Acasă, My Home

Astra Film

Dit verhaal zou zich kunnen afspelen op een onontgonnen stuk wildernis in Zuid-Amerika. Of op een nagenoeg verlaten Indonesisch eiland. Met ontblote bast peddelt een groepje verwilderde jongens in een bootje door het water. Op zoek naar vis, een zwaan achtervolgend. Volledig één met de natuur. Op de achtergrond prijkt alleen een rijtje grauwe flats. De Roemeense hoofdstad Boekarest bevindt zich op nauwelijks een steenworp afstand.

Twintig jaar geleden nam de gypsy Gica Enache, teleurgesteld in de reguliere maatschappij, zijn vrouw Niculina mee naar Vacaresti, een verwaarloosd natuurgebied met meren en wilde dieren vlakbij de stad. Daar voedden ze samen maar liefst negen kinderen op. De pater familias doet denken aan het Viggo Mortensen-personage uit de fraaie speelfilm Captain Fantastic, een vader die zijn kroost in de bossen probeert te behoeden voor de consumptiemaatschappij. Tagline: he prepared them for everything except the outside world.

Zoals ook de vergelijking met de documentaire The Wolfpack, over de zes broers Angulo die van hun dominante vader jarenlang hun New Yorkse appartement nauwelijks mochten verlaten, zich onvermijdelijk aandient bij  Acasă, My Home (86 min.). Zeker omdat ook hier de buitenwereld zich steeds nadrukkelijker meldt in de wereld van de Enaches, in de vorm van ambtenaren die van Vacaresti een beschermd natuurpark willen maken en de kinderbescherming die zich zorgen maakt over het welzijn van de kinderen.

Dat kan niet goed gaan. En dat doet het dus ook niet. ‘Wil je zien hoe ik mezelf in brand steek?’ roept de patriarch theatraal als zo’n groepje bemoeials zich meldt op het vervuilde erf bij zijn hut. ‘Gewoon voor de show.’ Voordat hij, met een peuk in de hand, de daad bij het woord kan voegen, wordt de boel gesust. De Enaches zullen moeten terugkeren naar de maatschappij die ze de rug toe hadden gekeerd. En vader Gica, die kampt met gezondheidsproblemen en mede daardoor de controle verliest, gaat mee. Of hij dat nu wil of niet.

De kinderen worden daar eens goed gewassen, gaan naar de kapper en stromen ook in op school, waar ze lezen, schrijven en rekenen kunnen leren. De domesticatie van de zigeuners, een bevolkingsgroep waarop menige Roemeen neerkijkt, verloopt desondanks niet zonder strubbelingen. In deze fraaie debuutfilm van onderzoeksjournalist Radu Ciorniciuc blijven twee totaal verschillende ideeën over het leven met elkaar botsen. Aarden in de nieuwe wereld gaat dus bepaald niet vanzelf, terwijl terugkeren naar de oude eveneens onmogelijk is.

Het is het centrale dilemma van de familie Enache – en vrijbuiters in het algemeen – dat Ciorniciuc vervat in een beeldende vertelling, waarin vissen en het eten of verkopen daarvan een symbolische lading krijgt. Als manier van in contact blijven met de natuur, als product om in het eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en als activiteit die in de bewoonde wereld alleen op afgesproken plekken geoorloofd is. Het leverde de film diverse filmprijzen op, waaronder de Cinematography Award op het Amerikaanse Sundance Film Festival.

White Cube

Mokum

In zijn controversiële film Episode 3 – Enjoy Poverty uit 2008 spoorde beeldend kunstenaar Renzo Martens arme Afrikanen aan om hun persoonlijke misère te veranderen in een geslaagd verdienmodel. Dat deed de rest van de wereld – van hulporganisaties tot oorlogsfotografen – immers ook. En dus legde de Nederlander, ogenschijnlijk met sardonisch genoegen, bijvoorbeeld uit aan lokale fotografen in Congo hoe ze de ellende om hen heen zo gedetailleerd mogelijk konden vastleggen. Zodat die optimaal effect zou sorteren.

Martens’ nieuwe film White Cube (77 min.) is een logisch vervolg op die ontregelende exercitie, maar minder cynisch getoonzet. Plaats van handeling is een palmolieplantage in Congo, die al ruim een eeuw wordt gerund door de multinational Unilever. De plaatselijke medewerkers verdienen er nauwelijks een dollar per dag, terwijl het Brits-Nederlandse concern wereldwijd enorme omzetten draait. Een deel van dat geld wordt vervolgens, in goede koloniale traditie, ingezet om gerenommeerde musea in het westen te sponsoren. 

Dat kan en moet anders, constateert de steevast in smetteloos wit gestoken Martens, die daardoor oogt als een ouderwetse witte imperialist. Hij richt samen met voormalige werknemers van de plantage de Cercle d’Art des Travailleurs de Plantation Congolaise (CATPC) op, om de lokale economie een serieuze push te geven, Van rivierklei gaan zij beelden boetseren, waarvan vervolgens met 3D-technologie een chocolade replica wordt gemaakt. Wat chocola überhaupt is, moet Martens ze dan nog wel even uitleggen. Beter: hij laat het ze proeven. In een wrange scène verdeelt hij ‘de zoete verleiding’ onder de Afrikanen. Dus dit eten ze in het rijke westen?

De commerciële opzet van de hele onderneming laat onverlet dat die wel degelijk betekenisvol werk oplevert. Het beeld dat een deelneemster maakt van hoe een man in de struiken ruw een vrouw verkracht, gebaseerd op een daadwerkelijke ervaring van de maakster, is even expliciet als pijnlijk. De inspanningen van CATPC vinden ondertussen hun weg naar een New Yorks museum, waar de Afrikaanse kunstwerken met groot enthousiasme worden onthaald. Met het geld dat zo wordt verdiend, kunnen ze thuis een eigen kunstcentrum bouwen, een zogenaamde ‘white cube’, en hun land terugveroveren op de kolonisator.

Die strijd zonder wapens – of het moeten creativiteit en koopmansgeest zijn – maakt dat deze documentaire aaibaarder is dan zijn provocerende voorganger. Enigszins conventioneler ook. Tegelijkertijd stelt Renzo Martens wederom ongemakkelijke vragen, over zijn eigen werkterrein nota bene, die niet zomaar van een sluitend antwoord zijn te voorzien. Als een slager die rücksichtslos in eigen vlees durft te snijden.

