Foster

Op de avond voordat haar dochter werd geboren, gebruikte Raeanne cocaïne. Dat komt haar duur te staan: baby Kris’Lyn wordt uit huis geplaatst. Samen met vader Chris moet moeder voor de rechter verschijnen. Het kind, waarvan het de vraag is of het iets heeft opgelopen door Raeannes drugsgebruik, mag bij Chris verblijven. Hij komt alleen wel onder curatele te staan. En zijn vriendin moet afkicken en krijgt een beperkte bezoekregeling.

Terwijl de prille ouders proberen op te krabbelen, ondersteund en gecontroleerd door jeugdzorg, vertellen ze in deze documentaire hun eigen levensverhaal. Dat blijkt uiteindelijk een logische aanloop naar het punt in hun leven waarop ze nu in aanvaring zijn gekomen met de wet of een beroep moeten doen op hulpverlening. En dat geldt eigenlijk voor alle hoofdpersonen van Foster (113 min.), een poignante film van Deborah Oppenheimer en Mark Jonathan Harris over het reilen en zeilen bij de jeugdzorg van Los Angeles.

Één op de acht kinderen in de Verenigde Staten komt in contact met jeugdzorg vanwege verwaarlozing of mishandeling. 400.000 Amerikaanse kinderen en jongeren verblijven in de opvang. Deze documentaire zoekt enkele van hen op in die vermaledijde hoek waar steeds weer de klappen vallen. De achttienjarige tiener Mary bijvoorbeeld, een mooi meisje waarvan je in eerste instantie zou kunnen denken dat ze alles goed voor elkaar heeft. Mary werd echter geboren als drugsbaby en verbleef al op talloze opvangplekken. ‘Waarom gaven al die families me op?’ vraagt ze zich nu af.

Of de zestienjarige Dasani, die regelmatig voor de jeugdrechter moet verschijnen vanwege problemen die hij veroorzaakt in het opvanghuis waar hij op dit moment verblijft. Terwijl de Afro-Amerikaanse jongen wordt gestimuleerd en gedwongen om zijn leven te beteren, is er nog altijd dat ene onverwerkte familietrauma. Zou erover rappen helpen? En lukt het hem uiteindelijk om zichzelf op de rit te krijgen en tegelijkertijd dat achterstallige onderhoud weg te werken?

Oppenheimer en Harris spreken en portretteren niet alleen de kids zelf, maar ook de advocaten, hulpverleners, belangenbehartigers, deskundigen en reclasseringsmedewerkers om hen heen. Mensen met het hart veelal op de goede plek, zoals de voormalige Mom USA Earcylene Beavers, die al tientallen jaren zogenaamde probleemkinderen opvangt, en de betrokken jeugdzorgmedewerker Jessica Chandler. Zij werkt tegenwoordig bij de instantie waarop ze ooit zelf als verwezen tiener was aangewezen.

Foster is een optimistische film en wil dat ook duidelijk zijn. Dat laat onverlet dat het (net als in ons eigen land overigens, getuige bijvoorbeeld de veelbesproken documentaire Alicia) gaat om bijzonder weerbarstige problematiek, die bovendien een duidelijke relatie heeft met al even hardnekkige maatschappelijke kwesties als armoede, gebroken gezinnen en onleefbare wijken. Gezamenlijk staan de jongeren en hun entourage daarom voor een enorme opdracht: hoe houd je in zo’n leefomgeving, soms tegen beter weten in, zoiets elementair menselijks als hoop levend?

All In My Family

‘Ik ben er keihard op tegen dat mensen zoals jij kinderen krijgen’, zegt mama Zhang zonder te verblikken of verblozen tegen haar zoon Hao. ‘Als je een normaal gezin had zoals je zus, zou ik er niet op tegen zijn.’ De Chinese vrouw is op bezoek bij haar kind en diens vriend Eric in New York en heeft bij aankomst ook al het hele huis gepoetst (dat speciaal voor haar komst al extra goed onder handen was genomen door Eric).

Papa drukt zich al even subtiel uit. Toen hij ontdekte dat zijn zoon homoseksueel was, gaf het al zijn dromen ‘een vernietigende klap’. Hao Wu is China niet voor niets op zijn twintigste ontvlucht. Behalve zijn voortdurend op elkaar vittende ouders, een begripvolle zus en die ene invoelende tante weet thuis niemand van zijn ‘situatie’. Daar zit hij gewoon nog/weer in de kast. Maar hoe moet het verder nu er kinderen, twee maar liefst, op komst zijn? En wat vinden ze thuis eigenlijk van het fenomeen draagmoeders?

In de korte egodocu All In My Family (40 min.) moet Hao niet alleen de confrontatie aangaan met zijn kibbelende ouders. Hij krijgt met de complete familie van doen. En die is te kenschetsen als driftig, bot en luidruchtig. Dat levert diverse ongemakkelijke scènes op, waarbij de filmmaker steeds voor de keuze staat of hij voor de camera (waarom eigenlijk?) met de billen bloot wil gaan of verder zijn leugen leeft. Want wil je als enige kleinzoon écht je inmiddels dik negentigjarige opa, die steeds roept dat je maar eens met een meisje thuis moet komen, nog een keer grondig tegen de haren instrijken?

