Why Did You Kill Me?

Netflix

Op het social mediaplatform MySpace zoekt Angel contact met Jokes. ‘Hou je van me?’ wil ze van hem weten. ‘Dat weet je toch?’ antwoordt hij. ‘Zeg het dan’, probeert ze hem uit te dagen. Hij gaat overstag: ‘Ik hou van je.’ Stap voor stap werkt Angel vervolgens toe naar de belangrijkste vraag die ze nog voor hem heeft: ‘Waarom heb je me vermoord?’.

Het is een intrigerende opening voor de true crime-documentaire Why Did You Kill Me? (84 min.) van Fredrick Munk. Het vervolg mag er eveneens wezen: Belinda Lane, de moeder van het slachtoffer, reconstrueert met behulp van een maquette en speelgoedautootjes wat er op die fatale 24 februari 2006 is gebeurd met ‘Angel’, de 24-jarige Crystal Theobald.

De witte Ford Expedition van William ‘Jokes’ Sotelo heeft daarin in elk geval een prominente rol gespeeld. Maar wie heeft de fatale schoten gelost? En welke rol speelt de 5150-bende, die al enige tijd de dienst probeert uit te maken in Riverside, een voorstad van Los Angeles? Moeder Belinda gaat, met de hulp van een handig nichtje, undercover op MySpace.

Met het nodige kunst- en vliegwerk weet ze informatie te verzamelen over wat er met Crystal kan zijn gebeurd en wie daarin waarschijnlijk een rol heeft gespeeld. Intussen krijgt de kijker een inkijkje in het grimmige milieu waarbinnen het drama zich heeft afgespeeld: ‘low life America’, waar armoe, (huiselijk) geweld en verslaving een perpetuum mobile van ellende veroorzaken.

Belinda Lane is daarvan zelf een treffend voorbeeld. Ze is waarschijnlijk een stuk jonger dan haar afgetobde hoofd doet vermoeden. Een ondergebit zou ook al heel veel helpen. Uit alles spreekt dat haar leven, ook al vóór Crystals gewelddadige dood, een aaneenschakeling van malheur was. In de zaak van haar dochter komt ze zichzelf nog eens knoerthard tegen.

En tóch, ook tot haar eigen verbazing, vindt ze zowaar iets van verzoening. Daar zit uiteindelijk ook de voornaamste meerwaarde van deze degelijke true crime-productie, die voorzichtig aanschurkt tegen bijdetijdse genretoppers als Don’t F**k With Cats: Hunting An Internet Killer en Love Fraud, maar dat niveau zeker niet haalt.

Demi Lovato: Dancing With The Devil

YouTube

Nu gaan ze, zangeres Demi Lovato en de mensen uit haar directe omgeving, wél de waarheid vertellen. Hand op het hart. Niet zoals in die nooit uitgebrachte documentaire, waarin Demi werd gefilmd tijdens haar wereldtournee van 2018 en iedereen nog netjes de schijn ophield. Totdat dit – doordat Demi op 23 juli wereldnieuws werd via een bijna fatale overdosis – met geen mogelijkheid meer was vol te houden en het filmen rigoureus werd gestopt. Einde tourfilm.

Welkom échte documentaire: Demi Lovato: Dancing With The Devil (88 min.). Alhoewel, écht? Deze serie van regisseur Michael D. Ratner, bestaande uit vier handzame delen, komt gewoon uit de koker van Team Demi. We mogen nu toch wél over de heroïne vertellen? vraagt één van de sprekers halverwege de eerste aflevering voor de zekerheid. Het antwoord luidt bevestigend. Welke verhalen echter niet in het gekozen narratief passen en dus toch nog binnenskamers worden gehouden, zullen we waarschijnlijk nooit weten. Als we dat al zouden willen.

Niet dat er op het eerste oog veel onbesproken blijft in dit onthullende portret: seksueel misbruik, eetstoornissen, verslaving, automutilatie en psychiatrische problematiek. Behalve de hoofdpersoon zelf komt ook Demi’s complete entourage aan het woord: haar moeder, zussen, stiefvader, beste vrienden en een hele zwik medewerkers: een personal assistent, business manager, hoofd beveiliging/stafchef, case manager, choreograaf/creatief directeur en ook nog een ‘gewone’ manager. Voor de zekerheid komt Demi er nog wel even naast zitten of spoort ze hen vooraf aan om vooral de complete waarheid te vertellen – en, waar nodig, hun eigen naam te zuiveren.

Dat voelt allemaal heel Amerikaans: elk dieptepunt blijkt uiteindelijk vooral een aanloop naar een moment van diep inzicht. Het probleem is alleen: die diepere inzichten, zo blijkt uit archiefmateriaal, heeft ze al eerder gehad. En die hebben uiteindelijk dan toch weinig effect gesorteerd. In dat verband zou het interessant zijn geweest als ook Lovato’s vorige management, dat haar ten tijde van die overdosis in 2018 aan strikte regels onderwierp en dat sindsdien aan de kant is geschoven, spreektijd had gekregen. Wat zou dit voor effect hebben gehad op dat roestvrijstalen narratief van in de diepste put vallen en er weer geheel gelouterd uitklimmen?

Échte reflectie – op hoe een leven in de spotlights, vanaf heel jonge leeftijd, jou en je omgeving tekent – ontbreekt evenwel in deze échte documentaire, die uiteindelijk toch eerst en vooral weer een promotool lijkt. Want Demi Lovato: Dancing With The Devil wordt natuurlijk opgeleverd met een gelijknamige hitsingle. En in de bijbehorende videoclip speelt ze, ter leering ende vermaeck, haar eigen overdosis nog eens vol overgave na. Dat kun je dapper noemen. Of smakeloos.

Not A Game

Netflix

Voor alle mensen die consequent weigeren om het spel mee te spelen wordt er in deze gedegen documentaire een compleet nieuw heelal geopend: de gamewereld. Waar jonge ventjes vanuit hun slaapkamer internationale toernooien en grote geldbedragen kunnen winnen. Waar andere kinderen juist wegzinken in een parallel bestaan en steeds verder verwijderd raken van de realiteit. En waar, om nog maar eens een ander clichébeeld te gebruiken, een enkeling zijn primitiefste instincten botviert, die wel tot geweldsuitbarstingen in de echte wereld moeten leiden.

Al wordt dat laatste idee in Not A Game (98 min.) direct grondig onderuit gehaald door een professor van de Universiteit van Essex. ‘Als ik een romantische roman lees, word ik dan romantisch?’ vraagt Richard Bartle van de faculteit computergamedesign. ‘Of lees ik een romantische roman omdat ik een romanticus ben?’ Uit studies blijkt volgens hem het tweede: degenen die gewelddadig blijken te zijn waren dat altijd al. Natuurlijk kunnen games volgens Bartle geweld veroorzaken. Net als pak ‘m beet televisienieuws, films of politiek.

