Bliksem

VPRO / zondag 12 juli, om 22.40 uur, op NPO2

‘Als onze families onze liefde zouden zien, zou dat wellicht iets doorbreken en zouden we meer verbonden kunnen zijn’, verwoordt Aiman Hassani, bij de start van Bliksem (59 min.), het gevoel waarmee hij deze persoonlijke film over z’n relatie met Tim inging. Want hoewel ze al ruim vijf jaar samen waren, hadden hun families elkaar nog nooit ontmoet. Tim en Aiman wilden graag delen hoe gelukkig zij samen waren. En toen bleek de ware Jacob er een verborgen leven op na te houden.

Tim stamt uit een gehucht in de Achterhoek, Aiman groeide op in een Marokkaanse familie uit de omgeving van Utrecht. Ze zeiden ‘u’ tegen elkaar – teder! – en waren heel lang elkaars veilige plek. Ook nadat alles op losse groeven is komen te staan, blijft Hassani zijn leven documenteren. Om greep te krijgen op die nieuwe realiteit en zichzelf onder controle te houden. Alsof hij in de spiegel naar zichzelf blijft turen en elk afzonderlijk element van z’n eigen verlies wil optekenen.

Hassani filmt bijvoorbeeld hoe hij een filmpje terugkijkt dat hij ooit samen met Tim maakte tijdens het koken. En dat krijgt de kijker van Bliksem dan weer te zien. Meermaals. Zoals die ook wordt meegenomen naar de sportschool, waar Aiman een nieuwe routine vindt – en een nieuwe versie van zichzelf, met een wasbord. Hij gaat ook nog naar de kapper. Het lijken afscheidsrituelen, van een jonge man die op drift is geraakt/gebracht. Losgeraakt, ook van zijn familie.

‘Niemand heeft je afgewezen omdat je anders bent’, zegt zijn ernstig zieke vader, in wat misschien wel hun laatste gesprek wordt. ‘Wij houden van jou omdat je Aiman bent. Jij bent onze zoon.’ Die boodschap moet nog even doordringen bij de filmmaker in deze even particuliere als universele registratie van de ontmanteling van het ene leven, om aan het volgende te kunnen beginnen.

Alive Inside: A Story About Music And Memory

Bond / 360

Kom eens een dagje bij me filmen, zei sociaal werker Dan Cohen ooit tegen filmmaker Michael Rossato-Bennett. Die ene dag werd drie jaar. Samen maakten ze een sprankelende reis door de menselijke geest, via ouderen met dementie en hun relatie met muziek. In 2014 verscheen de weerslag daarvan: Alive Inside: A Story About Music And Memory (78 min.).

Het procedé oogt al snel vertrouwd: we zien een oudere Amerikaan in het verzorgingshuis Cobble Hill, die in het gat is gevallen dat ooit zijn geheugen was. Hij of zij is nauwelijks meer aanspreekbaar. Daarna toont Rossato-Bennett met foto’s en verhalen van dierbaren de persoon die nog ergens in die verstopte geest en dat broze lijf verscholen moet zitten. En als een duveltje uit een doosje tovert Cohen die vervolgens toch weer tevoorschijn. Met een heel eenvoudig instrument, dat alleen niet wordt vergoed door de zorgverzekering: een iPod met koptelefoon.

‘Er bestaat geen pil die dat kan’, stelt Dan Cohen. ‘Een medicijn kan hooguit de vonk dempen of het licht dimmen, maar kan die nooit naar buiten halen.’ En dat geldt bepaald niet alleen voor ouderen met dementie, toont Rossato-Bennett. Muziek kan ook anderen uit hun isolement halen: psychiatrische patiënten, slachtoffers van oorlogsgeweld in Congo of mensen die vanwege een lichamelijke aandoening aan een ziekenhuisbed zijn gekluisterd. Muziek is ‘the quickening art’, volgens de befaamde neuroloog Oliver Sacks (Awakenings), de kortste route naar het binnenste van de mens.

Het is een kunstvorm die de gehele mens kan raken en die ‘de film die alleen in iemands hoofd wordt afgespeeld’, ook wel geheugen genoemd, weer kan aanzetten. Via Louis Armstrong, The Andrews Sisters of Beach Boys komen beelden, geuren én danspasjes weer terug – ook al is het maar voor even. ‘Ik onderzoek de Ziekte van Alzheimer al 38 jaar’, vertelt dokter Peter Davis. ‘Maar ik heb niets beters te bieden aan mijn patiënten dan muziektherapie.’ Het aanschaffen van iPods – we schrijven begin jaren ’10 – heeft echter meer voeten in de aarde dan wie dan ook zou willen.

Gelukkig zijn er beelden van ouderen zoals Henry, een Afro-Amerikaanse man die helemaal opleeft door gospelmuziek en zo viral gaat, om de zaak vlot te trekken. Behalve een pleidooi voor muziek als ontsluiter van de menselijke ziel wordt Alive Inside, aangestuurd met Rossato-Bennetts enigszins zijige voice-over, daardoor ook een soort aanklacht tegen gezondheidszorg, die mensen reduceert tot patiënten en definieert aan de hand van hun deficiënties. Deze docu toont overtuigend dat zij eerst en vooral nog altijd mens zijn – met een onbedwingbare liefde voor muziek.

Zwijgen Of Spreken

Human / zondag 12 juli, om 20.00 uur, op NPO2

In welke wereld wil jij leven? vraagt Marte Boneschansker aan de Nederlanders die deelnemen aan haar voorstelling Opstand. Met deze ‘collectieve oefening in verzet’, die filmmaakster Esther Pardijs heeft vervat in de korte documentaire Zwijgen Of Spreken (15 min.), wil de theatermaakster ‘het stille midden’ in beweging brengen.

Aan het begin worden de deelnemers geacht om een paar te vormen met iemand die ze nog niet kennen. Daarna worden ze als groep geconfronteerd met een scherm, als verbeelding van de macht, dat hen bijstuurt, verdeelt of zelfs gevangen neemt. Hoe gaan ze daarmee om? Laten ze zich uit elkaar spelen? En komen ze als groep in beweging?

Pardijs start het theaterexperiment op vanuit haar eigen gevoel van onmacht over de verruwing van de samenleving. ‘Tot nu toe heb ik gezwegen, maar dat knelt’, vertelt ze. ‘Ik ben op zoek naar mijn stem. En ik ben niet de enige.’ Waarna ze de camera richt op al die anderen op het podium, die vast met al even goede bedoelingen zijn gearriveerd.

Gewone Nederlanders, veelal in close-up in beeld gebracht, die zich laten meevoeren in het machtsspel met het scherm en die ondertussen, buiten beeld, verwoorden wat er in hen omgaat. De één realiseert zich dat ze zich doorgaans snel bij de frontlinie voegt, een ander wordt volgens eigen zeggen juist geconfronteerd met z’n eigen lafheid.

‘Is dit wat er in de samenleving gebeurt maar wat we niet altijd zien?’ vraagt Pardijs zich af aan het eind van haar film, die vooral benieuwd maakt naar het daadwerkelijk ervaren van deze Opstand. ‘Een stille massa die, net als ik, wel iets wil doen maar niet weet wat.’

Chris & Martina: The Final Set

Netflix

‘Ze voerden een eeuwige oorlog op de tennisbaan. En nu proberen ze elkaars leven te redden.’ De woorden zijn afkomstig van Chris Everts voormalige echtgenoot Andy Mill, maar zijn quote is niet voor niets te horen als de titel van deze documentaire in beeld verschijnt: Chris & Martina: The Final Set (97 min.). Dit is de tagline, de reden om deze film te bekijken. Want dat is behalve een boeiende terugblik op één van de grootste tweekampen uit de sporthistorie vooral ook een aangrijpend portret van twee vrouwen die door ziekte, kanker, voor het eerst de controle over hun leven helemaal kwijt zijn en dan elkaars gezelschap weer opzoeken.