The Disappearance Of Madeleine McCann

De uitkomst van deze documentaireserie over Madeleine McCann, die in 2007 op driejarige leeftijd verdween tijdens een vakantie in Portugal, staat op voorhand vast: elke aflevering start namelijk met een oproep om je bij de politie te melden als je informatie hebt over het Britse meisje. Hoewel Maddie sinds haar verdwijning op diverse plekken is gespot of zou zijn begraven, is ze twaalf jaar na dato nog altijd spoorloos. Als ze tóch in leven is – wat erg onwaarschijnlijk lijkt – wordt ze in mei overigens zestien.

Waarom, als er geen BREAKING NEWS!!! is te melden, dan toch een televisieserie? Dat vragen Maddies ouders zich waarschijnlijk ook af. Ze weigerden te participeren in The Disappearance Of Madeleine McCann (415 min.), al zijn ze middels archiefmateriaal, en enkele impliciete woordvoerders, wel degelijk prominent aanwezig in de achtdelige serie. Kate en Gerry McCann keerden zich in een persverklaring zelfs tegen deze nieuwe poging om licht in de zaak te brengen. ‘We zien niet hoe dit programma de zoektocht naar Madeleine kan helpen en zijn bang dat dit het lopende politieonderzoek kan hinderen.’

Los van eventuele belemmering van het onderzoek: mag je eigenlijk tegen de wil van de ouders een serie over hun vermiste kind maken? Tegelijkertijd: áls die ouders zelf verantwoordelijk zouden zijn voor Maddies geruchtmakende vermissing – wat nog altijd een mogelijk scenario is, dat ook in deze docuserie van Chris Smith natuurlijk volop aandacht krijgt – dan is het vanzelfsprekend goed dat elke tegel nog eens wordt gelicht. Zie daar het dilemma van deze lang uitgesponnen true crime-productie.

De strijd rond de serie is sowieso exemplarisch voor de onmogelijke relatie van de McCanns met de media: waar de pers kan fungeren als een megafoon voor de zaak en zoektocht naar Madeleine, pompt ze net zo goed complottheorieën en klinkklare nonsens rond. Nog afgezien van de continue plaag die al die opdringerige verslaggevers en cameramensen, ook als er geen nieuws te melden of te verwachten is, al twaalf jaar voor de ouders en hun twee andere kinderen vormen…

The Disappearance Of Madeleine McCann neemt de tijd om chronologisch de gebeurtenissen te schetsen en de verschillende personages (politieagenten, verdachten, journalisten, communicatiemedewerkers, mensenhandelactivisten, privé-detectives en would be-weldoeners) te introduceren. Anthony Summers en Robbyn Swan, auteurs van het boek Looking For Madeleine, fungeren als gids. Zij loodsen de kijker langs een enorme reeks getuigenverklaringen, bewijsmateriaal en theorieën over wat er gebeurd zou kunnen zijn. Theorieën waarvan je op basis van de oproep voor elke aflevering al weet dat ze (weinig tot) niets gaan opleveren.

Zo verdwijnt langzaam maar zeker alle lucht uit deze documentaireserie, die plichtmatig de ene na de andere onderzoekspiste afwerkt, zonder dat een geloofwaardige verklaring of conclusie in zicht komt. Vooral de beschamende behandeling van Madeleines familie door bepaalde media, die bijvoorbeeld ongevraagd dagboekfragmenten van Kate McCann publiceerden, kan de kijker nog enigszins moveren. Die zorgt tegelijkertijd echter voor argwaan: wat doet deze serie, die overigens zeker niet al te vijandig is naar de McCanns, in wezen anders dan de tabloidpers die in deze serie aan de kaak wordt gesteld? Ook deze true crime-reeks probeert immers te scoren met de mysterieuze vermissingszaak van de schattige Maddie.

Bruce Lee & The Outlaw

The Lost Boys’ lopen stuk voor stuk met hun eigen kleine zakje Aurolac rond. Nicu, een mager joch met aandoenlijke flaporen, en de andere straatkinderen van Boekarest sluiten het zakje dwangmatig rond hun mond en laten zich bedwelmen door de goedkope lak. Om het leven dat ze lijden te ontvluchten.

De jongens hebben zich gegroepeerd rond het station én de oudere jongere ‘Bruce Lee’, die ook wel de koning van de ondergrondse tunnels wordt genoemd. Hij gebruikt de Aurolac niet alleen om te inhaleren, maar spuit zichzelf ook regelmatig helemaal zilverkleurig. Daardoor is hij al tweemaal in coma geraakt.

Bruce bekommert zich als een oudere broer om de jongens, die geen familie of thuis hebben. ‘Ik ben een gewoon kind’, zegt Nicu daarover. ‘Alleen hielp God me niet omdat hij het te druk had met andere kinderen.’ Hij is ondervoed geraakt, heeft HIV en tuberculose opgelopen en belandt in het ziekenhuis. De ‘engel’ Raluca, een betrokken vrouw met een eigen opvang, probeert zich over Nicu te ontfermen.

