Rolling Thunder Revue: A Bob Dylan Story By Martin Scorsese

‘Waarom Rolling Thunder Revue?’ Larry ‘Ratso’ Sloman legt uit: ‘Bob wilde het eigenlijk Montezuma’s Revue noemen. Maar toen hij thuis een naam zat te bedenken hoorde hij een knal in de lucht. En toen, van links naar rechts door de lucht, van boem, boem, boem.’

Even later: ‘Voor we op weg gingen, zei Chesley Millikin, die ook meeging: Weet je wat Rolling Thunder betekent voor indianen?’ Bob tastte volgens Ratso in het duister. ‘De waarheid spreken.’

‘Later hoorden we dat Rolling Thunder de codenaam was voor Nixons bombardementen op Cambodja.’ Ratso haalt zijn schouders op. ‘Dus wie weet wat het ware verhaal is…’

Feit is dat Bob Dylan in het najaar van 1975 met de Rolling Thunder Revue (waarbij gasten als Patti Smith, Allen Ginsberg, Joan Baez, Ramblin’ Jack Elliott, Roger McGuinn en Joni Mitchell aanhaakten) een korte tour door het Noord-Oosten van de Verenigde Staten en Canada maakte. Per bus, met de singer-songwriter zelf zo nu en dan hoogstpersoonlijk achter het stuur, reisde het gezelschap twee maanden het land rond voor ruim dertig optredens.

Een cameraploeg legde de concerten vast en verzamelde het gebruikelijke backstage- en tourmateriaal. Deze beelden vormen het hart van Rolling Thunder Revue: A Bob Dylan Story By Martin Scorsese (142 min.). Het was nog een hele klus om ze te maken, beweert de toenmalige regisseur, de Nederlander (!) Stefan van Dorp die eerder met Shocking Blue werkte aan de wereldhit Venus. ‘Van Dorp was een vreemde vent’, stelt Dylan in een nieuw interview met Scorsese. ‘Hij was zo iemand die een vijand zoekt. Hij maakte vijanden die er niet waren.’

Deze film bevat nog veel meer opmerkelijke ontboezemingen. Zo verhaalt actrice Sharon Stone bijvoorbeeld over hoe ze als 19-jarig meisje met haar moeder doordrong tot de vermaarde zanger en met hem in gesprek raakte over haar Kiss T-shirt. Net als de leden van die hardrockband ging Dylan vervolgens tijdens de tournee gezichtsbeschildering gebruiken. Hij had ook nog een lied over haar geschreven, zei hij: Just Like A Woman. Vreemd genoeg werd dat echter al in 1966 uitgebracht.

Truth is stranger than fiction? Of toch: gewoon fictie? ‘Als iemand een masker draagt, vertelt hij de waarheid’, stelt Dylan cryptisch tegenover Martin Scorsese. ‘Als hij geen masker draagt, is dat onwaarschijnlijk.’ De man, onbeschilderd ditmaal, neemt in het interview zo nu en dan opzichtig een loopje met de waarheid en geeft daarmee ogenschijnlijk authenticiteit aan de – juist! – verzonnen personages en gebeurtenissen die regisseur Scorsese in deze mockumentary aan de werkelijke touractiviteiten toevoegt.

Dat is best vermakelijk – acteur Michael Murphy in een reprise van zijn rol als politicus Jack Tanner uit de klassieke mockumentary Tanner ‘88 bijvoorbeeld – maar de echte meerwaarde van deze fictieve elementen ontgaat me een beetje. Voor overtuigde Dylan-adepten zijn de concertbeelden van Dylan in topvorm méér dan voldoende. De rest wordt nooit meer dan geinige ballast. Zeker omdat de film toch al erg ruim in z’n jasje zit.

Favela Rising

‘Tussen 1987 en 2001 werden er 467 minderjarigen vermoord in Israël en Palestina’, meldt de begintekst van Favela Rising (81 min.), een straffe documentaire van Jeff Zimbalist en Matt Mochary uit 2005. ‘In diezelfde periode werden er 3937 minderjarigen vermoord in één enkele Braziliaanse stad.’ U weet wel: ‘Rioooo. De Janeiroooo. Rioowoohoo. Land of sun. Samba and wine’ (Maywood). De metropool, die van bovenaf wordt bezien door dat iconische beeld van Christus aan het kruis,

Rio de Janeiro is tevens de stad van meer dan zeshonderd favela’s. Dit verhaal speelt zich af in één van die gewelddadige achterbuurten: Vigario Geral, ook wel het Braziliaanse Bosnië genoemd, een godvergeten sloppenwijk met 30.000 inwoners. Het strijdtoneel voor continue confrontaties tussen drugsbendes en de dubieuze militaire politie. Een genadeloze burgeroorlog, die al werd vervat in huiveringwekkende speelfilms als Cidade De Deus en Tropa De Elite.

Alles in de favela is besmet geraakt door die vuile oorlog. Een tienerjongen heeft talloze voorbeelden. ‘Zou je dit nu wel vertellen?’, vraagt een vertaler, die is ingehuurd voor de documentaire, als hij even onderweg is. Kan ons dit op represailles komen te staan? Één idealistische wijkbewoner, Anderson Sa, laat zich nergens door weerhouden en start AfroReggae, een muziekgroep die voor alle jongeren uit de favela toegankelijk is en bovendien allerhande workshops verzorgt. Hij wil kinderen uit Vigario Geral een geloofwaardig alternatief bieden voor het bendeleven. Dat gaat echter bepaald niet altijd zonder slag of stoot.

‘Ik wil een echte gangster worden’, zegt ‘Richard’ bijvoorbeeld stellig tegen Anderson tijdens een toevallige ontmoeting op straat. Het jongetje lijkt nog geen tien jaar oud, maar ziet (blijkbaar) geen ander perspectief voor zichzelf. ‘Je moet studeren’, houdt Anderson hem voor, maar het joch, dat in eerste instantie een schuilnaam heeft opgegeven en in werkelijkheid Murilio blijkt te heten, houdt stug vol. ‘Jij bent geen schurk!’, roept de AfroReggae-voorman hem nog na als de jongen doorloopt, op weg naar wat wel eens een gewelddadige toekomst zou kunnen worden.

Hoewel beslist niet elke potentiële crimineel is te redden met een positief verhaal en rolmodel, ligt de hoopvolle boodschap er nochtans dik bovenop in Favela Rising. De film demonstreert hoe zelfs in de diepste misère nieuwe initiatieven ontstaan en rolmodellen opstaan die het leven een positieve draai kunnen geven en krijgt uiteindelijk nog eens extra lading als Andersons persoonlijke queeste om hoop terug te brengen in zijn gemeenschap een onverwachte dramatische wending krijgt.