Met insiders en wetenschappers graast documentairemaker Jose Gomez, die Brendan McDonnell heeft gestrikt als verteller, het complete gameterrein af. Waarbij voor de hand liggen deelthema’s als verslaving, gokken en geldklopperij aan de orde komen, professionele gamers en hun families vertellen hoe het ooit is begonnen en ook enkele onverwachte invalshoeken, zoals bijvoorbeeld diversiteit in de gamewereld, worden belicht. Juist in de bijzondere voorbeelden zit de meerwaarde van deze soms wat brave film.

Als na de dood van Eric ‘I can’t breathe’ Garner, doodgedrukt door Amerikaanse politieagenten, bijvoorbeeld een Call Of Duty-toernooi wordt georganiseerd om de kans op rellen te verkleinen en ook de politie zelf besluit om een vertegenwoordiging te sturen. Als een man met een zware lichamelijke beperking laat zien hoe hij in games alles kan zijn wat in het echte leven niet voor hem is weggelegd. En als voor een doodzieke jongen in aller ijl een speciale gameplay wordt gefabriceerd. Zodat hij één keer al zijn fantasieën kan uitleven, voordat hij zijn laatste adem uitblaast.

Dan is gamen ineens écht geen spelletje meer.

Crack: Cocaine, Corruption & Conspiracy

Netflix

In het Amerika van de Republikeinse president Ronald Reagan (1981-1989) wordt de kloof tussen arm en rijk zienderogen groter en groter. Ze krijgen zelfs hun eigen drugs: een snuifje cocaïne voor elke getapte (witte) jongen met een dikke portemonnee. En de goedkope variant daarop: crack, rookbare coke voor (veelal zwarte) armoedzaaiers.

In de probleemwijken van grote steden ontstaat meteen een alternatieve economie rond dit verwoestende middel, dat gebruikers binnen enkele seconden superhigh maakt en hen al snel helemaal in zijn greep heeft. Het duurt niet lang of ‘straatkapitalisten’, verslaafden en (bad) cops maken het normale leven volstrekt onmogelijk.

Met (voormalige) gebruikers, dealers, dominees, politici, agenten, journalisten en historici begeeft deze documentaire van Stanley Nelson zich naar het hart van de crackepidemie in de jaren tachtig en negentig, als complete gemeenschappen volledig worden ontwricht en de crisis ondertussen uitgroeit tot een enorme mediahype. Met bijvoorbeeld broodje aap-verhalen over talloze ‘crackbaby’s’ tot gevolg.

Dat vraagt om draconische maatregelen. En die komen er dan ook: crackgebruik wordt grondig gecriminaliseerd. Het betekent de definitieve escalatie van de Amerikaanse ‘war on drugs’, die zich vooral op de lagere echelons van de bevolking richt. En zo komt de ‘mass incarceration’ van opmerkelijk genoeg vooral zwarte Amerikanen op gang, die nog altijd zijn sporen achterlaat in de hedendaagse maatschappij.

Dat maatschappelijke drama is al eerder opgetekend, maar wordt in Crack: Cocaine, Corruption & Conspiracy (89 min.) nog eens kundig gereconstrueerd, met grauw archiefmateriaal vanuit de frontlinie en een lekkere soundtrack met gekende raphits. Het sterkst wordt de film als oud-gebruikers en –dealers geëmotioneerd de rekening opmaken en bekijken wat al dat gebruik en gehossel hen op persoonlijk en sociaal vlak heeft gekost.

Terwijl het volgens Ronald en zijn vrouw Nancy Reagan toch allemaal zo simpel was: just say no.

SanPa: Luci E Tenebre Di San Patrignano

Netflix

San Patrignano mocht dan in de geest van de jaren zestig zijn opgericht en bovendien een commune worden genoemd, oprichter Vincenzo Muccioli was toch eerst en vooral een man van de ‘tough love’. Hij schroomde niet om de ‘gasten’ van zijn afkickcentrum in het Italiaanse Rimini in het openbaar te vernederen, te laten aframmelen of dagenlang vast te ketenen in hun eigen isoleercel. Ze moesten en zouden stoppen met het gebruik van heroïne en/of cocaïne. Goedschiks dan wel kwaadschiks. Zonder hulpmiddelen bovendien. Gewoon ‘cold turkey’.

Veertig jaar na dato heeft de veelbesproken ‘goeroe’, die inmiddels al 25 jaar dood is, nog altijd fervente voor- en tegenstanders. In de vijfdelige serie SanPa: Luci E Tenebre Di San Patrignano (298 min.) krijgen ze alle ruimte om hun kant van het verhaal te doen: Muccioli’s zoon Andrea en broer Pier Andrea, een journalist en tv-presentator die verslag deden van de kwestie SanPa, de rechter die bij de zaak betrokken raakte en diverse ex-verslaafden, onder wie de huidige therapeutisch directeur van de instelling. Voor de één is Muccioli nog altijd een onomstreden rolmodel, voor de ander een machtswellustige charlatan.

Bijna vijf uur speeltijd is alleen wel erg ruim bemeten voor een in essentie tamelijk eenduidig verhaal over een man met een missie – met grootheidswaanzin, zou je voor hetzelfde geld kunnen zeggen – die hard in aanvaring komt met de autoriteiten en gaandeweg steeds meer onder vuur komt te liggen. Regisseur Cosima Spender neemt echt te veel tijd om allerlei deelonderwerpen uit te werken, die ook met een enkele pennenstreek hadden kunnen worden afgedaan.

Daardoor verdwijnt de in wezen interessante thematiek van San Patrignano – hoe hard je mag/moet zijn in de omgang met verslaving en verslaafden – in een brei van uitgebreide beschrijvingen, brisante onthullingen en maatschappelijke ontwikkelingen. Strengere selectie en een hoger verteltempo hadden van SanPa (internationale titel: SanPa: Sins Of The Savior) een véél betere productie gemaakt. Van een uurtje of anderhalf. Hooguit twee.

Crock Of Gold – A Few Rounds With Shane MacGowan

Het goede nieuws: Crock Of Gold – A Few Rounds With Shane MacGowan (124 min.) is geen routineuze popdocu, waarin de held chronologisch zijn eigen carrière doorloopt, alle tijd wordt ingeruimd voor zijn beste songs en vakbroeders intussen ongegeneerd de loftrompet over hem en zijn oeuvre laten schallen.

Het slechte nieuws: Crock Of Gold – A Few Rounds With Shane MacGowan (124 min.) is geen routineuze popdocu, waarin de held chronologisch zijn eigen carrière doorloopt, alle tijd wordt ingeruimd voor zijn beste songs en vakbroeders intussen ongegeneerd de loftrompet over hem en zijn oeuvre laten schallen.

