Hold Your Breath

Zeppers Film / Cinema Delicatessen

‘Wie heeft er zichzelf opgeschreven?’ vraagt de psychologe aan een groepje Oekraïense soldaten. Zij heeft hen, mannen die in een oud sanatorium enkele weken pauze krijgen van de oorlog met Rusland, gevraagd om de namen op te schrijven van de mensen waar ze om geven. Niemand heeft zijn eigen naam genoteerd. ‘Luister, als je niet voor jezelf zorgt, kun je ook niet zorgen voor alle mensen die je op je lijstje hebt gezet’, legt ze nog maar eens uit. ‘Alles begint met zelfzorg.’

We begrijpen echt wel wat je bedoelt, reageert één van de militairen scherp, maar dat is niet mogelijk in onze realiteit. ‘Sinds de invasie leven wij in de hel.’ Nadat ze een periode hebben kunnen rusten en bijkomen, keren soldaten zoals hij doorgaans weer terug naar het front. Een enkeling gaat naar huis. Vincent Sparreboom vangt hen voor Hold Your Breath (73 min.) in die tussenwereld, op een plek waar ze even los moeten/mogen komen van die vervloekte oorlog en adem kunnen halen.

Daar proberen ze de beelden kwijt te spelen die zich aan hen opdringen. Van kameraden die voor hun ogen sneuvelden of ernstig gewond raakten, maar ook van de dingen die ze zelf in het heetst van de strijd hebben gedaan. Sparreboom zet al die gebutste mannen naast elkaar. Zo goed en zo kwaad als dat gaat worden ze opgelapt. Niet eens zozeer om ze geestelijk weer helemaal gezond te krijgen, maar om ze klaar te maken voor het vervolgen van de strijd. Oekraïne is en blijft tenslotte in oorlog.

Je hebt helemaal geen therapeut nodig na een gevecht’, zegt soldaat Viktor, terwijl hij over een meertje met zwemmende en spelende kinderen uitkijkt. Door hen weet hij waarvoor ie vecht. ‘Voor het gelach van die kinderen, voor hun vrede.’ Zijn collega Maksym lijkt na een ernstige verwonding, juist alle geloof in die oorlog kwijt te zijn geraakt. ‘Ik heb een been verloren’, zegt hij bozig. ‘Maar waarvoor eigenlijk?’ Niemand zit meer op hem te wachten. Zelfs God niet.

Zijn openlijke wanhoop weerspiegelt ongetwijfeld het gemoed van een deel van zijn land, dat nu alweer bijna vijf jaar voor z’n bestaansrecht vecht. Zoals anderen, in deze kalme en bespiegelende film, er juist onverminderd de moed inhouden en weer helemaal klaar lijken voor de strijd.

White Tiger Column

Lightwood Green

Sinds de militaire staatsgreep in Myanmar in februari 2021, waarbij de democratische regering is afgezet, wordt elke vorm van protest of verzet tegen het regime bruut de kop ingedrukt in het Aziatische land.

De revolutie moet ook ditmaal dus buiten het zicht van de machthebbers worden opgestart. Een Canadese filmploeg, onder leiding van Robert Mentov, Dwight Jantzi en Bryan Dickie, sluit voor White Tiger Column (95 min.) diep in de jungle aan bij een kamp, waar vrijwilligers van het People’s Defence Force zich melden voor een militaire training van 45 dagen. Zij worden daarbij niet alleen lichamelijk gedrild, maar ook mentaal gehard.

Het gaat om een nieuwe generatie strijders: jongens en meisjes met hun eigen idealen, trauma’s én liefdes. Voor games, popliedjes en hun telefoon, die om acht uur ‘s avonds overigens moet worden ingeleverd. En voor elkaar, natuurlijk. Als er een verliefd stelletje tussenuit is geknepen, spreekt een instructeur de anderen vermanend toe. ‘Wil je onderdeel van de revolutie zijn?’ vraagt hij hen indringend. ‘Of ben je op zoek naar de liefde?’

Anderen lijken in dit verborgen junglekamp, waar een enkele keer ook de harde realiteit doordringt van het brute regime dat op hen wacht, op zoek naar genoegdoening en wraak. ‘Ik wil alleen maar vechten’, zegt één van de rekruten. De dictatuur vernietigen die hemzelf bruut heeft gemarteld, zijn broer harteloos heeft vermoord en nu ook zijn moeder heeft gearresteerd. Hij heeft geen idee hoe het met haar is, vertelt hij geëmotioneerd.

In anderhalve maand worden de Davids van de eenheid White Tiger P-29909, voor de registrerende camera van het Canadese drietal, klaargestoomd voor het gevecht met een nietsontziende Goliath, waarin de underdog ditmaal vermoedelijk geen schijn van kans heeft. Ze lijken voorbestemd om kanonnenvoer te worden – of slachtoffer van droneaanvallen, folteraars of scherpschutters. En het zou zomaar kunnen dat hun eigen telefoon dat dan vastlegt.

Deze ontwapenende film wordt daardoor een wrange momentopname, de weerslag van die ene anderhalve maand, een periode die nooit meer terugkomt, waarin deze Gen Z-jongens en meisjes mannen en vrouwen moeten worden. Verzetsstrijders, martelaren wellicht, vechtend voor een vooralsnog onbereikbaar ideaal. Tot hun vertrek kunnen ze, tussen het prepareren van hun wapens en maken van explosieven door, nog even ongegeneerd jong zijn.

Planina

Cherry Pickers / vanaf 14 januari in de bioscoop

Ze koestert haar moederrol. Mileca ‘Gara’ Jovanović kan het niet laten om haar tienerdochter Nada Staniśić steeds weer te vertellen hoeveel mama van haar houdt. Samen leven ze op de Sinjajevina-berg in het noorden van Montenegro. In hun eenvoudige woning, op tweeduizend meter hoogte, slapen ze zelfs in één en hetzelfde bed. Een basaal en vruchtbaar leven, met hun koeien, schapen en katten. Afgezet tegen een weldadig decor van besneeuwde bergtoppen en oneindig grasland.

Dat vredige bestaan wordt in Planina (internationale titel: To Hold A Mountain,105 min.) echter niet alleen bedreigd door wolven en een enkele beer. Het leger wil ook een militair oefen- en schietterrein maken van de hoogvlakte, die door de UNESCO tot werelderfgoed is uitgeroepen. En dan is er nog Nada’s vader, die zich weer, al even onuitgenodigd, in hun leven zou kunnen melden. Die gedachte boezemt Gara angst in. Hij kan alles wat ze in de afgelopen twaalf jaar heeft opgebouwd met haar dochter verwoesten.

Deze observerende documentaire van Biljana Tutorov en Petar Glomazić speelt zich volledig af op die bergweide. Behalve één scène, halverwege de film. ‘Luister, vriend, kom naar mijn huis en eet mijn kaas’, bijt Gara dan een vertegenwoordiger van het leger toe, in een praatprogramma van TV Vijesti. ‘Iedereen is welkom, maar niet zolang die oefeningen plaatsvinden. Want dat gaat niet gebeuren. Die gaan alleen door nadat jullie ons, als herders, hebben afgeschoten. En begin dan maar met mij.’

Deze onverzettelijke activiste, die vlijmscherp uit de hoek kan komen om haar wereld te verdedigen, toont zich in de rest van de film vooral een liefdevolle herder, warme vriendin en beschermende moeder – en een personage om direct in de armen te sluiten. Gara is één met haar land en koestert haar mensen. Te midden van het overweldigende natuurschoon van één van Europa’s grootste bergweiden leiden zij een eenvoudig leven dat in de afgelopen eeuw nauwelijks lijkt te zijn veranderd. 

Tutorov en Glomazić vangen dat bestaan in al z’n grootsheid, maar tonen ook hun timmermansoog als het gaat om de kleine dingen des levens. Als Gara en Nada bijvoorbeeld met een kruiwagen en een dekentje de berg op gaan, op zoek naar een vermiste koe die vermoedelijk heeft gekalfd, resulteert dit in een even fraaie als ontroerende scène, die bovendien appelleert aan hun eigen familiegeschiedenis – waarover de filmmakers heel gedoceerd informatie prijsgeven.

Als dubbelportret van een moeder en dochter, twee sterke vrouwen die door het lot nóg sterker met elkaar verbonden zijn geraakt, komt To Hold A Mountain keihard binnen. Tegelijk blijft er ook genoeg ruimte voor de verbeelding, in de wonderschone wereld rond de Sinjajevina-berg.

