63 Up

Kun je in het kind al de latere volwassene zien? Die vraag legt filmmaker Michael Apted ditmaal letterlijk voor aan zijn inmiddels 63-jarige hoofdpersonen. Ze antwoorden eigenlijk stuk voor stuk bevestigend. Het was ooit ook het startpunt van deze epische documentaireserie in 1964: kun je al op zevenjarige leeftijd zien wie of wat een kind later zal worden? Apted heeft de jongens en meisjes van toen sindsdien elke zeven jaar opgezocht met de camera.

Ruim een halve eeuw later laten ze zich bijna allemaal opnieuw door hem portretteren. Je zou kunnen betogen dat dit relatief oppervlakkig gebeurt: relatie, kinderen, werk, hobby’s en de toekomst. Het wordt allemaal aangeraakt, maar echt diep erop ingaan is er niet bij. Een mensenleven wordt gecomprimeerd tot een minuut of tien. Tegelijkertijd is dat wellicht ook de kracht van de invloedrijkste documentaireserie aller tijden. In wezen ging het nooit over deze specifieke hoofdpersonen. Zij zijn niet meer dan tamelijk willekeurige representanten van een generatie, ooit bijeengebracht omdat ze de Britse klassenmaatschappij aardig weerspiegelden.

‘Het is geen portret van wie Nick is’, zegt Nick Hitchon, die als wetenschapper carrière maakte in de Verenigde Staten. ‘Het is een portret van ons allemaal. Het gaat over hoe een mens, elk mens, verandert.’ Hij is inmiddels ernstig ziek en laat zich in 63 Up (141 min.) van zijn kwetsbaarste kant zien. ‘De serie is extreem belangrijk voor mij en lijkt ook voor anderen iets te betekenen’, zei hij al op 49-jarige leeftijd. ‘Dat maakt het echter niet gemakkelijk. Ik kan echt niet uitleggen hoe het je emotioneel helemaal leeg trekt om de interviews en filmopnames te doen. En dan doe ik voor mezelf nog alsof er helemaal niemand kijkt.’

Ook in deze aflevering verbindt Apted, zelf inmiddels tegen de tachtig, bekende oude fragmenten met nieuwe interviews en scènes. Het zevenjarige straatschoffie Tony Walker vloeit bijvoorbeeld naadloos over in een wildebras van 21 die uit de penarie moet zien te blijven, de veertiger met huwelijksproblemen en nu een man die de pensioengerechtigde leeftijd nadert en zijn keuze voor het Brexit betreurt. De taxichauffeur draagt het hart nog altijd op de tong, andere vaste Up-gasten opereren gereserveerder en laten het achterste van hun tong echt niet zien. Tegelijkertijd vertellen hun uiterlijk, partner, gezinssituatie, huis en werk alles wat we eigenlijk zouden willen – of moeten – weten.

Elke aflevering van de Up-serie behandelt de kernvragen die ieder mens dient te beantwoorden in een bepaalde levensfase. In 63 Up zit de carrière er bijna op, is het huis een heel eind afbetaald en zijn de kinderen nu echt de deur uit, zodat voorspelbare thema’s in beeld komen: ziekte, pensionering én de dood. En Magere Hein heeft inderdaad al eens toegeslagen in de Up-rangen. Enkele jaren na 56 Up kwam één van de hoofdpersonen plotseling te overlijden. Nabestaanden zetten nu een persoonlijke punt achter een heel gewoon, maar publiek geleefd bestaan, dat in zekere zin groter is geworden dan een mensenleven eigenlijk kan zijn.

70 Up, dat bij leven en welzijn van Michael Apted en zijn subjecten, in 2026 het licht zou moeten zien, bevat ongetwijfeld nog meer dramatische verhalen. Want zelfs het leven van mensen die altijd een beetje zeven zullen blijven, begint nu stilaan zijn slotaflevering(en) te naderen.

Bisbee ’17

Ze vormden zogezegd een gevaar voor ‘the American way of life’. De 1300 mijnwerkers, veelal immigranten, die in de zomer van 1917 vanwege slechte arbeidsomstandigheden en voortdurende discriminatie in staking waren gegaan in Bisbee, Arizona. The Industrial Workers Of The World, een op socialistische leest geschoeide vakbond, stond ferm aan hun zijde.

Voor Harry Wheeler, de sheriff van het mijnwerkersstadje, was het een teken om actie te ondernemen. Hij verzamelde maar liefst tweeduizend plaatselijke vrijwilligers voor een posse, die de stakers hardhandig, met een geweer in hun nek, op de trein naar de woestijn van Nieuw-Mexico zette. Zestien uur waren ze onderweg, zonder eten of drinken. Om op de plek van bestemming, als het zo uitkwam, te creperen.

De zogenaamde ‘Bisbee-deportatie’ op 12 juli 1917, al dan niet in opdracht van het lokale kopermijnbedrijf Phelps Dodge, verdeelt honderd jaar later nog altijd de lokale gemeenschap. Was het een noodzakelijke ingreep om de plaatselijke vrouwen en kinderen te beschermen? Een overdreven reactie op vermeend communistisch oproer? Of toch gewoon een uiting van onversneden racisme?

