June

Paramount

Bij de gedachte aan June Carter Cash (1929-2003) ziet menigeen waarschijnlijk Reese Witherspoon voor zich, de actrice die haar vol verve vertolkte in de biopic van haar echtgenoot, Walk The Line. Of ze denken gewoon aan hem, de Amerikaanse countrylegende Johnny Cash. Het duurt echter ruim een half uur voordat de illustere zanger met die uit duizenden herkenbare, aardedonkere stem haar levensverhaal binnenstapt in de documentaire June (98 min.). Met, natuurlijk, de iconische woorden: ‘Hello, I’m Johnny Cash’.

Het is dan 1956 en June heeft er al een half leven opzitten: ze groeit op als lid van de befaamde folkgroep The Carter Family, wordt daarna als komisch talent ontdekt in de befaamde Grand Ole Opry in het countrymekka Nashville en is dan al aan haar tweede huwelijk bezig – en heeft als gevolg daarvan ook twee dochters, Carlene en Rosie. Na enige tijd afhouden kan ze ‘The Man in Black’ begin jaren zestig echter niet meer weerstaan – ook al is hij een onverbeterlijke junk. De real life-versie van Walk The Line staat op het punt om te beginnen.

Als hij ein-de-lijk is afgekickt, leven ze nog lang en gelukkig. Althans, in de sprookjesversie van hun leven, zoals één van de sprekers in deze documentaire van Kristen Vaurio de speelfilm met Joaquin Phoenix als Cash en Witherspoon als zijn onweerstaanbare echtgenote betitelt. Dat beeld is overigens ook al flink genuanceerd in The Gift: The Journey Of Johnny Cash (2019), tot nader order het definitieve portret van de muzikale legende Cash. June zal nog tot diep in de jaren tachtig heel wat te stellen hebben met de verslavingen van haar echtgenoot.

Intussen staat zij, de telg van een baanbrekende muzikale familie, ook volledig in zijn schaduw. Terwijl June – betogen hun kinderen, vrienden en bekende collega’s zoals Dolly Parton, Willie Nelson en Emmylou Harris – bijvoorbeeld zijn grootste hit Ring Of Fire heeft geschreven. Niet Johnny. Zij zal zich echter naar hem moeten plooien, Als een matrone blijft ze ook zijn leven bijsturen. ‘It’s hard to be Johnny Cash’, zegt June wel eens vergoelijkend over haar echtgenoot, volgens hun zoon John Carter Cash. Voor zichzelf huldigt ze een eenvoudig levensparool: Press On.

En met een soloalbum dat zo is getiteld wint ze in 1999, slechts enkele jaren voor haar dood, zowaar een Grammy Award, de kroon op een dienstbaar leven, als vrouw, moeder en artiest, dat in deze film nu eens centraal wordt gezet. Haar man, die ’t nog maar een paar maanden zal volhouden zónder haar, heeft daarin slechts een bijrol. De belangrijkste bijrol, dat wel. Daarmee wordt June een prima tegenhanger voor The Gift – en voor My Darling Vivian (2021), het portret van de eerste vrouw van Cash, Vivian Liberto.

Muriel Leferle

La Sept Cinema / Double D Copyright Films

Meer dan de helft van deze film bestaat uit één enkel shot. Twee vrouwen, tegenover elkaar zittend. Van opzij gefilmd, aan een tafel met verder alleen een lamp en een telefoontoestel erop. In gesprek. De één, links, vertelt. De ander, rechts, vraagt. Het lijkt bijna een spel – vraag, antwoord, vraag… – maar zou bittere ernst moeten zijn. De jonge vrouw links, Muriel Leferle (76 min.), is aangehouden vanwege autodiefstal en probeert het achterste van haar tong niet te laten zien bij de mevrouw rechts, een psychologe die niet eens zoveel ouder lijkt, maar veel degelijker oogt.

Het gesprek is afkomstig uit Délits Flagrants, de klassieke direct cinema-film die Raymond Depardon in 1994 maakte over het Franse rechtssysteem. Daar zat dit verbale steekspel ook al in, terug gesneden tot enkele minuutjes. Nu is vrijwel het volledige gesprek van drie kwartier te zien. Plots dreigt Muriel daarin op te stappen. ‘Ik heb je dit alleen verteld omdat ik dacht dat dit onder ons zou blijven’, zegt ze tegen haar gesprekspartner – en voor Depardons geduldig registrerende camera. Of de psychologe haar aantekeningen niet kan verscheuren? ‘Ik ontken toch alles.’

Daarna volgen nog twee, veel kortere ontmoetingen. ‘Wat zal ik zeggen?’ zegt Muriel, als de assistent-aanklager haar confronteert met getuigen die verklaren dat ze op heterdaad is betrapt terwijl zij een gestolen auto probeerde te starten. ‘De waarheid, graag’, antwoordt de vrouw tegenover haar glimlachend. Muriel is wel wijzer. Ze houdt het bij: ‘Ik heb daarop niets te zeggen.’ Even later confronteert de aanklaagster Muriel met haar aanzienlijke strafblad, het gevolg van een hardnekkige drugsverslaving. Ze zal ditmaal, zoveel is duidelijk, niet ontkomen aan rechtsvervolging.

Tot slot ontmoet Muriel de advocaat, die haar is toegewezen voor de gang naar de rechter. Ze is bang dat ze nu niet aan een gevangenisstraf ontkomt. ‘Je gaat zeker naar de gevangenis als je de rechter onzin probeert te verkopen’, spreekt hij haar vermanend toe als ze hem een totaal ongeloofwaardig verhaal vertelt over haar aanwezigheid in die auto. In de rechtszaal zal Muriel toch echt met een betere verklaring moeten komen. Depardon kijkt intussen nog altijd mee. Als een, inderdaad, Franse Frederick Wiseman. Zonder in te grijpen, bijna dan, of de boel te verfraaien.

Net als Délits Flagrants (1994) en 12 Jours (2017), Depardons film over Fransen die gedwongen zijn opgenomen in een psychiatrische inrichting en in dat kader voor de rechter moeten verschijnen, toont Muriel Leferle (1999) de gewone feilbare mens tegenover het systeem, dat dan afwisselend z’n formele, bureaucratische en – hopelijk – menselijke gezicht toont. Er gebeurt helemaal niets en tegelijk van alles.

KIJK HIER: Muriel Leferle

Knokke In Cadzand

BNNVARA / D2D Media

Ploegleider Maarten Molema ziet het met lede ogen aan. Als ze met de vrijwillige brandweer van Cadzand moeten uitrukken, heeft hij steeds minder mensen tot z’n beschikking. Totdat het eigenlijk niet meer verantwoord is.

Het Zeeuwse dorp is groter dan ooit, maar heeft feitelijk nog altijd maar zeshonderd vaste inwoners. Net als de nabijgelegen Belgische kustplaatsen herbergt Cadzand alsmaar meer zomerhuizen, vakantieappartementen en tweede woningen. Voor de lokale bevolking heeft dat nogal wat consequenties: een groot deel van het jaar staat het dorp een heel eind leeg, de huizen zijn onbetaalbaar geworden en plaatselijke voorzieningen, zoals de brandweer, zijn nauwelijks overeind te houden.

‘Het dorpsgevoel is helemaal weg’, zegt Molema in de documentaire Knokke In Cadzand (50 min.) van Ellis Smulders. ‘Het begint steeds meer op Knokke te lijken.’ Dat is niet bedoeld als compliment. De lokale makelaar Wim van Akker behoorde tot de architecten van dat nieuwe Cadzand. Toen Knokke helemaal volgebouwd leek, zag hij daarin een kans voor zijn eigen dorp, dat wel wat nieuwe impulsen kon gebruiken. Tegenwoordig verblijven er in het hoogseizoen zo’n zestigduizend mensen in Cadzand.

De kustlijn is er intussen, net als in België, bepaald niet mooier op geworden. En met die ‘verroompottisering’ zijn ook toeristen van het eerste uur, zoals het oudere Belgische stel Willy en Nicole, niet blij. Zij maken zich daarnaast zorgen over de stijgende kosten. Zo hebben alle hoofdpersonen van dit aardige portret van een dorp in transitie hun eigen gedachten bij het massale toerisme. Zonder kan Cadzand, dat ooit dreef op landbouw en visserij, niet meer, maar hoe voorkomen ze dat het dorp definitief z’n ziel verliest?