Dichterbij

EO

‘Dames, ik ben de dakloze dichter van Amsterdam’, zegt Hilmano van Velzen tegen de twee vrouwen voor wie hij net in een winkelcentrum in Almere vol vuur een gedicht heeft voorgedragen. Hij ziet er opvallend uit: een Surinamer in een schreeuwerige bontjas, met een zwarte capuchon op en behangen met opzichtige kettingen. Hij neemt de complimentjes in ontvangst en schakelt dan door: ‘En ik ben op zoek naar mijn vader. Die heb ik jaren niet gezien.’

Die vader is een steeds terugkerend thema in de gesprekken met de straatpoëet, voor wie de stad een soort huiskamer is geworden. Ze zijn ooit, ergens, gebrouilleerd geraakt en Hilmano kan dat nog altijd niet verkroppen. Samen met zijn vriendin Iris probeert hij Dichterbij (25 min.) de man te komen, die dat contact blijkbaar al een hele tijd afhoudt. En dichter bij de jongen die hij ooit moet zijn geweest.

De dakloze dichter is ook wel een opvallend portret. Al ruim 35 jaar struint hij door zijn stad (‘liever in Mokum zonder poen dan in Parijs met een miljoen’) en brengt hij zijn poëzie aan de man. Een geboren performer, dromend van z’n grote doorbraak. Er staat inmiddels ook een gedichtenbundel op stapel. Binnen drie maanden denkt Hilmano er zeker een miljoen van te kunnen verkopen. Alleen in Nederland, welteverstaan. ‘En dan die hele merchandise erbij!’

Die overmoed staat vast niet helemaal los van de harddrugs die hij, ook voor de camera, gebruikt in deze intrigerende korte film van Caroline Keman. Want soms kan zijn stemming ineens helemaal omslaan, ook in de relatie met Iris. Het maakt van hem ongetwijfeld een moeilijke en onvoorspelbare man, maar ook een fascinerend documentaire-personage. Zo’n man waar je, met een mengeling van plezier, irritatie en compassie, maar naar blijft kijken.

Keman doet dat met een onmiskenbaar gevoel voor sfeer en compositie. Dichterbij wordt daardoor een hallucinante film, die stiekem onder de huid kruipt. Over een man die met veel bravoure paradeert over het slappe koord tussen genie en gekte, waar hij elk moment vanaf kan donderen. ‘Ik heb niet overal antwoorden op, hè?’ zegt hij zelf. ‘Ik weet alleen dat de poëzie op het juiste moment in mijn leven is gekomen en dat het heelt en dat het verzacht. En dat de dromen die ik altijd had niet voor niets zijn geweest.’

Dichterbij is (tussen 20.00 uur en 6.00 uur) hier te bekijken.

Citizens Of Boomtown: The Story Of The Boomtown Rats

Adrian Boot / NTR

Toen Ratten nog Ratjes waren… Boomtown Rats, om precies te zijn. De Ierse band rond zanger Bob Geldof, die ook de drijvende kracht zou worden achter het grootste benefietconcert aller tijden Live Aid, is onlangs aan een tweede leven begonnen in het nostalgiecircuit – al zijn de bandleden zelf er natuurlijk van overtuigd dat ze nog eens ouderwets gaan pieken. De popdocu Citizens Of Boomtown: The Story Of The Boomtown Rats (60 min.) vormt een perfecte bijsluiter voor die reünie.

Regisseur Billy McGrath is te werk gegaan volgens het welbekende procédé voor dit soort muziekfilms: verzamel alles wat je kunt vinden over een band (concerten, videoclips, tv-optredens, oude interviews en de knipselmap). Laat de groepsleden los van elkaar helemaal leeglopen over die goeie ouwe tijd. En kader hun herinneringen netjes in met een afgewogen mix van pophoncho’s, ‘deskundigen’ en collega’s (ditmaal: Bono, Sting en een gesluierde Sinead O’Connor).

Succes verzekerd: een hele generatie kan zijn eigen jonge jaren herbeleven, anderen mogen zich vergapen aan ‘de jeugd van toentertijd’. En er komen altijd weer smakelijke anekdotes bovendrijven. Zoals dat verhaal over de duizend dode ratten die de platenmaatschappij naar Amerikaanse radiostations stuurde om de single Lookin’ After Number One te promoten. Geen deejay wilde zijn vingers daarna nog branden aan dat nummer.

Na een schietincident op een basisschool in San Diego kwam er een nieuwe kans voor The Boomtown Rats. De zestienjarige Brenda Spencer had begin 1979 het vuur geopend op een groep schoolkinderen en -medewerkers. Haar verklaring daarvoor inspireerde Bob Geldof tot een heuse popklassieker: I Don’t Like Mondays. Ook dat nummer zou echter nooit een hit worden in de Verenigde Staten, het land waar school shootings nog steeds aan de orde van de dag zijn.

Zo visten The Rats steeds nét achter het net en raakten ze daarna, als echte seventiesband, ook nog eens verzeild in de jaren tachtig, waarin het doek dus wel móest vallen. Al met al levert dat een heel aardig tijdsbeeld op. Best vermakelijk ook. Maar tegelijkertijd tamelijk dertien in een dozijn. Net als – vloek in de kerk-waarschuwing! – The Boomtown Rats zelf.

I Don’t Like Mondays heeft zijn plek in de pophistorie natuurlijk verdiend, maar al die andere hitjes doen het toch vooral goed op fanclubavonden en – natuurlijk – reünieconcerten. En Bob Geldof zal vooral herinnerd worden vanwege zijn jarenlange inspanningen voor al die hongerige Afrikaanse kinderen…

Born Into Brothels: Calcutta’s Red Light Kids

Wat komt er terecht van een kind dat opgroeit in de rosse buurt van de Indiase metropool Calcutta? De Britse fotografe Zana Briski, die in Sonagachi is gaan wonen om de aldaar werkzame prostituees te fotograferen, begint zich het lot van hun kroost aan te trekken. Ze deelt cameraatjes uit en stimuleert hen om hun eigen leefwereld vast te gaan leggen. Al snel brengen de kinderen mensen en plekken in beeld, die voor buitenstaanders doorgaans goed verborgen blijven. En laten ze ook steeds meer van zichzelf zien.

Born Into Brothels: Calcutta’s Red Light Kids (83 min.), bekroond met een Oscar en talloze andere filmprijzen, geeft een bezielde impressie van het leven van deze opgroeiende jongens en meisjes in een omgeving, waar ruzie, drugsgebruik en geweld aan de orde van de dag zijn. De documentaire uit 2004 laat tevens zien hoe Briski, als een typische westerse weldoener, de levens van de kinderen probeert op te vrolijken met uitstapjes naar het strand en de dierentuin. En altijd gaan de cameraatjes weer mee.

