ noemden, niet afgemaakt. Arabische jongeren kennen hem echter als zanger, acteur en rapper. Als hij een video online zet, kan die binnen een uur zomaar 150.000 keer bekeken zijn. ‘Als ik niet beroemd was’, constateert hij nochtans mistroostig, ‘zou ik waardeloos zijn.’

Influencer of niet, zoals elke opgroeiende jongen heeft Obada Kheireddin thuis gewoon te maken met ouders, die zich zorgen over hem maken. Omdat hij niet is gaan studeren. En vanwege dat vriendinnetje uit Irak, dat hij in het AZC heeft leren kennen. Niets voor hem, vinden zij. Past gewoon niet in de familie. Die houding zorgt al snel voor conflicten. ‘Misschien komt het door zijn beroemdheid’, meent zijn vader Rajaie. ‘Dat het hem naar zijn hoofd stijgt.’ Het kan natuurlijk ook door Nederland komen. In Syrië kon je als kind doen wat je wilde, stelt Rajaie strikt, maar uiteindelijk had je vader toch het laatste woord.

Documentairemaker Sakir Khader dringt door tot de kern van het generatieconflict dat zich in de familie Kheireddin aftekent. Vooral tussen Obada en zijn vader, die in verschillende werelden opgroeiden en die nu toch in dezelfde moeten leven, loopt de spanning zienderogen op – al bevat deze film ook een bijzonder intieme scène van een heftige ruzie tussen Obada en zijn moeder. Khader lardeert de schermutselingen met aandoenlijke familievideo’s en een liefdevolle audioboodschap van Rajaie aan zijn zoon. Hoever ze ook van elkaar verwijderd dreigen te raken, op deze manier blijven ze toch onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Zo ontstaat een fraaie, geladen en aangrijpende coming of age-docu, die voor elke (ouder met een) opgroeiende tiener herkenbaar zal zijn en die door zijn achtergrond en setting toch nieuwe elementen toevoegt aan het welbekende verhaal van aantrekken en afstoten. Waarbij het steeds weer de vraag is of de liefde voor elkaar genoeg is om samen het leven te vervolgen, of op zijn minst de komende jaren met elkaar door te brengen.

Oscar Benton – I’m Back

KRO-NCRV

Zo gaat dat. Hoe hip of cool je ook ooit was. Hoeveel kracht er ook in je stem zat. En hoe geweldig je je instrument, de bluesgitaar, ook beheerste. Ooit valt het doek. Plotsklaps of in slow-motion. Oscar Benton viel zelf. Van de trap, in 2009. Met hersenletsel tot gevolg. Sindsdien is hij simpelweg een oudere man, die is aangewezen op mantelzorg. Van voormalige leden van zijn eigen band, dat wel. En van zijn ex-vrouw Anne de Boer en goede vriendin Ria Klomp.

De jaren na dat ongeluk brengt de Nederlandse bluesheld, die in november 2020 op 71-jarige leeftijd is overleden, noodgedwongen door in verzorgingshuis Velserduin te IJmuiden. Daar zingt hij soms een schlager, maakt hier en daar een praatje en sloft rond met zijn rollator. En daar ook probeert gitarist John Rijken (artiestennaam Johnny Laporte) zijn voormalige bandleider uit te dagen om nog eenmaal samen opnames te maken.

Natuurlijk komen allerlei ouwe getrouwen daarvoor weer opdraven in Oscar Benton – I’m Back (80 min.), een aandoenlijke film van Roel en Mees van Dalen waarin Benton (echte naam: Ferdinand van Eis) en zijn entourage gedurende enkele jaren worden gevolgd. Samen willen ze een allerlaatste plaat maken, het uitroepteken achter een fijne carrière. Optreden zit er voor hun fragiele frontman immers niet meer in. En dan blijkt Oscar, die de trofeeën van zijn carrière al heeft overgedragen aan het museum RockArt in Hoek van Holland, toch nog veel meer leven in zich te hebben dan gedacht…

Want, om met De Dijk te spreken: je kunt de blues wel willen verlaten, maar de blues verlaat jou niet. Zeker de Bensonhurst Blues niet, ‘s mans grootste hit uit 1973. De Oscar Benton Blues Band wordt voor het oog van de camera gereanimeerd en maakt vervolgens een begeesterde trip nostalgia langs het bluescircuit, waar hij al een halve eeuw op handen wordt gedragen. Niet alleen in eigen land. Ook in Rusland en Roemenië staan fans nog altijd voor hem in de rij.

