Diva Fong Leng

Deborah Faraone Mennella / AVROTROS

‘Kijk, jij wilt een film van mij maken: niet omdat ik een saaie vrouw ben, neem ik aan’, zegt modeontwerpster Fong Leng, nadat ze net in de openingsscène allerlei intrigerende oefeningen heeft gedaan op een matje in de woonkamer, tegen filmmaakster Deborah Faraone Mennella ‘Dus wilde ik daar ook iets bijzonders van maken.’ ‘Ja, dat begrijp ik’, antwoordt Faraone Mennella. ‘Maar jij bent al bijzonder genoeg, van jezelf.’

Zo delibreren ze nog even verder, maker en subject van het portret Diva Fong Leng (52 min.), over hoe die film zou moeten worden. ‘Glamorous’ en ‘mysterieus’ volgens Fong Leng. ‘That’s me. Dus dat moet het ook worden.’ Het is duidelijk: ook de hoofdpersoon van deze documentaire heeft goed nagedacht over wat ze met deze film wil zeggen. En dan verkiest ze het sprookje boven het veel te saaie gewone leven, zo zal ook in het vervolg blijken.

Faraone Mennella geeft haar ook de mogelijkheid om delen van de film, samen met partner Gerti Bierenbroodspot, terug te bekijken. Dat zorgt voor een opmerkelijk Droste-effect. Zo vertelt Fong Leng bijvoorbeeld over haar jong overleden moeder. ‘Ik heb mezelf eigenlijk opgevoed’, zegt ze op het scherm. ‘Ik vind dat ik het nog niet zo slecht gedaan heb.’ Waarna Bierenbroodspot haar in ‘real life’ een goedkeurend kneepje in de nek geeft en zegt: ‘Je bent altijd heel knap in je emoties gelijk wegdrukken en iets leuks zeggen, hè schat?’

Diva Fong Leng wordt zo meer dan een rechttoe rechtaan terugblik op een leven ‘ontwerpen zonder enige remming’, waarvan de hoogtijdagen met fraai beeldmateriaal van modeshows uit met name de jaren zeventig worden gereproduceerd op een groot scherm (voor een aandachtige Fong Leng in gemakkelijke stoel). Deze film gaat tevens over wie eigenlijk bepaalt hoe zo’n portret eruit komt te zien en waar identiteit ophoudt en imago begint.

Everybody’s Everything

Netflix

‘Lieve kleinzoon, mijn profeet, mijn getatoeëerde poëet, de lieverd’, schrijft Jack ‘Pack Ack’ Womack aan zijn kleinzoon Gustav Elijah Åhr, alias rapper Lil Peep. ‘De wonden die je vader je gaf, genas God niet, maar hij sloot ze, mogelijk als littekens, zodat je de kracht kreeg tegen hem op te komen voor jezelf. Om als een jongen je onafhankelijkheid te verklaren en om te zorgen dat je jezelf kon worden.’ De brieven van opa aan ‘Gus’ fungeren als structurerend element voor deze hartroerende film over het Amerikaanse megatalent, dat op 15 november 2017, twee weken na zijn 21e verjaardag, bezweek aan een overdosis.

Everybody’s Everything (115 min.) is een gelaagd portret van Lil Peep, met een uitgebreide sprekerslijst: van zijn moeder, grootouders en (ex-)vriendinnen tot samenwerkingspartners, collega’s en deskundigen. Iedereen, behalve zijn vader. Gezamenlijk proberen ze de vinger te leggen op het woelige bestaan van die expressieve jongen met de opvallende (gezichts)tatoeages (waaronder een net iets te groot uitgevallen ‘crybaby’ boven zijn rechteroog), die volgens zijn oma vooral waren bedoeld om een outsider van hem te maken. Uit een vreemd soort zelfbescherming. Om te voorkomen dat hij ooit voor een reguliere baan in aanmerking zou komen. Tegelijkertijd hield hij er ook nog opmerkelijke doelen op na als ‘het kapitalisme uit de muziekbusiness halen’.

Deze meeslepende film van Sebastian Jones en Ramez Silyan put uit een kortstondig, maar met kinderfilmpjes, backstage-video’s en vlogs uitbundig gedocumenteerd leven en is daarmee in zekere zin een logisch vervolg op de dramatische biopics van jeugdhelden van eerdere generaties, zoals Kurt Cobain, Amy Winehouse en Avicii: jonge, buitengewoon getalenteerde en zeer getroebleerde mensen die de uitersten van het bestaan blijven opzoeken en zichzelf zo onherroepelijk naar de gallemiezen helpen. Lil Peep lijkt iemand die zichzelf niet wilde zijn. Die zichzelf niet kón zijn. En die dus, en plein publique, helemaal kapot ging. Via zelfverdoving en zelfverminking naar – te langen leste – zelfdestructie.

