For All Mankind

Criterion Collection

‘The Beatles hebben aangekondigd dat ze niet meer zullen optreden als groep’, klinkt het in één van de korte nieuwsbulletins, die de astronauten van het Apollo-ruimteproject dagelijks krijgen voorgeschoteld. ‘Het kwartet heeft volgens berichten ruim een half miljoen dollar verdiend tijdens z’n bestaan. De geruchten dat ze een eigen ruimtevaartprogramma gaan starten zijn echter vals.’

Alles wat ik weet, mijn familie, mijn bezittingen, mijn land, mijn vrienden, ze zijn allemaal daar beneden’, vertelt één van de Amerikaanse ruimtevaarders even later in deze impressie van de negen bemenste Apollo-vluchten naar de maan, die de North American Space Agency (NASA) ondernam tussen 1968 en 1972. ‘Ze voelen allemaal zo onbeduidend, vergeleken met de oneindige ruimte.’ Daar waren ze ook bepaald niet alleen voor zichzelf, heeft de Amerikaanse president John F. Kennedy hen dan al voorgehouden in een klassieke speech, die tevens dienst doet als openingsscène voor deze klassieke documentaire van Al Reinert uit 1989 – niet te verwarren overigens met de gelijknamige dramaserie over een fictieve ruimtewedloop tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Ze waren er, aldus JFK in één van zijn typisch Amerikaanse vergezichten, For All Mankind (80 min.). En Brian Eno verzorgde de sferische soundtrack.

Want deze astronauten gingen daadwerkelijk dapper naar, vrij naar Star Trek, ‘where no man has gone before’. Op de adembenemende beelden die van hun missies zijn gemaakt ogen ze desondanks maar al te menselijk: scherend, luisterend naar hun favoriete muziek en – verplicht in ruimtefilms, waarin het ontbreken van de zwaartekracht moet worden benadrukt – hannesend met hun dagelijkse eten. Als de 24 crewleden (lees: mannen) van de Apollo-vluchten, van wie er dertien daadwerkelijk aan het woord komen in deze film, reflecteren op hun belevenissen in de ruimte blijven ze echter buiten beeld en wordt ook hun naam niet getiteld. Niemand is immers groter dan de missie. Zelfs Neil Armstrong niet, de eerste mens (lees: man) op de maan. De man ook achter de legendarische woorden ‘The Eagle has landed’ – en de overtreffende trap daar nog van: ‘One small step for man, one giant leap for’ – jawel! – ‘mankind’.

Wat For All Mankind, waarvoor Reinert de beschikking kreeg over NASA-beeldmateriaal dat tot dan nog niet openbaar was gemaakt en waaraan hij maar liefst tien jaar werkte, nog eens ondubbelzinnig aantoont is hoe ontzagwekkend de avonturen van het Amerikaanse ruimteagentschap waren.  Geen enkele participant – in het ruimtevaartuig zelf of bij mission control, het zenuw(en)centrum te Houston waar eventuele problemen konden worden gemeld en hopelijk ook opgelost – was in staat om de onderneming volledig te overzien. Samen bleken ze echter wel degelijk toegerust op de grootste der grote opdrachten. Voor de gehele mensheid, zei Kennedy al.

Krigsplan Europa

DR Sales

De NAVO bereidt zich voor op een grootschalige oorlog, waarbij Rusland op verschillende plekken in Europa zou kunnen aanvallen, constateert de Deense journalist Niels Fastrup als hij in juni 2025 terugkeert vanuit Polen. Hij heeft daar een gesprek gehad met generaal-majoor Brian Nissen. Die noemt de situatie vooralsnog ‘stabiel’. Op dit moment heeft Vladimir Poetin niet de militaire capaciteit om direct operaties te starten, stelt hij. ‘Dat kan echter snel veranderen als Rusland troepen vrij kan maken uit Oekraïne.’

Fastrup wil in Krigsplan Europa (internationale titel: Preparing For War, 52 min.) onderzoeken hoe groot de Russische dreiging werkelijk is – en hoe goed de NAVO daarop is voorbereid. Daarvoor trekt hij op met zijn collega Lisbeth Quass. Zij verdiepen zich samen al jarenlang in Ruslands hybride oorlog tegen Europa. Voor dit gevoelige onderzoek roepen ze bovendien de hulp in van enkele Noorse journalisten, de voormalige Finse inlichtingenofficier Marko Eklund en een geanonimiseerde Russische bron, die namens de anti-Poetin organisatie Dossier Center explosieve geheime informatie met hen deelt. Rusland wil op termijn, zo maakt die duidelijk, militair, politiek en economisch de confrontatie zoeken met Europa.