En met de muziek melden ook zijn oude duivels, drank en vrouwen, zich weer in Oscar Bentons leven. Tot verdriet van sommige dames die hem in de voorgaande jaren lekker hebben vertroeteld. Zo gaat dat nu eenmaal als je ooit hip en cool was. En nu weer even bent.

Yab Yum

Wat gebeurt in Yab Yum (75 min.), blijft in Yab Yum. De meeste oud-medewerkers van het vermaarde Amsterdamse bordeel hullen zich bijvoorbeeld nog altijd in stilzwijgen over de toenmalige clientèle. Want er kwam van alles: internationale beroemdheden, Bekende Nederlanders, vermaarde zakenmensen, het halve Saoedische koningshuis én de topcriminelen over wie sindsdien boeken zijn geschreven en films gemaakt.

En daar praten de voormalige eigenaar Theo Heuft en zijn manager, barkeepers, portier en gastvrouwen liever al helemaal niet over. Want de Amsterdamse penoze begon de exclusieve gelegenheid aan de Singel op een gegeven moment als zijn eigen clubhuis te beschouwen. En daarmee was het lot van de club bezegeld. Yab Yum verwerd tot een plek waar schimmige deals werden beklonken, zwart in wit geld veranderde en vetes tot heftige confrontaties konden leiden.

In het Amsterdamse grachtenpand, waar de kogelgaten nog in het plafond zitten, leidt Anna Maria van ’t Hek haar gesprekspartners door het woelige verleden van de chique club; van de jaren van vrijheid blijheid via de doemtijd van het AIDS-virus naar de verstikkende wurggreep van de onderwereld. De filmmaakster omkleedt hun smeuïge herinneringen met een zinnenprikkelende verbeelding van Yab Yums geleidelijke aftocht naar de hel, waar boosaardige engelen voortaan de dienst zouden uitmaken.

En wat al die oud-medewerkers niet over hun lippen krijgen, wordt ingevuld door voormalig politiewoordvoerder Klaas Wilting, die namen en rugnummers geeft bij de onvermijdelijke neergang van wat eens ‘het beroemdste bordeel van de wereld’ was. Onvermijdelijk, want bordelen lijken van lieverlee altijd in verkeerde handen te belanden. Sommige sprekers in deze boeiende documentaire blijken de teloorgang nog altijd te betreuren. Als het kon, zouden ze zo weer aan de bar plaats nemen tussen de klanten die alleen al 75 gulden hadden afgetikt om binnen te mogen.

Om naar ‘boven’ te mogen met een ‘dame’ kwamen daar nog gauw enkele honderden guldens bij. Voor ‘een beetje jeuk aan je snikkel en één vingerhoedje stijfsel’, zouden de Klisjeemannetjes zeggen. Maar daarmee zou dit hoogwaardige etablissement gelijkgeschakeld worden met een ordinair bordeel en, in elk geval volgens de direct betrokkenen, danig tekort worden gedaan.

Nieuw Licht: Het Rijksmuseum En De Slavernij

Iris Kensmil / Memphis Features

‘We weten van al die mannen hoe ze heetten, we weten waar ze woonden, wat voor beroep ze hadden’, vertelt Eveline Sint Nicolaas, senior conservator van het Rijksmuseum bij het schilderij De Schutters van Wijk VIII van Bartholomeus van der Helst. Ze kijkt naar een donkere jongen, ‘een Moriaantje, zo zwart als roet’, die half verscholen achter één van de nette witte heren staat. ‘En híj werd gewoon niet genoemd.’ Afrikaanse bezoekers van het Amsterdamse museum zien de bediende echter vaak meteen. Waarom merken zij hem wel op en veel witte kunstliefhebbers niet?

‘Tot twee jaar geleden zag ik hem niet en werd hij eigenlijk helemaal weggeblazen door het visuele geweld van die mannen om hem heen’, vervolgt Sint Nicolaas, die sinds ze enkele jaren eerder aan de tentoonstelling ‘Slavernij’ ging werken anders naar de collectie van het museum begon te kijken. ‘Dat vind ik een heel raar iets, dat je heel lang langs een schilderij kunt lopen, dat kunt zien en iets helemaal niet kunt zien. En je nu helemaal niet meer kunt voorstellen dat dat zo is.’