Intussen doet Zana Briski, die deze film heeft geregisseerd met Ross Kauffman, serieuze pogingen om hen echt van een betere toekomst te verzekeren. Dat is nog geen sinecure. De meeste meisjes zijn bijvoorbeeld voorbestemd om ook in ‘het vak’ te belanden. Neem het uiterst aaibare meiske Kochi. Haar moeder kon niet voor haar zorgen. En haar vader stond op het punt om haar te verkopen. Alleen oma trekt zich haar lot aan. Welke kans heeft zo’n meisje om aan Sonagachi te ontsnappen?

Én: je kunt het kind wel uit het ‘red light district’ halen, maar haal je het ‘red light district’ daarmee ook uit het kind? Welke school accepteert überhaupt kinderen met zo’n achtergrond? Hoeveel goede intenties er ook schuilgaan achter deze film, en het bijbehorende project Kids With Cameras, het blijft de vraag of je als relatieve buitenstaander daadwerkelijk de levensloop van deze kinderen kunt bijsturen. Het lijkt onvermijdelijk dat in elk geval enkele meisjes die werden geboren in een bordeel daar ook ooit zal sterven.

Er is niet al te veel bekend over hoe het na de documentaire verder ging met de kinderen. In dit artikel van The Times Of India uit 2009 komen Preeti en Abhijit aan het woord. Ze zijn heel verschillend terecht gekomen.

Leve De Vrouw Van De SRV

BNNVARA

Probeer haar maar eens níet in je hart te sluiten. Met dat (grote) hart op de tong, het eeuwige shaggie in de mond en die onmiskenbaar Tilburgse tongval. Tonny Steenis, voormalig probleemgeval. Dwars. Agressief. Tokkie. Ooit was ze zelfs dakloos. En probeerde ze naar binnen te rijden bij het politiebureau.

Met ‘Tonneke’s rijdende winkel’ heeft ze zichzelf opnieuw uitgevonden (‘ik ga nooit meer naar de soos’) en is ze zowaar een sociale functie gaan vervullen in de wijken die ze met haar wagen aandoet. Ze maakt her en der een praatje, biedt een luisterend oor en matst vaste klanten die even op zwart zaad zitten.

Tonny heeft zelf eigenlijk ook geen cent te makken. Heel veel levert die wagen niet op. Ze heeft er ook flinke schulden voor moeten maken. En vriend Kees, met wie ze oeverloos kan bekvechten, maakt haar zo nu en dan horendol. Soms komt de stoom bijna letterlijk uit haar oren en ziet zelfs deze doorgewinterde doordouwer het niet meer zitten.

Toch is Leve De Vrouw Van De SRV (originele titel: Laatste Der Mohikanen, 47 min.) op de één of andere manier een optimistische film. De documentaire, waarmee Max Ploeg afstudeerde aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, toont een vrouw die zich niet laat ontmoedigen door de klappen die het leven aan haar heeft uitgedeeld.

Ploeg dringt via zijn cultheld in de dop tevens diep door in een volksbuurt, waar allerlei kwetsbare mensen het hoofd boven water moeten zien te houden. Hij kijkt onbevooroordeeld met Tonny mee, begeleidt haar lotgevallen met een lekker lome jazzsoundtrack – en dus niet met Nederlandstalige schlagers – en tilt de film zo moeiteloos uit boven de gemiddelde docusoap over een probleemwijk.

Tonneke blijft intussen, soms tegen beter weten in, stug rondrijden. ‘Totdat we erbij neervallen.’

The Trade – Season 2

Showtime

In 2015 bracht Matthew Heineman in Cartel Land op een meeslepende manier de bloedige drugsoorlog in beeld, die in Mexico en het grensgebied met de Verenigde Staten wordt uitgevochten. Die geweld(dad)ige film kreeg drie jaar later een onofficieel vervolg met de vijfdelige documentaireserie The Trade, waarin de Amerikaanse filmmaker alle hoeken en gaten van de Amerikaanse Opioid Crisis belichtte: van de Mexicaanse drugsdons en federale agenten die daar poppyvelden laten platbranden tot de gewone dealers en gebruikers in de Verenigde Staten en de politieagenten die fanatiek op hen jagen.

En nu is er seizoen 2 van The Trade (200 min.), waarin Heineman het spoor verlegt van de handel in drugs naar de handel in mensen: vluchtelingen, illegale immigratie, smokkel, slavernij, seksuele uitbuiting en Amerikanen zonder geldige verblijfsvergunning. De documentairemaker richt zich in deze vierdelige reeks op enkele hoofdpersonen, die elk een deel van de problematiek representeren, en observeert hen terwijl ze hun eigen kleine rolletje spelen in het drama dat zich in Midden- en Noord-Amerika voltrekt. Van zulke gewone mensen maakt hij memorabele personages.

Een vrouw uit Honduras die na de moord op haar echtgenoot, een voormalig bendelid van het beruchte MS-13, met haar dochtertje aanhaakt bij de vluchtelingenkaravaan naar de Verenigde Staten. Texaanse rechtshandhavers die de wacht houden bij de grens met Mexico. Een mensenrechtenactivist die strijdt tegen vrouwenhandel en seksueel misbruik. Mensen die al decennia illegaal in de Verenigde Staten verblijven en nu, met achterlating van hun partner en kinderen, dreigen te worden uitgezet. En een vrouw, een beetje een fremdkörper in deze vertelling, die getuigt tegen de leider van een invloedrijke Mexicaanse kerkgemeente, die stelselmatig kinderen zou hebben misbruikt.

Ook in dit tweede seizoen van The Trade, hoewel wellicht wat minder overweldigend dan z’n voorganger, legt Matthew Heineman met oog voor detail, de menselijke natuur en het grotere geheel een welhaast duivels systeem bloot, waarin gewone mensen helemaal vast kunnen komen te zitten en het beste/slechtste uit zichzelf naar boven halen.

Carmen Meets Borat

‘Ik ben Borat’, zegt het gelijknamige typetje van de Britse komiek Sacha Baron Cohen tot grote hilariteit van de verzamelde dorpsbewoners in het gemeenschapshuis van het Roemeense zigeunerdorp Glod. Ze kijken welwillend toe hoe hij op het krakkemikkige televisietje door hun eigen dorp loopt: ‘Dit is mijn land Kazachstan.’ De opmerking leidt tot commotie in het zaaltje. ‘Kazachstan? Dat is geen Kazachstan. Eikels!’