Naza

Cherry Pickers

Het gebeurt niet vaak dat documentaires zelf nieuws worden. Het overkwam Errol Morris toen hij met The Thin Blue Line (1988), misschien wel de allereerste true crime-docu, aantoonde dat Randall Adams, die al jaren zat te verpieteren in een dodencel, de moord op politieagent Robert Wood in 1976 niet gepleegd kón hebben. En Andrew Jarecki met The Jinx: The Life And Deaths Of Robert Durst (2018), een misdaadserie waarin zijn hoofdpersoon juist per ongeluk enkele moorden bekende. Ook klassiekers zoals Titicut Follies, Gimme Shelter en General Idi Amin Dada: A Self-Portrait deden bijvoorbeeld, vanwege uiteenlopende redenen, het nodige stof opwaaien.

Dat Naza (80 min.) wereldwijd zowel een storm van kritiek als een waaier aan loftuitingen zou oogsten, was wel enigszins te voorspellen. Het gevolg ook: de film van Yuval Abraham en Rachel Szor, die in de Oscar-winnende documentaire No Other Land (2024) de benarde positie van een Palestijnse gemeenschap optekenden, trekt overal volle zalen. De zakelijke toon waarop 24 digitaal geanonimiseerde medewerkers van de Israëlische inlichtingendiensten, in het donker geïnterviewd op het dak van een flatgebouw in Tel Aviv, spreken over de militaire operaties die de Israel Defense Forces opstartten in Gaza na de aanslagen van Hamas op 7 oktober 2023, raakt een gevoelige snaar.

Naza betekent nevenschade. Ofwel: het vermoede aantal burgerslachtoffers bij een actie. Zo’n twintig Naza per doelwit schijnt intern als acceptabel te worden beschouwd, maar soms hanteren ze ook heel andere aantallen. Een Israëlische militair spreekt bijvoorbeeld over het uitzonderlijke geval van ‘500 Naza voor één menselijk doel’. Die doelwitten worden bepaald door het computersysteem Lavender. Dat doet niet aan ethiek. Kunstmatige intelligentie is rationeler dan iemand die net een dierbare heeft verloren, stelt één van Abraham en Szors subjecten. ‘Ik word niet geacht om een morele of principiële positie in te nemen’, beweert een ander. ‘Ik heb een technische rol.’

De filmmakers vragen door, maar hengelen niet opzichtig naar emoties. De toon is functioneel, de setting afstandelijk. Ze wisselen hun gesprekken op het dak van de stad af met nachtelijke beelden van flatwoningen. De bewoners daarvan worden met behulp van de raamkozijnen, als ware het barricades, geanonimiseerd. Het nieuws over Gaza komt binnen via televisietoestellen. Het leven gaat er, kortom, ’gewoon’ door. Het is een treffende verbeelding van het dehumaniserende effect van deze oorlogsmachine, die niet alleen de slachtoffers ontmenselijkt maar ook de daders en hun acties, die veelal klinisch vanachter een beeldscherm kunnen worden opgezet en afgehandeld.

Daarbij maken ze geen onderscheid tussen kinderen en volwassenen. (Vermeende) Hamas-kopstukken moeten koste wat het kost uitgeschakeld worden. Waarbij de zinsnede ‘Waar is papa?’ naar verluidt geldt als signaal dat het doelwit thuis is gekomen en nu, samen met zijn gezin, kan worden uitgeschakeld. Het leidt tot enorme aantallen slachtoffers en verwoesting alom. Genocide? vragen de filmmakers. Absoluut, zegt één van de militairen. Een ander moet terugdenken aan de reis die hij ooit maakte naar de concentratiekampen. Naderhand zag hij de Duitsers als verpersoonlijking van het kwaad. ‘Ik zie die nazi’s nog steeds als slecht’, zegt hij. ‘Maar wie ben ik dan?’

Terrorisme kan worden gedefinieerd als ‘the systematic and deliberate attack, the murder, maiming and menacing attack of innocents, of civilians, for political goals’. Dat zijn niet de woorden van Yuval Abraham en Rachel Szor of hun klokkenluiders, maar van een politicus, die in 1986 in een Amerikaanse talkshow kwam vertellen over een boek dat hij zojuist had uitgebracht over terrorisme. Veertig jaar later stelt diezelfde Benjamin Netanyahu als premier dat Israëls optreden in Gaza een gerechtvaardigd onderdeel is van de strijd van goed tegen kwaad. Zijn eigen mannen, de voetsoldaten die de drones bedienen, spreken intussen over ‘zuiveren’ en verwoesting als strategisch doel.

De huiveringwekkende details die zij in deze verpletterende aanklacht oplepelen over hun werk zijn in dat verband niet meer dan logisch. De uiterste consequentie van hoe de huidige Israëlische regering, in elk geval sinds de aanslagen van 7 oktober 2023, naar Gaza en z’n bewoners kijkt. En daarvan slaat de wereld, héél terecht, even steil achterover.

Kanehsatake: 270 Years Of Resistance

National Film Board Of Canada

Als de situatie helemaal uit de hand is gelopen, zou je bijna vergeten waarmee het ooit begon: de bouw van luxe woningen en de uitbreiding van een golfbaan. Met het besluit om daarvoor toestemming te verlenen zetten de Canadese autoriteiten in 1990 de zogeheten Oka-crisis in gang. De plannen moeten namelijk gerealiseerd worden op het reservaat van de Mohawks, niet ver van Montreal. En hun heilige begraafplaatsen dienen ervoor te wijken.

Strijders van het inheemse volk, dat al eeuwen door de Canadese overheid wordt vergast op list en bedrog, barricaderen de snelweg bij hun nederzetting Kanehsatake en blokkeren een belangrijke verkeersader, de Mercier-brug. Tot grote woede van enkele gewone Canadese burgers, die vast komen te zitten in het verkeer. ‘Wilden!’ scanderen zij. Al snel wordt de hulp van de politie en het leger ingeroepen en escaleert het conflict verder. 

In de veelvuldig bekroonde documentaire Kanehsatake: 270 Years Of Resistance (120 min.) uit 1993 brengt Alanis Obomsawin deze ‘stare down’ tussen de autoriteiten en haar volk in beeld. De Mohawks erkennen de federale overheid niet als hun officiële gezag. Na een ‘lang spoor van gebroken beloften’, dat al eeuwen teruggaat, zetten de inheemse krijgers hun hakken in het zand en trotseren de Canadese soldaten, die geweld bepaald niet schuwen.

De blokkade zal uiteindelijk 78 dagen duren en vormt, niet in het minst door deze doorleefde weerslag ervan, een keerpunt in hoe Canada naar haar inheemse bevolking kijkt. Obomsawin belicht de verwikkelingen in Kanehsatake vanuit het perspectief van de Mohawks, plaatst de gebeurtenissen als verteller in hun historische en maatschappelijke kader en toont zo het onrecht dat de oorspronkelijke bewoners van het land stelselmatig is aangedaan.

‘Ze zouden jou op een reservaat moeten zetten’, bijt een inheemse vrouw enkele agenten toe. ‘En jullie land moeten afpakken.’ Die diepgevoelde verontwaardiging, over de beknotting van hun volk en de verwording van het bijbehorende land, zal in later jaren ook nog z’n weg vinden naar thematisch verwante documentaires zoals Yintah, Sugarcane en There’s Something In The Water. De camera helpt inheemse volken zo om hun recht te halen.

Checkpoint

Yoav Shamir Films

‘Als de Palestijnen komen’, zegt een Israëlische soldaat bij de start van Checkpoint (80 min.), ‘dan voeren we onze show op.’ Die voorstelling, het checken van burgers die van en naar Gaza of de Westelijke Jordaanoever willen, wordt in deze observerende documentaire uit 2003 zonder commentaar gadegeslagen door de Israëlische filmmaker Yoav Shamir.

Zijn film speelt zich volledig af bij grensposten, waar Palestijnse burgers zich melden om op bezoek te gaan bij een rouwend familielid, met een ziek kind naar de dokter willen of de laatste voorbereidingen proberen te treffen voor een huwelijk. Zij moeten daarvoor toestemming krijgen van Israëlische soldaten, puberale jongens soms nog, die verantwoordelijk zijn gemaakt voor de veiligheid van hun land.

