Ella Fitzgerald: Just One Of Those Things

‘Ooit zal ik beroemd zijn’, zei Ella Fitzgerald (1917-1996) tegen een schoolvriendin. En omdat ze dat inderdaad werd, als gevierd jazzzangeres, heeft de uitspraak nu zijn weg gevonden naar het portret Ella Fitzgerald: Just One Of Those Things (71 min.). Dat succes lag niet voor de hand, zo wordt ook meteen duidelijk: Ella groeide op in armoede, kreeg dagelijks te maken met racisme en verloor op haar dertiende haar moeder. Vanuit een heropvoedingsgesticht, waar ze te boek stond als ‘onhandelbaar’, zou ze toch nog uitgroeien tot een icoon van de Amerikaanse muziek.

Deze gedegen documentaire van Leslie Woodhead loopt met Ella’s zoon Ray, haar muzikanten en enkele biografen consciëntieus door Fitzgeralds leven en carrière. Collega’s en navolgers als Tony Bennett, Smokey Robinson en Jamie Cullum doen ook nog een duit in het zakje. In de film is verder lekker veel ruimte voor concertbeelden van de geboren zangeres. Ella kon met haar stem improviseren als de allerbeste bebopper. Als ze dat niet gewoon zelf was.

Dat betekende niet dat ze ook overal welkom was. In het gesegregeerde Amerika kon een zwarte zangeres toentertijd echt nog niet overal optreden. Soms moest Marilyn Monroe er zelfs aan te pas komen om ervoor te zorgen dat Ella haar natuurlijke habitat, het podium, mocht betreden. Uiteindelijk voelde ze toch de noodzaak om zich daarover in het openbaar uit te spreken. ‘Zouden ze mijn platen nu kapotmaken?’ voegde ze er, met de nodige zelfspot, tijdens het interview aan toe. 

Zover zou ‘t – vanwege bot geluk, of toch stomme pech? – nooit komen. Ella Fitzgerald kon gewoon tot het eind doorgaan met wat ze altijd had gedaan: zó gemakkelijk zingen, puur op talent, dat iedereen binnen de kortste keren helemaal overstag ging.

Paolo Conte: Via Con Me (It’s Wonderful)

Piece Of Magic

Dit is één grote lofzang. Op de Italiaanse bromsnor Paolo Conte. De man achter wereldwijde hits als Via Con Me, Gli Impermeabili en Max. Hij schrijft nu al ruim zestig jaar liedjes. Sinds de jaren zeventig vertolkt hij ze ook zelf. Met die sonore stem, gezeten achter een vleugel en meestal in de rug gedekt door een excellerend orkest. Conte zingt dan zoals hij eruit ziet: een gesoigneerde heer, oorspronkelijk advocaat van beroep, mijmerend of somberend over het leven.

Via talloze concertfragmenten krijgt hij in de hagiografie Paolo Conte: Via Con Me (It’s Wonderful) (100 min.) ook alle ruimte om te zingen. Tussendoor is Conte, pratend over z’n songs en carrière, zijn eigen peinzende zelf. En geeft regisseur Giorgio Verdelli allerlei Italiaanse vakbroeders en coryfeeën zoals Isabella Rossellini, Jane Birkin en Roberto Benignini de gelegenheid om al hun persoonlijke herinneringen aan hem op te dissen en een diepe greep te doen in de grabbelton met superlatieven die ze speciaal voor de gelegenheid hadden klaargezet.

In het geval van de komiek Benignini (La Vita E Bella) mondt dit uit in cabaretachtige minivoorstellingen, waarvan een enkele kijker wellicht in een permanente lachstuip zal schieten en de rest waarschijnlijk diepgevoelde wurgneigingen krijgt. De andere sprekers vliegen weliswaar minder karikaturaal uit de bocht, maar hebben in wezen dezelfde boodschap: Paolo Conte is een soort godswonder en zij voelen zich gezegend dat ze, al was het maar voor heel even, in zijn aanwezigheid mochten vertoeven.

Een mens zou van minder ongemakkelijk worden. Ruim anderhalf uur verder heeft de argeloze kijker bovendien – ondanks de overvloed aan anekdotisch bewijs – nog altijd weinig grip gekregen op het fenomeen Paolo Conto. Al zou het zomaar kunnen dat hij/zij daarna wél één van de langspelers van de charismatische jazzbrommer uit het Noord-Italiaanse stadje Asti voor de dag haalt. Want deze zoete en lange ode aan de man en zijn muziek maakt ondanks al z’n beperkingen toch een succesvol pleidooi voor zijn melancholieke oeuvre.

Aznavour, Le Regard De Charles

Piece Of Magic

Via wat hij zag, krijgen we hem te zien. Charles Aznavour (1924-2018), chansonnier, acteur én amateurfilmer. Een paar maanden voor zijn dood leidde hij regisseur Marc di Domenico binnen in zijn heilige der heiligen: een geheime kamer, bezaaid met filmrollen. Aznavour had die hoogstpersoonlijk volgeschoten met de 16mm-camera, die hij in 1948 kreeg van zangeres Edith Piaf. De zanger zou er tot 1982 zijn leven mee filmen, met een bijzonder oog voor de wereld om hem heen én voor vrouwelijk schoon.

Het (zelf)portret Aznavour, Le Regard De Charles (75 min.) is vrijwel volledig opgebouwd uit deze privébeelden: Charles op de filmset van de anti-oorlogsfilm Un Taxi Pur Toubrouk, Charles en zijn toenmalige geliefde op een zeilboot en Charles omringd door handtekeningenjagers in een Chinese trein. Maar vooral zien we wat hij zag: vanaf het moment dat de ruim twintig jaar jongere Zweedse schone Ulla in zijn leven komt, domineert zij bijvoorbeeld een tijd lang elk frame. En verder: de plekken die hij aandeed en de mensen die hij daarbij ontmoette

Intussen vertelt hij zelf, in voice-overteksten die zijn gebaseerd op interviews en notities van Aznavour en ingesproken door acteur Romain Duris, zijn levensverhaal: telg van een familie die de Armeense genocide ontvluchtte, als zanger onder de hoede genomen door Edith Piaf, doorgebroken in het verre Amerika, comfortabel levend in de internationale jetset en toch altijd verlangend naar dat ene land dat Zij, Armeniërs van de diaspora, moesten verlaten. Want je kan een man wel van zijn geboortegrond halen, maar daarmee haal je die grond nog niet uit de man.