‘Kijk, Oana is op tv!’ constateren ze niettemin gierend, als Borat ‘Orkin, de dorpsverkrachter’ heeft voorgesteld. Niet veel later introduceert hij ene Muktar Sahanov ‘de dorpsmecanicien en -aborteur’. Langzaam maar zeker begint het de dorpsbewoners te dagen: die Amerikaanse filmcrew heeft hen voor de gek gehouden. Ze kwamen helemaal geen documentaire opnemen. ‘Borat heeft ons helemaal verkeerd gefilmd! Hij zet het hele dorp voor lul.’

Roemeense cameraploegen die vervolgens verhaal komen halen in Glod krijgen de wind van voren. Ook de Nederlandse filmmaakster Mercedes Stalenhoef en haar crew, die al een hele tijd filmen in het dorp, kunnen op weerwerk rekenen. Uiteindelijk wil ‘aborteur’ Spiri het nog wel één keer uitleggen: ‘Ze stonden daar te filmen en vroegen of ik vonken wou maken’, zegt hij, terwijl hij met een laskap op staat te lassen en verdwijnt in zijn eigen rookwolk. ‘Ze zeggen dat ik gynaecoloog ben en dat ik abortussen doe.’

Het bezoek van Borat – en de dolkomische afwikkeling daarvan – heeft ook Stalenhoef overvallen. Zij was wel degelijk een documentaire aan het maken over het desolate leven van de Roemeense zigeuners, waar de drank nogal eens in de man en de wijsheid dus in de kan is. In dat kader volgde ze Spiri’s zeventienjarige kleindochter Ionela – zelf geeft ze de voorkeur aan de naam Carmen – die Glod nog liever vandaag dan morgen zou verlaten. Zij droomt van een bestaan in het Spanje, dat ze kent van soapseries.

Wat waarschijnlijk een stemmig portret van een ongedurige tiener in een stuk achtergesteld Europa had moeten worden, is in 2008 uitgemond in Carmen Meets Borat (60 min.), een heerlijke tragikomische film waarin niet alleen de bespotte ‘Glodiatoren’ een slaatje proberen te slaan uit het bezoek van Borat. Intussen zit Carmen nog altijd vast in dat godvergeten dorp, waar ze allang een echtgenoot in spe had moeten strikken.

Carmen Meets Borat is hier te bekijken.

Terug Naar De Akbarstraat

NTR

‘Als dit hele wijkje in Marokko zou wonen, dan zou het niet zo’n vuile troep op straat zijn’, constateerde Felix Rottenberg in 2002 provocerend in de driedelige docu De Akbarstraat. Heeft hij de bewoners van de Kolenkitbuurt in Amsterdam-West destijds tekort gedaan met zulke boude stellingen? Rottenberg gaat het zelf vragen in de wijk, die in 2007 nog tot dé probleembuurt van Nederland werd uitgeroepen. In het genuanceerde tweeluik Terug Naar De Akbarstraat (120 min.), geregisseerd door Gülsah Dogan.

Inmiddels wordt er flink gesloopt en gebouwd in de wijk die ooit was bedoeld als een ‘walhalla voor Hollandse arbeiders’. Toen Rottenberg enkele tientallen jaren later langskwam bleek die wensdroom echter allang dood en begraven en was de Kolenkitbuurt een toevluchtsoord geworden voor wat hij zelf omschrijft als ‘de nieuwe armen’: gastarbeiders. In de voorgaande jaren was bovendien, onder invloed van politici als Bolkestein en Fortuyn, het Nederlandse integratiedebat flink verhard en werd er zelfs gesproken over een multicultureel drama.

‘Er is hier in deze buurt absoluut geen sprake van integratie’, constateerde André Hammersma, die toentertijd een fotozaak runde in de Kolenkitbuurt. ‘Er is geen allochtoon lid van een klaverjasvereniging, om maar iets te noemen.’ Een ongelukkig voorbeeld, vindt de pensionado nu, maar hij maakt zich nog altijd zorgen over het gebrek aan contact tussen de verschillende bevolkingsgroepen in de wijk. Wijkbewoner en cultureel antropoloog Sinan Cankaya is dan weer van mening dat problemen die zich nu eenmaal altijd voordoen in een verpauperde wijk véél te gemakkelijk worden toegeschreven aan de komst van allochtonen.

De bewoners van de Kolenkitbuurt vinden elkaar in elk geval niet altijd even gemakkelijk, ontdekt Rottenberg. Ook nu er betere huizen zijn gebouwd. De pogingen om de plaatselijke zwarte school te ‘witten’ verlopen bijvoorbeeld niet zonder strubbelingen. Toch heeft Terug naar de Akbarstraat onmiskenbaar een optimistische ondertoon. In diezelfde buurt is bijvoorbeeld eveneens een empowerment-training voor wijkbewoners te vinden. En de lokale boksschool van ome Jan en tante Hennie is inmiddels overgenomen door een wijkbewoner die er in 2002 als allochtone tiener werd opgevangen.

De manier waarop Rottenberg met de wijkbewoners in gesprek gaat – gewoon van mens tot mens, zonder de verplichte kritische vragen in de achterzak of juist een hele lading meel in de mond – en de manier waarop Dogan die ontmoetingen aankleedt – met intieme scènes en uiterst sfeervolle muziek – resulteert in mooie televisie: afgewogen, gevoelig en aanzettend tot nadenken. Zo, ver weg van de politieke discussies die nogal eens over de hoofden van de bewoners van probleemwijken worden uitgevochten, kun je dus óók kijken naar de multiculturele samenleving.

Terug Naar De Akbartstraat is hier te bekijken.

De Kracht Van De Kringloopwinkel

VPRO

Upcyclen, het geven van nieuw leven aan oude spullen, is het centrale thema van de nieuwe vijfdelige serie De Kracht Van De kringloopwinkel van Frank Wiering, het vervolg op Het Succes Van De Kringloopwinkel uit 2017. En de kringloopwinkels doen natuurlijk ook aan het upcyclen van mensen. Binnen de veilige context van de Kringloop hervinden ze zichzelf en elkaar.