Bij het checkpunt ontstaat vervolgens een Babylonische spraakverwarring, fel twistgesprek of Kafkaëske crisis. Iemand die van de ene soldaat probleemloos de grens mag passeren, kan een uur later op de terugweg zomaar worden tegengehouden door een ander – en belandt dan in een soort niemandsland tussen hier en daar, met een voor alle betrokkenen frustrerende woordenwisseling als gevolg.

De menselijke maat raakt intussen volledig zoek. Een passagier van een ambulance moet bijvoorbeeld voor elke inzittende uitleggen waarom die zo nodig een behandeling in het ziekenhuis van Nablus moet krijgen en niet gewoon in het nabijgelegen Jenin kan worden geholpen. In spanning wachten de passagiers vervolgens af als de dienstdoende Israëlische soldaat hun identiteitsbewijzen controleert.

Zulke routines worden zowel in de brandende zon als stromende regen uitgevoerd. Gewone burgers zijn volledig overgeleverd aan de procedures – en grillen – van de poortwachters van dienst. Zo nu en dan doorbreekt iemand de patstelling of strijkt een soldaat over zijn hart, maar het dagelijkse ritueel – dat ook het karakter kan krijgen van treiteren, intimidatie of vernedering – blijft natuurlijk gewoon bestaan.

In het klein ontstaan er bij die grensposten, gefilmd in de periode van 2001 tot 2003, steeds weer nieuwe varianten op het conflict dat de wereld een kleine 25 jaar later nog in z’n greep houdt en alleen maar verder is ontspoord.

The Secret Life Of Uri Geller: Psychic Spy?

Springer Films

Hij zegt ’t met een stalen gezicht. ‘Ik kan je dit alleen vertellen omdat het programma inmiddels is vrijgegeven’, vertelt de Amerikaanse wetenschapper Russell Targ van het gerenommeerde Stanford Research Institute over de pogingen van de Amerikaanse veiligheidsdienst CIA om, midden in de Koude Oorlog, een gecrasht Sovjet-vliegtuig in Zaïre te traceren. Om er vervolgens bloedserieus aan toe te voegen: ‘Anders had ik jullie, nadat ik had verteld wie dit programma had gefinancierd, moeten doden.’

Welkom in een levensechte James Bond-film. Met zowaar een absolute hoofdrol voor ’s werelds beroemdste paragnost, Uri Geller. De Israëlische lepeltjesbuiger, helderziende en gedachtelezer zou jarenlang in het geheim voor enkele veiligheidsdiensten hebben gewerkt. Eerst voor de Mossad, daarna dus ook voor de CIA. De man wil – nee: kán – er zelf niets over kwijt in de documentaire The Secret Life Of Uri Geller: Psychic Spy? (91 min.) uit 2013, maar zegt steeds nét genoeg om de aandacht toch vast te houden.

Geller zou met zijn bijzondere gaven bijvoorbeeld een essentiële rol hebben gespeeld bij de Israëlische aanval op het Oegandese vliegveld van Entebbe in 1976, waarbij de Joodse passagiers van een gekaapt vliegtuig konden worden bevrijd. Daarover zegt hij dan: ‘Wat ik lees en hoor is dat ik radarsystemen tot aan Entebbe heb uitgeschakeld tijdens de bestorming, waarbij de broer van Benjamin Netanyahu is omgekomen. Zo zouden de Israëlische vliegtuigen veilig hebben kunnen landen in Entebbe.’

Maar dat heb je dus niet van hem. Filmmaker Vikram Jayanti moet de bevestiging van dit soort sterke verhalen dus elders halen. Bij wetenschappers van de prestigieuze Stanford University, zoals Russell Targ en zijn collega-natuurkundige Hal Puthoff, astronaut Edgar Mitchell, enkele oud-CIA-medewerkers en legerofficieren én de Israëlische premier Benjamin Netanyahu. Zij ondersteunen, direct dan wel indirect, Gellers suggesties. Want hij mag dan de schijn tegen hebben, wellicht heeft wel de waarheid aan zijn zijde.

Jayanti lardeert zijn zoektocht door de wereld van psyops met een wirwar aan ludieke muziekjes: van het Peter Gunn Theme en de soundtrack van The X Files tot het Mission Impossible-deuntje en – natuurlijk – dat uit duizenden herkenbare James Bond-thema. Daarmee relativeert hij zijn eigen bevindingen, die hem ook nog brengt bij de Hollywood-komedie The Men Who Stare At Goats (2009), waarin een Amerikaanse legereenheid wordt opgevoerd die gebruik maakt van paranormale tactieken en zo geiten doodt.

Dat kolderieke idee blijkt zowaar een snipper van een flinter van een kern van waarheid te bevatten: tijdens een wetenschappelijk experiment zou een helderziende in staat zijn geweest om de hartslag van een rat zo te vertragen dat die eraan overleed. En als dat inderdaad echt is gebeurd, zouden zo dan ook politieke rivalen om zeep kunnen worden geholpen? Naar het antwoord op die vraag blijft het gissen. Omdat a) het nooit is gebeurd. b) dit helemaal niet kan. Of c) dat zo geheim is dat niemand ‘t ooit zal toegeven.

En dus blijft ook ná het bekijken van deze vermakelijke film in nevelen gehuld of Uri Geller daadwerkelijk een paranormaal begaafde superspion is – of toch een charlatan, die weer een nieuwe manier heeft gevonden om zichzelf in het middelpunt van de belangstelling te plaatsen.

The Nazi Cartel

SkyShowtime

Vóór Pablo Escobar was er de Boliviaanse drugsbaas Roberto Suárez. Hij wordt beschouwd als de eerste cocaïnekoning van de wereld en zou zelfs model hebben gestaan voor het personage Alejandro Sosa in de ultieme gangsterfilm Scarface.

En als rechterhand van Suárez fungeerde ene Klaus Altmann, een Duitser die na de Tweede Wereldoorlog in Zuid-Amerika was beland. In werkelijkheid ging het om de oorlogsmisdadiger Klaus Barbie, bijgenaamd ‘De Beul van Lyon’, die ook in Nederland nog ongenadig huis had gehouden. Samen met enkele andere oud-nazi’s speculeerde Barbie eind jaren zeventig nog altijd over een Vierde Rijk.

En er was een Amerikaanse undercoveragent, die zich namens de Drug Enforcement Agency (DEA) al jaren voordeed als dealer. Michael Levine begon zich actief met de handel te bemoeien. Samen met Suárez’s zoon Gary en schoonzoon Gerardo Caballero fungeert deze klassieke ‘tough guy’ nu als voornaamste getuige-deskundige van The Nazi Cartel (145 min.), een driedelige docuserie van Justin Webster.

Die duikt diep in deze onverkwikkelijke geschiedenis, waarin ook het Boliviaanse leger een belangrijke rol zou gaan spelen, en serveert die met veel drama en suspense uit. Webster maakt daarbij gebruik van nieuwsbeelden en reconstructies, spreekt allerlei direct betrokkenen en deskundigen en zet tevens enkele met AI geconstrueerde voice-overs in, die zijn gebaseerd op citaten uit een boek over Suárez.

De kongsi tussen Roberto Suárez en Klaus Barbie leidde in 1980 tot een bloedige staatsgreep, de zogenaamde Cocaïne Coup. Met hulp van het leger en huurlingen van Los Novios De La Muerte werd een linkse regering voorkomen. Onder de nieuwe militaire leider García Meza kon Bolivia vervolgens uitgroeien tot de eerste Zuid-Amerikaanse narcostaat. En de kans dat die Barbie zou uitleveren leek vrijwel nihil.

Dit politieke verhaal, mede verteld door slachtoffers van het regime, beklijft uiteindelijk meer dan de tamelijk routineuze jacht van Amerikaanse DEA-agenten op drugscriminelen. De vraag die daarachter ligt spreekt eveneens tot de verbeelding: was de CIA, die een kleine tien jaar eerder in Chili al de dictator Pinochet aan de macht had geholpen, misschien ook betrokken bij de Boliviaanse coup?

Volgens zijn zoon was Roberto Suárez er in elk geval best trots op dat hij was geportretteerd in Scarface. Hij herkende enkele filmpersonages ook uit zijn eigen omgeving. García Meza bijvoorbeeld. En Pablo Escobar, ofwel het legendarische Al Pacino personage Tony Montana. Suárez zou met Escobar breken, vóórdat die echt helemaal losging en zo aan de basis stond van de narcostaat Colombia.