Chris Evert en Martina Navratilova vormen in de jaren zeventig en tachtig de Yin en Yang van het vrouwentennis. Het meisjemeisje uit Florida versus de communistische ‘overloper’ uit Tsjechoslowakije. Verfijnd baseline-spel tegenover krachtig serve & volley. Natuurtalent versus power. ‘Cute’ tegen ‘tomboy’. Achteraf bezien lijkt het onvermijdelijk dat de ‘Chrissie Craze’ ook gepaard zou gaan met Martina-weerzin. Zeker als haar geaardheid, een publiek geheim in de tenniswereld, de media bereikt. Navratilova wordt in The New York Daily News ongewild geout als ‘biseksueel’, de term die als vluchtheuvel wordt gebruikt door vrouwen die in werkelijkheid op vrouwen vallen.

De aanvankelijke vriendschap tussen de twee tegenpolen lijkt in dit dubbelportret van Rebecca Gitlitz dan te zijn veranderd in ijzige rivaliteit. Omdat een innige relatie het ten koste van alles willen winnen in de weg zou kunnen staan. Inmiddels zijn de vriendschapsbanden hersteld en kunnen de aartsrivalen samen op de bank wedstrijden terugkijken – en zowaar blij zijn voor de ander. Gitlitz laat hen ondertussen reflecteren op hun levens die volledig in dienst stonden van de sport. Ze worden daarbij terzijde gestaan door familieleden en kennissen, tennisinsiders en voormalige concullega’s zoals Billie Jean King, John McEnroe en Pam Shriver.

Terwijl Evert en Navratilova elkaar aansporen om nog eenmaal het beste uit zichzelf te halen, tijdens de allesbeslissende tiebreak tegen een gemeenschappelijke opponent die niet maalt om geld, macht of status, tonen ze uit welk hout ze zijn gesneden. Ieder voor zich gaan ze moedig de strijd aan met de ingrijpende kankerbehandelingen. En samen lijken ze, net als tijdens hun epische tenniscarrières, vooralsnog onverslaanbaar.

Speechless

Good Soup Productions

‘De antiracisten, de antifascisten, de antiseksisten, de anti-imperialisten en, natuurlijk, de antikapitalisten’, besluit professor Russell Rickford van Cornell University in New York zijn vlammende speech. ‘Ze blijven ons inspireren. Dus blijf je organiseren en blijf herrie trappen.’ Rickford heeft slechts acht dagen na de aanslagen van Hamas op 7 oktober 2023 – en ruim vóór Israëls verwoestende respons in Gaza – flink van zich doen spreken. De aanval van Hamas is volgens hem ‘exhilarating’ en ‘energizing’.

Op dat moment, in het tweede deel van haar lijvige documentaire Speechless (176 min.), krijgt de zoektocht van Ric Esther Bienstock naar de aanhoudende frictie rond de vrijheid van meningsuiting op Amerikaanse universiteiten een persoonlijk karakter. De filmmaakster is zelf Joods en voelt zich aangesproken door Rickfords agressieve retoriek, nadat gewone Israëlische burgers het slachtoffer zijn geworden van een bloedige aanval. Enkele maanden later steekt de Amerikaanse veteraan Aaron Bushnell zichzelf in brand, om te protesteren tegen Israëls verpletterende optreden in Gaza.

Bienstocks zoektocht is al in 2017 begonnen op het Evergreen State College in Olympia, in de Amerikaanse staat Washington, waar de jaarlijkse ‘Day Of Absence’ voor witte medewerkers een verplichtend karakter heeft gekregen. Docent evolutionaire biologie Bret Weinstein laat zich echter niet zomaar wegsturen van de campus en zet zo een snel ontsporend debat in gang. Op pijnlijke beelden is te zien hoe militante studenten het schoolhoofd George Bridges ongenadig uitkafferen, fascist noemen en beschuldigen van ‘microagressie’ – omdat de man te veel met zijn handen zou praten.

Studenten van het York College in Pennsylvania gaan deze casus vervolgens bestuderen. Met hun docent Erec Smith constateren ze dat het conflict een typisch voorbeeld is van de botsing tussen klassiek links gedachtegoed en ‘Critical Social Justice’, een manier van kijken naar de wereld die ook wel ‘woke’ wordt genoemd. Onderwerpen worden door aanhangers daarvan benaderd vanuit het uitgangspunt van ‘onderdrukker versus onderdrukte’. Niet veel later wordt Smith een ‘white supremacist’ genoemd. Door een witte persoon. Om het helemaal ingewikkeld te maken: Erec Smith is zelf zwart.

Ric Esther Bienstock onderzoekt of de academische vrijheid door zulke ontwikkelingen in gevaar komt. Op diverse plekken verdiept ze zich in hoog oplopende discussies over de onderdrukkende of juist bevrijdende werking van taal, radicale vormen van antiracisme en cancelcultuur, alvorens ze in deel twee het terrein van (vermeende) transfobie betreedt. Ze spreekt met de wetenschappers Carole Hooven, evolutionair bioloog op Harvard, en Kathleen Stock, een filosofe verbonden aan Oxford, die ernstig onder vuur kwamen te liggen en nauwelijks steun van hun collega’s of werkgever ervoeren.

Het open klimaat op universiteiten wordt daarnaast ook onder vuur genomen, laat de filmmaakster zien, door conservatieve activisten zoals Christopher Rufo, Hij verzet zich demonstratief tegen het uitgangspunt van Diversity, Equity en Inclusion (DEI) en krijgt van Florida’s gouverneur Ron DeSantis de kans om de linkse universiteit New College te hervormen. De DEI-directeur wordt direct ontslagen, het genderstudie-programma afgesloten en genderneutrale toiletten verwijderd. Rufo maakt van zijn hart bovendien geen moordkuil, ook niet in deze film, en blijft bijvoorbeeld rustig ‘misgenderen’.

En dat is een terugkerend beeld in deze urgente film, die de ontsporing van het publieke debat pregnant in beeld brengt: aan de frontlinie van de cultuuroorlog is geen enkele ruimte meer voor begrip of nuance. ‘Suck my tranny dick’, schreeuwt de activistische student Libby Harrity bijvoorbeeld tegen Rufo. Waarop die dat provocerend ‘anatomisch incorrect’ noemt en meteen een zaak start tegen Libby, die bij het spugen op de grond zijn tenen zou hebben geraakt. Het schikkingsvoorstel dat uiteindelijk op tafel komt – leave and never come back – is voor de protesterende student een bijzonder bittere pil.

Enige koudwatervrees is in zo’n giftig klimaat best te begrijpen. Voor elke persoon die Ric Esther Bienstock bereid heeft gevonden om voor haar camera plaats te nemen, zijn er dus ook talloze anderen die deze gifbeker liever aan zich voorbij lieten gaan. Zelfcensuur is nu eenmaal een onvermijdelijk bijproduct van een zich vernauwend publiek debat.