Gekende evergreens als La Bohème, Formidable en She begeleiden Aznavours videodagboek, dat de kijker een intieme blik gunt in zijn gedachtewereld en zielenleven. Aan het eind van de film richt hij zich rechtstreeks tot z’n publiek: ‘Ik heb deze beelden nooit teruggezien. Maar ik wist dat u ze ooit zou zien. Vandaag bent u erbij, meekijkend over mijn schouders. Er is geen scheiding meer, geen lijn meer tussen ons. Onze blikken smelten samen.’

Summer Of Soul (…Or, When The Revolution Could Not Be Televised)

Voor hetzelfde geld waren niet Joe Cockers ongecontroleerde bewegingen tijdens With A Little Help From My Friends, de sarcastische anti-Vietnam slogan ‘Whoopee!, we’re all gonna die!’ van Country Joe MacDonald of Jimi Hendrix’ heerlijke aanval op The Star Spangled Banner tijdens Woodstock de popgeschiedenisboeken ingegaan, maar de weerslag van dat andere gratis festival in de zomer van 1969: het Harlem Cultural Festival in New York.

De tapes daarvan bleven echter een halve eeuw in de één of andere kelder liggen. En dus drongen de dampende performance van Nina Simone, Stevie Wonders drumsolo en het indrukwekkende eerbetoon van Jesse Jackson, Mahalia Jackson en Mavis Staples aan de net daarvoor vermoorde Martin Luther King nooit door tot het collectieve geheugen. Want, ja, alle artiesten waren zwart. En vrijwel alle 300.000 festivalgangers ook. Net als The Black Panthers, die de beveiliging verzorgden.

De prachtige festivalfilm Summer Of Soul (…Or, When The Revolution Could Not Be Televised) (117 min.) brengt een tijd tot leven, waarin een nieuw zwart bewustzijn opgeld deed, dat zich niet had laten knakken door de moorden op King, Malcolm X en de gebroeders Kennedy. Het debuut van Ahmir ‘Questlove’ Thompson, drummer van de befaamde hiphopgroep The Roots, ruimt natuurlijk veel tijd in voor optredens, maar plaatst die voortdurend binnen zijn historische, maatschappelijke en culturele context.

Met festivalgangers, artiesten die optraden in het Mount Morris Park te Harlem (Stevie Wonder, Marilyn McCoo en Billy Davis van The 5th Edition en Gladys Knight) en Afro-Amerikaanse boegbeelden zoals Jesse Jackson, Al Sharpton en Chris Rock bekijkt Questlove het fraaie beeldmateriaal dat filmmaker Hal Tulchin destijds maakte van deze glorieuze viering van de zwarte cultuur, waarin behalve voor muziek – soul, gospel, funk en jazz – ook aandacht is voor comedy en dans.

Het zijn echter vooral de vurige optredens, vastgelegd in prachtige kleuren en heerlijk klinkend, die ‘t hem doen: B.B. King, David Ruffin, Edwin Hawkins Singers, Hugh Masekela én Sly & The Family Stone. En die laatste act glorieerde toevallig ook op dat andere festival, zo’n 150 kilometer verderop, dat de historie zou ingaan als de ultieme hippiehappening. Summer Of Soul verdient eigenlijk een soortgelijke status. Als ultieme uitdrukking van het ‘Black Is Beautiful’-gevoel van de burgerrechtenbeweging. Black Woodstock, inderdaad.

Long Hot Summers – The Story Of The Style Council

The Jam is dood, lang leve The Style Council. Toen zanger en songschrijver Paul Weller begin jaren tachtig klaar was met de melodieuze punkband die hem enkele jaren daarvoor had gebombardeerd tot belangrijke vaandeldrager van de Britse muziek, was hij klaar voor een meer volwassen benadering. Op het drielandenpunt tussen pop, soul en jazz. Dat was even slikken voor de fans die hem na klassiekers als Town Called Malice en Going Underground in de armen hadden gesloten.

En toch – de goede verstaander voelt hem al aankomen; waarom zouden ze anders een kleine 35 jaar later een documentaire maken over de band? – kwam het nog goed met The Style Council. Met zichtbaar plezier blikken Weller en zijn voormalige bandmaten in Long Hot Summers – The Story Of The Style Council (74 min.) op de tropenjaren die zouden volgen. Het gezoek in de beginperiode, alle verplichte pieken en dalen en het einde van de band dat zich te langen leste onvermijdelijk aandient.

Zulke popdocu’s staan of vallen met de houdbaarheid van de muziek (lekkere hits en clips genoeg), de hoeveelheid smeuïge anekdotes (ruim voldoende; zo noemt Weller de liefdadigheidssingle van Band Aid, waaraan hij met zichtbare tegenzin meewerkte, bijvoorbeeld ‘vreselijk’) en de kwaliteit van de opgevoerde celebrities die de loftrompet over de groep mogen steken (behoorlijk: Culture Club-zanger Boy George, acteur Martin Freeman en singer-songwriter Billy Bragg).

Waarbij moet worden aangetekend dat The Style Council veel politieker was dan de soepele sound deed vermoeden en dat daarvoor vanzelfsprekend ook plek is ingeruimd in dit bandportret van Lee Cogswell. Dat is uiteindelijk een vermakelijke film geworden over een groep die tot de blikvangers van de eighties mag worden gerekend. Totdat de rek er echt uit was en het tijd werd voor: The Style Council is dood, leve Paul Weller!

Long Hot Summers – The Story Of The Style Council is hier te bekijken.

Song Of Lahore

Hun muziek en de bijbehorende cultuur dreigden verloren te gaan. Nadat Pakistan in de jaren zeventig een streng islamitische staat was geworden, kwam de traditionele Song Of Lahore (82 min.) in het verdomhoekje terecht. Het was muziek die van generatie op generatie was doorgegeven en die na een glorieperiode, waarin de orkesten voor regeringsleiders optraden en soundtracks maakten voor films, ineens gedoemd leek om een kwijnend bestaan te leiden.

Tótdat Izzat Majid besloot om te starten met Sachal Studios, een plek waar de traditie van de voormalige culturele hoofdstad van Pakistan levend wordt gehouden en doorgegeven aan een nieuwe generatie. ‘Het is niet míjn werk wat ik doe in Sachal’, zegt muzikaal leider Nijat Ali, die heeft moeten aanzien hoe zijn vader, de vermaarde dirigent/arrangeur Riaz Hoessain, bij zijn dood zonder al te veel ceremonieel uitgeleide is gedaan. ‘Ik vervul de plicht aan mijn vader. Dat is een enorme verantwoordelijkheid. En soms vraag ik me af of ik die kan dragen.’

