Beautiful Something Left Behind

Peter / Good Company Pictures

‘Wat betekent het als iemand dood is?’ vraagt één van de begeleiders van Good Grief aan een groepje kinderen. ‘Je ziet ze nooit meer terug’, antwoordt Peter. Het zesjarige jongetje is zowel zijn moeder als zijn vader kwijtgeraakt. ‘En nu zit ik vast bij oom C.J.’ Even later laten Peter en zijn oom twee ballonnen de lucht invliegen. ‘Forever in our hearts’, staat erop.

In Beautiful Something Left Behind (88 min.) volgt de Deense filmmaakster Katrine Philp gedurende een jaar hoe enkele Amerikaanse kinderen die een ouder hebben verloren vat proberen te krijgen op het concept dood. Tijdens wekelijkse bijeenkomsten in het hulpcentrum te Morristown, New Jersey kunnen ze hun verdriet laten zien, praten over gevoelens en alle emoties uitdrukken in spel, bijvoorbeeld door met een speelgoedautootje een ongeluk na te spelen, lekker boos te worden in de vulkaanruimte of een begraafplaats in te richten met Playmobil-poppetjes.

Philp maakt zich daarbij klein en blijft volledig op de achtergrond. Ze laat de gebeurtenissen voor zichzelf spreken en voegt hier en daar alleen wat muziek toe, die gelukkig nooit opdringerig wordt. Ze portretteert de kinderen daarnaast (in hun nieuwe) thuis, vangt hun rituelen om uiting te geven aan hun rouw en geeft hen de ruimte om te vertellen over de dierbaren die ze moeten missen. De één haalt er duidelijk bevrediging uit om dat onder woorden te brengen, een ander houdt z’n gevoelens het liefst bij zich en communiceert zijn verdriet of verwarring vooral non-verbaal.

In die zin beleven de kinderen een overlijden in hun directe omgeving niet anders dan volwassenen. En ze begrijpen er evenveel – of even weinig – van als ieder ander. De veerkracht van de jongens en meisjes om hun leven weer op te pakken – en de manier waarop ze daarbij worden geholpen door bijzonder empathische procesbegeleiders en familieleden – is bewonderenswaardig én aangrijpend. Bij vertrek laten de kinderen in Good Grief een soort herinneringsmuur achter, met daarop familiefoto’s van het gezin dat ze ooit vormden. In betere tijden, die de toekomst echter niet in de weg hoeven te staan. 

Zo’n zorgvuldig rouwproces gun je elk kind – al gun je natuurlijk geen kind het overlijden van een ouder. Ook de kleine Peter stapt uiteindelijk bijna ongemerkt de rest van zijn leven binnen. In een ‘Uncles Are The Best’ T-shirt.

Last Man Standing: Suge Knight And The Murders Of Biggie & Tupac

Vanuit de Oostkust opereerden Puff Daddy en The Notorious B.I.G. (alias Biggie Smalls) van het New Yorkse platenlabel Bad Boy Records. De Westkust werd vertegenwoordigd door Snoop Dogg, Dr. Dre en Tupac Shakur van Death Rowe Records. De wedijver tussen de hiphoppers van de Amerikaanse Eastcoast en Westcoast zou halverwege de jaren negentig helemaal uit de hand lopen. Op 13 september 1996 werd Tupac neergeschoten. Dik een half jaar later, op 9 maart 1997, volgde zijn evenknie aan de andere kant, Biggie Smalls.

Nadat hij eerder al de dood van Nirvana-zanger Kurt Cobain had onderzocht in het trashy Kurt & Courtney (1998) ging Nick Broomfield in Biggie And Tupac (2002) op zoek naar de ware toedracht van de twee hiphop-moorden. Toen stuitte de Britse documentairemaker, die destijds meestal zelf het geluid deed voor zijn films en daarin dan ook prominent aanwezig was als ‘man met een missie’, nogal eens op gesloten deuren. Een kleine twintig jaar later is de bereidwilligheid bij direct betrokkenen om te praten over wat er destijds is gebeurd een stuk groter.

Dat heeft een heel praktische reden: sinds 2018 zit Marion ‘Suge’ Knight, de eigenaar van Death Rowe Records, vanwege moord in de gevangenis, waarschijnlijk voor de rest van zijn leven. Suge zou de kwade genius zijn geweest, die van zijn platenmaatschappij een bolwerk maakte van bendeleden, afkomstig van zowel The Bloods als hun grote vijand The Crips. Hij was er naar verluidt ook hoogstpersoonlijk verantwoordelijk voor dat de intelligente en welbespraakte jongeling Tupac veranderde in een onvervalste ‘street thug’. Intussen werd de rivaliteit met de rappers van de Eastcoast naar steeds gevaarlijker hoogte opgepookt.

Met allerlei insiders en fraai archiefmateriaal van achter de schermen vangt Nick Broomfield in Last Man Standing: Suge Knight And The Murders Of Biggie & Tupac (105 min.) het giftige klimaat binnen Death Row Records, dat tot allerlei excessen leidde en Tupac uiteindelijk de kop zou kosten. Vanuit de gevangenis zou Suge Knight, die in de documentaire American Knightmare / American Knightmare (2018) al zijn lezing van het verhaal heeft gegeven, vervolgens de opdracht hebben gegeven om Biggie te liquideren. En daarbij kunnen best eens politieagenten van de Los Angeles Police Department betrokken zijn geweest.

Het is inmiddels een klassiek verhaal geworden: over Tupac en Biggie, twee rappers die door hun dood voorgoed met elkaar zijn verbonden. Die tragedie wordt hier nog eens van extra details en context voorzien. Zonder dat dit tot wezenlijk nieuwe inzichten leidt.

Britney vs Spears

Netflix

Als het bij één beroemdheid logisch is dat documentairemakers met elkaar wedijveren om haar unieke verhaal te kunnen vertellen, dan is het bij de Amerikaanse zangeres Britney Spears. Tegelijkertijd is het bijzonder tragisch dat zij zelf, terwijl ze al enkele jaren met haar vader/curator Jamie in gevecht is om weer zeggenschap te krijgen over haar eigen leven, ook over dat verhaal weinig tot niets te zeggen heeft. Britney is van iedereen geworden. Van iedereen, behalve van zichzelf.

En dus is er na Framing Britney Spears, opvolger Controlling Britney Spears, The Battle For Britney, Toxic: Britney Spears’ Battle For Freedom en allerlei B-docu’s over dezelfde kwestie nu de ambitieuze Netflix-productie Britney vs Spears (94 min.). Documentairemaker Erin Lee Carr en Rolling Stone-journalist Jenny Eliscu, die de popster enkele keren interviewde, zijn er naar verluidt al tweeënhalf jaar geleden aan begonnen, ruim voordat de Britney-gekte van 2021 losbarstte.