McCartney – The Hunt For The Lost Bass

BBC / Freemantle / Dartmouth Films / maandag 6 juli, om 22.40 uur, op NPO2

Toen The Beatles in het voorjaar van 1970 uit elkaar gingen, raakte het instrument waarmee Paul McCartney groot was geworden vermist. Hij kocht de Höfner-vioolbasgitaar nadat Stu Sutcliffe, de oorspronkelijke bassist van de Britse band, in 1961 had besloten om voor de liefde in Hamburg te blijven en niet met de rest terug te keren naar Liverpool. Gitarist McCartney nam Sutcliffes taak toen over en kocht een bas die de hele Beatles-carrière meeging – en toen spoorloos verdween.

De zoektocht naar ‘de heilige graal van de rock & roll’ drijft de documentaire McCartney – The Hunt For The Lost Bass (87 min.) van Arthur Cary. Het is nog wel even de vraag om welke basgitaar het precies gaat: in 1963 kreeg McCartney namelijk een vervangende bas, van dezelfde Duitse fabrikant. Het oorspronkelijke instrument is waarschijnlijk voor het laatst vereeuwigd op een foto van de befaamde Let It Be-sessies in 1969. Jan en alleman heeft hem sindsdien echter nog gezien, vermoedelijk in de contreien van Bigfoot, het Monster van Loch Ness of Elvis.

Met de goedkeuring van Paul zelf, die ook zijn jongere broer Mike heeft gecharterd voor deze smakelijke film, gaat een medewerker van Höfner, Nick Wass, op zoek naar de befaamde basgitaar. Zijn echtgenote Cathy Harrison bedenkt een pakkende slogan: #TraceTheBass. De twee krijgen in 2023 versterking van een ander echtpaar, de ‘basdetectives’ Scott en Naomi Jones. Zodra hun zoektocht uitlekt naar de media, ontstaat er zelfs een soort nieuwe Beatlemania: de Joneses ontvangen binnen 48 uur zeshonderd e-mails met tips en aanknopingspunten.

Op het pad dat hen naar die befaamde bas moet leiden stuiten ze op een bonte stoet aan personages, zoals de Duitse graphic designer Klaus Voormann (die in Hamburg nog bijna zelf bassist van The Beatles was geworden), Pauls vakbroeder Elvis Costello, Wings-geluidstechnicus Ian Horne, de verdachte roadie Dik Mik, anti-Beatlesband Hawkwind en twee ambulancebroeders die helemaal idolaat zijn van de ‘fab four’. Via hen en die bas vindt Cary intussen een nieuw geitenpaadje naar de weg die McCartney en z’n bandje hebben afgelegd en die in docu’s al zo vaak is nagelopen.

The Welcome Table

HBO Max

Aan een welkomsttafel op een dijk bij New Orleans, genaamd Bywater Levee, ontvangt documentairemaker Josh Fox (Gasland) de hoofdpersonen van zijn nieuwe film The Welcome Table (131 min.). Ze komen van heinde en verre, op de vlucht geslagen voor de gevolgen van klimaatverandering. ‘Hoe zijn we hier beland?’ vraagt hij zich halverwege af, in zijn deel van een duo voice-over met de Amerikaanse jazzzanger John Boutté, waarmee deze alarmistische documentaire wordt aangestuurd. ‘Kunnen we hier nog weg? En hoeveel erger gaat het nog worden?’

Fox verwelkomt zijn gasten aan die tafel met muziek, toepasselijke liederen gespeeld door een keur aan muzikanten, en dompelt zich vervolgens onder in de verhalen van deze klimaatvluchtelingen. Hij begint in eigen land bij Ali en haar jonge gezin. Zij woonden in Paradise, California, en zijn in 2018 gevlucht voor een verwoestende natuurbrand. De beelden staan op haar netvlies gebrand: terwijl er een propaantank ontploft, klinkt op de radio een bekende hit van The Bee Gees: stayin’ alive, stayin’ alive ah, ha, ha, ha, stayin’ alive. Terwijl ze hun auto vervolgens door het vuur sturen, kan Ali maar aan één ding denken: ‘Zo wil ik niet doodgaan.’

Daarna begeeft Fox zich naar Brazilië, waar hoosbuien in 2023 een modderstroom op gang hebben gebracht die een hele favela met de grond gelijk maakte en de bewoners, als ze al overleefden, dakloos achterliet. In de Mexicaanse stad Juárez treft Fox een jonge Colombiaanse vrouw, die op de vlucht is voor overstromingen in haar land. Ze is twee jongere zussen kwijtgeraakt bij de grens. Die zijn weggevoerd door de Amerikaanse autoriteiten. En in Italië ontmoet hij de Nigeriaanse bootvluchteling Chris Obehi, die de barre tocht over de Middellandse Zee heeft overleefd en nu carrière maakt als zanger. Non Siamo Pesce, zingt hij. We zijn geen vissen.

Josh Fox reist de halve wereld over. Naar de Maagdeneilanden, om de schade van orkanen op te nemen. Naar het kurkdroge Kenia, waar een heel dorp inmiddels afhankelijk is van één enkele waterput. Naar Peru, om te zien hoe oliewinning het Amazonegebied ernstig verontreinigt. En naar Australië, waar Aboriginals het slachtoffer worden van ‘klimaatgentrificatie’. Heel herkenbaar: in New Orleans, bij die dijk, gebeurde in 2015, na de Orkaan Katrina, precies hetzelfde. Die conclusie trekt de filmmaker steeds weer in deze erg ruim uitgevallen film: de mensen die het minst kunnen doen aan de klimaatverandering, worden er het hardst door geraakt.

Niet in het minst doordat de machthebbers steeds weer nieuwe blokkades voor hen opwerpen. Letterlijk. Met als duidelijkste voorbeeld de spreekwoordelijke muur van de Amerikaanse president Trump en de manier waarop hij ICE loslaat op migranten. Josh Fox schroomt daarbij niet om de vergelijking te trekken met Hitler en Mussolini. Hij probeert sowieso dwarsverbanden te leggen, met grote thema’s zoals migratie, kolonialisme en mensenrechten. En aan het eind dropt Fox nog een klein bommetje: al zijn hoofdpersonen zijn weliswaar uitgenodigd aan zijn tafel op die dijk, maar lang niet iedereen heeft daadwerkelijk een visum voor de Verenigde Staten gekregen.

Messi: La Cinta Olvidada

ESPN / Disney+

Lionel Messi had de beste voetballer kunnen worden die Spanje ooit heeft gehad. Hoe vaak zou hij wereldkampioen zijn geworden, met zijn vaste maatjes van FC Barcelona, Xavi en Iniesta, aan zijn zijde? Het zal echter anders lopen: de kleine Leo wordt de grote held van zijn geboorteland Argentinië, de enige echte opvolger van Diego Maradona – die hij inmiddels ook wel heeft overvleugeld.

Als tiener is Messi, die op z’n dertiende al naar Barcelona is verkast, echter buiten beeld geraakt bij de nationale jeugdteams van Argentinië. De Spaanse voetbalbond staat tegelijk klaar om hem in te lijven. Dat is Messi’s agent Horacio Gaggioli toch te gortig. Hij vraagt journalist Jaume Marcet van Barça TV om een videoband samen te stellen met hoogtepunten van de behendige en watervlugge linkspoot.

Messi: La Cinta Olvidada (internationale titel: Messi: The Forgotten Tape, 24 min.) is het verhaal van die VHS-tape. Claudio Vivas, de assistent-trainer van het Argentijnse nationale elftal is direct overtuigd. Hij laat de compilatievideo zien aan bondscoach Marcelo Bielsa. ‘Laat eens zien, speel wat af’, zegt die, herinnert Vivas zich. ‘Maar speel hem op normale snelheid af.’ De assistent kan zijn eigen ogen ook nauwelijks geloven. ‘Marcelo, dit is normale snelheid. Ik drukte alleen op afspelen.’

