De verdwijning van Sydney Loofe op 16 november 2017 zet een keten van gebeurtenissen in gang. De politie van Lincoln, Nebraska, moet op zoek naar de mysterieuze jonge vrouw Audrey, ‘sexy as fuuuuuuck’, met wie Sydney op een Tinder-date is gegaan. Audrey blijkt al snel een schuilnaam van Bailey Boswell (23). Samen met haar ‘sugar daddy’, de antiekhandelaar Aubrey Trail (51), verzamelt zij via Tinder kwetsbare meisjes voor een eigentijdse heksenkring. Als ze daarvan deel willen uitmaken, moeten de nieuwe leden overigens wel een moord plegen. Uitroepteken.
Terwijl enkele jonge vrouwen vertellen hoe zij via een date met de verleidelijke Bailey, die inspeelt op hun (soms nog verhulde) seksuele geaardheid, de sekte zijn ingelokt, reconstrueert Brian Biegel in Swipe Right On The Devil (179 min.) hoe Sydneys omgeving probeert te achterhalen wat er met haar is gebeurd. ‘Naarmate de dagen verstrijken word je banger en banger’, vertelt Sydneys oudere broer Levi, als de 24-jarige vrouw twee weken spoorloos is. ‘Emotioneel kon ik mezelf er niet toe brengen om ze te leren kennen’, bekent rechercheur Matt Franken over Sydneys familie. ‘De angst om te falen was gigantisch.’
Op haar rechterbovenarm heeft Sydney Loofe, die soms verzinkt in sombere buien, een citaat uit de rocksong Wonderful van de Amerikaanse band Everclear laten tatoeëren: ‘everything will be wonderful someday’. Die tattoo zal nog een naargeestige rol spelen in het blootleggen van wat er zich in de kleine kring rond het diabolische duo Bailey en Aubrey heeft afgespeeld. De duistere achtergronden en afwikkeling daarvan staan centraal in de slotaflevering van deze stevig aangezette driedelige serie. Daaruit rijst het beeld van twee beschadigde figuren die niet anders lijken te kunnen dan anderen beschadigen.
Dit roept onwillekeurig de vraag op in hoeverre ook true crime een rol heeft gespeeld. Zou, los van alle BDSM-experimenten, het geraaskal over hekserij en zwarte magie en de dramatische gebaren in de rechtszaal, ook het idee om ooit en plein public als verpersoonlijking van Het Kwaad te worden opgevoerd een motivatie kunnen zijn geworden? Om iets van betekenis, hoe verknipt ook, uit een desolaat bestaan te halen? Een verwrongen licht in de duisternis, waaraan anderen zich kunnen verlustigen.
In The Tale Of Norm Macdonald, een portret van de onnavolgbare Canadese stand-upcomedian (1959-2021), beperkte de Amerikaanse regisseur/producer Judd Apatow zich onlangs tot louter archiefmateriaal. Met een slimme montage van lekker dwaze fragmenten wist hij de enigmatische komiek, die een geliefde gast was van Amerikaanse talkshows en die vanwege zijn aanhoudende grappen over O.J. Simpson ooit werd ontslagen bij Saturday Night Live, heel aardig te pakken te krijgen.
Bij deze film over de comedian Maria Bamford staat Apatow, samen met coregisseur Neil Berkeley, voor een geheel andere uitdaging: de vrouw zelf. Zij heeft helemaal geen zin in een documentaire, zegt ze (huhuh!), maar is bereid om het voor vijfhonderd dollar tóch een dagje te proberen. Als die horde is genomen, blijft ze natuurlijk gewoon aan boord voor Paralyzed By Hope: The Maria Bamford Story (116 min.), een portret van een labiele vrouw, voor wie het podium opgaan echt (bittere) noodzaak is.
Als kind had Bamford al last van depressies, een eetstoornis en dwanggedachten. Ze zette zelfs haar eigen zelfdoding in scène. Als comédienne vond ze een manier om die gekte een plek te geven. Met talloze stemmetjes bijvoorbeeld, die ze de meest gestoorde dingen liet zeggen. Ze bouwde een eigen achterban op met ontregelende stand-up optredens en verwierf tevens de goedkeuring van vakgenoten zoals Stephen Colbert, Sarah Silverman, Conan O’Brien, Tig Notaro, Zach Galifianakis en Patton Oswalt,
Zij laten in dit grimlachende portret uitgebreid de loftrompet over haar schallen. Tegelijkertijd schetsen de hoofdpersoon zelf, haar zus Sarah en echtgenoot Scott (die eveneens met depressies kampt) de dunne lijn tussen komedie en tragedie in haar leven. Moeder Marilyn was eveneens mentaal kwetsbaar, terwijl ook vader Joel z’n sombere buien had. Bamford moest dus leven met ‘de vrees voor krankzinnigheid’ en zou in haar leven ook daadwerkelijk enkele malen (gedwongen) opgenomen worden.
Met medicatie, die haar stemming stabiliseert, en de erfenis van haar ouders, waarmee de druk om geld binnen te brengen is weggevallen, lijkt Maria Bamford inmiddels een soort evenwicht te hebben gevonden. Zelfs een verwoestende natuurbrand in haar huidige woonplaats Altadena, die behalve hun woning ook haar ochtendoptredens in een plaatselijk cultureel centrum in gevaar brengt, lijkt haar niet wezenlijk te kunnen raken. En sinds ze haar niet meer imiteert, is ook de relatie met zus Sarah beter dan ooit.
Zonder tegenbericht alles in orde dus – al blijft het ogenschijnlijk wel een precair evenwicht. Paralyzed By Hope is ondertussen een waardevolle toevoeging geworden op de serie documentaires, die verder bestaat uit films over Garry Shandling, George Carlin en Mel Brooks), waarmee Judd Apatow de Amerikaanse humorhistorie inkadert. ’s Mans ‘comedy train’ lijkt voorlopig nog niet aan zijn laatste halte toe. Zijn collega Neil Berkeley deed overigens ook al een duit in het zakje met portretten van Gilbert Gottfried en Martin Mull.
Als de Argentijnse brandweerman Carlos de Rissio in de nacht van 17 februari 1994 bij een brandende woning in Buenos Aires arriveert, twijfelt hij geen moment: dit is geen ongeluk. Het huis in de wijk Flores moet zijn aangestoken. Slechts één gezinslid zal aan het vuur ontkomen: de zestienjarige zoon Matías Bagnato. Zijn ouders José en Alicia, z’n jongere broers Fernando en Alejandro en een vriendje dat bij hen blijft slapen overleven de brand niet. Het eerste wat Matías zegt als ze hem hebben gered, herinnert openbaar aanklager Gustavo Gerlero zich nog goed: ‘Het was Cacho.’
Cacho, ofwel Fructuoso Álvarez Gonzáles, is de man van een nichtje van moeder Alicia Bagnato en een voor de hand liggende verdachte. Hij is het type dat denkt dat geld alles oplost, aldus Matías. ‘Er bestaat geen ergere rijke dan een voormalige arme’, zegt zijn oom Héctor Colucion over dit aangetrouwde familielid, die hij ook nog ‘Don Corleone’ noemt. Met zijn geld heeft Fructuoso zich het leven van de Bagnato’s in gemanoeuvreerd. Als de schoenenfabriek van vader José in zwaar weer is beland, steekt ie de helpende hand toe. Hij wil alleen wel met dikke winst terugbetaald worden.