Regisseur Robert Greene laat het drama, dat doorgaans wordt stilgezwegen, herleven in Bisbee ‘17 (112 min.). Huidige inwoners van het voormalige kopermijnstadje krijgen de hoofdrol in een ‘re-enactment’ van de deportatie – een opzet die doet denken aan de documentaire Casting JonBenét, waarin amateuracteurs een plaatselijke moordzaak naspelen. De lokale radiodeejay fungeert als verteller, een man die de deportatie een goede zaak vindt speelt de toenmalige directeur van het mijnbedrijf en de zoon van een gedeporteerde Mexicaanse vrouw neemt de rol van staker op zich. Tussen de voorbereidingen door verhalen ze ook over hun eigen levens.

In het hedendaagse Bisbee, waar de kopermijn alweer ruim veertig jaar is gesloten, zijn de sporen van het verleden nog altijd duidelijk zichtbaar. Zo vertelt de dochter van een voormalige leidinggevende van Phelps Dodge dat ze werd opgevoed met het idee dat het afvoeren van de stakers volledig terecht was. ‘Ik moet mezelf er steeds aan herinneren dat zulke verhalen afkomstig zijn van mensen uit Bisbee’, zegt ze. ‘Met andere woorden: van mensen die niet zijn gedeporteerd.’

Die verscheurdheid komt het pijnlijkst tot uiting in de Ray-familie, waarvan één voorvader als lid van de volksmilitie destijds zijn eigen broer liet afvoeren. Twee van hun nazaten herbeleven tijdens de uiteindelijke uitvoering van de Bisbee-deportatie de broedertwist die hun familie verscheurde. Hun moeder kan het nauwelijks aanzien. Zo beginnen heden en verleden, fictie en non-fictie, persoon en rol al snel helemaal in elkaar over te vloeien in Bisbee ’17, een intelligente documentaire die alleen wat lang van stof is.

Ganz: How I Lost My Beetle

‘Kun je je herinneren, kleine kever, hoeveel kilometer we samen hebben gereisd?’, vraagt Josef Ganz aan de creatie die hem zo ruw is afgenomen. ‘Toen jij de weg opging, werd mijn naam gewist.’ Intussen zien we archiefbeelden van marcherende Nazi’s, die hun Führer eer bewijzen. Zij zullen zijn idee voor een Volkswagen, een auto voor Jan Modaal, omarmen en er een wereldwijd succes van maken. Ganz, de geniale ontwerper van de voorloper van die auto, de zogenaamde Meikever, staat tegen die tijd allang buitenspel. Hij wordt ruim vóór het begin van de Tweede Wereldoorlog rücksichtslos kalt gestellt.

In Ganz: How I Lost My Beetle (85 min.) geeft Suzanne Raes een stem aan de vergeten auto-ontwerper. Op basis van Het Ware Verhaal Van De Kever: Hoe Hitler Zich Het Ontwerp Van Een Joods Genie Toe-eigende, een boek van de Nederlandse journalist Paul Schilperoord, schreef ze een zeer persoonlijke voice-over, waarin Josef Ganz zijn eigen levensverhaal doet. De Duitse acteur Joachim Król heeft die tekst ingesproken en fungeert daarmee als verteller voor deze historische documentaire, waarin de man, zijn droom én de ontwikkeling van een auto voor het gewone volk worden geportretteerd. Een zeer geslaagde keuze.

De Ganz van Raes richt zich rechtstreeks tot de Volkswagen Beetle. Terwijl hijzelf met de staart tussen de benen naar de andere kant van de wereld vertrok, werd zijn geesteskind na de Tweede Wereldoorlog één van de populairste auto’s van de wereld. ‘Wie had gedacht dat jij het symbool van de Duitse wederopstanding na de oorlog zou worden?’ Suzanne Raes versnijdt het meeslepende relaas van de verteller met de pogingen van Ganz-kenner Schilperoord en Josefs achterneef Lorenz om een exemplaar van z’n oorspronkelijke auto te bemachtigen en aan de praat te krijgen.

Verder introduceert ze de kunstenaar Rémy Markowitsch, die de expositie Nudnik: Forgetting Josef Ganz heeft gewijd aan de vergeten Joodse ingenieur, en Maja, de nicht van Ganz. Bij haar geboorte ontving zij een brief van hem, die ze sinds jaar en dag bij zich draagt. Was die verre oom Joe, die zijn laatste levensjaren als balling in Australië zou slijten, een gigantische fantast of toch de ‘absente vader’ en ‘anonieme verwekker’ van de Kever? ‘Als alles was gelopen zoals het had moeten lopen’, constateert Maja gelaten, ‘dan hadden we nu in een slot in Oostenrijk gezeten.’

Die tragiek, van een geniale ontwerper – en zijn nazaten die wellicht net zo schathemelrijk hadden kunnen worden als de familie Porsche – is in Ganz: How I Lost My Beetle met compassie en gevoel voor drama, hoewel misschien een beetje lang, opgetekend. Een man die ruim een halve eeuw dood is krijgt zo een tweede leven en de erkenning die hem al zo lang toekomt.