Tegelijkertijd staan de muzikanten van het Sachal Jazz Ensemble ook open voor ontwikkelingen van buitenaf. Zo ontstaat in deze ontwapenende documentaire van Andy Schocken en Sharmeen Obaid-Chinoy uit 2015 bijvoorbeeld een geheel eigen interpretatie van de jazz-evergreen Take Five van het Dave Brubeck Quartet. Die wordt wereldwijd opgepikt en leidt tot een uitnodiging voor Jazz at Lincoln Center in New York. Nijat Ali: ‘Als God het wil, kunnen we daar laten zien dat Pakistanen artiesten zijn en niet alleen terroristen.’

Aan de andere kant van de wereld blijkt het alleen bepaald geen sinecure om traditionele instrumenten als sitar, fluit en tabla te laten samensmelten met een Amerikaanse jazzband. In de aanloop naar het concert lopen de spanningen behoorlijk op bij de Pakistaanse muzikanten, die buiten hun vertrouwde omgeving regelmatig ogen als vissen op het droge. Tegelijkertijd kunnen ze in de Verenigde Staten, als alles toch nog goed uitpakt, wellicht de waardering oogsten die in eigen land uitblijft.

En dan blijkt dat muziek daadwerkelijk barrières kan slechten.

Billie

‘Ik wil weten waarom alle zangeressen op een gegeven moment kapotgaan’, zegt de befaamde crooner Tony Bennett tegen Billie Holiday’s biograaf Linda Lipnack Kuehl. ‘Zodra ze de top bereiken, gebeurt er iets tragisch. Ik wil weten hoe dat komt.’ Voordat ze haar allesomvattende boek kon uitbrengen over de Amerikaanse jazzlegende, die in 1959 op slechts 44-jarige leeftijd overleed, was de journaliste zelf dood. Lipnack Kuehl, een vertegenwoordiger van de witte middenklasse die ogenschijnlijk niets gemeen had met haar protagonist, stierf op 38-jarige leeftijd in 1978.

De audiocassettes van de gesprekken die de biografe over Holiday voerde met mensen als John Hammond, Bennie Goodman en Count Basie en delen van haar onuitgebrachte manuscript, vormen nu het fundament onder Billie (98 min.) van regisseur James Erskine. Een gloedvol portret van de getormenteerde ‘zwarte zangeres’, die carrière moest zien te maken in een volledig gesegregeerde Verenigde Staten. Soms mocht Holiday niet eens gebruik maken van het toilet in de tent die ze dezelfde avond helemaal in vervoering zou zingen. En terwijl haar witte bandleden na een drukke dag uit mochten rusten in een hotelkamer, probeerde zij de slaap te vatten in de groepsbus of een geparkeerde auto.

Billie Holiday (echte naam: Eleonara Fagan) zou haar grootste hit, de wrange protestsong Strange Fruit, wijden aan dat continue onrecht. Daarmee werd ze een icoon van haar tijd én een geliefd doelwit voor gezagsdragers, die een zwarte vrouw zoals zij maar al te graag een toontje lager lieten zingen. Nu gaf ze die lieden ook wel alle gelegenheid om haar te attaqueren met ongebreideld drugsgebruik, een voorliefde voor foute mannen en promiscuïteit. Holiday zong zoals ze was, zou de enigszins gemakzuchtige conclusie kunnen luiden. Maar waarom wás ze dan zo? Erskine slaagt in dit ge(s)laagde portret, via de interviews die Linda Lipnack Kuehl afnam en slim gebruik van fraaie archiefbeelden, om een geloofwaardig antwoord te formuleren. En tussen de bedrijven door wordt ook die gestorven biograaf niet over het hoofd gezien.

‘Waarom lijkt het alsof zoveel jazzgrootheden al op jonge leeftijd overlijden?’ wilde een interviewer eens weten van Billie Holiday. Die antwoordde: ‘Ik kan die vraag alleen beantwoorden met: we proberen honderd dagen in één dag te leven.’ Zo bezien is ze toch nog behoorlijk oud geworden.

Ara Malikian, Una Vida Entre Las Cuerdas

In zijn instrument weerklinkt het lot van zijn volk. Ruim honderd jaar na dato speelt de Armeense genocide van 1915, waarbij zo’n anderhalf miljoen mensen zijn omgebracht, nog altijd een dominante rol in het leven van violist Ara Malikian. Zijn grootvader Krikor ontsnapte toen als vijftienjarige jongen aan een gruwelijk lot. Hij deed zich voor als violist en ontvluchtte met een orkest het land dat we tegenwoordig kennen als Turkije. ‘s Mans nazaten zouden in Libanon terechtkomen, een land dat vrijwel permanent in oorlog was verwikkeld.

Toen Ara als muzikant veelvuldig begon te reizen, merkte de Armeense Libanees – of Libanese Armeen – pas wat die identiteit losmaakte. ‘Wat zit er in die koffer: een viool of een Kalasjnikov?’, vroegen ze hem bij een grens of op het vliegveld. Hij oogt tegenwoordig, met zijn ruwe baard, weelderige haardos en tatoeages, ook eerder als een lid van de Armeens-Amerikaanse metalband System Of A Down dan als een meesterviolist. Of beter: als een soort ‘Jimi Hendrix van de viool’, een bijnaam die zijn collega Warren Ellis eens ten deel viel.

In Ara Malikian, Una Vida Entre Las Cuerdas (89 min.) vertelt de goedlachse muzikant, ondersteund door vrienden en collega’s, zijn levensverhaal en kijkt hij terug op zijn carrière die hem langs allerlei verschillende muzieksoorten – van vioolpop, gipsy en klezmer tot jazz, flamenco en tango – heeft gebracht. Regisseur Nata Moreno vervat dat in fraaie montages van concertbeelden uit heden en verleden, die illustreren hoe Malikian zich uit het korset van de klassieke muziek heeft gewrongen en nu als een muzikale nomade op zijn eigen voorwaarden de wereld rondreist. Als een echte performer, in directe interactie met zijn publiek.

Hij is niet gericht op het bereiken van perfectie, maar op het delen van de ervaring. Dat komt ook tot uiting in de gedragen slotscène van deze gesmeerd lopende (auto)biografie, waarin Ara Malikian als een vioolvorst door zijn publiek schrijdt terwijl hij Aria de Bach vertolkt. ‘Uit de slechtste omstandigheden kun je goud halen’, constateert hij tot besluit. ‘Als je het wilt, kun je het.’

