20.000 Days On Earth

20.000 Days On Earth (93 min.) heeft hij volgens zijn eigen berekeningen inmiddels achter de rug – althans, dat is de premisse van deze weldadige docu/mockumentary over Nick Cave uit 2014 – en dan lijkt dag 20.001 een ideale gelegenheid om de balans op te maken. Een fictieve dag, dat wel, waarop de Australische zanger en (song)schrijver plaatsneemt op een stoel bij de psychiater en vertelt over zijn eerste seksuele ervaring, relatie met z’n vader en verhouding tot het geloof. 

Een dag ook waarop hij zijn eigen archief bezoekt en kijkt naar De Jonge Cave. Waarop hij achter het stuur van zijn auto kruipt en het gesprek aangaat met bijrijders zoals acteur Ray Winstone, oud-bandlid Blixa Bargeld en zangeres Kylie Minogue. En waarop hij voor een copieuze maaltijd aanschuift bij bloedsbroeder Warren Ellis. En daarbij komt het gesprek dan op een angstaanjagend optreden van Nina Simone. Ellis hield daaraan een kauwgom over. Die inspireerde hem onlangs tot het boek Nina Simone’s Gum. Althans, zo wil het verhaal dat de twee graag delen.

Aan de hand van de levensgeschiedenis van hun illustere protagonist belanden de Britse filmmakers (en kunstenaars) Iain Forsyth en Jane Pollard zo bij een soort gefictionaliseerde werkelijkheid over Cave, ergens in de Bermudadriehoek tussen herinnering, mythe en broodje Aap. Daar waar de waarheid zich wel eens schuil zou kunnen houden. En waar Nick Cave zelf in songs, anekdotes en verbindende teksten hoog kan draven, vrijelijk mag schmieren en zijn zwartgeblakerde ziel wil blootleggen.

‘Mijn grootste angst is dat ik mijn geheugen verlies’, zegt hij bijvoorbeeld in deze zinnenprikkelende ode aan de kracht van verbeelding, die door Forsyth en Pollard wordt doorsneden met opnames voor zijn album Push The Sky Away (2013) en performances van die songs. Want uiteindelijk bestaan wij als mensen volgens Cave vooral uit onze herinneringen. ‘Daar gaat het mij om bij het schrijven van liedjes: het hervertellen van die verhalen en het mythologiseren ervan. Zo bezien is het verliezen van het geheugen een enorm trauma.’

In de navolgende jaren zal Nick Cave daar stug mee doorgaan, ook met het verwerken van de trauma’s die hij nog op zijn weg zal vinden – en die een plek zullen krijgen in de concertfilms One More Time With Feeling en This Much I Know To Be True.

This Much I Know To Be True

Piece Of Magic

De één gold een kleine veertig jaar geleden met de post-punkband The Birthday Party als de wildeman van de Australische muziek, de ander werd begin jaren negentig als voorman van het instrumentale trio The Dirty Three ‘de Hendrix van de viool’ genoemd. Toen Nick Cave in 1993 een violist nodig had voor een opname met zijn nieuwe band The Bad Seeds benaderde hij natuurlijk Warren Ellis. Die bleek een blijvertje.

‘Hij schikte zich in eerste instantie in een ondergeschikte rol en verfraaide gewoon wat we toch al deden’, vertelt Cave, ooit de ster van zijn eigen mockumentary 20.000 Days On Earth, in de (privé)concertfilm This Much I Know To Be True (105 min.) van Andrew Dominik. ‘En vervolgens heeft hij gewoon één voor één de leden van The Bad Seeds eruit gewerkt. Ik ben de volgende op zijn lijst. Hij begint tegenwoordig ook steeds meer te zingen.’

Van zulke meligheid is uiteindelijk geen woord gelogen: Warren Ellis speelt allang geen tweede viool meer. Hij speelt sowieso lang niet altijd viool. De twee zijn volwaardige samenwerkingspartners geworden: in The Bad Seeds en het zijproject Grinderman. Als filmcomponisten voor producties zoals The Proposition, Andrew Dominiks The Assassination Of Jesse James By The Coward Robert Ford en de prachtdocu The Velvet Queen.

En onder de noemer Nick Cave & Warren Ellis. In die laatste hoedanigheid zijn ze ook te zien in deze film van Dominik, die Cave in One More Time With Feeling (2016) al eens portretteerde toen die rouwde om zijn overleden zoon Arthur. Deze docu is geen logisch vervolg – er zit overigens ook een film tussen: Cave’s stemmige solo-performance Idiot Prayer – en heeft ook niet zo’n topzware lading, maar voelt toch wel vergelijkbaar.

This Much I Know To Be True bestaat voor het leeuwendeel uit een privé-optreden, opgenomen in het voorjaar van 2021, waarin het illustere duo op gezette tijden wordt bijgestaan door een strijkkwartet, drummer en achtergrondkoor. De locatie, in Brighton en Londen, is uiterst sfeervol. Net als de ‘in your face’-registratie. Dynamisch, fraai uitgelicht en héél intiem. Alsof de twee alleen voor jou, en mij, optreden.

Dominik lardeert dit bezwerende geheel, ogenschijnlijk lukraak, met enkele scènes (de entree en spoken word-performance van een inmiddels erg broze Marianne Faithfull bijvoorbeeld) en losse interviewfragmenten (waarin Cave bijvoorbeeld vertelt over The Red Hand Files, een website waarop hij uitgebreid en zeer persoonlijk ingaat op vragen van fans). Die zijn soms best aardig, maar het is toch echt de muziek die ’t moet doen.

Met een uitgelezen selectie songs van het Bad Seeds-album Ghosteen (2019) en de Cave/Ellis-collaboratie Carnage (2021) creëren Nick Cave en Warren Ellis een soort sacrale atmosfeer, de perfecte manier om in tijden van quarantaine en lockdowns – of als je niet zo nodig onderdeel wilt zijn van een mensenmassa – tóch onderdeel te worden van een concert.

Joy Division

Voor de generatie die opgroeide aan het bedompte einde van de jaren zeventig, toen de eerste punkgolf in zijn nadagen was aanbeland, is Ian Curtis een symbool geworden van algehele malaise, van levensmoeheid zelfs. Zoals Kurt Cobain, de voorman van de Amerikaanse rockgroep Nirvana, dat een kleine vijftien jaar later voor de grunge-generatie zou worden.

Samen met zijn band Joy Division (96 min.) wist Curtis perfect het desolate karakter van zijn tijdsgewricht te verklanken. Als de Britse zanger uit Manchester zong over eenzaamheid, liefde die je uit elkaar trekt of depressies, drukte hij een wanhoop uit die door menige jongeling daadwerkelijk werd gevoeld. Curtis verbond er uiteindelijk de ultieme consequentie aan: op 18 mei 1980 maakte hij een einde aan zijn leven.

Zijn bandmaten Bernard Sumner (gitaar/synthesizer), Peter Hook (basgitaar) en Stephen Morris (drums), die na het overlijden van Curtis de groep New Order zouden vormen en ook daarmee popgeschiedenis schreven, blikken in deze treffende documentaire uit 2007 terug op de relatief korte periode dat ze aan zijn zijde de wereld leken te gaan veroveren. De film bevat ook citaten uit de autobiografie van Ians weduwe Deborah, Touching From A Distance.