Je zou tegen deze documentaire kunnen inbrengen dat de persoon Gus Åhr een beetje wordt geïdealiseerd en dat de film een erg lange aanloop neemt naar het drama dat zich uiteindelijk ontvouwt, maar die opzet zorgt er wel voor dat je echt iets krijgt met de jongen achter Lil Peep, zijn openhartige ‘emo-hiphop‘ en de bijbehorende subcultuur, gepersonifieerd door de onvermijdelijke entourage van (pseudo-)vrienden, uitzuigers én klaplopers. Jones en Silyan krijgen er weliswaar niet helemaal de vinger achter wat Gus precies dwarszat en de kop heeft gekost, maar blijven tegelijkertijd ook behoorlijk uit de buurt van de speculaties die openbare, turbulente en vroegtijdig in de knop gebroken levens zoals dat van Lil Peep nu eenmaal altijd omgeven.

Everybody’s Everything, over een jongen die in slechts 21 jaar meer pieken en dalen kende dan een gemiddelde honderdjarige en die daarna met donderend geraas definitief tot stilstand kwam, stemt niet per definitie vrolijk. ‘Ik denk dat het alleen zal helen op een manier dat de pijn nooit zal weggaan’, zegt opa tot besluit. De oorspronkelijke schok zwakt volgens hem af, maar ineens kan iets kleins ervoor zorgen dat hij kleine Gus weer springlevend voor zich ziet. Pack Ack zucht hardop en neemt een ogenblik adempauze. ‘Het grijpt je aan.’ En daarmee vat hij ook deze prachtfilm treffend samen.

Puck & Hans: Made In Holland

AVROTROS

Een oproep op Facebook was nodig om een representatieve collectie samen te kunnen stellen voor hun overzichtstentoonstelling in het Amsterdam Museum. Zelf hadden Puck & Hans namelijk nauwelijks iets bewaard van hun werk. Zoals het rechtgeaarde modeontwerpers betaamt waren ze altijd gericht geweest op de toekomst, met nauwelijks oog voor het verleden.

Gelukkig waren er nog heel wat Nederlanders die ‘een echte Puck & Hans’ in de kast hadden hangen. Daphne Deckers bijvoorbeeld. Of de zussen Monique en Suzanne Klemann, blikvangers van de popgroep Loïs Lane. Zangeres Getty Kasper van Teach-Inn moet in Puck & Hans: Made in Holland (52 min.) dan weer bekennen dat ze echt niet weet waar de jurk is gebleven, waarmee ze in 1975 het Songfestival won.

Ruim dertig jaar hadden Hans Kemmink en Puck Kroon, volgens eigen zeggen ‘met een naald in haar handen geboren’, een eigen zaak aan het Rokin in Amsterdam. Samen met regisseur Peter Wingerder, die een radio-interview van het modeduo met Frénk van der Linden als structurerend element gebruikt, lopen ze in deze tv-docu op aanstekelijke wijze nog eens door hun kleurrijke loopbaan.

Very Ralph

Het schijnt een begrip te zijn: Very Ralph (108 min.). Als in: iets – een kledingstuk, tafereel of totaalplaatje – dat precies die geheel eigen blik op de wereld van Ralph weerspiegelt. Ralph is, natuurlijk, modeontwerper Ralph Lauren. Wie anders? De vleesgeworden Polo. Hij staat inmiddels aan de vooravond van zijn vijftigjarig jubileum.

Deze oerdegelijke film van Susan Lacy reconstrueert trouw het levensverhaal en de carrière van de Amerikaanse autodidact, die een centrale plek in de modewereld veroverde en het begrip ‘mode’ gaandeweg oprekte tot ‘lifestyle’. Behalve Ralph zelf en zijn familie komen daarbij ook mensen met wie hij werkte (zoals fotograaf Bruce Weber en model Naomi Campbell), collega’s als Calvin Klein, Donna Karan en Karl Lagerfeld en allerlei journalisten en deskundigen aan het woord.