Fotograaf Joost Vandebrug, die eerder al het boek Cinci Lei over de zogenaamde Lost Boys maakte, heeft Nicu, Bruce en de andere jongens sinds 2011 gefilmd. Het resultaat, Bruce Lee & The Outlaw (59 min.) is een (g)rauwe film geworden over overleven in een harde en koude wereld, de stad onder de stad. Een wereld ook, die té vertrouwd kan worden.

Zo wordt pijnlijk duidelijk als de ontheemde Nicu zich voorneemt om voortaan van ‘de zak’ af te blijven…

Leaving Neverland

‘Jij en ik zijn samengebracht door God’, zou Michael volgens Wade hebben gezegd. ‘We zijn gewoon voorbestemd voor elkaar.’ Wade ‘Little One’ Robson, een Australische Jackson-fan en -imitator, was zeven. Ze waren voor het eerst intiem met elkaar. Er was niks engs aan. Gewoon twee kinderen die elkaar ontdekten – ook al was die ander, in theorie dan, al rond de dertig. Michael beschouwde zichzelf echter als Peter Pan, de jongen die nooit wilde opgroeien. Ze bevonden zich niet voor niets in Neverland. En misschien hoorde daar ook wel orale seks bij.

Jimmy Safechuck had soortgelijke ervaringen. Het Amerikaanse jongetje, dat met Michael in een commercial voor een colamerk had gespeeld, lichtte op onder de blik van het ultieme popicoon en beschouwde alles wat daarna kwam eigenlijk als normaal. En zijn ouders lieten zich, net als de familie van Wade, kinderlijk eenvoudig buitenspel zetten. Verblind als ze waren door Michaels sterrenstatus. Zodat de vriendschap met hun kind, die zelfs uitmondde in een soort van ‘huwelijk’, uitbundig kon bloeien.

Eenmaal uit elkaar, toen de muziek en het tourleven Michael weer riepen, floreerde hun omgang als nooit tevoren met urenlange telefoongesprekken, stapels faxen en logeerpartijtjes. En nog steeds greep er niemand in. Tenminste, als we Robson, Safechuck en hun families moeten geloven. Want Leaving Neverland (244 min.) is hún getuigenis. Ongefilterd, zonder weerwoord. De erven Jackson is niets gevraagd – en Michael zelf ligt alweer bijna tien jaar in zijn graf (waar hij zich nu wellicht omdraait).

Vanaf het moment dat de epische film van de Britse filmmaker Dan Reed eind januari in première ging op het Amerikaanse Sundance Film Festival werd de documentaire genadeloos onder vuur genomen door Michael Jackson-fans. De verklaringen van Robson en Safechuck, die hun relaas volgens Reed volledig los van elkaar hebben gedaan, zouden volstrekt ongeloofwaardig zijn en puur voor de poen. Echte Jacksonites bleven volledig overtuigd van Michaels onschuld en riepen dat van de hoogste toren – zónder overigens dat ze de film hadden gezien.

En nu is de gewraakte documentaire dan eindelijk toegankelijk gemaakt voor de ganse wereld. Met twee mannen, en hun directe verwanten, die helemaal tot de bodem gaan. En een regisseur die hun schokkende ervaringen, ondersteund door bijzonder archiefmateriaal van het in opspraak geraakte idool en de jongetjes die zij ooit geweest moeten zijn, met grootse (overzichts)shots en weelderige muziek heeft ingekleurd. Hij geeft ze bovendien alle tijd van de wereld: meer dan vier uur zuivere speeltijd.

Uit die (te) uitputtende interviews valt een verontrustende narratief te destilleren. Van een eeuwig (en beschadigd) kind, dat elk jaar een jeugdig object zoekt – een afspiegeling van zijn jonge, onschuldige zelf wellicht – waarop hij zijn liefde en lust kan projecteren. Totdat er een nieuw liefdeskind langskomt en z’n huidige protegé wordt afgedankt (of zich althans zo voelt). Voor wat het waard is: de andere jongensnamen die in dat verband vallen, waaronder de vermaarde kinderster Macaulay Culin, houden (tot dusver) vol dat ze nooit een seksuele relatie hebben gehad met Jackson.

Waarmee je zou kunnen concluderen dat de nee- of nikszeggers het betoog van de ja-sprekers in deze interviewfilm vakkundig neutraliseren. Gezien de mate van detail in de belastende verklaringen van Robson en Safechuck, en het indirecte ondersteunende bewijsmateriaal, laten die zich echter niet zomaar wegredeneren. Het zijn aangrijpende, van schuld en schaamte doortrokken verhalen die blijven resoneren. Hetzelfde geldt voor deze krachtige, hoewel wat overcomplete documentaire, die het beeld van Michael Jackson wel eens definitief zou kunnen doen kantelen.

Binnen enkele uren is Neverland niet alleen voor Jacksons voormalige oogappels een plek geworden die je, als je er eenmaal geweest bent, nooit meer helemaal kunt verlaten.