De hoofdverdachte is in La Masacre De Flores (internationale titel: The Flores Massacre, 136 min.) doorgekrast op alle familiefoto’s. Ook de geïnterviewden leggen het er dik bovenop als het om Fructuoso gaat. Hij was ongedierte, stelt de journaliste Cristina Pérez. ‘Je zag het kwaad in hem’, vult Matías’ advocate Rogelia Pozzi aan. Op beelden uit die tijd oogt ie vooral als een jonge Al Pacino, de acteur die, inderdaad, de rol van de Godfather Michael Corleone vertolkt. Afgaande op wat er over hem wordt verteld, verdient Cacho op een soortgelijke manier zijn geld.
De geruchtmakende brandstichting wordt in deze driedelige serie nauwgezet, en soms ook met enig Latijns-Amerikaans drama, gereconstrueerd met direct betrokkenen. In dat verhaal is er een hoofdrol voor de enige overlevende Matías, een typische schurkenrol voor Fructuoso Álvarez Gonzáles en – toch wel opvallend – geen enkele rol voor het vijfde slachtoffer, Nicolás Borda. Want zo werkt, blijkbaar, het vertellen van een verhaal: het jongetje is toevallig in huis, speelt geen rol in het plot en kan dus gerust worden veronachtzaamd in deze tragische geschiedenis.
Die lijkt overigens halverwege aflevering 2 al te zijn afgerond. Dat is echter buiten Cacho gerekend. Hij maakt in het laatste deel van deze gedegen miniserie van Augusto Tejada, ruim vijftien jaar na ‘het bloedbad van Flores’, een opmerkelijke comeback. Tegen die tijd is Matías Bagnato, oud-deelnemer aan Big Brother, overigens al een Bekende Argentijn geworden.
Martin Goddard / AVROTROS / dinsdag 3 en 10 november, om 20.25 uur, op NPO2
Het is de grote droom van de Britse zanger George Michael, halverwege de jaren tachtig nog de ene helft van het popduo Wham!, om in Amerika door te breken. Maandenlang touren in de Verenigde Staten ziet hij echter niet zitten. Manager Simon Napier-Bell bedenkt een list: een bezoek aan China, het communistische land dat sinds mensenheugenis vrijwel onbereikbaar is voor westerlingen, zal beslist veel aandacht genereren en die Amerikaanse ambities binnen handbereik brengen. Andrew Ridgeley, de andere helft van Wham!, ziet er alleen weinig in. Hij vindt het maar een riskante onderneming, vertelt ie in de tweedelige docu Wham! 10 Days In China (91 min.).
Die titel impliceert al dat de trip er toch is gekomen. Met Ridgeley en andere leden van Team Wham! – George Michael, die in 2016 overleed, natuurlijk uitgezonderd – reconstrueert Mike Christie deze reis naar de andere kant van de wereld. Ook de Britse roddelpers, met wie dan nog vooral Ridgeley een moeizame relatie heeft, sluit aan. Want de strapatsen van Wham! zijn natuurlijk eerst en vooral een publiciteitsstunt, om via een ideologische opponent de VS open te breken. Teneinde de kosten te drukken moet er ook een documentaire, gemaakt door de gerenommeerde filmmaker Lindsay Anderson, opgenomen worden – en dat is dus niet dit tweeluik.
De cultuurclash die Anderson voor ogen had, is er overigens wel degelijk in te herkennen. Ingepast in het verhaal van de boezemvrienden George en Andrew, dat onlangs ook al in de documentaires Wham! (2023) en Wham! The Story Of Last Christmas (2024) is vervat. Het ongemak waarmee de twee Britten, gadegeslagen door journalisten en fotografen uit eigen land, zich door China bewegen, wordt door Christie gepaard aan de reactie op hen van gewone Chinezen. Stoïcijns voor zich uit starende mannen, die voor het eerst hun muziek horen. Concertgangers die stil blijven zitten en niet weten hoe ze moeten meeklappen. En een enkeling die zich dan, in weerwil van de plaatselijke regels, toch helemaal laat gaan – en prompt wordt gearresteerd.
‘Het was een soort raam’, herinnert Cui Jian zich. ‘En op het moment dat je dat raam opendoet, zie je dat de wereld groter is.’ Net als andere Chinese concertbezoekers zal hij later zelf carrière maken als artiest. In die zin lijken de optredens van Wham! in Beijing en Guangzhou op dat legendarische Sex Pistols-concert in het Manchester van 1976, waarover het verhaal gaat dat elke afzonderlijke aanwezige daarna z’n eigen punkband begon. En net als Johnny Rotten en de andere Pistols worden George Michael en Andrew Ridgeley permanent met argusogen bekeken door de Britse pers. Enkele journalisten hebben natuurlijk ook hun giftige pen meegenomen.
De beelden voor Lindsay Andersons documentaire, die uiteindelijk achter slot en grendel zouden belanden, brengen de driehoeksverhouding tussen Wham!, China en de media overtuigend in kaart en vormen meteen een treffend tijdsbeeld. Ruim veertig jaar na dato laten ze bovendien nog eens zien hoe getalenteerd George Michael, die later definitief een wereldster zou worden als soloartiest, als jonkie al was.
Op 19 jul 1974 vliegt Adamos Marneros vanuit Londen terug naar Nicosia, met welgeteld zeven passagiers aan boord: een Grieks-Cypriotische familie met in totaal vier gezinsleden en een Turks-Cypriotische gezin van drie. ‘Je moet wel gek zijn’, houdt een Britse verslaggever de piloot van Cyprus Airlines nog voor. ‘Teruggaan naar oorlogsgebied.’
Een dag eerder is hij met een vliegtuig bomvol toeristen, met ook zijn eigen vrouw en dochter aan boord, vertrokken van Nicosia Airport. Het vliegveld was net weer opengesteld nadat de Cypriotische president Makarios bij een coup was afgezet. De vraag die toen al in de lucht hing is nog altijd niet beantwoord: volgt er nu een Turkse invasie?
De Cypriotische gezagvoerder fungeert, buiten beeld, als verteller in de ‘digitale opgraving’ No Man’s Air (42 min.) van Peter Delpeut en Gerco de Ruijter. Zij hebben zíjn herinneringen van de naargeestige terugvlucht, die hij tijdens een tussenstop in Rome nog stiekem probeerde te cancelen, ingenieus geïllustreerd met beeldmateriaal van het vliegveld.
Die beelden hebben ze overigens online gescoord, want de verlaten en vervallen luchthaven is al ongeveer een halve eeuw verboden terrein. Delpeut en De Ruijter halen dus al hun verhaaltechnieken voor de dag en trekken hun hele montagetrukendoos leeg, om met dit ‘found footage die beladen laatste vliegreis naar Nicosia Airport op te roepen.
Een in onbruik geraakt vliegtuig gaat daarvoor virtueel de lucht in. Onderweg realiseert Marneros zich dat het scenario voor de toekomst van Cyprus allang is geschreven. Hij en zijn passagiers – op papier wellicht vijanden, maar in de praktijk toch vooral leden van dezelfde gemeenschap in Groot-Brittannië – hebben zich maar aan hun voorgeschreven rol te houden.
De Cypriotische gezagvoerder is niet meer dan een pion. Ook in deze creatieve opgraving, van een vergeten conflict.
Of ze nu 12, 22 of 32 zijn, de drie vrouwelijke hoofdpersonen van Sexy Baby (83 min.) krijgen elk op hun eigen manier te maken met de seksualisering van de wereld waarin zij leven. Jill Bauer en Ronna Gradus tonen hoe Amerikaanse meisjes en vrouwen in videoclips, op sociale media en in porno continu worden geconfronteerd met expliciete beelden van hoe zij eruit moeten zien en hoe ze zich dienen te gedragen.