De geboren Cadzander Maarten Molema overweegt in elk geval om elders te gaan wonen. En het moment dat de lokale brandweerwagen niet meer kan uitrijden komt ook steeds dichterbij.

Murder In Glitter Ball City

HBO Max

Met enige goede wil kan de tragische vondst in het Victoriaanse huis van Jeffrey Mundt en Joey Banis in juni 2010 worden beschouwd als een verrijking van de plaatselijke folklore. De oude stadswijk Old Louisville, waar volgens Jan en alleman regelmatig geesten worden waargenomen, kan nog wel een ‘moordhuis’ gebruiken.

De plaatselijke schrijver David Dominé vertelt er graag over tijdens de rondleidingen die hij verzorgt door de grootste stad van Kentucky. Hij heeft eerder ook al een boek gewijd aan het lijk dat is aangetroffen op 1435 South 4th Street, de woning van het homoseksuele koppel: A Dark Room In Glitter Ball City. In het souterrain van Mundt en Banis blijkt al zo’n zes maanden het levenloze lichaam van Jamie Carroll verstopt te liggen. Door wie de ‘drag queen’ om het leven is gebracht, blijft echter ongewis. Daarover gaan héél verschillende verhalen de ronde.

Fenton Bailey en Randy Barbato beginnen hun tweedelige documentaire over deze moord eveneens bij Dominé, die de nare geschiedenis ook als verteller lekker opleukt en tevens de nodige ‘coureur locale’ toevoegt. De filmmakers borduren daarop lustig verder en laten kleurrijke inwoners van Old Louisville voorlezen uit zijn boek. Murder In Glitter Ball City (149 min.) begint daardoor bedrieglijk luchtig – al zit er vóór de rondgang langs al die paradijsvogels nog wel een intrigerende bekentenisvideo. Die zal een doorslaggevende rol spelen in de afwikkeling van de moord.

Deze video keert regelmatig, steeds op een nét iets andere manier, terug in de film én in de rechtszaal, waar de zaak definitief dient te worden beslecht. Daarvoor moet eerst de relatie tussen de ‘bad boy’ Joey en de braverik Jeffrey helemaal worden uitgevlooid. De punker met de hanenkam, tattoos en het strafblad versus een IT’er, die jarenlang aan de universiteit werkt en nu een bed & breakfast wil starten. Op het eerste gezicht ligt voor de hand wie Carroll naar de andere wereld heeft geholpen, maar een nadere blik op de kinky relatie van de twee zorgt toch voor twijfel.

Van een zwierige rondgang langs de bonte gemeenschap van Old Louisville is Murder In Glitter Ball City dan allang getransformeerd in een klassieke true crime-vertelling rond de vraag der vragen in misdaadverhalen: whodunnit?

How To Die In Oregon

HBO

‘It was easy, folks!’ zegt Roger Sagner, net voor hij zijn laatste adem uitblaast in de openingsscène van de aangrijpende documentaire How To Die In Oregon (107 min.) uit 2011. ‘It was easy.’ Even daarvoor heeft Roger, omringd door zijn naasten en enkele vrijwilligers van de ideële organisatie Compassion And Choices een drankje ingenomen, dat naar verluidt ‘houtachtig’ smaakt, om zijn leven te beëindigen.

Als de Amerikaanse staat Oregon halverwege de jaren negentig de Death With Dignity Act aanneemt, zijn er nog maar twee landen in de wereld – Zwitserland en Nederland – waar euthanasie is gelegaliseerd. Ruim vijftien jaar later hebben inmiddels ruim vijfhonderd ‘Oregonians’ de zachte dood gekregen die zij, gedwongen door de omstandigheden, hebben gezocht. Ze moeten het dodelijke middel uiteindelijk overigens wel zelf innemen. Hun artsen kunnen en willen zich nog niet wagen aan het verlenen van actieve hulp.

In deze film brengt documentairemaker Peter Richardson verschillende aspecten van dit delicate proces in beeld. Hij volgt bijvoorbeeld Cody Curtis, een aimabele 54-jarige vrouw met leverkanker, die is uitbehandeld en een waardig levenseinde nastreeft. Samen met haar echtgenoot Stan en hun volwassen kinderen Jill en zoon Thomas probeert Curtis, voortdurend ondersteund door haar oncoloog Katherine Morris, te genieten van elke goede dag die haar nog is vergund – al voelt ze zichzelf ook een ‘dead woman walking’.

Nancy Niedzielski uit Seattle is intussen vastbesloten om de laatste wens van haar echtgenoot Randy in vervulling te laten gaan. Hij overleed na een lange lijdensweg aan hersenkanker. ‘Zes weken voor zijn dood zei hij: dit wordt een heel lelijk proces’, herinnert ze zich geëmotioneerd. ‘Beloof me dat je je best doet om de wet te laten veranderen.’ Dat wordt vervolgens Nancy’s levensdoel. Pas als de Death With Dignity-wet is aangenomen in de staat Washington, is haar huwelijk echt voorbij – en kan zij eindelijk gaan rouwen.

Tegenstanders noemen zo’n zachte dood consequent ‘assisted suicide’ en bestrijden die te vuur en te zwaard. Richardson is er echter niet op uit om het politieke gevecht rond euthanasie te belichten, maar richt zich op de menselijke verhalen. Zo wil Randy Stroups zorgverzekeraar bijvoorbeeld zijn behandeling voor prostaatkanker niet vergoeden, omdat die te weinig effect zou hebben op z’n levensverwachting. Een ‘doctor assisted suicide’ blijkt wel bespreekbaar. Als Stroup daarmee naar buiten treedt, krijgt ie alsnog zijn behandeling.

Sober, zonder enige vorm van effectbejag, belicht How To Die In Oregon intussen de dagelijkse praktijk in Ohio rond Death with Dignity. Na een onverwachte zomer begint intussen ook de geleende tijd van Cody Curtis op te raken. Ze ziet er nog bedrieglijk goed uit – Curtis volgt een ‘kankerdieet’, zegt ze zelf – maar voelt het einde wel degelijk naderen. Als het zover is, brengt Peter Richardson dit met gepaste distantie in beeld. Als treffend slot van een ingetogen en juist daardoor zo indringende film.

Mel Brooks: The 99 Year Old Man!

HBO Max

Als ambassadeur van de Amerikaanse comedy doet Judd Apatow zich al jaren gelden. Hij speelde als producer een belangrijke rol bij de Hollywood-hits The Cable Guy, Knocked Up en The 40 Year Old Virgin en behoorde tot de drijvende krachten achter series zoals The Larry Sanders Show, Girls en Love.

En als documentairemaker eert Apatow z’n helden. Met The Zen Diaries Of Garry Shandling (2018) bijvoorbeeld en het dit jaar te verschijnen Paralyzed By Hope: The Maria Bamford Story. Samen met Michael Bonfiglio, met wie hij eerder ook al George Carlin’s American Dream maakte, portretteert hij nu ook een levende legende: Mel Brooks: The 99 Year Old Man! (217 min.), in het jaar, op 28 juni om precies te zijn, waarin die honderd jaar oud hoopt te worden.

De Joodse komiek, regisseur, producer en schrijver Mel Brooks (echte naam: Melvin Kaminsky) scoorde in zijn leven kaskrakers zoals The ProducersBlazing Saddles en Spaceballs, maar leverde zo nu en dan ook flinke flops af. Collega’s zoals Ben Stiller, Conan O’Brien, Jerry Seinfeld, Dave Chappelle en Adam Sandler vinden hem ronduit geniaal. Anderen, ‘de critici’ waarvoor hij graag z’n neus ophaalt, noemen zijn werk dan weer dom en platvloers.