In deze productie van Grant Gee, die eerder Radioheads complete vervreemding tijdens een wereldtournee ving in Meeting People Is Easy, komen verder onder anderen Curtis’ Belgische liefje Annik Honoré, de Nederlandse fotograaf Anton Corbijn (die tevens zijn debuutfilm Control aan de groep wijdde) en televisiepersoonlijkheid/platenbaas Tony Wilson (over wie de bij vlagen hilarische biopic, 24 Hour Party People werd gemaakt, waarin Joy Division ook een prominente plek kreeg) aan het woord.

Ieder voor zich beschrijven ze Curtis’ suïcide bijna als een fait accompli, het onvermijdelijke einde achter een door epilepsie, liefdestwijfel en depressies geplaagd bestaan. ‘Vijftig procent triest en vijftig procent boos’, voelde Stephen Morris zich naar eigen zeggen. ‘Boos op hem, omdat hij zoiets stoms had gedaan. En boos op mezelf, omdat ik niets had gedaan.’ De drie overgebleven bandleden vervolgden al snel hun weg, geschokt en toch ongebroken, onder een nieuwe noemer en met nieuw elan.

En zowel Ian Curtis als Joy Division werden bijgeschreven in Het Grote Popgeschiedenisboek, in het hoofdstuk over muziek die weliswaar ouder wordt, maar nooit oud.

Rockfield: The Studio On The Farm

‘Ik herinner me er eerlijk gezegd helemaal niets van’, zegt Liam Gallagher (Oasis), als de eeuwige puber die hij nu eenmaal is, aan het begin van de heerlijke documentaire Rockfield: The Studio On The Farm (92 min.). Zijn band nam nochtans z’n sleutelabums Definitely Maybe en (What’s The Story) Morning Glory op in de plattelandsstudio van de Welshe broers Kingsley en Charles Ward. Zij bouwden het boerenbedrijf van hun familie eind jaren zestig om tot een opnamestudio, waar artiesten tevens, ver weg van het stadse leven, konden verblijven. 

‘Dus je hebt muzikanten genomen als vervangers van de varkens?’ grapt Robert Plant, die zichzelf er na het uiteenvallen van zijn band Led Zeppelin opnieuw uitvond als soloartiest, tegen de aandoenlijke Kingsley. Die moet daar smakelijk om lachen. Zijn broer Charles zou nog tot 1975 gewoon koeien blijven melken op de plek die al snel een populaire studio werd. Op een goede dag kon je er zien hoe Freddie Mercury in een stal de laatste hand legde aan Bohemian Rhapsody, Iggy Pop en David Bowie op het erf rondzwierven, The Stone Roses dertien maanden lang (!) werkten aan een album, de gebroeders Gallagher op de vuist gingen of, dat ook, een koe kalverde.

Hele generaties Britse bands streken in de afgelopen halve eeuw neer bij Rockfield in Wales, werkten er aan hun beste platen en vertellen er nu met zichtbaar plezier over in deze vlotte, grappige en liefdevolle documentaire. En regisseur Hannah Berryman verluchtigt de herinneringen van Ozzy Osbourne (Black Sabbath), Dave Brock (Hawkwind, met destijds nog Motorheads boegbeeld Lemmy Kilmister in de gelederen), Jim Kerr (Simple Minds), Tim Burgess (The Charlatans), Martin Carr (The Boo Radleys), James Dean Bradfield (Manic Street Preachers) en Chris Martin (Coldplay) met videoclips, hartstikke geinige animaties en beelden van de idyllische omgeving. Daarmee vervolmaakt zij deze fijne film over een kostelijk stukje popgeschiedenis op het platteland.

I Get Knocked Down

Sheffield Doc

Terwijl hij als de eerste de beste burgerlul van 59 zijn hond uitlaat – en als de eerste de beste burgerlul ook diens drol in een zakje deponeert en meeneemt – mijmert Dunstan Bruce over het verleden. Is alles dan voor niets geweest? vraagt hij zich tijdens deze (zoveelste?) midlifecrisis af. Ooit behoorde hij met zijn band Chumbawamba, een stelletje rechtgeaarde anarchisten, toch tot de linkse voorhoede? Nu heeft ook hij zich gewoon overgeleverd aan een wereld met Trump, Brexit en politiegeweld.

I Get Knocked Down (87 min.) zongen Dunstan en zijn rebellenclub uit een kraakpand in de arbeidersstad Leeds ooit in Chumbawamba’s enige echte hit Tubthumping (1997). Gevolgd door de fiere zinsneden: ‘But I get up again. You are never gonna keep me down.’ En dat is precies wat Dunstan nu van plan is in deze documentaire van Sophie Robinson: door met zijn voormalige groepsgenoten het idealistische verleden op rakelen wil hij op de één of andere manier het vuur (terug)vinden voor een strijdbare toekomst.

Dunstan Bruce speelt in zekere zin zichzelf in deze joyeuze film en doet met veel theater en (zelf)spot het verhaal van zijn band, die gaandeweg van anarchopunk opschoof naar salonfähige pop. Hij voert daarbij een interne dialoog met Babyhead, een alter ego met een sardonisch lachend poppenmasker op. ‘Ik wil geen beroemdheid zijn, ik wil het verschil maken’, zegt die bijvoorbeeld als Bruce na een interview in het televisieprogramma Democracy Now! voor een foto poseert met presentatrice Amy Goodman. Babyhead laat vervolgens een korte, theatrale stilte vallen. ‘Lady Gaga zei dat ooit.’

Zo sluit de ‘tone of voice’ van deze docu lekker aan op de modus operandi van de tegendraadse groep, die van ontregelen z’n handelsmerk had gemaakt. ‘Het was altijd veel interessanter om rotzooi te trappen dan binnen de lijntjes te kleuren’, constateert Dunstan Bruce daarover, niet zonder tevredenheid. Zo verkocht Chumbawamba ooit voor grof geld een nummer aan General Motors voor een commercial. Dat bedrag ging vervolgens rechtstreeks naar activisten die campagne voerden tegen de autofabrikant vanwege slechte arbeidsomstandigheden.

Toch wordt Dunstan Bruce – in elk geval voor de film – geplaagd door twijfel: heeft al dat activisme ook maar iets opgeleverd? En zo nee, heeft hij dan al die tijd een leugen geleefd? Hij legt de vragen in deze scherpe, geinige en soms ook bespiegelende documentaire ook voor aan de punky historica Lucy Robinson, linkse filmmaker Ken Loach en activistische band Dream Nails en begint weer een toekomst voor zichzelf te zien als man van middelbare leeftijd. Met zowaar ook een nieuw bandje: Interrobang!?, dat toch ook wel weer aan Chumbawamba doet denken.

Freakscene: The Story Of Dinosaur Jr.

Munro Film

Als band is Dinosaur Jr. een typisch product van z’n tijd. De Amerikaanse gitaargroep rond zanger J. Mascis fungeerde als bruggenhoofd tussen de punk en hardcore van de tweede helft van de jaren tachtig en de opkomst van grungebands zoals Nirvana in het begin van de jaren negentig. Met stiekeme popliedjes, die werden bedolven onder een gruizige gitaarmuur, zochten Mascis en zijn vaste secondanten Lou Barlow (bas) en Murph (drums)  doelbewust de pijngrens op. Totdat elke concertganger suizende oren had.

In de typische bandjesdocu Freakscene: The Story Of Dinosaur Jr. (82 min.) neemt filmmaker Philipp Reichenheim met de bandleden, direct betrokkenen en blikvangers van de bevriende groepen Sonic Youth, Black Flag, The Pixies en Hüsker Dü de geschiedenis door van de band, die oorspronkelijk door het leven ging als Dinosaur. Toen er een andere groep met dezelfde naam bleek te bestaan, werd daar simpelweg Jr. achter geplaatst. En de rest is, zal een beetje indierocker beamen, is niets minder dan geschiedenis.

