For Sama

Het is een scène die je nooit meer vergeet. Een gewonde vrouw wordt binnengebracht in een noodhospitaal in Aleppo. Ze is hoogzwanger. Het is onduidelijk of de aanstaande moeder kan overleven. De artsen besluiten tot een spoedkeizersnede. Het grijze jongetje dat zo ter wereld wordt gebracht oogt levenloos.

Ze beginnen het kind te reanimeren, schudden hem door elkaar en wrijven zijn ruggetje warm. Wat ze ook doen, het jongetje wil de geest maar niet krijgen. Burgerjournalist Waad al-Kateab staat er met haar camera bovenop en vangt zo een sleutelscène voor haar film: nieuw leven in het hart van de oorlog. Heeft het een kans?

In de persoonlijke film For Sama (95 min.), die op het festival van Cannes werd gekozen tot beste documentaire, richt de jonge Syrische filmmaakster zich in haar verbindende voice-over tot het kind dat in haar eigen buik tot volle wasdom is gekomen. Ze vertelt Sama haar levensverhaal en toont het werk van haar activistische echtgenoot Hamza, die als arts in het hospitaal werkt.

Intussen probeert al-Kateab, samen met co-regisseur Edward Watts, bewijsmateriaal te verzamelen van de vernietigende burgeroorlog in Syrië, die ook haar prille gezin steeds verder in het nauw brengt. Ze stelt zichzelf daarbij pijnlijke vragen: heeft een kind een kans op een normaal leven als rondom haar een bloedige burgeroorlog woedt? En: ben je een egoïst of zelfs een lafaard als je in die omstandigheden je huis ontvlucht?

Het zijn de elementaire dilemma’s die oorlog losmaakt in gewone mensen en die ook al in talloze andere documentaires over Syrië aan de orde zijn gesteld. Het decor voelt ook vertrouwd: een belegerde en inmiddels volkomen kapot geschoten stad, die van alle kanten wordt aangevallen. Totdat er écht geen leven meer inzit. Toch went de bijbehorende mengeling van (wan)hoop, paniek en galgenhumor nooit.

Zeker niet als de bijbehorende mensen echt tot leven komen en hun relaas van binnenuit wordt verteld. Zoals in het verpletterende For Sama, een documentaire die – naast Last Men In Aleppo, City Of Ghosts en The Cave – een plek verwerft in het rijtje essentiële Syrië-films, dat eigenlijk verplicht moet worden gesteld voor iedereen met een gemakkelijke mening over oorlogsslachtoffers en vluchtelingen.

The Wolfpack

Daar staan ze dan. Zes jongens. Latino’s. Broers. In pak en stropdas, met een donkere zonnebril op. Ze richten hun pistolen op de camera. The Wolfpack (89 min.). Zojuist hebben ze met zichtbaar plezier enkele scènes uit de Quentin Tarantino-speelfilm Reservoir Dogs nagespeeld. Ze blijken zeer rolvast. Opererend vanuit hun eigen appartement. In een verloederd New Yorks flatgebouw in de Lower East Side.

Crystal Moselle kwam de wereldvreemde gebroeders Angulo tegen in het park toen ze net bezig waren om de buitenwereld te leren kennen. Het was alsof ze een verdwenen gewaande indianenstam uit de Amazone ontdekte, vertelde de debuterende filmmaakster toentertijd tijdens interviews. De jongens waren jarenlang nauwelijks buiten geweest. Negenmaal in één jaar, op zijn hoogst. Soms slechts eenmaal. En in één specifiek jaar helemaal niet. Vader Oscar hield ze binnen. Wilde ze beschermen tegen het gevaarlijke New York. En moeder Susanne gaf thuis les.

Via films hielden de Angulo’s – gezegend met namen als Govinda, Jagadisa en Narayana – contact met de buitenwereld. 5000 VHS-banden en dvd’s stonden er inmiddels thuis. En menige film werd tot in detail nagespeeld. The Dark Knight, Pulp Fiction en Nightmare On Elm Street. Papa Oscar, aanhanger van Hare Krishna, vond het allemaal best. Zolang zijn kinderen maar binnen bleven. Hij maakte van hen zijn eigen sekte. Een volledig naar binnen gerichte enclave, midden in één van de drukste steden van de wereld.

Samen vormden ze tevens een tikkende tijdbom, stelt zijn zoon Mukunda. Het was volgens hem een kwestie van tijd totdat de boel ontplofte. Uiteindelijk was hij het zelf, die op vijftienjarige leeftijd de stap naar die onbekende buitenwereld waagde. Met een Michael Myers-masker op. Niet veel later volgden zijn broers. De Angulo’s ontdekten dat de echte wereld zowaar behoorlijk leek op het universum dat ze al van het witte doek kenden. En dat het thuis waar ze al die jaren hadden vertoefd met verbazing werd bekeken door de rest van de wereld.

Filmmaakster Moselle heeft zich jarenlang als een soort extra huisgenoot in het bizarre huishouden verschanst en registreerde van binnenuit hoe de keuzes van de dictatoriale vader Oscar uitpakten voor zijn vrouw en kinderen. Met haar rommelige gefilmde beelden, op een collageachtige manier gecombineerd met vreemde (familie)filmpjes, ving ze het onwerkelijke verhaal van een zonderling gezin. Het resultaat is een ronduit unheimische film, die in 2015 op het Sundance Film Festival werd bekroond met de Grand Jury Prize.

Little Stars Of Bethlehem

NTR

Het zijn doodgewone kinderen. Na de Dode Zee willen ze ook wel eens een echte zee zien: de Noordzee. Waarin je echt ongegeneerd lol kunt maken. Het is sowieso een opwindende tijd voor de Little Stars Of Bethlehem (48 min.). De Palestijnse kinderen zijn uitgenodigd om tijdens de Cello Biënnale van 2018 op te komen treden in het verre Amsterdam. De meesten zijn nog nooit buiten Bethlehem geweest. Laat staan in het buitenland.

De acht kleine cellisten zijn geboren en getogen in een Palestijns vluchtelingenkamp, waar de tenten inmiddels zijn vervangen door min of meer normale woningen. De meeste ouders bewaren echter nog steeds de sleutel van het huis dat ze ooit moesten achterlaten, vertelt Fabienne van Eck, de Nederlandse artistiek directeur van het plaatselijke muziekproject Sounds Of Palestine.