De komende jaren gaat het regime alvast allerlei regionale conflicten oppoken. Dit moet uiteindelijk leiden tot ‘een fundamentele verandering in het politieke systeem in Europa.’ In dat kader is Rusland, meldt de bron, bijvoorbeeld nu al van plan om het luchtruim van de NAVO-landen te gaan schenden. Slechts enkele maanden later komen zowaar de eerste meldingen binnen over ongeïdentificeerde, vermoedelijk Russische, drones die landen zoals Polen binnendringen. Die worden overigens ook terstond neergehaald. Fastrup gaat ondertussen verhaal halen bij Brian Nissen. Op welke oorlog bereidt de NAVO-commandant zich eigenlijk voor? vraagt hij tot besluit. ‘De oorlog die nooit zal komen’, zegt Nissen, vermoedelijk ook tegen zichzelf.

Regisseur Simon Lereng Wilmont (The Distant Barking Of Dogs / A House Made Of Splinters), kijkt daarnaast mee als Fastrup en Quass een online interview hebben met Sergey Karaganov, een voormalig adviseur van Vladimir Poetin. Die schetst een totaal ander beeld: Rusland is keer op keer bedrogen door het westen. ‘De NAVO moet gedumpt worden in de vuilnisbak van de geschiedenis’, zegt hij dreigend. ‘Zonder mogelijkheid om te ontsnappen.’ Want vroeger of later is het afgelopen met Ruslands geduld met de NAVO. ‘Dan zullen we moeten escaleren, eerst met conventionele middelen. En als dat niet helpt en Europa geeft niet toe, dan zullen we dit moeten afstraffen met de beperkte inzet van nucleaire wapens.’

Na die onheilspellende woorden is het aan de Deense onderzoeksjournalisten en hun team om te ontdekken of ’s mans teksten grootspraak zijn of onderdeel van een reëel doemscenario voor de nabije toekomst. En wie provoceert nu eigenlijk wie? Opereert de NAVO inderdaad alleen defensief? Of voelt Poetin zich terecht bedreigd? Krigsplan Europa serveert alle bevindingen met de nodige suspense uit en laat in clandestiene gesprekken ook nog onherkenbaar gemaakte Russische soldaten aan het woord. Hun boodschap is duidelijk: zij schromen niet om straks ook ten strijde te trekken tegen andere Europese landen. ‘We leven niet in vrede’, reageert NAVO-generaal Brian Nissen met gevoel voor understatement, ‘maar zijn ook nog niet in oorlog.’

The Librarians

Dogwoof

The Cider House Rules, Fahrenheit 451 en – natuurlijk – The Handmaid’s Tale. Zomaar enkele titels van de 850 boeken die de Republikeinse volksvertegenwoordiger Matt Krause in 2021 wil laten verwijderen uit de schoolbibliotheken van de Amerikaanse staat Texas. De thema’s van de boeken die in de ban moeten worden gedaan zijn voorspelbaar: seksuele voorlichting, LHBTIQ+-onderwerpen en alles wat maar onder de term ‘woke’ kan worden geschaard.

Het vak van bibliothecaris was, kortom, nog nooit zo spannend en – werkelijk waar! – gevaarlijk als in het hedendaagse Amerika. The Librarians (86 min.) staan, ongewild, in de vuurlinie van een cultuuroorlog die door conservatieve christenen is opgestart. Binnen de kortste keren kan een verontruste ouder een officiële klacht indienen omdat zijn of haar kind is blootgesteld aan Lentekriebels-achtige pornografie. De jaarlijkse conferentie van bibliotheekmedewerkers moet zelfs beveiligd worden.

Regisseur Kim A. Snyder (Newtown / Us Kids) laat de informatie-intermediairs in deze actuele documentaire uitgebreid aan het woord, soms uit veiligheidsoverwegingen geanonimiseerd. Daarnaast spreekt ze ideologische opponenten – althans, zo zien die dat zelf – zoals Tiffany Justice en Tina Descovich van de conservatie organisatie Moms For Liberty, die ter bescherming van Amerika’s kinderen aan een kruistocht tegen vulgair, pornografisch en ander schadelijk lesmateriaal zijn begonnen.