Vrienten & Vrienten In Basmannen

Henny ontvangt zijn zoon. Xander heeft een nieuwe bas meegebracht. Vader speelt het kenmerkende basloopje van Doris Day en constateert: ‘Ik mis bas.’ Hij probeert nog een stukje. Pesterig: ‘Nou, dan ga ik even een bas pakken.’ Even later, als Henny zijn eigen instrument bespeelt: ‘Hoor je hem? Dit is bas.’ Nu is het de beurt aan Xander om te stangen. ‘Dat is toch totaal over de top’, zegt hij tegen zijn vader. ‘Jij doet alsof het daarom gaat.’ Henny legt het nog één keer uit: ‘B.A.S.’ Hij laat een stilte vallen: ‘Bas.’

Ze lijken lijnrecht tegenover elkaar te staan, vader en zoon Vrienten. Kort door de bocht: Henny is van het gevoel, Xander van de techniek. Wat hen bindt is dat ene snaarinstrument. Vader werd er met Doe Maar een Nederlandse wereldster mee, zoon speelt de exemplarische dienende rol bij Jett Rebel. Want dat kleeft er aan de door hen zo geliefde basgitaar: hij wordt bespeeld door waterdragers, kleurloze types die nu eenmaal niets anders kunnen. Zoals je alleen keeper wordt als je niet kunt voetballen, gelden bassisten als mislukte gitaristen.

De delicieuze documentaire Vrienten & Vrienten In: Basmannen (54 min.), waarin Henny en Xander collega-bassisten zoals Rinus Gerritsen (Golden Earring; men neme bijvoorbeeld de signatuur-baslijn van Radar Love), Herman Deinum (Cuby And The Blizzards), Michel van Schie (Trijntje Oosterhuis), Glen Gaddum Jr. (Anouk), Gino Cochise (Sarah-Jane) en Hein Offermans (Guus Meeuwis) en zijn dochter Jasja (India Askin) bezoeken en met hen spreken over het vak, bewijst het tegendeel. Dit zijn rasmuzikanten. Als kinderen in een zéér exclusieve snoepwinkel bewonderen ze elkaars instrumenten. Soms mogen ze het zelfs vasthouden en eventjes bespelen.

Hoewel ze zich wel eens verliezen in name dropping en vakjargon is de liefde en trots (t-shirt: ‘like most musicians you’re following the bass player’) waarmee deze bassisten van verschillende muziekgeneraties over hun stiel vertellen onweerstaanbaar. Net als de blikken die ze in deze film van Joris Postema uitwisselen tijdens het samen spelen – of de irritatie als dat niet helemaal lekker loopt. Vakmanschap is meesterschap, vat Henny Vrienten, die de afgelopen jaren al in diverse fijne muziekdocumentaires floreerde, het gloedvol samen. Geschraagd door pure liefde voor het vak.

Deze muziekfilm, die thematisch een vervolg lijkt op de documentaire Gitaarjongens van Erik de Bruyn uit 2013, heeft in de wisselwerking tussen vader en zoon Vrienten een sterke troef. Xander had vroeger last van een soort Jordi Cruijff-complex, waardoor hij zich aanvankelijk puur op gitaar richtte. Niet vreemd: zijn vader geldt als één van Neerlands toonaangevende bassisten. Tot overmaat van ramp schreef hij ook nog eens de enorme hit Pa. De puber Xander speelde een bij voorbaat verloren wedstrijd. ‘Kap nou eens met die dad-issues en pak die bas aan’, beet een vriend hem uiteindelijk toe. En zo geschiedde.

Nu kan zoon zich als bassist moeiteloos meten met vader. Al zijn de verschillen gebleven. Als Xander aan Henny een jazzimprovisatie van een bassist en drummer laat luisteren, vraagt die na enige bedenktijd: ‘zouden ze elkaar horen?’ Ook voor zijn zoon heeft pa Vrienten nog wel wat vaderlijk advies: Xander moet gewoon de ‘noodzakelijke basnoten’ spelen, in plaats van ‘snarenfietsen’. En zo steggelen deze gezworen Basmannen vrolijk verder. Met elkaar, hun instrument (de b.a.s.) én de kijker, die onbedaarlijk zit te smullen.

The King

‘Oh, mán!’ Hij schiet helemaal vol als hij instapt. Een Rolls Royce uit 1963. De auto van Elvis Presley. The King (108 min.). ‘Oh, shit’, herpakt singer-songwriter John Hiatt zich. ‘Sorry.’ ‘Kwam het door iets wat ik zei?’ wil regisseur en bestuurder Eugene Jarecki weten. ‘Nee. Als je in deze auto gaat zitten, voel je gewoon hoe gevangen hij zat. Helemaal gevangen.’

Elvis was volgens John Hiatt een ‘poor mama’s boy from Mississippi’, die vast kwam te zitten bij een ‘kermistype’. Manager Colonel Parker heeft hem schaamteloos heeft geëxploiteerd en intussen zijn ziel afgenomen. Hoogstpersoonlijk zorgde Parker, de Nederlander Dries van Kuijk, ervoor dat Presley transformeerde van onbedorven – of zéér verdorven; tis maar hoe je het bekijkt – rock & roller tot volledig bedorven entertainer.

Elvis was de verpersoonlijking van de American Dream, zo betoogt deze caleidoscopische road trip door het hedendaagse Amerika met de ‘hot wheels’ van The King. En dus ook van de teloorgang van diezelfde droom. Waar Presley zijn ziel op Faustiaanse wijze aan de Duivel verkocht, veranderde het land van hoop en dromen gaandeweg in een soort megalomane versie van Las Vegas, de plek waar Elvis roemloos aan zijn einde kwam.

Ooit een baken van vrijheid, maar inmiddels allang verworden tot een symbool voor het ultieme kapitalisme. Al valt er op die droom, volgens de rapper Immortal Technique niet meer dan ‘de nachtmerrie van een dronkenlap’, ook wel één en ander af te dingen. Want dat was natuurlijk vooral een blank ideaalbeeld. Dat werd gepersonifieerd door Elvis, de zanger die zwarte muziek toegankelijk maakte voor wit Amerika.

‘Elvis was a hero to most, but he never meant shit to me’, rapte Chuck D. al in de Public Enemy-hit Fight The Power. ‘Straight up racist that sucker was.’ Hij mag ook zijn licht laten schijnen over The King, in de ogen van de rapper het symbool van hoe Wit Amerika Zwart Amerika ringeloorde, in deze lappendeken van een documentaire, waarin een hele stoet landgenoten het lot van Elvis met dat van zijn land verknoopt.

Van acteurs als Alec Baldwin, Ethan Hawke en Ashton Kutscher tot spin doctor James Carville, The Wire-bedenker David Simon en oud-anchorman Dan Rather. Intussen wordt er ook nog gloedvol gemusiceerd in die Rolls Royce, die vanuit de stilaan Vernederde Staten van Amerika linea recta ons collectieve hart binnenrijdt met deze eigenzinnige en ambitieuze film.