Die naamswijziging lijkt, achteraf bezien, ook zo’n beetje het enige wat gemakkelijk ging bij Dinosaur Jr., een band die ruzie maken tot kunst probeerde te verheffen. Het kon bijna niet anders of het oorspronkelijke trio moest daardoor imploderen. Pas toen dat was gebeurd, constateren ze zelf in deze vermakelijke grabbelton van concertimpressies, video’s, Do It Yourself-flyers en posters, interviews en backstagebeelden, realiseerden ze zich pas wat ze samen hadden.

En toen konden Mascis, Barlow en Murph gelukkig teruggrijpen op de meesterzet die al menige uiteengevallen band heeft gered: een reünie. Zodat de drie rockdinosaurussen tóch samen oud kunnen worden. Als de ‘dysfunctionele familie’ die ze samen nu eenmaal vormen.

Punk In London

Netflix

Hoe punk wil je het hebben?

Terwijl het ene bandlid probeert uit te leggen wat dat nu is, punk, laat het andere zijn ontblote achterwerk zien voor de camera. Die wil de boodschap – schijt aan alles? – blijkbaar nog even kracht bij zetten in Punk In London (90 min.) een documentaire van Wolfgang Büld uit 1977. Hij bezocht destijds cruciale plekken in de Britse hoofdstad en portretteerde daar de eerste generatie punkbands. Illustere namen als The Adverts, X-Ray-Specs, Wayne County And The Electric Chairs en The Killjoys

Tijdens zijn omzwervingen langs de pleisterplaatsen van de punkhype komt de Duitse filmmaker ook terecht bij Arturo Bassick. Deze negentienjarige jongeling (echte naam: Arthur Billingsley) speelt sinds enkele maanden bas bij The Lurkers, die net een bescheiden hitje hebben met Shadow. In de woonkamer van zijn ouderlijk huis, omringd door z’n vader en moeder die gezellig rond het tv-toestel zijn gaan zitten, geeft hij uitgebreid tekst en uitleg over onder meer het politieke karakter van punkmuziek.

Dan verschijnen ineens The Boomtown Rats, die later ook nog in de film zelf zullen opduiken, op de televisie in het programma Top Of The Pops. ‘Waardeloos!’ reageert Bassick direct in stijl. ‘Lang niet zo goed als The Lurkers.’ Hij legt uit: ‘Zij hebben een groot label achter zich dat er geld in pompt. Alleen zo word je beroemd. Corrupt. Uitverkoop!’ Gelukkig voor de nieuwbakken Lurker vindt zijn vader Bassicks band ‘beter dan gemiddeld’ en moet zijn moeder zelfs aan The Rolling Stones denken.

Büld laat zich regelmatig met een kluitje in het riet sturen door zelfbewuste punkers met een gemeenplaats over waarom zij wél punk zijn, anderen juist niet of het genre in de uitverkoop wordt gedaan, maar intussen dringt hij wel degelijk tot het binnenste door van een jeugdcultuur die zich voor even het middelpunt van de wereld waant, met zijn eigen platenwinkels, poptijdschriften en rivalen (de gevreesde Teddy Boys, vetkuiven die hun territorium maar wat graag verdedigen).

Alleen The Stranglers, op dat moment één van de grootste en meest omstreden groepen van de subcultuur, weigeren categorisch om aan Bülds film mee te werken. Al valt ook dat leed te overzien, omdat enkele bandleden hem nog wel even hoogmoedig te woord staan als hij daarover verhaal gaat halen bij hen. The Jam en The Clash, twee van de interessantste bands van de eerste Britse punkgolf, zijn gelukkig wel van de partij en krijgen tegen het einde van dit vermakelijke tijdsbeeld ook nog eens uitgebreid het podium.

Jimmy Is Punk – The Story Of Panic

Veroorzaken zij nu die kolkende massa in de zaal? Of was deze energie er allang en mogen zij ermee vandoor gaan? Feit is dat alle remmen losgaan op die derde mei van 1978 in zaal Kunstmin te Gouda. Springen, beuken, dansen is het parool van de uitzinnige meute. Vuist in de lucht, spuiten met bier en alles wat je in je handen krijgt linea recta naar het podium smijten.

Waar de Amsterdamse punkband Panic, die over niet al te lange tijd de pijp aan Maarten zal geven, het beest berijdt alsof het nu al de allerlaatste keer is. Een professionele cameraploeg is ingehuurd om dat voor het nageslacht – jongelui die die hele punkbeweging niet hebben meegekregen of ouwelui die het sowieso nooit zullen begrijpen – te vereeuwigen.

Natuurlijk wordt er na een stief half uur, als de groep met Requiem For Martin Heidegger zijn grootste ‘hit’ heeft afgeleverd, ‘we want more’ geschreeuwd. Panics boomlange zanger Peter Penthouse heeft bovendien een brandblusser gevonden om de feestvreugde te vergroten. Waarna ’t echt een puinzooi wordt. De tent wordt, bijna letterlijk, afgebroken.

Een medewerkster van de zaal wil daarover wel eens een hartig woordje wisselen met de bandleden. Na een stevige woordenwisseling neemt zanger Peter, die inmiddels normale kleding heeft aangetrokken over zijn speedo, met haar de schade op. Het gaat naar verluidt om zo’n drieduizend gulden, die door de verzekering (!) van de band zal worden opgehoest.

Die ene avond in een Zuid-Hollands jeugdhonk, waar zo nu en dan slim het geluid van Panic-platen onder is gemixt, vormt het hart van Jimmy Is Punk – The Story Of Panic (51 min.). Dat verhaal heeft verder niet al te veel om het lijf. Regisseur Duco Donk geeft het concert, met een punky voice-over van Louise Dunne, nog een mythische proloog en epiloog. Dat is het wel zo’n beetje.

Volgens de humorvolle aftiteling zou één van de figuranten in de film overigens als IKON-journalist worden vermoord in El Salvador, ging een ander gitaar spelen in Doe Maar en zou een derde als blowende dichter in zijn eigen rook op gaan. Waarvan akte.

What Drives Us

Amazon Prime

Ze staan inmiddels alweer enige tijd te roesten op hun parkeerplek. Totdat die Coronacrisis voorbij is en ze eindelijk weer ‘on the road’ mogen. What Drives Us (89 min.) is een eerbetoon aan al die tourbusjes. En aan de bandjes die daarmee, veelal tevergeefs overigens, de wereld proberen te veroveren.

Regisseur Dave Grohl, die eerder een portret van de befaamde Sound City-opnamestudio in Californië en de muziekserie Sonic Highways maakte, weet zelf als frontman van de Amerikaanse rockband Foo Fighters (en ooit drummer van Nirvana) natuurlijk van wanten. Ook hij heeft menig uur in een net iets te krap voertuig doorgebracht, onderweg naar alweer een publiek dat met huid en haar moet worden opgevreten. En dan weer doorrr…

Die ervaring geeft hem natuurlijk ook een prima ingang bij allerlei vakbroeders en -zusters. Voor deze aanstekelijke ‘middle of the road’-movie heeft Grohl wereldsterren als Ringo Starr (The Beatles), Brian Johnson (AC/DC), The Edge (U2), Lars Ulrich (Metallica) en Flea (Red Hot Chili Peppers) gestrikt. Hij spreekt tevens met leden van cultgroepen als Fugazi, L7 en Black Flag, bands die een sleutelrol speelden in zijn eigen ontwikkeling tot rockster.