Cold Case Hammarskjöld

‘Om eerlijk te zijn ben ik nooit echt geïnteresseerd geweest in de nalatenschap van Dag Hammarskjöld’, bekent filmmaker Mads Brügger halverwege zijn film over de mysterieuze dood van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, bij een vliegtuigongeluk in 1961 in de voormalige Britse kolonie Noord-Rhodesië. ‘Omdat de meeste mensen nooit van hem hebben gehoord. En als je hem ziet komt hij over als een sullig personage uit een romantische komedie.’

Hij vervolgt: ‘Voor mij was Dag Hammarskjöld vooral een vrijbrief om alle dingen te doen die ik leuk vind: Belgische huurlingen opsporen, verhalen vertellen over volledig in wit geklede slechteriken, een schoppenaaskaart die wordt gevonden op plaatsen delict, geruchten over geheime Afrikaanse organisaties… Daarom ben ik op deze trein gesprongen, niet wetende waarheen die me zou leiden.’

Die bekentenis is Brügger ten voeten uit. Terwijl hij samen met onderzoeker Göran Björkdahl Hammarskjölds dood (was het moord? Een samenzwering misschien?) helemaal uitpluist, toont hij regelmatig zijn absurde gevoel voor humor. Als ze bijvoorbeeld met een metaaldetector op zoek willen gaan naar het wrak van Hammarskjölds neergestorte vliegtuig, legt hij alvast twee sigaren klaar. Voor het geval dat ze dat vliegtuigwrak nog zouden vinden ook.

Cold Case Hammarskjöld (127 min.) is sowieso een bijzondere film: een verdomd knap staaltje onderzoeksjournalistiek, op een speelse en avontuurlijke wijze vormgegeven. Zo kiest Brügger niet voor een reguliere voice-over om zijn vertelling te structureren, maar dicteert hij zijn verbindende teksten aan twee donkere secretaresses, die deze braaf uittypen. Waarom twee en niet één secretaresse? Dat weet de filmmaker zelf ook niet, bekent Brügger in een soort meta-voice-over waarin hij zijn eigen rol tijdens het maken van de documentaire belicht.

Gaandeweg komen Brügger en Björndahl in Zuid-Afrika een huiveringwekkend complot van witte nationalisten op het spoor, waarmee deze fascinerende documentaire tot een krachtige climax wordt gebracht. Waarbij Dag Hammarskjöld inderdaad niet meer dan een begin- en eindpunt is voor het ‘stranger than fiction’-verhaal dat Mads Brügger hier op onnavolgbare wijze vertelt.

Nanook Of The North

Iedere zichzelf respecterende documentairekenner heeft Nanook Of The North gezien. De film uit 1922 wordt beschouwd als de allereerste officiële documentaire, een filmgenre dat door de Schotse filmpionier John Grierson enkele jaren later werd gedefinieerd als ‘een creatieve behandeling van de werkelijkheid’.

Iedere zichzelf respecterende documentairekenner, behalve ik. Verder dan enkele scènes uit dit portret van de Inuit Nanook, bijgenaamd ‘de beer’, en zijn schattige gezin uit het noorden van Ungava, nabij de Canadese Hudsonbaai, was ik eerlijk gezegd nooit gekomen. Tot afgelopen week. Uitroepteken. Waar een zelf opgelegd docuregime, dat wekelijks uitmondt in deze nieuwsbrief, al niet toe kan leiden…

Voordat lezers me en masse gaan bedanken, zeg ik nu alvast: graag gedaan! En ik raad iedereen, met enige interesse in filmhistorie en verdwijnende exotische culturen, aan om mijn voorbeeld te volgen. De lotgevallen van de eskimo-familie, die vanaf 1910 regelmatig werd bezocht door spoorwegavonturier Robert Flaherty, zijn vervat in een heus verhaal, waarbij de filmmaker heeft gekozen voor enkele duidelijke hoofdpersonen en de waarheid zo nu en dan ook een handje helpt.

Ten tijde van de filmopnames had Nanook naar verluidt allang een geweer tot zijn beschikking. Voor Flahertys camera wilde hij echter nog wel eens ouderwets met een speer vissen en op jacht gaan naar vossen, zeehonden en walrussen. En ook de iglo die de man besluit te bouwen schijnt speciaal voor de documentaire te zijn gefabriceerd. Sterker: het was een halve iglo. Want anders konden ze met hun logge en weinig lichtgevoelige camera de binnenkant niet filmen.

De documentaire ziet er dan ook prachtig uit, zeker als je bedenkt dat het medium film destijds echt in de kinderschoenen stond. Nanook Of The North stamt uit de tijd dat films zonder geluid en met heel veel, in dit geval ook bomvolle, tekstkaarten werden opgeleverd. Het geheel is daarom dicht gesmeerd met een tamelijk opdringerige soundtrack, die elk gemis van natuurlijk geluid in de kiem moet sporen. Voor hedendaagse oren blijft dat lastig. Zeker als Nanook, in een scène met een hoog kraaltjes-en-spiegeltjes gehalte, een antieke platenspeler, ‘waarmee de witte man zijn stem inblikt’, mag uitproberen.