De vrijheid van meningsuiting komt ernstig in de verdrukking door zulk modern McCarthyisme, waarbij censuur en zelfcensuur hand in hand gaan. Op zwarte lijsten, aanklachten en authentieke boekverbrandingen volgen bijna automatisch een pijnlijk stilzwijgen. Intussen krijgt volkshysterie, veelal op religieuze grondslag, alle ruimte om voort te woekeren en spinnen slinkse populistische politici zoals Ron DeSantis, de Republikeinse gouverneur van Florida, daar weer garen bij.

Met politieke benoemingen in schoolbesturen en gecoördineerde campagnes wordt een oerconservatieve ideologie opgedrongen aan kinderen en tieners. En de bibliothecaris die zich daartegen verzet loopt het risico ontslagen, aangehouden of zelfs uit de weg geruimd te worden. De conservatieve activist Bruce Friedman de zelfverklaarde ‘Michael Jordan of book banning’ spreekt bijvoorbeeld uit dat hij bibliotheken koste wat het kost wil zuiveren. En iedereen die in zijn weg staat? ‘Run over them like a dead body.’

John Irving, Ray Bradbury en Margaret Atwood hadden ‘t zo gek niet kunnen verzinnen. Bijna dan.

Alive Inside: A Story Of Music And Memory

Bond / 360

Kom eens een dagje bij me filmen, zei sociaal werker Dan Cohen ooit tegen filmmaker Michael Rossato-Bennett. Die ene dag werd drie jaar. Samen maakten ze een sprankelende reis door de menselijke geest, via ouderen met dementie en hun relatie met muziek. In 2014 verscheen de weerslag daarvan: Alive Inside: A Story Of Music And Memory (78 min.).

Het procedé oogt al snel vertrouwd: we zien een oudere Amerikaan in het verzorgingshuis Cobble Hill, die in het gat is gevallen dat ooit zijn geheugen was. Hij of zij is nauwelijks meer aanspreekbaar. Daarna toont Rossato-Bennett met foto’s en verhalen van dierbaren de persoon die nog ergens in die verstopte geest en dat broze lijf verscholen moet zitten. En als een duveltje uit een doosje tovert Cohen die vervolgens toch weer tevoorschijn. Met een heel eenvoudig instrument, dat alleen niet wordt vergoed door de zorgverzekering: een iPod met koptelefoon.

‘Er bestaat geen pil die dat kan’, stelt Dan Cohen. ‘Een medicijn kan hooguit de vonk dempen of het licht dimmen, maar kan die nooit naar buiten halen.’ En dat geldt bepaald niet alleen voor ouderen met dementie, toont Rossato-Bennett. Muziek kan ook anderen uit hun isolement halen: psychiatrische patiënten, slachtoffers van oorlogsgeweld in Congo of mensen die vanwege een lichamelijke aandoening aan een ziekenhuisbed zijn gekluisterd. Muziek is ‘the quickening art’, volgens de befaamde neuroloog Oliver Sacks (Awakenings), de kortste route naar het binnenste van de mens.

Het is een kunstvorm die de gehele mens kan raken en die ‘de film die alleen in iemands hoofd wordt afgespeeld’, ook wel geheugen genoemd, weer kan aanzetten. Via Louis Armstrong, The Andrews Sisters of Beach Boys komen beelden, geuren én danspasjes weer terug – ook al is het maar voor even. ‘Ik onderzoek de Ziekte van Alzheimer al 38 jaar’, vertelt dokter Peter Davis. ‘Maar ik heb niets beters te bieden aan mijn patiënten dan muziektherapie.’ Het aanschaffen van iPods – we schrijven begin jaren ’10 – heeft echter meer voeten in de aarde dan wie dan ook zou willen.