Zulke families hebben doorgaans wel wat anders aan hun hoofd dan muziekles voor hun kinderen. Juist daarom, betoogt Van Eck, is het zo belangrijk dat deze vaak getraumatiseerde jongens en meisjes in contact worden gebracht met muziek. Het werken met lokale kinderen is voor haar echt een soort roeping. Nadat ze was afgestudeerd aan het Nederlandse conservatorium, reisde Van Eck af naar Bethlehem om daar werk te gaan doen dat haar uiteindelijk veel belangrijker leek dan het spelen in een Nederlands orkest.

Regisseur Shariff Nasr portretteert de protegés van Fabienne van Eck eerst in hun eigen omgeving en volgt hen vervolgens tijdens hun muzikale trip naar het vrije Westen. Dat levert innemende taferelen op, van kinderen die even loskomen van hun beladen leefomgeving en weer, juist, kind mogen zijn. Het is ontroerend om te zien hoe ze bijvoorbeeld met grote ogen in de trein naar buiten zitten te kijken, zich wagen aan haring happen of, in het ouderlijk huis van Fabienne, hagelslag op hun boterham strooien.

Wat voor ons, westerlingen uit een land dat al decennia vrede kent, volstrekt normale activiteiten zijn, is voor deze oorlogskinderen een heuse belevenis. Daarmee krijgt het tweede deel van deze televisiedocu wel een hoog toeristisch gehalte. Pas zodra de Palestijnse kinderen, als onderdeel van een veel groter kinderorkest, aan het eind van deze observerende film het podium op mogen, komt ook de muziek, die hen deze trip heeft bezorgd en die hen nog altijd een kans op een ander leven zou kunnen geven, weer echt centraal te staan.

De Klas van ’94

NTR

Het was een Arabische school. Géén islamitische school. In de Amsterdamse Rivierenbuurt werd begin jaren zeventig speciaal voor kinderen van Marokkaanse gastarbeiders de Bouschraschool opgericht. Ze kregen eenmaal per dag een uur Arabische les, zodat ze klaar waren voor terugkeer naar hun eigen land. Historicus Nadia Bouras zat in De Klas Van ‘94 (50 min.), toen diezelfde school inmiddels een Islamitische school was geworden. Ze ontvangt nu in het toenmalige klaslokaal leerlingen waarmee ze toentertijd op school zat en die natuurlijk gewoon in Nederland zijn gebleven. Ook enkele leerkrachten keren terug naar de klas.

Verder brengt Bouras in Friesland een bezoek aan de Nederlandse dominee Rolf Boiten die de Bouschraschool in 1971 samen met zijn vrouw oprichtte. ‘Wij zeiden: we willen een school waarbij wij samen zijn, ook met mensen die andersdenkend zijn’, vertelt de inmiddels hoogbejaarde dominee over de grondslag van hun geesteskind. ‘Wij vragen van de Marokkaanse leerkrachten dat ze de islam representeren en wij vragen van de Nederlandse leerkrachten dat ze zeggen: daar hebben wij wat mee, met dat christendom. Op die manier krijg je een andere samenleving. En dat was de grote vreugde.’

Boitens idealisme heeft uiteindelijk geleid tot een school met een islamitische signatuur, het type school dat tegenwoordig eerder een symbool lijkt te zijn geworden van segregatie dan van integratie. Intussen is ook het maatschappelijk klimaat rond het verblijf van de voormalige gastarbeiders en hun nazaten in Nederland aanmerkelijk verhard. Hoe interessant die thematiek ook is, deze televisiedocu van Hassnae Bouazza wordt uiteindelijk nooit héél veel meer dan een soort aangeklede aflevering van Klasgenoten op locatie, waarin particuliere herinneringen slechts beperkt een nieuw of ander licht werpen op een actuele maatschappelijke kwestie.

Mijn Dochter De Vlogger

Jaydie en haar ouders / VPRO

In het bedrijf Nina Schotpoort werkt de moeder van Nina Schotpoort voor haar dochter Nina Schotpoort. De vader van de dertienjarige Nina Schotpoort figureert ook in de filmpjes van Nina Schotpoort. Op het YouTube-kanaal van Nina Schotpoort (134.000 abonnees & counting) worden fans van Nina Schotpoort vanzelfsprekend op alle mogelijke manieren bediend.

De ouders van de kindvloggers Jaydie en Jaylinn (houd die namen goed uit elkaar!) zouden maar wat graag de aantallen van Nina Schotpoort halen. Al hoeft het YouTube-kanaal van de driejarige Jaydie, Just Jadie (ruim 1100 volgers & counting), morgen nog niet direct 100.000 abonnees te hebben, hoor, zegt de moeder van Jaydie, die als fotografe thuis gelukkig een studio heeft voor de opnames met Jaydie. Overmorgen is ook goed, vult de vader van Jaydie aan. Dat zou best een grap van de vader van Jaydie kunnen zijn.

De negenjarige Jaylinn zit intussen een beetje in een lastige periode, aldus de vader van Jaylinn. De views op het YouTube-kanaal van Jaylinn (ruim 5000 volgers & counting) gaan de laatste tijd namelijk niet zo goed. En de filmpjes van Jaylinn zouden een prima springplank voor de acteercarrière van Jaylinn kunnen zijn, aldus de vader van Jaylinn. ‘Wat zou je anders moeten doen in je video’s om toch meer kijkers te trekken?’ wil de vader van Jaylinn nu van Jaylinn weten.

De ouders van de (would be)influencers Nina Schotpoort, Jaydie en Jaylinn stappen in de korte documentaire Mijn Dochter De Vlogger (34 min.) uit de schaduw van Nina Schotpoort, Jaydie en Jaylinn. De filmmakers Doortje Smithuijsen en Joep van Osch geven hen uitgebreid de gelegenheid om hun verhaal te doen, observeren hoe ze te werk gaan met Nina Schotpoort, Jaydie en – niet te vergeten, natuurlijk – Jaylinn en leuken het geheel op met enkele smakelijke muziekjes. Een oordeel over de ouders van Nina Schotpoort, Jaydie en Jaylinn laten ze verder over aan de kijker.

Welnu, deze kijker kreeg er ontaarde jeuk van.

Doortje Smithuijsen is in dit interview met de Volkskrant een stuk milder.

Als bijsluiter adviseer ik niettemin dringend de Tegenlicht-aflevering Goudzoekers In YouTubeland uit 2017, een tamelijk deprimerend kijkje in de wereld van Nederlandse YouTubers en hun managers en marketeers.

Kabul, City In The Wind

Ooit, nog niet eens zo lang geleden, moet de Afghaanse hoofdstad Kabul een bruisend en vooruitstrevend oord zijn geweest. Een plek waar alleen vliegers met elkaar vochten, zo beschreef Khaled Hosseini de stad waar hij opgroeide in zijn bestseller De Vliegeraar (2003). Totdat halverwege de jaren zeventig een eindeloos gevecht begon, dat tot op de dag vandaag voortduurt.