Ambivalente gevoelens dus. Over een film die méér wil zijn en daardoor soms te veel wordt. En te weinig, dat eveneens. En toch ook wel weer intrigeert. Zoiets. Terzake:

Regisseur Julien Temple (die met muziekfilms als The Filth And The Fury, Joe Strummer: The Future Is Unwritten en Oil City Confidential al een belangrijk deel van de Britse punkhistorie documenteerde) verbindt MacGowans levensverhaal nadrukkelijk met de getroebleerde relatie tussen Ierland – het land waar hij zijn wortels heeft – en Engeland – het land waar hij opgroeide en een iconisch gezicht van de eerste punkgolf werd. Zo bezien was het onvermijdelijk dat juist MacGowan, de buitenstaander, in de jaren tachtig de traditionele Ierse folk een punky zwieper gaf en zo de stem van een nieuwe generatie Ieren werd.

Die grootse benadering heeft alleen ook zijn keerzijde: Temple strooit bijvoorbeeld wel heel nadrukkelijk met clichématige beelden van de oude idylle Ierland. Met name het eerste deel van de film, als MacGowans band The Pogues nog toekomstmuziek is, heeft daaronder te lijden. Daarbij speelt ook het verteltempo Crock Of Gold parten; enerzijds neemt de documentairemaker wel erg ruim de tijd om met name MacGowans jeugd en achtergrond goed in de verf te zetten, anderzijds propt de filmer zoveel informatie in de docu dat die constant gejaagd voelt.

Een karrenvracht archiefmateriaal van MacGowan en zijn bands, uitbundige animaties en alles wat de tijdgeest maar kan weerspiegelen worden uitgestort over de kijker, die nauwelijks de tijd krijgt om in te laten dalen wat er allemaal voorbij komt. Zeker op het moment dat MacGowan als songschrijver goed op stoom komt, wordt dat echt een serieus minpunt: nooit neemt Temple eens rustig de tijd om die prachtige liedjes hun werk te laten doen. Het is altijd weer door: op naar het volgende punt dat blijkbaar gemaakt moet worden. En dat, om het helemaal verwarrend te maken, verveelt dan weer geen seconde.

Gedwongen door de omstandigheden – MacGowan is, zacht uitgedrukt, geen uitbundige gesprekspartner (meer) die duchtig met anekdotes strooit – kiest hij ook voor een opmerkelijke interviewvorm: de protagonist laat zich bevragen door acteur/vriend Johnny Depp, Primal Scream-voorman Bobby Gillespie, Sinn Fein/IRA-icoon Gerry Adams, biograaf Ann Scanlon en zijn eigen vrouw Victoria Clarke. Via deze terloopse gesprekjes en gedegen interviews met vader Maurice en vooral zus Siobhan wordt zo zijn opmerkelijke levenswandel en –wijze ingekleurd, compleet met debiliserende hoeveelheden drank en drugs.

Ergens in ’s mans pafferige kop, met ogen die wezenloos voor zich uit lijken te staren, zit nog altijd de enige echte Shane MacGowan verscholen: scherp als een mes, altijd in voor (zelf)spot en gezegend met een gggg-giechel die een ferme punt zet achter elke vorm van gepsychologiseer. Een man die zijn talent heeft verkwanseld of het beste heeft gehaald uit zijn gouden jaren, tis maar hoe je het bekijkt. Een fenomeen ook dat ruim dertig jaar later nog altijd tot de verbeelding spreekt.

Na The Great Hunger: The Life & Songs Of Shane MacGowan (1997) en If I Fall From Grace – The Shane MacGowan Story (2001) is Crock Of Gold, ondanks alle bedenkingen die je bij de film kunt hebben, de definitieve documentaire over één van de beste songschrijvers van zijn generatie. Dat die film er überhaupt is gekomen – want dat zal door MacGowans nurkse gedrag lang niet gemakkelijk zijn geweest – lijkt me uiteindelijk pure winst.

Murder On Middle Beach

HBO

Het moordslachtoffer was toegedekt. Beter: de moeder van Madison Hamburg was toegedekt. Hij onderzoekt haar gewelddadige dood in 2010 in de vierdelige serie Murder On Middle Beach (268 min.). Barb werd aangetroffen in de besneeuwde achtertuin van haar eigen huis in Connecticut. In eerste instantie leek het nog een gestorven dier dat daar lag. Het was bedekt met kussens. En bloed, zo bleek later. ‘Het’ bleek echter een ‘zij’.

Wat zegt het over de dader als het slachtoffer volledig is afgeschermd? Wil hij/zij niet geconfronteerd worden met de aanblik ervan? Zeker in situaties waarin dader en slachtoffer elkaar héél goed kenden lijkt dat een bruikbare hypothese. Dit wordt ook het (impliciete) uitgangspunt van Madison Hamburgs zoektocht, die ruim zeven jaar in beslag zal nemen: was het zijn eigen vader Jeffrey? Barbs tante Jill? Haar zus Conway? Of toch Madisons eigen zus (en Barbs dochter) Ali?

Het is alsof Hamburg als zoon en documentairemaker geblinddoekt een mijnenveld in wordt gestuurd, waarbij hij onderweg soms even mag rondkijken of via één van zijn verwanten kort een blik kan werpen op een specifieke kwestie. Zo stuit hij op diverse drama’s: fraude, alcoholisme, borderline, drugsverslaving en een heus piramidespel. Het lijken stuk voor stuk uitwassen van een volledig verwrongen familiesysteem, dat nu zelfs een mensenleven heeft gekost.

Madisons ontdekkingen worden in Murder On Middle Beach als een typische true crime-thriller uitgeserveerd, met onverwachte verhaalwendingen, tijdsprongen en cliffhangers. En een privédetective en verborgen camera-acties, natuurlijk. De persoonlijke insteek – een zoon die op zoek is naar wat zijn moeder fataal is geworden – geeft deze intrigerende serie, die gaandeweg wat stoom verliest, beslist meerwaarde. Voor Madison Hamburg, zoveel is duidelijk, staat er écht wat op het spel.

Zijn eigen positie zorgt tegelijkertijd ook voor complicaties. Zeker in relatie tot zijn vader Jeffrey moet Hamburg soms wel heel nadrukkelijk laveren tussen zijn verschillende rollen als zoon, filmmaker en amateurdetective. Dan wordt hij, de waarheidszoeker en -zegger, een exemplarisch voorbeeld van wat uiteindelijk misschien wel zijn voornaamste probleem is: als je je eigen familie niet (meer) kunt vertrouwen.

Belushi

Showtime

De achternaam volstaat: Belushi (108 min.). Bijna veertig jaar na zijn dood, op slechts 33-jarige leeftijd, spreekt die nog altijd tot de verbeelding. John Belushi werd beroemd als gezicht van het populaire comedyprogramma Saturday Night Live, stal de show in de bioscoophit National Lampoon’s Animal House en vormde met zijn vaste kompaan Dan Aykroyd het onvergetelijke duo The Blues Brothers.

Intussen bouwde hij wel een heftige cocaïneverslaving op, die zijn toch al ontregel(en)de gedrag verder versterkte. Die tragiek – van een man die zichzelf gaandeweg helemaal kwijtraakt – vormt vanzelfsprekend ook de ruggengraat van deze gedegen biografie van R.J. Cutler, al krijgt ook hij zijn vinger er niet helemaal achter waarom Belushi steeds de rand van de afgrond opzocht.