Svyato

 

Je kunt best ethische vragen stellen bij deze persoonlijke documentaire van IDFA-held Victor Kossakovsky: in hoeverre rechtvaardigt een film een toch wel behoorlijke ingreep in de ontwikkeling van je eigen kind?

Aan Kossakovskys korte documentaire Svyato (33 min.) uit 2005 ging een heuse levenskeuze vooraf: de Russische filmmaker besloot zijn zoon vanaf diens geboorte uit de buurt te houden van spiegels. Toen Svyatoslav op tweejarige leeftijd eindelijk werd geconfronteerd met spiegels in huis en dus voor het eerst zichzelf zag, legde zijn vader dat met drie camera’s vast. Hoe zou zijn inmiddels puberende zoon daar nu op terugkijken?

De film opent met een citaat uit een oude legende: alles veranderde toen de mens voor het eerst zijn reflectie zag. En dat zie je letterlijk voor je ogen gebeuren. Het vrolijk rond dribbelende peutertje waant zich onbespied en onderneemt een adembenemende ontdekkingstocht via de spiegel. Op zoek naar niets minder dan – hij heeft daar zelf natuurlijk nog geen idee van – zichzelf. En in en via de spiegel slaan wij hem gade.

Hoe leuk is het om met een veger op die spiegel te slaan? Wat zie en hoor je dan? Ben jij het echt die dat kan en mag doen? Al snel raakt Svyatoslav verveeld en keert hij terug naar zijn vaste speeltjes. Het tweejarige jongetje lijkt die hele spiegel alweer vergeten. Totdat hij hem toch weer opzoekt en geheel nieuwe mogelijkheden ontdekt in de wereld achter dat ding aan de muur, waarvan hij zelf stilaan deel is gaan uitmaken. Gaandeweg ontwikkelt hij zoiets als zelfbewustzijn.

’Dat ben ik’, zegt hij aan het eind van de film trots tegen zijn vader en geeft zijn eigen spiegelbeeld een kusje.

The Distant Barking Of Dogs

 

Samen met zijn oma loopt de tienjarige Oleg Afanasyev aan het begin van The Distant Barking Of Dogs (56 min.) door de sneeuw in Hnutove, een dorpje in de Donetsk-regio van Oost-Oekraïne. Sinds 2014 wordt er in deze omgeving gevochten tussen regeringstroepen en pro-Russische separatisten. Op de achtergrond klinken vrijwel permanent explosies en geweervuur. De kleine Oleg kijkt er niet meer van op.

‘Het lijkt alsof onze levens bevroren zijn’, zegt zijn oma in één van de regelmatig terugkerende bespiegelende voice-overs, die als structurerend element fungeren voor deze observerende film. ‘We schuilen als dieren voor de winter en wachten tot de kou voorbij is.’ Het tweetal arriveert bij het kleine kerkhofje, waar Olegs moeder Natasja begraven ligt. Oma huilt, Oleg niet. Het jongetje was zo klein toen ze stierf dat hij er volgens zijn grootmoeder nooit om heeft gehuild.

Regisseur Simon Lereng Wilmont volgt Oleg gedurende een jaar, een periode waarin hij uitleg krijgt over de verschillende soorten mijnen, meedoet aan een oefening in een schuilkelder en een kikker leert doodschieten met een pistool. Surrealistische scènes voor iedereen die niet in oorlogsgebied opgroeit. Zoals ook de gespreksstof van de kinderen soms vreemd aandoet. ’Weet je nog dat ze gisteren schoten?’, vraagt Oleg bijvoorbeeld aan zijn jongere neefje Yarik als ze samen het veld intrekken ‘Hier is die bom gevallen.’ Yarik antwoordt direct: ‘En die heeft mensen gedood.’ Nee, meent Oleg. ‘Geen mensen. Soldaten.’

Zou Olegs vader ook zijn omgekomen in de oorlog? Of is hij allang niet meer in beeld of nooit in beeld geweest? Daarop geeft deze asgrauwe film, die op het IDFA 2017 werd beloond met de Award voor Best First Appearance, geen antwoord. Ook zijn opa is in geen velden of wegen te bekennen. Het is oma die de jonge Oleg in haar eentje probeert te behoeden voor de valkuilen van de oorlog en ondertussen iets van zijn kindzijn moet zien te bewaren.

Jij Bent Mijn Vriend

‘We kijken allemaal naar dezelfde maan’, doceert Juf Kiet. ‘Of je nu in Syrië bent of in Australië of in Amerika. Als je naar de maan kijkt, is dat dezelfde maan voor iedereen.’ De hoofdpersoon van de vorige documentaire van Peter en Petra Lataster, publieksfavoriet en Gouden Kalf-winnaar De Kinderen Van Juf Kiet, is wederom prominent aanwezig in opvolger Jij Bent Van Mijn Vriend (77 min.). De absolute hoofdrol is echter voorbehouden aan een klein Macedonisch jongetje: Branche.