Toen de documentaire met veel succes werd uitgebracht in de bioscoop, was de vindingrijke hoofdpersoon, volgens regisseur Flaherty, overigens al overleden. Nanook stierf naar verluidt de hongerdood, die hij in deze onbetwiste filmklassieker ruim vijf kwartier, met het nodige kunst- en vliegwerk, op afstand weet te houden. Bijna een eeuw later leeft de Inuit nog altijd voort, als een representant van een uitgestorven leefwijze en als allereerste held uit de documentairegeschiedenis.

The Clinton Affair

Via het verleden kun je het heden begrijpen. Zo maakte de Oscar-winnende documentaireserie O.J.:Made In America enkele jaren geleden de historische context van de Black Lives Matter-beweging inzichtelijk. De zesdelige serie The Clinton Affair (300 min.), over de buitenechtelijke relatie die de Amerikaanse president Clinton halverwege de jaren negentig had met een Witte Huis-stagiaire, schildert al even overtuigend de voorgeschiedenis van het Trumpisme, #metoo en Russiagate.

Het is een klassieke scène geworden. Bill Clinton kijkt recht in de camera. ‘I did not have sexual relations with that woman’, klinkt het ferm. Hij neemt een korte pauze, alsof hij moeite moet doen om zich haar naam te herinneren, en dropt dan de naam die voor eeuwig aan hem verbonden zal blijven: ‘Miss Lewinsky’. Hij vervolgt: ‘I never told anybody to lie. Not a single time. Never! These allegations are false. And I need to go back to work for the American people.’

We weten allemaal hoe het verder zal lopen: Clinton moet toegeven dat hij er een geheel eigen definitie van een seksuele relatie op nahoudt en dat hij wel degelijk een verhouding heeft gehad met ‘that woman’. Het feit dat hij daarover heeft gelogen, en de suggestie dat hij ook Lewinsky zou hebben aangezet om te liegen, leidt tot een afzettingsprocedure. Van een impeachment van de populaire Democratische president zal het echter nooit komen.

Deze fascinerende serie van Blair Foster reconstrueert de seksuele en politieke affaire nauwgezet met enkele belangrijke spelers, zoals openbaar aanklager Ken Starr, Paula Jones (die Clinton eerder al beschuldigde van aanranding), de conservatieve literaire agent Lucianne Goldberg (die belastende telefoongesprekken van Lewinsky in de openbaarheid bracht) en – de grootste troef – Monica Lewinsky zelf. Een vrouw van halverwege veertig inmiddels, die openhartig en (zelf)kritisch terugkijkt op de kwestie die altijd aan haar zal blijven kleven.

In de aftiteling van The Clinton Affair schitteren twee namen vanzelfsprekend door afwezigheid: Bill en Hillary Clinton. Zij hebben niets te winnen bij het opnieuw oprakelen van een oud schandaal, dat volgens Hillary eerst en vooral ‘a vast right-wing conspiracy’ was. ‘Het probleem met het onderzoeken van de Clintons is dat ze zich gedragen alsof ze schuldig zijn’, stelt Solomon Wisenberg, een lid van Ken Starrs team dat het echtpaar destijds onder de loep nam. ‘Of ze nu schuldig zijn of niet.’

Ook Monica Lewinsky’s diabolische vertrouwelinge Linda Tripp ontbreekt helaas in de serie. Zij is het die Goldberg het geheim influistert van Lewinsky’s jurk, waarop een spermavlek van Clinton zou zitten. De literaire agent waarschuwt haar nog: ‘Je moet bereid zijn om haar te verliezen als vriendin.’ Tripp: ‘Dat besluit heb ik al genomen.’ Goldberg adviseert haar vervolgens om haar telefoontjes met Lewinsky op te nemen en speelt het verhaal daarna door aan een journalist van The Washington Post.

De opgenomen en uitgeschreven telefoongesprekken tussen Linda Tripp en Lucianne Goldberg getuigen van een enorm cynisme. Voor het beschadigen van ‘The Big Creep’ is alles geoorloofd, inclusief het misbruiken van het vertrouwen van Tripps naïeve vriendin Lewinsky, die vervolgens wordt blootgesteld aan slutshaming avant la lettre. Zij is de onbetwiste protagonist van deze serie. Dit is in essentie haar verhaal (en dat van haar ouders, die ook aan het woord komen), dat werd opgetekend tijdens twintig uur interview.

The Clinton Affair bevat bovendien een schat aan bijzonder archiefmateriaal, bijvoorbeeld van een bezoekje van Monica en haar vader en stiefmoeder aan Clinton in het Witte Huis, inclusief het maken van de verplichte groepsfoto. Of beelden van een jonge versie van Trump-medewerker Kellyanne Conway, die als opiniemaker van Fox News de regering Clinton ervan beschuldigt dat ze alles ontkent en criticasters belastert. Ook dat oogt onwerkelijk. Het is immers Conway die bijna twintig jaar later hoogstpersoonlijk de term ‘alternative facts’ zal munten.