Gezamenlijk kleuren zij hun eigen ‘Nomadland’ met zichtbaar plezier in. Hoewel zeker de grote namen tegenwoordig vaak in een nightliner of zelfs privéjet de wereld doorkruisen, beschouwen ze de eindeloze dagen in dat gammele busje stuk voor stuk als een vormende ervaring: de camaraderie, het ongezonde voer en hoe alle apparatuur met veel beleid toch weer achterin kon worden gepropt. En de flatulentie, die ook.

Natuurlijk, erg diep graaft dat niet. En jazeker, het busjesleven wordt schaamteloos geromantiseerd – ook omdat dit bij alle sprekers uiteindelijk tot een serieuze carrière heeft geleid. Zouden de lui die uiteindelijk in een geestdodende kantoortuin of aan de lopende band zijn beland ook met zoveel luim terugkijken op de vele uren die ze, bijna doodgedrukt, tussen een ruftende bassist en een zanger met een serieus meerderwaardigheidscomplex hebben doorgebracht?

Het woord ‘groupie’ valt intussen helemaal niet in deze gelikte film. Alsof dat geen enkele rol speelde in die diepgevoelde behoefte om van stad naar stad te trekken en daar de rockgod uit te hangen. En de verslavingsproblematiek die sommigen onderweg opdoen wordt gekanaliseerd in één enkel verhaal: de neergang van drummer D.H. Peligro die na dienstverbanden bij Dead Kennedys en Red Hot Chili Peppers als een schim van zichzelf en geheel bandloos achterbleef. 

Toch heeft al die rock & roll-nostalgie, escapisme van het zuiverste water, voor de liefhebber zeker z’n charme. Al kan What Drives Us dan ook weer niet tippen aan die andere ode aan het bandjesgevoel, het onweerstaanbare We Are The Thousand, waarin diezelfde Dave Grohl overigens een beste bijrol claimt.

Author: The JT LeRoy Story

Voor iedereen die wel eens knorrend de familie Van de Biggelaar heeft opgebeld, ongevraagd boekenseries van Lekturama heeft besteld voor vriendjes of de buren heeft gebeld dat ze de loterij hebben gewonnen, klinkt dit verhaal een heel klein beetje bekend. Een héél klein beetje.

Dit is het verhaal van de Amerikaanse auteur JT LeRoy, het transseksuele kind van een verslaafde tankstation-prostituee uit West-Virginia die zelf ook zijn lichaam verkoopt voor dope. De jonge puber begint zijn hart eind jaren negentig uit te storten bij de psychiater Terrence Owens. Via de telefoon. Ze ontmoeten elkaar nooit. Hij legt daarna ook al snel contact met de schrijvers Bruce Benderson en Dennis Cooper.

LeRoy wil zijn getormenteerde bestaan vereeuwigen. Inmiddels vertolken ook tot de verbeelding sprekende personages zoals ‘Speedie’ en ‘Astor’ daarin een saillante bijrol. Benderson en Cooper zijn wildenthousiast over wat JT neerpent over hun tranentrekkende bestaan en geven hun sensationele nieuwe collega een flinke duw in de rug. Het duurt dan ook niet lang of de ‘angry young kid’ is binnengehaald als één van de interessantste nieuwe stemmen van de Amerikaanse literatuur.

Één probleem: de übercoole Jeremiah Terminator LeRoy bestaat helemaal niet. Het is niet meer/minder dan het geesteskind van het muurbloempje Laura Albert, een dertiger die zich bepaald niet cool voelt. Ineens wordt haar parallelle persoonlijkheid echter onderdeel van ‘the beautiful people’. Beroemdheden als Gus van Sant, Tom Waits, Courtney Love, Matthew Modine en Billy Corgan hangen geregeld aan de telefoon, gesprekken die ze allemaal opneemt.

Die cassettes hebben natuurlijk een prominente rol gekregen in de hele fijne documentaire Author: The JT LeRoy Story (111 min.) van Jeff Feuerzeig, die eerder al een prachtige biopic maakte van een andere heerlijke weirdo, de getroebleerde singer-songwriter Daniel Johnston. Deze nieuwe film uit 2016, waarin ook Winona Ryder, Bono en Asia Argento nog een gênante bijrol vertolken, is van hetzelfde schmutzige laken een pak. Een bizar verhaal, met een karrenvracht heerlijke archiefbeelden en animaties heel aantrekkelijk aangekleed.

Met bijna twee uur speelduur is Author: The JT LeRoy Story natuurlijk een hele zit, maar de docu weet de aandacht over het algemeen moeiteloos vast te houden. Het is natuurlijk niet alleen een ‘too good to be true’-verhaal, dat dus vooral niet moet worden doodgecheckt, maar ook een genadeloos exposé van de literaire wereld en celebrity-cultuur. Het pseudoniem JT LeRoy wordt tevens een synoniem voor het Kleren van de Keizer-gehalte van de ons kent ons-wereld.

En nee, eenieders favoriete verschoppeling die zich door tout Hollywood knorrend laat opbellen, dat is voorwaar geen kattenkwaad meer.

End Of The Century: The Story Of The Ramones

One-two-three-four. Het aftellen vooraf was integraal onderdeel van het nummer zelf. Zoals het ook bij Bruce Springsteen niet is weg te denken. Één. Twee. Drie. Vier. En dan gaan als een banaan. Bij The Ramones mocht je dat gerust letterlijk nemen: lange halen, snel thuis. Overstuurde gitaren, opgejaagd door een onstuimige ritmetandem. Met onweerstaanbare slogans over lobotomie voor tieners, nazischatjes en lijm snuiven eroverheen. Punkrock pur sang, kortom. Domme muziek voor slimme mensen.

In de documentaire End Of The Century: The Story Of The Ramones (108 min.) uit 2003 komt de gehele familie Ramone aan het woord, inclusief de dan al overleden zanger Joey (over wie de Nederlandse regisseur David Kleijwegt een jaar eerder de tv-docu Joey Ramone – A Wonderful Life maakte). Ze worden terzijde gestaan door familieleden, jeugdvrienden, managers, producers, platenbazen, popcritici en collega’s uit bands zoals Blondie, The Clash, Sex Pistols, Red Hot Chili Peppers en Metallica.

Gezamenlijk schetsen zij de opkomst en ondergang van de punkpioniers uit de donkerste krochten van New York en de bijbehorende muziekstroming, die via hen halverwege de jaren zeventig de oversteek naar het Verenigd Koninkrijk maakte en van daaruit echt de wereld zou veroveren. Dat relaas is door Jim Fields en Mark Gramaglia vanzelfsprekend opgeleukt met rauwe concertbeelden van de cartoonachtige band, die altijd in de underground bleef steken en in 2002 tóch werd opgenomen in de Rock And Roll Hall Of Fame.

Goede vrienden werden Joey, Dee Dee, Johnny, Tommy en Marky Ramone niet in de ruim twintig jaar dat ze hun elementaire songs, in deze film regelmatig ondertiteld, op elk denkbaar podium stonden af te raffelen. Sterker: de spanning was soms te snijden, zeker tussen de linksige zanger Joey en oerconservatief Johnny. Waarbij de verhoudingen nog eens extra op scherp werden gezet toen de gitarist er met het vriendinnetje van de frontman vandoor ging. Die scheef er meteen een klassieker en bijna-hit over: The KKK Took My Baby Away. Ook gezellig.