Datzelfde bewustwordingsproces hoopt de tentoonstelling, die vanaf dit voorjaar is te zien in het Rijksmuseum, bij bezoekers te weeg te brengen. Door bekend werk in een nieuwe context te plaatsen, waardoor bijvoorbeeld op Rembrandts befaamde schilderijen Marten en Oopjen behalve een wereldberoemd koppel ineens ook profiteurs van het koloniale systeem zijn te zien. En met nieuwe objecten, waarmee (bewust) onderbelichte delen van de Nederlandse historie in kaart worden gebracht. Die vernieuwing gaat niet vanzelf, maar vereist oprechte interesse in elkaar, vergt veel afstemming en zorgt soms ook frictie.

De serene documentaire Nieuw Licht: Het Rijksmuseum En De Slavernij (55 min.) van Ida Does brengt dat proces van binnenuit in beeld, via het divers samengestelde conservatorenteam. Dat moet, in de woorden van directeur Taco Dibbits, de ‘voorouderverering’ die het Rijksmuseum van oudsher kenmerkt verrijken met nieuwe voorouders. Daarvoor wordt een dialoog opgestart met vertegenwoordigers van bevolkingsgroepen en culturen die noodgedwongen een ondergeschikte rol speelden in de vaderlandse geschiedenis. Of zoals kunstenaar Felix de Rooy het uitdrukt: ‘Black Lives Matter, ook in schilderijen.’

De algehele erkenning van institutioneel racisme in de manier waarop Nederlandse kunst tot dusver is gerepresenteerd in musea zorgt voor interessante gedachtenuitwisselingen en pakkende persoonlijke getuigenissen, maar maakt deze gestileerde film ook een beetje braaf en praterig. Al vormt de eindscène waarin de geschiedenis via ‘het Moriaantje’ eens goed op zijn kop wordt gezet – of gewoon: rechtgezet – een bijzonder trefzeker slotakkoord.

Zie Je Me? Hoor Je Me?

Human

‘Karin ziet jou. En jij ziet Karin’, introduceert één van de zorgverleners van Het Hendrickszhuys de nieuwe Skypekar.

‘Ik snap het niet’, antwoordt een oudere mevrouw, die wordt opgevangen in het Amsterdamse verpleeghuis.

‘Maar vind je het wel leuk?’

‘Eigenlijk niet ‘

‘Maar kijk nou, wat een lieve dochter!’

‘Mama, wat fijn om je te zien’, antwoordt die vanaf het beeldscherm.

‘Kom je straks hier?’ vraagt haar moeder streng.

‘Ja, dat zou ik heel graag willen, maar ik mag nog even de deur niet uit door dat stomme virus.’

‘Welk virus?’ reageert moeder verbaasd. ‘Ik weet van geen virus.’

COVID-19 legt natuurlijk ook documentairemakers allerlei restricties op. In de beperking toont zich evenwel de meester. En dus levert de pandemie ook nieuwe initiatieven en inventieve ideeën op. Die Skypekar is daarvan een geweldig voorbeeld. Daarmee kan Het Hendrickszhuys communiceren met de buitenwereld. En daarvan kan Anne-Marieke Graafmans dan weer een aangrijpende documentaire maken: Zie Je Me? Hoor Je Me? (50 min.).

‘Oh, wat een hel dit, jongen!, verzucht één van de zorgverleners bijvoorbeeld als het virus ook in huis toeslaat. ‘Echt afschuwelijk! Maar goed, we motten nog effe door, hè?’ Het tekent de mentaliteit in het Hendrickszhuys: compassie en onverschrokkenheid.

Ook bij locatiemanager Linda Fokke, die vanwege een niertransplantatie tot de risicogroep behoort en dus noodgedwongen aan huis is gekluisterd. Zo goed en zo kwaad als dat gaat probeert ‘baasie’ haar medewerkers van daaruit bij te staan en al beeldbellend normaal werkoverleg te houden. Als dank krijgt ze soms een virtuele knuffel.

Zie Je Me? Hoor Je Me? laat zo de beste kant zien van (particuliere) ouderenzorg in Nederland. Al maken de omstandigheden het lang niet altijd gemakkelijk om de moed erin te houden. ‘Ik woon hier heel raar’, zegt mevrouw Toorenaar bijvoorbeeld treffend tegen haar familieleden. ‘Aan die kant is dood’, wijst ze naar haar ene buur. Over de andere: ‘En die kant is jarig.’

De lach en de traan zijn altijd maar enkele ogenblikken weg in deze hartveroverende film, die de gevolgen van het Coronavirus voor de kwetsbaarste groep Nederlanders en hun directe omgeving blootlegt.

Zie Je Me? Hoor Je Me? is hier te bekijken.