‘Honey’, schrijft hij in een brief aan zijn vrouw en muze Judy. ‘Ik ben serieus verslaafd. Ik krijg mijn emoties niet onder controle als ik gebruik, maar het lukt me niet om daarmee te stoppen.’ Uit alle verhalen die in deze film – waarvoor Cutler gebruik kon maken van audio-interviews die Belushi’s biograaf Tanner Colby een jaar of tien geleden deed met intimi en collega’s zoals Dan Aykroyd, Chevy Chase en Carrie Fisher – rijst het beeld van een man die en plein publique een kuil graaft en er dan, inderdaad, zelf invalt.

Belushi werd, zoals ze dat zo treurig zeggen, ‘an accident waiting to happen’. Toen hij botste met zijn eigen sterfelijkheid – de boosdoener was naar verluidt heroïne – ging een beeldbepalende komiek verloren, waarop in deze documentaire met traditioneel archiefmateriaal en enkele geanimeerde sequenties nog eens ouderwets de schijnwerper wordt gezet. Zoals eerder gebeurde in thematisch verwante films over komieken als Robin Williams, Garry Shandling en Bill Hicks. Belushi dus.

El Father Plays Himself

Herrie

‘Dus je ziet hem in de scène zelf niet drinken?’
‘Klopt’
‘Dan kan hij net doen alsof hij dronken is.’
‘Nee, doen alsof werkt niet. Dat zou er verschrikkelijk uitzien.’
‘Maar wat dan, Jorge?’
‘Daarom moeten we het echt doen.’
‘We gaan hem dus laten drinken voor de scène?’
‘Ja, laat hem drinken.’
‘Verdomme, man!’

Jorge Thielen Armand is onverbiddelijk. De fles zal er aan te pas moeten komen. De man die zich dadelijk aan de rum gaat overgeven ligt nu nog rustig in een hangmat, te wachten totdat hij weer aan de bak moet. Alle aanwezigen weten hoe Jorge Thielen Hedderich dan wordt. Jorge’s vader, die hij uit het oog was verloren en die hij nu heeft gevraagd als hoofdrolspeler voor zijn nieuwe speelfilm La Fortaleza, heeft een kwaaie dronk. Straks is het gedaan met de rust.

Die film, die onlangs in competitie werd vertoond tijdens het International Film Festival Rotterdam, is gebaseerd op Hedderichs leven en zijn worsteling met een alcoholverslaving. Vader speelt dus zichzelf. En in deze observerende documentaire van Mo Scarpelli moet hij ook nog eens zichzelf zíjn. El Father Plays Himself (105 min.) wordt daarmee een gelaagd dubbelportret van de twee Jorges, die zich op drie verschillende manieren tot elkaar moeten verhouden; van vader tot zoon, van regisseur tot hoofdrolspeler en van het ene documentaire-personage tot het andere.

Het is onvermijdelijk dat de grens tussen feit en fictie daardoor vervaagt. Zeker als ze voor de opnames naar de Venezolaanse jungle vertrekken, waar ontsnappen (aan elkaar) onmogelijk is, de druk om te presteren behoorlijk oploopt en drankgebruik elke scène kan verpesten – of, misschien nog wel gevaarlijker, juist kan redden. Binnen die prikkelende setting zoekt Jorge soms doelbewust de furie op die in ‘el father’ huist en probeert hij tegelijkertijd de banden met hem aan te halen. Dat proces, intiem en pijnlijk, vormt de basis voor deze indringende karakterschets van een kind en de ouder van wie hij vervreemd was geraakt.

Bloody Nose, Empty Pockets

‘Ik ben er trots op dat ik pas alcoholist ben geworden toen ik al een totale mislukking was’, zegt vaste klant Michael, een voormalige acteur die tegenwoordig schoonmaakt, met de nodige zelfspot tegen Marc, een beer van een vent met een lange baard die achter de bar staat in de kroeg Roaring 20s te Las Vegas. ‘Want alcoholistische mislukkelingen zijn saai. En ik heb eerst mijn leven sober naar de kloten geholpen en ben pas daarna naar jou gekomen.’

De tent gaat echter sluiten. Bloody Nose, Empty Pockets (99 min.) is de weerslag van de allerlaatste avond. De broers Bill en Turner Ross observeren de gezelligheidsdieren, misfits en drankorgels die zich dagelijks/wekelijks verzamelen in deze Amerikaanse variant op café Vergane Glorie in Nergenshuizen, waar de vaste cheesy golden oldies, discohitjes en schuifelsongs soms worden onderbroken door Marc, die op zijn akoestische gitaar een meezinger speelt.

Het is niet moeilijk om de kroeg en zijn tijgers in de armen te sluiten. Bruce, een donkere Vietnam-veteraan die zich in de steek gelaten voelt, heeft er een thuis gevonden omdat verder toch niemand zijn ‘ass’ wil. Pam, een vrouw met ‘great titties’ voor iemand van zestig, verloor haar zoon en gaat nu soms he-le-maal los. En de struise eigenaresse Shay heeft ’s avonds een dubbele taak: zowel de stamgasten als haar tienerzoon in het gareel zien te houden.

Als de nachtelijke uurtjes worden bereikt – en de drank in de man en de wijsheid in de kan raakt – gaan alle remmen los en leggen de drinkebroers en -zussen het masker af, waarmee ze overdag hun pijn en verdriet proberen te verbergen. Roaring 20’s wordt zo het toneel voor slap geouwehoer, dansjes, dronkemanspraat, ruzies en geflirt. Iedereen die wel eens nuchter is gebleven op een avond waarop anderen (veel) te diep in het glaasje keken weet wat je dan te zien krijgt.

En dan, als je op zoek naar de naam van die sympathieke oude hippie aan de bar (Lowell) eens wat gaat lezen over deze authentieke fly on the wall-film, blijkt dat Roaring 20s niet in Las Vegas is gevestigd, maar in New Orleans. En dat de mensen van vlees en bloed, van wie je een heel klein beetje ging houden – al zou je er ook niet direct naast gaan zitten aan de bar – acteurs zijn. Althans, soort van. Figuranten in een real life-variant op de klassieke tv-serie Cheers.

De gebroeders Ross hebben hun hoofdrolspelers gescout in het barcircuit van Las Vegas en vervolgens samengebracht in een café aan de andere kant van het land. Ze kenden elkaar nauwelijks, maar bouwden in de ruim 18 uur dat er werd gefilmd een band met elkaar op. Ze begonnen zich, kortweg, te gedragen zoals altijd, inclusief drankinname. En de filmende broers gooiden soms een kwartje in de jukebox of introduceerden een nieuw personage.

Dat klinkt in eerste instantie wellicht als een dubieus sociaal experiment of plat reality-programma, maar werkt eigenlijk wonderwel. Ook doordat de broers stuk voor stuk hart-op-de-tong types hebben gecast, die in het met spiegels volgehangen barretje bovendien geen ruimte krijgen om de anderen, of zichzelf, te ontwijken. Binnen een volledig geënsceneerde omgeving laten de hoofdpersonen van Bloody Nose, Empty Pockets zo toch hún waarheid zien.