What Happened, Miss Simone?

In die ene quote van Maya Angelou, waarmee dit portret van zangeres/pianiste Nina Simone (1933-1976) wordt afgetrapt, is de complete thematiek van de film vervat. ‘Miss Simone, je wordt geadoreerd, geliefd zelfs, door miljoenen’, constateert de Afro-Amerikaanse schrijfster. But What Happened, Miss Simone? (102 min.).

Dat er iets mis is gegaan wordt meteen tastbaar in de ongemakkelijke openingsscène: als Nina Simone, voor het eerst in jaren, het podium betreedt tijdens het Montreux Jazz Festival van 1976 en bijna een minuut, met een rare mengeling van vervreemding en onbegrip, naar haar publiek staart. Alsof ze niet kan vatten wat ze is geworden. En dat ze dit weer moet doen. Nadat Simone haar gehoor heeft verteld dat ze eigenlijk had besloten om niet meer op jazzfestivals op te treden, begint ze eindelijk te spelen.

‘Mensen denken dat ze Nina Simone werd als ze het podium beklom’, stelt haar dochter Lisa Simone Kelly in deze aangrijpende documentaire van Liz Garbus uit 2015. ‘Maar mijn moeder was 24 uur per dag Nina Simone. En dat werd een probleem.’ De vrouw die was geboren als Eunice Waymon werd van binnenuit opgegeten, zoals één van haar vrienden, muzikanten, jazzkenners en burgerrechtenactivisten het uitdrukt in dit postume portret. Op een gegeven moment had ze volgens eigen zeggen pillen nodig om te kunnen slapen. En weer andere pillen om het podium op te kunnen.

Simone had ook nogal wat op haar bord: ze zat vast in een explosieve relatie met haar man(ager) en investeerde tegelijk zoveel in de burgerrechtenbeweging dat haar carrière eronder begon te lijden. ‘Mijn vader klaagde dat ze nooit ophield met haar mening verkondigen’, vertelt Lisa Simone Kelly. ‘Maar dit is wie ze was. Dat was prima op het podium. Dan laat je je gaan. En als de show afgelopen was, moest de aap zogezegd terug naar zijn kooi, een banaan eten en zich gedragen. Het was alsof ze werd gestraft omdat ze zichzelf was. En dat is een heel kwetsend en eenzaam gevoel.’

De zwartheid van Nina Simone’s ziel klonk door in haar donkere stem, waarmee ze menigeen recht in zijn ziel raakte. Totdat ze begin jaren zeventig plotseling alles en iedereen achter zich liet en de wijk nam naar het buitenland, een periode waarin ze overigens ook nog enkele jaren in Nederland woonde. Van de vrouw die My Baby Just Cares For Me, Don’t Let Me Be Misunderstood en Ain’t Go No, I Got Life tot onbetwiste klassiekers had gemaakt, leek weinig meer over. Een verward mens, op de vlucht voor zichzelf.

Toen begon wel duidelijk te worden met welke demon ze al die tijd had moeten vechten. En kon ze zich, op de valreep, toch nog opmaken voor de derde akte die ook deze film verdient. Voordat het doek definitief valt en alleen de herinnering nog rest.

Jimmy Carter: Rock & Roll President

Hij verliet het Witte Huis in 1980 met de staart tussen de benen, om plaats te maken voor zijn absolute tegenpool Ronald Reagan. Sinds die tijd heeft Jimmy Carter zich echter volledig gerehabiliteerd: als toponderhandelaar bij internationale conflicten. Als onvermoeibare motivator voor allerlei goede doelen, waarbij hij ook nooit schroomde om zelf de handen uit de mouwen te steken. En nu, inmiddels dik in de negentig, als pleitbezorger van dat ene ongeëvenaarde bindmiddel: muziek.

Jimmy Carter: Rock & Roll President (96 min.), juist. Hij, de vertegenwoordiger van het racistische ‘old south’, werd halverwege de jaren zeventig een representant van het nieuwe Zuiden, waar zwart en wit als gelijken samenleefden en alle Amerikaanse muzikale genres hun plek hadden. Van Bob Dylan, The Allman Brothers en Johnny Cash tot James Brown, Charlie Mingus en Aretha Franklin.

Deze fijne documentaire van Mary Wharton zet de schijnwerper op de politieke carrière van de pindaboer uit Plains, Georgia, maar benadert die vanuit zijn liefde voor muziek. Daarbij komen Jimmy zelf, zijn zoon Chip en insiders als Andrew Young en Madeleine Albright aan het woord, maar is er vooral ook ruimte voor muzikale cracks als Bob Dylan, Willie Nelson, Gregg Allman, Trisha Yearwood, Garth Brooks, Nile Rodgers, Rosanne Cash, Jimmy Buffett en Bono, die ongegeneerd (en oprecht) de loftrompet laten schallen over ‘good ol’ Jimmy’.

Zoals later ook Bill Clinton en Barack Obama cultuur een prominente plek zouden geven tijdens hun ambtstermijn, werd Carters Witte Huis een thuis voor muzikanten, waar Gregg Allman en Cher op zijn allereerste werkdag als president kwamen eten, zijn eigen zoon pot rookte met Willie Nelson en de president zelf zich liet verleiden om Salt Peanuts te zingen met Dizzy Gillespie.

Zijn presidentschap mag dan worden beschouwd als niet volledig geslaagd – of totaal mislukt, als je critici moet geloven. Met elk nieuw levensjaar begint de man meer te ogen als een witte raaf in de zwartgeblakerde (inter)nationale politiek. Een nederig mens bovendien, dat zijn leven volledig in het teken heeft gesteld van een betere wereld. Die attitude bezorgde Jimmy Carter in 2002 de Nobelprijs voor de Vrede, een gelegenheid waarbij zijn dierbare vriend Willie Nelson het onvermijdelijke Georgia On My Mind kwam zingen.

Zappa

Piece Of Magic

In het huis dat hij ooit bewoonde is in een aparte vleugel zijn complete oeuvre opgeslagen. De weerslag van bijna 53 jaar Frank Zappa. Méér dan een mensenleven eigenlijk kan bevatten. Regisseur Alex Winter kreeg voor deze definitieve biografie toegang tot het persoonlijke archief van de muzikant, provocateur en ‘experimentalist’ Zappa (129 min.), die in 1993 na een veelbewogen leven en carrière zijn laatste adem uitblies.