Deze zesdelige televisiedocu is duidelijk meer dan een naargeestige trip nostalgia. De parallellen met het tijdperk Trump zijn talrijk. De ‘unformate encounters’ die Clinton zou hebben gehad met meerdere vrouwen doen bijvoorbeeld denken aan allerlei #metoo-kwesties, waaronder die rond de huidige president. Die wacht op zijn beurt misschien eveneens een impeachmentprocedure als het Russiagate-onderzoek tot dwingende conclusies leidt. En wie zou één van de ‘elves’ zijn geweest, die Hillary’s rechtse samenzwering in stilte juridisch heeft gefaciliteerd? Juist: een man die onlangs het middelpunt was van een gigantisch politiek moddergevecht.

De laag bij de grondse manier waarop de strijd tussen de Democratische president en zijn Republikeinse opponenten wordt uitgevochten en geëxploiteerd lijkt tegenwoordig bovendien gemeengoed te zijn in de (Amerikaanse) politiek. Op een verwrongen manier herhaalt dus ook deze geschiedenis zich.

Jonestown: Terror In The Jungle

Of de grote leider nu David Koresh, Charles Manson of in dit geval Jim Jones heet, het patroon bij (religieuze) sektes is altijd hetzelfde: de man die zich ooit, wellicht met nobele motieven, heeft opgeworpen als bevlogen spreker en voorganger, gaat gaandeweg zozeer in zichzelf geloven dat het gevaarlijk wordt voor de buitenwereld en zijn eigen volgelingen.

Veertig jaar geleden, op 18 november 1978, kwam er zo in Guyana een dramatisch einde aan The Peoples Temple. Dominee Jim Jones overreedde, of verplichtte, zijn parochianen om een einde aan hun leven te maken. Ruim 900 mensen stierven in de nederzetting Jonestown door het drinken van fruitsap met het vergif cyanide erin – of, als ze niet wilden, verwurging of een dodelijk schot. Na een schietpartij, waarbij onder anderen een Amerikaans congreslid was gestorven, was de grond Jones te heet onder de voeten geworden.

De gedegen vierdelige documentaireserie Jonestown: Terror In The Jungle (170 min.), waarin regisseur Shan Nicholson archiefmateriaal combineert met gedramatiseerde scènes, reconstrueert met voormalige kerkleden, deskundigen én twee kinderen van Jones de opkomst van The Peoples Temple als een multiraciale kerk met een socialistische inslag en de onvermijdelijke neergang die daarna volgt, met een gruwelijke apotheose in de Guyaanse jungle tot gevolg.

Jim Jones verwordt in die periode van een gepassioneerde voorganger tot een maniakale machtswellusteling, die steeds meer toewijding vraagt van zijn familie en daarvoor alle mogelijke middelen inzet; van diverse vormen van emotionele chantage tot regelrechte oplichting, zoals de gefingeerde healings waarmee hij z’n gemeenschap van zijn directe lijn met God probeert te overtuigen. Of het nu om kanker of gewoon een gebroken been gaat, Jones beweert het te kunnen genezen.

Intussen grossiert de leider in paranoïde complottheorieën, een slimme manier om de buitenwereld op afstand te houden. De man raakt gaandeweg bovendien verslingerd aan drugs, een verslaving die moet worden gemaskeerd met een donkere zonnebril, en eigent zich natuurlijk ook de vrouwen van de sekte toe. Terwijl gewone kerkleden zich ver moeten houden van seks – die energie kan immers véél beter worden benut – gaat Jones zelf lekker zijn gang. 

Het is een klassiek sekteverhaal van een man die zichzelf boven de wet heeft gesteld, dat hier en daar doet denken aan het relaas van de Bhagwan-beweging, eerder dit jaar succesvol vervat in de documentaireserie Wild Wild Country. Jonestown: Terror In The Jungle concentreert zich echter minder op de conflicten van de sekte met de buitenwereld, maar probeert de innerlijke psychologie van de gemeenschap, en daarmee ook van Jim Jones zelf, te vatten.

‘Welk goed werk de kerk ook verrichtte’, zegt zijn zoon Stephan in de serie. ‘Mijn vader was vooral bezig met het bouwen van zijn eigen koninkrijk.’ Hij vocht volgens hem altijd met die stem van binnen, die zei dat hij niet goed genoeg was en hem uitmaakte voor fraudeur. Het inwendige gat dat Jones met geen mogelijkheid kreeg gedicht werd talloze anderen uiteindelijk fataal, zowel de sekteleden die sneuvelden in de jungle als anderen die de macabere dans met de dood ternauwernood wisten te ontspringen.

Over het tragische lot van Jonestown werden in de afgelopen jaren al diverse films gemaakt. Van speelfilms zoals Guyana Tragedy: The Jim Jones Story, met een angstaanjagende Powers Boothe als de getormenteerde sekteleider, tot Jonestown: The Life And Death Of Peoples Temple, die allebei in zijn geheel op YouTube zijn te bekijken.

My Generation

Ze zetten zich af tegen het land van hun ouders, waarin je klasse bepaalde wie je was en wie je zou kunnen zijn. Met liefde en plezier droegen ze het grote Britse rijk van weleer ten grave om een nieuw land te stichten. Rule, Britannia! werd zogezegd vervangen door My Generation (86 min.). En midden in die Britse vloedgolf bevond zich acteur Michael Caine. Of beter: Maurice Micklewhite, de zoon van een visboer en een poetsvrouw.