Phil Lynott: Songs For While I’m Away

Piece Of Magic

Achter het podiumbeest, dat moeiteloos alle aandacht naar zich toetrok, ging een verlegen joch schuil. Een half-zwart joch bovendien. Vroeger, in Dublin, scholden ze hem uit voor ‘Blackie’. Toen hij halverwege de jaren zeventig wereldberoemd werd als frontman van de rockband Thin Lizzy, had Phil Lynott echter allang alle schroom afgeworpen. Hij was een archetypische rockster geworden, met een voorliefde voor mooie vrouwen, feesten en drank en drugs. En dan laat de afloop van het verhaal zich doorgaans wel raden…

De biografie Phil Lynott: Songs For While I’m Away (113 min.) reconstrueert het turbulente leven van de charismatische Ierse zanger/bassist met een hele berg archiefmateriaal, dat door regisseur Emer Reynolds is voorzien van sjieke vormgeving en met de nodige bravoure tot een krachtige vertelling wordt gemonteerd. De bijbehorende inkijkjes en anekdotes komen van een afgewogen lijst sprekers; van de verplichte beroemde fans (zoals Metallica-zanger James Hetfield, Suzi Quatro en Adam Clayton, de bassist van U2) tot Lynotts voormalige kompanen in de verschillende incarnaties van Thin Lizzy. En ook zijn eerste vriendin, vrouw Caroline en inmiddels volwassen dochters Sarah en Cathleen ontbreken niet.

Philip Lynott (1949-1986) zelf komt zo nu en dan ook aan het woord via een persoonlijk audio-interview. Verder is het, zoals gebruikelijk in dit soort hommages aan een gevallen popheld, toch de muziek die het ‘m moet doen. Opwindende concertbeelden genoeg. En enkele songs waarmee de tijd die hijzelf nu al weg is moeiteloos kan worden overbrugd, zoals Dancing In The Moonlight, Jailbreak en – natuurlijk! – het jonge honden-anthem The Boys Are Back In Town. Sinds 2005 staat er in het centrum van Dublin al een standbeeld van de stoere rocker met de romantische inborst. Dertig jaar na zijn dood is er met dit stevige portret nu ook een ‘moving statue’ voor de enige echte Phil Lynott opgericht.

Scandalous: The Untold Story Of The National Enquirer

Netflix

Generoso Pope Jr., de zoon van een maffiabaas en oprichter van The National Enquirer, had volgens de overlevering halverwege de jaren vijftig een openbaring toen hij de opstopping zag die werd veroorzaakt door een auto-ongeluk. Door het publiek dat zich stond te vergapen aan de ravage en ellende, om precies te zijn. Blijkbaar was dat wat mensen wilden zien. Zijn geesteskind, Amerika’s toonaangevende schandaalblad, zou de equivalent daarvan worden. Te beginnen met foto’s van die gruwelijke ongevallen. Later volgden (seks)schandalen, UFO’s en – natuurlijk – celebrities.

In de even vermakelijke als ongemakkelijke documentaire Scandalous: The Untold Story Of The National Enquirer (96 min.) van Mark Landsman vertellen oud-medewerkers openhartig over hun werk voor het sensatieblaadje. Over foto’s van Elvis in zijn lijkkist, de buitenechtelijke affaire van presidentskandidaat Gary Hart en de ware toedracht van het overlijden van komiek John Belushi. In elk verhaal zat altijd een kern van waarheid, bezweren ze. Een kerntje in elk geval. En soms lichtten ze zowaar echt belangrijke tegels, zoals bij de moordzaak tegen O.J. Simpson.

Zelfs gerespecteerde journalisten Carl Bernstein, Ken Auletta, Maggie Haberman kunnen daar niet omheen. Het blad had alleen geen héél goede reputatie, om het mild uit te drukken. ‘Ik dacht soms: zou het niet gemakkelijker zijn om te zeggen dat ik in de gevangenis of het gekkenhuis had gezeten?’ stelt redacteur Shelley Ross. ‘Maar de werkelijkheid was anders: ze beloofden me een driedubbel salaris en wereldreisjes. Maar ik moest wel een heel klein beetje roekeloos te werk gaan.’ 

Zonder gêne verhalen de ervaren ‘smut peddlers’ over de genadeloze onderlinge concurrentie bij The Enquirer, betaalde tipgevers uit de directe omgeving van beroemdheden én chantage van sterren die uit de bocht waren gevlogen. Zulke Catch and Kill-politiek – een ongewenste primeur wordt binnenkamers gehouden in ruil voor exclusieve verhalen – werd eerst uitgeprobeerd met schuinsmarcheerders zoals Bob Hope, Bill Cosby en Arnold Schwarzenegger en zou later, onder de nieuwe hoofdredacteur David Pecker, geperfectioneerd worden met Donald Trump.

In eerste instantie was er gewoon sprake van ruilhandel: The Donald voorzag het roddelblad van een constante stroom nieuwtjes en werd intussen zelf goed in het nieuws gehouden. Toen ‘s mans politieke carrière op stoom kwam, kreeg de deal evenwel een serieuzer karakter: schadelijke getuigenissen werden voor grof geld opgekocht en vervolgens voorgoed weggeborgen. Men neme bijvoorbeeld de getuigenissen van playmate Karen McDougal of pornoster Stormy Daniels. Dubieuze verhalen over Trumps concurrenten belandden vervolgens wél prominent op de voorpagina.

En daarmee vormt een blad als The National Enquirer een regelrechte bedreiging voor de Amerikaanse democratie. Want hoe onschuldig al dat roddelwerk van deze schmutzige variant op de Story, Privé en Weekend in eerste instantie meestal lijkt, het is en blijft de weerslag van een onvervalste dog eat dog-visie op het leven, waarbij alles en iedereen ondergeschikt wordt gemaakt en twijfelachtige congsies worden gesloten om de eigen doelen en ambities te verwezenlijken.

Dichterbij

EO

‘Dames, ik ben de dakloze dichter van Amsterdam’, zegt Hilmano van Velzen tegen de twee vrouwen voor wie hij net in een winkelcentrum in Almere vol vuur een gedicht heeft voorgedragen. Hij ziet er opvallend uit: een Surinamer in een schreeuwerige bontjas, met een zwarte capuchon op en behangen met opzichtige kettingen. Hij neemt de complimentjes in ontvangst en schakelt dan door: ‘En ik ben op zoek naar mijn vader. Die heb ik jaren niet gezien.’

Die vader is een steeds terugkerend thema in de gesprekken met de straatpoëet, voor wie de stad een soort huiskamer is geworden. Ze zijn ooit, ergens, gebrouilleerd geraakt en Hilmano kan dat nog altijd niet verkroppen. Samen met zijn vriendin Iris probeert hij Dichterbij (25 min.) de man te komen, die dat contact blijkbaar al een hele tijd afhoudt. En dichter bij de jongen die hij ooit moet zijn geweest.