Intussen voegden ze zich moeiteloos bij bands zoals The MC5, New York Dolls en The Stooges in het rijtje aartsvaders van de punk, een muziekgenre dat inmiddels al bijna een halve eeuw schaamteloos huishoudt in ‘s werelds rockholen en daarbij nog steeds het onverwoestbare parool van The Ramones huldigt, zoals dat is vervat in hun signatuursong Blitzkrieg Bop: Hey! Ho! Let’s go!

Joe Strummer: The Future Is Unwritten

Hij werd als diplomatenkind John Graham Mellor geboren in het Turkse Ankara, moest opgroeien op een typisch Engelse kostschool en werd volwassen op de kunstacademie. Waar zijn oudere broer David in zijn tienerjaren extreemrechts en het absolute zwart opzocht, zou Joe Strummer een onvervalste globalist en socialist worden. En het boegbeeld van The Clash, de Britse band die deze idealen vervatte in eerst dampende punk en later muziek die naar alle windstreken uitwaaide.

En toen, op 22 december 2002, hield het ineens op. Een fatale hartaanval. Joe was slechts vijftig. Hij had nog een hele toekomst voor zich, leek het. Regisseur Julien Temple roept de slordige halve eeuw die hem wél waren gegund overtuigend op in Joe Strummer: The Future Is Unwritten (119 min.). Hij bedient zich daarbij van zijn kenmerkende collagemontage, waarin beelden van Strummer en zijn bands samensmelten met speelfilmfragmenten, nieuwsbeelden en scènes uit de tekenfilm Animal Farm.

Als een soort radiodeejay verbindt Joe zelf alle elementen met elkaar. Een hele stoet sprekers – van vriendinnen, intimi en Clash-leden tot beroemde fans als Johnny Depp, Bono en Martin Scorsese – kleurt het personage Joe Strummer verder in. Want dat was het: een personage. Waar je als buitenstaander lastig doorheen kwam. Een man met een aanzienlijk ego ook. Met vastomlijnde ideeën over wie of wat hij wilde zijn. Die ruzies daarover bepaald niet uit de weg ging. En zichzelf nogal eens in de voet schoot.

Toch sloten ze hem allemaal in hun hart, beweren de sprekers, die door Temple rond een soort (virtueel) kampvuur zijn gepositioneerd. En daar komen hun stemmen en die akoestische gitaar natuurlijk ook goed van pas. Die ontspannen setting, gemodelleerd naar de Strummerville-campfires die zijn foundation sinds Joe’s dood organiseert op het Glastonbury-festival, doet deze film uit 2007 goed. Die werkt toe naar een dramatische climax als Strummer, net als hij weer richting lijkt te hebben gevonden na een jarenlange midlifecrisis, bezwijkt aan dat wild kloppende hart van hem.

Crock Of Gold – A Few Rounds With Shane MacGowan

Het goede nieuws: Crock Of Gold – A Few Rounds With Shane MacGowan (124 min.) is geen routineuze popdocu, waarin de held chronologisch zijn eigen carrière doorloopt, alle tijd wordt ingeruimd voor zijn beste songs en vakbroeders intussen ongegeneerd de loftrompet over hem en zijn oeuvre laten schallen.

Het slechte nieuws: Crock Of Gold – A Few Rounds With Shane MacGowan (124 min.) is geen routineuze popdocu, waarin de held chronologisch zijn eigen carrière doorloopt, alle tijd wordt ingeruimd voor zijn beste songs en vakbroeders intussen ongegeneerd de loftrompet over hem en zijn oeuvre laten schallen.

Ambivalente gevoelens dus. Over een film die méér wil zijn en daardoor soms te veel wordt. En te weinig, dat eveneens. En toch ook wel weer intrigeert. Zoiets. Terzake:

Regisseur Julien Temple (die met muziekfilms als The Filth And The Fury, Joe Strummer: The Future Is Unwritten en Oil City Confidential al een belangrijk deel van de Britse punkhistorie documenteerde) verbindt MacGowans levensverhaal nadrukkelijk met de getroebleerde relatie tussen Ierland – het land waar hij zijn wortels heeft – en Engeland – het land waar hij opgroeide en een iconisch gezicht van de eerste punkgolf werd. Zo bezien was het onvermijdelijk dat juist MacGowan, de buitenstaander, in de jaren tachtig de traditionele Ierse folk een punky zwieper gaf en zo de stem van een nieuwe generatie Ieren werd.

Die grootse benadering heeft alleen ook zijn keerzijde: Temple strooit bijvoorbeeld wel heel nadrukkelijk met clichématige beelden van de oude idylle Ierland. Met name het eerste deel van de film, als MacGowans band The Pogues nog toekomstmuziek is, heeft daaronder te lijden. Daarbij speelt ook het verteltempo Crock Of Gold parten; enerzijds neemt de documentairemaker wel erg ruim de tijd om met name MacGowans jeugd en achtergrond goed in de verf te zetten, anderzijds propt de filmer zoveel informatie in de docu dat die constant gejaagd voelt.

Een karrenvracht archiefmateriaal van MacGowan en zijn bands, uitbundige animaties en alles wat de tijdgeest maar kan weerspiegelen worden uitgestort over de kijker, die nauwelijks de tijd krijgt om in te laten dalen wat er allemaal voorbij komt. Zeker op het moment dat MacGowan als songschrijver goed op stoom komt, wordt dat echt een serieus minpunt: nooit neemt Temple eens rustig de tijd om die prachtige liedjes hun werk te laten doen. Het is altijd weer door: op naar het volgende punt dat blijkbaar gemaakt moet worden. En dat, om het helemaal verwarrend te maken, verveelt dan weer geen seconde.

Gedwongen door de omstandigheden – MacGowan is, zacht uitgedrukt, geen uitbundige gesprekspartner (meer) die duchtig met anekdotes strooit – kiest hij ook voor een opmerkelijke interviewvorm: de protagonist laat zich bevragen door acteur/vriend Johnny Depp, Primal Scream-voorman Bobby Gillespie, Sinn Fein/IRA-icoon Gerry Adams, biograaf Ann Scanlon en zijn eigen vrouw Victoria Clarke. Via deze terloopse gesprekjes en gedegen interviews met vader Maurice en vooral zus Siobhan wordt zo zijn opmerkelijke levenswandel en –wijze ingekleurd, compleet met debiliserende hoeveelheden drank en drugs.

Ergens in ’s mans pafferige kop, met ogen die wezenloos voor zich uit lijken te staren, zit nog altijd de enige echte Shane MacGowan verscholen: scherp als een mes, altijd in voor (zelf)spot en gezegend met een gggg-giechel die een ferme punt zet achter elke vorm van gepsychologiseer. Een man die zijn talent heeft verkwanseld of het beste heeft gehaald uit zijn gouden jaren, tis maar hoe je het bekijkt. Een fenomeen ook dat ruim dertig jaar later nog altijd tot de verbeelding spreekt.

Na The Great Hunger: The Life & Songs Of Shane MacGowan (1997) en If I Fall From Grace – The Shane MacGowan Story (2001) is Crock Of Gold, ondanks alle bedenkingen die je bij de film kunt hebben, de definitieve documentaire over één van de beste songschrijvers van zijn generatie. Dat die film er überhaupt is gekomen – want dat zal door MacGowans nurkse gedrag lang niet gemakkelijk zijn geweest – lijkt me uiteindelijk pure winst.