De tiener Afshin Amiri en zijn kleine broertje Benjamin groeien op in dezelfde stad, een slordige halve eeuw later. Het is een totaal andere plek geworden. Kabul, een stoffige stad die leeft onder de schaduw van oorlog. De vader van de jongens, een voormalige militair, neemt hen mee naar een gedenkplaats voor slachtoffers van een vernietigende bomaanslag. Niet veel later vertrekt hij voor werk naar het buitenland en krijgt zijn zoon Afshin ineens de rol van gezinshoofd toebedeeld.

‘Waar ik bang voor ben?’, vraagt hij tijdens één van de indringende interviews, waarmee de lotgevallen van de achtergebleven broers zo nu en dan worden doorsneden. Hij kijkt recht in de camera van de Nederlands-Afghaanse filmmaker Aboozar Amini, die hem in de gesprekken zeer dicht op de huid zit, en laat een ongemakkelijk lange stilte vallen. ‘Zelfmoordaanslagen. Want mijn vader is erbij gewond geraakt en z’n vriend Reza is omgekomen.’

Hoewel Amini ervoor past om zulk geweld expliciet in beeld te brengen, is de dreiging ervan permanent op de achtergrond aanwezig in Kabul, City In The Wind (89 min.). Als zijn derde hoofdpersoon, de sjacherende buschauffeur Abbas Tanay die voortdurend malheur heeft met zijn gammele voertuig, bijvoorbeeld gezellig met zijn vrienden in het theehuis zit te kletsen, komt net het nieuws binnen dat er weer een bomaanslag is gepleegd. De Taliban is nog niet verslagen, constateren de mannen gezamenlijk, of IS steekt alweer zijn lelijke kop op.

‘Ze zeggen dat het morgen gaat sneeuwen’, vervolgt een goedlachse man met baard het gesprek. Alsof die bom alweer is vergeten. ‘President Ashraf Ghani zegt dat we moeten bidden om regen’, reageert een ander. ‘En wat doen we voor bomaanslagen?’ Ook naar de moskee, constateert de eerste man glunderend. ‘Dan stuur ik de zelfmoordterrorist, die jullie allemaal afmaakt.’

De mannen gieren het uit van het lachen en houden de ellende om hen heen zo even op afstand. Galgenhumor als overlevingsstrategie. Net als de hasjpijp. Een larmoyant lied. Of gewoon doen wat papa van je verwacht. Deze subtiele film toont hoe gewone mensen ondanks alles hun leven vervolgen. Zelfs in een Kabul, vereeuwigd met fraaie panoramashots, dat nog maar een schim lijkt van de plek waar ooit vooral vliegers met elkaar vochten.

Turn!

De openingsscène van het fraaie Turn! (55 min.) vertelt in wezen het complete verhaal: niet de jongens en meisjes die boven zichzelf uit proberen te stijgen in de turnzaal zijn daarin te zien, maar hun ademloos toekijkende ouders. Esther Pardijs bijvoorbeeld, de maakster van deze boeiende egodocumentaire. En de bloedfanatieke Oscar, die net thuis, midden in de huiskamer, een set ringen heeft opgehangen, zodat zijn zoon Wytze ook daar kan trainen.

Samen met de ouders van andere talentvolle turnertjes beoordelen ze de prestaties van hun en elkaars getalenteerde kinderen. Geconcentreerd kijken ze toe. Gespannen. En uiteindelijk: trots of juist teleurgesteld. ‘Ik hoop dat een ander kind een fout maakt’, zegt Pardijs daarover, in één van de openhartige voice-overs waarmee ze de gebeurtenissen in de film extra lading geeft. ‘Dan eindigt mijn zoon Roman hoger.’

Ze vraagt zich af of de ouders om haar heen, die ook in deze ‘draaikolk van trots, jaloezie en competitiedrang’ terecht zijn gekomen, hetzelfde denken. Intussen zitten Roman en zijn teamgenoot/concurrent/vriendje Wytze bij haar in de auto te geinen, op weg van of naar alweer een training of wedstrijd. Als de negenjarige jochies die ze ook nog gewoon zijn – als hun sportcarrière, waarvoor ze zo’n vijftien uur per week moeten trainen, dat toelaat.

Het is inmiddels een vertrouwd beeld dat in deze film wordt opgeroepen: van Nederlandse ouders die als coach, fan, financier, regelaar én chauffeur voor hun sportende/musicerende/acterende kind fungeren en misschien nog wel meer belang hechten aan de prestaties van hun kroost dan het jongetje of het meisje zelf. Kan hun kind bijvoorbeeld wel naar een verjaardagsfeestje als er eigenlijk een belangrijke training op het programma staat?

Pardijs stelt zich kwetsbaar op. Ze neemt de camera mee naar groepsbijeenkomsten van de ouders, maar laat hem ook toe in haar eigen huis als ze met haar zoon en echtgenoot beslissingen over Romans sportloopbaan moet nemen. Daarnaast besteedt ze speciale aandacht aan Wytze en zijn pusherige vader Oscar, die gaandeweg steeds meer in aanvaring komt met de trainers van zijn kind. Voor ‘Wyts’ is alleen het allerbeste goed genoeg. En hij moet, ook niet onbelangrijk, medailles winnen.

Turn! brengt op bijzonder treffende wijze het leven van topsportouders in beeld en stipt en passant enkele kerndilemma’s van het ouderschap aan. Terwijl hun kinderen tot het uiterste moeten gaan tijdens trainingen, floreren op allerlei turntoestellen of juist genadeloos onderuitgaan vragen hun ouders zich af of ze hen nóg nadrukkelijker moeten aansporen tot grotere prestaties of beter, en dan liefst zonder gezichtsverlies, kunnen uitstappen.

Want van al die kinderen die een groot deel van hun jeugd spenderen in de sportzaal (of op de viool of voor een camera of…) zal uiteindelijk slechts een enkeling het werkelijk redden. Dat weet elke ouder, maar wil-ie dat ook weten?

De Hoofdprijs

Lily

‘Ik ben rolstoelgebonden en heb heel weinig kracht’, vertelt de 23-jarige Lily in de televisiedocu De Hoofdprijs (74 min.). ‘Ik vind dat ik heel veel kan nog. Ik haat het woordje ‘nog’ trouwens. Dat vind ik een verschrikkelijk woord.’ Ze herstelt zichzelf: ‘Ik vind dat ik heel veel kan, maar ik heb ook heel veel hulp nodig.’