Het is daarom zeker geen toeval dat ook de nieuwe serie rond Kerstmis wordt uitgezonden. De kracht van de kringloopwinkel appelleert aan een idee van naastenliefde, dat in de donkere dagen van het jaar menigeen in zijn greep krijgt. Met terloopse gesprekjes met medewerkers en bezoekers probeert Wiering dat idee te pakken te krijgen.

Zo ontmoet hij in Kringloopcentrum Amersfoort bijvoorbeeld de Amerikaanse Sally, die met haar eigen team De Eksters textiel omwerkt tot designtassen. En die mogen ze op Koningsdag aanbieden aan de Koninklijke Familie. Tenminste, als die besluit om halt te houden bij hun kraam. En de leden van het Koninklijk huis toeroepen, dat mag natuurlijk niet…

Via de mensen die voor zijn camera verschijnen brengt Frank Wiering, die het geheel met voice-overs aan elkaar praat en verluchtigt met golden oldies die zo uit de platenbakken van de Kringloop zijn geplukt, de achterkant van de participatiesamenleving in beeld: Nederlanders die ooit over de rand vielen of dreigden te vallen en in een beschutte omgeving aan een nieuw leven zijn begonnen.

Honeyland

Te mooi om waar te zijn. De weelderige wereld van Hatidze Muratova doet bijna onwerkelijk aan. Samen met haar ziekelijke moeder Nazife woont ze in een afgelegen stenen huisje in het bergachtige Noord-Macedonië. De tijd lijkt er, zoals ze dat dan zeggen, helemaal stil te hebben gestaan. Hatidze beoefent een oud ambacht: ze is de laatste vrouwelijke honingjager van Europa. Onbevreesd treedt ze, vrijwel zonder bescherming, haar wilde bijen tegemoet, die zich op de gekste plekken in de idyllische omgeving schuilhouden. De honing die ze zo bemachtigt verkoopt de verweerde vrouw op de markt, enkele uren lopen verderop.

Hatidze en haar hoogbejaarde moeder leiden een klein en eenvoudig leven in het verlaten bergdorp. Armoedig zelfs. Zonder stromend water en elektriciteit, maar met elkaar. Het is er rustig. Vredig. Totdat met heel veel kabaal een nieuw buurgezin arriveert – de gebeurtenis die deze bijzondere vertelling in gang zet. Uit hun gammele caravan springen maar liefst zeven overactieve kinderen, die aan elke vorm van rust rigoureus een einde maken. Deze Turkse familie van Jan Steen brengt daarnaast een kudde koeien mee, die zich ook weinig gelegen laat liggen aan de (gemoeds)rust van de twee buurvrouwen.

Met de nieuwe buren dient zich behalve sociaal contact ook de vooruitgang aan in Honeyland (85 min.). Want de nieuwe buurman denkt dat er met honingbijen wel een aardige boterham valt te verdienen. Hij ontwikkelt zich al snel tot een soort bijdetijdse concurrent voor Hatidze, die het bovendien een stuk minder nauw neemt met het welzijn van de bijen. Het leven van moeder en dochter Muratova wordt daardoor volledig door elkaar geschud. Kunnen zij hun traditionele manier van leven volhouden? En hoe lang heeft Nazife, die steeds nadrukkelijker met haar gezondheid begint te kampen, überhaupt nog te leven? ‘Ik ga niet dood’, grapt ze tegen Hatidze vanaf haar ziekbed. ‘Ik probeer gewoon jouw leven te verpesten.’

Drie jaar lang filmden Tamara Kotevska en Ljubomir Stefanov de Muratova’s voor dit hartverwarmende, grappige en ontroerende portret, dat bijna te mooi is om waar te zijn. In een wantrouwende bui zou je de makers ervan kunnen verdenken dat ze de waarheid een handje hebben geholpen. Soms, als je maar voldoende geduld hebt, vallen alle dingen echter zomaar op hun plek en ontstaat er zoiets als een perfect verhaal. Honeyland, niet voor niets al talloze malen in de prijzen gevallen, komt daar verbazingwekkend dichtbij.

Scheme Birds

‘Locked up’ of ‘knocked up’? Dat is doorgaans waarop het uitdraait voor de jongeren uit de Schotse industriestad Motherwell, die worden geportretteerd in de coming of age-docu Scheme Birds (86 min.). Sinds de Britse premier Margaret Thatcher de plaatselijke staalindustrie de nek omdraaide – zo zien ze dat tenminste ter plaatse – is er nauwelijks meer perspectief voor de lokale jeugd.

Neem de tiener Gemma Gillon, de hoofdpersoon van deze fijne film van Ellen Fiske en Ellinor Hallin. Véél meer dan haar net iets te stoere vriendje, de vechtersbaas Pat, lijkt ze niet te hebben. Haar moeder, die is weggezonken in haar eigen drugsverslaving, heeft ze nauwelijks gekend en hoeft ze – zegt ze zelf – ook nooit meer te zien. En vader is eveneens buiten beeld. Alleen ‘papa’ is gebleven, haar opa die een boksschool runt, waar soms ook duivententoonstellingen worden gehouden.

Zuipen, blowen en tattoos zetten, héél veel meer doen het tienermeisje en haar wild feestende vrienden niet. En ruzie maken, veel en heftig. Met de mond, hun vuisten en alles wat er toevallig voorhanden is. De gevolgen zijn soms ronduit verpletterend. En ook in Gemma’s kleine leventje dient zich een wezenlijke verandering aan. Die zet alles he-le-maal op zijn kop. De losbol zal moeten opgroeien. Of ze nu dat nu wil en kan of niet.

De Zweedse filmmakers Fiske en Hallin observeren het ontwortelde meisje en haar vrienden van héél dichtbij. Scheme Birds, straf gemonteerd en aangezet met dikke alternatieve popmuziek, sluit gevoelsmatig perfect aan bij het kitchen sink realism van sociaal bewogen filmers als Ken Loach. Alleen is het verhaal van Gemma écht echt. Zij is geen speelfilmpersonage, maar een jonge vrouw die zich moet losmaken van alles wat ze was om te worden wie ze wil zijn. Als een duif uit papa’s boksschool.

Ze Noemen Me Baboe

Cinema Delicatessen

‘Ba’ betekent juffrouw, ‘boe’ moeder. Ze noemen haar dus Baboe. Juffrouwmoeder. Oftewel: kindermeisje. Haar echte naam doet er niet toe. Het is zelfs maar de vraag of de ‘Belandas’ die kennen: Alima. Op de vlucht voor een gearrangeerd huwelijk is de Javaanse vrouw bij het Nederlandse gezin beland. Niet veel later zit ze zelfs met hen op de boot naar Holland. ‘Baboe’ draagt voortaan zorg voor de aandoenlijke peuter Jantje.