Hun film verschijnt natuurlijk wel te midden van die commotie, als Spears bovendien serieuze pogingen onderneemt om af te komen van de ondertoezichtstelling waarmee ze al sinds 2008 heeft te kampen. De twee makers zijn ook niet helemaal neutraal aan hun project begonnen: Carr was als kind fan van Britney Spears en Eliscu heeft in het verleden meegewerkt aan een poging om de zangeres een verzoek te laten ondertekenen waarin ze om een nieuwe advocaat vroeg.

Het is duidelijk dat het tweetal serieuze twijfels heeft over waarom Britney Spears al jarenlang – een periode waarin ze gewoon albums maakt, blijft optreden en jurylid is in het tv-programma X Factor – onder curatele staat. Hun zoektocht naar bewijsmateriaal en documenten en de verzameling bronnen uit Spears’ directe omgeving die ze weten te verleiden om (desnoods anoniem) te getuigen maken nochtans een gedegen indruk en brengen opvallende kwesties aan het licht over de aanhoudende ondertoezichtstelling.

Britney vs Spears legt zich volledig toe op zulke onderzoeksjournalistiek en laat het verplichte carrière-overzicht, bespiegelingen over hoe de entertainmentindustrie z’n eigen sterren helemaal kan opvreten of een portret van de doldwaze #FreeBritney-beweging achterwege. Dit is de achterkant van het gevecht tussen Britney Spears en haar curatoren, waarvan haar eigen vader het gezicht is geworden. Die opponenten komen overigens niet aan het woord in deze krachtige film. Net als de zangeres zelf.

Natuurlijk, zou je bijna zeggen.

Echo – Theater In De TBS

Nederlands Film Festival

‘Ik denk dat stafleden in de kliniek in de regel wat meer echo’s zijn en de patiënten wat meer Narcissus zijn’, vertelt geestelijk verzorger en scriptschrijver Okke Wisse in Echo – Theater In De TBS (85 min.). ‘Dus het gevaar van het staflid is, is dat het alleen maar de echo is van de patiënt. En het gevaar van de patiënt is, is dat ie alleen maar de ander, het staflid, kan gebruiken voor zichzelf. Wat je eigenlijk zou hopen is dat op het toneel wat de kliniek is de Echo’s en Narcissussen gaan begrijpen dat ze vastzitten in zichzelf.’

En dan sluiten de betraliede deuren zich, aan het begin van deze intrigerende film van Ingrid Kamerling, voor de beslotenheid van de Van der Hoeven Kliniek in Utrecht. Daar werken geanonimiseerde patiënten in een intieme setting met behandelaars aan hun toekomst. Tegelijkertijd wordt er gerepeteerd voor een uitvoering van het klassieke verhaal van Narcissus, verliefd op zijn eigen spiegelbeeld, en de nimf Echo, die tevergeefs zijn aandacht probeert te trekken. De TBS-kliniek gaat overigens niet helemaal op slot, want ook wijkbewoners zijn van harte welkom om aan te sluiten bij de repetities voor de voorstelling.

Tijdens heel persoonlijke gesprekken met de verschillende hulpverleners, die veel dichter bij hun patiënten komen dan je als buitenstaander misschien zou verwachten, laat Kamerling de camera als spiegel fungeren. Letterlijk: in de cameralens is zij zelf als interviewer te zien, zodat haar gesprekspartners recht in de camera kunnen spreken. En figuurlijk: de camera als spiegel voor de werkelijkheid en ieders visie daarop. Aan de behandelaars legt de documentairemaakster, die tevens werkzaam is als psycholoog, bovendien de vraag voor wat zij eigenlijk komen halen en brengen in de kliniek – en of dat nog wel te dragen is.

Een jaar geleden bracht Ingrid Kamerling al de korte film Rusteloze Zielen: Echo’s Uit De TBS uit. In die voorstudie stonden enkele patiënten en hun theaterlessen centraal. Met deze groter opgezette zusterfilm, waarvoor drie jaar is gefilmd in de kliniek, wordt ook hun behandelteam vol in de spotlight gezet. Via (zelf)reflectie, interactie en theaterscènes van zowel patiënten als hulpverleners schildert Kamerling zo een alternatief portret van een wereld, die vaak als eng en gevaarlijk is afgespiegeld – en nochtans wordt bevolkt door gewone mensen, met stuk voor stuk hun eigen thema’s, verwachtingen en issues.

Vendetta: Guerra Nell’Antimafia

Netflix

Moet Pino Maniaci worden beschouwd als een erfgenaam van de vermoorde crimefighters Giovanni Falcone en Paolo Borsselino? Of is de Italiaanse televisiepersoonlijkheid, die oogt als een morsige kruising van Peter R. de Vries en Johan Derksen, in werkelijkheid een handlanger van hun aartsvijand, de Siciliaanse maffia? Hij heeft van ‘trial by media’ in elk geval zijn raison d’être gemaakt.

‘De Snor’, een larger than life-personage dat samen met zijn vrouw Patrizia en dochter Letizia de lokale televisiezender Telejato in Partinico runt, veroorzaakt permanent deining en maakt al even gemakkelijk vijanden in het achterland van La Cosa Nostra. Een onvervalst larger than life-personage, dat in de zesdelige serie Vendetta: Guerra Nell’Antimafia (233 min.) dan ook consequent in de derde persoon over zichzelf spreekt.

En dan wordt Maniaci plotseling gearresteerd vanwege afpersing, het startpunt van deze trashy productie. Is het filmpje dat daarvan bij andere nieuwsmedia opduikt bewijsmateriaal van iemand die op heterdaad wordt betrapt of juist het bewijs dat er een enorme lastercampagne is opgezet tegen deze kettingrokende roeptoeter die behalve de maffia ook de plaatselijke autoriteiten gedurig voor de voeten loopt?

‘De Snor’ verzet zich hevig tijdens zijn publieke ontmaskering, die hij voor een belangrijk deel toeschrijft aan Silvana Saguto, de rechter die zich sterk heeft gemaakt voor de stelselmatige onteigening van maffiabezit. Samen met haar halve familie komt ook zij in het vizier van openbare aanklagers vanwege mogelijke corruptie. Terwijl hun zaken voor de rechter komen, blijven de twee met modder naar elkaar gooien.

‘Als iemand graag neukt’, verzucht Pino Maniaci bijvoorbeeld vertwijfeld, wanneer zijn geheime maîtresse tegen hem in stelling is gebracht, ‘kan hij dan niet anti-maffia zijn?’ Daar valt natuurlijk weinig tegenin te brengen. Voor buitenstaanders is het echter lastig om alle ferme, elkaar tegensprekende statements in Vendetta op werkelijke waarde te schatten en in te passen binnen het grotere verhaal.

Want de serie zet weliswaar heel erg in op kleurrijke personages en couleur locale, maar verzuimt daarbij om van alle elementen ook een kernachtig, pakkend en overtuigend betoog te maken.

Homecoming: Marina Abramovic And Her Children

Een trip nostalgia van de Servische kunstenares Marina Abramovic, die in haar videokunst en performances gedurig met zelfpijniging en uitputting in de weer is geweest, kan nooit echt comfortabel worden. Dat gebeurt dan ook niet.