My Generation

Ze zetten zich af tegen het land van hun ouders, waarin je klasse bepaalde wie je was en wie je zou kunnen zijn. Met liefde en plezier droegen ze het grote Britse rijk van weleer ten grave om een nieuw land te stichten. Rule, Britannia! werd zogezegd vervangen door My Generation (86 min.). En midden in die Britse vloedgolf bevond zich acteur Michael Caine. Of beter: Maurice Micklewhite, de zoon van een visboer en een poetsvrouw.

In de bedompte jaren na de tweede wereldoorlog vond hij zichzelf opnieuw uit. De aankomende filmster had een artiestennaam nodig, vertelt hij geroutineerd in deze aan hem opgehangen film over de roarin’ sixties. Bij een bioscoop zag de acteur volgens eigen zeggen een poster van zijn favoriete acteur Humphrey Bogart, The Caine Mutiny. ‘Als ik naar de volgende bioscoop was gelopen, had ik nu dus Michael 101 Dalmatiërs geheten.’

Als verteller laveert Caine in deze gelikte film soepeltjes tussen zijn eigen persoonlijke lotgevallen en het grotere verhaal van de opkomst en ondergang van Swinging Londen. Hij gaat bovendien in gesprek met generatiegenoten als Beatle Paul McCartney, model Twiggy, fotograaf David Bailey, Who-zanger Roger Daltrey, modeontwerper Mary Quant en zangeres Marianne Faithfull. Stuk voor stuk nieuwe helden van weleer, met een Cockney-achtergrond.

Die (off screen) gesprekken worden door regisseur David Batty geserveerd met een levendige cocktail van film, reclame, comedy, politiek en natuurlijk muziek uit de tijd dat Londen het epicentrum van de wereld was – of op zijn minst dacht te zijn. Alle ijkpunten van de veel bewierookte jaren zestig komen weer voorbij: de minirok, het gebruik van de pil en de onvermijdelijke confrontaties met het establishment. Dat gaat – onvermijdelijk – gepaard met het romantiseren van de eigen jeugd, waarmee de babyboomers volgende generaties meteen alle gelegenheid gaven en geven om daar weer tegen te rebelleren.

Believer

 

Hij floreert op het podium, Dan Reynolds. En de zanger van de Amerikaanse indieband Imagine Dragons gebruikt dat podium tevens om een serieus pijnpunt in eigen kring aan te snijden (of, zoals sommigen in die gemeenschap dat zullen hebben ervaren, de hand te bijten die hem heeft gevoed): de benarde positie van homoseksuelen binnen de Mormoonse kerk.

Dan Reynolds groeide op als lid van de Latter-day Saints in de Amerikaanse staat Utah. Als jongeling werd hij op pad gestuurd om twee jaar lang de leer van zijn kerk aan de man te brengen. Een missionaris, die letterlijk van deur tot deur gaat. Inmiddels is Reynolds door zijn muziek uitgegroeid tot een Bekende Mormoon en voelt hij zich, gealarmeerd door het aantal zelfdodingen binnen het LGBT-deel van zijn gemeenschap, genoodzaakt om kleur te bekennen.

In de (geautoriseerde?) documentaire Believer (103 min.) van regisseur Don Argott probeert de zanger van Imagine Dragons, in eendrachtige samenwerking met zijn vrouw Aja Volkman, het taboe bespreekbaar te maken. Hij besluit het festival LoveLoud te gaan organiseren, dat in de zomer van 2017 voor het eerst moet plaatsvinden. Deze film documenteert het complete proces; van het allereerste idee via de verplichte strubbelingen onderweg tot de uiteindelijke festivaldag.

Dat roept meteen de vraag op wanneer Reynolds heeft besloten om te starten met filmen. Want als de zanger voor het eerst contact zoekt met Tyler Glenn, de openlijk homoseksuele frontman van de band Neon Treesdie door de Mormoonse kerk is geëxcommuniceerd, en vraagt of hij een festival een goed idee vindt, is de camera er al bij. Alsof deze documentaire altijd al onderdeel van het plan was.

Die film brengt de thematiek van mensen die door hun geaardheid ineens worden verstoten door de wereld waartoe ze altijd hebben behoord overigens wel treffend tot leven; van gewaardeerd kerklid verworden ze tot persona non grata. Believer, ondersteund door een catchy titelnummer van Imagine Dragons, voelt soms wel erg gestroomlijnd. Alsof de documentaire ook is bedoeld om het goede werk dat de heteroman Reynolds en zijn lieftallige echtgenote verrichten voor hun LGBT-medemens nog eens te benadrukken.

In april van dit jaar volgde bovendien nog een wat ongemakkelijke epiloog, in de vorm van een bericht op Twitter dat Reynolds en zijn vrouw ’na zeven mooie jaren’ uit elkaar zijn. Deze documentaire, slechts een half jaar eerder opgenomen, laat nochtans alleen een uiterst liefdevol koppel zien. Alle eventuele huwelijksproblemen zijn netjes buiten beeld gehouden of weg geretoucheerd. Je zou er bijna – bijna! – wat van gaan denken.

Unknown Brood

 

Provocerend gesteld: Herman Brood is de ideale rock & roller voor mensen die eigenlijk niet van rock & roll houden. Of beter: voor mensen die de rock & roll-levensstijl verkiezen boven de muziek. Zoals je hem ook de ideale kunstenaar kunt noemen voor mensen die eigenlijk niet van kunst houden. Of: de troeteljunk van mensen die drugsverslaafden het liefst uit hun eigen straat verjagen. Ik draaf door…

Regisseur Dennis Alink probeert in deze krachtige film de Unknown Brood (85 min.) te vinden, de man achter het fenomeen. Volgens eigen zeggen was die mensenschuw, sociaal onhandig en ‘allergisch voor gezelligheid’. Speed hielp hem over de drempel om ‘Herman Brood’ te worden. Zonder drugs zou hij niet oud zijn geworden, denkt zijn jongere zus Beppie zelfs. Achteraf bezien was er in zijn leven en werk altijd al een doodswens aanwezig, die in 2001 culmineerde in die fatale sprong van het Hilton.

Alink voert in zijn documentaire de gebruikelijke Brood-mythevormers op: de onvermijdelijke manager Koos van Dijk, de onvermijdelijke oud-bandleden en de onvermijdelijke biograaf Bart Chabot. Stuk voor stuk lijken ze hun bestaansrecht te ontlenen aan de jaren in het kielzog van de rock & roll junkie. Behalve zulke usual suspects komen ook intimi als Hennie Vrienten, Willem Venema en Anton Corbijn aan het woord. De echte meerwaarde zit echter bij Broods openhartige vrouw Xandra en kinderen, zijn ex-vriendin Dorien (die hem inspireerde tot Doreen) en zijn nuchtere zus. Zij openen de deur naar de Herman die Brood liever verborgen hield.