Eenmaal terug in Nederlands Indië worden zij en haar bijna-familie eerst geconfronteerd met de Japanse bezetting en daarna met de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, die voor Alima een heel persoonlijke dimensie krijgt via de onweerstaanbare revolutionair Riboet. Het is een tijd waarin haar loyaliteiten, en die van vele andere lokale gezinshulpen, danig op de proef worden gesteld.

Het kindermeisje doet in Ze Noemen Me Baboe (78 min.) zelf haar verhaal. Althans, regisseur Sandra Beerends heeft op basis van getuigenissen van (kinderen en kleinkinderen van) voormalige baboes en Nederlandse kinderen die een baboe hadden een poëtische voice-over tekst geschreven. Vanuit het perspectief van een fictief kindermeisje, Alima dus, dat zich richt tot haar jong gestorven moeder.

De filmmaakster heeft dit persoonlijke relaas – van een gewone vrouw die op een scharnierpunt in de Nederlandse koloniale historie belandt – verbeeld met een vloeiende combinatie van privé-video’s en (nooit eerder vertoond) beeldmateriaal uit Nederlandse en Indonesische archieven. Een subtiel geluidsdecor en zorgvuldig samengestelde soundtrack kleuren de zwart-wit beelden verder in.

Met deze absolute tour de force brengt Beerends zo op een klein en menselijk niveau, via de empowerment van een kindermeisje, een pregnant stuk Nederlandse historie tot leven.

De Schuldmachine

Willem Los / BNNVARA

‘Ik had eerst 4.000 en waarschijnlijk nu zelfs minder’, zegt het ene meisje tegen het andere. Die bekent: ‘Ik zit wel op 13.000 euro of zo.’ Zomaar een gesprek in Amsterdam-Zuidoost tussen twee jongeren met een uitstaande schuld. Één op de vijf Nederlandse jongeren zou inmiddels met problematische schulden kampen. In De Schuldmachine (58 min.) volgt Camiel Zwart enkele van hen. Zij worden begeleid door een vrijwilligersinitiatief dat kiest voor een heel persoonlijke aanpak, onder de noemer ONSbank.

Cliënt Mirelva belt in aanwezigheid van financieel adviseur Willem Los, die in het dagelijks leven werkt bij Delta Lloyd, bijvoorbeeld de belastingdienst om zicht te krijgen op de schuld die ze daar heeft opgebouwd. De jonge vrouw, werkzaam in de kinderopvang, kijkt alsof ze elk moment door een bliksemschicht kan worden getroffen als de man aan de andere kant van de lijn de schade opmaakt. Die valt niet mee: 37.648 euro, inclusief eventuele dwangbevelen. Samen met Los en de ONSbank moet Mirelva een weg uit haar benarde situatie zien te vinden.

Willem Los en zijn medestanders krijgen van doen met bijzonder complexe problematiek die niet met eenvoudige interventies is te verhelpen. Waarbij de schuld van deze jongeren meestal bepaald niet op zichzelf staat en de Nederlandse schuldenindustrie, die bovenop de nominale schuld vaak (exorbitante) kosten en rente zet, de situatie alleen maar lijkt te verergeren. De jongeren zelf, met wie je soms echt krijgt te doen, zien door de bomen allang het bos niet meer.

En dan is er nog dat woud van regels. Mag je een kind, als ze meerderjarig wordt, bijvoorbeeld opzadelen met rekeningen die haar ouders nooit hebben betaald? Of een moeder ervoor verantwoordelijk stellen dat de kinderopvang waar haar kinderen werden opgevangen failliet is gegaan? Het zijn zulke vragen die de bevlogen medewerkers van ONSbank in dit boeiende inkijkje in de schuldhulpverlening moeten zien te tackelen. Teneinde hun cliënten de broodnodige ‘schuldrust‘ te bezorgen.

We Zien Ons

Allerzielen in Lindenheuvel / Human

We zien ons. Als in: tot de volgende keer. En: we houden elkaar in het oog. Een treffende titel voor deze zesdelige documentaireserie van Deborah van Dam. Het eroderen van sociale verbanden, en stiekem de kop opstekende eenzaamheid, vormt de onderlegger voor dit portret van de Geleense volkswijk Lindenheuvel. De mijn is gesloten, de kerk loopt leeg en de harmonie heeft een ledentekort. Het is een decor dat je met documentairemaker Hans Heijnen associeert. Hij maakte al diverse fraaie films over Limburg, zoals Bewakers Van Bemelen en Bokken En Geiten.

We Zien Ons (210 min.) volgt eerder het spoor van de succesvolle miniseries Schuldig (over verborgen armoede in een Amsterdamse wijk) en Stuk (over hoe patiënten in een revalidatiecentrum omgaan met het lot dat hen is toebedeeld): het wel en wee van enkele sleutelfiguren uit een kleine gemeenschap moet een grotere thematiek inzichtelijk maken. Die krijgt ditmaal vaste gezichten zoals een voormalige mijnwerker (die kortademig mijmert over zijn koempels), het typische buurtmeisje Alyza (dat de wijk wil verlaten voor een droombaan in het buitenland), de voetbaltrainer (die een surrogaatfamilie heeft gevonden bij de club), meneer pastoor (voor wie elke parochiaan er tegenwoordig één is) en de uitbaatster van de lokale kroeg (die als een moederkloek over de wijk waakt).

Een alwetende verteller voorziet hun lotgevallen van kleur en context. Het is de beschermheilige Sint Barbara, waarvoor schrijfster/dramaturge Katja Schoondergang de voice-over tekst verzorgde. De keuze om een dominante stem met een eigen signatuur toe te voegen aan de alledaagse beslommeringen van gewone mensen – die ook de makers van Schuldig (waarbij Schoondergang eveneens betrokken was) en Stuk (waarin regisseur Jurjen Blick een literaire toon zocht en vond) al maakten – voelt hier wat gekunsteld. Ook omdat deze Sint Barbara toch echt Algemeen Beschaafd Nederlands spreekt. Het plaatst haar op afstand van de gebeurtenissen (maar wellicht was dat ook de bedoeling: de blik van een buitenstaander op een hechte gemeenschap). Insider Hans Heijnen zou vast op zoek zijn gegaan naar een Limburgse stem.