De Mythe Messi is geboren. Een speler die sneller denkt en handelt dan gewone stervelingen, waaronder gerenommeerde voetbaltrainers, kunnen bevatten. Zelfs nu hij tegen de veertig loopt. In deze alleraardigste korte docu van Nicolás Salazar is de jonge Messi te zien, een dartele tiener die iedereen helemaal doldraait – en die zijn voormalige jeugdtrainers en medespelers nog altijd in verrukking brengt.

Een heerlijk klein verhaal over een grote voetballer, in de markt gezet dus met een videoband. Omdat zien in zijn geval nu eenmaal automatisch tot geloven leidt. Ineens krijgt de Argentijnse voetbalbond dus haast. Op 1 juni 2004 wordt ‘Leonel André Mecci Cuccittini’ opgeroepen voor een nationaal elftal van zijn geboorteland. Argentijnse voetbalfans krijgen daarna nog volop gelegenheid om zijn naam te leren spellen.

Vernon, Florida

IFC Films

Het verhaal wil dat Errol Morris in Vernon, Florida (55 min.) belandde omdat hij daar een saillante kwestie ging onderzoeken: in het Amerikaanse stadje werden in de jaren vijftig en zestig namelijk zoveel verzekeringsclaims ingediend vanwege tragische ongelukken, waarbij iemand een ledemaat was kwijtgeraakt, dat het verdacht was. Ze deden het toch niet expres?

Op die documentaire, met de werktitel Nub City, zat echter bepaald niet elke bewoner van het gehucht in Florida te wachten. Na tal van bedreigingen liet de eigenwijze filmmaker zijn oorspronkelijke plan varen, ten faveure van een groepsportret van enkele inwoners van het typische ‘southern town’, om zo het wezen van de plaatselijke gemeenschap bloot te leggen – al kan dat natuurlijk ook gewoon een Broodje Aapverhaal zijn. 

Zoals er in Morris’ tweede film, de opvolger van zijn tragikomische debuut Gates Of Heaven (1979), wel vaker sterke verhalen worden verteld. Door lokale mannen die duidelijk genieten van de aandacht die hen ten deel valt. Een wormenkweker, een jager en een dominee bijvoorbeeld. Zij dissen hun lotgevallen, filosofieën en herinneringen met het nodige drama, theater en (onbedoelde) humor op voor Morris’ camera.

Deze vermakelijke praatfilm uit 1981 is tamelijk sober van opzet en komt nooit echt op tempo. De documentaire is daardoor nauwelijks te vergelijken met latere films van Errol Morris, die worden gekenmerkt door virtuoos geframede interviews, ravissante vormgeving en een stuwende soundtrack. Samen vormen ze echter een geheel eigen universum, dat regelmatig gefronste wenkbrauwen en een besmuikte glimlach oproept. 

Vernon, Florida staat of valt met de personages, stuk voor stuk kleurrijke representanten van een welhaast vergeten Amerika, en de dingen die hen van het hart moeten over pak ‘m beet de kalkoenjacht, het menselijke brein en alle mogelijke betekenissen van het woord ‘therefore’. ‘We hadden een zes-minuten-regel’, legde Morris ooit uit. ‘Hou je mond en laat mensen zes minuten aan het woord, dan bewijzen ze vanzelf hoe gek ze eigenlijk zijn.’

Over verzekeringsfraude, en wat die kost, zwijgen ze echter als het graf.

Emily: I Am Kam

Greg Weight

Kunst als bevrijding. Van armoede, vooroordelen en gebrek aan zelfrespect. Via hun kleurrijke, gebatikte doeken vragen Emily Kam Kngwarray en de andere aboriginal-kunstenaressen van het Utopia Women’s Batik-programma vanaf eind jaren zeventig aandacht voor de achtergestelde positie van hun volk, Australië’s oorspronkelijke bewoners, en maken ze meteen een voorzichtig begin met het verbeteren daarvan.

De ontzagwekkende schilderwerken van de matriarch Emily Kam Kngwarray (1910-1996) mogen zich al snel in bijzondere aandacht verheugen. Dertig jaar na haar dood geldt zij als één van de beeldbepalende kunstenaars van Australië en als een onbetwist boegbeeld van de inheemse bevolking. In de boeiende documentaire Emily: I Am Kam (58 min.) laat Danielle MacLean zien dat dit bepaald niet vanzelf is gegaan. Tijdens de permanente strijd om hun land met de ‘whitefeller’ hebben Emily en de andere vrouwen van de inheemse gemeenschap in het woestijnachtige Alhalker Country in Centraal Australië niets voor niets gekregen.

Met trotse aboriginal-vrouwen, die destijds nog met hun beroemde voorvrouw hebben gewerkt of die later door haar zijn geïnspireerd, en witte kunstkenners en conservatoren van de National Gallery of Australia in Canberra, waar een overzichtstentoonstelling van Emily’s werk wordt georganiseerd, tekent MacLean de vrouw, de kunstenaar en de leider op. Zij komt verder tot leven met fraaie archiefbeelden, uit de tijd waarin Kam Kngwarray de kunst in zichzelf ontdekt en anderen de kunstenares in haar ontdekken, en hedendaagse beelden van de gemeenschap die met en zonder haar doorleeft, vervat in grondig doorleefde zang- en dansceremonies.

Emily Kam Kngwarray leeft voort als een vrouw die op latere leeftijd weliswaar nog moest leren hoe ze haar eigen naam kon schrijven en die tegelijk als geen ander kon schilderen wie zij was en is en wie zij, haar volk, waren en nog altijd zijn.

White With Fear

So Much Film / PBS

Tijdens de Amerikaanse presidentscampagne van 1968 vindt Richard Nixon de sleutel naar verkiezingswinst: maak de witte kiezer bang voor zwarte inwoners, zónder openlijk racistisch te klinken. Hij begint te spreken over ‘law & order’ en de goede verstaander weet dan wel wie/wat hij bedoelt: die vermaledijde zwarte Amerikanen. Sindsdien is datzelfde procedé nog door talloze conservatieve politici toegepast. Ze spreken over ‘welfare queens’, ‘illegal aliens’ of ‘gangbangers’, termen die volgens Ian Haney López, auteur van Dog Whistle Politics, werken als een hondenfluitje.

Het grote geheim van de Amerikaanse politiek, citeert historicus Kevin Kruse de Nixon-fluisteraar Kevin Phillips in de interessante documentaire White With Fear (84 min.), is nu eenmaal: ‘wie haat wie?’ Deze vraag krijgt nieuwe dimensies na de terroristische aanslagen van 11 september 2001 als de Republikeinse president George W. Bush de oorlog verklaart aan Osama bin Ladens Al-Qaeda en er in zijn land een anti-moslim stemming ontstaat, die vervolgens door de rechtse televisiezender/woedemachine Fox News wordt uitgebouwd tot een heuse cultuuroorlog.

Na de entree van Amerika’s eerste zwarte president Barack ‘Hussein’ Obama, die dus ook nog in verband kan worden gebracht met islam, gaat de ‘witte haat-industrie’ vanaf 2008 helemaal los. ‘De strategie was om reactionaire, racistische beelden over niet-witte immigranten aan de achterban te presenteren als politieke keuzes van de elite om de hardwerkende witte man te verraden’, vertelt Katie McHugh, voormalig medewerker van de website Breitbart, die ziet hoe haar werkgever ook doelbewust wordt ingezet als werktuig van een nieuwe politieke kracht, Donald Trump.