De dwarse Amerikaan was een genre op zich, wars van gebaande paden en de mainstream. Creatief, gedreven en bijzonder eigenzinnig. Nooit tevreden ook. De muziek die hij maakte klonk nooit zo mooi als hij hem in zijn hoofd had gehoord, volgens zijn voormalige gitarist Steve Vai. De componist Zappa leed echt onder de beperkingen – in geld, middelen of de capaciteiten van zijn muzikanten – die hem werden opgelegd. Vai kan er wel om lachen: ‘Sorry, Frank!’

In deze lijvige documentaire is het vooral Zappa zelf, die het woord voert. Hij wordt bijgevallen door echtgenote Gail, zijn vaste illustrator Bruce Bickford en leden van zijn begeleidingsband The Mothers Of Invention. Zoals het bij leven en welzijn ook meestal ging. Frank zette de toon. Een welbespraakte vrijdenker, met uitgesproken opinies, veel dadendrang en niet al te veel oog voor zijn directe omgeving. Zelfs voor zijn eigen gezin.

Treffend is in dat verband de anekdote rond de ontstaansgeschiedenis van het nummer Valley Girl. De aanleiding was een briefje dat zijn dochter Moon, om wie hij zich slechts beperkt bekommerde, onder de deur naar zijn studio doorschoof: ‘Daddy, hi! I’m 13 years old. My name is Moon. Up until now I have been trying to stay out of your way while you record. However, I have come to the conclusion that I would love to sing on your album, if you would like to put up with me.’ En zo geschiedde. Het zou Zappa’s enige hit worden.

Hij was verder niet van de aaibare muziek. Geen aaibare man ook. Een eenzaat. De vleesgeworden contramine. Met die karakteristieke snor en sik, spottende lach en altijd een sigaret in de hand. Totdat de tijd hem inhaalde, in de vorm van die K-ziekte. Deze weelderig aangeklede film, waarvoor zijn archief liefdevol is geplunderd, getuigt van ‘s mans onbedwingbare drang om te scheppen.

Ramses: Où Est Mon Prince

Met een hoed op en een nonchalant pak aan arriveert hij op het Amsterdamse stadhuis. Voor het oog van de camera gaat Ramses Shaffy (1933-2009) er op 10 februari 1977 zijn Nederlandse paspoort ophalen. De zanger oogt gespannen. Hij haalt een balpen uit zijn jaszak. Kapot. Een ander exemplaar dan maar. Die handtekening moet tenslotte echt worden gezet. Even opmeten daarna. Zonder hoed natuurlijk. 1 meter 85. Intussen laat Ramses het persoonsbewijs zien waarmee hij het tot dusver moest doen: een ‘paspoort voor vreemdelingen’.

Even later, als hij het felbegeerde kleinood in handen heeft, richt hij zich tot de aanwezige ambtenaren, luid en met overslaande stem: ‘Mag ik jullie ontzettend bedanken voor de medewerking? Ik heb er lang over gedaan, maar ik ben Nederlander! Fantastisch! En we zullen doorgaan. Ik begin vast, begrijp je wel?’ Het is Ramses Shaffy ten voeten uit. Zoals we hem hebben leren kennen: als een onvervalste levenskunstenaar voor wie het bestaan nooit meeslepend genoeg kon zijn. Met een onweerstaanbare charme ook. ‘Ik hoor erbij’, zegt hij nog, met een duidelijke snik in zijn stem. ‘Ik hoor erbij. Belachelijk, hè?’

Grote emoties, publiek beleefd. Van een Egyptisch-Pools jongetje dat op zesjarige leeftijd door zijn moeder in Parijs op de trein werd gezet en in een Nederlands pleeggezin moest opgroeien. Onder de gefingeerde echte mensennaam Didi Snellen. Die ingrijpende gebeurtenis ligt ook onder de met een Gouden Kalf bekroonde documentaire Ramses: Où Est Mon Prince (70 min.) uit 2002, waarin regisseur (en Shaffy’s voormalige overbuurjongen) Pieter Fleury eerst met prachtig archiefmateriaal en persoonlijke interviews met ex-vriend Joop Admiraal (‘heel Amsterdam was verliefd op Rames’), zangeres Liesbeth List (‘hij leefde boven de wet en was daarom zo bijzonder’) en pianist Louis van Dijk (‘een goeroe van de vrijheid’) leven en carrière van het flamboyante podiumbeest doorlicht.

Daarna introduceert hij Ramses zelf, een breekbare oude man inmiddels, die nauwelijks meer voor zichzelf kan zorgen. Nog altijd even uitgesproken, theatraal en drankzuchtig, dat wel. En op elk moment van de dag in staat om de knop om te zetten en zijn muzikale zelf aan. Zet hem achter een piano en zijn vingers vinden automatisch de juiste toetsen. En plots is daar ook, als vanzelf, die gedragen zangstem. ‘Ik kijk naar de wolken die over drijven’, zingt hij bijvoorbeeld, naar boven kijkend (naar zijn moeder?). ‘En ben dan zo bang dat die eenzaamheid zal blijven.’ Een traan biggelt inmiddels over zijn wang.

En zo wordt hij in deze hartveroverende filmklassieker opnieuw de man die genadeloos over je heen walst, waaraan je je kapot ergert en die je toch alleen – er is echt geen andere keus – in je hart kunt sluiten.

In Heb Me Lief, het portret van een kwetsbare Liesbeth List, is Ramses Shaffy natuurlijk ook prominent aanwezig.

Thunder Soul

Vrijwel alle Amerikaanse high school stage bands, die in de jaren zeventig aan muziekwedstrijden deelnamen, waren blank. En zo klonken ze ook: zo wit als maar zijn kon. Gladgestreken Duke Ellington- en Count Basie-evergreens. Gespeeld door ideale schoonzonen en –dochters. Bleekscheten met bloempotkapsels, in kreukvrije schoolkostuums. De Kashmere Stage Band was anders: zwart, om te beginnen. Uitbundige Afro-zwart, zeg maar. En dat hoorde je: funky as hell. Übercool. Zij speelden niets minder dan Thunder Soul (83 min.).

Dertig jaar later keren ze terug naar de repetitieruimte van de Kashmere-middelbare school in Houston voor een reünieconcert. Sommige van hen hebben in de tussentijd geen instrument meer aangeraakt. Ze zijn echter van heinde en verre gekomen om eer te betonen aan hun grote inspirator, muziekleraar Conrad O. ‘Prof’ Johnson. Maar dan moet er eerst nog flink geoefend worden, want de eerste sessie klinkt nergens naar. Bepaald nog niet als een ‘soultrain’ die genadeloos over je heen dendert en tóch zijn slicke beweginkjes en danspasjes op orde heeft.