‘Herman en ik zeiden wel eens tegen elkaar dat we last hadden van een gelukkige jeugd’, beweert Beppie Brood stellig. Hij speelde in het openbaar echter liever de getormenteerde artiest, die een beroerde jeugd had gehad als loensend, gepest jongetje. Het was slechts één van de elementen van het trucje ‘Herman Brood’, dat gretig aftrek vond bij gulzige journalisten en televisiemakers, die zich hier in allerlei archieffragmenten van hun meest schaamteloze kant laten zien. Brood documenteerde daarnaast met een filmcamera zijn eigen leven. In rafelige homevideo’s tekent hij opmerkelijk afstandelijk zijn eigen aftakeling op.

Naarmate de documentaire vordert wordt het verval steeds zichtbaarder. Hij had dat zelf ook maar al te goed door. Herman wilde, in de woorden van die andere speedkikker Jules Deelder, niet eindigen als ‘een halfje Brood’. Tegelijkertijd zag hij er ook wel de (donkere) romantiek van in, getuige de vergelijking die hij in een interview trekt met de aan een overdosis bezweken stand up-comedian Lenny Bruce (van wie hij volgens de overlevering de kreet Shpritsz leende). Waarna Neerlands bekendste rock & roller uiteindelijk die al meermaals in bijzinnen, grapjes en songs aangekondigde stap in het diepe waagde en met het beëindigen van zijn leven nog eenmaal zijn imago bestendigde.

Van buitenaf bezien en met de wetenschap van nu lijkt Broods hele bestaan een soort uiting van het onvermogen om gewoon te leven. En juist dat maakt hem, en deze film die het beeld van een wankelend rock & roll-cliché behoorlijk kantelt, zo aangrijpend. Mens onder de mensen. Zelfs als je Herman Brood bent – of speelt.

Een fenomeen als Herman Brood vormt dankbaar documentairemateriaal. Rock ‘N Roll Junkie is bijvoorbeeld een klassieke docu uit 1994 over Neerlands bekendste rock & roller, gemaakt door vier overtuigde Brood-liefhebbers. Daarin zien we Brood zoals we hem kennen: cool, geil en high.

In Buying The Band, dat begin dit jaar een bescheiden hype werd in popland Nederland, is te zien hoe enkele leden van Herman Broods voormalige begeleidingsband, The Wild Romance, helemaal zijn blijven hangen in de rock & roll-lifestyle van weleer. De uiterst vermakelijke film van Teus van Sintmaartensdijk laat zien hoe ondernemer en would be-drummer Jan ’t Hoen zich inkoopt in de band en met hen onder de noemer Romanza Brava on the road gaat. De ontwikkelingen die hij zo in gang zet, zijn even voorspelbaar als komisch.

Dig!

 

Not If You Were The Last Junkie On Earth, de eerste hit van The Dandy Warhols uit 1997, werd direct vilein gecounterd door The Brian Jonestown Massacre met Not If You Were The Last Dandy On Earth. Het was natuurlijk ook de wereld op zijn kop: Anton Newcombe’s band had de ‘next big thing’ moeten worden, maar de groep van zijn vriend/rivaal Courtney Taylor-Taylor ging er met de eer vandoor.

Dat ‘onrecht’ vormt het hart van de bruisende rockdoc Dig! uit 2004, waarvoor Ondi Timoner beide rockbands gedurende zeven jaar op de voet heeft gevolgd. In die periode kreeg Taylor-Taylor (tevens de verteller van deze film) steeds meer succes, terwijl Newcombe gaandeweg he-le-maal uit de bocht vloog. Totdat het zelfs te veel werd voor zijn trouwe secondant Joel Gion, die jarenlang met een veel te grote zonnebril op en een tamboerijn in de hand naast hem op het podium übercool stond te wezen.

Want de decadente levensstijl waarmee The Dandy Warhols uitbundig flirtten en uiteindelijk ook scoorden – met als meest tastbare resultaat de door een commercial tot wereldhit gebombardeerde kraker Bohemian Like You – werd door The Brian Jonestown Massacre daadwerkelijk geleefd. Hun muzikale verrichtingen, vastgelegd op een stortvloed aan platen, werden steevast overschaduwd door drankgelagen, sterallures, arrestaties, drugsmisbruik en zelfs vechtpartijen op het podium.

De losgeslagen multi-instrumentalist Anton Newcombe wordt door menigeen nog altijd beschouwd als een muzikaal wonderkind, maar in Dig! is hij vooral te zien als een enfant terrible, dat steeds opzichtig aan de noodrem trekt zodra zijn trein op stoom dreigt te komen. De mediagenieke Dandy Courtney Taylor-Taylor oogt intussen als de gedroomde popster, een ideale posterboy voor de lekker slicke alternatieve rock van het fin de siècle.

Behalve lof oogstte filmmaakster Ondi Timoner overigens ook kritiek met deze rudimentaire documentaire, die de juryprijs won op het Sundance Festival van 2004; ze zou wel erg weinig oog hebben gehad voor de muzikale verrichtingen van beide bands en het drama tussen hen bovendien nogal kunstmatig hebben aangezet. Zodat er aan het eind van de film duidelijke winnaars en losers lijken te zijn. De werkelijkheid lag, zoals altijd, een stuk genuanceerder. Maar dat levert natuurlijk niet per definitie ook een spannendere film op.

Liberation Day

 

Deze week moet de met veel bombarie aangekondigde top tussen de Amerikaanse president Trump en de Noord-Koreaanse leider Kim Jong-un plaatsvinden. Een mooie gelegenheid om deze vermakelijke documentaire over het bezoek van Laibach, een belangrijke inspiratiebron voor de spraakmakende tanzmetalband Rammmstein, als eerste westerse rockband aan Noord-Korea te vertonen, dacht de VPRO. Ook al kan die top alsnog met veel bombarie worden afgeblazen – zoals al eerder gebeurde. Met King Don en King Kim weet je het nooit.

De tournee van de doorgewinterde provocateurs uit Slovenië door de verknipte communistische heilstaat kon enkele jaren geleden in elk geval gewoon doorgaan. Blijkbaar hadden beide partijen daarbij genoeg te winnen. De keuze van Kim Jong-un om juist Laibach, een band die veelvuldig gebruik maakt van militaristische symboliek en nooit vies is van controverse, toegang te verlenen is opmerkelijk. Wilde Kim zichzelf nog eens ongegeneerd bewonderen in de spiegel? Of hield de band hem (ongemerkt) gewoon een lachspiegel voor?

‘All art is subject to political manipulation except that which speaks the language of the same manipulation’, stelt Laibach zelf in het leidmotief voor Liberation Day (58 min.). Regisseur Morten Traavik organiseerde al eerder culturele projecten in Noord-Korea, had tijdens de toer de leiding over de Laibach-delegatie en speelt nu de hoofdrol in zijn eigen film. Met straffe hand probeert hij de afstand tussen band en land te overbruggen; de culturele misverstanden, continu opspelende technische perikelen en op de achtergrond altijd aanwezige censuur.