In de bedompte jaren na de tweede wereldoorlog vond hij zichzelf opnieuw uit. De aankomende filmster had een artiestennaam nodig, vertelt hij geroutineerd in deze aan hem opgehangen film over de roarin’ sixties. Bij een bioscoop zag de acteur volgens eigen zeggen een poster van zijn favoriete acteur Humphrey Bogart, The Caine Mutiny. ‘Als ik naar de volgende bioscoop was gelopen, had ik nu dus Michael 101 Dalmatiërs geheten.’

Als verteller laveert Caine in deze gelikte film soepeltjes tussen zijn eigen persoonlijke lotgevallen en het grotere verhaal van de opkomst en ondergang van Swinging Londen. Hij gaat bovendien in gesprek met generatiegenoten als Beatle Paul McCartney, model Twiggy, fotograaf David Bailey, Who-zanger Roger Daltrey, modeontwerper Mary Quant en zangeres Marianne Faithfull. Stuk voor stuk nieuwe helden van weleer, met een Cockney-achtergrond.

Die (off screen) gesprekken worden door regisseur David Batty geserveerd met een levendige cocktail van film, reclame, comedy, politiek en natuurlijk muziek uit de tijd dat Londen het epicentrum van de wereld was – of op zijn minst dacht te zijn. Alle ijkpunten van de veel bewierookte jaren zestig komen weer voorbij: de minirok, het gebruik van de pil en de onvermijdelijke confrontaties met het establishment. Dat gaat – onvermijdelijk – gepaard met het romantiseren van de eigen jeugd, waarmee de babyboomers volgende generaties meteen alle gelegenheid gaven en geven om daar weer tegen te rebelleren.

In De Schaduw Van King

 

In de documentaire In De Schaduw Van King (50 min.) volgen de Nederlandse filmmakers Hans Hermans en Martin Maat de blanke Amerikaan Harcourt Klinefelter. Hij is getrouwd met een Nederlandse vrouw, woont al ruim een halve eeuw in Overijssel en kan daar geluidsopnames laten horen uit de tijd dat hij met Martin Luther King actie voerde in Selma. Opnames, die hijzelf maakte met zijn bandrecorder.

Na vijftig jaar reist hij samen met zijn vrouw Annelies terug naar zijn geboortegrond en gaat daar op zoek naar de geest van de legendarische Reverend King. Niet veel later staat Harcourt Klinefelter tegenover diens zoon Martin Luther King III, bezoekt hij de plekken waar de burgerrechtenbeweging tot volle wasdom kwam en ontmoet hij zowel oude kameraden en strijdmakkers als jongeren die waken over Kings erfgoed.

Klinefelters trip nostalgia, begeleid door zijn eigen voice-over in Amerikaans Nederlands en doorsneden met archiefbeelden van ankerpunten uit de bevrijdingsstrijd van Afro-Amerikanen, zorgt niet voor nieuwe inzichten, maar zet de schijnwerper nog eens vol op de moed en invloed van hun grote leidsman Martin Luther King, die op 4 april precies vijftig jaar dood is.

The Century Of The Self


Voor Adam Curtis zijn documentaires een soort hoorcolleges. Waarbij hij zelf als alwetende verteller niets minder dan ‘de wereld’ doceert. De documentairemaker als bevlogen leraar, aan wiens lippen we – of we nu willen of niet – blijven hangen.

Een controversiële leraar, dat wel. Met een geheel eigen kijk op de mens en zijn wereld en geschiedenis. Die hij ons met dwingende stem en (die verzin ik er nu even bij) priemende ogen oplegt. Hij ondersteunt zijn betoog bovendien met een overdonderende collage van (archief)beelden. Opdat wij nooit zullen vergeten.

Dat uitgangspunt heeft al een hele zwik intrigerende televisiedocumentaires opgeleverd, waarbij het nog een hele opgave is om te reproduceren waarover ze précies gaan. The Century Of The Self (234 min.), een essay in vier delen uit 2002, verbindt in elk geval de theorieën van Sigmund Freud over het onderbewuste met het gedachtengoed van zijn neef Edward Bernays, de aartsvader van de Public Relations en propaganda.

Dat heeft volgens Curtis niet alleen geleid tot businessmodellen die de mens via zijn onderbewuste stelselmatig uitbuiten, maar ook tot een fnuikend maatschappijmodel waarbinnen de elite, een terugkerend thema in het omvangrijke oeuvre van de Britse regisseur, het volk nét iets te gemakkelijk onder de duim kan houden. Geloof ik.

Als documentaires tot (kritisch) nadenken moeten aanzetten, dan is Adam Curtis de ultieme documentairemaker. Geen brug is hem te ver; van de paralellen tussen het Amerikaanse neoconservatisme en moslimfundamentalisme (The Power Of Nightmares) tot de alternatieve realiteit die hedendaagse machthebbers creëren om controle te houden (zijn nieuwste film HyperNormalisation).