Lily heeft Spinale Musculaire Atrofie (SMA), type 2. Langzaam maar zeker levert ze spierkracht in. Totdat haar vitale functies het ooit zullen begeven en onvermijdelijk de dood volgt. Kinderen die type 1 van de progressieve spierziekte hebben, bereiken vaak niet eens de leeftijd van twee jaar. De diagnose SMA betekent in wezen een doodvonnis, zegt de Amerikaanse kinderarts en neuroloog Richard Finkel.

Vanuit de Verenigde Staten komen er echter hoopvolle berichten. Er zou een nieuw wondermedicijn zijn, Spinraza. Als posterboy daarvan introduceert regisseur Jannes van Lenteren, die deze degelijke film maakte in opdracht van het Prinses Beatrix Spierfonds, het Amerikaanse peutertje Cameron. Enkele weken na zijn geboorte werd hij gediagnosticeerd met SMA. ‘Dit was een kind, van wie ik hoopte dat hij in ieder geval twee vingers zou kunnen bewegen’, zegt zijn vader Rob. ‘En nu fietste hij op een driewieler.’

Camerons miraculeuze ontwikkeling wordt via de Facebook-pagina Hope For Cameron met de wereld gedeeld en zorgt natuurlijk ook in Nederland voor vraag naar het nieuwe medicijn. Spinraza moet echter eerst toegelaten worden tot de Nederlandse markt. Bovendien vraagt de Amerikaanse producent Biogen de hoofdprijs voor het ‘wondermiddel’: 750.000 dollar voor het eerste behandeljaar, 375.000 voor elk volgend jaar.

Twee jaar lang volgt Van Lenteren enkele Nederlandse patiënten die Spinraza willen gaan gebruiken. Ze dreigen het slachtoffer te worden van de moeizame onderhandelingen tussen de Nederlandse overheid en de farmaceut. Is de gevraagde prijs een redelijke compensatie voor de ontwikkeling van een levensreddend middel, waarmee bovendien de research voor toekomstige medicijnen kan worden gegarandeerd? Of maakt die prijs vooral duidelijk dat winstmaximalisatie voor de farmaceutische industrie écht belangrijker is dan de volksgezondheid?

Diverse pratende hoofden (artsen, de patiëntenvereniging, een woordvoerder van Biogen, Tweede Kamerleden en minister voor Medische Zorg en Sport Bruno Bruins) doen daarover hun zegje. Intussen blijven patiënten als Lily verstoken van het middel dat hun achteruitgang zou kunnen stoppen. ‘De laatste tijd gaat het echt heel snel’, zegt ze emotioneel. ‘En dat maakt me echt heel bang. Je ziet jezelf moeite krijgen met dingen. Je ziet jezelf dingen niet meer kunnen doen. En het hoeft niet. En dat maakt me zo boos.’ Lily laat een stilte vallen en benadrukt nog eens: ‘Het is niet nodig.’

Foster

Op de avond voordat haar dochter werd geboren, gebruikte Raeanne cocaïne. Dat komt haar duur te staan: baby Kris’Lyn wordt uit huis geplaatst. Samen met vader Chris moet moeder voor de rechter verschijnen. Het kind, waarvan het de vraag is of het iets heeft opgelopen door Raeannes drugsgebruik, mag bij Chris verblijven. Hij komt alleen wel onder curatele te staan. En zijn vriendin moet afkicken en krijgt een beperkte bezoekregeling.

Terwijl de prille ouders proberen op te krabbelen, ondersteund en gecontroleerd door jeugdzorg, vertellen ze in deze documentaire hun eigen levensverhaal. Dat blijkt uiteindelijk een logische aanloop naar het punt in hun leven waarop ze nu in aanvaring zijn gekomen met de wet of een beroep moeten doen op hulpverlening. En dat geldt eigenlijk voor alle hoofdpersonen van Foster (113 min.), een poignante film van Deborah Oppenheimer en Mark Jonathan Harris over het reilen en zeilen bij de jeugdzorg van Los Angeles.

Één op de acht kinderen in de Verenigde Staten komt in contact met jeugdzorg vanwege verwaarlozing of mishandeling. 400.000 Amerikaanse kinderen en jongeren verblijven in de opvang. Deze documentaire zoekt enkele van hen op in die vermaledijde hoek waar steeds weer de klappen vallen. De achttienjarige tiener Mary bijvoorbeeld, een mooi meisje waarvan je in eerste instantie zou kunnen denken dat ze alles goed voor elkaar heeft. Mary werd echter geboren als drugsbaby en verbleef al op talloze opvangplekken. ‘Waarom gaven al die families me op?’ vraagt ze zich nu af.

Of de zestienjarige Dasani, die regelmatig voor de jeugdrechter moet verschijnen vanwege problemen die hij veroorzaakt in het opvanghuis waar hij op dit moment verblijft. Terwijl de Afro-Amerikaanse jongen wordt gestimuleerd en gedwongen om zijn leven te beteren, is er nog altijd dat ene onverwerkte familietrauma. Zou erover rappen helpen? En lukt het hem uiteindelijk om zichzelf op de rit te krijgen en tegelijkertijd dat achterstallige onderhoud weg te werken?

Oppenheimer en Harris spreken en portretteren niet alleen de kids zelf, maar ook de advocaten, hulpverleners, belangenbehartigers, deskundigen en reclasseringsmedewerkers om hen heen. Mensen met het hart veelal op de goede plek, zoals de voormalige Mom USA Earcylene Beavers, die al tientallen jaren zogenaamde probleemkinderen opvangt, en de betrokken jeugdzorgmedewerker Jessica Chandler. Zij werkt tegenwoordig bij de instantie waarop ze ooit zelf als verwezen tiener was aangewezen.

Foster is een optimistische film en wil dat ook duidelijk zijn. Dat laat onverlet dat het (net als in ons eigen land overigens, getuige bijvoorbeeld de veelbesproken documentaire Alicia) gaat om bijzonder weerbarstige problematiek, die bovendien een duidelijke relatie heeft met al even hardnekkige maatschappelijke kwesties als armoede, gebroken gezinnen en onleefbare wijken. Gezamenlijk staan de jongeren en hun entourage daarom voor een enorme opdracht: hoe houd je in zo’n leefomgeving, soms tegen beter weten in, zoiets elementair menselijks als hoop levend?

All In My Family

‘Ik ben er keihard op tegen dat mensen zoals jij kinderen krijgen’, zegt mama Zhang zonder te verblikken of verblozen tegen haar zoon Hao. ‘Als je een normaal gezin had zoals je zus, zou ik er niet op tegen zijn.’ De Chinese vrouw is op bezoek bij haar kind en diens vriend Eric in New York en heeft bij aankomst ook al het hele huis gepoetst (dat speciaal voor haar komst al extra goed onder handen was genomen door Eric).