Bij Laibachs met veel bravoure geëtaleerde wansmaak (of is het gewoon kunst?) krijgt ook een op de vrijheid van meningsuiting gestelde Nederlander soms de neiging om de culturele politie te laten uitrukken, maar als het dan daadwerkelijk gebeurt is het toch even schrikken. De band zelf lijkt zich er van tevoren al mee te hebben verzoend dat er water bij de wijn moet worden gedaan. Dit proces, waarbij de film zowel bij land als band achter de facade komt, is alleraardigst om te zien. Het levert Laibach, net als in Noord-Korea, beschaafd applaus op.

Eric Clapton: Life In 12 Bars

 

Nog voordat John Lennon verklaarde dat The Beatles toch echt groter waren dan Jezus en The Stones de Duivel probeerden aan te roepen, werd gitarist Eric Clapton hoogstpersoonlijk uitgeroepen tot opperwezen. De fameuze ‘Clapton Is God’-muurschildering, die in 1965 op een station in Londen verscheen, moet als een molensteen om zijn nek hebben gehangen. Want God werd – in tegenstelling tot die andere legendarische gitaarheld, Jimi Hendrix – gewoon oud. Als een doodnormale sterveling.

Hij is inmiddels in de zeventig, de rockgod van weleer. Sadder & wiser ook. In de geautoriseerde biografie Eric Clapton: Life In 12 Bars (133 min.) van confidant Lili Fini Zanuck, die door Het Uur Van De Wolf in twee delen wordt uitgezonden, wordt zijn glorieuze carrière, en het getormenteerde leven daarachter, afgepeld tot de kern: de moeizame relatie met zijn moeder, die hij tot z’n negende beschouwde als zijn oudere zus. Zij heeft nooit een serieuze poging ondernomen om een relatie op te bouwen met haar zoon. Die hechtingsproblematiek is hem een leven lang blijven achtervolgen.

Van daaruit legt Zanuck (of is het Clapton zelf?) met een weldaad aan archiefmateriaal en off screen-interviews met alle relevante passanten uit Claptons leven een direct verband met diens verdoemde liefde voor Pattie Boyd, de vrouw van boezemvriend en Beatles-gitarist George Harrison, en zijn afhankelijkheid van drugs en drank (die in 1976 tot deze pijnlijke rant over een Blank Engeland zou hebben geleid). Vanuit ongeluk zoop en snoof hij zich een ongeluk, naar de onvermijdelijke catharsis die je de hele film ziet aankomen.

En als Clapton eindelijk vrede met zichzelf en zijn leven lijkt te hebben gesloten, slaat het noodlot opnieuw toe. Het zal hem, in een tragische speling van het lot, zijn allergrootste hit opleveren: Tears In Heaven, tevens het emotionele hoogtepunt van deze krachtige film, die de afgelopen twintig jaar in het bestaan van deze maar al te menselijke man afdoet met enkele zoetsappige ‘eind goed al goed’-constateringen. En dat ‘Clapton is God’ zou trouwens wel eens een publiciteitsstunt kunnen zijn geweest, bekende hij onlangs in een interview. Of was die uitspraak opnieuw een poging om zichzelf tot menselijke proporties terug te brengen?

Kurt Cobain: Montage Of Heck

 

‘I hope I die before I get old’, beweerde de nog altijd springlevende Pete Townshend halverwege de jaren zestig in My Generation, het lijflied van de babyboom-generatie. De gitarist van The Who wordt deze week 73. Bij de man die ruim 25 jaar later het lijflied van de generatie X zou neerpennen, Smells Like Teen Spirit, eindigde het leven al op 27-jarige leeftijd. In 1994 voegde hij zich eigenhandig bij een club van opvallend jong gestorven pophelden.

Kurt Cobain, de man die met Nirvana hoogstpersoonlijk alternatieve rock naar MTV en het bijbehorende miljoenenpubliek bracht. Het boegbeeld van slackers in de hele wereld. En de ontheemde twintiger, een jongen nog, die worstelde met zichzelf, zijn plots verworven roem en het leven in het algemeen. In de fabuleuze biografie Kurt Cobain: Montage Of Heck(132 min.) komt regisseur Brett Morgen voorbij het stereotiepe beeld van De Getormenteerde Zanger, dat zo vaak van Cobain is geschetst, en slaagt hij erin om daarachter de kleine Kurt te vinden.

Daaraan liggen een aantal opvallende keuzes ten grondslag. Zo hanteert Morgen op het gebied van interviews stringent het ‘less is more’-principe. Waar voor de meeste popbiografieën een karrenvracht aan celebrities wordt ingevlogen, beperkt Morgen zich tot louter essentiële bronnen: Cobains moeder, vader, stiefmoeder, zus, ex-vriendin, weduwe Courtney Love en Nirvana-bassist Krist Novoselic. Zelfs Nirvana-drummer (en tegenwoordig boegbeeld van The Foo Fighters) Dave Grohl, die blijkbaar niet op tijd kon worden geïnterviewd, ontbreekt in de film. Door die scherpe keuze blijft rock & roll-bullshit achterwege en kan de film direct door naar de kern.

Bij de aankleding van zijn documentaire heeft hij zichzelf dan weer geen enkele beperking opgelegd. Met zichtbaar plezier maakt Brett Morgen – naast de gebruikelijke obligate popinterviews en enerverende concert- en studiobeelden – gebruik van Cobains dagboekfragmenten, brieven en naargeestige tekeningen, vertederende familiefilmpjes en speciaal voor de film gemaakte animaties (waarvan overigens niet iedereen gecharmeerd was). Die paart hij op virtuoze wijze aan Nirvana’s overbekende rocksongs, die daardoor van een extra dimensie worden voorzien. Alsof je ze voor het allereerst hoort. Dat lijkt me een verdienste op zich.

Uiteindelijk drijft Montage Of Heck echter op een klein menselijk verhaal: over een jongetje dat door allebei zijn ouders werd afgewezen en daarna met zijn ziel onder zijn arm, en het hart op de tong, door het leven moest. Het is maar al te goed voor te stellen dat in die door allerlei lichamelijke en psychische klachten geteisterde schreeuwzanger nog dat enthousiaste blonde menneke uit de Cobain-jeugdfilmpjes zat verstopt. Ergens onderweg is hij onherstelbaar beschadigd geraakt en de drang ontstaan tot zelfmedicatie – en, uiteindelijk, zelfdestructie.

Regisseur Brett Morgen, die onlangs een prachtige biografie maakte over een ander icoon, de beroemde primatologe Jane Goodall, slaagt erin om van het fenomeen Kurt Cobain weer een mens van vlees en bloed te maken. Terwijl hij in de laatste fase van zijn leven afglijdt in een heroïneverslaving, zet de zanger samen met zijn vrouw Courtney tegen beter weten in een kind op de wereld en blijft hunkeren naar zoiets als een traditioneel gezin. De uiteindelijke afloop staat al bijna 25 jaar vast en zindert desondanks nog wel even na.