De dakloze dichter is ook wel een opvallend portret. Al ruim 35 jaar struint hij door zijn stad (‘liever in Mokum zonder poen dan in Parijs met een miljoen’) en brengt hij zijn poëzie aan de man. Een geboren performer, dromend van z’n grote doorbraak. Er staat inmiddels ook een gedichtenbundel op stapel. Binnen drie maanden denkt Hilmano er zeker een miljoen van te kunnen verkopen. Alleen in Nederland, welteverstaan. ‘En dan die hele merchandise erbij!’

Die overmoed staat vast niet helemaal los van de harddrugs die hij, ook voor de camera, gebruikt in deze intrigerende korte film van Caroline Keman. Want soms kan zijn stemming ineens helemaal omslaan, ook in de relatie met Iris. Het maakt van hem ongetwijfeld een moeilijke en onvoorspelbare man, maar ook een fascinerend documentaire-personage. Zo’n man waar je, met een mengeling van plezier, irritatie en compassie, maar naar blijft kijken.

Keman doet dat met een onmiskenbaar gevoel voor sfeer en compositie. Dichterbij wordt daardoor een hallucinante film, die stiekem onder de huid kruipt. Over een man die met veel bravoure paradeert over het slappe koord tussen genie en gekte, waar hij elk moment vanaf kan donderen. ‘Ik heb niet overal antwoorden op, hè?’ zegt hij zelf. ‘Ik weet alleen dat de poëzie op het juiste moment in mijn leven is gekomen en dat het heelt en dat het verzacht. En dat de dromen die ik altijd had niet voor niets zijn geweest.’

Dichterbij is (tussen 20.00 uur en 6.00 uur) hier te bekijken.

De Boontjes

Copper View

Het is een personage dat we al uit talloze films en documentaires kennen: de oude rot, ooit zelf op het slechte pad, die zich nu bekommert om verweesde jongeren die ook de verkeerde afslag dreigen te nemen. Met een aai over de bol, grofgebekte reprimandes en oprechte betrokkenheid probeert hij ze de juiste kant op te sturen en te behoeden voor de fouten die hij zelf ooit maakte. Lukt dat niet goedschiks, dan moet het maar kwaadschiks.

We kennen het type van verschillende situaties: de boksschool, het jongerenwerk en de verslavingskliniek. En nu ook van de Rotterdamse koffiezaak Heilige Boontjes. Daar zwaait Rodney van den Hengel de scepter: doorleefde kop, gemillimeterd haar en ringen in beide oren. Een man die weet wat er te koop is in de wereld. Een man ook met zijn eigen verhaal. ‘Ik denk niet dat mijn vader me ooit heeft gevraagd: jongen, hoe voel je je?’ vertelt hij bijvoorbeeld, zonder ook maar een ogenblik sentimenteel te worden.

In De Boontjes (25 min.) richt documentairemaker Anne van Helvoort zich op Rodneys omgang met de 23-jarige Mitchel, die bij de koffiezaak een frisse start probeert te maken. Terwijl we zien hoe deze ‘goeie jongen’ zich moet zien te handhaven in dat nieuwe (werk)leven, vertelt zijn begeleider over zijn eigen achtergrond. De implicatie is duidelijk: Mitchel is een soort jongere versie van Rodney. Goeie jongens in wezen, maar nogal lomp op de wereld gesmeten. Zonder al te veel bagage. Bij een kruispunt namen ze daarna al snel de verkeerde afslag.

Deze korte documentaire brengt hun levens mooi samen. De meester en zijn gezel. Waarbij het de vraag is of Mitchel uiteindelijk voor Heilige Boontjes kiest, of toch voor de straat. Dat zorgt voor zowel frictie als verbroedering. ‘Doe rustig aan, neem je tijd en eet ook wat’, zegt Rodney bijvoorbeeld vaderlijk als zijn pupil zich niet lekker voelt. Om er meteen aan toe te voegen: ‘Je stinkt uit je muil als een rotte kip, geloof me.’ In zulke directe interactie tussen man en jongen, soms ook gewoon in de vorm van een enkele blik of ‘bear hug’, zit de kracht van dit dubbelportret, dat verder netjes binnen de lijntjes van het genre kleurt.

Cannabis

KRO-NCRV

Hij is een wat tragische ‘poster boy’ geworden voor het Nederlandse softdrugsbeleid: Johan van Laarhoven, de grote man van de coffeeshopketen The Grass Company. In 2014 werd de Brabander gearresteerd in Thailand. Hij zou voor jaren achter de tralies verdwijnen en moest zien te overleven in ronduit erbarmelijke omstandigheden. Het initiatief voor zijn aanhouding zou volgens zijn broer en compagnon Frans en z’n advocaten Gerard Spong en Sidney Smeets zijn gekomen vanuit het drugsgidsland Nederland. Iets wat door het Openbaar Ministerie dan weer wordt genuanceerd.

De zaak Van Laarhoven loopt als een rode draad door de zesdelige serie Cannabis (304 min.) waarin Arjen Sinninghe Damsté stijlvol door de geschiedenis van het Nederlandse softdrugsbeleid zwiert. Van het hippiefestival Kralingen en de allereerste Amsterdamse coffeeshops tot de hedendaagse wietzolders, internationale cannabisindustrie en medicinale wiet. In de tussenliggende jaren is er altijd reuring geweest rond het vaderlandse gedoogbeleid. Was het niet de aanhoudende kritiek vanuit Amerika, waar al decennia een ‘war on drugs’ wordt uitgevochten, dan ontstond er wel een enorm schandaal rond het feit dat politie en justitie enorme hoeveelheden drugs bleken te hebben doorgelaten, de zogenaamde IRT-affaire.

Cannabis geeft crimefighters het woord, maar focust zich vooral op de vrije jongens die ooit besloten om een boterham te gaan verdienen met hashhandel. Zij zouden stelselmatig worden gemangeld tussen de steeds steviger optredende overheid en de altijd weer brutaler denkende georganiseerde misdaad. Zo kreeg Henk de Vries, eigenaar van de befaamde coffeeshop The Bulldog, tussen de invallen van de politie en belastingdienst door bijvoorbeeld ineens bezoek van ene Klaas Bruinsma. Het criminele kopstuk kondigde doodleuk een vijandige overname van de coffeeshop aan. Niet veel later werd Bruinsma geliquideerd. De Vries had er niets mee van doen, zegt hij. ‘Ik moet er enkel bij zeggen: ik was op dat moment wel bereid om het te doen. Iemand anders heeft mijn probleem opgelost.’