Deze swingende documentaire van Mark Landsman uit 2010 documenteert hoe de mannen en vrouwen van middelbare leeftijd samen weer die geoliede machine van weleer proberen te vormen en terugkijken op de tijd die hen muzikaal vormde, maar komt ook voorbij die muziek: via repetities kregen de zwarte jongeren, kinderen van gesegregeerd Amerika, toentertijd lessen voor het leven mee. De vaderfiguur Johnson gaf hen zelfvertrouwen, structuur en een toekomstperspectief.

Diezelfde ‘Prof’ is inmiddels hoogbejaard en kampt met een zeer broze gezondheid. Voordat het te laat is, willen zijn voormalige leerlingen hem nog één keer laten zien wat ze hebben geleerd. Die hartroerende geste wordt in deze gesmeerde film met een lekker Hollywood-sausje uitgeserveerd. Dat werkt wel: deze feelgood-docu activeert zowel de hartslag als de traanklieren.

Liesbeth List – Heb Me Lief

https://www.deborahvandam.nl/projects/liesbeth-list-heb-me-lief

‘Onopgemaakt ben ik Elly Driessen’, zegt de zangeres, terwijl ze zich in de openingsscène van deze documentaire zorgvuldig opmaakt. ‘En met make-up is ’t het Liesbeth List-gezicht.’ Haar karakteristieke zangstem weerklinkt. ‘Als een boom die is ontworteld. Door de adem van de tijd losgerukt uit de grond onder mijn voeten ben ik herbeplant op onbekend terrein.’ Waarna de titel van de film uit 2006 in beeld verschijnt: Liesbeth List – Heb Me Lief (52 min.).

‘Het ontbreekt me eigenlijk aan niets’, zingt ze vervolgens, op het podium van alweer een theater. ‘Maar toch: ik hoor niet hier.’ Het is geen toeval dat filmmaakster Deborah van Dam haar portret van List juist met dit lied start. Het refereert aan het centrale drama uit haar leven: de zangeres bracht haar jongste jaren door in een jappenkamp in Nederlands Indië. Na de dood van haar moeder werd ze op zevenjarige leeftijd door haar vader achtergelaten bij Jaap List, de vuurtorenwachter van Vlieland. Elly Driessen werd Liesbeth List.

En die kreeg, als geen ander, van doen met Ramses. Altijd weer Ramses (in wiens docu Ramses: Où Est Mon Prince ze ook prominent aanwezig was). De weergaloze chansonnier, flamboyante mediapersoonlijkheid en onverbeterlijke drinkebroer. Ramses Shaffy, de (onbeantwoorde) liefde van Lists leven. Deze film bevat een fijne scène waarin ze met Ramses, inmiddels een breekbare oude man, een prachtige nieuwe versie van diens klassieker Laat Me opneemt met Alderliefste. De oude magie herleeft. Voor haar theatervoorstelling Dichterbij Liesbeth werkt de grand old lady daarnaast vanzelfsprekend samen met Beau van Erven Dorens, Bastiaan Ragas en wijlen Antonie Kamerling.

Intussen herontdekt Liesbeth List in deze film, allereerst met frisse tegenzin, haar eigen verleden als Elly Driessen. Waarbij het afgewezen kind altijd zichtbaar blijft in de volgroeide vrouw, die zich hier van haar kwetsbaarste kant toont. Als halfzus van een ander kind van haar vader, maar ook als moeder van haar eigen dochter Elisah. Gevoelens die perfect zijn vervat in een tekst die Freek de Jonge voor haar schreef: ‘En nu ben ik moeder. Moeder dan mijn moeder. Meer moeder dan mijn moeder. Ooit heeft kunnen zijn.’ Daarmee bewijst List/Driessen haar moeder Corrie, die ze eigenlijk nooit heeft leren kennen, op passende wijze eer.

En als apotheose voor dit portret, dat de essentie van de vrouw blootlegt, leeft de zangeres zich uit in een gedragen interpretatie van Frank Boeijens De Verzoening, met de sleutelwoorden die ook haar eigen leven lijken te domineren: Heb Me Lief.

De documentaire Liesbeth List – Heb Me Lief is hier te bekijken.

The Apollo

HBO

In een volledig gesegregeerde wereld gaf The Apollo in Harlem, New York een thuis aan de Afro-Amerikaanse cultuur. Sinds 1934 kreeg vrijwel elke zwarte muzikant, comedian of theatermaker wel eens de vloer in het roemruchte theater. Het was de plek waar ‘black is beautiful’ daadwerkelijk gestalte kreeg. Of zoals James Brown, die er meer dan tweehonderd keer op het podium stond en in 1963 een absolute klassieker opnam met Live At The Apollo, het verwoordde: ‘Say it loud! I’m black and I’m proud!’

In de collageachtige documentaire The Apollo (102 min.) roept Roger Ross Williams de hoogtijdagen van het kleine theater (ruim 1500 plekken) op met beeldbepalende figuren als Pharrell Williams, Smokey Robinson, Gladys Knight, Aretha Franklin, Jamie Foxx, Angela Bassett en Paul McCartney (die met de roomblanke Beatles optrad in het zwarte bolwerk). Het portretteren van een gebouw en z’n historie blijft echter een lastig verhaal, want de stenen zelf léven natuurlijk niet.

Williams vervlecht hedendaagse activiteiten in het theater, zoals repetities voor een eerbetoon aan Ella Fitzgerald en een rondleiding door de historicus van dienst, met hoogte- en dieptepunten uit de lange historie van het podium. De film krijgt daardoor een anekdotisch karakter. Als er al een duidelijke lijn is te ontdekken, dan zit die in de voortdurende emancipatoire strijd die zwart Amerika heeft moeten voeren en de manier waarop die werd en wordt uitgedrukt in kunst.

Dat levert overigens wel mooie verhalen op, bijvoorbeeld over het notitiesysteem van Frank Schiffman, die decennialang de scepter zwaaide in het Apollo-theater. Op 7 juni 1946 maakte hij bijvoorbeeld een cataloguskaartje aan voor Billie Holiday. ‘Vocalist. Zingt smartlappen’. Vijf jaar later: ‘Gaf een goede show. Zeer behulpzaam in de finale. Zong behoorlijk goed. Geen wangedrag.’ Op 14 augustus 1953 noteerde hij echter: ‘Verschrikkelijk! Ze was ziek, maar leek ook onder invloed van stimulerende middelen. Alleen een wonder kan dit meisje nog redden.’