Myrtle, het vierjarige zusje van de vroegwijze New Yorkse puber Winnifred (12), heeft de boodschap ook al begrepen, zo blijkt in de openingsscène van deze prikkelende documentaire uit 2012. Ze danst lekker mee met de sexy clip van Lady Gaga’s Pokerface en blijkt bovendien fan van ‘Britney Bitch’. Ze refereert daarbij, zo wordt al snel duidelijk, aan de openingsregel van de Britney Spears-hit Gimme More: ‘It’s Britney, bitch.’
Haar oudere zus weet intussen heel goed hoe het wél moet. Tenminste, volgens haar gescheiden ouders Ken en Jennifer en hun sociale kring. ‘Mensen weten meer over Paris Hilton en Lindsay Lohan dan over Susan B. Anthony en Ruth Bader Ginsberg’, debiteert de Joods-Amerikaanse tiener netjes in een theaterstuk, dat is gebaseerd op persoonlijke ervaringen van meisjes uit haar toneelgroep. ‘En dat moet maar eens veranderen.’
Dat het leven niet zo eenvoudig is, blijkt als Winnifred desondanks sexy foto’s op haar Facebook-pagina heeft gepost. Daarmee verkent ze in zekere zin het terrein waarop Nichole (32) al kind aan huis is. Zij maakte naam als de (paaldansende) pornoster Nakita Kash en haalde zo zelfs het televisieprogramma America’s Got Talent. ‘Vrouwen willen Nakita Kash zijn’, zegt zij (ont)nuchter(end). ‘Terwijl ik gewoon één van hen wil zijn.’
Veel van wat porno je voorschotelt ziet er goed uit, legt Nichole uit. Dat betekent nog niet dat het ook goed voelt. Het is volgens haar ‘sport fucking’, het neerzetten van een prestatie. Pornificatie. En dat is volgens de ex-pornoster iets totaal anders dan de liefde bedrijven. Het duurde overigens even voordat ze dit in haar eigen relatie met Dave doorkreeg. Nu proberen zij samen zwanger te worden. Dat gaat alleen nog niet vanzelf.
Hulponderwijzeres Laura (22) tenslotte is duidelijk niet ongevoelig voor de ideaalbeelden die op vrouwen en seks worden geprojecteerd. Ze meldt zich met ‘labia envy’ bij een plastisch chirurg voor wat zomaar een scène uit Sunny Bergmans baanbrekende docu Beperkt Houdbaar (2007) had kunnen zijn. Ze wil een ‘designer vagina’. Haar moeder Terry snapt het niet helemaal, maar steunt Laura door dik en dun.
Dochterlief kan niet wachten op de eerste keer seks, zegt ze, met een lichaam waarop ze daadwerkelijk trots kan zijn. Het is de tragiek van een generatie meisjes en vrouwen die permanent wordt geconfronteerd met vrijwel onbereikbare ideaalbeelden, tonen Bauer en Gradus. Zij hadden destijds, zo’n vijftien jaar geleden, er vast alleen een vermoeden van dat ook jongens en mannen daaraan massaal ten prooi zouden gaan vallen.
Enkele jaren later besluit Bàrbara Mestanza alsnog actie te ondernemen. In 2015 is de Catalaanse actrice en theatermaakster in een massagesalon te Madrid onzedelijk betast. De masseur vroeg de jonge vrouw om zich helemaal uit te kleden en raakte haar daarna op een ongepaste manier en ongepaste plekken aan. Bàrbara zei er weinig van. Ze merkte dat zij en haar lichaam verkrampten.
Waarom ben je niet gewoon opgestaan en vertrokken? vraagt Mestanza zich sindsdien af. Ze wijdde er een theatervoorstelling aan, Sucia, die in 2021 in première ging in het Teatro de la Abadía te Madrid, en schreef daarover weer een boek. En in de egodocu Sucia (internationale titel: Filthy, 82 min.), geregisseerd samen met Marc Pujolar, documenteert ze haar proces na het seksueel misbruik.
Mestanza besluit om actie te ondernemen. Ze spreekt af met voormalige huisgenoten en probeert de masseur zelf te bellen. Op het nummer dat ze eerder heeft geblokkeerd, omdat hij haar maar appjes bleef sturen. Tevergeefs. Nadat ze de eigenaresse van de inmiddels verdwenen salon heeft opgespoord, vindt ze hem alsnog op Facebook. Hij presenteert zich daar als fotograaf. Hoe clichématig!
Dit hele proces speelt zich af voor de camera. Ook het initiële gesprek met de juriste die haar strafrechtadvocaat zal worden, Carla Vall. Hun contact leidt uiteindelijk tot een rechtsgang. Dat is op een erg wrange manier een win-win situatie, als we Vall mogen geloven. ‘Zelfs vrijspraak zou beteken dat jouw pijn wordt beschouwd als onderdeel van een misdrijf. Er is dan alleen niet voldoende bewijs.’
De Spaanse media weten Bàrbara Mestanza intussen goed te vinden. Ze doet overal haar verhaal. ‘Je gaat door een zeer publiek proces en jouw pijn bereikt en helpt heel veel mensen’, constateert de psychologe Anna Planadevall, die gespecialiseerd is in seksueel misbruik, over het idee om zelf de confrontatie met de masseur aan te gaan. ‘Zou je het doen voor de documentaire of voor jezelf?’
Die vraag lijkt gerechtvaardigd. In ‘the court of public opinion’ vormt deze film, die is doorsneden met fragmenten uit Mestanza’s theatervoorstelling, vermoedelijk doorslaggevend bewijs, maar tijdens een rechtsgang zijn kwesties van seksueel geweld heel lastig aan te tonen. Het kost de filmmaakster uiteindelijk tien jaar (!) en ruim 9.000 euro, becijfert ze zelf, voordat ze haar zaak voor de rechter mag bepleiten.
Dit pamflet tegen seksueel misbruik, waarin Bàrbara Mestanza haar eigen casus inzet voor de publieke zaak, is duidelijk een levenswerk geworden en dient uiteindelijk ook een persoonlijk doel. ‘Ik kan deze man niet vergeven’, stelt ze als actrice in de theaterversie van haar eigen leven, die soms nauwelijks van het echte bestaan is te onderscheiden. ‘Maar het is me gelukt om mezelf te vergeven.’
Politiek is niets voor meisjes, leerde Volia Chajkouskaya ooit van haar moeder. De filmmaakster, inmiddels hoogzwanger, woont tegenwoordig in Estland. Haar geboorteland Belarus heeft ze in 2018 uit angst verlaten. Want dictator Aleksandr Loekasjenko, de trouwste vazal van de Russische leider Vladimir Poetin, houdt het land sinds zijn verkiezing tot president in 1994, bij de eerste en tot dusver enige vrije verkiezingen in de voormalige Sovjet-republiek, al dertig jaar in een ijzeren greep. Voor kritische geluiden is geen enkele ruimte.
Nadat Loekasjenko in de aanloop naar de verkiezingen van 2020 bijna routineus zijn belangrijkste tegenstander Sergej Tichanovski heeft vastgezet, komt diens echtgenote Svetlana, echter in het geweer. Omdat achter elke sterke man nu eenmaal een sterke vrouw staat. Ook al zijn vrouwen – althans, volgens De Grote Leider – Not Made For Politics (89 min.). Loekasjenko blijkt het gelijk aan z’n zijde te hebben: hij wordt met een overweldigende meerderheid van ruim tachtig procent herkozen. Overigens ook omdat hij zelf het Centraal Kiescomité heeft samengesteld. Onafhankelijke tellingen geven de overwinning namelijk aan zijn vrouwelijke opponent, Svetlana Tichanovskaja.