 

 

Elvis Presley: The Searcher

 

In 1968 leek zijn carrière over. Elvis Presley was verleden tijd. Ook volgens zichzelf. Afgegleden naar plat entertainment en voorbij gestreefd door The Beatles, Stones en al die andere sixtiesbands. Hij ging het niettemin nog eenmaal proberen. Tegen beter weten in. Omdat het bloed nu eenmaal kruipt waar het niet gaan kan. Tot het uiterste geladen overtrof ‘s werelds beroemdste rock & roller nog eenmaal alle verwachtingen en gaf zijn zieltogende loopbaan met de zogenaamde ‘68 Comeback Special een allerlaatste klap.

Dat is het startpunt van het epische portret Elvis Presley: The Searcher(205 min) van Thom Zimny, dat de komende donderdagen in twee delen wordt uitgezonden door Canvas. Zimny, de huisfilmer van Bruce Springsteen, voert een imposante collectie sprekers op – mensen die je in de film overigens alleen hoort en niet ziet. Van Presleys vrouw Priscilla, oude vrienden en zijn bandleden, songschrijvers en producers tot (pop)historici, biografen en zwaar door Elvis beïnvloede artiesten als Tom Petty, Emmylou Harris, Robbie Robertson (The Band) en – natuurlijk – Springsteen.

Tezamen gaan ze terug naar Presleys armoedige jeugd in Tupelo, Mississippi en schilderen van daaruit zijn enerverende leven, glorieuze carrière (die ook uitwaaierde naar, veelal aalgladde, speelfilms) en de tragische afloop daarvan in 1977; als extra large Vegas-versie van zichzelf, gedeprimeerd en verslaafd aan allerlei chemicaliën in zijn eigen potsierlijke paleis Graceland te Memphis, nog altijd een bedevaartsoord voor Elvis-adepten. Ruim veertig jaar na zijn dood geldt de man met de soepele stem, overrompelende good looks en losse heupen niettemin nog steeds als de onbetwiste ‘king of rock & roll’. Dit uitputtende documentaire-tweeluik bewijst hem op een bevredigende manier alle eer.

The Defiant Ones

 

Ze kunnen doorgaan voor de yin en yang van de popindustrie. Twee ogenschijnlijk volledig tegengestelde sterproducers, die in de afgelopen decennia het gezicht van de Amerikaanse popmuziek definitief hebben veranderd. Eerst afzonderlijk en uiteindelijk – via gezamenlijke producties, hun eigen onderneming en een omstreden miljardendeal met Apple – ook samen.

Allereerst is daar Jimmy Iovine. Blanke rocker van Italiaanse origine. Producer van Bruce Springsteen, Patti Smith, Tom Petty, Stevie Nicks en U2. In de vierdelige documentaireserie The Defiant Ones (261 min.) steken ze stuk voor stuk de loftrompet over de streber en handige jongen. Later startte Iovine ook het fameuze platenlabel Interscope Records, waarvoor hij acts tekende zoals Nine Inch Nails, No Doubt en – de andere hoofdpersoon van deze serie – Dr. Dre.

Andre Romelle Young kan dan al met een gerust hart de Godfather van de gangsterrap worden genoemd, Hij is afkomstig uit een achterbuurt van Los Angeles. Het in rapkringen beruchte Compton, om precies te zijn. Hij verdiende er zijn sporen met het hiphopcollectief NWA (Niggaz Wit Attitudes) en zou naderhand nog gigantisch scoren met de rappers Snoop Doggy Dogg, Tupac Shakur, Eminem en 50 Cent.

In de eerste twee uur van The Defiant Ones worden de doopcelen van Iovine en Dre los van elkaar gelicht en lijkt het alsof regisseur Allen Hughes schakelt tussen twee verschillende – en tamelijk voorspelbare – popbio’s. Pas in de eerste helft van aflevering drie laat hij de twee verhaallijnen samenvloeien en begint de serie voor het eerst te knetteren als Interscope onder vuur komt te liggen door spraakmakende signings als shockrocker Marilyn Manson en het beruchte hiphoplabel Death Row Records.

Daarmee is dit toch wat gemankeerde dubbelportret meteen over zijn hoogtepunt heen. In het laatste uur krijgt The Defiant Ones soms wel erg nadrukkelijk een promotioneel karakter als Jimmy Iovine en Dr. Dre zichzelf, na de verplichte persoonlijke crisis, opnieuw uitvinden en met een slim uitgevente koptelefoonlijn he-le-maal binnenlopen. Daarbij wreekt zich dat de serie nooit écht onder de oppervlakte komt. Hoewel de hoofdpersonen geen onderwerp uit de weg gaan, laten ze ook nooit het achterste van hun tong zien. Het blijft bij een soort functionele zelfonthulling, die vooral lijkt te zijn bedoeld om de eigen personal branding kracht bij te zetten. Waardoor deze docuserie, hoe vermakelijk die soms ook uitpakt, toch eerst en vooral een marketingtool lijkt te zijn.

20 Feet From Stardom

 

Ontbrak nu dat ene écht bijzondere talent waarmee ze de wereld helemaal naar hun hand hadden kunnen zetten? Of misten ze gewoon de nietsontziende ambitie, en het bijbehorende ego, om alles en iedereen aan de kant te schuiven en zelf de bovenste plek op het ereschavot te claimen? Die vragen hebben de hoofdpersonen van de Oscar-winnende documentaire 20 Feet From Stardom (91 min.) uit 2013 zichzelf ook regelmatig gesteld.

Zit er in Darlene Love, die een groot deel van Phil Spectors monsterhits inzong, werkelijk geen wereldster? Dat is nauwelijks voor te stellen. Zoals ook Lisa Fischer (The Rolling Stones/Tina Turner) en Cindy Mizelle (Bruce Springsteens E Street Band) meer dan genoeg kwaliteit en uitstraling hebben om vol in de spotlights te kunnen staan. In plaats daarvan nemen ze genoegen met een bijrol in een achtergrondkoortje. Tussen alle tweede stemmen en ‘woo-woo’- en ‘yeah-yeah’-koortjes door krijgen ze zo nu en dan een enkel momentje onverdeelde aandacht als Mick, Tina of Bruce even een stapje opzij doen.

Regisseur Morgan Neville, die enkele jaren geleden ook de Netflix-docu Keith Richards: Under The Influence afleverde, maakte een onweerstaanbare film over de vrouwen die de beste bijrollen uit de pophistorie afleverden. Met onvergetelijke vocalisten die waarschijnlijk toch zullen worden vergeten. Geen artistiek hoogstandje, deze documentaire, maar een bijzonder doeltreffende film waarin absolute toptalenten en hun opzwepende muziek (zwaar dooraderde soul, pop, rock en gospel) nu eens vol in de schijnwerpers worden gezet.

20 Feet From Stardom heeft in de afgelopen jaren navolging gekregen met films over andere bijfiguren uit de popgeschiedenis. De matige documentaire Hired Gun, te vinden op Netflix, focust zich op de beste huurkrachten van de rock & roll, zoals bijvoorbeeld Kenny Aronoff (John Mellencamp) en Justin Derrico (Pink), maar blijft een beetje in de bijbehorende clichés en sterke verhalen steken.