Gelukkig zijn er beelden van ouderen zoals Henry, een Afro-Amerikaanse man die helemaal opleeft door gospelmuziek en zo viral gaat, om de zaak vlot te trekken. Behalve een pleidooi voor muziek als ontsluiter van de menselijke ziel wordt Alive Inside, aangestuurd met Rossato-Bennetts enigszins zijige voice-over, daardoor ook een soort aanklacht tegen gezondheidszorg, die mensen reduceert tot patiënten en definieert aan de hand van hun deficiënties. Deze docu toont overtuigend dat zij eerst en vooral nog altijd mens zijn – met een onbedwingbare liefde voor muziek.

McCartney – The Hunt For The Lost Bass

BBC / Freemantle / Dartmouth Films

Toen The Beatles in het voorjaar van 1970 uit elkaar gingen, raakte het instrument waarmee Paul McCartney groot was geworden vermist. Hij kocht de Höfner-vioolbasgitaar nadat Stu Sutcliffe, de oorspronkelijke bassist van de Britse band, in 1961 had besloten om voor de liefde in Hamburg te blijven en niet met de rest terug te keren naar Liverpool. Gitarist McCartney nam Sutcliffes taak toen over en kocht een bas die de hele Beatles-carrière meeging – en toen spoorloos verdween.

De zoektocht naar ‘de heilige graal van de rock & roll’ drijft de documentaire McCartney – The Hunt For The Lost Bass (87 min.) van Arthur Cary. Het is nog wel even de vraag om welke basgitaar het precies gaat: in 1963 kreeg McCartney namelijk een vervangende bas, van dezelfde Duitse fabrikant. Het oorspronkelijke instrument is waarschijnlijk voor het laatst vereeuwigd op een foto van de befaamde Let It Be-sessies in 1969. Jan en alleman heeft hem sindsdien echter nog gezien, vermoedelijk in de contreien van Bigfoot, het Monster van Loch Ness of Elvis.

Met de goedkeuring van Paul zelf, die ook zijn jongere broer Mike heeft gecharterd voor deze smakelijke film, gaat een medewerker van Höfner, Nick Wass, op zoek naar de befaamde basgitaar. Zijn echtgenote Cathy Harrison bedenkt een pakkende slogan: #TraceTheBass. De twee krijgen in 2023 versterking van een ander echtpaar, de ‘basdetectives’ Scott en Naomi Jones. Zodra hun zoektocht uitlekt naar de media, ontstaat er zelfs een soort nieuwe Beatlemania: de Joneses ontvangen binnen 48 uur zeshonderd e-mails met tips en aanknopingspunten.

Op het pad dat hen naar die befaamde bas moet leiden stuiten ze op een bonte stoet aan personages, zoals de Duitse graphic designer Klaus Voormann (die in Hamburg nog bijna zelf bassist van The Beatles was geworden), Pauls vakbroeder Elvis Costello, Wings-geluidstechnicus Ian Horne, de verdachte roadie Dik Mik, anti-Beatlesband Hawkwind en twee ambulancebroeders die helemaal idolaat zijn van de ‘fab four’. Via hen en die bas vindt Cary intussen een nieuw geitenpaadje naar de weg die McCartney en z’n bandje hebben afgelegd en die in docu’s al zo vaak is nagelopen.

The Last Class

Abramorama / CoffeeKlatch

Het wordt zijn laatste kunstje. Hoewel hij het idee dat ie met pensioen gaat verafschuwt, staat Robert Reich wel degelijk aan de vooravond van zijn laatste semester als docent aan de Universiteit van Berkely in Californië. Nog één keer gaat de vooraanstaande Amerikaanse econoom, ooit minister van arbeid in de Democratische regering van Bill Clinton, zijn reeks colleges over rijkdom en armoede geven.

De oorzaken en gevolgen van de toegenomen inkomensongelijkheid in de Verenigde Staten zijn sinds jaar en dag Reichs centrale thema. Ongelijkheid ondermijnt naar zijn stellige overtuiging ook de democratie. Dit idee heeft hij al eens uitgewerkt in de documentaires Inequality For All (2011) en Saving Capitalism (2017), die zijn gebaseerd op ’s mans bestsellers. The Last Class (71 min.) is vooral een eerbetoon aan een man die meer dan veertig jaar met alles wat ie had voor de klas heeft gestaan.