Papa drukt zich al even subtiel uit. Toen hij ontdekte dat zijn zoon homoseksueel was, gaf het al zijn dromen ‘een vernietigende klap’. Hao Wu is China niet voor niets op zijn twintigste ontvlucht. Behalve zijn voortdurend op elkaar vittende ouders, een begripvolle zus en die ene invoelende tante weet thuis niemand van zijn ‘situatie’. Daar zit hij gewoon nog/weer in de kast. Maar hoe moet het verder nu er kinderen, twee maar liefst, op komst zijn? En wat vinden ze thuis eigenlijk van het fenomeen draagmoeders?

In de korte egodocu All In My Family (40 min.) moet Hao niet alleen de confrontatie aangaan met zijn kibbelende ouders. Hij krijgt met de complete familie van doen. En die is te kenschetsen als driftig, bot en luidruchtig. Dat levert diverse ongemakkelijke scènes op, waarbij de filmmaker steeds voor de keuze staat of hij voor de camera (waarom eigenlijk?) met de billen bloot wil gaan of verder zijn leugen leeft. Want wil je als enige kleinzoon écht je inmiddels dik negentigjarige opa, die steeds roept dat je maar eens met een meisje thuis moet komen, nog een keer grondig tegen de haren instrijken?

The Disappearance Of Madeleine McCann

De uitkomst van deze documentaireserie over Madeleine McCann, die in 2007 op driejarige leeftijd verdween tijdens een vakantie in Portugal, staat op voorhand vast: elke aflevering start namelijk met een oproep om je bij de politie te melden als je informatie hebt over het Britse meisje. Hoewel Maddie sinds haar verdwijning op diverse plekken is gespot of zou zijn begraven, is ze twaalf jaar na dato nog altijd spoorloos. Als ze tóch in leven is – wat erg onwaarschijnlijk lijkt – wordt ze in mei overigens zestien.

Waarom, als er geen BREAKING NEWS!!! is te melden, dan toch een televisieserie? Dat vragen Maddies ouders zich waarschijnlijk ook af. Ze weigerden te participeren in The Disappearance Of Madeleine McCann (415 min.), al zijn ze middels archiefmateriaal, en enkele impliciete woordvoerders, wel degelijk prominent aanwezig in de achtdelige serie. Kate en Gerry McCann keerden zich in een persverklaring zelfs tegen deze nieuwe poging om licht in de zaak te brengen. ‘We zien niet hoe dit programma de zoektocht naar Madeleine kan helpen en zijn bang dat dit het lopende politieonderzoek kan hinderen.’

Los van eventuele belemmering van het onderzoek: mag je eigenlijk tegen de wil van de ouders een serie over hun vermiste kind maken? Tegelijkertijd: áls die ouders zelf verantwoordelijk zouden zijn voor Maddies geruchtmakende vermissing – wat nog altijd een mogelijk scenario is, dat ook in deze docuserie van Chris Smith natuurlijk volop aandacht krijgt – dan is het vanzelfsprekend goed dat elke tegel nog eens wordt gelicht. Zie daar het dilemma van deze lang uitgesponnen true crime-productie.

De strijd rond de serie is sowieso exemplarisch voor de onmogelijke relatie van de McCanns met de media: waar de pers kan fungeren als een megafoon voor de zaak en zoektocht naar Madeleine, pompt ze net zo goed complottheorieën en klinkklare nonsens rond. Nog afgezien van de continue plaag die al die opdringerige verslaggevers en cameramensen, ook als er geen nieuws te melden of te verwachten is, al twaalf jaar voor de ouders en hun twee andere kinderen vormen…

The Disappearance Of Madeleine McCann neemt de tijd om chronologisch de gebeurtenissen te schetsen en de verschillende personages (politieagenten, verdachten, journalisten, communicatiemedewerkers, mensenhandelactivisten, privé-detectives en would be-weldoeners) te introduceren. Anthony Summers en Robbyn Swan, auteurs van het boek Looking For Madeleine, fungeren als gids. Zij loodsen de kijker langs een enorme reeks getuigenverklaringen, bewijsmateriaal en theorieën over wat er gebeurd zou kunnen zijn. Theorieën waarvan je op basis van de oproep voor elke aflevering al weet dat ze (weinig tot) niets gaan opleveren.

Zo verdwijnt langzaam maar zeker alle lucht uit deze documentaireserie, die plichtmatig de ene na de andere onderzoekspiste afwerkt, zonder dat een geloofwaardige verklaring of conclusie in zicht komt. Vooral de beschamende behandeling van Madeleines familie door bepaalde media, die bijvoorbeeld ongevraagd dagboekfragmenten van Kate McCann publiceerden, kan de kijker nog enigszins moveren. Die zorgt tegelijkertijd echter voor argwaan: wat doet deze serie, die overigens zeker niet al te vijandig is naar de McCanns, in wezen anders dan de tabloidpers die in deze serie aan de kaak wordt gesteld? Ook deze true crime-reeks probeert immers te scoren met de mysterieuze vermissingszaak van de schattige Maddie.

Bruce Lee & The Outlaw

The Lost Boys’ lopen stuk voor stuk met hun eigen kleine zakje Aurolac rond. Nicu, een mager joch met aandoenlijke flaporen, en de andere straatkinderen van Boekarest sluiten het zakje dwangmatig rond hun mond en laten zich bedwelmen door de goedkope lak. Om het leven dat ze lijden te ontvluchten.

De jongens hebben zich gegroepeerd rond het station én de oudere jongere ‘Bruce Lee’, die ook wel de koning van de ondergrondse tunnels wordt genoemd. Hij gebruikt de Aurolac niet alleen om te inhaleren, maar spuit zichzelf ook regelmatig helemaal zilverkleurig. Daardoor is hij al tweemaal in coma geraakt.

Bruce bekommert zich als een oudere broer om de jongens, die geen familie of thuis hebben. ‘Ik ben een gewoon kind’, zegt Nicu daarover. ‘Alleen hielp God me niet omdat hij het te druk had met andere kinderen.’ Hij is ondervoed geraakt, heeft HIV en tuberculose opgelopen en belandt in het ziekenhuis. De ‘engel’ Raluca, een betrokken vrouw met een eigen opvang, probeert zich over Nicu te ontfermen.