Documentairemaker Andrew Goldberg akkert de tumultueuze historie van het exploiteren van latente onlustgevoelens bij witte Amerikanen, vervat in talloze unheimische speeches, uitspraken en campagnefilmpjes, door met insiders uit beide politieke partijen, zoals Hillary Clinton en Steve Bannon, en een aantal neutrale beschouwers. Trump – en de man die hem zijn meest extreme taal influistert: Stephen Miller – is zo bezien een logisch gevolg van ruim een halve eeuw, vanuit zowel electorale als financiële motieven, doelbewust inspelen op de onderbuik.

‘Het fascinerende aan Donald Trump is dat hij het hele spelbord heeft omgegooid’, stelt de historicus Rick Perlstein, auteur van Nixonland. ‘Van het hondenfluitje heeft hij een stoomfluit gemaakt. Dat zou hem natuurlijk nooit zijn gelukt zonder het fundament van 55 jaar Republikeins hondengefluit.’ Waarna Donald Trump daar in zijn acceptatiespeech op de Republikeinse conventie van 2016 hoogstpersoonlijk een uitroepteken achter plaatst, met een Nixonesk eufemisme: ‘We worden een land van law & order.’

Eat More Trees

M&N Film Distribution / vanaf donderdag 2 juli in de bioscoop

De woestijn dreigt hen in te halen, vertelt Yanniek Schoonhoven. Ze woont samen met haar echtgenoot Alfonso Chico de Guzmán en hun kinderen op de familieboerderij La Junquera in Zuid-Spanje. Met regeneratieve landbouw proberen ze om te gaan met de aanhoudende droogte en andere gevolgen van klimaatverandering. In dat kader dromen ze er ook van om de rivier, die acht jaar geleden is opgedroogd, weer terug te brengen in de nabijgelegen Quipar-vallei en zo hun leefgebied nieuw leven in te blazen.

Vanuit deze casus maakt landschapsontwerper/filmmaker Louis De Jaeger in de documentaire Eat More Trees (79 min.), die hij samen met regisseur Arne Focketyn heeft gemaakt, een rondgang langs allerlei inspirerende initiatieven elders op aarde. Bij The Land Institute in de Amerikaanse staat Kansas worden bijvoorbeeld gewassen verbouwd die bestand zijn tegen bodemerosie en klimaatverandering. Op een biologische boerderij in het Britse Reading stimuleert Iain Tolhurst de biodiversiteit en hoopt zo de uitgeputte bodem te reanimeren. Bij de Green Pastures Farm in Missouri proberen ze het grasland te herstellen met grazend vee. En in het sterrenrestaurant Blue Hill at Stone Barns van chefkok Dan Barber in New York wordt het farm-to-table principe gehanteerd.

Het moet uit zijn, betoogt verteller Hanna Verboom namens De Jaeger en Focketyn, met de industriële landbouw en het algehele kortetermijndenken. Door ontbossing dreigt binnen enkele generaties bijvoorbeeld ook savannevorming in het Braziliaanse regenwoud. En dat is – het mag geen nieuws meer zijn – uiteindelijk catastrofaal voor de gehele aarde. Initiatieven zoals het voedselbos van Pedro Diniz, een voormalige Formule 1-coureur uit Brazilië, zijn daarom essentieel om natuurlijke regeneratie op gang te brengen en de ontbossing tot staan te brengen. De aarde spreekt, zegt Benki Piako, de leider van de Ashaninka-stam die in het Amazonegebied de inheemse agroforestry-beweging heeft opgericht, met het nodige drama. Maar wanneer gaan we luisteren?

De ‘call to action’ van deze onvervalste film met een boodschap is onontkoombaar: met concrete maatregelen, zoals bijvoorbeeld de keuze voor polycultuur, meerjarige gewassen en verantwoord waterbeheer, is het tij nog altijd te keren. Hoe kunnen wij voor het land zorgen, vat één van de sprekers de basisgedachte van Eat More Trees samen, zodat het land voor ons kan zorgen?

Várzea: Onde Nasce O Futebol

Netflix

‘Ik wilde hetzelfde bereiken als Cafu, vertelt Marcelinho bij een kolossale muurschildering van de recordinternational, die in 1994 en 2002 wereldkampioen werd met het Braziliaanse nationale elftal. ‘Met de wereldcup staan, erkend worden. Niet alleen in mijn land, maar wereldwijd.’ Even later komt Gamão, de man die de muurschilderij heeft gemaakt, erbij zitten. ‘Voetbal is alles voor het getto’, stelt hij. ‘Het is de gemakkelijkste kans om hier weg te komen.’ Cafu symboliseert volgens de graffitikunstenaar dat verhaal. ‘Brazilië zit op de voetbaltroon door de favela’s.’

Cafu groeide op in de favela Jardim Irene, vertelt hij in Várzea: Onde Nasce O Futebol (internationale titel: The Root Of The Game, 123 min.), een driedelige serie over het zogeheten Várzea-voetbal in São Paulo, een knock-out toernooi waarin verschillende favela’s het tegen elkaar opnemen. Toen hij in 2002 wereldkampioen werd, dacht de voormalige rechtsback: ‘Jarim Irene kijkt naar mij.  Ze vragen zich vast af of Cafu ook naar Jardim Irene kijkt. Kijkt de aanvoerder ook naar ons?’ Op archiefbeelden is intussen te zien hoe iemand met een stift ‘100 % Jardim Irene’ op Cafu’s shirt schrijft. Zo wordt de volksheld ook vereeuwigd met de wereldcup, als jongen uit de favela die ‘de koning van de finales’ wordt.

Várzea-spelers zoals Marcelinho (Milianos) en Sujão (MEC) dromen er ook van om profvoetballer te worden – en niet tot de negentig procent van hun wijk te gaan behoren die op het verkeerde pad belandt. Vooralsnog is het hen niet gelukt om echt een carrière op te bouwen, maar met de Várzea-wedstrijden kunnen ze min of meer hun gezin onderhouden. In de kwartfinale staan de twee tegenover elkaar, in wat ook de climax van de eerste aflevering van deze miniserie van Alec Cutter gaat worden. In tegenstelling tot hun succesvolle landgenoten die bij Europese topclubs moeiteloos miljoenen binnen harken, moeten Marcelinho en Sujão koste wat het kost winnen. Want zij hebben écht niets te verliezen.

In de navolgende afleveringen van deze dikke productie zal de winnaar van de twee het, ten overstaan van z’n eigen gemeenschap, in de volgende ronde van de Super Copa Pioneer moeten opnemen tegen een andere wijk, waar criminelen de dienst uitmaken en een carrière in de (drugs)criminaliteit continu lonkt. ‘Ik heb nergens zoveel druk gevoeld als bij de Várzea’, vertelt de Braziliaanse international Raphinha, die tegenwoordig bij FC Barcelona speelt. ‘Je speelt een wedstrijd en ziet mensen met wapens die ons bedreigen of tijdens de wedstrijd met elkaar vechten.’ Hij herinnert zich hoe er bij een wedstrijd eens op de kleedkamerdeur werd gebonsd. ‘Als we zouden winnen, zouden we het niet overleven.’

Voetbal biedt de bewoners van favela’s desondanks een uitweg, toont Várzea: Onde Nasce O Futebol. Als mogelijk carrièrepad – of, realistischer, als tijdverdrijf en schouwspel dat even de druk van het dagelijks bestaan verlicht. De Várzea-wedstrijden, met al hun zwaar oververhitte peptalks, wilde overtredingen en ongegeneerde vreugde- of woede-uitbarstingen, hebben onmiskenbaar een ventielfunctie voor mensen die vaak alle hoeken van de kamer al eens hebben gezien. Intussen krijgt het winnen van die Super Copa Pinoneer, een plaatselijke variant op de hoofdprijs bij het Broer van Grunsven-toernooi of de George Baker, een belang dat alleen met de echte wereldcup is te vergelijken.