’Ik denk dat ik in Lindenheuvel wil blijven’, zegt de jongeling Ayoub met onvervalst Limburgse tongval tegen Alyza, die op het punt staat om definitief naar Griekenland te verkassen. ‘Stel dat ik ooit ga verhuizen, dan naar een andere straat.’ Als kind van een mijnwerker is Ayoub geboren en getogen in Lindenheuvel, maar voor sommigen blijft hij gewoon een Marokkaan. Zo verhaalt We Zien Ons (tagline: over achterblijvers en doorzetters) niet alleen over een verdwijnende manier van leven, maar ook over nieuwe verbanden en veranderende verhoudingen. En net als de kerk heeft de lokale moskee te kampen met een afnemend aantal praktiserende gelovigen.

Het zijn kleine menselijke verhalen, fraai gefilmd en aangekleed met weelderige muziek, die Van Dam hier opdist: over de manier waarop mensen in tijden van verandering toch een oogje op elkaar proberen te houden. Anders wacht, zo lijkt de impliciete boodschap, de eenzaamheid van het beeldscherm. Het niveau van Schuldig en Stuk haalt We Zien Ons vooralsnog niet in de eerste twee afleveringen die ik heb gezien – ook omdat publiekslievelingen zoals Dennis van de Dierenwinkel of Daan Buringa lijken te ontbreken – maar de serie geeft treffend een menselijk gezicht aan een gecompliceerd maatschappelijk thema.

Lots Of Kids, A Monkey And A Castle

VPRO

Als jonge vrouw wilde ze een hele zwik kinderen, een aap en een kasteel, zo wil de familielegende. Al Julita’s dromen kwamen uit, maar niet helemaal op de manier die ze in gedachten had gehad. Haar volwassen zoons en dochters stellen nu impertinente vragen over het verleden, die aap bleek uiteindelijk onhandelbaar en dat droomkasteel werd een ongelooflijk rommeltje en onbetaalbaar bovendien. En nu wil haar echtgenoot de excentrieke Julita ook al niet meer aanraken. Hij trouwde ooit een meisje van 53 kilo, zegt Antonio fijntjes. Tegenwoordig is hij getrouwd met een vrouw die bijna dubbel zoveel weegt.

In Lots Of Kids, A Monkey And A Castle (86 min.) richt de Spaanse acteur Gustavo Salmerón z’n camera op zijn praatzieke moeder. Hij filmt en bevraagt haar in huiselijke kring, een onvervalst huishouden van Juan Piedra dat helemaal, he-le-maal, dichtgegroeid is met spullen. Door de financiële crisis dreigen Julita en haar man Antonio bovendien bankroet te gaan en wordt de vraag actueel hoe dit gigantische hoardershuis in godsnaam kan/moet worden ontruimd? En, een vraag die steeds terugkeert: waar zijn eigenlijk de botten gebleven van Julita’s grootmoeder, die werd geëxecuteerd tijdens de Spaanse burgeroorlog?

Veertien jaar lang maakte Gustavo opnames voor deze film waarvan zijn moeder in eerste instantie dacht dat die alleen voor de eigen familie zou worden. Wie zat er immers op haar verhaal te wachten? En zou dat dan niet goed gefilmd en gemonteerd moeten worden? Een gelikte, strak gestructureerde documentaire zou de plank in dit geval echter behoorlijk mis hebben geslagen. Bij Julita en haar rommelige entourage past een charmante warboel van een film. En die doet in de verte wel wat doet denken aan Grey Gardens, een documentaireklassieker over de buitenissige moeder en dochter Beale, die zich begin jaren zeventig hadden verschanst in een vervallen en vervuild landhuis.

Terwijl haar kinderen beginnen op te ruimen, leegt Julita in Lots Of Kids, A Monkey And A Castle vooral haar overvolle hart, waarvan waarschijnlijk nog nooit een moordkuil is gemaakt. Het is een vermakelijk tafereel, met een melancholieke ondertoon. Van een uitbundig leven dat ten volle is geleefd, maar nu toch echt zijn einde nadert.

Everything Must Fall

‘Each generation must, out of relative obscurity, discover its mission, fulfil or betray it.’ Met dit citaat van Frantz Fanon als leidmotief belicht Everything Must Fall (58 min.) de Zuid-Afrikaanse studentenbeweging, die in 2015 van zich laat horen als de University Of The Witwatersrand in Johannesburg het collegegeld alweer met ruim tien procent verhoogt. Op een moment dat een deel van de zwarte studenten al is aangewezen op de voedselbank. Studeren dreigt opnieuw echt iets te worden voor de (witte) elite. Als tegenreactie ontstaat een vreedzaam protest onder de noemer Fees Must Fall.

Wat begint als een studentenactie die zich al snel verspreidt over het hele land, mondt echter uit in een opgeheven vuist voor een hele wirwar aan sociale issues: vrouwenrechten, inkomensongelijkheid, LGBT, anti-Apartheid, de outsourcing van banen en dekolonisatie en… (en dan ben ik er vast nog een paar vergeten). It’s the sixties all over again, zogezegd. Als de universiteit vervolgens besluit om de zwaarbewapende oproerpolitie in te schakelen, wordt de campus het strijdtoneel voor een gewelddadige confrontatie. Een onschuldige Maagdenhuis-achtige bezetting escaleert zo razendsnel tot een soort Zuid-Afrikaanse variant op het Kent State-bloedbad.

Met enkele prominente studentenleiders en vertegenwoordigers van het universiteitsbestuur neemt regisseur Rehad Desai de gebeurtenissen door die in het gehele land voor schermutselingen zorgen en alle betrokkenen dwingen om voor zichzelf de vraag te beantwoorden of het doel de middelen nog heiligt. Hoe heilzaam is de voortgang van het collegejaar nu werkelijk als de universiteit en zijn studenten daardoor lijnrecht tegenover elkaar komen te staan? En wat zijn die collegegeldconcessies waard als ze betaald moeten worden met bloed? In zulke verhitte omstandigheden blijkt het bovendien, zo toont deze degelijke film, bepaald geen sinecure om de neuzen dezelfde kant op te houden.

The Disciples – Een Straatopera

Een Amerikaanse documentaire over het maken van een opera met daklozen laat zich vooraf eenvoudig uittekenen: een uit het (hún) leven gegrepen verhaal. Gespeeld en gezongen door acteurs die eerst uit hun schulp moeten kruipen, daarna regelmatig hardhandig bij de les of tot de orde worden geroepen en uiteindelijk, als eigenlijk niemand het meer verwacht, zichzelf volledig ontstijgen. Met als bonus aan het eind, terwijl het ovationele slotapplaus wegsterft: het onvermijdelijke zelfrespect.