Terwijl ze zich in 2019 met de overzichtstentoonstelling The Cleaner opmaakt voor een bezoek aan haar geboortestad Belgrado in het voormalige Joegoslavië, reist Abramovic door haar eigen leven en loopbaan. Dat begint al direct in stijl. ‘De nacht voordat ik werd geboren droomde mijn moeder dat ze een gigantische slang zou baren’, vertelt ze, met kenmerkend gevoel voor drama. ‘De volgende dag, na een partijbijeenkomst, braken haar vliezen.’

De kunstenares claimt zelf de rol van verteller in de boeiende documentaire Homecoming: Marina Abramovic And Her Children (83 min.) van regisseur Boris Miljkovic en doet daarin ankerpunten uit haar eigen persoonlijke geschiedenis aan. Haar jeugd bijvoorbeeld, gedomineerd door een zeer strikte moeder en het regime van de communistische leider Tito. Die zijn oneindige inspiratiebronnen gebleken voor haar.

Ook Marina Abramovic’s samenwerking/relatie met kunstenaar Ulay kan vanzelfsprekend niet ontbreken. Ze waren twaalf jaar samen. ‘En ik zou nog net zo lang door hem moeten lijden’, voegt ze er onderkoeld aan toe. Daarna volgt niettemin een als performance verpakt emotioneel weerzien, begeleid door de lekker melodramatische muziek van Antony and the Johnsons. In het aangezicht van haar voormalige andere helft houdt de hoofdpersoon ‘t niet droog.

De enerverende ontmoeting vormt, samen met reprises van bekende performances van Marina Abramovic, de opmaat naar een verrassend warmbloedige apotheose: een spontane groepsperformance in haar eigen Belgrado, waarvoor ze haar participanten zowaar een onversneden positieve opdracht meegeeft. Geef elkaar onvoorwaardelijke liefde.

Van Vader Op Zoon

BNNVARA

Hij móést zingen. Niet van zichzelf. Van zijn vader. Die zag het talent. Een nieuwe André Hazes. Pas later werd zingen leuk voor Mart Hoogkamer, zegt hij. De jonge levensliedzanger uit Leiden heeft net een platencontract ondertekend. De droom van zijn vader. En van zijn eveneens zingende jongere broer Luciano.

Marts vader was vroeger een kindersterretje. Ook hij had toen een platendeal. Bij het label van George Baker, Nico Haak én André Hazes. Trots laat Martin de singletjes zien aan zijn zoon. En krantenknipsels uit lang vervlogen tijden: ‘Martin Hoogkamer jr. (13) kweelt het hoogste lied in de randstad.’

En toen kwam er iets in zijn keel: de baard. ‘En dan zijn ze je ook zo vergeten’, zegt Martin met spijt in zijn stem. ‘Dat is gewoon zo.’ Zijn talent heeft hij echter doorgegeven aan een nieuwe generatie Hoogkamers, Van Vader Op Zoon (37 min.). En zoon Mart geniet met volle teugen van het optreden, de fans en de studio-opnames.

Pa Martin ziet het geëmotioneerd aan. Hij kan er niet altijd zijn voor z’n jongens. Soms is hij zomaar even weg. ‘Een pakkie sigaretten halen’, volgens Mart. Al komt de politie hem daarvoor speciaal ophalen. ’Daar leer je als klein kind mee leven’, vertelt de jonge zanger aan zijn producer Bram Koning. ‘Je bent ermee opgegroeid.’

De relatie tussen vader en zoon Hoogkamer vormt het hart van deze sfeervolle korte documentaire van Arjen Sinninghe Damsté, die de psychologie van de levensliedzanger en zijn vader probeert te doorgronden. Die zit ‘m niet altijd in de woorden. Al die zijn er ook: spaarzaam, maar recht op hun doel af. Wat onbesproken blijft, wordt treffend zichtbaar gemaakt. Voelbaar.

Zoals elke ouder wil Mart Sr. simpelweg het beste voor zijn kinderen. En dat ze niet de fouten maken die hem de das hebben omgedaan. En Mart Jr. wil zich losmaken van die druk. Al weet hij zelf ook wel dat dit nooit helemaal lukt. ‘Vergeet nooit waar je vandaan komt’, zingt hij tot besluit, met een onvermijdelijke snik in zijn stem. ‘Waar je wiegje heeft gestaan, heeft je gemaakt tot wie je bent.’

Mama

Cinecrowd

Over een jaar neemt ze deel aan het Nederlands Kampioenschap paaldansen. Dat is niet zomaar een doel. Het moet de oplossing worden voor het voornaamste probleem van Marieke de Bra: ze is al dertien jaar vrijgezel. Een gewillige prooi voor mannen die zich niet willen of kunnen binden. En dat moet nu maar eens afgelopen zijn! Zij wordt gewild. Sensueel. Geil. Toch? Voor de zekerheid vraagt ze het nog even na bij één van die mannen. Nu is het alleen nog een kwestie van tijd voordat Marieke doorkrijgt dat ze eerst van zichzelf moet leren houden voordat al die kerels dat kunnen.

Dat paaldansen is overigens meteen een mooie steek onder water naar haar ouders. Die hebben al sinds jaar en dag een dansschool in Roosendaal. Daar liggen ook de wortels van haar probleem, heeft ze geconstateerd. ‘Ik wil graag meer dingen met jullie kunnen bespreken’, zegt Marieke, terwijl ze haar camera in Mama (46 min.) van dichtbij op haar moeder richt. ‘Zoals?’ reageert die. ‘Nou’, zet dochter door. ‘Zoals ik me voel, zoals ik me vroeger heb gevoeld of hoe het met jullie gaat.’ Ank de Braa krijgt er de vinger niet helemaal achter: ‘Maar dat kan je toch altijd?’

Dat gevoel heeft Marieke alleen nooit gehad. Gelukkig kun je dan nog altijd een egodocu maken. Bij haar therapeute, die veilig buiten beeld blijft, mag Marieke bovendien lekker haar hart luchten. En haar moeder blijkt uiteindelijk best bereid om ook een keer mee te gaan. Wie weet kan Marieke haar zelfs, terwijl de camera nog altijd lustig meters maakt, verleiden tot datgene wat ze al zo lang mist: een knuffel. En dan moet er natuurlijk weer getraind worden. Aan de paal zelf. En aan de ontwikkeling van het concept: de ‘musical interpretation’, het moodboard en – vooral – de storytelling.

Met het verplichte vallen en opstaan – letterlijk natuurlijk! – werkt Marieke de Bra toe naar het NK paaldansen, waarvoor ze haar persoonlijke verhaal verwerkt in een geheel eigen routine. Te langen leste dient zich dan ook eindelijk de onvermijdelijke moraal van het verhaal aan: het is helemaal niet belangrijk of mannen bij bosjes voor je vallen. ‘Deze liefdesdans was voor mezelf’, concludeert Marieke in één van de talloze voice-overs, waarmee ze haar schaamteloze film, een typisch product van deze exhibitionistische tijd, bij de hand neemt. En het mooie is: dan volgt die vent vast vanzelf.