Ook fraai: de bikkelharde competitie tijdens de zogenaamde ‘amateur nights’. In een, achteraf bezien, dolkomische scène wordt een piepjonge Lauryn Hill tijdens één van deze talentenavonden genadeloos uitgejouwd. Niet erg, lijkt de redenering. Daar wordt ze hard van. Als volgroeid artiest steelt Hill enkele jaren later inderdaad de show in een volgepakte zaal. De ongegeneerde kritiek heeft haar boven zichzelf doen uitstijgen.

Zo worden de mores van dit stukje heilige grond voor zwart Amerika aardig in beeld gebracht, waarbij ook de eerste Afro-Amerikaanse president natuurlijk niet mag ontbreken. In 2012, tijdens zijn herverkiezingscampagne, zong Barack Obama er een stukje van Al Greens Let’s Stay Together. Een grotere erkenning van en voor de zwarte cultuur was nauwelijks denkbaar.

In de parade van Apollo-sterren ontbreekt overigens comedian/presentator Bill Cosby, die diverse keren optrad in het kleine theater. Sinds hij in 2018 werd veroordeeld vanwege zedendelicten, is ‘Amerika’s favoriete zwarte huisvader’ echter geen man meer waarmee je als gemeenschap of podium wil pronken.

Ademtocht, De Vele Gevechten Van Maite Hontelé

Moondocs

Ze is niet ‘big in Japan’, maar groot in Colombia. De Nederlandse trompettiste Maite Hontelé begon ooit in een plaatselijke fanfare, maar is als ‘lange blonde Nederlandse’ toonaangevend geworden in Colombia. Toen ze er ruim vijftien jaar geleden voor het eerst optrad, verloor ze haar hart. Aan de salsamuziek, het land én een lokale muzikant/producer.

In Nederland staat ze aan de zijlijn, zegt ze in deze documentaire van Marlou van den Berge, maar hier – en dat is sinds acht jaar Colombia – kan ze topsport bedrijven. Met die sterstatus komen ook verantwoordelijkheden. Naar haar eigen carrière en band, maar ook als het gaat om het heersende schoonheidsideaal voor en de positie van vrouwen in Colombia.

En juist daar zit inmiddels ook persoonlijke thematiek, die botst met de conservatieve normen en waarden van haar nieuwe landgenoten. Kan en mag Maite (openlijk) zichzelf zijn in een omgeving die conservatiever blijkt dan haar lief is? Van den Berge verleidt haar hoofdpersoon in Ademtocht, De Vele Gevechten Van Maite Hontelé (60 min.) om het gordijn stukje bij beetje tóch open te doen.

En daarachter blijkt een kwetsbare vrouw verscholen te gaan, die steeds meer begint te verlangen naar een leven naast de muziek. Big in Colombia is in elk geval niet meer genoeg. Dat intense gevecht van enkele jaren, gevoegd bij Hontelés vloeiende muziek, stuwt dit portret voort, naar een onverwachte en persoonlijke ontknoping.

Beware Of Mr. Baker

Zelden zal de spanning tussen de hoofdpersoon en maker van een documentaire zo treffend zijn uitgedrukt als in de openingsscène van Beware Of Mr. Baker (92 min.). Na een hoog opgelopen meningsverschil over wie er hun zegje over hem mogen doen in ‘zijn’ film mept meesterdrummer Ginger Baker Jay Bulger met zijn wandelstok tegen het hoofd. De documentairemaker blijft letterlijk bloedend achter. Hij had het kunnen weten: waar Ginger komt, komt ruzie.

Onder het voorwendsel dat hij een journalist van het tijdschrift Rolling Stone is, volgens hemzelf een totale leugen, trekt Bulger in 2009 tijdelijk in bij Baker in Zuid-Afrika en schrijft, inderdaad, een artikel voor Rolling Stone over De Doldrieste Drummer. En daarna, in 2012, volgt deze messcherpe, dolkomische en opwindende film over de man die furore maakte bij uiteenlopende acts als Cream, Blind Faith, Fela Kuti, Hawkwind, Public Image Ltd en Masters Of Reality en wordt beschouwd als één van de beste drummers van de twintigste eeuw. Of het nu gaat om rock, jazz of afrobeat.

Voor lieden als Baker is tegelijkertijd het begrip ‘enfant terrible’ uitgevonden. Als hij Bulger zijn levensverhaal vertelt, dreigt er dan ook voortdurend onenigheid. ‘En toen besloot Alexis om Graham bij de band te vragen’, vertelt de slagwerker bijvoorbeeld over het begin van zijn carrière in Alexis Korner’s Blues Incorporated. ‘Kun je iets meer context geven over wie je het dan hebt?, vraagt Jay Bulger. ‘Dat heb ik net gezegd, for fuck’s sake.’ Bulger laat zich de kaas echter niet van het brood eten: ‘Je zei alleen: Graham. Niemand weet wie Graham is.’ Baker, met zichtbare tegenzin: ‘Graham Bond was een vette kerel.’

Tussen de boude statements, middelvingers en cynische rokerslachjes door heeft de hork eerste klas natuurlijk wel degelijk een fascinerend verhaal te vertellen. Zijn zus, echtgenoten en kinderen, directe collega’s als Eric Clapton, Jack Bruce en Steve Winwood, en zijn vakbroeders Nick Mason (Pink Floyd), Stewart Copeland (The Police), Lars Ulrich (Metallica), Tony Allen (Fela Kuti) en Chad Smith (Red Hot Chili Peppers) kaderen dat verder in. En Bulger kleedt het aan met prachtig archiefmateriaal, treffende animaties en – natuurlijk! – dampende muziek, die de film een opwindend ritme geeft.

’Beschouw je jezelf als een tragische held?’ wil Jay Bulger op een gegeven moment weten van zijn volledig losgeslagen protagonist. ‘Ga door met het interview’, reageert die geïrriteerd. ‘Stop met je pogingen om een intellectuele eikel te zijn.’ Gaandeweg komt de filmmaker in deze kostelijke film echter toch vervaarlijk dicht in de buurt van de enige echte Ginger Baker: maniak, dopehead én absolute werelddrummer.