Met snippers uit zijn hoorcolleges, die bijna het karakter krijgen van theatervoorstellingen, toont regisseur Elliot Kirschner een meester aan het werk: orerend, ontregelend en zo nu dan ook even een denkpauze inlassend. Een docent die niet alleen wil zenden, maar ook de nieuwsgierigheid en het kritische denkvermogen van een nieuwe generatie Amerikanen wil stimuleren. Als tegengif tegen het ‘dumbing down’-klimaat dat hun land in zijn greep lijkt te hebben gekregen.

Tussendoor reflecteert Robert Reich op zijn leven. De kleine man, die als jongetje werd gepest, is zich een leven lang te weer blijven stellen tegen alle mogelijke pestkoppen en moet nu aanzien dat de ‘poster boy’ daarvan de lakens uitdeelt in de VS. Een echte leider, stelt Reich in dit soms wat brave portret, helpt z’n achterban juist om cynisme te overwinnen en schept ruimte voor diepgaand maatschappelijk debat. Protect the dissident, houdt hij zijn veelal linkse studenten in dat verband voor.

Want zolang het hem gegeven is, blijft hij onderwijzen. Ook nu het einde van zijn loopbaan en leven in zicht komen. Doceren is zijn roeping geweest, constateert Robert Reich geëmotioneerd als zijn laatste officiële college naderbij komt. Dat opgeven voelt als een aanzienlijk verlies. Hij oogt dan even als een gebroken man, die in vrijwel niets lijkt op de docent die z’n gehoor nog altijd uit zijn hand kan laten eten. De man die van z’n laatste kunstje toch maar weer een kunst heeft gemaakt.

Streetart Frankey

September Film

Met zijn guitige lach, pretoogjes en – jawel! – Frankey-rode muts zou hij kunnen doorgaan voor een personage uit zijn eigen oeuvre. Sterker, misschien is Streetart Frankey (68 min.) – want over hem hebben we ‘t – dat ook wel. Een naïeve, speelse en grappige kaaskopvariant op – pak ‘m gerust beet – de Britse straatkunstenaar Banksy.

Frankey is de man achter de legoversie van André Hazes op de Dam, een waterkraan die eruit ziet als Manneke Pis en de (Nederlandse) leeuw met het helpbordje die kopje onder gaat in een hoofdstedelijke gracht. Als een soort Kuifje in Amsterdam begeeft hij zich op het kruispunt tussen Maurizio Cattelan, Wim T. Schippers en – daar istie weer! – Banksy. Schatplichtig aan Suske en Wiske, Ghostbusters en Buurman & Buurman.

Peter Wingerder volgt Frankey, die eigenlijk – ssst! – Frank de Ruwe heet, van de ene vette knipoog naar de andere schelmenstreek. Samen met zijn geliefde Urs Hasham, die het ‘megaleuk’ vindt om mee te doen en mee te helpen, maakt ie van elke (on)bezonnen actie ook een lekkere foto, die onderdeel is van ’s mans alsmaar uitdijende collectie straatkunstwerkjes, waarmee hij ook best ’s werelds galerieën en musea in wil.

’s Mans strapatsen worden in deze joyeuze film opgeleukt met tekeningen van Typex en animaties van Ot Leendertse. Met een poppetje van een speels figuurtje met een Frankey-rode muts bijvoorbeeld. Zo heeft Streetart Frankey – de docu dus – uiteindelijk hetzelfde effect als het werk van de Nederlandse kunstenaar, designer en handige jongen met precies dezelfde naam: een mens wordt er zowaar vrolijk van.

Kom daar maar eens om in tijden waarin het begrip – lees het navolgende woord aub met gefronste wenkbrauwen –  ‘documentaire’ toch vooral associaties oproept met de oorlog in Oekraïne, het lijden van Gaza en de wankelende democratie in de Verenigde Staten. Over dat laatste gesproken: Frankey – en in zijn kielzog: Wingerder – is erbij als dat wankelen (weer) begint: tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2024.

Als de held van dit verhaal – nee, niet Donald Trump! – New York heeft voorzien van openbare Teenage Mutant Ninja Turtles en WALL-E verkeersborden, hijst hij zich in een levensgrote Hug For Unity-knuffelbeer. Voor de verandering zónder Frankey-rode muts. Als ie in dat pak, in het kader van de naderende verkiezingen, de straat op wil, moet Frankey echter wel een kogelvrij vest aan. Het blijft tenslotte Amerika.