AC/DC: Let There Be Rock

Nee, dit is geen poging om het raadsel van AC/DC te doorgronden, de Australische rockband die nu al een halve eeuw immens populair is en zojuist weer een nieuwe variant op steeds hetzelfde album (ditmaal Power Up genaamd) heeft uitgebracht.

Geen profiel ook van de familie Young. Van stergitarist Angus en de schromelijk onderschatte riffmeister Malcolm, hun oudere broer en producer George en neefje Stevie (die de gitaar in 2014 heeft overgenomen van Malcolm, toen die begon te dementeren).

Geen onderzoek naar de dood van hun eerste zanger Bon Scott in 1980, een zorgvuldige ontleding van diens liederlijke 33-jarige bestaan of een eerbetoon aan zijn onverwoestbare ‘vervanger’ Brian Johnson, nu al veertig jaar de frontman van de groep. 

Geen doodgewoon carrière-overzicht met alle nog levende bandleden (onder wie de onlangs weer teruggekeerde drummer Phil Rudd, die al z’n problemen met de wet achter zich hoopt te laten), producers, managers, pophotemetoten en de verplichte bekende fans.

En zelfs geen volwaardige tourfilm, waarin de band eindeloos in een aftands busje van stad naar stad reist, in Nowhereville elke pan van het dak speelt en zich daarna overgeeft aan alle excessen die we tegenwoordig associëren met rock & roll.

Natuurlijk, AC/DC: Let There Be Rock (98 min.), een film van Eric Dionysius en Eric Mistler uit 1980, bevat korte intermezzo’s, zoals een race tussen de snelle bolide van drummer Phil Rudd en een vliegtuig met bassist Cliff Williams aan boord op een besneeuwd grasveld, Bon Scott die met de gebruikelijke bravoure poseert op een bevroren meertje en een in zijn eentje voetballende Malcolm Young met een tamelijk tragische fles bier in de hand. En, oh ja, zijn jongere broer tekent verdienstelijk.

Er zijn ook nog wat totaal nietszeggende kleedkamerinterviewtjes tussen geplempt. Waarin de bandleden, gewone jongens zonder uitgebreide filosofie of doordacht verhaal, de interviewer met een kluitje in het riet sturen en zijn ongemakkelijke vragen over Angus in zijn schoolkostuum, vrouwen, seks, zuipen en, jawel, de Derde Wereldoorlog van een beleefd antwoord voorzien.

Het heeft allemaal verdacht weinig om het lijf. Net als Angus Young trouwens, nadat hij op 9 december 1979 in Pavillon de Paris zijn welbekende striptease heeft uitgevoerd en van een schooljongen is veranderd in een volwassen vent – van anderhalve meter, dat wel – die héél even zijn achterwerk heeft laten zien. Ze kunnen allemaal zijn, pardon my French, reet kussen. Zoals vrijwel alle andere rockgitaristen tegelijkertijd zijn schoenveters nog niet mogen strikken. Behalve Malcolm dan.

Dit is eerst en vooral een harde, zweterige, theatrale, grappige en buitengewoon opwindende momentopname van één van de allerbeste rockbands die deze aardkloot ooit heeft mogen aanschouwen. Vanaf het podium, waarop ze gezamenlijk excelleren. Met Bon als de ultieme cocky frontman, een glorieus rockende én rollende ritmetandem en twee continu oerriffs en extatische solo’s opboerende meestergitaristen (waarvan de jongste tussendoor even aan de zuurstoffles moet). Als een bulldozer in overdrive met een onvervalste ‘no one gets out alive’-mentaliteit denderen ze over alles en iedereen heen.

Let There Be Rock, juist.

AC/DC: Let There Be Rock is hier te bekijken.

Citizens Of Boomtown: The Story Of The Boomtown Rats

Adrian Boot / NTR

Toen Ratten nog Ratjes waren… Boomtown Rats, om precies te zijn. De Ierse band rond zanger Bob Geldof, die ook de drijvende kracht zou worden achter het grootste benefietconcert aller tijden Live Aid, is onlangs aan een tweede leven begonnen in het nostalgiecircuit – al zijn de bandleden zelf er natuurlijk van overtuigd dat ze nog eens ouderwets gaan pieken. De popdocu Citizens Of Boomtown: The Story Of The Boomtown Rats (60 min.) vormt een perfecte bijsluiter voor die reünie.

Regisseur Billy McGrath is te werk gegaan volgens het welbekende procédé voor dit soort muziekfilms: verzamel alles wat je kunt vinden over een band (concerten, videoclips, tv-optredens, oude interviews en de knipselmap). Laat de groepsleden los van elkaar helemaal leeglopen over die goeie ouwe tijd. En kader hun herinneringen netjes in met een afgewogen mix van pophoncho’s, ‘deskundigen’ en collega’s (ditmaal: Bono, Sting en een gesluierde Sinead O’Connor).

Succes verzekerd: een hele generatie kan zijn eigen jonge jaren herbeleven, anderen mogen zich vergapen aan ‘de jeugd van toentertijd’. En er komen altijd weer smakelijke anekdotes bovendrijven. Zoals dat verhaal over de duizend dode ratten die de platenmaatschappij naar Amerikaanse radiostations stuurde om de single Lookin’ After Number One te promoten. Geen deejay wilde zijn vingers daarna nog branden aan dat nummer.

Na een schietincident op een basisschool in San Diego kwam er een nieuwe kans voor The Boomtown Rats. De zestienjarige Brenda Spencer had begin 1979 het vuur geopend op een groep schoolkinderen en -medewerkers. Haar verklaring daarvoor inspireerde Bob Geldof tot een heuse popklassieker: I Don’t Like Mondays. Ook dat nummer zou echter nooit een hit worden in de Verenigde Staten, het land waar school shootings nog steeds aan de orde van de dag zijn.

Zo visten The Rats steeds nét achter het net en raakten ze daarna, als echte seventiesband, ook nog eens verzeild in de jaren tachtig, waarin het doek dus wel móest vallen. Al met al levert dat een heel aardig tijdsbeeld op. Best vermakelijk ook. Maar tegelijkertijd tamelijk dertien in een dozijn. Net als – vloek in de kerk-waarschuwing! – The Boomtown Rats zelf.

I Don’t Like Mondays heeft zijn plek in de pophistorie natuurlijk verdiend, maar al die andere hitjes doen het toch vooral goed op fanclubavonden en – natuurlijk – reünieconcerten. En Bob Geldof zal vooral herinnerd worden vanwege zijn jarenlange inspanningen voor al die hongerige Afrikaanse kinderen…

White Riot

Ruim veertig jaar na dato doet het onwerkelijk aan, maar in het Verenigd Koninkrijk van halverwege de jaren zeventig liet menigeen zich openlijk racistisch uit. De extreemrechtse partij The National Front fulmineerde bijvoorbeeld met de regelmaat van de klok tegen kleurlingen en stond hoog in de peilingen. Ook celebrities uitten zich soms in xenofobe termen. ‘Get the wogs out’, riep Eric Clapton, niet in de beste periode van zijn leven en carrière, bijvoorbeeld tijdens een concert in Birmingham. ‘Get the coons out.’