Deze lijvige biografie in twee delen, waarin ook z’n zoons Nicholas, Eddie en Max hun zegje doen, neemt zijn leven van begin tot eind door. Sterke verhalen, smakelijke anekdotes en grappige fragmenten te over. Iemand die zo lang leeft, moet zichzelf nu eenmaal steeds opnieuw uitvinden – als producent van serieuze films, gelauwerd musicalschrijver of ‘wise old man’ van de Amerikaanse comedy bijvoorbeeld – en kan diverse malen in en uit de mode raken.

Te midden van alle (on)gein, gevatheid en wansmaak verschijnt een man die alle tegenslag met humor tegemoet treedt en op de één of andere manier altijd de moed vindt om verder te gaan. Nadat zijn echtgenote Anne Bancroft is overleden, spendeert Mel Brooks bijvoorbeeld elke avond bij zijn beste vriend, collega-komiek Carl Reiner. Hij is ook bij hem als Reiner in 2020 op 98-jarige leeftijd overlijdt. En Brooks blijft ook daarna naar diens woning komen.

‘Maandenlang kwam hij naar het huis, nadat mijn vader gestorven was, om daar te zitten, tv te kijken en te eten’, vertelt Carls zoon Rob Reiner, die onlangs samen met zijn echtgenote Michele op tragische wijze om het leven werd gebracht, aan Apatow en Bonfiglio. Brooks vraagt Rob ook om het hem te laten weten als ze het huis willen verkopen. ‘En toen zei ik: misschien is het beter als we het huis te koop zetten, met jou erin? Wellicht is het dan meer waard.’

Wat er ook zijn levenspad komt – een jong gestorven vader, de Tweede Wereldoorlog of bezoek van Magere Hein – Mel Brooks blijft ogenschijnlijk onverstoorbaar doorwandelen. Nog steeds. Totdat de weg toch doodloopt en even later de allerlaatste lach wegsterft…

The Echo Of The Capitol Attack – The Boy Who Turned In His Father

Jackson Reffitt / DR Sales

Aan de vooravond van de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2024 loopt in het gezin van Guy Reffitt de verkiezingskoorts véél hoger op dan elders. De man des huizes zit in de gevangenis. Hij is veroordeeld vanwege zijn bijdrage, als supporter van president Donald Trump, aan de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021. Als Trump nu opnieuw wordt gekozen, krijgen ‘gijzelaars’ zoals Guy waarschijnlijk amnestie.

Niet alle leden van het Texaanse gezin zitten erop te wachten dat papa weer thuiskomt. Net als in veel andere Amerikaanse families heeft Trump voor tweespalt gezorgd bij de Reffitts. Guys linkse tienerzoon Jackson staat recht tegenover zijn vader, die behoort tot de gewelddadige rechtse anti-overheidsmilitie The Three Percenters. De FBI heeft Jackson zelfs geadviseerd om het ouderlijk huis in Wylie, Texas, te verlaten.

De spanningen tussen de twee zijn in 2021 al zo hoog opgelopen dat Guy z’n zoon heeft bedreigd en landverrader noemde. Waarna Jackson op zijn beurt de FBI heeft getipt op zijn vader. Dat is ook het startpunt voor The Echo Of The Capitol Attack – The Boy Who Turned In His Father (53 min.), waarin Steffen Kretz moeder Nicole Reffitt, Jackson en zijn twee zussen Sarah en Peyton volgt in afwachting van de verkiezingsuitslag.

Nicole heeft zich in de jaren na Guys arrestatie opgeworpen als een vurige spreekbuis namens de zogeheten ‘J6’ers’, Jackson houdt vast aan de kritiek op zijn vader en zijn zussen zoeken de gulden middenweg in deze lastige familiesituatie. Zij proberen vooral het beeld van hun vader als een gewelddadige man te nuanceren. Tegelijk spreekt Peyton ook uit dat ze vindt dat Trump verantwoordelijk is voor 6 januari.

Intussen dreigen de Reffitts alles, waaronder ook hun huis, kwijt te raken. Er hangt dus nogal wat af van die verkiezingsuitslag, in dit boeiende portret van een Amerikaans gezin, dat model staat voor de oplopende spanningen in de Verenigde Staten. Op microniveau is te zien hoe wat ooit vanzelfsprekend één was nu van binnenuit wordt verscheurd. Totdat er veel meer is wat hen verdeelt dan wat hen bindt.

Als Trumps opponent Kamala Harris in 2024 zou zijn verkozen, dan zat Guy Reffitt nu nog gewoon in de Cimaron Prison te Oklahoma. Zoals bekend zal het anders lopen. Zijn zoon Jackson is alvast verhuisd naar een geheime locatie en heeft, typisch Amerikaans, maar een vuurwapen aangeschaft.

Le Chant Des Forêts

Periscoop Film

Michel Munier kan het zich nog als de dag van gisteren herinneren – ook al is ‘t toch al ruim een halve eeuw geleden. Eind jaren zestig, vertelt de oudere Franse natuurliefhebber, bijna fluisterend, aan zijn kleinzoon Simon, zag hij voor het eerst een auerhoen. ‘We liepen door het bos’, herinnert de oude man zich. ‘Er lag een pak sneeuw van twee meter dik. Het leek net een kathedraal, met hoge stammen, hoge sparren.’

Michels zoon, de filmmaker Vincent Munier, luistert eveneens aandachtig toe in die knusse boshut in de Vogezen. Hij kijkt ook naar wat opa’s verhaal losmaakt bij zijn zoon Simon. Later heeft Vincent nog bijna mythische beelden toegevoegd aan de anekdote, die in zijn documentaire Le Chant Des Forêts (internationale titel: Whispers In The Woods, 94 min.) wordt opgedist als een spannend verhaal. ‘Toen de mist weer dichttrok, zei ik bij mezelf: je hebt gedroomd’, vervolgt zijn vader/opa Michel. ‘Dat beeld is me altijd bijgebleven. Het beeld van een fantoom. De fantoomvogel.’

Michel Munier is al net zo’n bevlogen verteller als zijn zoon Vincent, die enkele jaren geleden een fikse hit scoorde met de zinderende film The Velvet Queen (2021), over zijn zoektocht naar een sneeuwluipaard in het Tibetaanse hoogland. Ditmaal zoekt de Franse natuurfilmer en -fotograaf ‘t in alle opzichten dichter bij huis, met een documentaire over hoe zijn vader ook zijn eigen zoon Simon inwijdt in de geheimen van moeder natuur. Michel neemt hen daarvoor mee op een ontdekkingstocht door hun eigen omgeving, om te kijken én luisteren naar al wat daar leeft. 

Hun belevenissen in het uitgestrekte bos, waar ze uilen, eekhoorns en een lynx observeren en het gehamer van nijvere spechten, bronstig brullende herten en het gezang van een lijster proberen te vangen, worden begeleid door muziek van Warren Ellis, ditmaal ondersteund door Dom La Nena en Rosemary Standley. Le Chant Des Forêts, met z’n schilderachtige luchten, imposante bomen en dierenpracht, ziet er bovendien schitterend uit – al voelen de familiegesprekken in die knusse, fraai uitgelichte boshut soms wel enigszins opgeprikt.

Intussen wordt de auerhoen, een vogel die sinds de laatste ijstijd in de Vogezen leeft, met uitsterven bedreigd. ‘Voor mij is dat hartverscheurend’, vertelt Michel aan zijn kleinzoon. ‘Vooral omdat we ons hebben ingezet om z’n bos te behouden.’ Waarna de drie generaties Munier een list bedenken om Simon alsnog z’n eerste auerhoen te laten aanschouwen, in het winterse Noorwegen. En met het laten zien en horen van de schoonheid van de aarde, liefst in een goed geoutilleerd filmtheater, werpen Michel, Vincent en Simon meteen een deugdelijke verdedigingswal op.

Wie via de Muniers kennis maakt met de geheimen van het bos, kan er nooit meer onverschillig doorheen wandelen.

Wakker In Paraguay

VPRO

Jeroen maakte van zijn vlucht een bestemming, aldus Roos Ouwehand. De empathische verteller van deze vijfdelige serie van Fleur Amesz en Gijs Swantee kruipt, in navolging van klassieke documentaireproducties zoals Schuldig en Stuk, in het hoofd van de personages en heeft voor elke hoofdpersoon van Wakker In Paraguay (216 min.) slechts enkele pennenstreken nodig om die te kenschetsen. Het gaat om verontruste burgers die zich, zeker sinds de Coronacrisis, ernstig bekneld voelen in Nederland en aan de andere kant van de wereld, in de door Duitse immigranten gestichte gemeenschap Hohenau, samen een nieuw bestaan willen beginnen met de leefgemeenschap Oasis.