The Disciples: Een Straatopera (90 min.) is niet die film. Het is een documentaire over het maken van een voorstelling die speciaal voor de documentaire wordt gemaakt. Een voorstelling van Ramón Gieling, die is vervat in een documentaire van, juist, Ramón Gieling. Over het Droste-effect gesproken. Het is dan ook een weerbarstige film, met een hoofdrol voor de dramatisch getoonzette muziek van componist Boudewijn Tarenskeen. Een film ook, waarin fictie en non-fictie voortdurend worden verweven. Zodat je je als kijker afvraagt: wat is waar? Of had waar kunnen zijn?

‘De dakloze is een icoon van de onrechtvaardige samenleving’, vertelde Ramón Gieling onlangs aan De Filmkrant, over zijn samenwerking met het dak- en thuislozenkoor De Straatklinkers. ‘Ik voel me aangetrokken tot de levens van verloren zielen die de contradicties van het menselijk bestaan verbeelden.’ Hij modelleerde de film volgens eigen zeggen naar Los Olvidados, een speelfilm over een Mexicaanse jeugdbende van Louis Bunuel uit 1950, maar ook het levensverhaal van Jezus Christus en zijn apostelen is (natuurlijk) nooit ver weg.

Gieling volgt het repetitieproces en de uitvoering van de voorstelling en lardeert dit zo nu en dan met een fragment uit de beschadigde levens van de voornaamste spelers. De melodramatische opera zelf beslaat het leeuwendeel van de film. Daar moet je zin in hebben: grootse composities, vol overgave (maar niet per definitie zuiver of oorstrelend) ingezongen. In een Engels dat voor distantie zorgt en tegelijk, door het overduidelijk Nederlandse karakter van de uitvoering ervan, diepmenselijk maakt. Het is een film die tegen de haren instrijkt. Die je hogelijk fascineert – of die je echt moet uitzitten.

Bruce Lee & The Outlaw

EO

The Lost Boys’ lopen stuk voor stuk met hun eigen kleine zakje Aurolac rond. Nicu, een mager joch met aandoenlijke flaporen, en de andere straatkinderen van Boekarest sluiten het zakje dwangmatig rond hun mond en laten zich bedwelmen door de goedkope lak. Om het leven dat ze lijden te ontvluchten.

De jongens hebben zich gegroepeerd rond het station én de oudere jongere ‘Bruce Lee’, die ook wel de koning van de ondergrondse tunnels wordt genoemd. Hij gebruikt de Aurolac niet alleen om te inhaleren, maar spuit zichzelf ook regelmatig helemaal zilverkleurig. Daardoor is hij al tweemaal in coma geraakt.

Bruce bekommert zich als een oudere broer om de jongens, die geen familie of thuis hebben. ‘Ik ben een gewoon kind’, zegt Nicu daarover. ‘Alleen hielp God me niet omdat hij het te druk had met andere kinderen.’ Hij is ondervoed geraakt, heeft HIV en tuberculose opgelopen en belandt in het ziekenhuis. De ‘engel’ Raluca, een betrokken vrouw met een eigen opvang, probeert zich over Nicu te ontfermen.

Fotograaf Joost Vandebrug, die eerder al het boek Cinci Lei over de zogenaamde Lost Boys maakte, heeft Nicu, Bruce en de andere jongens sinds 2011 gefilmd. Het resultaat, Bruce Lee & The Outlaw (59 min.) is een (g)rauwe film geworden over overleven in een harde en koude wereld, de stad onder de stad. Een wereld ook, die té vertrouwd kan worden.

Zo wordt pijnlijk duidelijk als de ontheemde Nicu zich voorneemt om voortaan van ‘de zak’ af te blijven…

Lost Boys, 5 Jaar Later

EO

Het ene probleem veroorzaakt het andere, dat weer een nieuw probleem oplevert. De situatie van Demo is als een Gordiaanse knoop, die nauwelijks meer valt te ontwarren. Wie hakt hem door? Het begon ooit met gewapende overvallen. Of eerder: met een jeugd, die verder onbesproken blijft. Daarna volgde in elk geval een detentie, voorwaardelijke invrijheidstelling en strubbelingen met de reclassering.

De bokkige jongen, die zijn criminele verleden van zich af probeerde te schudden en begon aan een HBO-opleiding, was in 2011 de blikvanger van de documentaire Lost Boys: Bloods Forever van Margit Balogh (die nog altijd is te zien op de 2doc-website, net als een nabrander van vier jaar later). In die tijd was Demo lid van The Bloods, een Rotterdamse pendant van de beruchte Amerikaanse jeugdbende. Zijn vrienden Mr. T, Smockey en Lil-G hielden zich nog altijd bezig met drugs, geweld en criminaliteit.

In het vervolg Lost Boys, 5 Jaar Later (55 min.) fungeert Jeansen ‘Demo’ Djaoen als enige hoofdpersoon. Hij heeft de bendekleuren, in de vorm van rode bandana’s en shirts, afgelegd en werkt tegenwoordig als reporter/marketingmedewerker van de publieke radiozender Funx. Ogenschijnlijk moeiteloos houdt hij zich staande te midden van politici en collega-journalisten. Met Mijn Eerste Overval, een hoorspel over zijn criminele verleden, wordt hij zelfs genomineerd voor de prestigieuze NTR Radioprijs.

Zijn verleden blijft hem echter achtervolgen. Demo’s torenhoge schulden worden, ondanks aflossingen, door boetes en heffingen alleen maar hoger. En vanwege zijn strafblad komt hij niet in aanmerking voor schuldsanering. Dat is het centrale thema van deze tweede Lost Boys-film, een aangrijpend portret van een bijna-dertiger die blijft betalen voor oude fouten (al blijft wel schimmig waarvoor dan precies) en ervoor moet waken dat hij niet voor gemakkelijke oplossingen valt.

Tegelijkertijd is het (vrijwel geheel) ontbreken van de andere gangleden van The Bloods in deze film wel een gemis. Demo vormt ondanks zijn financiële malheur, die door Balogh zéér uitgebreid in beeld wordt gebracht, de uitzondering op de regel. Hoe zou het de meer stereotiepe bendejongens Mr. T, Smockey en Lil-G zijn vergaan? Die vraag blijft grotendeels onbeantwoord.