Met zulke verhalen uit alle uithoeken van de softdrugswereld dringt Cannabis, lekker sjiek gefilmd en verlevendigd met bijzonder fijn archiefmateriaal, door tot het hart van een business die zich noodgedwongen op het snijvlak tussen legaal en illegaal afspeelt. Een sleutelrol is daarbij weggelegd voor de joyeuze verteller Tom Vermeir. Met losse, informele voice-overs, die qua toonzetting doen denken aan de series Schuldig en Stuk, en het nodige kunst- en vliegwerk houdt hij de verschillende verhaallijnen en personages bij elkaar. Vermeir moet ook steeds de verbinding leggen met de zaak Van Laarhoven, waarin Nederlands dubbelhartige houding tegenover softdrugs, vervat in die ene multi-interpretabele term ‘gedogen’, nog eens goed onder het vergrootglas komt te liggen.

De kwestie rond de Brabantse coffeeshophouder claimt gaandeweg steeds meer ruimte. Als in de slotafleveringen de vraag op tafel komt of Van Laarhoven naar Nederland kan worden gehaald (en of hij hier dan nog de rest van zijn straf moet uitzitten), schaart Sinninghe Damsté zich bovendien heel nadrukkelijk aan zijn kant en krijgt het Openbaar Ministerie ondubbelzinnig de schurkenrol toebedeeld. Het is een laatste akte die deze ambitieuze serie enigszins uit het lood trekt.

De Pedaalridder – Het Buitenaardse Leven Van Willem Koopman

RTV Rijnmond

‘Hij reed zo het beeld uit’, zegt stadgenoot Jules Deelder met zijn gebruikelijke gevoel voor theater. Willem Koopman was niet te stoppen tijdens het Nederlands kampioenschap baanwielrennen in 1967. Die titel was voor hem. Dat ene pilletje, net voor de meet, had hij echter beter niet kunnen nemen. De Rotterdammer moest zijn titel inleveren. Hij werd ook geschrapt als partner op de tandem van Jan Janssen, die bij de Olympische Spelen van 1968 zilver won met een andere teamgenoot. Koopman zou de top nooit bereiken en ging de boeken in als dopingzondaar. ‘Een Lance Armstrong avant la lettre’, aldus Deelder.

Daarna ging het rap bergafwaarts met de sprintkampioen: (kleine) criminaliteit, psychisch verval en, uiteindelijk, dakloosheid. Deelder ontmoette hem in de herentoiletten van een Rotterdams café, vertelt hij in de bijzonder vermakelijke documentaire De Pedaalridder – Het Buitenaardse Leven Van Willem Koopman (49 min.) van zijn dochter Ari Deelder uit 2016. Het kwam zelfs tot een transactie tussen de beide heren. Over de details wil de dichter met de rappe tong verder niet uitweiden. Het is immers niet zeker of de deal is verjaard.

Gaandeweg ontwikkelde Koopman een geheel eigen visie op dit aardse bestaan, dat volgens hem ieder moment onder vuur kon worden genomen vanuit het heelal. Voor de zekerheid bouwde hij alvast ruimteschepen met de gesmolten stampers van zijn Tonic. In 1995 vertelde de oud-wielrenner in het televisieprogramma Sportpaleis de Jong zelfs dat hij niet was geboren, maar uit grond kwam en was geleverd door de spin Atlanta. Interviewer Wilfried de Jong sprak de inmiddels wat smoezelige en duidelijk verwarde oudere man niet tegen. ‘Ik ben wereldkampioen op de 300 meter’, vertelde Koopman nog. ‘Met 1100 kilometer per uur.’

Deze film is een geslaagde verbeelding van Koopmans wonderlijke belevingswereld. Ari Deelder heeft scènes uit zijn absurde leven in een theatrale setting laten naspelen door de acteurs Klaas Postmus en Raymond Thiry. Tussendoor plaatst ze interviews met intimi van de man die in Rotterdam een absolute cultstatus heeft verworven. Dat wordt nog eens bevestigd door de sixtiesband The Kik. Die maakte de tributesong Van Wie Hij Was En Wie Hij Is, waarmee dit joyeuze en liefdevolle portret naar een fijne climax wordt gebracht. ‘Ik denk dat Willem ons met zijn manier van praten en leven beschermde tegen de saaiheid van het bestaan’, heeft Wilfried de Jong even daarvoor nog gezegd. Lachend: ‘Als je daarnaar keek, dacht je: ja, zo kun je ook leven!’

Wij Moszkowicz

Hij werd geboren als stamhouder van het roemruchte geslacht Moszkowiz, is de oudste zoon van het zwarte schaap van die familie en wordt nu zelf vader van een zoon. Alle reden voor Max Moszkowicz om in 2016 zijn eigen familiegeschiedenis te onderzoeken in de even liefdevolle als schrijnende egodocumentaire Wij Moszkowicz (79 min.).

Zijn tocht begint bij zijn vader Robert, die in de openingsscène één van zijn bezittingen gaat belenen bij de Stadsbank Van Lening. Vanuit zijn luxueuze Jaguar probeert hij even later ook nieuwe kantoorruimte te vinden. Een huurachterstand noopt hem om te verkassen. Ooit was Robert de jongste advocaat van Nederland en de trots van zijn eigen vader, de vermaarde strafpleiter Max, naar wie hij zijn oudste kind heeft vernoemd. Daarna raakte hij opzichtig aan lager wal en viel hij (definitief?) in ongenade bij zijn vader en broers.

Robert Moszkowicz mag zich geen advocaat meer noemen. Hij is, net als zijn jongste broer Bram, van het tableau geschrapt. Zit er iets (zelf)destructiefs in de Moszkowicz-genen? En welke rol speelt het kampverleden van stamoudste Max Sr., die al enige jaren een teruggetrokken bestaan leidt, in de schadelijke interactie binnen zijn gezin? Max Jr. probeert hierover echt in contact te komen met zijn vader, die zich nog altijd afgewezen voelt, maar legt de vragen tevens voor aan zijn eigen (half)broers en –zussen. En: hebben zij als kind ook gezien hoe pa in hun aanwezigheid heroïne gebruikte?

Het drama ligt voor het oprapen in de familie Moszkowicz. En Max, de ultieme insider, kan het met z’n eigen camera van binnenuit optekenen en van context voorzien. Het resultaat is een pijnlijke film over een dysfunctionele familie, vol gekwetste en kwetsende zielen, die buitengewone talenten en opvallende karakterzwaktes hebben geërfd. Dat resulteert in publiek geleefde levens met bijzonder hoge pieken en al even diepe dalen. Waarbij de naam Moszkowicz een kruis lijkt te zijn geworden, dat ieder op zijn eigen manier probeert te dragen.

Wij Moszkowicz is hier te bekijken.

Ronnie Wood: Somebody Up There Likes Me

Piece Of Magic

Hij was de goedlachse sfeermaker, die de lastpost Mick Taylor moest vervangen. Die had op zijn beurt Brian Jones afgelost. De gitarist die de machtsstrijd binnen The Rolling Stones verloor van de tandem Mick Jagger en Keith Richards en daarna letterlijk ten onder was gegaan in een zwembad. Nee, Ronnie Wood had niet al te veel spatjes toen hij lid werd van ‘the greatest rock & roll band on earth’. Lekkere gitarist, complementaire persoonlijkheid bovendien.