State Funeral

Mokum

De ene na de andere delegatie komt eer betonen aan de overleden leider. Uit landen zoals Polen, de DDR en Hongarije, natuurlijk. En vertegenwoordigers van communistische partijen uit westerse landen. Ernstig kijkende mannen, en een enkele vrouw, die al even serieus de hand schudden van het officiële ontvangstcomité. De gestorven leidsman beziet de plichtplegingen vanaf foto’s en schilderijen. Hij oogt als een beminnelijke man, een wijze vader des vaderlands.

Even daarvoor is het volk, in elke uithoek van de Sovjet-Unie, tot in detail geïnformeerd over de verslechterende gezondheidstoestand van Jozef Vissarionovich Stalin (1878-1953) en zo voorbereid op diens dood. Taferelen van massale rouw gaan vervolgens vergezeld van een monotone stem die via een omroepsysteem het verzamelde volk toespreekt. ‘Onze vader is overleden’, klinkt het in de gezwollen taal die ook hedendaagse leiders als Kim Jong-un begeleidt en die, als je de zweep nooit hebt gevoeld die op de woorden kan volgen, onvermijdelijk op de lachspieren werkt. ‘Onze harten lopen over van verdriet. Hij zal nooit meer de hand van een kameraad schudden.’

Óf – zo weten alle rouwenden dondersgoed – een kameraad naar de Goelag sturen of in het kader van ‘De Grote Zuivering’ voorgoed laten verdwijnen. Ruim 27 miljoen landgenoten werden onder zijn bewind vermoord. Nog eens vijftien miljoen kameraden stierven de hongerdood. Aan de zwarte kant van Stalins regeerperiode wijdde regisseur Sergei Loznitsa enkele jaren geleden al de documentaire The Trial, waarin de schijnprocessen tegen vooraanstaande Russische wetenschappers worden ontleed, een huiveringwekkende voorbode van de zwartste jaren van zijn schrikbewind.

State Funeral (135 min.) behandelt in een vergelijkbare opzet de vierdaagse plechtigheden rond het overlijden van de dictator in 1953. Met niet eerder vertoond beeldmateriaal reconstrueert Loznitsa minutieus de overdadige rouwrituelen van een land dat los moet komen van de man die de verpersoonlijking van het Sovjetsysteem is geworden en decennialang ieders leven heeft gedomineerd. Van hele volksstammen die blindelings in de grote leider zijn gaan geloven en nu in diepe rouw lijken te zijn verzonken – en anderen die dat voor de zekerheid ook na zijn dood blijven veinzen. Naamloze dienaren van de natie, een politiek idee of gewoon ‘de partij’.

Sergei Loznitsa maakt ook van deze film één lange, lange treurmars: in stijf zwart-wit of juist bloemrijke kleuren, inclusief natuurlijk sprekend communistisch rood. Oneindig gezeul met voluptueuze rouwkransen, begeleid door dramatische klassieke muziek. Door mannen met strakke gezichten en vrouwen die met een zakdoek hun tranen bedwingen. Oprecht dan wel zuiver ritueel verdriet. Het onderscheid is nauwelijks te maken. Net als de plechtigheden na Stalins dood trekt State Funeral zo traag en statig voorbij, een schier eindeloze herhaling van zetten. En net als zijn film over Stalins schijnprocessen is het vastleggen daarvan geschiedkundig van wezenlijk belang, maar vereist dit ook een erg lange adem bij de kijker.

Gij Zult Niet Doden – Treinkaping De Punt

KRO-NCRV

Op zaterdagochtend 11 juni 1977 wordt de gekaapte trein bij De Punt eerst langdurig beschoten en daarna bestormd door mariniers. Twee passagiers komen daarbij om het leven. En zes van de negen Zuid-Molukse kapers. Zij hebben drie weken lang 56 mensen gegijzeld gehouden. Met die actie probeerden ze aandacht te vragen voor de positie van Molukkers. Die zijn in 1951, na de oorlog om het toenmalige Nederlands Indië, naar ons land gekomen. Hen was beloofd dat er een onafhankelijke Molukse staat zou komen.

Zeventig jaar zijn inmiddels verstreken. De Republik Maluku Selatan is er nog altijd niet. Intussen zijn er ook steeds meer vragen gerezen over de gewelddadige beëindiging van de treinkaping bij De Punt. Was het geweld proportioneel of zijn enkele gijzelnemers demonstratief, zonder absolute noodzaak, geëxecuteerd? Advocaat Liesbeth Zegveld heeft aanwijzingen voor het laatste en staat de nabestaanden van twee kapers, Max Papilaya en Hansina Uktolseja, bij in een emotioneel geladen rechtszaak tegen de Nederlande staat.

In Gij Zult Niet Doden – Treinkaping De Punt (73 min.) volgt Koert Davidse gedurende vijf jaar Zegvelds pogingen om vier decennia na dato recht te krijgen voor mensen die al die tijd toch vooral als dader, of als terrorist, te boek hebben gestaan. Ze noemt het ‘een gevecht op elke vierkante millimeter’, waarbij de advocate regelmatig stevig botst met de vertegenwoordiging van de Nederlandse overheid. Het is duidelijk dat er voor beide partijen heel wat op het spel staat. Als de rechters de lijn van de klagers volgt, heeft de toenmalige Nederlandse regering immers zijn geweldsmonopolie misbruikt en zijn de mariniers ingezet als een soort doodseskader.

Ondanks het feit dat Davidse is aangesloten bij Zegveld probeert hij ook de tegenargumenten van de staat een volwaardige plek te geven in z’n weergave van de rechtsgang. Zo ontstaat een afgewogen beeld van de juridische afwikkeling van een tragische gebeurtenis, die al ruim veertig jaar op allerlei plekken in de samenleving schrijnt. Tegelijkertijd wordt en passant ook het verhaal verteld van de Molukse gemeenschap van Nederland en de beruchte treinkapingen, die zich in het collectieve geheugen hebben vastgezet.

Monsters Inside: The 24 Faces Of Billy Milligan

Netflix

De diagnose meervoudige persoonlijkheidsstoornis – of de hedendaagse benaming: dissociatieve stoornis – kan doorgaans op scepsis rekenen. Zeker als die wordt ingezet als verklaring voor criminele uitspattingen van de patiënt. Dan duurt het nooit lang voordat iemand ‘onzin!’ roept. Of: ‘geweldige acteerprestatie!’

Bij Billy Milligan, in 1977 opgepakt omdat hij enkele vrouwen zou hebben verkracht op de Ohio State-universiteit, ging dat natuurlijk niet anders. Was dit een truc van zijn verdediging of een zinsbegoocheling van nét iets te gewillige zielenknijpers? Of was er daadwerkelijk iets aan de hand met de 23-jarige Amerikaan, die toen al een aanzienlijke psychiatrische historie had? En waren al die persoonlijkheden dan inderdaad onderdeel van een overlevingsstrategie – net als bij de hoofdpersoon van de toenmalige bestseller Sybil – waarmee extreem trauma uit zijn verleden onschadelijk moest worden gemaakt?