Het vervolg laat zich voorspellen: De Grote Leider blijft, ondanks grootschalige protesten en dankzij bot staatsgeweld, aan de macht. Chajkouskaya ziet het vanaf een afstand met lede ogen aan. Als ze de inmiddels naar Litouwen uitgeweken politica, verdreven door haar tegenstander, hoort spreken over het overwinnen van hun angsten, raakt ze zelf ook geïnspireerd. In deze film begint de filmmaakster Tichanovskaja, die zich ook internationaal opwerpt als de stem van de Belarussische oppositie, dus te volgen in haar strijd tegen Loekasjenko’s wrede bewind. Zeker als hij ook bij de Russische aanval op Oekraïne, tevens een buurland van Belarus, zonder enig voorbehoud Poetins kant kiest.
Die nieuwe rol past Svetlana Tichanovskaja verrassend goed. Ze groeit zichtbaar in haar rol. ‘Ik was eraan gewend om ‘achter mijn man te staan’, vertelt ze. ‘Eigenlijk liep mijn leven zo dat ik altijd mijn man volgde. En nu doe ik het helemaal zelf. Blijkbaar ben ik daar ook toe in staat.’ Die realisatie, een bijproduct van het lot dat haar man ten deel is gevallen, heeft ook andere Belarussische vrouwen kracht gebracht. Volia Chajkouskaya toont in haar film ook de eveneens in Estland woonachtige Nadia Zelenkova en een geanonimiseerde vrouw, die ze Masha Rukis noemt. ‘Masha’ weigert om Belarus te verlaten en loopt dus nog altijd direct gevaar. Van beide vrouwen zit de echtgenoot vast.
Deze indrukwekkende activisten en hun verhalen spreken beslist tot de verbeelding. Tegelijk komt Chajkouskaya‘s rol in de film niet helemaal uit de verf. Hoewel ze in de openingsscène met haar moeder spreekt over haar ongeboren zoon, komen die in de navolgende anderhalf uur allebei nauwelijks meer aan de orde. Ze beperkt zich doorgaans tot de rol van verteller en ooggetuige en verwerkt haar eigen leven – hoe en waarom is ze zelf bijvoorbeeld uit Belarus vertrokken? – enigszins halfslachtig in Not Made For Politics, een film over een belangrijk onderwerp die wel had gevaren bij iets duidelijkere keuzes van de maker.
Doxy / EO / zondag 1 november, om 22.40 uur, op NPO2
Hoe oud kun je worden met een beenmergtransplantatie? vraagt Jelmar van Belle zich af. Hij heeft als tiener leukemie gehad en in 2001 een transplantatie ondergaan. Op z’n zestiende kreeg hij daarvoor stamcellen van een anonieme donor. Inmiddels is de filmmaker de veertig gepasseerd en voelt hij de behoefte om dat beladen verleden nog eens op te zoeken: zowel het onbekommerde gevoel van de laatste zomervakantie in Spanje voordat hij slecht nieuws kreeg, als de onbekende persoon die destijds zijn leven heeft gered.
Aan het begin van Deel Van Mij: De Zoektocht Naar Mijn Anonieme Donor (57 min.), de film die hij samen met zijn goede vriend Thomas Sykora heeft gemaakt, neemt Jelmar contact op met Stichting Matchis, in een poging om, in weerwil van de regels, zijn donor persoonlijk te kunnen bedanken. De medewerker die hem telefonisch te woord staat tempert meteen zijn verwachtingen: hij mag een brief of kaart schrijven, met een presentje van hooguit vijftien euro erbij. In het Engels, zonder persoonlijke informatie. Zij kunnen dit dan, geheel geanonimiseerd, doorsturen.
Stukje bij beetje weet Van Belle, via familieleden, behandelaars en het spoor van de stamceltransplantatie in medische dossiers, tóch informatie over de donatie te verzamelen. Er zou sprake zijn geweest van een koffertje, dat afkomstig was van buiten Europa en zo’n drieduizend kilometer heeft afgelegd om hem als tiener te bereiken. Terwijl hij zo de donor probeert te traceren en alvast opneemt wat hij die zou willen vertellen, vraagt ook zijn gezondheid weer aandacht. De behandeling van 25 jaar geleden heeft z’n sporen achtergelaten in zijn lichaam.
Het ‘bonusleven’ dat hij leeft, soms letterlijk per dag, komt weer in zeer woelig water terecht. Dapper blijft Jelmar documenteren hoe hij opnieuw in behandeling moet en weer wordt geconfronteerd met de sterfelijkheid van het bestaan. Dit indringende proces, vanuit zijn eigen perspectief vastgelegd, drukt dan de vraag naar achteren waarmee deze film begon: mag je als ontvanger weten wie je heeft geholpen? Die blijft tegelijk actueel. Zeker nu de Gezondheidsraad onlangs een nieuw advies heeft gegeven, dat perspectief biedt aan stamcelontvangers zoals hij.
Samen ronden Jelmar van Belle en Thomas Sykora intussen ook deze aangrijpende weerslag van zijn persoonlijke zoektocht en ziekteproces af. Ze maken het verhaal, dat nog wel even nazindert, uiteindelijk helemaal rond. Terug naar af: naar die zorgeloze zomer in Spanje.
In Nederland staan politie en justitie al jaren recht tegenover enkele beruchte motorclubs, die door hen worden beschouwd als een vorm van georganiseerde misdaad. In de vierdelige serie Motorbendes (166 min.) neemt Joost van der Valk, die daarmee een vervolg geeft aan zijn documentaires over de Haagse Crips-gang en de Molukse motorclub Satudarah, de woelige historie van de Nederlandse bikerclubs door. Zijn productie doet denken aan de Scandinavische Brutalt Broderskab-docuseries over de Bandidos, Comanches en de penoze van Oslo.
In afleveringen over respectievelijk de Hells Angels, Satudarah, No Surrender en nieuwe kleine clubs belicht Van der Valk de kaaskopvariant op de beruchte Nordic Biker War, die Scandinavië al decennia teistert. De verhoudingen zijn duidelijk: terwijl de motorclubs zelf stug volhouden dat zij een toonbeeld van broederschap zijn en in wezen geen kwaad in de zin hebben, zien politiemensen, officieren van justitie, burgemeesters en politici in diezelfde club juist een criminele organisatie. Zij hebben in de afgelopen jaren ook verwoede pogingen gedaan om die de voet dwars te zetten en verboden te krijgen.
Deze ontwikkelingen worden met een karrenvracht archiefmateriaal tot leven gewekt. In feite komen ook die steeds op hetzelfde neer: vroeger of later komt er een conflict met een andere club en ontstaat er ook intern gedoe – en van daaruit weer een nieuwe club. Waarna de geschiedenis zich herhaalt. Zo moet ‘Big Willem’ van Boxtel in 2004, vanwege vermeende betrokkenheid bij een moordcomplot tegen Willem Holleeder, in ‘bad standing’ de Hells Angels verlaten, de club waarvan hij decennia president was. Misdaadjournalist Paul Vugts: ‘Uiteindelijk is de vriend van vandaag de vijand van morgen.’
Voor Van Boxtel, die later opduikt bij Klaas Otto’s No Surrender, was het een hard gelag. ‘Ja, was zwaar’, zegt hij geëmotioneerd over zijn vertrek bij de Angels. ‘Ik wist ook niet waar ik heen moest.’ Het is één van de weinige momenten dat een motorclubkopstuk écht iets van zichzelf laat zien. Verder hangen zij bij Van der Valk hun eigen stoere zelf uit, het type biker waar media verzot op zijn. ‘Ik krijg net te horen dat ik me moet voorstellen, maar dat lijkt me overbodig’, zegt ‘Captain Henk’ Kuipers, die ook al z’n eigen docusoap had, bijvoorbeeld bij zijn introductie. ‘Ik denk dat iedereen dat wel weet – en waarvan ook.’