Cover-Up

Netflix

‘This son of a bitch is a son of a bitch’, zegt de Amerikaanse president Richard Nixon begin jaren zeventig, op geheime geluidsopnames, tegen zijn nationale veiligheidsadviseur Henry Kissinger. ‘But he’s usually right, isn’t he?’ Ze hebben ‘t over onderzoeksjournalist Seymour Hersh, die zich dan namens The New York Times in het Watergate-onderzoek heeft gemengd. De Amerikaanse krant loopt op dat moment gigantisch achter de feiten van The Washington Post aan, waar Bob Woodward en Carl Bernstein al de ene na de andere primeur hebben gehad. Zij zijn een complot op het spoor, dat Nixon in 1974 ten val zal brengen. Hersh kan daaraan uiteindelijk ook nog bijdragen met enkele onthullingen.

Hersh geldt dan al als een enorme lastpak, de spreekwoordelijke luis in de pels. Met onthullingen over een bloedbad dat Amerikaanse soldaten in 1968 hebben aangericht in het Vietnamese dorpje My Lai brengt hij de militaire top en regering ernstig in verlegenheid. Zoals hij 35 jaar later opnieuw zal doen met berichtgeving over marteling door Amerikaanse militairen in de Iraakse gevangenis Abu Ghraib in 2004. Op dat moment is ‘Sy’ overigens al weg bij The Times. Als hij besluit om het Amerikaanse bedrijfsleven onder de loep te nemen en daarbij ook onwelgevallig nieuws over hooggeplaatsten binnen de krant tegenkomt, heeft hij volgens eigen zeggen z’n langste tijd bij The New York Times gehad.

Want Seymour M. Hersh is ook een ‘character’. Dwars, zéér vasthoudend en met een bijtend gevoel voor humor. Ideaal documentairemateriaal, kortom. Regisseur Laura Poitras (Citizenfour en All The Beauty And The Bloodshed) had hem na het Abu Ghraib-schandaal al op de korrel voor een film. Het zou haar echter nog twintig jaar, veel overredingskracht en de hulp van coregisseur Mark Obenhaus, die eerder enkele onderzoeksfilms met Hersh heeft gemaakt, kosten om de hardkop zelf van het nut en de noodzaak daarvan te overtuigen. En dan moet de tegellichter uit Chicago ook nog zijn aantekeningen, stapels papier op een rommelig kantoortje, met hen delen. Terwijl bronbescherming zo’n beetje z’n hoogste goed is.

In Cover-Up (118 min.) belichten Poitras en Obenhaus via Seymour Hersh de hoogtijdagen van de Amerikaanse journalistiek. Ze hebben hun documentaire een onmiskenbare seventies-feel meegegeven, die herinneringen oproept aan filmklassiekers zoals The Parallax view, Three Days Of The Condor en – natuurlijk – de ultieme journalistenfilm All The President’s Men. Één van de hoofdrolspelers daarvan, Bob Woodward, doet overigens ook nog een bescheiden duit in het zakje voor deze film over zijn al even vermaarde concullega Hersh, die onderweg nog héél even aan een zijden draadje hangt als Sy, omdat ie nu eenmaal Sy is, voor een draaiende camera zijn medewerking aan de documentaire opzegt.

Het spreekt voor de makers ervan dat ze daarin ook Hersh’s grootste canard belichten – een intieme briefwisseling tussen president John F. Kennedy en het sekssymbool Marilyn Monroe, die gefingeerd blijkt te zijn – al hadden ze in feite geen keuze. Met prutsers die zulk nieuws over het hoofd zouden zien en dus van ‘speaking truth to power’ geen kaas hebben gegeten, zou Seymour M. Hersh ongetwijfeld niets van doen willen hebben.

In Waves And War

Netflix

Voor de camera hebben drie stoere mannen – nee: de stoerste mannen, want: Navy SEALs – plaatsgenomen. Na de terroristische aanslagen van 11 september 2011 zijn ze naar Afghanistan gestuurd, om de verantwoordelijken op te sporen en voor eens en altijd orde op zaken te stellen. Ze komen stuk voor stuk kapot terug. Hun lichaam heeft de onophoudelijke stroom militaire missies, met talloze dodelijke slachtoffers, min of meer ongeschonden doorstaan, maar hun geest begint serieuze mankementen te vertonen.

Hun levens worden ontregeld door hyper-waakzaamheid, survivor’s guilt, angst, woedeaanvallen, nachtmerries, déjà vu-gevoelens en depressies. Kortweg: PTSS. Ze keren zich af van de wereld, verliezen zichzelf in drank of drugs en beginnen te denken aan zelfmoord. ‘Sinds 9/11 zijn er 7100 dodelijke slachtoffers gevallen bij gevechten’, legt admiraal Brian Losey uit in In Waves And War (108 min.). ‘In diezelfde periode hebben zo’n 30.000 veteranen zelfmoord gepleegd. Dat zijn er ongeveer 22 per dag.’

‘I could have done more’, schrijft Navy SEAL Marcus Capone, in de brief waarmee hij in 2013 zijn medisch pensioen aanvraagt. De voormalige footballer is ten einde raad. Als zijn vrouw Amber hem op een ochtend aantreft met een lege fles whisky en een doorgeladen geweer, besluit ze om zelf actie te ondernemen. Zij stuit op een alternatieve therapie met psychedelica in Mexico. ‘En dit moet onze geharde krijgers redden?’ lacht haar echtgenoot cynisch, voordat ie zich toch laat overhalen. Hij heeft ook geen keus.

Behalve Capone volgen de documentairemakers Jon Shenk en Bonni Cohen nog twee andere SEAL-veteranen. D.J. Shipley is zichzelf en zijn relatie dan al enige tijd ten gronde aan het richten. ‘Terminale kanker zou een zegen zijn geweest’, zegt hij nu. Z’n vrouw Patsy dwingt hem om een behandeling te ondergaan bij de Ambio Psychedelic Clinic in Baja California. ‘Als je van me houdt, ga je’, herinnert hij zich haar woorden. ‘Dat is raar om te zeggen: als je van je vrouw houdt, ga je in Mexico psychedelische drugs gebruiken.’

Matty Roberts tenslotte, op het eerste gezicht ook al zo’n roestvrijstalen elitesoldaat, loopt al een tijd met een serieus oorlogstrauma rond. Hij zit volledig opgesloten in zijn hoofd en functioneert alleen nog tussen de broeders van zijn clan. Op een gegeven moment kan hij thuis helemaal geen rust meer vinden. Eenmaal terug op de basis slaapt hij echter weer ‘als een baby’. Ook hij ziet in eerste instantie echter helemaal niets in een behandeling die toch vooral associaties oproept met trippende bloemenkinderen.

In de eerste helft van deze documentaire nemen Shenk en Cohen de tijd om, samen met hun hoofdpersonen en met behulp van trainingsfilms en de foto’s en video’s die zij zelf maakten tijdens hun uitzending, hun periode in actieve dienst te schetsen. Daarna wagen die in Mexico, en gadegeslagen door onderzoekers van de Stanford University, de sprong in de diepte van hun eigen geest, een ervaring die de filmmakers proberen op te roepen met animaties, die het geheel een aantrekkelijk Hollywood-randje geven.

In eerste instantie lijkt In Waves And War triptherapie, onlangs ook al belicht in de Nederlandse documentaire Psychedelisch Pionieren, dan ook als een soort wondermiddel te presenteren. Een duizenddingendoekje voor al uw psychisch leed. Gaandeweg komt de nuance: hoe heilzaam een trip naar binnen ook kan zijn, daarmee is het leed nog niet automatisch geleden of elk pijnpunt ook weggewerkt. De ervaringen van deze stoere mannen doen vermoeden dat er nog een wereld te ontsluiten is – en te winnen.

Voor de camera – en daarmee ook voor zichzelf en hun directe omgeving – stellen ze zich in elk geval opmerkelijk kwetsbaar op en lijken ze ook daadwerkelijk vooruitgang te boeken. Terug naar het gewone leven, naar zichzelf.