Mart ziet bijvoorbeeld ‘wat er echt speelde in de wereld’, hoopt in Paraguay een ongevaccineerde partner te vinden en wil in de ‘stralingsvrije jungle’ ook zijn frequentieapparaten blijven verkopen. Carla werd in haar jeugd beschouwd als onhandelbaar – ‘alsof ze niet wilde luisteren’ – maar was in werkelijkheid doof aan één oor. Zij zou met haar broer Rob naar het Zuid-Amerikaanse land verkassen, maar die is op het laatste moment afgehaakt. En Jan groeide op met ‘een diep wantrouwen tegen de overheid’ en besloot nieuwe invallen of arrestaties van de politie niet meer af te wachten – ‘ook al betekende dat dat hij zijn twee opgroeiende kinderen moest achterlaten’.

En jurist, ondernemer en voormalig drugshandelaar Jeroen Pols, die eerst samen met Jans broer Willem Engel het gezicht was van de omstreden actiegroep Viruswaarheid en die inmiddels geldt als de onofficiële voorman van de ‘wakkere’ gemeenschap, maakt van zijn vlucht dus een bestemming. Pols heeft de krachten gebundeld met een jong hoogopgeleid ondernemersstel, dat net z’n eerste kind heeft gekregen in Paraguay. ‘De onrust in Nederland legde Anne en Lester geen windeieren’, vertelt Ouwehand over hen, als zij een bijeenkomst ‘op een kil bedrijventerrein in het winterse Weesp’ organiseren. ‘Een zaal vol zeer verontruste mensen die hun hoop op hen hadden gevestigd.’

‘De belofte van vrijheid, eenvoud en ruimte was groot’, constateert de alomtegenwoordige verteller nog maar eens. ‘Zou Paraguay ook echt het beloofde land blijken te zijn?’ De vraag stellen is hem vermoedelijk ook beantwoorden. Pols’ motto ‘ieder voor zich, allemaal samen’ doet intussen toch echt denken aan de slogan die de ‘vrije jongens’ van De Tegenpartij, de culthelden van het illustere satirische duo Van Kooten & De Bie, ooit gebruikten: samen voor ons eigen. ‘Project Paraguay’ moet een oase van vrijheid worden. Met een kleine overheid, want dat is volgens Pols als ‘een kankergezwel’, en zónder 5G-straling, lockdowns, pedonetwerken en chemtrails.

Amesz en Swantee bezien de lotgevallen van hun hoofdpersonen met oog voor de mens en zonder duidelijk oordeel en vallen hen ook niet lastig met kritische vragen. Ze portretteren daarnaast wel Enrique, een vertegenwoordiger van de ‘inheemse’ bevolking die regelmatig met de wakkere gemeenschap van doen heeft, en Bart, een Nederlander die al veel langer in het Zuid-Amerikaanse land bivakkeert. Zij bezien de nieuwkomers en de manier waarop die zich manifesteren, ook online, met de nodige verbazing. Zo vormt zich een intrigerend groepsportret van een gemeenschap, die z’n toevlucht heeft gezocht tot een land dat jarenlang leefde onder een militaire dictatuur en een thuishaven was voor gevluchte nazi’s.

Het lijkt onvermijdelijk dat er gaandeweg steeds meer barsten zichtbaar worden in de wakkere idylle. Of zoals verteller Roos Ouwehand ‘t bij aanvang van de slotaflevering verwoordt: ‘Hier in het verre Zuid-Amerika hadden ze eindelijk gevonden, waar ze zo wanhopig naar op zoek waren: vrijheid. Maar… bestond er werkelijk zoiets als vrijheid zonder een prijs?’

Happy Clothes: A Film About Patricia Field

Greenwich Entertainment

Zelf maakt Patricia Field het meestal niet moeilijker dan ‘t is: ze zweert bij gelukkige kleding. ‘Ik houd nu eenmaal van gelukkig’, zegt de New Yorkse modeontwerpster en stylist ter verduidelijking. Ze zou dus nooit willen meewerken aan een oorlogsfilm of een horrorfilm. Field maakte als ontwerper naam met de ‘happy clothes’ van de kaskrakers Sex And The City, Emily In Paris en The Devil Wears Prada.

En de sterren van zulke succesproducties betonen de Grieks-Amerikaanse ontwerpster maar al te graag eer in deze vlotte documentaire van Michael Selditch. ‘Toen ik Pat voor het eerst ontmoette, was ik verliefd’, zegt Sarah Jessica Parker, ofwel Carrie Bradshaw uit Sex And The City, bijvoorbeeld. ‘Ik kan me geen betere partner indenken’, stelt haar collega Kim Cattrall, die samen met Field op shoptrips ging om samen het spraakmakende personage Samantha Jones verder te ontdekken.

En toen Pat Field de jeugdige Lily Collins, de hoofdrolspeelster van Emily In Paris, direct omarmde en zelfs een complimentje gaf voor de broek die ze droeg, voelde die zich de koning te rijk. ‘I feel like I’m winning!’ herinnert Collins zich het gevoel dat ze kreeg tijdens deze eerste ontmoeting. Field voelt zich intussen enigszins bezwaard onder alle loftuitingen, zegt ze meermaals in Happy Clothes: A Film About Patricia Field (100 min.) – misschien ook wel een beetje omdat dat zo hoort.

Bij het optekenen van ‘Planet Pat’ legt Selditch Field en haar getrouwen, die zich nog altijd rond haar tafel of in haar kunst- en modegalerie verzamelen, in elk geval geen strobreed in de weg. Ook niet als die ene, typisch Amerikaanse accessoire in de interviews en gesprekken wel héél vaak wordt gebruikt om de ontwerper met het opvallende rode haar, de zwaar doorrookte stem en inmiddels meer dan tachtig levensjaren in de ongetwijfeld fleurige achterzak te duiden: de veer in de reet.

Van de vrouw achter de trendsetter wordt de bewonderaar van haar happy clothes ondertussen niet al te veel wijzer. Want deze film besteedt nauwelijks aandacht aan Fields persoonlijk leven en richt zich vrijwel volledig op haar professionele bestaan en de hippe New Yorkse (queer)scene waarvan haar werk tegelijk de weerslag en een aanjager is.

Breakdown: 1975

Netflix

Ooit wisten Amerikanen het min of meer zeker: aan het eind winnen ‘the good guys’. In 1975 is dat echter bepaald niet meer zo vanzelfsprekend. Enkele politieke moorden, Watergate en de Vietnamoorlog hebben geknaagd aan het zelfvertrouwen van de trotse natie, die het jaar erop precies twee eeuwen zal bestaan. En dat gevoel wordt weerspiegeld in Hollywood. ‘1975 was het beste jaar om mensen een film met een slechte afloop te geven’, stelt acteur/komiek Patton Oswalt in het aantrekkelijke essay Breakdown: 1975 (91 min.) van Morgan Neville. ‘Ze gingen er massaal naartoe.’

Naar de rampenfilms The Towering Inferno en The Poseidon Adventure. ‘Revenge-o-matics’ zoals het omstreden Charles Bronson-verhikel Death Wish. De Blaxploitation-hits Shaft, Super Fly en Sweet Sweetback’s Baadasssss Song. Paranoiathrillers zoals The Conversation, Three Days Of The Condor en The Parallax View. En, natuurlijk, de hits van ‘New Hollywood’, toen de gekken zogezegd even het gesticht mochten runnen en zwartgeblakerde klassiekers afleverden zoals One Flew Over The Cuckoo’s Nest, Taxi Driver, Chinatown, All The President’s Men, Dog Day Afternoon en Network.