Dan is Rock ‘N Roll Guns For Hire: The Story Of The Sidemen, een film waarin voormalig David Bowie-gitarist Earl Slick optreedt als host, een stuk interessanter. Samen met musici die The Rolling Stones, Otis Redding, Prince, Billy Joel en Beyoncé ter zijde staan of stonden, probeert hij een karakterschets te maken van de ideale muzikale rechterhand.

The Other F Word

 

Met dat ene F-woord hadden ze nooit al te veel moeite. Fuck the world. The Police. Of gewoon: You! Arrogante smoel opzetten, middelvinger erbij en klaar was kees. Dat andere F-woord kost de ouder wordende punkers in deze kostelijke documentaire aanmerkelijk meer kruim: father.

The Other F Word (99 min.) uit 2011 is een film die de groeipijnen in beeld brengt van eeuwige pubers, die ondanks zichzelf hebben gekozen voor het vaderschap. ‘You can do any fucked up thing you want to and say “I’m punk”’, zegt Fat Mike, de zanger van de Amerikaanse pretpunkband NOFX, over zijn jonge jaren. Nu maakt hij ‘s ochtends – in een badjas met zebraprint, dat wel – een ontbijt voor zijn dochtertje. Hij moet haar nog wel een keer uitleggen wat die twee SM-meesteressen op zijn linkerbovenarm betekenen.

Hoe zijn we van rebelleren tegen onze eigen ouders in Godsnaam zelf in de ouderrol terecht gekomen? vraagt Pennywise-zanger Jim Lindberg, de hoofdpersoon van deze film van Andrea Blaugrund Nevins, zich in een contemplatieve bui af. Na twintig jaar trouwe dienst overweegt hij om de band, en het bijbehorende bestaan ‘on the road’, te verlaten ten faveure van zijn gezin en een reguliere baan. Daarmee moet hij tevens afstand nemen van de gemeenschap waarin hij als misfit opgroeide en zijn oude strijdmakkers in de steek laten. Met een eventueel vertrek draait Lindberg ook hun punkrockdroom de nek om, zo realiseert hij zich.

Binnen de punkscene is het lastig volwassen worden, ook omdat een groot deel van de mensen om je heen dat ten enenmale weigert én omdat dit natuurlijk ook niet past bij het imago van een obstinate punker. Treffend is in dat verband een scène met Red Hot Chili Peppers-bassist Flea en zijn tienerdochter. Nadat ze samen een stukje op de piano hebben gespeeld, is het vader die zijn middelvinger meent te moeten opsteken naar de camera. Zijn dochter staat er, licht gegeneerd, bij te lachen. Hoe kun je je tegen zo’n ouder afzetten?

Als de relatie ouder-kind, en de rolverwarring die daarmee gepaard kan gaan bij deze mannen, ter sprake wordt gebracht, komt The Other F Word tot de kern: veel van de geportretteerde punkers onderhouden nog altijd een bijzondere moeizame relatie met hun eigen ouders. De boosheid daarover moest – en kwam – eruit via furieuze muziek. Als ze nu worden bevraagd over hun getroebleerde jeugd blijken onverwoestbare iconen als Flea, Rancid-brulboei Lars Frederiksen en Art Alexakis (Everclear) ineens heel kwetsbare jongetjes. Met felkleurd haar, ‘fuck authority’ T-shirts en een overdaad aan tatoeages, dat wel.

Over dat andere F-woord, Fuck, werd in 2005 trouwens ook al een documentaire gemaakt. Op het web is echter nauwelijks meer iets te vinden over het (als ik ’t me goed herinner) vermakelijke F*ck.

Gimme Shelter

Alsof de Duivel ermee speelt… Deze klassieke popdocu uit 1970 start met de welhaast demonische klassieker Jumpin’ Jack Flash, opgenomen tijdens een Rolling Stones-concert in New York. Na een absolute killerriff van Keith Richards fleemt Mick Jagger de wereldberoemde openingszinnen in de microfoon: ‘I was born in a cossfire hurricane and I howled at my ma in the driving rain.’
Met zichtbaar plezier kijken Jagger en de andere Stones de beelden terug in de montageruimte. Meteen daarna krijgen ze een radioverslag te horen van de tragische gebeurtenis waarmee de bijbehorende tournee en de weerslag daarvan, de documentaire Gimme Shelter (91 min.) van de gebroeders Albert en David Maysles en Charlotte Zwerin zal eindigen: Altamont.
Tijdens de Stones-show op dat festival, waar ook The Flying Burrito Brothers en Jefferson Airplane optraden, zou een man sterven. Hells Angels, die waren ingehuurd om de boel te beveiligen, staken de concertganger Meredith Hunter neer. Een tragische gebeurtenis die, samen met de moorden van de Manson Family, tegenwoordig wordt gezien als een kwaadaardige afrekening met de sixties.
Je voelt de gehele film aankomen dat het uit de hand gaat lopen op de Altamont Speedway. Voor een band die uitbundig flirtte met zijn Sympathy For the Devil, zou dat eigenlijk niet als een verrassing mogen komen. Toch is Mick Jagger, in een klassiek geworden scène van Gimme Shelter, duidelijk ontdaan als hij voor het eerst de beelden van Hunters gewelddadige dood te zien krijgt.
Als je wilt zien of horen wat een geweldige rock n’ roll-band The Rolling Stones (ooit) waren, luister dan naar de klassieke rocksong waaraan deze documentaire zijn naam ontleent of kijk naar de documentaire Crossfire Huricane, nog altijd te zien op Netflix, van Brett Morgen.

Roy Orbison: Love Hurts

 

Zijn gitzwarte outfits en eeuwige zonnebril spreken dertig jaar na zijn dood bijna net zoveel tot de verbeelding als zijn hits Oh, Pretty Woman, Crying en Only The Lonely. Want daarachter gaapt bij zanger Roy Orbison altijd die onmetelijke afgrond: een diep tragische familiegeschiedenis, met eerst een fataal motorongeluk en daarna een vernietigende huisbrand.

In Roy Orbison: Love Hurts (58 min.) verhalen zijn zoons Wesley, Roy Jr. en Alexander over hun beroemde vader, die carrière maakte in de gloriejaren van de rock & roll, in de seventies een midlife-crisis en bijbehorende hartaanval overleefde en als vijftiger een prachtige punt achter zijn carrière zette als lid van de superband Traveling Wilburys, met verder Bob Dylan, George Harrison, Jeff Lynne en Tom Petty in de gelederen.

Die zoons vormen de meerwaarde van dit soepele eerbetoon. In gedachten klimmen ze waarschijnlijk nog regelmatig op Roys knie en kijken van daaruit liefdevol op naar hun vader, die altijd een inspiratiebron is gebleven. Met het Royal Philharmonic Orchestra hebben de Orbison-broers ‘s mans dramatisch getoonzette liedjes onlangs van een nieuwe aankleding voorzien, de directe aanleiding voor deze popdocu. En met behulp van de moderne techniek kunnen ze tegenwoordig zelfs het podium op met hun veel bewierookte vader.