Fotograaf Joost Vandebrug, die eerder al het boek Cinci Lei over de zogenaamde Lost Boys maakte, heeft Nicu, Bruce en de andere jongens sinds 2011 gefilmd. Het resultaat, Bruce Lee & The Outlaw (59 min.) is een (g)rauwe film geworden over overleven in een harde en koude wereld, de stad onder de stad. Een wereld ook, die té vertrouwd kan worden.

Zo wordt pijnlijk duidelijk als de ontheemde Nicu zich voorneemt om voortaan van ‘de zak’ af te blijven…

Leaving Neverland

‘Jij en ik zijn samengebracht door God’, zou Michael volgens Wade hebben gezegd. ‘We zijn gewoon voorbestemd voor elkaar.’ Wade ‘Little One’ Robson, een Australische Jackson-fan en -imitator, was zeven. Ze waren voor het eerst intiem met elkaar. Er was niks engs aan. Gewoon twee kinderen die elkaar ontdekten – ook al was die ander, in theorie dan, al rond de dertig. Michael beschouwde zichzelf echter als Peter Pan, de jongen die nooit wilde opgroeien. Ze bevonden zich niet voor niets in Neverland. En misschien hoorde daar ook wel orale seks bij.

Jimmy Safechuck had soortgelijke ervaringen. Het Amerikaanse jongetje, dat met Michael in een commercial voor een colamerk had gespeeld, lichtte op onder de blik van het ultieme popicoon en beschouwde alles wat daarna kwam eigenlijk als normaal. En zijn ouders lieten zich, net als de familie van Wade, kinderlijk eenvoudig buitenspel zetten. Verblind als ze waren door Michaels sterrenstatus. Zodat de vriendschap met hun kind, die zelfs uitmondde in een soort van ‘huwelijk’, uitbundig kon bloeien.

Eenmaal uit elkaar, toen de muziek en het tourleven Michael weer riepen, floreerde hun omgang als nooit tevoren met urenlange telefoongesprekken, stapels faxen en logeerpartijtjes. En nog steeds greep er niemand in. Tenminste, als we Robson, Safechuck en hun families moeten geloven. Want Leaving Neverland (244 min.) is hún getuigenis. Ongefilterd, zonder weerwoord. De erven Jackson is niets gevraagd – en Michael zelf ligt alweer bijna tien jaar in zijn graf (waar hij zich nu wellicht omdraait).

Vanaf het moment dat de epische film van de Britse filmmaker Dan Reed eind januari in première ging op het Amerikaanse Sundance Film Festival werd de documentaire genadeloos onder vuur genomen door Michael Jackson-fans. De verklaringen van Robson en Safechuck, die hun relaas volgens Reed volledig los van elkaar hebben gedaan, zouden volstrekt ongeloofwaardig zijn en puur voor de poen. Echte Jacksonites bleven volledig overtuigd van Michaels onschuld en riepen dat van de hoogste toren – zónder overigens dat ze de film hadden gezien.

En nu is de gewraakte documentaire dan eindelijk toegankelijk gemaakt voor de ganse wereld. Met twee mannen, en hun directe verwanten, die helemaal tot de bodem gaan. En een regisseur die hun schokkende ervaringen, ondersteund door bijzonder archiefmateriaal van het in opspraak geraakte idool en de jongetjes die zij ooit geweest moeten zijn, met grootse (overzichts)shots en weelderige muziek heeft ingekleurd. Hij geeft ze bovendien alle tijd van de wereld: meer dan vier uur zuivere speeltijd.

Uit die (te) uitputtende interviews valt een verontrustende narratief te destilleren. Van een eeuwig (en beschadigd) kind, dat elk jaar een jeugdig object zoekt – een afspiegeling van zijn jonge, onschuldige zelf wellicht – waarop hij zijn liefde en lust kan projecteren. Totdat er een nieuw liefdeskind langskomt en z’n huidige protegé wordt afgedankt (of zich althans zo voelt). Voor wat het waard is: de andere jongensnamen die in dat verband vallen, waaronder de vermaarde kinderster Macaulay Culkin, houden (tot dusver) vol dat ze nooit een seksuele relatie hebben gehad met Jackson.

Waarmee je zou kunnen concluderen dat de nee- of nikszeggers het betoog van de ja-sprekers in deze interviewfilm vakkundig neutraliseren. Gezien de mate van detail in de belastende verklaringen van Robson en Safechuck, en het indirecte ondersteunende bewijsmateriaal, laten die zich echter niet zomaar wegredeneren. Het zijn aangrijpende, van schuld en schaamte doortrokken verhalen die blijven resoneren. Hetzelfde geldt voor deze krachtige, hoewel wat overcomplete documentaire, die het beeld van Michael Jackson wel eens definitief zou kunnen doen kantelen.

Binnen enkele uren is Neverland niet alleen voor Jacksons voormalige oogappels een plek geworden die je, als je er eenmaal geweest bent, nooit meer helemaal kunt verlaten.

Svyato

 

Je kunt best ethische vragen stellen bij deze persoonlijke documentaire van IDFA-held Victor Kossakovsky: in hoeverre rechtvaardigt een film een toch wel behoorlijke ingreep in de ontwikkeling van je eigen kind?

Aan Kossakovskys korte documentaire Svyato (33 min.) uit 2005 ging een heuse levenskeuze vooraf: de Russische filmmaker besloot zijn zoon vanaf diens geboorte uit de buurt te houden van spiegels. Toen Svyatoslav op tweejarige leeftijd eindelijk werd geconfronteerd met spiegels in huis en dus voor het eerst zichzelf zag, legde zijn vader dat met drie camera’s vast. Hoe zou zijn inmiddels puberende zoon daar nu op terugkijken?

De film opent met een citaat uit een oude legende: alles veranderde toen de mens voor het eerst zijn reflectie zag. En dat zie je letterlijk voor je ogen gebeuren. Het vrolijk rond dribbelende peutertje waant zich onbespied en onderneemt een adembenemende ontdekkingstocht via de spiegel. Op zoek naar niets minder dan – hij heeft daar zelf natuurlijk nog geen idee van – zichzelf. En in en via de spiegel slaan wij hem gade.

Hoe leuk is het om met een veger op die spiegel te slaan? Wat zie en hoor je dan? Ben jij het echt die dat kan en mag doen? Al snel raakt Svyatoslav verveeld en keert hij terug naar zijn vaste speeltjes. Het tweejarige jongetje lijkt die hele spiegel alweer vergeten. Totdat hij hem toch weer opzoekt en geheel nieuwe mogelijkheden ontdekt in de wereld achter dat ding aan de muur, waarvan hij zelf stilaan deel is gaan uitmaken. Gaandeweg ontwikkelt hij zoiets als zelfbewustzijn.