Aan de hand van de meest uitgesproken films van halverwege de jaren zeventig, slim met elkaar versneden en toegelicht door een combinatie van direct betrokkenen, beschouwers en liefhebbers zoals Martin Scorsese, Ellen Burstyn, Oliver Stone, Peter Biskind, Seth Rogen en Bill Gates doet Neville, via zijn verteller Jodie Foster, het verhaal van een samenleving die zogezegd in een ‘post-alles en pre-niets’-tijdperk verzeild was geraakt. Amerika bleek hard toe aan introspectie. Of, in de woorden van die tijd: de Verenigde Staten moesten gaan werken aan zichzelf. Tijd dus voor ‘De Mij-generatie’.

Breakdown: 1975 openbaart zich intussen als een film van grote ideeën, meeslepende verhalen en soms ook behoorlijk korte bochten. Gesitueerd in het jaar, waarin via een televisiepersonage zoals Archie Bunker (All In The Family), de Oscar-winnende documentaire Harlan County USA en de entree van de rozige tv-series Happy Days en Little House On The Prairie tevens de toekomst van Amerika zichtbaar begon te worden. In de vorm van pak ‘m beet cultuuroorlogen, een gedesillusioneerde arbeidersklasse en opperste nostalgie, het verlangen naar een land dat in werkelijkheid nooit had bestaan.

Het einde van dit kanteljaar in de Amerikaanse (film)historie werd natuurlijk ingeluid door – taada, tada, tada, tada, tada, taada! – Steven Spielbergs Jaws, de eerste van een lange rij blockbusters. Toen de beoogde recette in Hollywood definitief de overhand leek te krijgen op artistieke zeggingskracht. Tegelijk trok de Disney-versie van Amerika de zege naar zich toe. Ook de ‘goeien’ gingen dus weer winnen….

The New Yorker At 100

Netflix

Al honderd jaar kan Ons Soort Mensen blind varen op The New Yorker, de plek voor baanbrekende onderzoeksjournalistiek, briljante korte verhalen, geestige columns, gezaghebbende recensies en nét iets te slimme cartoons. En daar zijn ze bij het New Yorkse opinieblad niet een klein beetje trots op ook. Samen maken ze niets minder dan hét tijdschrift voor de Amerikaanse elite. Herstel: de élite.

Bij zo’n jubileum hoort een documentaire waarin de historie wordt geëerd, successen nog eens worden gevierd en de eigen relevantie opnieuw, natuurlijk ten overvloede, wordt aangetoond. Die is er nu: The New Yorker At 100 (97 min.), een film van een gerespecteerde regisseur, Marshall Curry, die bovendien is ingesproken door een bekendheid die uitstekend aansluit bij de doelgroep, actrice Julianne Moore.

Verder steken trouwe lezers zoals Sarah Jessica Parker, Jon Hamm, Molly Ringwald en Jesse Eisenberg de loftrompet over het blad dat dwars tegen de tijdgeest in – en bepaald niet zonder succes – Intellectueel Amerika blijft bedienen. De huidige redactie onder leiding van David Remnick, sinds 1998 aan het roer als pas de vijfde hoofdredacteur in honderd jaar, toont bovendien hoe het jubileumnummer van februari 2025 tot stand komt.

Curry stuurt vaardig op en neer tussen heden en verleden en houdt daarbij ook halt bij enkele beeldbepalende publicaties en figuren – John Herseys essay over overlevenden van ‘Hiroshima’, de omstreden true crime-klassieker In Cold Blood van Truman Capote en Ronan Farrows #metoo-onthullingen over filmproducent Harvey Weinstein bijvoorbeeld – maar heel veel meer dan een vermakelijke terugblik en stavaza wordt dit nooit.  

The New Yorker At 100 doet ‘t vermoedelijk uitstekend bij Ons Soort Mensen, tijdens de onvermijdelijke festiviteiten ter gelegenheid van het honderdjarige bestaan. Als artistiek verantwoorde zelffelicitatie, netjes ingebed in de democratische crisis waarin de VS zich nu bevinden en de pers nogal eens tot vijand van het volk wordt verklaard. En als stevige bodem voor de drankjes en hapjes die dan, al even onvermijdelijk, nog zullen volgen.

Life After

Together Films

Het heeft nogal wat voeten in de aarde als Elizabeth Bouvia in 1983 in haar rolstoel de rechtszaal in het Californische Riverside wordt binnengereden. De 25-jarige vrouw, die in haar dagelijks leven volledig afhankelijk is van de zorg van anderen, eist het recht op om te mogen sterven – om zichzelf, onder begeleiding, te mogen uithongeren. Deze aangekondigde dood zal haar door de rechter echter niet worden gegund.

In 1997 wordt Bouvia, liggend in bed, nog eens voor het televisieprogramma 60 Minutes geïnterviewd door Mike Wallace. Daarna verdwijnt ze van het toneel. Filmmaker Reid Davenport vraagt zich bij de start van Life After (99 min.) af of het boegbeeld van de right-to-die beweging nog leeft, hoe het haar sindsdien is vergaan en wat haar erfenis is. Hij heeft zelf een ernstige lichamelijke beperking en buigt zich in deze scherpe film over het zelfbeschikkingsrecht dat zij zo nadrukkelijk heeft opgeëist.

Davenport gaat de ongemakkelijke issues niet uit de weg. Want is de keuze voor de dood, die Bouvia wilde maken en die andere mensen met een lichamelijke beperking sindsdien hebben willen maken, werkelijk ingegeven door pijn of een gebrekkige kwaliteit van leven? In hoeverre spelen praktische overwegingen daarbij ook een rol? De Canadese euthanasiewet Medical Assistance In Dying (M.A.I.D.) is bijvoorbeeld inmiddels speciaal voor mensen met een lichamelijke beperking opengesteld.

Zorgt dat niet voor (extra) druk op hen? Michal Kaliszan, een man uit Ontario, ziet in euthanasie bijvoorbeeld ‘een uitweg’. Na de dood van zijn moeder lijkt zijn enige alternatief een in zijn ogen uitzichtloos leven in een instelling. Dan verkiest hij toch de dood, zegt hij stellig, de minste van twee kwaden. Voor Michael Hickson, een man die aan een periode in coma ernstige schade overhield, maken zijn artsen die keuze. Zijn vrouw Melissa is het daar helemaal niet mee eens. Ze hoort ’t echter pas een dag later.

De ontwikkelingen rond Dying With Dignity gaan tegenwoordig snel in Canada, vertellen direct betrokkenen, véél sneller dan in traditionele gidslanden zoals Nederland en België. Daarbij wordt er volgens hen ook gecommuniceerd dat zo’n zachte dood tot lagere zorgkosten kan leiden. Over perverse prikkels gesproken. ‘Je kunt geen menselijk lijden verhelpen door mensen te doden’, vindt professor Catherine Frazee van de universiteit van Toronto, die zelf in een rolstoel zit en zuurstof krijgt toegediend. 

Reid Davenport kamt het hele gebied rond euthanasie voor mensen met een lichamelijke beperking uit, waarbij onvermijdelijk ook de eugenetica en de Amerikaanse voorvechter Jack Kevorkian van het honoreren van doodswensen, de revue passeren. Het resultaat is een emancipatoire film, die opnieuw aanzet tot nadenken over ieders (?) recht om te sterven en die eindigt waar ie begon: bij de vrouw met het, volgens sommige Amerikaanse media, ‘useless body’: Elizabeth Bouvia. Waarom wilde zij nu écht dood?

IVF In België

VRT

Louise Brown, het allereerste IVF-kind ter wereld, was nog geen vijf jaar oud toen in de zomer van 1983 ‘de eerste Belgische proefbuisbaby’ Ellen werd geboren bij de Katholieke Universiteit Leuven. De Belgische kerk zag deze ontwikkeling destijds met lede ogen aan.

In-vitrofertilisatie was in die jaren een kwestie van pionieren. Zowel voor de ongewenst kinderloze stellen, lesbische koppels en alleenstaande vrouwen met een kinderwens als voor de betrokken artsen en zorgverleners. In de historische documentaire IVF In België (50 min.) blikken zij terug op deze bewogen periode, waarin de vernieuwende behandeling permanent onder een vergrootglas lag.