De maan is nog goed zichtbaar als hij wordt gewekt door zijn ouders. De zesjarige Branche wil niet naar school. Je moet, zeggen zij. Nederlands leren en vrienden maken. Hij komt terecht in de migrantenklas van Juf Kiet, op een basisschool in het Brabantse Hapert. Het huilende jongetje heeft tijd nodig om er zijn plek te vinden. Naast een aaibaar kereltje uit Syrië, dat natuurlijk zijn eigen geschiedenis met zich meebrengt.

De Latasters observeren hoe Branche via zijn nieuwe vriendje en onder de hoede van zijn attente juf aardt binnen de klas (en het vreemde land waar hij, door het werk van zijn ouders, terecht is gekomen). De camera blijft net als bij De Kinderen Van Juf Kiet, waarvan deze film een spinoff is, op ooghoogte van de kinderen en kijkt hen liefst recht in het gezicht. Want dit is hun verhaal. De volwassenen – juf Kiet en later meester Wout – zijn niet meer dan figuranten.

Het verhaal van Branche en zijn wisselende vriendjes wordt sober en met oog voor detail verteld. Zonder interviews en met spaarzaam, maar bijzonder effectief gebruik van muziek. De kinderen moeten het werk doen – en doen dat ook. Via hen wordt zichtbaar dat vriendschap, en zoiets elementair menselijks als empathie, kan én moet worden geleerd. In die zin fungeert deze hartverwarmende film tevens als tegengif tegen de hedendaagse tijd, waarin ongebreideld egoïsme en navrant narcisme regelmatig de toon lijken te zetten.

Won’t You Be My Neighbor?

Fred Rogers ging elke dag op de weegschaal. Hij moest en zou precies 143 pond wegen. Zijn hele leven lang. Een kwestie van ongelofelijke discipline. Die 143 stond ergens voor: I love you, woorden met respectievelijk één, vier en drie letters. Zo sprak hij tegen zichzelf, ongetwijfeld een erfenis van zijn jeugd.

Mister Rogers verspreidde zijn boodschap van liefde decennialang via de Amerikaanse publieke zender PBS. ‘You’re special’, hield hij kinderen voor in zijn kinderprogramma Mr. Rogers’ Neighorhood. Als een lievige Ome Willem, in een kenmerkend oubollig vest, die verdwaald is geraakt in De Fabeltjeskrant.

‘Wat essentieel is in het leven’, zegt hij in de warme documentaire Won’t You Be My Neighbor? (94 min.), ‘is met het blote oog niet te zien.’ Rogers, die studeerde aan het seminarie, vond dat (kinder)televisie een educatieve taak had. Het hoefde niet alleen puur vermaak te bieden en hoefde de kijker niet puur als consument te benaderen.

Met gesprekken, liedjes en een heel arsenaal aan vaste poppen en acteurs maakte hij gevoelige onderwerpen zoals onzekerheid en depressie en actuele thema’s, zoals de oorlog in Vietnam of de moord op Bobby Kennedy, bespreekbaar in de taal en op het niveau van kinderen. Dat oogt nu bijna als anti-televisie: traag, met weinig actie en drama. Klein en menselijk.

Dezelfde kwalificaties zijn toepasbaar op deze verrukkelijke documentaire van Morgan Neville. Het is alsof je naar een beeldbuis-programma uit lang vervlogen tijden zit te kijken. Over een archaïsch ogende televisiedominee, die gaandeweg al zijn idealen over het medium zag vervliegen. Want ‘zijn’ televisie werd steeds meer een podium voor het betere (verbale) gooi- en smijtwerk.

Na afloop van Won’t You Be My Neighbor? rest een onbestemd verlangen naar, in sommige opzichten, betere tijden. Want gewoon een aardige man. Waar zie je die tegenwoordig nog op de (Amerikaanse) televisie?

Muhi – Generally Temporary

 

Al zolang hij leeft, zit de dood Muhammad, liefkozend Muhi genoemd, op de hielen. Het vierjarige jongetje heeft een auto-immuunziekte die hem zomaar fataal zou kunnen worden. Deze aandoening heeft Muhi al zijn handen en voeten gekost. Om zijn prille leven te redden moesten die worden geamputeerd.

Het leven heeft Muhi nóg een beroerde kaart gegeven; hij is Palestijns en verblijft in een Israëlisch ziekenhuis. Vanwege veiligheidsoverwegingen mag hij het gebouw niet verlaten. Hij heeft zijn moeder, die is achtergebleven in Gaza, dus al enkele jaren niet gezien. Alleen zijn grootvader Abu Naim, een familieman met een groot hart, bivakkeert al vier jaar aan zijn zijde.

Als Muhi’s moeder voor 48 uur een visum krijgt om de vijfde verjaardag van haar zoon bij te wonen, is ze verrast dat hij haar überhaupt nog herkent. Ze ziet ook voor het eerst hoe hij tóch heeft leren lopen. Tegelijkertijd ontdekt ze dat Muhi langzaam maar zeker vervreemd raakt van zijn roots. Hij telt nog steeds in het Arabisch, maar zingt Joodse liedjes.