Op het YouTube-account van Adam Curtis zijn deze en nog een aantal andere films van hem te bekijken. Ter leering ende vermaeck.

Liefde Is Aardappelen

 

‘Met een volle buik begrijp je een hongerlijder niet’, zegt tante Valja, die het contact blijft afhouden, halverwege Liefde Is Aardappelen tegen haar nicht (en filmmaakster) Aliona die in Nederland is opgegroeid en het verhaal van haar Russische familie probeert te ontrafelen. Daarna verbreekt tante resoluut de telefoonverbinding.

De afstand tussen Aliona van der Horst en haar Russische familieleden speelt vaker op in deze kalme en poëtische film. Ze heeft een klein stuk geërfd van het huis waarin haar moeder en vijf zussen zijn opgegroeid, zes vierkante meter om precies te zijn, en probeert van daaruit samen met haar tantes hun familiegeschiedenis te reconstrueren. Moeder Zoja is intussen ernstig ziek in Nederland achtergebleven.

Met behulp van brieven, foto’s en, ja, schoenen roept Van der Horst tevens de historie op van een verloren land, de communistische Sovjet-Unie. Zo zijn de herinneringen van haar tantes bijvoorbeeld doordesemd met gedachten aan hongersnood, aan de tijden dat de Russische leider Stalin boeren verordonneerde om hun oogst in te leveren bij De Staat en het gewone volk intussen liet omkomen van de honger.

Fraaie animaties van de Italiaanse kunstenaar Simone Massi verbinden in Liefde En Aardappelen (90 min.) het grote verhaal van de Russische plattelandsvrouwen met de kleine, tragische familiehistorie. De honger duurde van de jaren dertig tot de jaren vijftig, schrijft Van der Horst daarover op haar blog Love = Potatoes. ‘Maar er was net genoeg om niet te sterven. Een paar kinderen niet meegerekend.’

Het Stalinisme heeft intussen voor angst gezorgd die zich heeft vastgezet in gewone Russen. De documentairemaakster ziet het decennia later nog altijd terug in haar eigen familie. De ene tante heeft haar toevlucht gezocht tot het christendom en communisme, een andere probeerde simpelweg te vergeten. Haar eigen moeder is het land zelfs ontvlucht om te trouwen met een Nederlander – en heeft nu bovendien een nichtje huiswaarts ‘gestuurd’ om hun familiegeschiedenis op te tekenen.

Wormwood

 

Was het zelfdoding, een tragisch ongeval of toch moord? Eric Olsons vader viel in 1953 van de dertiende verdieping van een New Yorks hotel en liet een totaal verbijsterd gezin achter. Ruim twintig jaar tastten zijn vrouw en kinderen volledig in het duister over de ware toedracht van zijn dood. Totdat in 1975 uit onderzoek van de zogenaamde Rockefeller-commissie bleek dat Frank Olson het slachtoffer was geweest van een CIA-experiment. Zonder dat hij het wist had iemand LSD in zijn drankje gedaan.

Dat uiterst wrange gegeven vormt het startpunt van de zesdelige serie Wormwood (261 min.) van meesterregisseur Errol Morris, die Olsons dood en de meer dan zestig jaar omspannende zoektocht van diens zoon Eric naar de waarheid aangrijpt om een metaverhaal op te tuigen over het eerste slachtoffer in elke (psychologische) oorlog: diezelfde waarheid. In ‘de echokamer van zijn jeugd’ hoort Eric steeds weer de waarschuwende woorden van zijn angstige moeder, die zijn eigen leidmotief zullen worden: ‘Jij zult nooit weten wat er in die kamer gebeurd is.’

Morris, de regisseur van zo’n beetje de allereerste true crime-docu (The Thin Blue Line), het Oscar-winnende portret van de architect van de Vietnam-oorlog (The Fog Of War) en een duizelingwekkende film over het Abu Ghraib-martelschandaal (Standard Operating Procedure), legt in zijn nieuwste tour de force een naargeestige schemerwereld bloot. ‘Als een kind een volwassene voor zich heeft die een masker draagt kan het dat als een spelletje zien’, zegt hoogleraar filosofie Richard Boothby halverwege aflevering twee. ‘Maar als het masker afgaat en er nog een masker onder zit raakt het in paniek. Complete verwarring. Ik denk dat Eric dat ervaren heeft.’

Morris zorgt er intussen wel voor dat Wormwood nooit een reguliere whodunnit wordt. Alternerend tussen traditionele documentaire-sequenties, waarin hij zoals gebruikelijk veel tijd inruimt voor interviews en zorg besteedt aan de setting daarvan, en gedramatiseerde scènes, met Peter Sarsgaard en Molly Parker als het echtpaar Olson dat zijn eigen onheil tegemoet gaat, onthult hij op virtuoze wijze de inktzwarte historie van de CIA, die in de hoogtijdagen van de Koude Oorlog alles uithaalde wat God – of gewoon de Amerikaanse grondwet – verboden had.