Daar schrikt hij zich een hoedje – vast niet Frankey-rood – bij een campagnebijeenkomst van de Republikeinse presidentskandidaat: ‘nog nooit zo’n negatief event meegemaakt’. En dan wordt de zelfverklaarde held nog gekozen ook! Is de beoogde campagne ‘Frankey Comes To America’ daarna nog wel gepast? vraagt de echte held – Streetart Frankey dus – zich dan af. Al te lang laat hij zich echter niet uit het veld slaan. De plicht/pret roept!

En dus eindigt deze documentaire waar ie begon: bij een zorgvuldig voorbereide en secuur uitgevoerde ludieke actie van de Frankey-rode muts en het mannetje daaronder, de enige echte Frankey.

Gedwongen Geloften

BNNVARA

Het onzegbare is misschien nog wel uit te spreken, maar hoe breng je dit dan in beeld? Roxanne Herder en Eva Strating hebben voor Gedwongen Geloften (53 min.), hun documentaire over Nederlandse vrouwen die werden gedwongen om te trouwen en/of getrouwd te blijven, een creatieve oplossing gevonden: ze introduceren enkele jonge actrices die eerst via een koptelefoon het persoonlijke verhaal van een slachtoffer beluisteren en dit daarna zelf, vanuit een neutraal ingerichte kamer, uitspelen voor de camera.

Zo werd ‘Sarah’ door haar ouders verplicht om naar Somalië te gaan, om daar met een oom te trouwen. Die zou dan ook een Nederlands paspoort krijgen. ‘Nadia’ werd in Afghanistan voor 10.000 dollar verkocht. Haar paspoort werd afgepakt, de beoogde echtgenoot ontmoette ze pas op de huwelijksdag. En ‘Zainab’, die in Nederland een vriendje had gekregen, dreigde door haar familie naar Turkije te worden gebracht, zodat haar vader haar daar kon uithuwelijken. Bij een supermarkt in Bulgarije sloeg ze op de vlucht.

Behalve Nederlandse vrouwen van buitenlandse komaf, met een islamitische achtergrond, introduceren Herder en Strating ook ‘Deborah’, een vrouw die opgroeide in een zwaar gereformeerde omgeving. Toen haar huwelijk uitmondde in huiselijk en seksueel geweld, wilde zij zich daarvan losmaken. Als dochter van een dominee was een echtscheiding echter niet aan de orde. En hoewel haar echtgenoot later werd veroordeeld, was het toch Deborah die door haar gemeenschap als de dader werd aangemerkt.

Hun tragische verhalen worden in deze indringende film ingekaderd door de Pakistaans-Nederlandse mensenrechtenactiviste Shirin Musa, die de vrouwen op alle mogelijke manieren bijstaat en die zich met haar organisatie Femmes For Freedom sterk maakt voor hen. Ze ijvert bijvoorbeeld voor de zogeheten ‘dochterregeling’, zodat voormalige (kind)bruiden die hier zijn opgegroeid en tijdens een gedwongen verblijf in het buitenland hun nationaliteit en verblijfsrecht zijn kwijtgeraakt, weer kunnen terugkeren naar Nederland.

Musa kent de problematiek van binnenuit. Haar betrokkenheid is volgens eigen zeggen ontstaan ‘vanuit persoonlijke wanhoop en groot verdriet’. Zij weet dus hoe belangrijk ‘t is om een bondgenoot te vinden, liefst ook in de Nederlandse overheid, en om een stem te krijgen als je mensenrechten met voeten worden getreden.

Cure For Pain: The Mark Sandman Story

Gatling Pictures

‘Wat, in godsnaam, is dát?’ De Amerikaanse zanger en gitarist Ben Harper kan zich in de documentaire Cure For Pain: The Mark Sandman Story (86 min.) uit 2011 nog zo voor de geest halen wat hij dacht toen hij Morphine voor het eerst hoorde. Ruim 25 jaar na de dood van frontman Mark Sandman is de sound van het trio uit Boston, Massachussets, nog altijd uit duizenden herkenbaar. En dat heeft alles van doen met de totaal uitgeklede bezetting van de band: een tweesnarige basgitaar, drums en die alomtegenwoordige baritonsaxofoon. En dan Sandmans lijzige stem eroverheen. Een onvervalste ‘king of cool’, aldus collega-zanger Dicky Barrett van The Mighty Mighty Bosstones.