De observerende documentaire Muhi – Generally Temporary (87 min.) van Rina Castelnuevo-Hollander en Tamir Elterman laat zien hoe het schattige jongetje gedijt in zijn eigen kleine wereldje waarin tegenstellingen verdampen, terwijl zijn opa en de rest van de familie steeds weer worden opgeslokt door het Palestijns-Israëlische conflict en de praktische complicaties die dat met zich meebrengt. Zeker als het noodlot weer ongenadig toeslaat…

Lenno En De Maanvis

 

Als je niet verder kijkt dan je neus lang is, zie je gewoon een kutventje: Lenno. Of zoals zijn vader vaak geïrriteerd, in plat Utrechts, roept: ‘Lennooo’. Uitroepteken erachter. Het joch is tien jaar oud en gek van zijn maanvis. Een symbolische keuze, zo lijkt het: die vis heeft de naam dat ie agressief is. Maar dat vindt Lenno niet eerlijk.

‘Mensen denken wel eens dat ik een probleem heb omdat ik vaak boos ben’, zegt hij over zichzelf. ‘Ik vind dat heel stom dat ze dat zeggen.’ Zijn vader, die volgens eigen zeggen ook niet altijd braaf is geweest, voedt Lenno in zijn eentje op en probeert hem en zijn tweelingbroer Teun te behoeden voor de fouten die hij zelf ooit maakte. ‘Toen ik vroeger boos werd, klapte ik er gelijk op. En waarom? Omdat ik niet kon praten. En dat moet jij ook eens leren.’

De ruwe en toch poëtische jeugddocumentaire Lenno En De Maanvis (18 min.) van Shamira Raphaëla, die de IDFA Award voor beste kinderdocumentaire won en zondag opnieuw wordt uitgezonden, portretteert van heel dichtbij een jongen met gedragsproblemen en zijn directe omgeving.  Het is een bijna zintuiglijke ervaring geworden, met een heel associatieve montage, lekkere dwarse percussie als soundtrack en een vertelling die soms plotseling van kleur verschiet.

Conflict en verzoening kunnen elkaar binnen enkele seconden afwisselen. Zo mag Lenno bijvoorbeeld een duivelshoofd op het been van zijn vader tatoeëren. ‘Dieper d’r in’, moedigt die hem aan. ‘Maar mag dat eigenlijk wel, dat ik een tattoo zet?’ wil Lenno weten. ‘Mag ik zelf weten’, antwoordt vader beslist, alsof hij de ontluikende puber is. Niet veel later krijgen de twee ruzie en roept vader hem stevig tot de orde. En Lenno wordt even weer een doodnormaal joch van tien, dat op zijn nummer is gezet.

Shamira Raphaëla maakte eerder de spannende egodocumentaire Deal With It, waarin ze haar drugs dealende en aan heroïne verslaafde vader Pempy en haar broer Andy, die op het rechte pad probeert te blijven, op intieme wijze portretteert.

Luister


Zoals veel volwassenen liever naar het Jeugdjournaal kijken dan naar het ‘echte’ Journaal, zo kunnen documentaireliefhebbers met een gerust hart afstemmen op de jeugddocumentaires die, onder de noemer Zapp Echt Gebeurd, op zondagavond worden uitgezonden op NPO3; volwassen films over volwassen onderwerpen. Interessant voor jong en oud, verteld bovendien in hooguit twintig minuten.

Astrid Bussink geldt zo langzamerhand als een echte crack in jeugddoculand. Met haar films Achter De Toren (over vier Zeeuwse jongens die zich opmaken voor de middelbare school) en Giovanni En Het Waterballet (over een jongen die aan synchroonzwemmen doet) deed ze al danig van zich spreken. Sinds het najaar van 2017 is Bussink bovendien eindredacteur van VPRO Jeugd.

In diezelfde periode ging op het IDFA haar nieuwste film Luister (15 min.) in première. Deze documentaire over de Kindertelefoon won daar een speciale juryprijs voor beste jeugddocumentaire. Dat is niet vreemd. Luister is een speelse, collageachtige impressie van wat er zoal aan gesprekken binnenkomt bij de hulplijn en biedt op die manier een brede dwarsdoorsnede van wat er allemaal kan omgaan in een kinderhoofd.

Bussink haalt vier verhalen naar voren. Een meisje waarvan de ouders gaan scheiden. De jongen in een asielzoekerscentrum die zich zorgen maakt over zijn toekomst. Het meisje waarvan pa en ma toch wel erg vaak van huis zijn. En een puber met een geheim en een nét iets te kort lontje. De verhalen zijn geanonimiseerd en worden nauwelijks van context voorzien, maar zijn zeer treffend verbeeld en ingekleurd.

Het is daarom niet moeilijk om er een kind van vlees en bloed bij te bedenken. Je eigen kind, diens vriendjes of vriendinnetjes, zomaar een klasgenootje of dat ene jongetje of meisje aan het eind van de straat. Ze zouden zomaar eens om een luisterend oor verlegen kunnen zitten.