De Britse gitarist sprak daarnaast zijn steun uit aan de omstreden conservatieve politicus Enoch Powell. Die had in 1968 gewaarschuwd voor ‘rivieren van bloed’ als de aanhoudende immigratie niet werd gestopt. Volgens Clapton zou Groot-Brittannië nu binnen tien jaar zelf een kolonie kunnen worden. De popfotograaf Red Saunders kon zijn oren niet geloven en besloot actie te ondernemen. Hij formuleerde een openbare reactie naar de man die groot was geworden van/met de blues, van oorsprong toch echt slavenmuziek. ‘Come on, Eric. you’re rock music’s biggest colonialist’, schreef Saunders venijnig. ‘P.S. Who shot the sheriff, Eric? It sure as hell wasn’t you, mate…’

Saunder’s  open brief aan het poptijdschrift NME zou het startpunt betekenen voor Rock Against Racism. Regisseur Rubika Shah tekent de activistische organisatie in White Riot (80 min.), vernoemd naar de klassieke eerste single van de punkband The Clash, van binnenuit op en schetst met kopstukken als Mykaell Riley (Steel Pulse), Tom Robinson en Pauline Black (The Selekter) het explosieve politieke klimaat in Groot-Brittannië, dat de ideale voedingsbodem zou blijken te zijn voor zowel punk als antifascisme. Bewegingen die, geheel naar de tijdgeest, gekenmerkt werden door roestvrijstalen overtuigingen, een echte Do It Yourself-mentaliteit en lekker schreeuwerige esthetiek.

Aan de vooravond van de Britse verkiezingen van 1979, waarbij het National Front hoge ogen leek te gaan gooien, culmineerden de activiteiten van Rock Against Racism in een gratis concert in het Londense Victoria Park, tevens de climax van deze degelijke film, waarbij zo’n 100.000 Britse jongeren letterlijk kleur bekenden. Het werd een soort Woodstock voor de punkgeneratie en bleek tevens een ideale generale repetitie voor groots opgezette evenementen in latere jaren, zoals het ultieme Gutmensch-evenement Live Aid.

If I Should Fall From Grace – The Shane MacGowan Story

Het is die lach waarmee de film wordt beëindigd. Een volledig doorrookte variant op de giechel waarmee Sesamstraat’s Ernie elke sketch met Bert afsluit. Van een notoire dronkenlap ditmaal, die om zijn eigen spitsvondigheden lacht. Waarbij het lachen veel mensen in zijn directe omgeving waarschijnlijk allang is vergaan.

Want hij had zoveel kunnen worden: geweldige zanger, ijzersterke frontman en – in het bijzonder – ongenaakbare songschrijver. En, ondanks die godvergeten drankzucht, ís Shane MacGowan dat ook allemaal geworden. Eerst en vooral van de illustere Britse folkpunkband The Pogues, daarna ook van zijn eigen vehikels The Popes en The Shane Gang. Maar er had zóveel meer ingezeten. Als hij niet de onbedwingbare behoefte had gevoeld om altijd en overal de bodem van elke fles te zoeken….

Sarah Share’s portret If I Should Fall From Grace – The Shane MacGowan Story (91 min.) uit 2001 observeert de doorgewinterde innemer, ook van harddrugs trouwens, in zijn dagelijks leven, waarin hij heldere momenten en scherpe statements afwisselt met typische dronkemanspraat en -fratsen. Ze spreekt verder met zijn opvallend nuchtere vader Maurice en moeder Therese, tante Monica en vriendin Victoria Clarke en neemt zijn carrière door met andere Pogues-leden, manager Joey Cashman en collega-poëet Nick Cave. De nadruk ligt daarbij (gelukkig) op zijn onmiskenbare talent als tekst- en songschrijver.

Want een man die zo openlijk zijn talent verkwanselt, wordt onvermijdelijk een parodie op zichzelf. Zijn optredens werden op een gegeven moment de ideale gelegenheid voor een pijnlijk soort ramptoerisme, waarbij een deel van het publiek vooral stond te wachten op hoe Shane dronken zou worden. Zoals die ene keer met The Popes op het Pinkpop-festival van 1995, waarbij hij na enkele nummers van het podium gehaald moest worden. Hij was – en lijkt nog altijd – geen schim meer van de man die hij ooit moet zijn geweest.

Daartegenover staat nog altijd een overweldigend songboek, met tijdloze klassiekers die iedereen, van elke generatie, kunnen aanspreken, zoals A Rainy Night In SohoIf I Should Fall From The Grace Of God en – dat ene kerstliedje dat wél deugt – Fairytale Of New York. Zulke prachtsongs verraden dat onder al die lol en bravoure nog altijd een zeer sensitief jongetje zit dat – stiekem, niet doorvertellen! – lijkt te worstelen met zijn eigen verlegenheid.En dan duurt het nooit lang of die langzaam wegstervende gggggg-lach klinkt weer…

In 1997 maakte de BBC ook al een informatief en tamelijk braaf portret van de gevierde songsmid, The Great Hunger: The Life & Songs Of Shane MacGowan, waarin collega’s als Bono, Christy Moore, Sinéad O’Connor, Billy Bragg en wederom Nick Cave hun licht over hem laten schijnen.

En in 2020 heeft regisseur Julien Temple de documentaire Crock Of Gold: A Few Rounds With Shane MacGowan afgeleverd.

Punk

Epix

Punk gaat nooit verloooooren! Althans volgens enkele ogenschijnlijk goed geconserveerde iconen van het ruige rockgenre in dit aanstekelijke documentaire-vierluik. De ultieme middelvingermuziek stak in de jaren zeventig zijn lelijke kop op, kreeg tijdens de eighties onder de noemer hardcore een erg grimmig karakter en kon in de negentiger jaren als poppunk eindelijk commercieel worden geëxploiteerd. Intussen was het ooit zo dwarse genre natuurlijk allang ingekapseld door de muziekindustrie, waarop het in het openbaar altijd had gespuugd.

Niet dat de gestaalde miniserie Punk (219 min.) daar al te veel aandacht aan besteedt. De nadruk ligt, zoals gebruikelijk in dit soort muziekdocu’s, op het bewieroken van de eigen helden. Dat is in het geval van punk eerder gedaan, maar niet vaak beter of completer. De serie van Jesse James – goede naam trouwens voor een regisseur van een punkfilm – Miller behandelt niet alleen de beginperiode, toen de punkmuziek en -lifestyle hun naam vestigden, maar brengt ook de periode van de grote commerciële doorbraak – of, zo je wilt, de grote uitverkoop – in beeld.

Aflevering 1 richt zich op de Amerikaanse voorvaderen van het genre (The MC5, Stooges, New York Dolls en Ramones). In het tweede deel staat de Britse sensaaaaatie die daarop volgde (Sex Pistols, Damned en The Clash) centraal. De Amerikaanse hardcorescene van begin jaren tachtig (Bad Brains, Black Flag, Dead Kennedys en Minor Threat) bevolkt episode 3. En in de slotaflevering (Bad Religion, Nirvana, Green Day, The Offspring en Rancid) worden tenslotte grunge en skatepunk als soundtrack voor de alternatieve jeugd belicht.

Deze slicke serie heeft een lekker verteltempo, is natuurlijk dichtgesmeerd met opwindende muziek en beschikt bovendien over een behoorlijke sterrencast met vedettes (en usual suspects) als Iggy Pop, Wayne Kramer, Johnny Rotten, Marky Ramone, Debbie Harry, Joan Jett, Ian MacKaye, Jello Biafra, Henry Rollins, Flea, Brett Gurewitz, Billie Joe Armstrong, Josh Homme en Dave Grohl. Zij stralen in zowat alles uit dat punk behalve muziek vooral ook een attitude is. Van: Wij tegen de rest. Waarbij alles mag, zolang het maar punk is. Zoiets.