Miles Davis: Birth Of The Cool

Van ‘de verpersoonlijking van cool’ tot volledig doorgesnoven weirdo, die zich heeft teruggetrokken in zijn flat en geen muziekinstrument meer aanraakt. De ‘ontwikkeling’ die Miles Davis in zijn volwassen leven doormaakte is terug te zien op de talloze zwart-wit foto’s die van hem zijn gemaakt. Gelukkig heeft de biografie Miles Davis: Birth Of The Cool (155 min.) een derde akte. Net als het leven van de legendarische jazztrompetist.

Met een overvloed aan fraai archiefmateriaal documenteert regisseur Stanley Nelson Davis’ leven en carrière, die een kickstart kregen toen hij in 1944 als tiener bij Billy Eckstine & His Orchestra Charlie Parker en Dizzy Gillespie tegen het lijf liep. ‘Het geweldigste gevoel dat ik ooit heb gehad in mijn leven’, aldus de man zelf (in een voice-over, die is ingesproken door acteur Carl Lumbly). ‘Althans met mijn kleren aan.’ Gezamenlijk zou het drietal de toekomst van de moderne jazz vormen.

Tijdens zijn eerste buitenlandse trip, in 1949 naar Parijs, voelde Davis zich echt serieus genomen als artiest. Hij ontmoette er de Spaanse kunstenaar Pablo Picasso en schrijver/filosoof Jean-Paul Sartre en werd voor het eerst in zijn leven niet meer behandeld als ‘zomaar een zwarte’. Hij werd er ook verliefd op de Franse zangeres Juliette Gréco. ‘Het was een wonder’, zegt ze nu met glinsterende ogen. ‘Het was wat je het wonder van de liefde kunt noemen.’

Waarom trouw je niet met Gréco, zou Sartre haar hebben gevraagd. Omdat ik verliefd op haar ben, had Miles volgens zijn geliefde toen geantwoord. ‘Ik hou van haar.’ Eenmaal thuis kwam de kater: hij was weer gewoon een neger, in een volledig gesegregeerd land. ‘Ik raakte op drift’, zegt hij zelf. En voor hij het goed en wel in de gaten had, was Miles volledig verslingerd geraakt aan heroïne. Het lijkt nu, zeventig jaar later, een keerpunt in zijn leven. Het moment waarop hij verknoopt raakte in zichzelf – en, dat ook, zijn beste muziek ging maken: de langspeler Kind Of Blue (1959).

De kunst van Davis wordt door filmmaker Nelson prachtig in de verf gezet. De gehele film is doordrenkt met zijn expressieve trompet. Daarnaast laat hij z’n kinderen, zijn voormalige muze Frances Taylor (van die, zoals ze zelf gedurig zegt, geweldige benen, die Miles regelmatig, althans figuurlijk, probeerde te breken), jeugdvrienden, collega’s en historici aan het woord. Zij vervolmaken dit intieme portret van een even getalenteerde als getroebleerde man, die zichzelf uiteindelijk toch nog een derde akte toestond.

Blue Note Records: Beyond The Notes

Een Duitse leeuw en wolf stonden ooit aan de basis van het vermaarde Amerikaanse platenlabel Blue Note Records. De jeugdvrienden Alfred Lion en Francis Wolff ontvluchtten in de jaren dertig de Jodenvervolging in nazi-Duitsland. In hun nieuwe vaderland focusten de twee outsiders zich op hun grote passie, jazz, en richtten in 1939 Blue Note op, een onderneming waarmee waarschijnlijk geen rooie rotcent was te verdienen. Een grotendeels zwart label bovendien, in een veelal witte industrie. Het zou niettemin een groot succes worden.

In Blue Note Records: Beyond The Notes (54 min.) blikken kopstukken als Herbie Hancock, Terrace Martin, Derrick Hodge en de huidige directeur van Blue Note, Don Was, terug op de hoogtijdagen van ‘de Cadillac onder de jazzlabels’, toen grootheden als Miles Davis, Thelonious Monk, John Coltrane, Art Blakey, Lee Morgan, Horace Silver en Sonny Rollins van Lion en Wolff volledige artistieke vrijheid kregen en met speels gemak muzikale grenzen verlegden. In een nieuwe studiosessie zoeken The Blue Note All-Stars intussen de magie van Blue Notes gouden jaren op.

Regisseur Sophie Huber richt zich in deze gedegen televisiedocumentaire compleet op de kunst: de muziek zelf natuurlijk, de bijbehorende coole zwart-wit foto’s en het stijlvolle artwork. Ze tekent ook de revival van het label in de tweede helft van de jaren tachtig op, als Blue Notes onmiskenbare sound wordt opgepikt door hiphoppers, opnieuw in de belangstelling komt te staan en nieuwe sterren als Norah Jones in de vaart der volkeren opstuwt.

Chasing Trane


Halverwege de jaren vijftig lijkt zijn kostje gekocht. John Coltrane heeft een plek bemachtigd in de band van jazzlegende Miles Davis. De wereld ligt open voor de Amerikaanse stersaxofonist. Net als veel andere grootheden uit zijn metier heeft hij echter één probleem: die godvergeten naald. Eerder werd hij al eens door Dizzy Gillespie ontslagen vanwege drugsgebruik.

Coltrane heeft geen keuze, zo realiseert hij zich. Hij moet afkicken en gaat dus ‘cold turkey’, waarna hij zonder die eeuwige aap op zijn rug z’n loopbaan vervolgt. ‘Trane’ komt terecht bij alweer een jazzicoon (Thelonious Monk), start een solocarrière en mag later zowaar terugkeren bij Davis om het legendarische album Kind Of Blue op te nemen. Hij is terug van eigenlijk nooit weggeweest. Op weg naar muziek waarin hij ziel en zaligheid kan leggen, vereeuwigd op de langspeler A Love Supreme.

Chasing Trane (84 min.) van John Scheinfeld is een liefdevol portret van de ongrijpbare saxofonist, waarbij acteur Denzel Washington een stem geeft aan Coltrane zelf, met teksten uit interviews en liner notes. Hij wordt in de rug gedekt door een keur aan Amerikaanse prominenten; zijn jazzcollega’s Sonny Rollins en Jimmy Heath, de Afro-Amerikaanse intellectueel Cornel West, amateursaxofonist (en o ja, oud-president) Bill Clinton en popmuzikanten zoals Carlos Santana, Common en John Densmore (The Doors).

Hun verhalen en bespiegelingen, gepaard aan Coltranes weldadige muziek en fraaie archiefbeelden van de man in topvorm, schetsen een gloedvol beeld van de rasmuzikant, die op veertigjarige leeftijd overleed en in 1992 postuum een Grammy Lifetime Achievement Award kreeg.