Wormwood, een term die is geleend uit Hamlet, is heel veel dingen tegelijkertijd: een schrijnende familiegeschiedenis, verpakt in een enerverende psychologische thriller. Een zeldzaam overtuigende hybride van docu en drama. En een duizelingwekkend labyrint van liefde en verraad om urenlang in te verdwalen. Met de onmiskenbare signatuur van Errol Morris, een van de origineelste documentairemakers van de laatste decennia, die zijn kijkers hier net zo doortrapt manipuleert als die vermaledijde CIA ooit deed.

56 Up


Het was, bot gezegd, letterlijk een kwestie van tijd voordat de eerste van de veertien hoofdpersonen van de legendarische Up-serie zou komen te overlijden. Sinds 1964 maakten ze elke zeven jaar de balans op voor de camera van Michael Apted, die vanaf de allereerste editie bij de documentaireserie betrokken is. Intussen zijn ze net in de zestig en komt dus ook het einde van hun opvallend openbaar geleefde levens nabij.

In 2013 stierf de eerste Up-hoofdpersoon, Lynn Johnson. Een jaar eerder, bij de achtste aflevering 56 Up (137 min.) was de bonte verzameling Britten, geselecteerd uit zowel de working als upper class, nog volledig intact – al is een enkeling onderweg afgehaakt. Het onderliggende thema van deze editie was beeldvorming; in hoeverre herkenden de hoofdpersonen zich in het beeld dat van hen was vastgelegd in het collectieve geheugen?

Hoewel ze zelf regelmatig twijfelen over hun deelname aan de serie, die je ook gerust kun zien als een voorloper van reality-televisie, denk ik niet dat de kunstvorm documentaire, met al z’n beperkingen, ooit dichter bij het echte leven kan komen dan in de Up-serie. Het is alsof je als kijker opgroeit en meeleeft met aansprekende menschen van vleesch en bloed zoals volksjongen Tony, bijstandsoma Jackie en de neuroticus Neil (wier levens door mij nu zelfs tot een enkel woord zijn teruggebracht).

In 2019, nog maar twee jaartjes wachten dus, zal ongetwijfeld 63 Up verschijnen. Michael Apted, die ook allerlei televisieseries en speelfilms (zoals de James Bond-film The World Is Not Enough) regisseerde, is dan 78. Hij is echter vast van plan om tot zijn eigen dood door te gaan met zijn levenswerk, ‘de langstlopende serie op televisie’. Laten we in dat kader onze ‘fingers crossed’ houden en hem intussen een dikke ‘thumbs up’ geven.

De Stamhouder

 

Een onvervalste bestseller is nog geen garantie voor een overrompelende film. In het boek De Stamhouder heeft journalist en voormalig correspondent in Moskou Alexander Münninghof op meeslepende wijze zijn bijzondere familiehistorie opgetekend.

De gelijknamige documentaire van Ger Poppelaars voelt een beetje als een herhalingsoefening. De Stamhouder (55 min.) is traditioneel van opzet, erg praterig (met bovendien een tamelijk statige voice-over) en raakt slechts zelden het grote drama aan dat het boek zo bijzonder maakt.

Waar het verhaal van Münninghofs moeizame relatie met zijn vader, die in de tweede wereldoorlog voor de Waffen-SS koos, in zijn autobiografie bijvoorbeeld vonkt en schrijnt, blijft die in de film tamelijk vlak. Alexander is een uitstekende, beschouwende verteller, maar wordt voor de camera nooit echt zoon.

De geschiedenis van de Münninghofs, die de familie van Riga tot pak ’m beet Oss heeft gevoerd, blijft niettemin een heel bijzonder verhaal. En op de momenten dat de hoofdpersoon wordt geportretteerd te midden van zijn eigen gezin, weet deze verfilming zich soms heel even aan de schaduw van het boek te ontworstelen.

De Strijd Om Het Srebrenica Museum

 

Ruim twintig jaar na dato zorgen de verwikkelingen rond de genocide in Srebrenica, en de rol van de Nederlandse Dutchbat-militairen daarin, nog altijd voor verhitte discussies. Bij het dorp in het voormalige Joegoslavië werden in 1995 zeker 8000 moslimmannen vermoord door Bosnisch-Servische troepen. En Nederland voelt zich daarvoor (mede)verantwoordelijk.

Kamp Westerbork en PAX hebben de opdracht gekregen om de ‘wiedergutmachungssteun’ die Nederland sinds de volkerenmoord heeft gegeven ter plaatse tot een passend eind te brengen met een expositie. Daarmee begeven ze zich in een politiek mijnenveld, waarbij er elk moment een explosief kan afgaan.

Want recente historie laat zich niet zomaar terugbrengen tot geobjectiveerde feiten. Elke belangengroep, van ‘de weduwen van Srebrenica’ tot Dutchbat-veteranen, heeft zijn eigen visie op die werkelijkheid. Binnen dat spanningsveld proberen de historici een verantwoorde expositie samen te stellen.

Dat betekent politiek bedrijven. De bewogen documentaire De Strijd Om Het Srebrenica Museum (54 min.) van Kay Mastenbroek laat zien dat dit, om Von Clausewitz nog maar eens te parafraseren, gewoon een voortzetting van oorlog kan worden. Met geheel andere middelen, verklarende teksten en illustratief beeldmateriaal bijvoorbeeld, dat wel.