Waiting For The Sun


‘Ik ben geen goed mens’, zegt een Chinese man huilend tegen zijn drie tienerkinderen, nadat hij ze tips heeft gegeven voor de rest van hun leven. ‘Geen goede vader, geen goede burger.’ Hij verschanst zich beschaamd in zijn jas. ‘Dat ben je wel’, probeert één van zijn dochters nog, maar de zaak lijkt reddeloos verloren. Papa gaat naar de gevangenis en krijgt waarschijnlijk ook de doodstraf. Zijn kinderen vertrekken naar Sun Village in Beijing.

Dat is het hartverscheurende startpunt van Waiting For The Sun (55 min.), een documentaire van de Deense regisseur Kaspar Astrup Schröder over het weeshuis van juf Zhang, een oudere vrouw die ooit gevangenbewaarder was. Liefdevol vangt ze kinderen op van ouders, die in de gevangenis zijn beland. Kinderen die anders volledig aan hun lot zouden worden overgelaten en gestigmatiseerd.

Neem die ontwapenende drieling van nog maar acht. Moeder zit vast omdat ze hun gewelddadige vader heeft gedood. In de fleurige paviljoens van oma Zhang en haar trouwe steun en toeverlaat huismeester Su, een voormalige militair, hebben ze een nieuw thuis gevonden, waar ruimte is voor hun gevoelens, niet vreemd wordt opgekeken als ze worstelen met zichzelf of elkaar en ook hun veroordeelde mama welkom is.

‘Was ik maar een wees’, sombert één van de Sun Village-kinderen. ‘Wezen zijn beter af. Die hebben geen ouders. Die hebben geen vreselijke herinneringen.’ De tragiek van willekeurige kinderen die worden opgezadeld met de dramatische keuzes van volwassenen, verbeeld met brieven en tekeningen voor hun ouders, maakt van het kalme en verzorgde Waiting For The Sun een aangrijpende film.

Slagershart

 

‘Zonder doden geen vak’, zegt opa Ter Weele achteloos tegen zijn kleinzoon Wessel, die later het familiebedrijf wil voortzetten. De dertienjarige telg van een Gelderse slagersgeslacht begrijpt dat er altijd een dier moet worden gedood als je vlees wilt verkopen. Hij heeft zelfs een vriendje, dat hem in dat kader konijntjes levert.

In de fraaie jeugddocumentaire Slagershart (14 min.) portretteert Marijn Frank, die eerder al haar eigen relatie tot vlees onderzocht in de sterke documentaire Vleesverlangen, de no-nonsense jongen uit Oene. Hoewel Wessel later het slagersvak in wil, houdt hij volgens eigen zeggen van dieren. ‘Sommige mensen denken dat slagers dieren alleen leuk vinden als ze aan de enkels hangen’, stelt hij droog. ‘Maar dat is bij mij en m’n vader en m’n opa helemaal niet zo.’

Slagershart, dat anderhalve maand geleden de Cinekid Award voor Beste Nederlandse Non-Fictie Televisieproductie won, werd vorige week zondag al uitgezonden in Zapp Echt Gebeurd, een prachtig platform voor Nederlandse jeugddocumentaires op NPO3. In eerste instantie had ik de film gemist, maar ik vond ’m te mooi en aandoenlijk om onbesproken te laten in deze nieuwsbrief.

Pilotenmasker

 

Owen blaast op zijn oranje fluit. Hij wil die tunnel niet in. En papa en mama vinden dat hij er wel in moet. Alleen even een foto maken. Ze beloven een kadootje. Owen gaat uiteindelijk overstag. Hij houdt zijn knuffel stevig vast. Op de achtergrond klinkt Kinderen Voor Kinderen. Raar Maar Waar.

De openingsscène van Simonka de Jongs aangrijpende film Pilotenmasker (94 min.) is een voorbode van wat de kijker nog te wachten staat: kleuters met ‘gemene celletjes’ in hun lichaam, die noodgedwongen worden blootgesteld aan ingrijpende medische onderzoeken en behandelingen. Normale kinderen die verzeild zijn geraakt in volstrekt abnormale situaties.

In de allerbeste ‘direct cinema’-traditie, zonder interviews en met een camera die intiem de (rauwe) werkelijkheid registreert, worden de gebeurtenissen op de afdeling kinderoncologie van het Prinses Máxima Centrum in Utrecht vereeuwigd. De focus ligt daarbij volledig op de kinderen. Ouders, verpleegkundigen en doktoren blijven vaak helemaal buiten beeld of figureren aan de rand van het frame.

Simonka de Jong, kleindochter van de bekende historicus Loe (over wie ze ook een film maakte), verplaatst zich af en toe ook letterlijk in het perspectief van de kinderen en geeft hen een camera in de hand, zodat ze hun eigen belevingswereld kunnen vastleggen. Onderwijl blijven de medici voor hen vechten met hun ziekte.

Laat Het Los, zingt een schattig meisje tegen het einde van Pilotenmasker hartstochtelijk mee met Elsa van de Disney-film Frozen, die ze voor zich ziet op een mobiele telefoon. ‘Laat het gahaaan!’ En haar directe omgeving heeft het even te kwaad.