2000 Meters To Andriivka

Periscoop Film

Het Zhyzhky-bos heeft al talloze levens geëist. Je zou er in tien minuten doorheen kunnen rennen. Rennen is alleen onmogelijk. Het gebied eromheen is eveneens onbegaanbaar. De Russen hebben dit bezaaid met mijnen. Er is geen andere optie: de Oekraïense soldaten moeten stapvoets door dat bos, de inkomende granaten ontwijken en ondertussen alle ‘klootzakken’ uit de weg ruimen. Zo probeert de Derde Aanvalsbrigade de 2000 Meters To Andriivka (108 min) te overbruggen, zodat daar, in een ogenschijnlijk volstrekt onbelangrijk dorpje, de nationale vlag kan worden gehesen.

Het Oekraïense tegenoffensief heeft onmiskenbaar een symbolisch karakter: het terugveroveren van land, hún land. De situatie aan de frontlinie heeft evenwel niets verhevens: gewone mannen stellen voor een betwistbaar ideaal hun leven in de waagschaal. De Oekraïense Associated Press-journalist Mstyslav Chernov, die voor zijn vorige film 20 Days In Mariupol (2023) een dik verdiende Oscar won, heeft zich op 16 september 2023 bij de brigade gevoegd. Na de Russische inval nam hij geen wapen op, maar zocht zijn toevlucht tot zijn eigen wapentuig: de alziende camera.

De filmmaker begeleidt de verwikkelingen die zich voor zijn eigen lens, dronecamera’s en de helmcamera’s van zijn hoofdpersonen voordoen met een bespiegelende voice-over. Soms gebruikt hij daarbij ook wijsheid van achteraf: over hoe ’t verder zal gaan met de soldaat die nu in de loopgraaf een sigaretje met hem rookt of een praatje maakt – als ’t daarmee überhaupt nog verder gaat. Een zeer effectieve keuze. De oorlog kent immers geen genade. Ook hun eigen vierkante centimeter van dat gedoemde gevecht met de Russen zal zijn slachtoffers eisen. Mannen die het bos nooit meer zullen verlaten.

Hoezo sterven helden niet? vraagt de moeder van één van hen zich af bij diens uitvaart, in één van de weinige scènes waarin deze mokerslag van een film de frontlinie even verlaat. ‘Je kunt beter thuisblijven’, zegt ze verbitterd over de gewone Oekraïense mannen die vrijwillig dienst hebben genomen. ‘Onze helden sterven wel degelijk!’ Zij hebben hun leven dan officieel misschien voor hun land gegeven, in werkelijk zijn ze geslachtofferd voor de verovering van een dorp dat vast al van de kaart is geveegd als het ooit kan worden ingenomen. Als ze überhaupt in de buurt van Andriivka komen…

Behalve de grimmigheid tekent Mstyslav Chernov in 2000 Meters To Andriivka, dat is voorzien van een onheilszwangere soundtrack en dramatische droneshots die de totale verwoesting van het land in kaart brengen, ook de zinloosheid van die oorlog op. Het Oekraïense tegenoffensief aan het Oostfront is gedoemd om te mislukken, maar welke andere mogelijkheden heeft het bedreigde land? Behalve de rug rechten, de vlucht naar voren kiezen en er maar het beste van hopen?

Lost In The Jungle

Disney+

De kans dat er überhaupt overlevenden zijn als een klein vliegtuig neerstort boven het regenwoud lijkt al te verwaarlozen. Als het vier kinderen dan ook nog lukt om zonder begeleiding veertig dagen te overleven in de jungle, is er sprake van niets minder dan een mirakel.

Van zulke verhalen, die hoop kunnen bieden in desperate tijden, krijgen we nooit genoeg. En dus mag het geen verbazing wekken dat Lost In The Jungle (96 min.) zeker niet de eerste documentaire is – men neme bijvoorbeeld de Netflix-productie Los Niños Perdidos (2024) – over de dertienjarige Lesly, haar zus Soleiny van negen, hun vierjarige halfbroertje Tien en de baby Cristin. Nadat hun Cessna 206-toestel, met ook hun moeder Magdalena Mucutuy aan boord, op een halve dag varen van de dichtstbijzijnde stad in het Amazonegebied uit de lucht is gevallen, begint het Colombiaanse leger een grootscheepse zoektocht naar de overlevenden.

Nu buigt het vermaarde docuduo Elizabeth Chai Vasarhelyi en Jimmy Chin, dat eerder ook al de reddingsactie van een Thais jeugdvoetbalteam uit een immense grot reconstrueerde in The Rescue (2021), zich over dit onwaarschijnlijke verhaal. De twee hebben hun krachten gebundeld met de Colombiaanse filmmaker Juan Camilo Cruz. Met een slimme mixture van authentieke en geënsceneerde beelden laten zij de enerverende tocht van het militaire team, dat is gepaard aan inheemse gidsen van het Huitoto-volk, door het oerwoud herleven. Van oudsher zijn zij gezworen vijanden, tegenstanders op leven en dood in koloniale- en drugsoorlogen.

Nu worden ze gedwongen om samen te werken. Ook de militairen moeten dus helpen om de Duende – een duistere kracht volgens Don Rubio, de leider van het Huitoto-smaldeel van de expeditie – om de tuin te leiden. Zodat de kinderen aan diens aandacht kunnen ontsnappen. Uiteindelijk zien ze nog maar één redmiddel: yagé, ofwel ayahuasca, een zelfgemaakte drank die verhelderende hallucinaties moet oproepen. Terwijl de zoekers steeds wanhopiger worden, proberen de gezochten simpelweg te overleven. Chai Vasarhelyi, Chin en Cruz visualiseren de herinneringen van de kinderen zelf met fraaie animaties, die over junglebeelden zijn gelegd.

De miraculeuze redding van Lesly, Soleiny, Tien en Cristin wordt verder ingekleurd door familieleden en hun zeer omstreden (stief)vader Manuel Ranoque, die zelf ook in de jungle meezoekt naar de kinderen. Hij is dan en in de bijbehorende familiegeschiedenis, die via flashbacks wordt opgeroepen, een dissonant, de man die wel erg aards denkt en doet in een verhaal dat soms bijna magisch aandoet en in deze sterke film zeer overtuigend wordt opgeroepen.

First Kill

Lemming Film

Als oorlog niet meer dan de hel zou zijn, dan zouden we snel stoppen met al die oorlogen, stelt voormalig oorlogscorrespondent Michael Herr, die over zijn ervaringen als journalist in Vietnam het boek Dispatches schreef en later meewerkte aan de klassieke oorlogsfilms Apocalypse Now en Full Metal Jacket. Hoewel hij zelf zeker geen ‘John Wayne Jr.’ was, bleek Herr erg gevoelig voor de verleidingen van oorlog. ‘Het was niet saai. Je kreeg nooit de kans om verveeld te raken.’

En daarop, op hoe je volledig verslingerd kunt raken aan oorlog en er vervolgens door wordt opgevreten, richt Coco Schrijber zich in haar indringende film First Kill (73 min.) uit 2001. Voor de Amerikaanse soldaat Billy Heflin doet bijvoorbeeld maar één ding ertoe tijdens zijn tour in Vietnam: ‘the kill’. Het kost hem geen enkele moeite om de trekker over te halen – ook al is het een kind. Het is hij of ik. En hij wil zijn ‘body count’ op peil brengen. Met elke dode gaat Billy zich beter voelen. Hij vergelijkt ’t zelfs met seks.

Behalve met veteranen zoals Heflin, die steeds verder afdaalt in zijn weerzinwekkende jacht op ‘gooks’, spreekt Schrijber ook met de Amerikaanse fotograaf Eddie Addams. Hij maakte in 1968 een inmiddels klassiek geworden foto, waarin de horror van oorlog héél tastbaar wordt. Een Vietnamese man zet zijn pistool tegen het hoofd van een landgenoot en haalt rücksichtslos de trekker over. Addams voelde er echter helemaal niets bij toen hij die foto maakte. Hij leverde het rolletje in, vertelt hij droog, en ging daarna lunchen.

Een (foto)journalist kan zich natuurlijk verschuilen achter zijn werk en heeft daarmee een plausibele reden om de frontlinie op te zoeken. Michael Herr koestert daarover echter geen illusies: ook mensen zoals hij zijn veel meer dan een observator, zij participeren net zo goed in de strijd en kunnen daarvan eveneens ‘genieten’. En dat oorlogsjournalistiek een heilzame werking heeft, wil er bij hem ook niet in. De eeuw waarin massamedia hun entree hebben gemaakt was tevens de bloedigste. Moordlust wordt er bijna sexy van.