In Monsters Inside: The 24 Faces Of Billy Milligan (242 min.) probeert Olivier Megaton door dat woud van persoonlijkheden te waden. Hij maakt die zichtbaar door bij oude interviewfragmenten van Billy te titelen welke persoon er wanneer aan het woord is. Ragen bijvoorbeeld, de agressor met het Joegoslavische accent. De verlegen negentienjarige lesbienne Adalana. Of Engelsman Arthur, die de boel op de één of andere manier bij elkaar probeert te houden. Als al die verschillende figuren, met elk hun eigen functie en risico’s, daadwerkelijk bestaan in één enkele persoon, dan moet die wel ontoerekeningsvatbaar zijn. En in dat geval – logische conclusie – ligt niet gevangenisstraf maar therapie voor de hand.

Megaton ontleedt de zaak rond/tegen Billy Milligan met zijn broer Jim en zus Kathy, jeugdvrienden en juristen, psychiaters en begeleiders die betrokken waren bij het psychiatrische onderzoek, de strafzaak of z’n behandeling. En natuurlijk ontbreekt ook de schrijver niet die als een gier op zo’n bijzonder geval duikt, om het vervolgens helemaal af te kluiven. Om het unheimische karakter van de hele geschiedenis te benadrukken interviewt de documentairemaker hen bovendien stuk voor stuk in een sinister ogende setting. Niet thuis in een ontspannen atmosfeer of juist binnen een professionele context, maar in een lege kerk, een verlaten cellencomplex of een fabriekshal waar de verf van de muren afbladdert.

Het is en blijft tenslotte true crime. Een genre dat ook gedijt bij nét iets te donkere gedramatiseerde scènes, een duistere soundtrack en slim geplaatste cliffhangers. Ook daarin stelt Monsters Inside niet teleur. Deze vierdelige serie melkt alleen de bizarre levenswandel van Billy Milligan soms wel erg opzichtig uit, maar geeft tegelijkertijd ook interessante achtergrondinformatie over de discussie rond de meervoudige persoonlijkheidsstoornis en hoe die zich sindsdien heeft ontwikkeld. Daar zit ook de meerwaarde van deze diepe duik in de valkuilen dan wel doortrapte streken van de menselijke geest.

Misha And The Wolves

MetFilm

Ze besloot haar ouders te gaan zoeken. Duitsland was toch niet zo ver weg? En dus trok ze als zevenjarig meisje de stoute schoenen aan en zette vanuit België koers richting het oosten, naar haar Joodse ouders die waren afgevoerd door de nazi’s. Misha bleef zoveel mogelijk uit de buurt van mensen en werd vervolgens opgenomen door een roedel wolven, waarmee ze vier jaar optrok. Haar ouders zou ze natuurlijk nooit vinden. Die stierven in een vernietigingskamp.

Toen Misha Defonseca, inmiddels geëmigreerd naar de Amerikaanse staat Massachusetts, op latere leeftijd haar levensverhaal begon te vertellen, maakte dat heel wat los bij vrienden en kennissen. Een plaatselijke uitgever probeerde de vrouw ervan te overtuigen om haar memoires uit te brengen. Voor zo’n bijzonder levensverhaal zou beslist een publiek zijn. En, inderdaad, niet veel later hing de redactie van Oprah Winfrey’s talkshow aan de lijn en nam Misha’s verhaal een enorme vlucht.

In Misha And The Wolves (90 min.) reconstrueert Sam Hobkinson deze bizarre geschiedenis met de hoofdpersoon zelf en allerlei mensen uit haar directe omgeving: de buren, haar advocate, journalisten, een wolvenhoudster, Misha’s tante, genealogen, een Holocaust-deskundige én haar uitgeefster, waarmee ze ernstig gebrouilleerd zou raken. Ieder levert zijn eigen stukje van het verhaal, waarmee Misha’s puzzel te langen leste helemaal kan worden gelegd.

Waarbij niets is wat het in eerste instantie lijkt, zoveel maakt Hobkinson vanaf het allereerste begin duidelijk. De Britse documentairemaker trekt de vertelling helemaal naar zich toe met gedramatiseerde scènes, fraaie animatie en een gewiekste verhaalopbouw. Hij lijkt de werkelijkheid daarbij regelmatig te versimpelen of zelfs een handje te helpen. Omdat Misha nu eenmaal een spannend verhaal heeft te vertellen, dat dan ook met de nodige bravoure moet worden uitgeserveerd.

Daardoor voelt Misha And The Wolves zo nu en dan eerder aan als een thriller met authentieke elementen dan als een documentaire die zo dicht mogelijk bij de waarheid probeert te komen – al is dat, uiteindelijk, toch echt Hobkinsons doel.

The Most Beautiful Boy In The World

Amstelfilm

Hij heeft in de afgelopen jaren al in Finland, Hongarije en Rusland gekeken, maar geen enkele jongen heeft ‘het’. Totdat op een koude februaridag in 1970 de vijftienjarige Björn Andrésen binnenstapt tijdens een screentest in Stockholm. De Italiaanse regisseur Luchino Visconti is totaal overdonderd.

Een goddelijke jongen. Die prachtige verlegen glimlach. De werkelijk onweerstaanbare ogen. En dat ranke bovenlijf, speciaal op zijn verzoek ontbloot. Visconti heeft Tadzio gevonden, de held voor zijn verfilming van Thomas Manns novelle Death In Venice! Als de speelfilm, over de liefde van een oudere man voor een onschuldige jongen, een jaar later in première gaat tijdens het festival van Cannes, groeit de Zweedse tiener direct uit tot een wereldwijd idool. Een leeg canvas waarop eenieder – begerige kerels voorop – zijn verlangens kan projecteren.

Een halve eeuw is ‘Tadzio’ allang niet meer The Most Beautiful Boy In The World (94 min.), de geuzennaam die de Italiaanse regisseur hem gaf. Hij oogt als een slonzige oude man, met een onverzorgde baard en lang grijs haar. Zijn huisbaas wil hem uit zijn vervuilde woning zetten. Andrésens buren voelen zich niet meer veilig sinds hij op een onbewaakt ogenblik het gas aan heeft laten staan. Intussen ligt Björn gedurig in de knoop met zichzelf en zijn jongere vriendin Jessica.

Na Death In Venice verloor Visconti snel zijn interesse in hem. De jongen was inmiddels zestien en onmiskenbaar onderweg naar volwassenheid. Op de plotselinge roem die hem ten deel viel – van een carrière als popster en inspiratiebron voor mangatekenaars in Japan tot een rol als ‘trophy boy’ voor Franse homoseksuelen – was hij echter op geen enkele manier toegerust. De mediahype zou hem alleen maar confronteren met de butsen die hij in zijn jeugd had opgelopen.