Het is de opmaat naar de indrukwekkende slotscène van deze afwisselend pijnlijke, vertederende en hartverscheurende film, die terecht kans maakt om te worden uitgeroepen tot beste Nederlandse documentaire tijdens het IDFA.

Arna’s Children

 

Even registreren op de website van het documentairefestival IDFA, dat woensdag van start gaat in Amsterdam, en je kunt talloze documentaires, veelal gratis, bekijken. Zoals bijvoorbeeld Arna’s Children (57 min), een aangrijpende film uit 2003 over een Palestijnse kindertheatergroep, die tijdens de tweede Intifada, waarbij Israël en de Palestijnen weer eens lijnrecht tegenover elkaar stonden, op het podium met allerlei gevoelens leerde omgaan.

Juliano Mer Khamis vertelt het verhaal van zijn onverzettelijke moeder Arna, een Joodse vrouw die een Palestijnse man trouwde en in de jaren negentig een theater runde in het vluchtelingenkamp Jenin. Arna en haar zoon probeerden een groepje Palestijnse kinderen enthousiast te maken voor acteren, in de hoop hen daarmee te kunnen behoeden voor de burgeroorlog die rondom hen woedde.

Enkele jaren later, vijf jaar na de dood van zijn moeder en het opdoeken van haar theatertje, keert Juliano terug naar Jenin om de balans op te maken. Wat is er geworden van de enthousiaste theatermakers? Hebben ze zich weten te ontworstelen aan de voetangels en klemmen van hun dagelijks bestaan? Of zijn ze ‘gewoon’ onderdeel geworden van het alles verslindende conflict en uitgegroeid tot martelaar (of terrorist, afhankelijk vanaf welke kant je naar het conflict kijkt)?

Het antwoord in deze bekroonde documentaire stemt helaas weinig hoopvol. Daarbij speelt ook het lot van de filmmaker, Juliano Mer Khanis, een belangrijke rol. In 2011 werd hij bij het verlaten van het theater, waarmee hij samen met zijn moeder de wereld wilde verbeteren, neergeschoten door een gemaskerde schutter. Drie jaar eerder had hij zijn dood zelf al voorspeld. Voor deze moord is tot dusver overigens niemand veroordeeld.

Elián

 

Was het een wonder toen Elián Gonzalez tijdens Thanksgiving 1999 als drenkeling uit het water tussen Cuba en de VS werd gevist? Een vijfjarig jongetje uit Cardenas, aan de Noordzijde van het eiland Cuba, dat uiteindelijk Miami bereikte nadat zijn moeder op zee was verdronken.

In de documentaire Elián (108 min.) van Tim Golden en Ross McDonnell, worden zijn redding en de navolgende mediastorm gereconstrueerd. De filmmakers portretteren de tumultueuze ontwikkelingen rond het mediagenieke joch als de culminatie van het conflict tussen de Verenigde Staten en Fidel Castro’s Cuba.

In die zin is de film vergelijkbaar met OJ: Made in America, het vijfluik over OJ Simpson dat eerder dit jaar de Oscar voor beste documentaire in de wacht sleepte. Het ‘kleine’ verhaal van een kleuter, waaraan zowel vanuit Cuba (zijn vader) als Florida (andere familieleden) gigantisch wordt getrokken, is afgezet tegen het grote conflict: Fidels (vermeende) dictatuur versus de ‘vrijheid’ van Amerika.

De belangen van het kind raken al snel volledig ondergesneeuwd als pro- en anti-Castro activisten in de media alle ruimte krijgen om op hoge toon Eliáns terugkeer naar zijn geboorte-eiland of juist zijn gecontinueerde verblijf in het land van de onbegrensde mogelijkheden te bepleiten.

Het steekspel rond het jongetje zou zelfs, zo betoogt deze enerverende film, een doorslaggevende rol hebben gespeeld in de Amerikaanse verkiezingen van 2000, waarbij een paar honderd (Cubaanse) stemmen in Florida de Republikein George W. Bush president maakten. Over wonderen gesproken.

Casting JonBenet

 

Ja, ik ben er laat bij. Casting JonBenét (80 min.) staat al sinds eind april op Netflix, maar ik vind het zo’n bijzondere documentaire dat ik ’m toch onder de aandacht wil brengen in deze nieuwsbrief.

Regisseur Kitty Green richt zich in deze verbluffende film op één van Amerika’s bekendste cold cases, de geruchtmakende moord op de zesjarige beauty queen JonBenét Ramsey tijdens kerstmis 1996. Green kiest echter voor zo’n bijzondere vertelvorm dat Casting JonBenét bepaald geen standaard true crime-documentaire is geworden.

Daarvoor maakt ze gebruik van amateuracteurs uit de woonplaats van de familie Ramsey, die hun licht laten schijnen op de nog altijd onopgeloste moord en intussen ook heel wat van zichzelf prijsgeven. Die combinatie levert een heel bijzondere kijkervaring op, die over meer gaat dan alleen een spraakmakende kindermoordzaak.