Motorbendes doet verder geen serieuze poging om achter de façade te komen bij zulke opperbikers, maar zet wel de roemruchte motorclubhistorie netjes op een rij, met ankerpunten zoals het openlijke geweld tegen de tv-presentatoren Jan Lenferink (RUR) en Barend & Van Dorp, de drievoudige moord bij een Nomads-chapter in Limburg en een wilde schietpartij in Eindhoven in 2014. In de wat meer bespiegelende slotaflevering wordt tenslotte de huidige stand van zaken opgemaakt, waarin de motorclubwereld als gevolg van (wel) erg daadkrachtig optreden van de overheid volledig versplinterd is geraakt.
Cinema Delicatessen / vanaf donderdag 26 november in de bioscoop
Je bent nu misschien helemaal volwassen, zeggen haar beste vriendinnen Atnyop en Mengying, maar zo zie je er nog helemaal niet uit. Ze pakken een spiegel erbij en beginnen Qihuo’s haar te kammen. Als zij nu ook nog een andere rok aantrekt, geven de ouders van het veertienjarige Chinese meisje, dat behoort tot het Yi-volk, haar vast toestemming om ook te starten met daten. Een huwelijk is dan nog slechts een kwestie van tijd. Want, constateren haar vriendinnen bloedserieus: Qihuo is een ongelooflijke babe. ‘Zo mooi als een bloem’.
Samen met haar hartsvriendinnen verkent de puber uit het afgelegen berggebied in Zuid-China, die onlangs voor het eerst ongesteld is geworden, in Chun Ri Huan You (internationale titel: Whispers In May, 95 min.) de weg naar volwassenheid. Ze gaan letterlijk op pad, vergezeld door Mengyings zusje Itsi, om in Buxte een traditionele rok voor de officiële volwassenwording van Qihuo te bemachtigen. Dat is toch zeker een dag of vier lopen en klimmen. Een waarzegger voorspelt hen alvast een mooie toekomst, met geluk, voorspoed en echtgenoten die elkaars beste vrienden zullen worden.
Tegelijkertijd probeert Qihuo haar moeder, als arbeidsmigrant werkzaam in de stad, van het lijf te houden. Zij belt in deze klassieke coming of age-docu, die zich ontwikkelt tot een mythische roadmovie, regelmatig om de dwarse tiener ferm de les te lezen of uitgebreid de mantel uit te vegen. Het meisje stapt ondertussen dapper door met haar vriendinnen, over de imposante bergen. Onderweg wisselen ze spannende verhalen uit en hebben ze, al dan niet gearrangeerde, ontmoetingen met oudere landgenoten die hen, letterlijk of figuurlijk, de weg wijzen.
Regisseur Dongnam Chen begeleidt hun tocht bovendien met fraaie animaties, de verbeelding van traditionele Yi-fabels over het zware levenslot van vrouwen. Zolang de aandoenlijke meisjes onderweg zijn, kunnen ze nog kind blijven. Wanneer ze de drempel naar volwassenheid nemen, die wacht aan het einde van hun idyllische voetreis en deze ontwapenende en in co-creatie tot stand gekomen film, zullen ze het echte leven moeten binnenstappen. En waar hen rijkdom en geluk zijn voorspeld, kan dan ook wel eens gewoon het leven in een fabriek wachten.
VPRO / vrijdag 30 oktober, om 20.30 uur, op NPO2 Extra
De popdocu Boy George & Culture Club (95 min.) had een routineus verhaal over de opkomst en ondergang van het zoveelste bandje kunnen worden, verteld door de vier leden, inmiddels mannen van dik in de zestig. Culture Club begon eind jaren zeventig namelijk net als al die andere: met de droom om met hun liedjes, de weerslagen van hun eigen leven, de wereld te veroveren.
Bassist Mikey Craig had gehoord dat George O’Dowd, die later furore zou maken onder de naam Boy George, was ontslagen uit de populaire popgroep Bow Wow Wow en vroeg of hij met hem een nieuwe band wilde beginnen. Dat zag de androgyne zanger inderdaad wel zitten. Het overkwam hem allemaal, stelt George nu. Lachend: ‘Omdat ik een oogje had op de drummer.’
Even later wordt dat bandlid, Jon Moss, daadwerkelijk als een onweerstaanbare Adonis geïntroduceerd in deze documentaire van Alison Ellwood. Het was, zo lijkt de implicatie, liefde op het eerste gezicht tussen die twee. Stiekem, dat wel. Toen moest er alleen nog een (nieuwe) gitarist worden gezocht. ‘Het was niet mijn schuld’, grapt Roy Hay bij zijn entree in de film. ‘Het waren die andere drie.’
Culture Club schopte het al snel tot het populaire televisieprogramma Top Of The Pops. Dat optreden zorgde ervoor dat de Britse groep tegelijk immens populair werd en alweer uit elkaar begon te vallen. Want Boy George bleek zó’n aantrekkelijke en spraakmakende verschijning dat de anderen al snel werden gereduceerd tot ogenschijnlijk willekeurige begeleiders. Tot hun grote frustratie.
De archiefbeelden uit die periode spreken voor zich. Als de blikvanger van het Britse viertal tijdens een persconferentie per ongeluk spreekt over ‘mijn album’, wordt hij direct gecorrigeerd. ‘Ons album.’ Toen Boy George en Moss in 1984 vervolgens zonder de andere twee participeerden in de Band Aid-benefietsingle Do They Know It’s Christmas?, waren de rapen helemaal gaar.
En daarna stond ook Live Aid nog op het programma, de nagel aan de doodskist van de groep die simpelweg een vehikel voor het queer-icoon Boy George leek te zijn geworden. Hij had zelf intussen andere sores, die breed werden uitgemeten in de Britse pers. En daaraan ging, zo blijkt aan het eind van dik negentig vermakelijke minuten Culture Club, niet alleen de band bijna ten onder.
Voor iedereen die Louis Hothothots debuutfilm Four Journeys (2021) heeft gezien, voelt de openingsscène van de opvolger The Year Of The Ghost (96 min.) direct vertrouwd. Het gekibbel tussen zijn Chinese ouders in hun woning in Beijing. De permanente wrevel van zijn oudere zus, die zo’n in China betreurde ‘leftover woman’ dreigt te worden en van ruzie zoeken een sport lijkt te hebben gemaakt. En de gefluisterde voice-over waarmee de sinds 2012 in Nederland woonachtige documentairemaker alle gevoelige thema’s inkadert.
Als hij in 2022 het bericht krijgt dat zijn vader ernstig ziek is, vliegt Louis Hothothot onmiddellijk naar China. Daar moet hij 28 dagen in quarantaine. Hij mist daardoor zowel het overlijden als de uitvaart van de man die hem, in weerwil van de gewraakte Chinese eenkindpolitiek, op de wereld heeft gezet. Als Louis eindelijk mag afreizen naar het dorp waar zijn vader begraven ligt, lijkt zijn moeder daar zowaar te willen blijven. Tot frustratie van z’n zus, die terug wil naar Beijing om alsnog, nu ze nog kinderen kan krijgen, een echtgenoot te vinden.
Haar zoon verdiept zich intussen in het leven van de beste vriendin van zijn moeder. Deze ‘tante’ werd op haar zeventiende, zonder dat ze het zelf doorhad, uitgehuwelijkt aan een plaatselijke man. Voor 100 yuan, zo’n vijftien euro. Samen kregen zij, ondanks die eenkindpolitiek, twee zoons en adopteerden ze een dochter. Bijna een halve eeuw later lijken ze het best goed te hebben met elkaar – al moet zijn tante wel toegeven dat oom haar nog wel eens aanpakt. ‘Maar hij slaat me nooit echt hard’, voegt de oude vrouw er snel aan toe.