Deze zinnenprikkelende trip naar de donkerste hoeken van de menselijke ziel krijgt daarmee een bijzonder ongemakkelijke boodschap: oorlog beschikt over een zekere schoonheid als je ‘m van z’n morele dimensie ontdoet. Als individuele mensen zijn we, in de juiste verkeerde omstandigheden, tot zo’n beetje alles in staat. En dat kan ook nog lekker voelen. Billy Heflin, inmiddels een breekbare man in een rolstoel, is daarvan het sprekende voorbeeld. Hij zou best terug willen naar Vietnam, zegt ie. Hij mist het doden.

Terug Met Dutchbat

EO

Bianca van Pel vierde haar 21e verjaardag met de andere ‘blauwhelmen’ van Dutchbat III. Ze waren in Bosnië om vrede en veiligheid te brengen, maar moesten toezien hoe Servische soldaten in juli 1995 ruim achtduizend islamitische mannen vermoordden bij Srebrenica. Haar collega Kevin Tjon-a-Joe wordt dertig jaar later nog altijd regelmatig overvallen door de geur van de dood. Verpleegkundige Harjan Wessels haalde op een gegeven moment zelfs zijn vrouw Joke naar de schuur. Daar rook het naar Srebrenica.

Samen met wondenverzorger Derk Folkers, die destijds ‘een soort deken over mijn gevoel’ heeft gelegd waarmee hij en zijn vrouw Johanneke gedurig hebben geworsteld, en verpleger Jos van der Heijden, die samen met zijn echtgenote Antoinette tekeningen van Bosnische kinderen terug wil geven aan de inmiddels volwassen makers, maken ze een reis naar het voormalige Joegoslavië. Terug Met Dutchbat (93 min.) is de tweedelige weerslag die Jos de Jager maakte van hun tocht naar deze beladen plek, waar de ergste daad van genocide sinds de Tweede Wereldoorlog plaatsvond.

Sinds 2022 organiseert het Nederlandse Veteraneninstituut zulke terugkeerreizen om, onder begeleiding, te verwerken en herstellen. Deze reizen beginnen al een jaar eerder met een voorbereidingsdag. De verwachtingen zijn hooggespannen. ‘Ik ga er wel met het idee heen dat ik er beter vandaan kom’, zegt Bianca, die wordt vergezeld door haar tienerdochter Bo. ‘Het zou wel heel erg tegenvallen als dat niet zo is.’ Eenmaal in Bosnië bezoeken ze de plekken die al zo lang hun leven beheersen, leggen bloemen bij gedenkplaatsen voor gesneuvelde collega’s en spreken Bosnische slachtoffers.

In de hal van de compound waar tijdens de val van Srebrenica duizenden ontheemde en doodsbange vluchtelingen werden opgevangen, hebben ze bijvoorbeeld geladen ontmoetingen met enkele ‘Moeders van Srebrenica’. Terwijl Dutchbat niet bij machte was om in te grijpen, werden de echtgenoten van Munira Subasic, Nura Begovic en Suhra Sinanovic vermoord. ‘Pas goed op onze kinderen’, zei de man van Suhra, toen ze hem op 11 juli 1995 vaarwel moest zeggen. ‘Dat waren zijn laatste woorden’, zegt ze geëmotioneerd tegen de Nederlanders. ‘Alsof hij wist dat hij ons nooit meer zou zien.’

Voor de Dutchbatters werd de volle omvang van het veroorzaakte leed vaak pas ná hun vredesmissie duidelijk. Toen echt indaalde wat er was gebeurd en dat ze in Nederland niet als helden werden onthaald. ‘De oorlog begint wanneer je terug bent’, zegt Kevin en wijst dan naar zijn voorhoofd. ‘Hier!’ De Jager is er getuige van hoe hij en de andere veteranen in Bosnië hun emoties de vrije loop laten en samen met hun geliefden de confrontatie aangaan met het verleden, in de hoop dat ze hun uitzending naar het voormalig Joegoslavië zo kunnen afsluiten en straks iets van bevrijding zullen voelen.

Porcelain War

Picturehouse / Roco Films

‘Oekraïne is net porselein’, zegt Slava Leontyev. ‘Gemakkelijk te breken, maar onmogelijk te vernietigen.’ Samen met zijn geliefde Anya Stasenko is de Oekraïense kunstenaar dagelijks in de weer met porselein. Hij vormt dierfiguurtjes, bakt die in een oven en overhandigt ze daarna aan haar. En zij beschildert die ‘porcelain beasts’ dan, geïnspireerd door al wat leeft in de natuur, met gedetailleerde en kleurrijke taferelen.

De twee uit Kharkiv, zo’n veertig kilometer van de Russische grens, kennen elkaar al van kinds af aan, maar vormen sinds de kunstacademie echt een onafscheidelijk duo. In een andere tijd zou het Oekraïense stel zich ook alleen met hun kunst hebben beziggehouden. Sinds de Russische aanval in het begin van 2022 staat de wereld van Slava, Anya en hun hond Frodo echter helemaal in vuur en vlam.

Slava’s beste vriend, de schilder Andrey Stefanov, is enkele jaren geleden in Kharkiv komen wonen. Nadat de Russen in 2014 het Oekraïense schiereiland De Krim bezetten, zagen Andrey, zijn vrouw Lena en hun tienerdochters Anya en Sonya daar geen toekomst meer. Nu ’t enige tijd later ook in Kharkiv oorlog is, nemen de twee kameraden Slava en Andrey de camera ter hand om hun levens en land te filmen.

Dat beeldmateriaal heeft z’n weg gevonden naar Porcelain War (87 min.), waarmee Slava en zijn coregisseur Brendan Bellomo tonen hoe die oorlog gewone mensen dwingt om de wapens op te nemen. Slava behoort zelf al enkele jaren tot een speciale legereenheid en is nu ook begonnen met het trainen van burgers als militair. Want dat is de realiteit in Oekraïne: Ruslands beroepsleger staat tegenover vrijwilligers.

Slava’s collega’s in de zogenaamde Saigon-eenheid waren ooit melkveehouder, meubelverkoper, aannemer, grafisch ontwerper, wapenmaker of IT’er. Al die gewone Oekraïners, met hun eigen verhaal en achtergrond, zijn nu omgevormd tot een professionele militaire eenheid. En die wordt naar de frontlinie in Bakhmut gestuurd, een soort Armageddon, om daar ‘het kwaad’ een halt toe te roepen.

Deze meermaals bekroonde film, voor het leeuwendeel door de hoofdpersonen zelf gefilmd, toont echter niet alleen de schermutselingen, veelal met drones, aan het front, maar vangt ook hoe Skava en Anya thuis, in hun kapotgeschoten stad, mens en kunstenaar proberen te blijven. De creativiteit en liefde voor elkaar versus de rücksichtslos verstoorde vrede. Met kunst als probaat beschermingsmiddel.

In de porseleinen uilen, honden én slakken van Slava en Anya, geplaatst in de buitenwereld en virtuoos met animaties tot leven gebracht door BluBlu Studios, komen die conflicterende werelden samen. ‘Slakken reizen met hun huis op hun rug’, vertelt Slava. ‘Een vluchteling is net een naaktslak.’ Hij herkent ‘t bij z’n vriend Andrey, die z’n gezin bij de grens heeft afgeleverd. Hopelijk zijn ze elders veilig.

Slava Leontyev ziet ook een andere kant aan die oorlog. ‘Het is gewoon een kwestie van enorm geluk dat ik zulke bijzondere mensen ben tegengekomen in mijn leven’, stelt hij. ‘In zekere zin compenseert dat een deel van de ellende die zich rondom ons voltrekt.’ Anya vult aan: ‘De oorlog heeft me laten zien hoe goed mensen kunnen zijn. Van tevoren had ik alleen in boeken gelezen over mensen die van binnen schitteren.’

Het is de opmerkelijke slotsom van deze gekantelde ‘oorlogsfilm’ over de rol van verbeeldingskracht, zelfexpressie en vriendschap, nog eens kracht bijgezet overigens door de bezwerende soundtrack van het Oekraïense folkkwartet Dakhabrakha, in tijden van strijd, nood en patriotisme. Als uitdrukking van de, ondanks alles, liefde voor het leven en de vrijheid.