’Dat ben ik’, zegt hij aan het eind van de film trots tegen zijn vader en geeft zijn eigen spiegelbeeld een kusje.

The Distant Barking Of Dogs

 

Samen met zijn oma loopt de tienjarige Oleg Afanasyev aan het begin van The Distant Barking Of Dogs (56 min.) door de sneeuw in Hnutove, een dorpje in de Donetsk-regio van Oost-Oekraïne. Sinds 2014 wordt er in deze omgeving gevochten tussen regeringstroepen en pro-Russische separatisten. Op de achtergrond klinken vrijwel permanent explosies en geweervuur. De kleine Oleg kijkt er niet meer van op.

‘Het lijkt alsof onze levens bevroren zijn’, zegt zijn oma in één van de regelmatig terugkerende bespiegelende voice-overs, die als structurerend element fungeren voor deze observerende film. ‘We schuilen als dieren voor de winter en wachten tot de kou voorbij is.’ Het tweetal arriveert bij het kleine kerkhofje, waar Olegs moeder Natasja begraven ligt. Oma huilt, Oleg niet. Het jongetje was zo klein toen ze stierf dat hij er volgens zijn grootmoeder nooit om heeft gehuild.

Regisseur Simon Lereng Wilmont volgt Oleg gedurende een jaar, een periode waarin hij uitleg krijgt over de verschillende soorten mijnen, meedoet aan een oefening in een schuilkelder en een kikker leert doodschieten met een pistool. Surrealistische scènes voor iedereen die niet in oorlogsgebied opgroeit. Zoals ook de gespreksstof van de kinderen soms vreemd aandoet. ’Weet je nog dat ze gisteren schoten?’, vraagt Oleg bijvoorbeeld aan zijn jongere neefje Yarik als ze samen het veld intrekken ‘Hier is die bom gevallen.’ Yarik antwoordt direct: ‘En die heeft mensen gedood.’ Nee, meent Oleg. ‘Geen mensen. Soldaten.’

Zou Olegs vader ook zijn omgekomen in de oorlog? Of is hij allang niet meer in beeld of nooit in beeld geweest? Daarop geeft deze asgrauwe film, die op het IDFA 2017 werd beloond met de Award voor Best First Appearance, geen antwoord. Ook zijn opa is in geen velden of wegen te bekennen. Het is oma die de jonge Oleg in haar eentje probeert te behoeden voor de valkuilen van de oorlog en ondertussen iets van zijn kindzijn moet zien te bewaren.

Jij Bent Mijn Vriend

‘We kijken allemaal naar dezelfde maan’, doceert Juf Kiet. ‘Of je nu in Syrië bent of in Australië of in Amerika. Als je naar de maan kijkt, is dat dezelfde maan voor iedereen.’ De hoofdpersoon van de vorige documentaire van Peter en Petra Lataster, publieksfavoriet en Gouden Kalf-winnaar De Kinderen Van Juf Kiet, is wederom prominent aanwezig in opvolger Jij Bent Van Mijn Vriend (77 min.). De absolute hoofdrol is echter voorbehouden aan een klein Macedonisch jongetje: Branche.

De maan is nog goed zichtbaar als hij wordt gewekt door zijn ouders. De zesjarige Branche wil niet naar school. Je moet, zeggen zij. Nederlands leren en vrienden maken. Hij komt terecht in de migrantenklas van Juf Kiet, op een basisschool in het Brabantse Hapert. Het huilende jongetje heeft tijd nodig om er zijn plek te vinden. Naast een aaibaar kereltje uit Syrië, dat natuurlijk zijn eigen geschiedenis met zich meebrengt.

De Latasters observeren hoe Branche via zijn nieuwe vriendje en onder de hoede van zijn attente juf aardt binnen de klas (en het vreemde land waar hij, door het werk van zijn ouders, terecht is gekomen). De camera blijft net als bij De Kinderen Van Juf Kiet, waarvan deze film een spinoff is, op ooghoogte van de kinderen en kijkt hen liefst recht in het gezicht. Want dit is hun verhaal. De volwassenen – juf Kiet en later meester Wout – zijn niet meer dan figuranten.

Het verhaal van Branche en zijn wisselende vriendjes wordt sober en met oog voor detail verteld. Zonder interviews en met spaarzaam, maar bijzonder effectief gebruik van muziek. De kinderen moeten het werk doen – en doen dat ook. Via hen wordt zichtbaar dat vriendschap, en zoiets elementair menselijks als empathie, kan én moet worden geleerd. In die zin fungeert deze hartverwarmende film tevens als tegengif tegen de hedendaagse tijd, waarin ongebreideld egoïsme en navrant narcisme regelmatig de toon lijken te zetten.

Won’t You Be My Neighbor?

Fred Rogers ging elke dag op de weegschaal. Hij moest en zou precies 143 pond wegen. Zijn hele leven lang. Een kwestie van ongelofelijke discipline. Die 143 stond ergens voor: I love you, woorden met respectievelijk één, vier en drie letters. Zo sprak hij tegen zichzelf, ongetwijfeld een erfenis van zijn jeugd.

Mister Rogers verspreidde zijn boodschap van liefde decennialang via de Amerikaanse publieke zender PBS. ‘You’re special’, hield hij kinderen voor in zijn kinderprogramma Mr. Rogers’ Neighorhood. Als een lievige Ome Willem, in een kenmerkend oubollig vest, die verdwaald is geraakt in De Fabeltjeskrant.

‘Wat essentieel is in het leven’, zegt hij in de warme documentaire Won’t You Be My Neighbor? (94 min.), ‘is met het blote oog niet te zien.’ Rogers, die studeerde aan het seminarie, vond dat (kinder)televisie een educatieve taak had. Het hoefde niet alleen puur vermaak te bieden en hoefde de kijker niet puur als consument te benaderen.

Met gesprekken, liedjes en een heel arsenaal aan vaste poppen en acteurs maakte hij gevoelige onderwerpen zoals onzekerheid en depressie en actuele thema’s, zoals de oorlog in Vietnam of de moord op Bobby Kennedy, bespreekbaar in de taal en op het niveau van kinderen. Dat oogt nu bijna als anti-televisie: traag, met weinig actie en drama. Klein en menselijk.

Dezelfde kwalificaties zijn toepasbaar op deze verrukkelijke documentaire van Morgan Neville. Het is alsof je naar een beeldbuis-programma uit lang vervlogen tijden zit te kijken. Over een archaïsch ogende televisiedominee, die gaandeweg al zijn idealen over het medium zag vervliegen. Want ‘zijn’ televisie werd steeds meer een podium voor het betere (verbale) gooi- en smijtwerk.