’Het is heel eenvoudig’, zegt Penelope Spheeris, maakster van de klassieke punkdocu The Decline Of Western Civilization uit 1981, daarover. ‘Je bent het en je snapt het. Of je bent het niet en snapt het dus ook niet.’ Waarbij je je automatisch afvraagt: zouden al die sprekers, die je ervan verdenkt dat ze, net voordat de cameraploeg binnenkwam, nog gauw even een kleurspoelinkje door hun haar hebben gedaan en het nog eens lekker door elkaar hebben gehusseld, bijvoorbeeld nooit een héél klein beetje moe worden van de punkmores en bijbehorende haarkloverij? Zulke vragen stel je echter niet in een ode aan een muziekstroming die staat of valt bij kwalificaties als ‘authenticiteit’ en ‘street credibility’.

Ook dat heeft overigens zijn charme. Als Miller op een platenspeler oude punkklassiekers zoals I Wanna Be Your Dog of Anarchy In The UK afspeelt voor zijn gesprekspartners, blijven die lekker in hun rol en zingen of luchtgitaren enthousiast mee. Het levert fraaie taferelen op. Van metershoge helden die zichzelf terugbrengen tot doodgewone punks. En dat zou je de essentie van de stijlvorm kunnen noemen.

Shangri-La

Rick Rubin

‘Het gaat om de artiesten, de conversaties die we daarmee hebben en het verhaal dat daaruit voortvloeit’, stelt Rick Rubin bij aanvang van de aan hem en zijn studio gewijde documentaireserie Shangri-La (219 min.). ‘In zekere zin is dit een vehikel om de processen te laten zien van de mensen waarmee we in gesprek gaan.’ De Amerikaanse sterproducer benadrukt het nog maar eens: ‘Het gaat zeker niet om mij.’

‘Het is net een spiegelpaleis’, constateert documentairemaker Morgan Neville (20 Feet From Stardom, Won’t You Be My Neighbor? en They’ll Love me When I’m Dead) vervolgens, terwijl de camera langs de spierwitte muren van Rubins studio in Malibu dwaalt. Er hangt niks aan de muur, schilderijen zouden het eigen voorstellingsvermogen maar in de weg zitten. ‘Als jij simpelweg reflecteert wat een artiest inbrengt’, stelt Neville. ‘Dan kijk ik dus weer naar een reflectie van een reflectie.’

En daarmee is deze even ambitieuze als onevenwichtige, veelvuldig aan speelfilms en filosofie refererende serie afgetrapt. De bedreven kijker weet inmiddels: dit wordt geen routinematig carrièreoverzicht van de bebaarde topproducer Rick Rubin, de punkrocker die ooit een enorme liefde opdeed voor hiphop, vervolgens aan de basis stond van de doorbraak van Run-DMC, Public Enemy en Red Hot Chili Peppers en later ervaren cracks als Johnny Cash, Joe Strummer en Neil Diamond in de herfst van hun carrière tot een grandioos slotakkoord inspireerde. ’s Mans roemruchte muziekgeschiedenis wordt slechts in de kantlijn aangedaan.

Shangri-La, een naam die verwijst naar het aardse paradijs, neemt de kijker mee naar een soort muzikaal retraitecentrum in Californië, waar The Band ooit opnam voor de legendarische concertfilm The Last Waltz. In een meditatief decor zwaait de relaxte gastheer Rick Rubin (lange grijze baard, witte kleding en altijd blootvoets) er tegenwoordig met zalvende woorden de scepter. Hij strooit met bemoedigende knikjes en diepe levenswijsheden. ‘The artist may not always be the maker’, luidt bijvoorbeeld het leidmotief van aflevering 1 van deze vierdelige serie. ‘It may be the person who sees the piece and recognizes the art in it.’

Je kunt er Rubins metersdiepe stem moeiteloos bij verzinnen. En je ziet hem er bijna bij liggen: ontspannen op zijn rug, de handen vredig ineen gevouwen en meebewegend met zijn kalende hoofd. Verstand op nul en dan nadenken, zoiets. De sterproducer neemt tevens plaats tegenover artiesten die onder zijn hoede aan nieuwe albums werken, zoals de indieband Vampire Weekend, singer-songwriter Benjamin Clementine of het onlangs, aan een overdosis overleden multitalent Mac Miller. Als een goedmoedige goeroe staat hij hen bij met zijn levensspreuken (waarvan er ook dagelijks één op zijn Twitter-account belandt). Hij zet daarmee de luiken open – en, zo nu en dan, ook de lachspieren aan het werk.

Met sleutelfiguren uit zijn loopbaan (Mike D van Beastie Boys, Public Enemy-voorman Chuck D., rapper LL Cool J, Red Hot Chili Peppers-bassist Flea, Robbie Robertson, meestergitarist Carlos Santana, Weezer-frontman Rivers Cuomo en filmmaker David Lynch) filosofeert hij bovendien over thema’s als identiteit, creativiteit en spiritualiteit. Rubin gaat daarnaast zelf te rade bij coaches, yogi’s en adviseurs. ‘Ik spreek met de artiest en dan luister ik echt heel goed’, zegt hij bijvoorbeeld op het strand tegen de spiritueel schrijver Kent Nerburn. ‘Het is in zekere zin de kunst van er niet zijn’, antwoordt deze. ‘Het is de kunst om uit de weg te gaan en de ruimte geven aan wat er ook komt.’

En dan komt er, als een onvervalste deus ex machina, een Californische natuurbrand die de rust in Rubins Shangri-La danig verstoort…

PS Getuige enkele gedramatiseerde scènes uit deze documentaireserie had Rick Rubin al op zéér jonge leeftijd een lange, grijze baard en leek hij in bepaalde fases van zijn leven zelfs te worden aangestuurd door een poppenspeler.

Westwood: Punk, Icon, Activist

Ah nee, moet ik echt over Amerika vertellen? The Sex Pistols? Niet weer! Dat kun je toch wel uit de archieven halen? Ex-echtgenoot Malcolm McLaren? Daarvan raakte ik ‘intellectueel verveeld’. Met zichtbare tegenzin laat Vivienne Westwood zich door regisseur Lorna Tucker door haar eigen leven en werk leiden. Voor de Britse modeontwerpster, inmiddels dik in de zeventig, blijft het adagium ‘the best is yet to come’. Steeds weer.

Westwood: Punk, Icon, Activist (80 min.) is een snedig portret van een vrouw met allerlei weerhaakjes. Gepassioneerd, eigenzinnig en compromisloos. Kritisch op anderen én zichzelf. Als ze kort voor de officiële presentatie ervan haar nieuwe collectie inspecteert, maakt ze van haar hart bepaald geen moordkuil. ‘Nee, dat vind ik dus helemaal niet mooi’, zegt ze bits tegen een model. ‘Doe maar uit.’ Even later: ‘Het is rotzooi. Ik vind het helemaal niks. Ik weet eigenlijk niet of ik iets van deze troep wil laten zien.’

Deze film kijkt mee terwijl Westwood samen met haar veel jongere geliefde Andreas Kronthaler, met wie ze een symbiotische (werk)relatie onderhoudt, toewerkt naar de presentatie van haar nieuwe collectie. Intussen vertelt ze, afwisselend gedreven en snibbig, over haar inmiddels zo’n vijftig jaar omspannende loopbaan, die haar vanuit de rafelranden naar het epicentrum van de modewereld heeft gebracht. En daar blijft ze zich, geheel indachtig haar punkroots, als een overjarige rebel gedragen.