Hollywoodgate

Rolling Narratives

Wees gerust, zegt de nieuwe Taliban-commandant Mawlawi Mansour op de voormalige Amerikaanse basis Hollywoodgate (88 min.) in de Afghaanse hoofdstad Kaboel. ‘Als hij snode plannen blijkt te hebben, is ie snel dood.’ Hij bedoelt de man die hen staat te filmen, waarover een ander Talib zich verbaasde. Ibrahim Nash’at maakt een documentaire, legt Mansour uit. ‘Net een film, maar dan met echte mensen’.

De Egyptenaar heeft toestemming gekregen om hen een jaar te filmen. Met gevaar voor eigen leven kan Nash’at zo documenteren hoe de Taliban in augustus 2021 de macht weer overnemen in Afghanistan. Van 1996 tot 2001 hebben ze een waar schrikbewind gevoerd in het land, dat al sinds de jaren zeventig wordt geteisterd door oorlog en waarop na de Russen nu dus ook de Amerikanen zich hebben stukgebeten.

De filmmaker moet zich strikt houden aan de regels die hem door Mansour en zijn manschappen worden opgelegd. De nieuwe machtshebbers weten heel goed wat ze wel en niet willen laten zien. Ibrahim Nash’at realiseert zich terdege dat hij alleen een incompleet en gekleurd beeld van de werkelijkheid kan laten zien – zonder het dagelijks leven en lijden van gewone Afghanen, vrouwen in het bijzonder, bijvoorbeeld.

Tussendoor hoopt hij nochtans de geest van het nieuwe (oude) Afghanistan te kunnen vangen. Een land waar woeste mannen met baarden en tulbanden weer de dienst uitmaken. Veelal laag opgeleide kerels ook – rekenen blijkt bijvoorbeeld moeilijk – die zich verbazen over wat de Amerikanen bij hun vertrek voor hen hebben achtergelaten. Volgens het Pentagon gaat het om ruim zeven miljard dollar aan militaire spullen.

Voor Nash’ats camera inspecteren Mansour en zijn gevolg, waaronder de ambitieuze voetsoldaat Mukhtar, verweesde oorlogsvliegtuigen, proberen ze de uitgebreide sportfaciliteiten uit of checken de houdbaarheidsdatum van de aangetroffen medicijnvoorraad. Intussen speculeren ze voortdurend over het aanpakken van politieke tegenstanders of het starten van een nieuwe oorlog met buurland Tadzjikistan.

Hoewel ze ’t in deze interessante film voornamelijk bij woorden houden, is glashelder wat de aard van dit gezelschap is. En tijdens de even indrukwekkende als angstaanjagende militaire parade, om het eerste jaar van het nieuwe regime luister bij te zetten, tonen ze alsnog het ware gezicht van het nieuwe Afghaanse regime. Dat voorspelt weinig goeds voor de toekomst.

Viktor

Cinephil

De Oekraïense jongeling Viktor (89 min.) wil het leger in. Zijn land verdedigen. En de onuitgesproken belofte aan zijn vader gestand doen. Die is in 2015 overleden en had toen vast niet kunnen vermoeden dat de Russen zeven jaar later aan de grens zouden staan, klaar om hun land binnen te vallen.

Aan de vooravond van die historische gebeurtenis start ook deze zwart-wit film van Olivier Sarbil. Viktor staat buitenspel bij die oorlog. Hij is sinds zijn vijfde doof – oorkanker – en mag daarom, tot zijn verdriet, niet in het leger. ‘Ik spreek tot jullie met een stem, die ik zelf niet kan horen’, zegt hij in de openingsscène, met de aardedonkere ‘inner voice’ waarmee hij/Sarbil de film aanstuurt. ‘De doven worden aan de kant geschoven en raken verloren. Ze verliezen het contact met de horende wereld. Ik wilde een krijger zijn, maar misschien heb ik mezelf voor de gek gehouden.’

Terwijl hij dit ‘zegt’ houdt Viktor een samoeraizwaard vast. Zijn andere houvast. Hij zweert bij Miyamoto Musashi’s boek De Strategie Van De Samoerai. Ondanks zijn imposante gestalde, een gepijnigde blik en donkere baard – die zijn moeder niet te kort mag knippen, anders verliest hij, gelijk Samson, wellicht zijn kracht – oogt hij op zulke momenten als een jongetje. Met een heel irreëel beeld van de oorlog. Sarbil, die zelf gehoorschade heeft opgelopen tijdens z’n werk, valt hem echter niet lastig met moeilijke vragen tijdens zijn pogingen om een plek in het Oekraïense leger te bemachtigen.

Intussen speelt de filmmaker met het geluid en die inwendige stem, die overigens heel anders klinkt dan Viktor zelf. Zodra die een machinegeweer krijgt omgehangen blijkt dat hij een talent heeft voor schieten. Instructeurs kunnen nauwelijks geloven dat Viktor dit nog nooit eerder heeft gedaan. Dat betekent alleen niet dat er ook plek is voor hem in één van de legereenheden. Daarvoor verloopt de communicatie met iemand die niet kan horen toch te stroef. Op momenten dat soldaten aan één woord genoeg moeten hebben, zou Viktor volstrekt aan de Goden zijn overgeleverd.

Deze documentaire is bedoeld als een immersieve ervaring, een poging om te benaderen hoe een jonge, vaderlandslievende en dove man de oorlog in zijn land ervaart. Dat voelt soms enigszins gekunsteld en staat zo nu en dan ook het ervaren van diezelfde oorlog in de weg. Alsof alles minder hard binnenkomt. Secundair. En misschien is dat precies hoe Viktor die oorlog ervaart en waarom hij er zo graag deel van wil uitmaken – al is het dan als fotograaf, de uitweg die hij uiteindelijk vindt om zijn diepgevoelde behoefte en de daaraan opgelegde beperkingen te omzeilen.

‘Stilte is geen leegte’, stelt die innerlijke stem intussen. ‘Er ontbreekt niets. Het is de aanwezigheid van het zelf en niets anders. En in deze stilte vind ik m’n vrede.’

Surviving Black Hawk Down

Netflix

Bij de volvette openingssequentie van Surviving Black Hawk Down (156 min.) is de gedachte onvermijdelijk: dit wordt simpelweg een verdocumenteerde versie van de ronkende Ridley Scott-speelfilm Black Hawk Down (2001), het relaas van enkele Amerikaanse legereenheden die op zondag 3 oktober 1993 in serieuze problemen raken in de Somalische hoofdstad Mogadishu. ‘We’re the good guys’, zegt één van de hoofdpersonen van deze door Scotts bedrijf geproduceerde driedelige docuserie geheel in Hollywood-stijl. ‘We’re America. We wouldn’t be doing it if it wasn’t right.’ Right!

De Amerikanen en hun neergehaalde helikopters zijn in het door een burgeroorlog verscheurde Afrikaanse land om een vredesmissie van de VN te begeleiden en enkele luitenants van de rebellenleider, generaal Mohammed Farrah Aidid, in te rekenen. Een loffelijke missie, toch? Daar denken de Somaliërs in deze productie – cameraman Ahmed ‘Five’, enkele slachtoffers en omstanders, en twee gestaalde strijders – alleen heel anders over. Het feit dat zij ditmaal wél de gelegenheid krijgen om hun kant van het verhaal te doen is in elk geval prettig (en, eerlijk gezegd, ook bittere noodzaak) – al blijft het Amerikaanse perspectief te allen tijde dominant.

Dat wordt nog eens versterkt door de onheilszwangere dramascènes, geregisseerd door Sam Hobkinson, die de gebeurtenissen steeds weer vanuit de Amerikaanse soldaten belicht. En ook de manier waarop de maker van deze miniserie, Jack MacInnes, zijn geïnterviewden framet is veelzeggend. De Amerikanen zitten stuk voor stuk comfortabel in een vertrouwde omgeving recht voor de camera. Terwijl Yasin Dheere, een lid van de Aidid-militie, bijvoorbeeld van schuinonder en met erg veel schaduw in beeld wordt gebracht. De man oogt direct als een archetypische schurk. En dan zegt ie dingen zoals: ‘Als je aan een mans ballen komt, krijg je klappen van zijn handen en voeten.’