Begin jaren negentig werd in Brussel ook de ICSI-techniek ontwikkeld, een vruchtbaarheidsbehandeling die later in de hele wereld school zou maken. Tegenwoordig vindt zo’n zeventig procent van de kunstmatige inseminaties op deze manier plaats. En de aanvankelijke toename van het aantal meerlingen daarbij werd met het zogeheten ‘Belgian Model’ ook een heel eind getackeld.

De nadruk ligt in deze tv-film op zulke grote ontwikkelingen, waarbij de gespannen relatie tussen de katholieke universiteiten en het Vaticaan steeds opnieuw aandacht vraagt. Die worden toegelicht door de betrokken artsen en wetenschappers. De verhalen van enkele wensouders – hun kinderen komen niet aan bod – dienen daarbij vooral als menselijk illustratiemateriaal bij het grotere verhaal.

Intussen schrijdt de techniek nog altijd verder en is het de vraag of de betrokken mensen en organisaties dat nog wel kunnen bijbenen, het thema van het slot van deze interessante IVF-terugblik. In 2019 heeft bijvoorbeeld een 74-jarige Indiase vrouw twee kinderen gekregen. Zij geldt als de oudste moeder ter wereld. Of dat een goede ontwikkeling is? Daarover lopen de meningen natuurlijk uiteen.

Want deze wetenschap begeeft zich nu eenmaal altijd op de grens tussen de autonomie van de patiënt en de ethiek van diens arts. Voor professor Reproductieve Geneeskunde Gianpiero Palermo is ’t in wezen simpel: zolang het geen risico inhoudt voor de patiënt of diens embryo, doet hij wat die wil. Ethiek is volgens hem iets voor oudere collega’s die wetenschappelijk niets meer bij te dragen hebben.

Niet elke arts of wetenschapper stelt ‘t zo scherp. ‘Men moet altijd open blijven voor nieuwe ideeën’, vindt klinisch bioloog André van Steirteghem, die samen met gynaecoloog Paul Devroey baanbrekend werk verrichtte. ‘Als je met iets nieuws begint, dan moet je durven grenzen te verleggen’, zegt hun collega Stephan Gordts. ‘Dat is de enige manier, denk ik, waarop de geneeskunde vooruit kan gaan.’

‘De wetenschap heeft stappen vooruit gezet en maakt iets mogelijk’, concludeert Mieke Felix, één van de gelukkige moeders, als ze terugkijkt. ‘En wij hebben daar mogen gebruik van maken. Er is ons een cadeau gegeven.’

Trailer IVF In België

50 Jaar Hiphop In Nederland – Iemand Moet Het Doen

VPRO

‘Er is een nieuwe rage overgekomen uit Amerika: electric boogie en breakdance’, vertelt de presentator van dienst in één van de eerste Nederlandse televisie-uitzendingen over hiphop. ‘Dat gebeurt daar op straat. Nou, het is niet voor iedereen weggelegd, want je moet er verschrikkelijk lenig voor zijn.’ Waarna, jawel, Ivo Niehe – ere wie ere toekomt – voor Mien uit Assen begint uit te leggen wat ‘scratching’ en ‘rappen’ is.

Vanaf eind jaren zeventig, de hoogtijdagen van punk, hadden jongeren in de grote steden, in het bijzonder de kids met wortels buiten Nederland, allang kennis gemaakt met hiphop en aanverwante stijlvormen zoals graffiti, breakdance en human beatboxen. In de eerste twee afleveringen van 50 Jaar Hiphop In Nederland – Iemand Moet Het Doen (180 min.) belichten Sacha Vermeulen en Ivan Barbosa met enkele sleutelfiguren uit die beginperiode, zoals Niels ‘Shoe’ Meulman, Jeffrey Roberts (The Electric Boogiemen), Badboyz Posse, Extince en Shy Rock, hoe er vervolgens op straat en in buurthuizen ook een eigen Nederlandse variant ontstaat.

Deze zesdelige serie heeft zich dan al op de kaart gezet als een vaderlandse variant op Fight The Power: How Hip Hop Changed The World (2023), de docuserie die de ontwikkeling van hiphop in de Verenigde Staten plaatst binnen z’n maatschappelijke context. In Nederland is dat met name de weerstand, het onbegrip en de discriminatie die jongeren van kleur ontmoeten als ze zich in het openbaar manifesteren. De Nederlandse schrijver Professor Soortkill, van de door hemzelf bedachte Smibanese University, fungeert daarbij als verteller. Hij verbindt de verschillende gebeurtenissen met elkaar en plaatst ze zo nu en dan ook in perspectief.

Vermeulen en Barbosa verbinden de muziek ook steeds aan de bijbehorende attitude, lifestyle, kunst en podia. Behalve ruimte voor muzikale vaandeldragers zoals U-Niq, DuvelDuvel, Opgezwolle, The Opposites, Brainpower, Winne, Fresku, Ronnie Flex, Boef, Ray Fuego, Noell3, Rijck en Kevin is er dus ook volop aandacht voor opiniemakers zoals Sylvana Simons, Andrew Makkinga en Akwasi, de streetwear van Patta, platenlabel Top Notch, modemerk Daily Paper en de online platforms Puna.nl en 101 Barz. Want in die slordige halve eeuw is hiphop, ondanks de tegenwerking die menigeen daarbij heeft ervaren, allang uitgegroeid tot misschien wel de dominante (jeugd)cultuur van Nederland.

Deze rijk gedocumenteerde, vlot gemonteerde en altijd vermakelijke serie fietst soepel door die vijftig jaar heen en doet daarbij alle essentiële tussenstations aan. Zoals die presentator van z’n eigen TV Show, Ivo Niehe.

Thoughts & Prayers

HBO Max

Never waste a good crisis! Al die dodelijke schietpartijen op Amerikaanse scholen – waar in wezen natuurlijk helemaal niemand op zit te wachten – hebben inmiddels wel voor een bruisende nieuwe bedrijfstak gezorgd. In de ‘active shooter preparedness industry’ gaat tegenwoordig al gauw drie miljard dollar om.

Vol verve brengen typisch Amerikaanse mannen – doorgaans oud-politiemensen, veteranen en handige ondernemers – hun nieuwe technologie, trainingsprogramma’s en producten aan de onderwijzer, leerling en ouder. Een door de overheid aanbevolen active shooter-game bijvoorbeeld. Skateboards, klaptafels en rugzakken die kunnen worden ingezet als kogelwerende barrière. En een robot als een valse aanvalshond.

Er moet natuurlijk ook massaal worden getraind – en geschoten – in deze volvette film van Zackary Canepari en Jessica Dimmock, die dezelfde branche opzoekt als de documentaires Bulletproof en The Bad Guy. En daarvoor zijn dan weer plastic machinegeweren, zelfklevende nepwonden en andere hebbedingetjes nodig. Want er is blijkbaar behoefte aan. En wie zijn deze ondernemers dan om daar niet aan te voldoen?

De boodschap is duidelijk en wordt er met behulp van gestileerde beelden, erg bombastische muziek en veelvuldig gebruik van slow motion vol verve ingeramd. Tussendoor vertellen Amerikaanse kinderen en tieners hoe zij kijken naar de industrie waarvoor zij een belangrijk, ja, doelwit zijn – en de huiveringwekkende wereld, van zeer reëel gevaar en een al even echte angstcultuur, die daarachter schuilgaat.

Soms lijken zij precies te verwoorden wat de filmmakers met deze docu willen zeggen. Als de voormalige groene baret Thrasher bijvoorbeeld heeft verteld dat al die ‘school shootings’ helemaal niets te maken hebben met het bezit van (automatische) wapens in de Verenigde Staten en alles met de mentaliteit van de mensen, faden Canepari en Dimmock hem weg en geven het woord aan een bedachtzaam tienermeisje.

Veel mensen vinden hun eigen recht om een wapen te bezitten het allerbelangrijkst, stelt zij verontwaardigd. ‘Dus mij een zorg als jij in je klas wordt neergeschoten.’ Haar klasgenoot, die naast haar in het lokaal heeft plaatsgenomen, benadrukt vervolgens nog maar eens hoe zijn land daarmee afwijkt van de rest van de wereld: ‘Het is de belangrijkste doodsoorzaak bij kinderen in dit land. Dat is toch absurd.’