Andrésens gecompliceerde levensverhaal wordt in handen van Kristina Lindström en Kristian Petri een even sfeervolle als melancholieke vertelling. Over een door het leven getekende man die nooit de ongerepte Tadzio is geweest die Visconti in hem zag, eerder een slachtoffer van ’s werelds oppervlakkige fixatie op uiterlijk en beroemdheid. Een zwaarmoedige man bovendien, die nog altijd bezig is om de wonden uit zijn verleden een plaats te geven in zijn huidige bestaan.

Dunya

IJswater Films

In het kleine appartement in Amsterdam hangt een foto van oma aan de muur. Zingen was haar lust en haar leven. Ze trad op onder de naam Betty Wels, maar echt beroemd werd ze nooit. Ook haar dochter Sabine van der Horst is dol op zingen. Haar hele leven lang zat ze in bandjes. En nu stimuleert ze haar negentienjarige dochter om werk te maken van haar zangtalent. Dunya (60 min.) zou volgens haar naar de Herman Brood Academie moeten gaan.

Moeder en dochter ogen soms bijna als vriendinnen. Ze zingen niet alleen samen, ze stoppen bijvoorbeeld ook tegelijk met blowen – en beginnen allebei ook al snel weer. Sabine heeft een pittig leven achter de rug: ze raakte verslaafd aan harddrugs en was een tijd dakloos. Zoals haar eigen moeder ooit haar toevlucht nam tot drank. Het valt Sabine op dat ook haar dochter wel een glaasje lust. Ze wil de jonge vrouw behoeden voor de fouten die Dunya’s oma en zijzelf hebben gemaakt. Sabine klinkt daarbij alleen meer als een oudere zus dan als een bezorgde ouder.

De wisselwerking tussen moeder en dochter, afwisselend stroef en soepel, resulteert in fraaie scènes. ‘Ik had me wel een beetje uitgesloofd’, zingt Sabine bijvoorbeeld uit volle borst mee met een liedje van haar eigen moeder, terwijl Dunya een sigaretje rookt en haar telefoon checkt. ‘Dat was de drank. Die steeg me naar mijn hoofd. Ik heb de auto toen maar laten staan. En daarom ben ik maar naar een hotel gegaan.’ Samen maken ze zich vervolgens op voor het refrein: ‘Heehee. Ongemerkt. Had ik mezelf in de nesten gewerkt.’

Documentairemaker Tim Bary, die enkele jaren geleden afstudeerde met een spannend en intiem portret van een gabber die klassiek pianist wil worden (Wognum), observeert van heel dichtbij – en zonder de situatie of ontwikkelingen verder in te kaderen of uit te leggen – hoe moeder en dochter samen optrekken. Op een gegeven moment zingen ze zelfs samen in een bandje. Tegelijkertijd lijkt Dunya ook de behoefte te hebben om zich los te maken van haar moeder en zo misschien ook de directe lijn met haar heftige familieverleden te verbreken.

Het is een traditionele en aansprekende coming of age-vertelling, die zich afspeelt binnen een volks Amsterdams milieu. Waarbij de ouder het kind net zo hard nodig lijkt te hebben als andersom en de valkuilen van de ene generatie ook op het levenspad van de volgende dreigen op te duiken.

Crazy Days

Docmakers

Hij moet zich soms als de kapitein van de Titanic voelen: terwijl de tweede Coronagolf Nederland in zijn greep krijgt probeert Riccardo Minasi zijn project bij het Nationale Opera & Ballet drijvende te houden. Samen met een jonge internationale cast bereidt de Italiaanse dirigent zich voor op enkele uitverkochte uitvoeringen van Mozarts fameuze opera Le Nozze De Figaro. Met angst en beven kijken ze uit naar de dinsdagen, naar weer een nieuwe persconferentie die roet in het eten kan gooien.

Intussen ontsmetten ze consciëntieus hun handen en proberen ze ondanks de anderhalve meter afstand gezamenlijk scènes in te studeren. Terwijl ze hun concentratie en enthousiasme proberen vast te houden, kijkt regisseur Sanne Rovers mee tijdens deze Crazy Days (65 min.). Ze laat haar camera door de lege gangen van het operagebouw dwalen, houdt zo nu en dan halt voor een repetitie of fraai gestileerde passage uit de opera en spreekt met de voornaamste spelers.

Corona blijft alomtegenwoordig. Het maakt immers nogal een verschil of je toewerkt naar een serie voorstellingen of naar een livestream (en deze documentaire, die waarschijnlijk door meer mensen zal worden gezien dan de uitvoeringen). De magie van het moment zal in dat laatste geval in het luchtledige, zonder interactie met het publiek, tot stand gebracht moeten worden. En de complete onderneming kan natuurlijk ook nog van het ene op het andere moment worden stopgezet.

Het werken aan Le Nozze De Figaro wordt daarmee een allegorie voor hoe het de kunstensector sowieso is vergaan tijdens de Coronacrisis: ze is volledig overgeleverd aan de grillen van het virus en een overheid die daarop probeert te anticiperen. Dat zorgt voor twijfel, frustratie én teleurstelling. Voor een streamuitvoering is bijvoorbeeld niet de gehele cast nodig. Naarmate de pay-off van hun inspanningen – of het uitblijven daarvan – in zicht komt begint het water hen echt aan de lippen te staan.

Iedereen weet nochtans: wat er ook gebeurt, het orkest speelt door.

Hoe Overleef Ik – Francine Oomen Doorbreekt Het Zwijgen

Francine Oomen / c: Pascalle Bonnier

Als tiener had ze haar eigen Hoe Overleef Ik-boeken wel kunnen gebruiken, bekent gevierd schrijver Francine Oomen aan het begin van deze persoonlijke film. Hoe overleef ik de uitdagingen en gevaren van mijn puberteit? Haar voornaamste houvast tijdens die lastige jaren was de drie-eenheid lezen, tekenen en schrijven. Intussen was er dat ene trauma, dat al in de openingsscène van Hoe Overleef Ik – Francine Oomen Doorbreekt Het Zwijgen (55 min.) aan de orde komt en dat toch pas tegen het eind van de documentaire (vrijwel) volledig wordt ingelost.

‘Wat is er gebeurd, hoe herhalen de dingen zich en hoe kun je ervoor zorgen dat die herhaling, dat intergenerationele trauma, stopt?’ vat ze het nog een keer samen voor haar uitgever Elik Lettinga. ‘Want dat is wat ik uiteindelijk wil onderzoeken.’ Oomen is tenslotte niet voor niets schrijver geworden. Een boek moet de afronding worden van een zeer persoonlijk proces dat nu al enkele jaren in beslag neemt. Dit heeft haar heel wat kruim gekost en lijkt vooralsnog weinig echte verlichting op te leveren.

Pascalle Bonnier volgt haar op die intieme reis: door het verleden (naar de echtscheiding van haar ouders bijvoorbeeld, die daarna allebei zouden trouwen met de buurman/vrouw) en naar een toekomst waarin ze haar eigen rol als partner en ouder een nieuwe invulling kan geven. Want intimiteit en verbinding blijven heel moeilijk voor Oomen. ‘Ik ben mijn hele leven bezig met me te herinneren wat liefde nu echt is’, zegt ze bijvoorbeeld gefrustreerd als haar relatie is gestrand. ‘Niet die shit die m’n ouders me voorgedaan hebben.’