Binnenkort dus, springlevend!, in een theater bij u in de buurt, nu alvast in volle glorie op de kijkbuis: Roy Orbison!

Radiohead: Meeting People Is Easy

 

Als je er al je hele leven van droomt om eens met een wereldberoemde band de wereld rond te toeren, neem dan beslist Meeting People Is Easy(93 min.) tot je. Geloof me, deze documentaire van Grant Gee over Radiohead werkt als een ontmoedigingscursus en geneest je vast voorgoed van die behoefte.

Het is nu twintig jaar geleden dat de Britse groep zijn derde langspeler OK Computer uitbracht, een plaat die in de hele wereld werd onthaald als een absoluut meesterwerk. Tot afgrijzen van de band zelf. Niet veel later ging Radiohead op wereldtournee. En Gee’s camera mocht mee. Nooit eerder (of later) werd het leven ‘on the road’ zo genadeloos opgetekend.

Het Engelse vijftal laat het zich eerst nog braaf aanleunen; de overspannen loftuitingen, schijninterviews, tijdvretende fotosessies, ongemakkelijke ontmoetingen met hysterische fans, zenuwslopende clipopnames, kunstjes in televisieprogramma’s waarnaar ze zelf nooit zouden kijken, meetings met plaatselijke platenmaatschappijmedewerkers en tergend trage reisuren. Alsof het nooit, echt nooit, genoeg is.

Gaandeweg begint de alternatieve popgroep uit Oxford te morren en komt voorzichtig in verzet. Vanuit het besef dat deze lopende band, niet voor niets de muziekindustrie genoemd, pas halt houdt als je he-le-maal bent leeg getrokken en alles uit je handen laat vallen – of dreigt om dat te doen. Als een vijfkoppige zombie gaat Radiohead uiteindelijk ruim een jaar later huiswaarts.

Je kunt Grant Gee verwijten dat hij zijn roze bril bewust thuis heeft gelaten en elk willekeurig tafereel grijsgrauw inkleurt. Dat levert nochtans onvergetelijke scènes op – zoals het moment waarop zanger Thom Yorke tegen heug en meug het popblad NME bedankt voor het uitroepen van OK Computer tot album van het jaar – die bovendien wonderwel aansluiten bij de atmosfeer van Radioheads zwaarmoedige muziek.

Meeting People Is Easy is een soort eindeloze treurmars door de hele godganse popwereld, die je langzaam maar zeker, in het kielzog van Radiohead zelf, helemaal verzwelgt. De vervreemdende videotrack bij de collectie lijfliederen waarmee een complete generatie alto’s is opgegroeid in de jaren negentig.

Leonard Cohen, Bird On A Wire

 

Bij een erkende ladiesman als Leonard Cohen verwacht je dat hij in het hiernamaals inderdaad is begroet door ruim zeventig bereidwillige maagden. De Canadese zanger met de sonore stem en zwaarmoedige muziek is nu precies een jaar dood. Ter gelegenheid daarvan vertoont Het Uur Van De Wolf vrijdag de klassieke documentaire Leonard Cohen, Bird On A Wire (106 min.), een film uit 1974 die enkele jaren geleden is gerestaureerd.

De Britse regisseur Tony Palmer volgt de romantische bard tijdens zijn Europese tournee van 1972. Het levert taferelen op die we sindsdien talloze malen hebben gezien in muziekdocumentaires: overvolle kleedkamers, flirtende dames, technische problemen, verplichte interviews, ontmoetingen met handtekeningenjagers en optredens op bijzondere plekken.

Toch blijft deze archetypische tourfilm, hoewel voor hedendaagse kijkers vast wat traag, over de hele linie boeien. De documentaire laat een artiest in topvorm zien. Een man die zijn kwetsbaarheid durft te tonen en die zichzelf gelukkig ook niet altijd even serieus neemt. ‘Leonard Cohen zingt zijn liederen van leed en vertwijfeling’, roept hij tijdens een concert vol zelfspot in de microfoon. ‘Daar komt hij, mensen.’

Behalve talloze memorabele scènes – zoals bijvoorbeeld een verhitte confrontatie met ontevreden fans, die de zanger na een mislukt concert hoogstpersoonlijk hun geld teruggeeft – bevat deze documentaire die van de aardbodem leek te zijn verdwenen ook een uitgebreide selectie Cohen-evergreens (waarvan de teksten voor de liefhebber bovendien netjes in het Nederlands zijn vertaald).

Bird On A Wire is een prima manier om (alsnog) te beginnen aan Leonard Cohen, die nu alweer een jaar de eeuwige jachtvelden afstruint en intussen ook gewoon op dit ondermaanse blijft voortleven.

One More Time With Feeling

 

Als een grauwsluier hangt het drama boven elke scène van de diep ontroerende documentaire One More Time With Feeling (113 min.), zonder dat het tragische ongeluk zelf steeds ter sprake komt. Arthur, de vijftienjarige zoon van zanger Nick Cave, viel van een klif. Sindsdien is niets meer hetzelfde.

Cave liep nooit voorop in de polonaise binnen het feesten- en partijencircuit. In zijn zwartgeblakerde muziek zocht hij nadrukkelijk de schaduwzijden en rafelranden van het leven op. Die Cave had nochtans iets onaantastbaars. Alsof de zwaarmoedigheid van zijn muziek nooit écht vat kreeg op de man zelf.

Tot die fatale veertiende juli in 2015 kon hij moeiteloos doorgaan voor de ongenaakbare hogepriester van de alternatieve popmuziek. Een positie die hij in de overrompelend mooie documentaire 20.000 Days On Earthuit 2014 nog op weergaloze wijze uitbuit. Welnu, die Nick Cave bestaat niet meer. Nooit meer, vermoedelijk.

In de man die in stemmig zwart-wit wordt geportretteerd in One More Time With Feeling (2016) is iets kapot gegaan. Via muziek probeert hij samen met zijn gezin en muzikale partners de weg terug naar het leven te vinden. Regisseur Andrew Dominik vertelt dat verhaal niet lineair, doet nauwelijks aan duiding en hengelt ook niet opzichtig naar grote emoties.

Met aangrijpende interviewfragmenten, verloren scènes en prachtige muziek, die uiteindelijk zijn weg heeft gevonden naar het Nick Cave-album Skeleton Tree, laat hij een man in verwarring zien. Rouw is nu eenmaal geen logisch proces waarin je stapsgewijs alle verplichte fasen doorloopt, waarna aan het eind van de tunnel altijd prachtig licht gloort.

Sinds hij ooit woest aan de rock & roll-deur klopte met zijn band The Birthday Party is Nick Cave een geliefd onderwerp van Nederlandse televisiemakers. Zo portretteerde Bram van Splunteren Cave bijvoorbeeld dertig jaar geleden in Stranger In A Strange Land, een portret dat integraal op YouTube is te vinden.