En die absurditeit is precies wat deze documentaire nog eens vol in de schijnwerper wil zetten. Ten overvloede, zou je kunnen zeggen. Alleen de politici, die categorisch weigeren om iets te doen aan ‘school shootings’ en die elke nieuwe wapenwet torpederen, schitteren ditmaal door afwezigheid. Terwijl dat er nog maar aan ontbrak: hun obligate, schijnheilige en volstrekt gratuite Thoughts & Prayers (84 min.).

My Undesirable Friends: Part I – Last Air In Moscow

Marminchilla

‘Hallo, buitenlandse agent’, grappen de medewerkers van de onafhankelijke Russische nieuwszender Dozhd, ofwel TV Rain, naar elkaar – hoewel het lachen hen eigenlijk allang is vergaan. Het Poetin-regime heeft Dozhd en andere journalistieke organisaties, opiniemakers en mensenrechtenactivisten in het najaar van 2021 tot buitenlandse agenten bestempeld. Zij zijn ook verplicht om zichzelf als zodanig kenbaar te maken. Elke uitzending van TV Rain wordt dus voorafgegaan door een officiële staatsboodschap: dit nieuws en deze mensen zijn niet te vertrouwen.

Presentatrice Anna Nemzer, één van de hoofdpersonen van My Undesirable Friends: Part I – Last Air In Moscow (322 min.), probeert zich dan nog met galgenhumor staande te houden. ‘Dit is echt Mordor’, zegt de journaliste scherp als ze in Moskou om zich heen kijkt, naar de totalitaire staat die in de afgelopen twintig jaar om hen heen is ontstaan. Dan wordt er bij haar werkgever nog dapper geprotesteerd tegen de overheidsmaatregelen, bijvoorbeeld tijdens een vurige marathonuitzending. Al snel draaien de machthebbers de duimschroeven nog verder aan. Elke vrijdag worden er nieuwe Russen tot buitenlandse agent bestempeld. Totdat elke vorm van (pers)vrijheid vakkundig is gesmoord.

Deze vijfdelige serie van de Russisch-Amerikaanse filmmaakster Julia Loktev, een goede vriendin van Nemzer, begint eigenlijk waar F@ck This World (2021), een documentaire over Dozhd-boegbeeld Natasha Sindeeva, ooit ophield. Loktev volgt Sindeeva’s navolgers: jonge vrouwelijke journalisten zoals Olga ChurakovaAlesya MarokhovskayaIra DolininaSonya GroysmanElena Kostyuchenko en Ksenia Mironova, de verloofde van journalist Ivan Safronov die al meer dan een jaar in voorarrest zit vanwege vermeend landverraad. In de aanloop naar de Russische inval in Oekraïne blijven zij moedig, en soms ook met de moed der wanhoop, berichten over de gebeurtenissen in hun land.

Het beest mag in elk geval niet bij zijn naam genoemd worden: de oorlog is in Poetins newspeak niet meer dan een ‘speciale militaire operatie’. In de uitzendingen van TV Rain, waarmee Loktev haar groepsportret doorsnijdt, is het dus voortdurend spitsroeden lopen. Wél de feiten benoemen, maar níet opzichtig de ruimte geven aan verzet tegen het Russische regime. Intussen neemt de dreiging ook voor hen persoonlijk toe. Kunnen ze nog wel zomaar de deur opendoen? Of in hun eigen huis vrijuit spreken? Als Poetin-criticasters bereiken ze bovendien ogenschijnlijk helemaal niets. Toch gaan ze onversaagd door. Zodat, zoals ze tegen elkaar zeggen, zwart zwart blijft en wit wit.

Tegelijk moet ieder voor zichzelf afwegen of ie het land wil verlaten. ‘Ook in nazi-Duitsland wachtten mensen af’, zegt Anna. ‘In de hoop dat alles toch nog goed zou komen.’ Intussen gaat het gewone leven verder. Tussen uitvoerige discussies aan de keukentafel, op de werkvloer of onderweg door worden er dus ook spelletjes gedaan, huisdieren uitgelaten en Harry Potter-weetjes uitgewisseld. Loktev neemt de tijd om ook deze momenten te laten zien. Haar miniserie wordt daarmee wel een lange zit. Die wint echter aan kracht en urgentie als de aanval op Oekraïne, die menigeen toch nog verrast en raakt tot op het bod, wordt ingezet. ‘Ik heb geen land meer’, zegt Anna dan.

My Undesirable Friends: Part I – Last Air In Moscow ontwikkelt zich zo tot een wezenlijk ooggetuigenverslag vanuit het andere Rusland, gemaakt op een scharnierpunt in de moderne historie.

My Undesirable Friends:Part II – Exile is overigens al aangekondigd.

Hype!

Republic Pictures

Nee, deze film over de stormachtige opkomst en ondergang van grunge in de jaren negentig begint niet met Nirvana, Pearl Jam, Soundgarden of Alice In Chains, maar met, jawel, Crackerbash, een band waarvan ‘t de vraag is of ie de top 100 haalt als de bekendste rockbands van Seattle moeten worden opgedreund.

Vanaf de eerste seconde maakt regisseur Doug Pray zo duidelijk dat zijn documentaire Hype! (83 min.) geen lofzang wordt op de grote namen die toevallig commercieel succes peurden uit grunge, het muzikale genre dat zich comfortabel op het kruispunt van indierock, heavy metal en punk posteerde. Hij wil Seattles muzikale scene, uitgewerkt in een stamboom, als geheel portretteren – en de beurtelings opwindende, bezopen en tragische mediastorm waarin die terechtkwam.

Het duurt dus toch al gauw acht minuten voordat de eerste muzikale celeb zich in die film meldt: Soundgarden-gitarist Kim Thayil. Met alle respect: dat is géén Kurt Cobain, Eddie Vedder, Chris Cornell of Layne Staley. Van hen participeert overigens alleen Pearl Jam-zanger Vedder in Hype!. En hij meldt zich pas halverwege. Als lokale helden zoals The Monomen, The Walkabouts, The Fastbacks, Screaming Trees, The Melvins, Gas Huffer en The Posies al aan bod zijn gekomen.

Alice In Chains wordt dan weer vrijwel volledig overgeslagen in deze film. Om Nirvana kon Pray natuurlijk niet heen – al was zanger Kurt Cobain (1967-1994) reeds overleden toen Hype! werd uitgebracht. Zijn voormalige bandjes Krist Novoselic en Dave Grohl ontbreken eveneens. Vanzelfsprekend weerklinkt na ruim een half uur wel Smells Like Teen Spirit, hun signatuursong die uitgroeide tot het lijflied van de Generatie X – en waarvan hier de allereerste live-uitvoering is te zien en horen.

Aan opwindende concertimpressies sowieso geen gebrek. Cultbands zoals Dead Moon, Mudhoney en The Supersuckers laten zien waarom ook zij een (nog) groter publiek hadden verdiend. Uiteindelijk bleek het ‘Made in Seattle’-vignet – zoals wel vaker bij mediahypes, die net zo snel gaan als komen – alleen geen garantie voor succes en was bovendien De Grote Uitverkoop al op gang gekomen. Seattle bleek Seattle niet meer – en was het überhaupt ooit méér geweest dan een marketingstunt?

Lokale muzikanten, producers, managers, PR-medewerkers en platenbazen (van het vermaarde Sub Pop Records bijvoorbeeld) weten hoe dat ging. Zoals dit eerder bijvoorbeeld bij LiverpoolSan Francisco en Londen was gebeurd en enkele jaren later bij, jawel, Eindhoven, New York en Detroit nog zou gaan gebeuren: de hipsters, het journaille en de business houden even halt, om vervolgens vrolijk door te trekken, enkele nieuwe helden en een heleboel geknakte dromen achterlatend. 

Deze film over Seattle’s dagen als rockhoofdstad van de wereld zit te dicht op de bal – want: al in 1996 gemaakt – om dat volledig in perspectief te kunnen plaatsen, maar laat wel treffend zien wat het betekent als een stad in de periferie van de muziekwereld, het eindstation van menige Amerikaanse tournee, ineens in het middelpunt van de belangstelling komt te staan – en mensen die elkaar nauwelijks kennen bij elkaar gaan horen, dezelfde muziek beginnen te maken en kledingvoorschriften krijgen.