Via vrouwen zoals deze tante, zijn eigen moeder en z’n zus verdiept Hothothot zich in deze persoonlijke film in de achtergrond, positie en uitdagingen van Chinese vrouwen. Zijn eigen familie fungeert daarbij opnieuw als pijnlijke spiegel. Hij zet het mes ongenadig in eigen vlees en blijft filmen in ongemakkelijke situaties. Als zijn zus uitvaart tegen hun moeder en bekent dat ze hun overleden vader nog steeds haat, bijvoorbeeld. En wanneer zijn moeder bijna in een hoestbui blijft, wordt de camera draaiend weggezet, voordat zoonlief te hulp schiet.
Van zéér dichtbij – ergens op het slappe koord tussen intiem en voyeuristisch – documenteert Louis Hothothot ook de ontwikkelingen rond zijn moeders gezondheid en het relationele leven van zijn zus. Intussen maakt hij, via krachtige animaties, tevens uitstapjes naar hun gezamenlijke verleden. Zo ontstaat een gecompliceerd portret van zijn eigen familie, als weerslag van een verstikkende cultuur waarin vrouwen vooral onderdanig en loyaal behoren te zijn. Als zoon, broer, man én maker heeft hij zich daar maar toe te verhouden.
BNNVARA / Het Konijn / woensdag 28 oktober, om 21.20 uur op NPO3
Er is geen ondertekende verklaring. Daarmee lijkt de deur in het slot te vallen voor Renee Zielhorst. Ze wil dolgraag nog een kind van haar overleden echtgenoot Marijn van Holten. Er zijn ook daadwerkelijk ingevroren embryo’s van hen beschikbaar, van het ICSI-traject waaruit hun dochtertje is voortgekomen. Omdat nooit is vastgelegd dat die ook na de dood van haar man, die op 42-jarige leeftijd plotseling overleed na een hartinfarct, mogen worden gebruikt, kan er echter geen sprake zijn van postmortale voortplanting. De embryo’s dreigen zelfs vernietigd te worden.
Renee laat het er alleen niet bij zitten. De bestaande embryowet pakt in haar geval onrechtvaardig uit, vindt ze. Marijn en zij zijn nooit expliciet om die toestemming gevraagd. Ze wil dus alsnog toegang krijgen tot de Erfenis Van Liefde (55 min.) van haar overleden echtgenoot en enkele jaren na zijn dood een tweede kindje van hem krijgen. ‘Zowel de ouders van Marijn als wij hebben gezegd: meisje, weet wel waar je aan het begint’, vertelt Renees moeder Anita in deze documentaire van Cheeru Mampaey. ‘Het is niet niks. En een kindje is geen vervanging van je man.’
De casus van Renee Zielhorst wordt verder ingekaderd door de voormalige directeur van de vruchtbaarheidskliniek Kinderwens in Leiderdorp, Arne van Heusden, en diens opvolger Wouter van Inzen, Zielhorsts letselschadeadvocaat Evert Wytema en de ethicus Guido Pennings. Nadeel daarvan is wel dat zeker de eerste helft van de docu heel praterig is. Daarna begint Renee aan het verraderlijke pad dat via terugplaatsing van een embryo, zwangerschap en bevalling moet leiden tot nog een kindje van haar overleden man, het beoogde eindpunt ook van deze rechttoe rechtaan productie.
Welgeteld twee dagen zitten er tussen My Undesirable Friends: Part I – Last Air In Moscow (2025), de vijfdelige serie waarin de Russisch-Amerikaanse filmmaakster Julia Loktev enkele jonge vrouwelijke journalisten volgt die door het Russische regime zijn bestempeld tot ‘buitenlandse agent’, en deze opvolger, My Undesirable Friends: Part II – Exile (354 min.), waarin Loktev de draad met hen oppakt. Na de Russische aanval op Oekraïne op 24 februari 2022 hebben ze binnen enkele uren hun spullen gepakt en zijn vervolgens halsoverkop het land uit gevlucht. Om in den vreemde direct hun werk weer op te pakken.
Behalve hun thuis zijn de ‘ongewenste vriendinnen’ Anna Nemzer, Olga Churakova, Alesya Marokhovskaya, Irina Dolinina, Sonya Groysman en Ksenia Mironova op die tragische 24e februari in eerste instantie ook hun identiteit kwijt, als de gezichten van het onafhankelijke Russische tv-station Dozhd (TV Rain) en andere kritische Russische media. Ze dwalen, los van elkaar, rond in landen als Turkije, Israël, Tsjechië, Georgië, Polen en Oekraïne. Ontheemd, met nauwelijks geld, geen (vaste) plek om te slapen en heimwee naar het land waarin ze zijn opgegroeid – en dat twintig jaar lang toekeek hoe er in hun midden een monster groeide.
‘Ik kan zo’n geweldig land toch niet overlaten aan Poetin? zegt Elena Kostyuchenko, die net van haar bronnen heeft vernomen dat het regime haar wil laten verdwijnen en die daarom afziet van een bezoek als oorlogsverslaggever aan de Oekraïense stad Marioepol. Ze is desondanks vast van plan om terug te keren naar huis. ‘Zeker omdat ik beslist meer van Rusland hou dan hij.’ Eerst wil de dappere jonge journaliste van de gelauwerde Russische krant Novaya Gazeta nog een boek (I Love Russia) over de verwording van haar moederland schrijven. Waarna dan wel eens een Russische gevangeniscel zou kunnen wachten.
Julia Loktev kiest intussen ook in deze tweede reeks voor een zo authentiek mogelijke weergave van de werkelijkheid. Fly on the wall, zonder reguliere interviews, toegevoegde muziek of een ingenieuze montage. Alleen enkele verduidelijkende teksten, feitelijke informatie in sobere witte letters op een zwarte achtergrond. Ze neemt ook de tijd voor haar scènes, die behalve inzicht in de politieke ontwikkelingen en journalistieke werkzaamheden van haar protagonisten ook de impact op hun gemoed, relaties, familie en vriendschappen blootleggen. Het feit dat Poetin hen tot ‘de vijfde colonne’ rekent, beïnvloedt elk aspect van hun leven.
De filmmaakster belicht in deze vijfdelige vervolgserie ook hoe het verder gaat met Ksenia’s vriend Ivan Safronov, een journalist die meer dan twintig jaar gevangenisstraf dreigt te krijgen, en enkele nieuwe hoofdpersonen. De Russische podcaster Peter Ruzavin en zijn Oekraïense echtgenote Nataliya Gumenyuk bijvoorbeeld. Elena Kostyuchenko’s geliefde Yana Kuchina, die aan den lijve heeft ondervonden hoezeer je met een lichamelijke beperking wordt gediscrimineerd in Rusland. En Valeria Ratnikova, één van Dozhds vaste presentatoren wanneer de zender in augustus 2022 weer wordt opgestart in Riga, de hoofdstad van Letland.
Als haar collega Alexey Korostolev zich onhandig uitdrukt in een live-uitzending, leidt dit tot consternatie op de redactie. Hij wordt direct uit zijn functie ontheven, zijn collega Ekaterina Kotrikadze en haar echtgenoot Tikhon Dzyadko mogen dit nieuws aan de buitenwereld uitleggen. Terwijl de discussie wordt voortgezet op de Dozhd-burelen, mengt eigenaresse Natasha Sindeeva zich via een emotionele video in het openbare debat. Het resulteert in een fascinerende kijk achter de schermen bij een journalistieke organisatie onder hoogspanning. Want tegelijkertijd werkt Valeria Ratnikova aan verhalen over oorlogsmisdaden in Boetsja en Poetins ‘useful idiots’ in Europa.