Ook de onvermijdelijke celebrities – ditmaal vertegenwoordigd door onder anderen filmmaker Woody Allen, politicus Hillary Clinton, rapper Kanye West en actrice Jessica Chastain – laten zich niet onbetuigd. Er valt (natuurlijk) nauwelijks een onvertogen woord. Want Ralph zelf mag dan geen man ván superlatieven zijn, hij blijkt wel een man vóór superlatieven. Ralph verkoopt, natuurlijk, niets minder dan ‘the American dream’. Hij heeft een ‘zesde zintuig om te weten wat de wereld wil’. En waar voor menigeen geldt dat ‘life imitates art’, is dat onderscheid bij Ralph nauwelijks te maken.

Tis maar dat u het weet. Very Ralph wordt daarmee een traditioneel, erg Amerikaans portret van een letterlijk beeldbepalende ontwerper. Een nette, fraaie en complete, maar ook volstrekt ongevaarlijke biografie, die wel een rafelrandje had kunnen gebruiken. Very… eh, ja, komt u maar… Ralph.

Thunderdome Never Dies

Toen zij ‘de jeugd van tegenwoordig’ waren en nergens voor leken te willen deugen – behalve dan voor hersenloos hakken – hadden gabbers waarschijnlijk ook niet kunnen bevroeden dat ze ooit nog eens salonfähig zouden worden. Nadat hun muziek vorig jaar al een prominente plek kreeg in het drieluik 30 Jaar Dutch Dance, is er nu een groots opgezette film over het toonaangevende hardcorefeest Thunderdome.

De filmmakers Vera Holland en Ted Alkemade gebruiken het 25-jarige jubileum in 2017 als rode draad voor Thunderdome Never Dies (83 min.). Dat is tevens een prima gelegenheid om het ontstaan en de ontwikkeling van het Nederlandse feest te reconstrueren met de voornaamste spelers: de oprichters Irfan van Ewijk en Duncan Stutterheim, de deejays die de heftige dancevariant destijds op de kaart zetten en de huidige brand manager Francois Maas, een oudgediende die het Thunderdome-gevoel nog altijd perfect belichaamt.

De nadruk ligt op het pionierswerk van de jonge honden die hun eigen feesten gingen organiseren, niet zozeer op de muziek of de al zo vaak besproken excessen met drugs, geweld of nationalisme. Dit jongensboekverhaal van pure liefhebbers die zich (moeten) ontwikkelen tot ondernemers wordt natuurlijk ondersteund met een karrenvracht aan beelden van strakke, kale koppen in de onvermijdelijke aussies, die collectief helemaal uit hun plaat gaan op basale beukbeats.

Via het aanstekelijke relaas van hun voorhoede zet Thunderdome Never Dies zo de schijnwerper op misschien wel de enige unieke jeugdcultuur die Nederland ooit heeft voortgebracht – en waarbij menigeen, en dat is ook precies de bedoeling, nog altijd horen en zien vergaat.

McQueen

Alexander. Alexander McQueen. Niet: Lee. Lee McQueen. Eigenlijk zit alles daar al in. Lee, de wat dikkige jongen uit de Londense volkswijk Stratford, werd de gevierde modeontwerper Alexander. Een punker die de modewereld op zijn grondvesten deed schudden met macabere/intrigerende/smakeloze (*) shows als Jack The Ripper Stalks His Victims en Highland Rape. Zijn werk was persoonlijker dan menigeen toen vermoedde. Alexander probeerde simpelweg het bloeden van Lees hart te stelpen.

Bij televisie-interviews wilde diezelfde McQueen (de c is in het bijbehorende logo als een copyrightsymbool in de Q verstopt) intussen niet met zijn gezicht in beeld. Terwijl hij de modewereld vol in het kruis schopte had de modehooligan, getuige een treffende anekdote uit de barokke biopic McQueen (111 min.), vaak geen cent te makken. Hij leefde enige tijd zelfs van een uitkering. En die kon hij wel eens kwijtraken als ze erachter kwamen dat hij zich met zijn hele ziel en zaligheid op mode had gestort.

Alexander McQueen maakte stormachtig carrière. Op 26-jarige leeftijd werd hij hoofdontwerper bij het Franse modehuis Givenchy, zes jaar later volgde een overstap naar Gucci. ‘Hij was de koningin, met heel veel werkbijen die op zijn signalen reageerden’, zegt zijn neef daarover. ‘En iedereen voelde dat.’ Maar gelukkig werd hij er niet van. En ook met een liposuctie en overdadige hoeveelheden coke kreeg hij de razernij in zijn lijf niet beteugeld. Die zat te diep en zou hem naar zijn onvermijdelijke ondergang drijven. Op veertigjarige leeftijd, een zelfverkozen einde.