Bonnier waakt er intussen voor dat de film geen al te tobberig karakter krijgt. Ze verluchtigt Oomens confrontatie met de demonen uit haar jeugd bijvoorbeeld met enkele komische scènes waarin zij een paar schapen aankoopt voor bij haar nieuwe woning. Terwijl de schrijfster nog druk aan het ‘socialiseren’ is met haar nieuwe huisgenoten, zetten die het op een lopen. Eenmaal thuis laat ook ex-echtgenoot Erik, met wie ze nog altijd een goed contact onderhoudt, zich wéér in de luren leggen door de schichtige beesten. Een nieuw begin, zo gemakkelijk is dat nog niet.

Met vallen en opstaan probeert Francine Oomen zo in dit persoonlijke portret tegelijkertijd in het reine te komen met haar verleden en een vruchtbare basis te leggen voor een leven met haar dierbaren.

Schumacher

Netflix

Nee, ramptoeristen die willen weten – en zien! – hoe het nu met Michael gaat, hebben bij Schumacher (112 min.) niets te zoeken. Deze documentaire van Hanns-Bruno Kammertöns, Vanessa Nöcker en Michael Wech richt zich volledig op ’s mans imposante carrière binnen de Formule 1, waarin hij uiteindelijk zeven wereldtitels en talloze records verzamelde. Schumachers huidige leven – in nevelen gehuld, sinds hij eind 2013 bij een skiongeluk ernstig hersenletsel opliep – blijft volledig buiten beeld.

De film start begin jaren negentig als de voormalige karter Michael Schumacher zich als jonge jongen, ogenschijnlijk vanuit het niets, meldt tussen de grote mannen van het métier, zoals Alain Prost, Nigel Mansell en regerend kampioen Ayrton Senna. Vanaf het begin vormt de Duitse nieuwkomer een bedreiging voor de hegemonie van de Braziliaanse superster. De rivaliteit tussen de twee geboren winnaars zal naar ongekende hoogte oplopen.

Totdat Senna met een dodelijk ongeluk – vanzelfsprekend ook een belangrijk plotpoint in deze documentaire – letterlijk de weg vrijmaakt voor de man die ooit nog posters van hem op zijn jongenskamer had hangen. Het is een wrang voorbeeld van het aloude adagio: De koning is dood, lang leve de koning. Dit blijkt overigens wel een bijzondere vorst. Als tweevoudig wereldkampioen maakt hij enkele jaren later bijvoorbeeld de overstap naar een team dat al sinds 1979 geen winnaar meer heeft afgeleverd, het Italiaanse Ferrari.

Schumacher had last van ‘paranoïde perfectiedrang’ volgens zijn collega Mark Webber, één van de vele Formule 1-insiders in dit psychologische portret van de toonaangevende racer van zijn tijd. Hij reed vooral tegen zichzelf. ‘Heb ik vandaag genoeg gedaan? Wil ik meer doen? Hoe schakel ik tegenstanders uit? Wat moet ik doen om de belangrijkste coureur te blijven?’ Schumacher wilde altijd controle hebben en kon het volgens F1-baas Bernie Ecclestone dan ook nauwelijks accepteren als hij iets fout had gedaan.

Het beeld van een man die soms nét – of gewoon: veel – te ver ging voor een overwinning wordt in deze enerverende sportfilm op op talloze manieren geïllustreerd door teamgenoten en concurrenten zoals Mika Häkkinen, Damon Hill, Eddie Irvine en David Coulthard. Zijn vader Rolf, broer Ralf, vrouw Corinna en kinderen Gina en Mick belichten dan weer vooral de zachte kant van ‘Schumi’: een familiemens met oog voor alles en iedereen om hem heen, een ongegeneerd feestbeest en een man die zich desondanks niet gemakkelijk echt openstelde voor anderen.

Het is onvermijdelijk dat sommige sprekers in de verleden tijd spreken over Michael Schumacher. Simpelweg omdat ze hem al een aanzienlijke periode niet meer hebben gezien. Of omdat de Michael Schumacher waarover zij spreken niet meer bestaat. ‘Het is nooit bij me opgekomen dat Michael iets kon overkomen’, vertelt Corinna. Nadat hij zijn raceautosleutels definitief had ingeleverd, leek er ook geen reden meer te zijn voor zorgen over de mogelijke gevaren van zijn levensstijl. En toen was er dat ongeluk op die skipiste in het Franse Méribel.

De man die nog niet zo lang geleden de Formule 1 beheerste leeft nu een klein leven, te midden van de mensen die hem lief hebben. ‘Michael heeft ons altijd beschermd’, zegt zijn echtgenote daarover ferm. ‘En nu beschermen wij hem.’

Dit Ben Ik Niet

Nederlands Film Festival

In eerste instantie heeft ze ‘het volste vertrouwen’ in hem. Ontspannen vertrouwt Rian haar levensverhaal toe aan haar 42-jarige zoon Joris, die speciaal voor de gelegenheid enkele weken bij haar is ingetrokken, inclusief de feestdagen. Een zus van Joris Koptod Nioky geeft dan weer direct aan dat ze helemaal geen zin heeft in het oprakelen van het verleden. Bang voor de grote emoties die loskomen. Dat kwartje valt pas later bij Rian. Als de film bijna klaar is, heeft ze spijt als haren op haar hoofd dat ze heeft besloten om mee te werken.

Dit Ben Ik Niet (102 min.), constateert Rian boos en diep teleurgesteld als ze een voorlopige montage van de egodocu te zien krijgt. Joris wil oud zeer bovenhalen, misschien zelfs rekeningen vereffenen. Deze film kan een manier zijn om weer verbinding tot stand te brengen binnen de familie, zegt hij onderweg, maar dat lijkt eerlijk gezegd toch echt niet de insteek. Als een film daarvoor überhaupt een geëigend middel zou zijn. De maker kan de camera immers als wapen inzetten en heeft later ook nog altijd de montage – scherp, associatief en humorvol, in dit geval – om de vertelling naar zich toe te trekken.

Het ogenschijnlijk bijna lukraak samengestelde gezin waarbinnen de documentairemaker opgroeide – een uitvloeisel van de woongroepen van de jaren zeventig – is nooit een veilige omgeving voor hem geworden, betoogt hij. Joris en zijn (half)broers en -zussen zijn beschadigd uit de strijd gekomen die hun jeugd gaandeweg werd. Rian, die bang is dat ze wordt geportretteerd als een ‘tokkie’, herinnert zich dat totaal anders. De vragen van haar zoon en diens conclusies ervaart ze als een koude douche. ‘Als ik jou zou opnemen, dan zou jij ook van alles zien over jezelf’, zegt ze verontwaardigd. ‘Nou, dat is wat ik nu zie.’