De bikkelharde confrontatie tussen de yanks en de Somaliërs zorgt voor huiveringwekkende taferelen in de straten van Mogadishu, waar de reputatie van het Amerikaanse leger een stevige deuk oploopt – ook al zijn er in werkelijkheid aan Amerikaanse zijde uiteindelijk ‘maar’ achttien doden en ruim tachtig gewonden te betreuren. Tegenover driehonderd tot vijfhonderd dode Somaliërs en nog eens zo’n duizend gewonden. Deze typisch Amerikaanse oorlogsdocu erkent dit op zich wel, maar bekrachtigt deze ‘false balance’ met z’n insteek en opzet toch gewoon.

Vietnam: The War That Changed America

Apple TV+

Of er na The Vietnam War, de epische reeks van Ken Burns uit 2017, werkelijk behoefte is aan een nieuwe docuserie over de oorlog die de Verenigde Staten in de jaren zeventig nagenoeg in het stof deed bijten? Op voorhand lijkt het antwoord: nee. Burns heeft tien afleveringen – en in totaal zestien en een half uur – de tijd genomen om ogenschijnlijk elk afzonderlijk aspect van ‘Nam uit te diepen. Van het grotere geopolitieke verhaal tot de kleine menselijke verhalen van Amerikanen en Vietnamezen.

Toch is er nu, een halve eeuw na het einde van die oorlog, Vietnam: The War That Changed America (255 min.). Bescheidener van opzet (zes afleveringen), maar toch nog dik vier uur kijkmateriaal. Met een duidelijke afbakening, dat wel: de mannen en vrouwen aan het front. De Amerikanen, welteverstaan – al komen er, eerlijk is eerlijk, zo nu en dan ook Vietnamezen aan het woord. ‘This is the real story’, declameert verteller Ethan Hawke ferm bij de start van de serie. ‘Told only by those who were there.’

Aan de hand van een aantal goed gekozen hoofdpersonen belicht regisseur Rob Coldstream vervolgens het verloop van de oorlog in Vietnam, terwijl Hawke de verbinding blijft leggen met politieke ontwikkelingen en gebeurtenissen in eigen land. Zo stuurt de miniserie soepel door een verleden, dat nog altijd een schaduw werpt over het heden. Toen ‘Vietnam’ begon kenden veel jonge Amerikanen oorlog alleen van John Wayne-films. Zo’n tien jaar later was een hele generatie getekend door ‘Vietnam’.

Hun persoonlijke verhalen raken en brengen toch ook weer onbekende – of simpelweg vergeten – delen van die oorlog in beeld. C.W. Bowman en Gary Heeter verkenden bijvoorbeeld samen het ondergrondse tunnelstelsel van de Vietcong. De Afro-Amerikaan Melvin Pender, die een eenheid leidde in de Mekong-delta, werd teruggeroepen om deel te nemen aan de Olympische Spelen in Mexico. En Malik Edwards, een andere zwarte Amerikaan, verliet de Mariniers en voegde zich bij de Black Panthers.

Ook in Vietnam zelf dreigde tweespalt. Bill Broyles studeerde in Oxford en leek de dienstplicht te ontlopen, maar meldde zich zelf voor Vietnam. Daar werd hij, als groentje, commandant van een door en door cynische eenheid en dreigde het slachtoffer te worden van ‘fragging’, een doelbewuste poging om een meerdere uit te schakelen. Scott Camil kwam intussen recht tegenover zijn boezemvriend Jim Fife te staan, toen hij na zijn ‘tour of duty’ actief werd voor Vietnam Veterans Against The War.

Deze serie vertelt hun individuele verhalen, maar brengt hen soms ook bij elkaar. Als de ‘brothers in arms’, die ze, wat er destijds ook is gebeurd, altijd blijven. Ook het relaas van Marty Halyburton blijft bijzonder. Toen hun dochtertje vijf dagen oud was, werd haar echtgenoot Porter naar Vietnam uitgezonden. Niet veel later volgde een tragisch bericht: killed in action. In werkelijkheid was Porter gevangen genomen en afgevoerd naar het Hanoi Hilton, waar Amerikaanse krijgsgevangenen vaak jaren vast werden gehouden.

Met die menselijke insteek voegt Vietnam: The War That Changed America toch weer nieuwe dimensies toe aan het verhaal van de oorlog, die al in zoveel boeken, films en series is belicht. Óók als het gaat om gebeurtenissen die allang op ieders netvlies staan gebrand. Huan Nguyen geeft bijvoorbeeld een andere draai aan de wereldberoemde foto van de Vietnamese man die bruut wordt geliquideerd op straat. Hij behoorde tot de Vietcong-eenheid, die Nguyens complete familie uitmoordde toen hij nog maar een jongetje was.

Zijn relaas legt de verraderlijkheid bloot van ‘Vietnam’ en elke andere oorlog. Huan Nguyen zou als volwassene overigens carrière maken in het leger van… de Verenigde Staten. Niet alle Vietnamezen bleven dus achter met haat tegenover ‘Merica. En veel Amerikaanse veteranen keken met tegenstrijdige gevoelens terug op hun tijd in Vietnam. ‘Ik ben niet trots op de oorlog waarin we vochten’, zegt Bill Broyles bijvoorbeeld treffend, ‘maar ik ben trots op de mensen met wie ik heb gediend.’

Marwencol

marwencol.com

In een zelfverzonnen Belgisch dorpje heeft Mark Hogancamp zichzelf teruggevonden. Tijdens een dronken avond op 8 april 2000 werd de 38-jarige Amerikaan door vijf mannen in elkaar geslagen. Hij lag daarna negen dagen in coma en veertig dagen in het ziekenhuis. Zijn zorgverzekeraar was vervolgens niet langer bereid om zijn behandeling te betalen. Hogancamp, die een fikse hersenbeschadiging had opgelopen en bovendien zijn geheugen was kwijtgeraakt, moest z’n eigen boontjes maar gaan doppen.

Met behulp van zijn eigen verbeeldingskracht is de voormalige zuipschuit, die tegenwoordig geen druppel meer drinkt, beland in Marwencol (82 min.), een dorp dat hij in zijn eigen achtertuin heeft gebouwd en laat bewonen door poppen. Hun leven speelt zich af ten tijde van de Tweede Wereldoorlog: stoere G.I. Joe’s, met een verleidelijke Barbie aan hun arm, krijgen ‘t daar geregeld aan de stok met snode SS’ers. In deze zelf gecreëerde wereld kan Mark Hogancamp de liefde beleven of zijn trauma’s verwerken.

Mensen uit zijn directe omgeving in Kingston, New York, kijken er niet meer vreemd van op als ze zichzelf herkennen in een personage, vertellen ze in dit talloze malen bekroonde debuut van documentairemaker Jeff Malmberg (Shangri-La & The Saint Of Second Chances) uit 2010. Hogancamp geeft hen stuk voor stuk een alter ego, zodat hij in dat fictieve dorp in elk geval wordt omringd door vrienden en bekenden. Dan kan hij in het reine komen met zijn verleden en de traumatische avond die hem blijft achtervolgen.

In Marwencol zet de voormalige drinkebroer de werkelijkheid heel nauwgezet naar zijn hand. En met de foto’s die hij van deze geënsceneerde situaties en gebeurtenissen maakt, bouwt Mark Hogancamp zelfs zijn eigen publiek op. In dit delicate portret, rudimentair gefilmd en gemonteerd en met nostalgische muziek aangekleed, registreert Malmberg hoe er zelfs een expositie wordt opgezet. Dit blijkt geen onverdeeld genoegen voor de getroebleerde man, met een verleden dat hij zelf eigenlijk ook liever vergeet.

Deze documentaire toont intussen de kracht van verbeelding. In zijn fantasie kan Hogancamp zijn angsten en frustraties uitleven, dealen met zijn eigen misstappen en zich heel even, in een wereld waarvan hij onmiskenbaar de schepper is, veilig voelen. Dat is een zeer aansprekend idee gebleken. In 2018 heeft regisseur Robert Zemeckis (Back To The Future, Forrest Gump en Who Framed Roger Rabbit?) Marwencol nog gebruikt als uitgangspunt voor een speelfilm met Steve Carrell: Welcome To Marwen.

En Mark Hogancamp heeft er Mark Hogancamp ontdekt: in die dronkenlap – met saillante heimelijke voorkeuren, waarmee hij zijn aanvallers in de kroeg tegen zich in het harnas joeg – bleek zowaar een kunstenaar verborgen te zitten.