Na afloop van Won’t You Be My Neighbor? rest een onbestemd verlangen naar, in sommige opzichten, betere tijden. Want gewoon een aardige man. Waar zie je die tegenwoordig nog op de (Amerikaanse) televisie?

Muhi – Generally Temporary

 

Al zolang hij leeft, zit de dood Muhammad, liefkozend Muhi genoemd, op de hielen. Het vierjarige jongetje heeft een auto-immuunziekte die hem zomaar fataal zou kunnen worden. Deze aandoening heeft Muhi al zijn handen en voeten gekost. Om zijn prille leven te redden moesten die worden geamputeerd.

Het leven heeft Muhi nóg een beroerde kaart gegeven; hij is Palestijns en verblijft in een Israëlisch ziekenhuis. Vanwege veiligheidsoverwegingen mag hij het gebouw niet verlaten. Hij heeft zijn moeder, die is achtergebleven in Gaza, dus al enkele jaren niet gezien. Alleen zijn grootvader Abu Naim, een familieman met een groot hart, bivakkeert al vier jaar aan zijn zijde.

Als Muhi’s moeder voor 48 uur een visum krijgt om de vijfde verjaardag van haar zoon bij te wonen, is ze verrast dat hij haar überhaupt nog herkent. Ze ziet ook voor het eerst hoe hij tóch heeft leren lopen. Tegelijkertijd ontdekt ze dat Muhi langzaam maar zeker vervreemd raakt van zijn roots. Hij telt nog steeds in het Arabisch, maar zingt Joodse liedjes.

De observerende documentaire Muhi – Generally Temporary (87 min.) van Rina Castelnuevo-Hollander en Tamir Elterman laat zien hoe het schattige jongetje gedijt in zijn eigen kleine wereldje waarin tegenstellingen verdampen, terwijl zijn opa en de rest van de familie steeds weer worden opgeslokt door het Palestijns-Israëlische conflict en de praktische complicaties die dat met zich meebrengt. Zeker als het noodlot weer ongenadig toeslaat…

Lenno En De Maanvis

 

Als je niet verder kijkt dan je neus lang is, zie je gewoon een kutventje: Lenno. Of zoals zijn vader vaak geïrriteerd, in plat Utrechts, roept: ‘Lennooo’. Uitroepteken erachter. Het joch is tien jaar oud en gek van zijn maanvis. Een symbolische keuze, zo lijkt het: die vis heeft de naam dat ie agressief is. Maar dat vindt Lenno niet eerlijk.

‘Mensen denken wel eens dat ik een probleem heb omdat ik vaak boos ben’, zegt hij over zichzelf. ‘Ik vind dat heel stom dat ze dat zeggen.’ Zijn vader, die volgens eigen zeggen ook niet altijd braaf is geweest, voedt Lenno in zijn eentje op en probeert hem en zijn tweelingbroer Teun te behoeden voor de fouten die hij zelf ooit maakte. ‘Toen ik vroeger boos werd, klapte ik er gelijk op. En waarom? Omdat ik niet kon praten. En dat moet jij ook eens leren.’

De ruwe en toch poëtische jeugddocumentaire Lenno En De Maanvis (18 min.) van Shamira Raphaëla, die de IDFA Award voor beste kinderdocumentaire won en zondag opnieuw wordt uitgezonden, portretteert van heel dichtbij een jongen met gedragsproblemen en zijn directe omgeving.  Het is een bijna zintuiglijke ervaring geworden, met een heel associatieve montage, lekkere dwarse percussie als soundtrack en een vertelling die soms plotseling van kleur verschiet.

Conflict en verzoening kunnen elkaar binnen enkele seconden afwisselen. Zo mag Lenno bijvoorbeeld een duivelshoofd op het been van zijn vader tatoeëren. ‘Dieper d’r in’, moedigt die hem aan. ‘Maar mag dat eigenlijk wel, dat ik een tattoo zet?’ wil Lenno weten. ‘Mag ik zelf weten’, antwoordt vader beslist, alsof hij de ontluikende puber is. Niet veel later krijgen de twee ruzie en roept vader hem stevig tot de orde. En Lenno wordt even weer een doodnormaal joch van tien, dat op zijn nummer is gezet.

Shamira Raphaëla maakte eerder de spannende egodocumentaire Deal With It, waarin ze haar drugs dealende en aan heroïne verslaafde vader Pempy en haar broer Andy, die op het rechte pad probeert te blijven, op intieme wijze portretteert.

Luister


Zoals veel volwassenen liever naar het Jeugdjournaal kijken dan naar het ‘echte’ Journaal, zo kunnen documentaireliefhebbers met een gerust hart afstemmen op de jeugddocumentaires die, onder de noemer Zapp Echt Gebeurd, op zondagavond worden uitgezonden op NPO3; volwassen films over volwassen onderwerpen. Interessant voor jong en oud, verteld bovendien in hooguit twintig minuten.

Astrid Bussink geldt zo langzamerhand als een echte crack in jeugddoculand. Met haar films Achter De Toren (over vier Zeeuwse jongens die zich opmaken voor de middelbare school) en Giovanni En Het Waterballet (over een jongen die aan synchroonzwemmen doet) deed ze al danig van zich spreken. Sinds het najaar van 2017 is Bussink bovendien eindredacteur van VPRO Jeugd.

In diezelfde periode ging op het IDFA haar nieuwste film Luister (15 min.) in première. Deze documentaire over de Kindertelefoon won daar een speciale juryprijs voor beste jeugddocumentaire. Dat is niet vreemd. Luister is een speelse, collageachtige impressie van wat er zoal aan gesprekken binnenkomt bij de hulplijn en biedt op die manier een brede dwarsdoorsnede van wat er allemaal kan omgaan in een kinderhoofd.

Bussink haalt vier verhalen naar voren. Een meisje waarvan de ouders gaan scheiden. De jongen in een asielzoekerscentrum die zich zorgen maakt over zijn toekomst. Het meisje waarvan pa en ma toch wel erg vaak van huis zijn. En een puber met een geheim en een nét iets te kort lontje. De verhalen zijn geanonimiseerd en worden nauwelijks van context voorzien, maar zijn zeer treffend verbeeld en ingekleurd.

Het is daarom niet moeilijk om er een kind van vlees en bloed bij te bedenken. Je eigen kind, diens vriendjes of vriendinnetjes, zomaar een klasgenootje of dat ene jongetje of meisje aan het eind van de straat. Ze zouden zomaar eens om een luisterend oor verlegen kunnen zitten.