Joris laat zijn 71-jarige moeder naar getuigenissen van enkele van haar (stief)kinderen kijken. ‘Is er nou nooit iemand geweest – een docent, een buurman, een buurvrouw, een vriend, iemand die vaak over de vloer kwam – die zag dat het niet in orde was bij ons?’ vraagt een broer van Joris zich af. Rian vertrekt ogenschijnlijk geen spier als ze wordt gedwongen om via hen naar zichzelf te kijken. Ook letterlijk: Joris zet een laptop op het salontafeltje voor haar. Op het beeldscherm ziet ze zichzelf zitten zoals ze daar nu zit: een oudere vrouw, met een kussen op haar schoot, die participeert in wat ze zelf ‘een lelijke film’ noemt. Een documentaire die onderdeel zal worden van een hevig ontsporende familieruzie.

Haar zoon houdt de teugels intussen stevig in handen bij deze ontleding van wat hij als zijn eigen verhaal beschouwt: close-up beelden van een huishouden van Jan Steen, strak gearrangeerde gesprekken, tijdsprongen, parallel gemonteerde interviews, ontregelende geluiden en spannende muziek (waaronder een ingenieus slotduet). Als maker trekt Koptod Nioky alles uit de kast om zijn persoonlijke betoog kracht bij te zetten, maar van wie is dat verhaal eigenlijk? Van hem als kind? Van zijn moeder? Of van andere familieleden, waarvan sommigen zijn missie ondersteunen en anderen juist verafschuwen wat hij bij zijn naasten aanricht?

Als de film wordt ontdaan van zijn morele dimensies – kan dat überhaupt en is dat gewenst? – dan resteert een enerverende, zinnenprikkelende en slim gestructureerde vertelling over een kind dat zijn moeder wil laten zien wie ze volgens hem is – en dat wil dat ze ook hem nu eindelijk eens ziet. Als buitenstaander zie je daarnaast een gecompliceerde familiesituatie die, voor het oog van de wereld, verder op scherp wordt gezet.

Alleen Tegen De Staat

BNNVARA

Ze had net een pretecho gehad. Een dochter! Na twee jongens. ‘Één van de mooiste dagen van mijn leven.’ En toen kwam die brief. ‘Ik dacht: oh, mijn God, ik ben zo blij geweest dat ik een dochter krijg’, herinnert Nazmiye zich. ‘Dit is een straf van God.’ Die had er niets mee van doen. Ze was in het vizier gekomen van de Nederlandse Belastingdienst.

Vijf vrouwen. Alleen Tegen De Staat (54 min ), in een interviewfilm van Stijn Bouma. Ze heten Derya, Janet, Nazmiye, Badrya en Naoual. De vrouwen, stuk voor stuk van buitenlandse afkomst, hebben plaatsgenomen in een nondescripte ruimte met oranje stoelen. Één van hen wil niet in beeld. Schaamte? Geen weldenkend mens zal het haar kwalijk nemen.

Ze waren ooit medewerker van justitie, tandartsassistente of werkzaam in de financiële sector. Totdat ze plotseling werden aangemerkt als fraudeur. Ten onrechte, welteverstaan. Terwijl ze hun verhaal doen, worden de vrouwen in de rug gedekt door hun lotgenoten. Die luisteren toe. Ingehouden. Gelaten ook. Met een pijnlijke blik van herkenning.

Hun individuele getuigenissen, recht in de camera opgetekend, ballen zich samen tot een collectieve ervaring, die we inmiddels kennen als de Toeslagenaffaire. Een Kafkaëske maalstroom van vernederingen: schulden, ontslag, voedselbank, depressie, kinderen uit huis geplaatst… Totdat er van hen en wie ze waren nauwelijks meer iets over is. Volledig ontmenselijkt.

‘Ik hoop echt dat ze allemaal de tering krijgen en allemaal doodvallen’, zegt Derya uit de grond van haar vertrapte hart. ‘Dat hoop ik. Maar ja, ik weet niet wat ik daarmee bereik, want het wakkert allemaal haat aan in me.’ In de climax van deze kale, uiterst doeltreffende docu draait ze zich vervolgens om naar de medegedupeerden achter haar. ‘Weet je, ik haat ze gewoon. Haten jullie ze niet dan?’

Blue Monday

Chester / KRO-NCRV

Zij kijken recht in de camera. En wij als kijkers een héél klein beetje in hun ziel. ‘Ik ben wel heel erg geneigd te geloven dat dit voor mij de juiste zoektocht en de juiste weg is’, zegt Jerry Allon, een dertiger die wil weten wie zijn biologische vader is. ‘En als dan blijkt dat het allemaal een platte ziekte is die mij gewoon maar op een spoor zet waar ik eigenlijk niet op had moeten zitten, zou ik dat wel erg vinden.’ Hij denkt hardop verder en concludeert vervolgens: ‘Dan ben ik toch zieker dan ik dacht.’

Dat is ook het lastige van psychoses, constateert hij in Blue Monday (55 min.), een documentaire van Ingrid Kamerling (die tevens werkzaam is als psycholoog en ook al het thematisch verwante Rusteloze Zielen, Scènes Uit De TBS en Echo – Theater In De TBS maakte). Je overtuigingen blijven in eerste instantie doorgaans dicht bij de realiteit en gaan er dan steeds meer langs lopen, Totdat je, zo heeft Jerry ervaren, helemaal vast zit in een horrorwereld. Los van de psychiatrische problematiek zelf moet dat een enorme mindfuck zijn. Als je jezelf al niet meer kunt vertrouwen…

Chester heeft soortgelijke ervaringen. Hij kent beide kanten van de medaille. De euforie: ‘Het is alsof je ineens door hebt hoe het universum werkt.’ En het diepe, diepe dal: ‘Ik dacht letterlijk dat ik in de hel was, om gemarteld te worden.’ Joyce is dan weer geneigd om zichzelf pijn te doen en heeft bij de stemmen die ze hoort ook nog eens elementaire vragen: ‘Wanneer is iets een psychose en wanneer is iets een spirituele crisis?’ Van de medische wereld heeft ze op dat vlak weinig te verwachten. Die willen de stemmen simpelweg wegdrukken met medicatie. ‘Ze vragen nooit: wat zeggen de stemmen?’

Kamerling geeft haar hoofdpersonen in Blue Monday alle gelegenheid om hun diepste zielenroerselen te delen en dringt zo echt door tot hun belevingswereld, die ze verder vervat in lange close-up shots en stemmige beelden van bovenaf of met opmerkelijk veel hoofdruimte. De drie hoofdpersonen maken daardoor een kwetsbare en onthechte indruk, die nog eens wordt versterkt door het weelderige geluidsdecor en de stemmige muziek. Het is duidelijk: Jerry, Chester en Joyce voeren elk hun eigen eenzame strijd, die bij anderen vaak voor onbegrip zorgt.

Aan het eind van de tunnel lijkt echter licht te gloren. Tijdens de film beginnen ze heel voorzichtig weer contact te maken met de buitenwereld, waarvoor zij soms zo vreemd lijken – en die voor hen ook vaak vreemd aanvoelt.