Alle commotie leidt tot een bijna absurd conflict met de Letse autoriteiten en opnieuw een overhaast vertrek voor Dozhd, naar Amsterdam ditmaal. De andere ‘buitenlandse agenten’ zijn tegen die tijd ook al over de westerse wereld verspreid geraakt. Nergens zijn ze echter veilig voor Poetins lange arm en het wapen dat hij sinds jaar en dag inzet: gif. Geduldig documenteert Julia Loktev hoe zijn regime zo huishoudt in haar vriendenkring, moedige jonge vrouwen die zich hebben geposteerd in de frontlinie van het vrije woord en die consequent weigeren om zich de mond te laten snoeren – ook al kunnen ze nergens blijven of zich écht thuis voelen.
Deze inmiddels tiendelige serie heeft zich ondertussen ontwikkeld tot een essentieel ooggetuigenverslag van wat het kost om vast te houden aan je onafhankelijkheid en op te staan tegen een autocratisch regime. Een verslag dat een verder vervolg verdient.
In de zomer van 1899 is het hem eindelijk gelukt. De Franse impressionistische schilder Claude Monet heeft meerdere pogingen nodig gehad om enkele grote vijvers aan te leggen in zijn tuin, waarin daadwerkelijk waterlelies tot bloei kunnen komen. Vanaf een speciaal aangelegde Japanse brug kan hij ze nu goed bekijken en het water, de lichtinval en kleuren observeren. Hij begint obsessief waterlelies te schilderen. Tot aan zijn dood in 1926, een periode waarin zijn zicht terugloopt, zal hij ze nooit meer loslaten.
‘Artistieke zelfmoord’, aldus critici. Na Monets overlijden raken ‘De Waterlelies’, ook door de Tweede Wereldoorlog, in de vergetelheid. Totdat de Amerikaanse kunstenaar Ellsworth Kelly de vergeten schilderijen in 1952 ontdekt in Monets voormalige woonplaats Giverny in Normandië. Hij relateert ze direct aan het immersieve werk van moderne kunstenaars zoals Jackson Pollock en Mark Rothko, mannen die dan de kunstwereld domineren. Claude Monet is zijn tijd duidelijk vooruit geweest.
Zijn abstracte werk zal echter nog lang in de schaduw blijven staan van de impressionistische schilderijen waarmee hij in de negentiende furore eeuw maakte, toont Anne-Cécile Genre in de documentaire Monet Et Les Nymphéas: L’Éternité Retrouvée (52 min.). Intussen zijn ook Monets huis, tuin en vijvers in verval geraakt. Met het revitaliseren daarvan, door een tuinman genaamd Gilbert Vahé, komt ook de herwaardering van zijn late werk op gang.
Vahé zwaait nog altijd de scepter over het kleine paradijs van Claude Monet, dat in 1980 is opengesteld voor het publiek en tegenwoordig jaarlijks aanzienlijke aantallen bezoekers trekt. Hij laat in deze verzorgde film zien hoe honderd jaar na Monets dood ook zijn waterlelies (weer) als vanouds bloeien. Net als de serie schilderijen waarmee de Franse kunstenaar, die dit jaar uitbundig zal worden herdacht, de schoonheid, diepte en vergankelijkheid van de wereld heeft onderzocht.
De tienjarige Nicoleta, de verteller van dit verhaal, mag nog nét kind zijn. Nicoleta’s moeder Anca, die veertien was toen ze haar kreeg, leeft voor haar man en kinderen. En Regina, Nicoleta’s jeugdige tante, wordt klaargestoomd voor het huwelijk en de bijbehorende kinderen. Zij is slechts enkele jaren ouder dan Nicoleta, maar al van school gehaald en verloofd met Cosmin.
Drie Roma-vrouwen, verbonden aan de zigeunerkoning van het Roemeense dorp Ciurea. Ze lijken daar het goede leven te leven. Binnen de eigen, naar binnen gerichte gemeenschap. In een kolossaal, smakeloos ingericht huis. Als vrouwen zitten ze er ook vast. Veroordeeld tot de kinderen en het huishouden. Voor Regina en Cosmin wordt inmiddels ook zo’n kast van een huis gebouwd. Zij krijgt een bruidsschat van enkele honderden jurken mee.
Via haar smartphone ziet de tiener hoe elders jongeren van haar leeftijd de wereld ontdekken. Intussen maakt zij zich in A Modern Roma Fairytale (82 min.) op voor de mooiste dag van haar leven – dat dan meteen wel over zijn hoogtepunt lijkt. Want daarna zit Regina vast aan die vent. Cosmin, nu nog een beminnelijke en tamelijke schuchtere jongen, wordt namelijk de baas des huizes. En daarover mag geen enkel misverstand be- of ontstaan.
Nicoleta’s vader Dragoş geeft hem in deze observerende film van Raluca Lupaşcu alvast het ‘goede’ voorbeeld. Voor zijn werk is hij soms maanden van huis. Het zou best kunnen dat hij Anca dan ook bedriegt. En als de twee ruzie hebben, laat hij zonder gêne zijn handen spreken. Zij is volgens hem alleen goed voor de keuken. ‘Als wij samen de stad ingaan, jij en ik’, zegt Dragoş dus tegen Cosmin, ‘dan blijven de vrouwen lekker thuis. Dat is hun taak.’
Van Dragoş hoeft Nicoleta eigenlijk ook niet meer naar school. Misschien kan ze nog wat Engels of Frans leren. ‘Voor als we op vakantie gaan.’ Zijn dochter wil alleen nog van alles leren – goed lezen, bijvoorbeeld, in het Roemeens – maar dat zit er vermoedelijk niet meer in. Ook zij is voorbestemd om echtgenote, moeder en huissloof te worden. Met haar poppen speelt het meisje alvast het huwelijkse leven van haar tante Regina en Cosmin uit.
Het is een triest tafereel: de vanzelfsprekendheid waarmee ook zij, als Roma-vrouw, zich straks zal moeten schikken naar de verwachtingen ligt erin opgesloten. Ook een krachtig beeld: hoe Nicoleta in een traditionele jurk naar zichzelf kijkt in de spiegel en daarna, met ook de haren netjes ingevlochten, rondjes om haar eigen as draait. Met zulke trefzekere scènes, aangekleed met weemoedige liederen, tekent Lupaşcu het lot van deze Roma-vrouwen op.
Het verhaal van Tarik Azzougarh heeft iets van een jongensboek. Hij groeit op in Tilburg in ‘The Netherlands’, in een flat, zestien verdiepingen hoog, aan de noordkant van de Brabantse stad. Een Marokkaanse-Nederlands jongetje, dat in zijn tienerjaren volledig in de ban raakt van de toonaangevende Amerikaanse hiphopgroep The Wu-Tang Clan. Onder de naam ‘Cilvaringz’ droomt hij ervan om zelf als rapper en producer deel uit te gaan maken van deze negenkoppige crew. Het lijkt simpelweg een kwestie van tijd voordat hij de deksel op zijn neus krijgt.
De superfan trekt z’n stoutste schoenen aan, vertrekt naar Staten Island in New York en geeft daar een tape af voor Wu-Tangs grote roerganger RZA. En de rest is geschiedenis – al moet de Clan daarvoor eerst nog naar Amsterdam komen, Tarik in 1997 een plek bij hen op het podium bemachtigen en ook nog meermaals hun hoofdkwartier bezoeken. Het is een aansprekende geschiedenis, verteld in de Amerikaanse documentaire The Disciple: A Wu-Tang Fable (106 min.) en vooraf ongetwijfeld talloze malen gevisualiseerd – gemanifesteerd, zo je wilt – door dat immigrantenkind uit, of all places, Tilburg-Noord.