In Ronnie Wood: Somebody Up There Likes Me (72 min.) wordt de man in eerste instantie gepresenteerd als schilder, een activiteit die hij op advies van zijn vriend, de kunstenaar Damien Hirst, zou hebben opgenomen. Regisseur Mike Figgis bevraagt hem intussen, via het trekken van thematische kaarten, over zijn voorliefde voor drank, sigaretten en vrouwen. ‘Ik ben mentaal nooit ouder dan 29 geworden’, bekent Wood, die tegenwoordig toch echt zo oud oogt als hij is: in de zeventig. Met datzelfde rattensmoeltje, dat wel. En ravenzwart haar, nog altijd.

Dit portret neemt zijn leven en loopbaan door met alle mensen die je daarin verwacht: vriend Rod Stewart (met wie hij in zowel The Jef Beck Group als The Faces zat), zijn natuurlijk veel jongere vrouw Sally Wood en de drie andere Stones, een band waarvan hij inmiddels alweer bijna een halve eeuw deel uitmaakt. Met riffmeister ‘Keef’ vormt Wood een hecht duo, dat volgens eigen zeggen ‘de oeroude kunst van het vervlechten’ beoefent en duidelijk nog altijd met veel plezier samen op het podium staat.

Het interessantst wordt Somebody Up There Likes Me als de hoofdpersoon ingaat op zijn excessieve drank- en drugsgebruik, dat hij kan herleiden tot zijn vroegste jeugd (‘We wisten nooit in welke tuin m’n vader wakker zou worden.’) en dat uiteindelijk tot een serieuze crisis zou leiden. Dan komt Figgis even voorbij de rock & roll-clichés die natuurlijk ook weer her en der opduiken in deze vermakelijke popdocu over een zeventiger van nog nét geen dertig.

The Painter And The Thief

Het is een onvergetelijke scène: Karl-Bertil Nordland ziet voor het eerst een schilderij van zichzelf en barst in tranen uit. Hij, de outcast, heeft nooit iets moois in zichzelf kunnen ontdekken. En nu krijgt hij te zien hoe schilderes Barbora Kysilkova hem, met zijn troebele blik en opzichtige tatoeages, blijkbaar ziet: als een intrigerend mens, de perfecte muze voor haar, de gedreven kunstenaar.

Ze hebben elkaar op een héél bijzondere plek en manier ontmoet, de twee hoofdpersonen van The Painter And The Thief (102 min.). In de rechtbank, waar hij terechtstond voor de diefstal van haar schilderijen. Samen met een kornuit ontvreemdde Bertil uit een Noorse galerie twee werken, die sindsdien spoorloos zijn. Ook voor hemzelf. Hij weet, werkelijk waar, niet meer waar hij ze met z’n stonede kop heeft gelaten.

Barbora herkent Bertil van de bewakingscamerabeelden en besluit hem aan te spreken. Als tegenprestatie wil ze dat hij poseert voor een portret. Het is de start van een hartveroverende vriendschap, tussen twee jonge mensen die regelmatig in de hoek hebben gezeten waar de klappen vallen. Letterlijk. Hij is uiteindelijk gevlucht in dope en misdaad, zij in obsessief schilderen.

Regisseur Benjamin Ree observeert de toenadering tussen de twee dolende zielen en spreekt hen tevens los van elkaar, over zichzelf én die ander. Die wisseling van perspectieven en een bijzonder effectieve flashback-structuur zorgen ervoor dat het relaas van The Painter en The Thief, en de beschadigde mensen die achter deze twee personages schuilgaan, echt onder de huid kruipt en daar voorlopig ook van geen wijken wil weten.

En als Bertil dan ook nog eens ongenadig uit de bocht vliegt, krijgt deze intrigerende film over lotsverbondenheid en zielsverwantschap helemaal een dramatische lading…

If I Should Fall From Grace – The Shane MacGowan Story

Het is die lach waarmee de film wordt beëindigd. Een volledig doorrookte variant op de giechel waarmee Sesamstraat’s Ernie elke sketch met Bert afsluit. Van een notoire dronkenlap ditmaal, die om zijn eigen spitsvondigheden lacht. Waarbij het lachen veel mensen in zijn directe omgeving waarschijnlijk allang is vergaan.

Want hij had zoveel kunnen worden: geweldige zanger, ijzersterke frontman en – in het bijzonder – ongenaakbare songschrijver. En, ondanks die godvergeten drankzucht, ís Shane MacGowan dat ook allemaal geworden. Eerst en vooral van de illustere Britse folkpunkband The Pogues, daarna ook van zijn eigen vehikels The Popes en The Shane Gang. Maar er had zóveel meer ingezeten. Als hij niet de onbedwingbare behoefte had gevoeld om altijd en overal de bodem van elke fles te zoeken….

Sarah Share’s portret If I Should Fall From Grace – The Shane MacGowan Story (91 min.) uit 2001 observeert de doorgewinterde innemer, ook van harddrugs trouwens, in zijn dagelijks leven, waarin hij heldere momenten en scherpe statements afwisselt met typische dronkemanspraat en -fratsen. Ze spreekt verder met zijn opvallend nuchtere vader Maurice en moeder Therese, tante Monica en vriendin Victoria Clarke en neemt zijn carrière door met andere Pogues-leden, manager Joey Cashman en collega-poëet Nick Cave. De nadruk ligt daarbij (gelukkig) op zijn onmiskenbare talent als tekst- en songschrijver.

Want een man die zo openlijk zijn talent verkwanselt, wordt onvermijdelijk een parodie op zichzelf. Zijn optredens werden op een gegeven moment de ideale gelegenheid voor een pijnlijk soort ramptoerisme, waarbij een deel van het publiek vooral stond te wachten op hoe Shane dronken zou worden. Zoals die ene keer met The Popes op het Pinkpop-festival van 1995, waarbij hij na enkele nummers van het podium gehaald moest worden. Hij was – en lijkt nog altijd – geen schim meer van de man die hij ooit moet zijn geweest.

Daartegenover staat nog altijd een overweldigend songboek, met tijdloze klassiekers die iedereen, van elke generatie, kunnen aanspreken, zoals A Rainy Night In SohoIf I Should Fall From The Grace Of God en – dat ene kerstliedje dat wél deugt – Fairytale Of New York. Zulke prachtsongs verraden dat onder al die lol en bravoure nog altijd een zeer sensitief jongetje zit dat – stiekem, niet doorvertellen! – lijkt te worstelen met zijn eigen verlegenheid.En dan duurt het nooit lang of die langzaam wegstervende gggggg-lach klinkt weer…

In 1997 maakte de BBC ook al een informatief en tamelijk braaf portret van de gevierde songsmid, The Great Hunger: The Life & Songs Of Shane MacGowan, waarin collega’s als Bono, Christy Moore, Sinéad O’Connor, Billy Bragg en wederom Nick Cave hun licht over hem laten schijnen.

En in 2020 heeft regisseur Julien Temple de documentaire Crock Of Gold: A Few Rounds With Shane MacGowan afgeleverd.