Wie mag hem, in naam van z’n favela, omhoog heffen?

638 Ways To Kill Castro

Channel 4

Op geen enkele levende man zijn zoveel aanslagen beraamd en gepleegd als op hem, betoogt de verteller van de documentaire 638 Ways To Kill Castro (74 min.) van Dollan Cannell uit 2006. Al ongeveer een halve eeuw proberen tegenstanders, de Amerikanen voorop, dan tevergeefs om Fidel Castro, de almachtige leider van Cuba, uit te schakelen. Maar hoe ze ‘t ook proberen – met een volautomatisch wapen bij klaarlichte dag, exploderende sigaren of gif in zijn schoenen (zodat zijn befaamde baard uitvalt) bijvoorbeeld – Fidel komt elke keer weer met de schrik, of gewoon helemaal zonder, vrij.

Hij zal zelfs deze veelal luchtig getoonzette film, waarin enkele samenzweerders en would be-moordenaars worden opgevoerd, nog tien jaar overleven. De man die in 2026 honderd jaar oud zou zijn geworden overlijdt pas op zijn negentigste, nu tien jaar geleden. Tot die tijd lijkt hij onsterfelijk, een man die een symbool is geworden: de vader des vaderlands of juist staatsvijand nummer 1 – afhankelijk van je gezichtspunt. Een larger than life-figuur ook, die de CIA, FBI, de Amerikaanse maffia en Cubaanse bannelingen – of een niet al te dodelijke combinatie daarvan – uitdaagt tot stoute plannen, die bijna slagen, vroegtijdig worden afgebroken of helemaal nooit ten uitvoer worden gebracht.

Waar zijn medestrijder Che Guevara in 1967 wél ten prooi valt aan een vijandelijke kogel – en vervolgens in de beeldvorming uitgroeit tot een icoon: de ultieme linkse revolutionair – is ‘The Beard’ zijn belagers steeds te slim af. De betrokkenheid van Amerikaanse inlichtingendiensten bij de talloze pogingen om hem, als buitenlands staatshoofd, te liquideren is dan allang geen (publiek) geheim meer. En sommige direct betrokkenen zijn ook maar wat trots op hun rol in soms huiveringwekkende attaques. Zij belichamen het uitgangspunt dat hun doel álle middelen rechtvaardigt – al is het misschien wel verstandig om directe betrokkenheid bij aanslagen zoveel mogelijk te verhullen.

Castro’s voormalige jeugdvriend Orlando Bosch wordt bijvoorbeeld gezien als één van de kwade geniën achter de bomaanslag op een Cubaans vliegtuig bij Barbados, waarbij in 1976 alle 73 passagiers de dood vinden. ‘In een oorlog is alles geoorloofd’, stelt Bosch, die ondertussen niet al te subtiel suggereert dat hij nog wel meer op zijn kerfstok heeft. Zijn kompaan Luis Posada Carriles, die inmiddels in een Amerikaanse gevangenis zit en die het verstandiger vindt om geen antwoord te geven op de vraag hoeveel aanslagen hij precies heeft gepleegd op Castro, vult aan: ‘Misschien ben ik niet degene om dit te zeggen, maar ik denk dat hij zich veiliger voelt zolang ik in de cel zit, denk je ook niet?’

‘We hoeven maar één keer succesvol te zijn’, constateert de geharde anti-Castro activist Enrique Encinosa met een stalen gezicht aan het einde van deze ontluisterende film. En hij wil dat ook nog best een keer herhalen. ‘We hoeven maar één keer succesvol te zijn.’ Uiteindelijk lijkt het er echter toch op dat Magere Hein zelf met de eer is gaan strijken. In de nacht van 25 november 2016 heeft Fidel Castro alsnog het tijdelijke voor het eeuwige verwisselend. De doodsoorzaak is nooit bekendgemaakt. Het kan dus ook niet volledig worden uitgesloten dat – laten we zeggen – aanslag 639 tóch succesvol is geweest.

Ultras: Pasion Y Muerte

HBO Max

Op 13 januari 1991 bereikt de alsmaar verder ontsporende rivaliteit tussen Boixos Nois, de harde kern van FC Barcelona, en de beruchte Brigadas Blanquiazules van stadgenoot Espanyol een nieuw dieptepunt: de Espanyol-supporter Frederic Rouquier gaat de boeken in als het eerste dodelijke slachtoffer in de geschiedenis van georganiseerd supportersgeweld in Spanje. Het gaat vermoedelijk om een wraakactie: een maand eerder is Boixos Nois-lid Sergi Segarra ernstig gewond geraakt.

Rouquier heeft een karakteristiek profiel, met extreemrechtse antecedenten. Hij is afkomstig uit Frankrijk, heeft een verleden in het Front National en werkt sinds enige tijd in een Spaanse winkel waar skinheadkleding wordt verkocht. Daarmee past hij prima in een subcultuur, die in 1982 is ontstaan nadat Britse hooligans het WK in Spanje bezochten en die in Spanje regelmatig wordt gelinkt aan neonazi’s en fascisten. Rouquiers dood staat centraal in de eerste aflevering van de driedelige serie Ultras: Pasion Y Muerte (internationale titel: Ultras: Passion And Death, 133 min.).

Daarna zoomt regisseur Pedro García Campos in op een volgend ijkpunt binnen de Spaanse hooliganscene waarin relschoppende kaalkoppen in bomberjacks en legerkistjes de dienst uitmaken. Afwisselend steken zij hun middelvinger op, maken de Hitlergroet of gaan op de vuist (en erger). Bij een wedstrijd tussen Atletico Madrid en Real Sociedad wordt op 9 december 1998 Aitor Zabaleta, een 28-jarige fan uit San Sebastián, doodgestoken door een lid van Frente Atletico. De fatale steekpartij dreigt de spanningen tussen Baskenland en de rest van Spanje te verergeren.

In de laatste aflevering van deze grimmige, door geanonimiseerde ultra’s bevolkte en met reconstructies aangeklede miniserie belicht Campos een massale vechtpartij in 2014, tussen Frente Atletico en de radicale supportersgroep Riazor Blues van Deportivo La Coruna. Die kost de Galicische fan ‘Jimmy’ leven kost. Als hij aan de rand van een brug hangt, wordt ie met flessen op zijn hoofd geslagen. Jimmy valt bewusteloos in een rivier. En Jan en alleman kan via talloze filmpjes van het geweld meegenieten. Zijn dood geldt als de eerste Spaanse ‘voetbalmisdaad in het digitale tijdperk’.

Met zijn focus op het hooliganisme, waarbij oudgediende José Luis Ochaita van Real Madrids omstreden Ultra Sur nog de rol van spijtoptant op zich neemt, wordt Ultras: Pasion Y Muerte bijna het tegendeel van de documentaire Ultras (2026), waarin Ragnhild Ekner juist voorbij het geweld kijkt en de rol van supportersgroepen als sociaal netwerk benadrukt. Campos komt bovendien tot de conclusie dat het einde nog lang niet in zicht is. De ongeregeldheden verplaatsen zich naar kleinere clubs en naar buiten het stadion. Rivaliserende clans spreken nu ook rustig in de bossen af.