Op het gevaar af, bovendien, dat ze voor de rest van hun leven worden versleten voor sombermansen met lang haar, geruite blouses en een zwaar gemoed. Opgeslokt door de hype. Waarbij nog een allerlaatste waarschuwing op z’n plek lijkt: your town is next.

In Waves And War

Netflix

Voor de camera hebben drie stoere mannen – nee: de stoerste mannen, want: Navy SEALs – plaatsgenomen. Na de terroristische aanslagen van 11 september 2011 zijn ze naar Afghanistan gestuurd, om de verantwoordelijken op te sporen en voor eens en altijd orde op zaken te stellen. Ze komen stuk voor stuk kapot terug. Hun lichaam heeft de onophoudelijke stroom militaire missies, met talloze dodelijke slachtoffers, min of meer ongeschonden doorstaan, maar hun geest begint serieuze mankementen te vertonen.

Hun levens worden ontregeld door hyper-waakzaamheid, survivor’s guilt, angst, woedeaanvallen, nachtmerries, déjà vu-gevoelens en depressies. Kortweg: PTSS. Ze keren zich af van de wereld, verliezen zichzelf in drank of drugs en beginnen te denken aan zelfmoord. ‘Sinds 9/11 zijn er 7100 dodelijke slachtoffers gevallen bij gevechten’, legt admiraal Brian Losey uit in In Waves And War (108 min.). ‘In diezelfde periode hebben zo’n 30.000 veteranen zelfmoord gepleegd. Dat zijn er ongeveer 22 per dag.’

‘I could have done more’, schrijft Navy SEAL Marcus Capone, in de brief waarmee hij in 2013 zijn medisch pensioen aanvraagt. De voormalige footballer is ten einde raad. Als zijn vrouw Amber hem op een ochtend aantreft met een lege fles whisky en een doorgeladen geweer, besluit ze om zelf actie te ondernemen. Zij stuit op een alternatieve therapie met psychedelica in Mexico. ‘En dit moet onze geharde krijgers redden?’ lacht haar echtgenoot cynisch, voordat ie zich toch laat overhalen. Hij heeft ook geen keus.

Behalve Capone volgen de documentairemakers Jon Shenk en Bonni Cohen nog twee andere SEAL-veteranen. D.J. Shipley is zichzelf en zijn relatie dan al enige tijd ten gronde aan het richten. ‘Terminale kanker zou een zegen zijn geweest’, zegt hij nu. Z’n vrouw Patsy dwingt hem om een behandeling te ondergaan bij de Ambio Psychedelic Clinic in Baja California. ‘Als je van me houdt, ga je’, herinnert hij zich haar woorden. ‘Dat is raar om te zeggen: als je van je vrouw houdt, ga je in Mexico psychedelische drugs gebruiken.’

Matty Roberts tenslotte, op het eerste gezicht ook al zo’n roestvrijstalen elitesoldaat, loopt al een tijd met een serieus oorlogstrauma rond. Hij zit volledig opgesloten in zijn hoofd en functioneert alleen nog tussen de broeders van zijn clan. Op een gegeven moment kan hij thuis helemaal geen rust meer vinden. Eenmaal terug op de basis slaapt hij echter weer ‘als een baby’. Ook hij ziet in eerste instantie echter helemaal niets in een behandeling die toch vooral associaties oproept met trippende bloemenkinderen.

In de eerste helft van deze documentaire nemen Shenk en Cohen de tijd om, samen met hun hoofdpersonen en met behulp van trainingsfilms en de foto’s en video’s die zij zelf maakten tijdens hun uitzending, hun periode in actieve dienst te schetsen. Daarna wagen die in Mexico, en gadegeslagen door onderzoekers van de Stanford University, de sprong in de diepte van hun eigen geest, een ervaring die de filmmakers proberen op te roepen met animaties, die het geheel een aantrekkelijk Hollywood-randje geven.

In eerste instantie lijkt In Waves And War triptherapie, onlangs ook al belicht in de Nederlandse documentaire Psychedelisch Pionieren, dan ook als een soort wondermiddel te presenteren. Een duizenddingendoekje voor al uw psychisch leed. Gaandeweg komt de nuance: hoe heilzaam een trip naar binnen ook kan zijn, daarmee is het leed nog niet automatisch geleden of elk pijnpunt ook weggewerkt. De ervaringen van deze stoere mannen doen vermoeden dat er nog een wereld te ontsluiten is – en te winnen.

Voor de camera – en daarmee ook voor zichzelf en hun directe omgeving – stellen ze zich in elk geval opmerkelijk kwetsbaar op en lijken ze ook daadwerkelijk vooruitgang te boeken. Terug naar het gewone leven, naar zichzelf.

House Of Hope

Cinema Delicatessen

Over enkele maanden wordt ‘t 7 oktober 2023. Deze film over een Palestijnse vrije school op de Westelijke Jordaanoever is dan ruim een half uur onderweg. De kinderen hebben aan het begin al een eed afgelegd dat ze een niet-gewelddadige, vreedzame persoon willen zijn. Het jongetje dat dan het woord heeft, verwijst naar Martin Luther Kings I Have A Dream-speech en schetst een hoopvol beeld: een natie waarin iemand niet wordt beoordeeld op z’n huidskleur of afkomst, maar op zijn eigen persoonlijkheid. ‘You must be the change you wish to see’, staat er achter op zijn rode schoolshirt.

Dit House Of Hope (89 min.), in Al Eizariya op de Westbank, is opgericht door de Palestijnse vrouw Manar Wahhab en haar echtgenoot Milad. In een omgeving waar het voor kinderen gemakkelijk is – en misschien ook wel voor de hand ligt – om de wapens op te nemen, vangen zij hen liefdevol op. Ze prediken op school geweldloos verzet en helpen de leerlingen met het plaatsen en verwerken van pijn en verdriet. Tegelijkertijd wordt de basisschool door talloze beveiligingscamera’s omgeven en komen er via de media continu berichten binnen over ontsporend geweld en verdere escalaties.

Als er zo ook nieuws binnenkomt over de terreuraanval van Hamas op 7 oktober en Israëls vernietigende reactie daarop, lijkt alles in het leven van Manar in gevaar te komen. Haar ideaal om Palestijnse kinderen een betere toekomst te kunnen bieden, dat documentairemaker Marjolein Busstra een kleine twintig jaar eerder al voor haar innam en dat dus heeft geresulteerd in een eigen school, wordt nu getoetst door de wrange realiteit. Waar blijven hoop en liefde als het Israëlische leger ’s nachts binnenvalt, als raketaanvallen iedereen bang maken en als je je zorgen maakt over je eigen kinderen?

Busstra legt van binnenuit vast hoe ze binnen de school trouw proberen te blijven aan hun eigen principes. ‘Als iemand ons pijn doet, reageren we niet door de ander pijn te doen’, houdt Manars man Milad de kinderen bijvoorbeeld voor. ‘We reageren met het recht, met woorden.’ Tegelijkertijd twijfelen de twee ook over hun eigen kinderwens. Manar wil eigenlijk graag nog een kind, maar vraagt zich af of ze dat wel wil in deze wereld. ‘Als iedereen zo denkt, dan krijgt niemand meer kinderen’, reageert haar schoolcollega Zain scherp. ‘Dan worden we een minderheid.’

Intussen moeten Manar en Milad hun zoon Neshan gewoon elke dag die wereld insturen, langs checkpoints en wegversperringen. In de hoop dat hem niets overkomt. Binnen die zeer geladen situatie, laverend tussen het optimisme diep van binnen en opperste wanhoop over het lot van hun volk, proberen ze met hun leerlingen steeds weer ‘het licht in ons hart’ te vinden en zelf overeind te blijven. Ga in vrede, zeggen ze, in een film waarin de gevolgen van het aanhoudende geweld op het hoofd en hart van Palestijnen wordt onderzocht, tegen de kinderen – en vast ook een beetje tegen zichzelf.