Niet veel later in deze film van Joanna Natasegara zit de Wu-Tang Clan-fan, samen met zijn Nederlandse muziekvrienden, in de studio met z’n grote held. Die legt de lat hoog. ‘Ik wil geen stel klonen die mij gaan nadoen’, stelt RZA. ‘Daar hebben we allebei niets aan.’ De twee gaan vervolgens alsmaar inniger samenwerken. Dit culmineert uiteindelijk in het album Once Upon A Time In Shaolin. Daarvan wordt welgeteld één exemplaar gemaakt. Een uniek kunstwerk, zo is het idee, dat zal worden verkocht aan één enkele verzamelaar, die voor 88 jaar het exclusieve recht krijgt om de muziek te beluisteren.
Cilvaringz’ geesteskind, ‘het eerste geprivatiseerde muziekalbum ter wereld’, is bedoeld als een aanklacht tegen piraterij, downloaden en de bijbehorende waardedevaluatie van muziek. De kwajongenstreek groeit uit tot een wereldwijd gehypet project, met in eerste instantie louter winnaars. Totdat intern de pleuris uitbreekt en andere Wu-Tangers hem publiekelijk de mantel uit vegen. En dan wordt die unieke plaat ook nog gekocht door de meest gehate man van Amerika, Martin ‘Pharma Bro’ Shkreli, die zojuist fortuin heeft gemaakt door de prijs van cruciale kanker- en HIV-medicijnen exorbitant te verhogen.
The Disciple zelf is tegen die tijd allang naar de achtergrond verdrongen in deze met filmfragmenten, kungfu-scènes en tamelijk clichématige schaakbordzetten opgeleukte film. Natasegara behandelt de verwikkelingen rond de Shaolin-CD daarin als het echte jongensboekverhaal, ten faveure van het uitdiepen van haar hoofdpersonage Tarik Azzougarh, die slechts met grove penseelstreken wordt opgetekend. Zijn opmerkelijke muziekcarrière blijft desondanks onverminderd tot de verbeelding spreken.
Het Corregidora-stadion in de Mexicaanse stad Querétaro maakt zich die zaterdag 5 maart 2022 op voor de beladen voetbalwedstrijd van degradatiekandidaat Querétaro Fútbol Club, ofwel de Gallas Blancos, tegen regerend landskampioen Atlas FC uit Guadalajara. Blauwzwart versus roodzwart. Ofwel: supportersgroep La Resistencia Albuazul tegenover La Barra 51. Het wordt een Tragedia En El Estadio Corregidora (internationale titel: Corregidora: The Darkest Night In Mexican Soccer, 147 min.), het Mexicaanse Heizeldrama. Waarbij elke uitwas bovendien met mobiele telefoons is gedocumenteerd.
Het uitzinnige supportersgeweld van met name de thuisfans wordt vanaf het begin omgeven met geruchten. Waarom was de beveiliging niet beter op orde? Proberen plaatselijke politici misschien af te dekken dat er ook doden zijn gevallen? En gaat het om een vooropgezette actie? Want waarom werden sommige slachtoffers anders tegelijkertijd, op verschillende plekken in het stadion, helemaal uitgekleed en van hun identiteitsbewijs ontdaan? Het lijkt een doelbewuste poging om hen te vernederen. Maar van wie? Alleen van vijandelijke ultra’s? Of toch ook van criminele groeperingen?
Regisseur Alberto Arnaut reconstrueert de afgebroken risicowedstrijd met voetbalfans, slachtoffers, familieleden, beveiligers, hulpverleners en bestuurders. Hun versies van de gebeurtenissen sluiten meestal op elkaar aan, maar botsen ook wel eens. Door die verschillende lezingen ontstaat er ruis – en dus ook ruimte voor complottheorieën. Is Mexico bijvoorbeeld bang om de organisatie van het wereldkampioenschap voetbal kwijt te raken? En in hoeverre spelen ‘huachicol’, de diefstal van staatsolie door misdaadkartels, en ‘shockgroepen’, die de politiek willen destabiliseren, nog een rol?
Arnaut concentreert zich eerst op de bizarre taferelen in het stadion, richt daarna zijn aandacht op de reactie van de autoriteiten en probeert tenslotte, met behulp ook van anonieme bronnen uit duistere kringen, het kaf van het koren rond het al dan niet georkestreerde geweld te scheiden in deze breed opgezette miniserie, die alleen met wel erg ronkende muziek is afgewerkt. Die maakt in elk geval glashelder dat de tragedie in Estadio Corregidora, waar op de gevel pront het woord ‘Tolerancia’ prijkt, méér was dan de toevallige botsing van twee rivaliserende supportersgroepen.
Sinds de militaire staatsgreep in Myanmar in februari 2021, waarbij de democratische regering is afgezet, wordt elke vorm van protest of verzet tegen het regime bruut de kop ingedrukt in het Aziatische land.
De revolutie moet ook ditmaal dus buiten het zicht van de machthebbers worden opgestart. Een Canadese filmploeg, onder leiding van Robert Mentov, Dwight Jantzi en Bryan Dickie, sluit voor White Tiger Column (95 min.) diep in de jungle aan bij een kamp, waar vrijwilligers van het People’s Defence Force zich melden voor een militaire training van 45 dagen. Zij worden daarbij niet alleen lichamelijk gedrild, maar ook mentaal gehard.
Het gaat om een nieuwe generatie strijders: jongens en meisjes met hun eigen idealen, trauma’s én liefdes. Voor games, popliedjes en hun telefoon, die om acht uur ‘s avonds overigens moet worden ingeleverd. En voor elkaar, natuurlijk. Als er een verliefd stelletje tussenuit is geknepen, spreekt een instructeur de anderen vermanend toe. ‘Wil je onderdeel van de revolutie zijn?’ vraagt hij hen indringend. ‘Of ben je op zoek naar de liefde?’
Anderen lijken in dit verborgen junglekamp, waar een enkele keer ook de harde realiteit doordringt van het brute regime dat op hen wacht, op zoek naar genoegdoening en wraak. ‘Ik wil alleen maar vechten’, zegt één van de rekruten. De dictatuur vernietigen die hemzelf bruut heeft gemarteld, zijn broer harteloos heeft vermoord en nu ook zijn moeder heeft gearresteerd. Hij heeft geen idee hoe het met haar is, vertelt hij geëmotioneerd.
In anderhalve maand worden de Davids van de eenheid White Tiger P-29909, voor de registrerende camera van het Canadese drietal, klaargestoomd voor het gevecht met een nietsontziende Goliath, waarin de underdog ditmaal vermoedelijk geen schijn van kans heeft. Ze lijken voorbestemd om kanonnenvoer te worden – of slachtoffer van droneaanvallen, folteraars of scherpschutters. En het zou zomaar kunnen dat hun eigen telefoon dat dan vastlegt.
Deze ontwapenende film wordt daardoor een wrange momentopname, de weerslag van die ene anderhalve maand, een periode die nooit meer terugkomt, waarin deze Gen Z-jongens en meisjes mannen en vrouwen moeten worden. Verzetsstrijders, martelaren wellicht, vechtend voor een vooralsnog onbereikbaar ideaal. Tot hun vertrek kunnen ze, tussen het prepareren van hun wapens en maken van explosieven door, nog even ongegeneerd jong zijn.