I Was A Teenage Sex Pistol

Pink Moon / vanaf donderdag 2 juli in de bioscoop

Hij schittert nu eens door afwezigheid: John Lydon. Ofwel: Johnny Rotten, het boegbeeld van The Sex Pistols. De man die de geschiedenis van de legendarische Britse punkband heeft bepaald en geschreven. En daarbinnen was wel héél véél ruimte voor ‘bassist’ Sid Vicious, de wildeman die in 1979 op 21-jarige leeftijd overleed aan een overdosis heroïne – en verdacht weinig voor zijn voorganger, de man die de basgitaar daadwerkelijk bespeelde: Glen Matlock.

Hij krijgt nu alle gelegenheid om zijn eigen versie van dat stukje pophistorie te delen in de documentaire I Was A Teenage Sex Pistol (96 min.) van Andre Relis en Nick Mead, die is gebaseerd op Matlock gelijknamige autobiografie (2012). Hij wordt daarbij in de rug gedekt door zijn voormalige Pistol-maatjes, gitarist Steve Jones en drummer Paul Cook. Samen schetsen zij de opkomst van hun band, waarvan hij als bassist en songschrijver een integraal onderdeel was.

Niet zonder trots demonstreert Glen Matlock hoe zijn baslijnen het fundament hebben gevormd voor de Pistols-klassiekers Anarchy In The UK, Pretty Vacant en God Save The Queen. Tegen de tijd dat die werden opgenomen voor het klassieke debuutalbum Never Mind The Bollocks (1977), was hij echter al de laan uitgestuurd. Volgens de officiële persverklaring van manager Malcolm McLaren, altijd op zoek naar nieuwe relletjes, omdat hij stiekem van The Beatles hield.

In werkelijkheid botste Matlock gedurig met Rotten en moest ie dus het veld ruimen. Hij zou echter nooit een punkvariant worden op de vergeten Beatle Pete Best of de man die nooit echt een Stone mocht zijn, Ian Stewart. Want het lukte de bassist in de navolgende decennia met Rich Kids, Iggy Pop, Johnny Thunders, The Faces en Blondie om een bestendige muzikale carrière op te bouwen. Hij zou zelfs nog op het podium belanden met zijn illustere opvolger, Sid Vicious.

Met dat vermakelijke relaas, opgetekend met fraai archiefmateriaal en aangekleed met quotes van Billy Idol en leden van verwante bands zoals The MC5, Blondie, The Damned, Sigue Sigue Sputnik, Dead Boys, The Vandals, Spandau Ballet en The Stray Cats, zetten Relis en Mead de schijnwerper nu eens vol op de grote onbekende Sex Pistol.

Taxi To The Dark Side

THINKfilm

Hij is maar een gewone taxichauffeur. Toch behoort Dilawar blijkbaar tot ‘the worst of the worst’. Hij wordt op 1 december 2002 in elk geval door een Afghaanse krijgsheer overgedragen aan het Amerikaanse leger. Dilawar zou betrokken zijn geweest bij de voorbereidingen voor een raketaanval. Op 5 december leveren de militairen hem af bij de Bagram-gevangenis, een voormalige Sovjet-basis die wordt gebruikt door de Verenigde Staten. Binnen enkele dagen is hij dood.

Het overlijden van de Afghaanse taxichauffeur is door de patholoog van dienst officieel gekwalificeerd als ‘moord’, ontdekt de vanuit Kaboel opererende New York Times-journalist Carlotta Gall. Zij informeert Dilawars familie dat hij bovendien ernstig is mishandeld. De Amerikaanse bewaarders bleven hem net zo lang slaan en schoppen, totdat ze hoorden dat hij luidkeels om Allah riep. Als Dilawar alle ontberingen zou hebben overleefd, hadden zijn benen sowieso geamputeerd moeten worden. De zaak is in de welbekende doofpot gestopt.

In de gevangenissen die de Verenigde Staten, in het kader van hun militaire reactie op de terroristische aanslagen van 11 september 2001, hebben geopend in Afghanistan en Irak, zijn zeker honderd dodelijke slachtoffers gevallen, betoogt Alex Gibney in Taxi To The Dark Side (106 min.), de messcherpe documentaire waarvoor hij in 2007 een Oscar won. Dilawars dood is het logische gevolg van de keuze van de Amerikaanse president George W. Bush om het spel niet langer volgens de regels te spelen en de Conventies van Genève terzijde te schuiven.

De gewone soldaten, die van martelpraktijken worden beschuldigd, die zijn weggezet als ‘rotte appels’ en die hem nu te woord staan, zijn dus niet Gibneys voornaamste mikpunt in deze uitstekend gedocumenteerde film. Hij richt zich op de beslissers. Zij zijn moreel verantwoordelijk. Óók voor de ernstige misstanden in de Abu Ghraib-gevangenis in Irak en op Guantanamo Bay, de Amerikaanse gevangenis op Cuba waar kopstukken van Osama bin Ladens terreurorganisatie Al-Qaeda en andere PUCs (Persons under US Custody) worden vastgehouden.

Zij worden daar overvallen met kiezelharde muziek, bedreigd door agressieve honden, in stressposities geplaatst, gedwongen om zich uit te kleden, ongezond lang van hun slaap beroofd, seksueel vernederd… Vanuit de gedachte dat ze beschikken over wezenlijke informatie, waarmee de Amerikanen hun ‘war on terror’ kunnen winnen. Terwijl elke deskundige hen kan vertellen – en de gelegenheid in deze docu ook te baat neemt – dat gemartelde mensen vertellen wat ze denken dat de ander wil horen. De aldus verkregen informatie is volstrekt onbetrouwbaar.

Die dringt nochtans vrijwel ongefilterd door tot de hoogste regionen van de Amerikaanse overheid en beïnvloedt de beslissingen over leven en dood die daar worden genomen. Met oorlogsmisdaden, maakt Alex Gibney zonneklaar in dit pijnlijke schotschrift tegen marteling, als onvermijdelijk gevolg.

Bring Me The Beauties: A Model Cult

HBO Max

‘We hebben allemaal een gelofte afgelegd voor een leven in dienstbaarheid’, hoort Hoyt Richards zichzelf zeggen als hij de audiocassette aanzet. ‘Maar blijkbaar had John Andreadis andere plannen, die onlangs aan het licht zijn gekomen. Het nastreven van een egoïstisch doel zou het grootste verraad zijn.’ En daaraan heeft Andreadis zich schuldig gemaakt. Hij is halverwege de jaren tachtig verliefd geworden op het fotomodel Jacki Adams, een nieuw lid van de Eternal Values-gemeenschap. Terwijl hij door leider Frederick van Mierers hoogstpersoonlijk klaargestoomd wordt om ‘de incarnatie van God’ te worden. ‘Het betekent dat hij niet van mij houdt’, zou Von Mierers wraaklustig hebben gezegd. ‘Want hij koos voor Jacki.’

En dat is in de ogen van de zelfverklaarde ‘spiritueel astroloog’ een onvergeeflijke zonde. Von Mierers, een voormalig model dat afkomstig lijkt te zijn uit de New Yorkse high society, geldt als een New Age-superster – niet in het minst omdat hij een ‘walk-in’ is, een alien van de ster Arcturus die zich heeft genesteld in een menselijk lichaam en dus hoog verheven is boven gewone stervelingen. Hij heeft louter mooie mensen, zoals het mannelijke topmodel Hoyt, om zich heen verzameld en begint, ondersteund door zijn uitverkorenen, de twee geliefden te verstoten. Totdat hen het leven echt onmogelijk is gemaakt en Jacki besluit om de klok te gaan luiden over ‘de modellensekte’. Waar het einde der tijden – natuurlijk, zouden we bijna zeggen – al is aangekondigd.