Het is een verhaal dat al duizenden malen eerder is verteld – het getroebleerde talent dat zichzelf willens en wetens naar de verdommenis helpt – maar niet heel vaak beter of meeslepender. De filmmakers Ian Bonhôte en Peter Ettedgui zetten Alexanders levenswerk vol in het licht en versnijden dat met archiefmateriaal en interviews met de man zelf en intieme gesprekken met de mensen die ertoe deden in zijn turbulente bestaan.

De vlekkeloze vertelling, een soort modevariant op Amy, is vervolgens aangekleed met de heerlijk overdadige muziek van Lees favoriete filmcomponist Michael Nyman. Het is een film die je na bijna twee uur leeg en toch volledig verzadigd achterlaat.

(*) doorhalen wat niet van toepassing is

Westwood: Punk, Icon, Activist

Ah nee, moet ik echt over Amerika vertellen? The Sex Pistols? Niet weer! Dat kun je toch wel uit de archieven halen? Ex-echtgenoot Malcolm McLaren? Daarvan raakte ik ‘intellectueel verveeld’. Met zichtbare tegenzin laat Vivienne Westwood zich door regisseur Lorna Tucker door haar eigen leven en werk leiden. Voor de Britse modeontwerpster, inmiddels dik in de zeventig, blijft het adagium ‘the best is yet to come’. Steeds weer.

Westwood: Punk, Icon, Activist (80 min.) is een snedig portret van een vrouw met allerlei weerhaakjes. Gepassioneerd, eigenzinnig en compromisloos. Kritisch op anderen én zichzelf. Als ze kort voor de officiële presentatie ervan haar nieuwe collectie inspecteert, maakt ze van haar hart bepaald geen moordkuil. ‘Nee, dat vind ik dus helemaal niet mooi’, zegt ze bits tegen een model. ‘Doe maar uit.’ Even later: ‘Het is rotzooi. Ik vind het helemaal niks. Ik weet eigenlijk niet of ik iets van deze troep wil laten zien.’

Deze film kijkt mee terwijl Westwood samen met haar veel jongere geliefde Andreas Kronthaler, met wie ze een symbiotische (werk)relatie onderhoudt, toewerkt naar de presentatie van haar nieuwe collectie. Intussen vertelt ze, afwisselend gedreven en snibbig, over haar inmiddels zo’n vijftig jaar omspannende loopbaan, die haar vanuit de rafelranden naar het epicentrum van de modewereld heeft gebracht. En daar blijft ze zich, geheel indachtig haar punkroots, als een overjarige rebel gedragen.

My Generation

Ze zetten zich af tegen het land van hun ouders, waarin je klasse bepaalde wie je was en wie je zou kunnen zijn. Met liefde en plezier droegen ze het grote Britse rijk van weleer ten grave om een nieuw land te stichten. Rule, Britannia! werd zogezegd vervangen door My Generation (86 min.). En midden in die Britse vloedgolf bevond zich acteur Michael Caine. Of beter: Maurice Micklewhite, de zoon van een visboer en een poetsvrouw.

In de bedompte jaren na de tweede wereldoorlog vond hij zichzelf opnieuw uit. De aankomende filmster had een artiestennaam nodig, vertelt hij geroutineerd in deze aan hem opgehangen film over de roarin’ sixties. Bij een bioscoop zag de acteur volgens eigen zeggen een poster van zijn favoriete acteur Humphrey Bogart, The Caine Mutiny. ‘Als ik naar de volgende bioscoop was gelopen, had ik nu dus Michael 101 Dalmatiërs geheten.’

Als verteller laveert Caine in deze gelikte film soepeltjes tussen zijn eigen persoonlijke lotgevallen en het grotere verhaal van de opkomst en ondergang van Swinging Londen. Hij gaat bovendien in gesprek met generatiegenoten als Beatle Paul McCartney, model Twiggy, fotograaf David Bailey, Who-zanger Roger Daltrey, modeontwerper Mary Quant en zangeres Marianne Faithfull. Stuk voor stuk nieuwe helden van weleer, met een Cockney-achtergrond.

Die (off screen) gesprekken worden door regisseur David Batty geserveerd met een levendige cocktail van film, reclame, comedy, politiek en natuurlijk muziek uit de tijd dat Londen het epicentrum van de wereld was – of op zijn minst dacht te zijn. Alle ijkpunten van de veel bewierookte jaren zestig komen weer voorbij: de minirok, het gebruik van de pil en de onvermijdelijke confrontaties met het establishment. Dat gaat – onvermijdelijk – gepaard met het romantiseren van de eigen jeugd, waarmee de babyboomers volgende generaties meteen alle gelegenheid gaven en geven om daar weer tegen te rebelleren.