En laat het maar aan Chris Smith, de filmmaker achter smeuïge producties zoals Jim & Andy: The Great Beyond, Fyre: The Greatest Party That Never Happened en Don’t Die: The Man Who Wants To Live Forever, over om daar een volvette productie van te maken: de driedelige serie Bring Me The Beauties: A Model Cult (173 min.). Hij hangt zijn vertelling op aan het relaas van Hoyt Richards (echte naam: John Hoyt), een man die er tijdens zijn lidmaatschap van The Eternal Values nog gewoon een succesvolle modelcarrière op nahoudt en die tegelijk elk contact met zijn familie heeft verbroken. Zij zien hem overal, behalve in het echt. Andere oud-leden ondersteunen zijn herinneringen aan de sekte en hun enigmatische leider, Frederick von Mierers.

Als die van het toneel verdwijnt, lijkt deze miniserie even zijn schwung kwijt te raken. Smith pakt de draad echter weer op waar ook Hoyt en zijn andere hoofdpersonen dat doen: bij de vraag wie ze nu zijn en wat ze samen waren.  Een sekte misschien? Want hoewel hun leider zich daar altijd ferm tegen uitsprak, realiseren ze zich nu dat hij wel degelijk gebruik maakte van de daarvan bekende verleidings- en controlemechanismen. Bring Me The Beauties mondt daardoor niet, zoals veel docu’s over sekarische bewegingen, uit in een aanklacht, maar in zelfreflectie en herbronning. ‘Ik heb geleerd dat de remedie voor schaamte kwetsbaarheid is’, stelt Hoyt. ‘En de manier waarop je je kwetsbaarheid toont, is door het vertellen van je verhaal, door het te ownen.’

Big Girls Wanted: Escaping Pearadise

HBO Max

Welkom bij Pearadise in Las Vegas, ‘a place of acceptance and love’ voor plus size-vrouwen. Het huis wordt gerund door ‘just a normal guy’, de van origine Duitse oprichter Stefan Wilhelmy. Hij is ooit helemaal binnengelopen met een ingenieuze uitvinding en heeft nu een ‘safe space’ gecreëerd voor de vrouwen, waarnaar zijn eigen hart uitgaat. Stefan zorgt er meteen ook voor dat alle activiteiten worden gefilmd voor social media of live worden gestreamd. Van kokkerellen en eten in de keuken tot dollen in bikini in het binnenhuiszwembad.

De Amerikaanse fotojournaliste Emily Kask laat zich ook verleiden om eens naar Pearadise te komen. Wellicht houdt ze er nog een goed verhaal aan over voor The New York Times. Regisseur Tara Malone heeft er in elk geval ‘een goed verhaal’ aan overgehouden voor Big Girls Wanted: Escaping Pearadise (132 min.). Want natuurlijk gaat er in Pearadise nog veel meer om dan alleen het vieren van ‘body positivity’. Deze driedelige docuserie toont dat er een hele wereld schuilgaat achter Wilhelmy’s specifieke beeld van vrouwelijke schoonheid.

Restaurants zoals Heart Attack Grill bijvoorbeeld, dat gegarandeerd ongezonde maaltijden serveert. Als de weegschaal aangeeft dat je meer dan 159 kilo weegt, kun je er bovendien gratis eten. Of ‘feederism’, een seksuele voorkeur voor mensen met overgewicht of obesitas. En die goeïge Stefan lijkt een ‘feeder’ van het zuiverste water, die erop kickt om anderen te zien eten en aankomen. Maar betekent dit ook meteen dat hij zich schuldig maakt aan seksueel misbruik? Op de sociale media beginnen zulke beschuldigingen wél rond te zingen.

In deze miniserie doen enkele vrouwen, waaronder Kimmi Haueter (die zich online Piggy Stardust noemt), hun verhaal. Stefan zou stelselmatig over hun grenzen gaan. De man zelf en enkele getrouwen geven hen weerwoord. Voor een buitenstaander blijft het intussen lastig om te bepalen wat er precies is gebeurd. Feit is dat vanaf het begin duidelijk was – door alle video’s vanuit Pearadise – dat Wilhelmy hun uiterlijk erotiseerde en wilde exploiteren, maar daaraan kan hij (of een ander) natuurlijk nooit het recht ontlenen om over hun persoonlijke grenzen te gaan.

Big Girls Wanted krijgt intussen iets zéér ongemakkelijks: deze weerslag van een vuile oorlog, die zowel online als in het echte leven zonder enige gêne wordt uitgevochten, oogt al net zo trashy en voyeuristisch als de hoofdrolspeler zelf, zijn medestanders en hun opponenten. Samen belichamen zij een subcultuur waarin lichamelijke en psychische kwetsbaarheid, fetishes en ongezonde verdienmodellen op een gevaarlijke manier samenkomen.

Lenny Bruce: Swear To Tell The Truth

Whyaduck Productions

Zijn scheiding van Hot Honey Harlow maakte Lenny Bruce van Lenny Bruce, stelt zijn moeder Sally. Van tevoren zocht de Amerikaanse stand-upcomedian (1925-1966) ook al de grenzen van het betamelijke op, zowel op het podium als in zijn privéleven, maar daarna was de beer pas écht los.

Honey Bruce, hun dochter Kitty en Lenny’s moeder Sally Marr schetsen in Lenny Bruce: Swear To Tell The Truth (97 min.) een levendig beeld van de branieschopper uit New York. Hij maakte van zijn hart nooit een moordkuil, maar moest zijn mond vervolgens wel talloze malen spoelen. Als een aanstootgevend woord maar vaak genoeg wordt gebruikt, zo leek echter Bruces stellige overtuiging, wordt het onschadelijk gemaakt.

Hij verdient ‘De Bad Taste Award’ schreef een krant toen Lenny Bruce in de jaren vijftig een vaste gast werd op de Amerikaanse televisie. Toen moesten zijn problemen met de wet nog beginnen. Regisseur Robert B. Weide toont in dit postume portret uit 1998 hoe de controversiële comedian zichzelf langzaam in een hoek van de kamer schilderde en daarbij een fiks handje werd geholpen door de Amerikaanse autoriteiten.

Zij begonnen Bruce te vervolgen voor obsceen gedrag en -taalgebruik tijdens optredens en arresteerden hem ook vanwege het bezit van drugs. Al snel durfden clubeigenaren hun vingers niet meer te branden aan de komiek en dreigde zijn carrière uit te doven. Intussen ging de man, die de lusten van het leven nauwelijks kon weerstaan en ervan overtuigd was dat hij geen eerlijk proces had gekregen, naar de gallemiezen.

Hij liet een half afgemaakte zin achter op zijn typemachine, aldus verteller Robert de Niro in deze boeiende film, die met een jazzy soundtrack lekker op temperatuur is gebracht: ‘Conspiracy to interfere with the Fourth Amendment const…’ Het woord ‘constitutes’ zou hij nooit afmaken. Lenny Bruce ging ten onder aan datgene waarvoor hij had gestreden, het vrije woord, in combinatie met het gebruik van harddrugs.

Na hem zou er nooit meer een optredende artiest voor de rechter worden gedaagd vanwege obsceniteiten, constateert Weide tot besluit, alvorens hij voor de aftiteling de kraker I Fought The Law van de befaamde punkband The Clash instart. De boodschap daarvan, vervat in een zin van slechts vier woorden, is onontkoombaar: ‘And the law won.’