Mother’s Balls

Mothers-Balls-01-e1509367497113-1024x440

 

Vergeef me, maar bij ‘ballroom’ had ik associaties met straf gecoiffeerde jongens en meiden met een tandpastaglimlach en elastieken benen, die uitbundig door een balzaal zwierden op Klaus Wunderlich-achtige muziek waarop je alleen je ergste vijand zou vergasten (en persoonlijker: met dansles, het geklungel van een onhandige puber met meisjes en pasjes).

Niets van dat al! De zogenaamde Balls van het eerste Nederlandse Ballroomhuis House Of Vineyard in Amsterdam bevinden zich aan het andere eind van het dansspectrum en zijn eerder kinky en underground dan belegen. Mother’s Balls (48 min) van Catherine van Campen brengt de ontluikende subcultuur van binnenuit in beeld. Ze focust zich op de van oorsprong Amerikaanse organisator, performer en ‘drag mother’ Ambiance Vineyard.

Zij verschaft deze joyeuze spuit in de geprononceerde bilpartij van het LGBT-gerelateerde fenomeen Ballroom – hap naar adem – tevens context en diepte. Over hoe de burleske scene ontstond in de zwarte en latino-gemeenschap van New York, die met homoseksuelen en transgenders zijn eigen outcasts had, en hoe die scene vervolgens werd gepopulariseerd door Madonna op haar album Vogue en de bijbehorende wereldtournee.

‘Het is een manier om aan de samenleving en de werkelijkheid te ontsnappen’, stelt Ambiance. ‘Je kunt jezelf omtoveren tot wat je maar wilt.’ Zij is zelf de verpersoonlijking van dat uitgangspunt; ooit was de femme fatale een wat dikkig Mexicaans meisje dat zich spiegelde aan de stripvamp Jessica Rabbit uit de filmklassieker Who Framed Roger Rabbit? en haar eigen positie zocht, ergens tussen vrouw zijn en man zijn. Als Van Campen doorvraagt, blijkt ze er nog steeds mee te worstelen.

Aan zulk ongemak ontleent de Ballroom-scene, en daarmee ook deze documentaire, zijn bestaansrecht. Tegelijkertijd offreert Mother’s Balls ook meer dan genoeg zwier en schwung om er een vitale en ravissante party van te maken, waarbij letterlijk iedereen welkom is.

The First Monday In May

 

Elke designer brengt zijn eigen muze mee. Een medewerkster van het Met-gala begint aan een opsomming van de iconen die straks over de rode loper zullen paraderen: ‘Prada heeft Emily Blunt. Ralph Anne Hathaway. Versace heeft J.Lo. Beyoncé, Kim en Kanye, Rihanna, Cara, Amber Heard, Chastain, Julianne Moore, al die mensen zijn van ons, geloof ik.’ En daarmee heeft ze slechts een begin gemaakt met de schier eindeloze lijst celebrities die zich melden voor deze Superbowl van de modewereld. En dan moet er ook nog een tafelschikking worden gemaakt.

‘China: Through The Looking Glass’, zo heet de tentoonstelling waarmee het New Yorkse Metropolitan Museum Of Art opnieuw het snijvlak tussen mode en kunst opzoekt. De Britse curator Andrew Bolton stelt hem samen en de onvermijdelijke Anna Wintour, de daadkrachtige hoofdredactrice van Vogue, houdt zich hoogstpersoonlijk bezig met de organisatie. Regisseur Andrew Rossi, die eerder een film maakte over The New York Times, volgt het tweetal tijdens de maandenlange voorbereidingen op The First Monday In May (90 min.) van 2015.

Daarbij ligt de nadruk op de keuze van de kunstwerken en de context waarbinnen die worden getoond. Hoe voorkom je bijvoorbeeld dat het beeld dat je creëert van China een hoog Disney- of Efteling-gehalte krijgt? Hoeveel draken en Ming-vazen kun je dan laten zien? En wie strijk je tegen de borst als je Mao te midden van Boeddha-beelden laat zien? Bolton en Wintour laveren in deze archetypische backstage-film voortdurend tussen twee culturen en ontkomen er niet aan om zo nu en dan politiek te bedrijven. Het sprankelende eindresultaat, waaraan door een strak aangestuurd team keihard is gewerkt, wordt uiteindelijk met veel grandeur ten overstaan van half Hollywood gepresenteerd.