‘Low rock’, dubde de enigmatische zanger/bassist Mark Sandman (1952-1999) hun muziek ooit. ‘Ik bedoel: neukrock.’ Donkere, sexy songs, met flinke scheuten jazz, poëzie en film noir erin. Deze documentaire van Robert Bralver en David Ferino vertelt het verhaal achter die muziek. Ze ontsluiten Morphine, de groep waarvan Sandman in de jaren negentig, samen met zijn ‘surrogaatbroers’, drummer Billy Conway (drums) en Dana Colley (saxofoon), een absolute cultband maakte. Totdat een hartaanval tijdens een festivaloptreden in het Italiaanse Palestrina, op 3 juli 1999, hem op 46-jarige leeftijd fataal werd en die groep definitief naar de popgeschiedenisboeken verwees.

Ondanks de aanwezigheid van vakbroeders zoals Josh Homme (Queens Of The Stone Age), Les Claypool (Primus), Mike Watt (The Minutemen) en Chris Ballew (The Presidents Of The United States Of America) is Cure For Pain echter geen film over platencontracten, studio-opnames en topconcerten. Morphines carrière fungeert vooral als decor voor Mark Sandmans levensverhaal. Beter: Sandmans familieverhaal. Nadat zijn gezin was getroffen door een enorm drama, besloot hij, de artistiek aangelegde oudste zoon, om uit te vliegen en iets bijzonders van z’n leven te maken. En het tragische daarvan is dat zijn ouders pas na z’n dood ontdekten dat dit ook behoorlijk was gelukt.

Enkele jaren later heeft Sandmans moeder Guitelle nog geprobeerd om die familiegeschiedenis op papier te krijgen. Citaten uit haar boek Four Minus Three: A Mother’s Story (2006) dienen tevens als onderlegger voor dit postume portret van haar zoon Mark, die zich nooit helemaal in de kaarten liet kijken, soms een enorme klootzak kon zijn en intussen floreerde in zijn eigen kleine hoekje van de alternatieve muziekwereld.

Project Nim

HBO

Nim Chimpsky is in november 1973 nauwelijks geboren in de Birthing Compound van het Institute For Primate Studies te Oklahoma of de babychimpansee wordt weggehaald bij z’n moeder Carolyn. Project Nim (95 min.) kan van start. De jonge aap zal in het gezin van Stephanie LaFarge worden opgevoed als een normaal mensenkind. Ze gaan hem gebarentaal leren.

Dit wetenschappelijke project is het geesteskind van de psycholoog Herbert Terrace van Columbia University. Met het experiment wil hij zijn bijdrage leveren aan het aloude nature-nurture debat. Al snel haalt Terrace Nim toch weer weg bij de LaFarges. De chimpansee heeft bepaald geen klik met Stephanies echtgenoot Wer. Hij wordt daarna geplaatst in een zorgvuldig afgeschermde omgeving, waar een jonge assistente, Laura-Ann Petitto, een speciaal educatieprogramma voor hem opzet.

Ook zij zal Nims leven echter relatief snel weer verlaten. Als de relatie die zij – natuurlijk, zou je bijna zeggen – met Terrace is begonnen spaak loopt. Ze laat de aap achter, met een aanzienlijke woordenschat en nog veel meer brute kracht. Nim is inmiddels nauwelijks meer te beteugelen als iets hem niet zint. En van zulke momenten komen er meer en meer. Totdat het, halverwege deze documentaireklassieker van James Marsh (Wisconsin Death Trip / Man On Wire) uit 2011, goed fout gaat.

Als het wetenschappelijke experiment vervolgens wordt afgebroken, belandt de mensaap weer gewoon tussen z’n soortgenoten – en krijgt hij daadwerkelijk een beestenleven, uiteindelijk zelfs als proefkonijn. Laura-Ann Petitto had ‘t al voorzien. ‘You can’t give human nurturing to an animal that can kill you’, constateert ze afgemeten in deze pijnlijke, met fraai archiefmateriaal aangeklede film, die Terrace’s taalonderzoek met de onfortuinlijke chimpansee als totaal onverantwoord neerzet.

De wetenschapper zelf is overigens van mening dat de kwaliteit van zijn werk ernstig tekort wordt gedaan in Project Nim. De documentaire portretteert hem bovendien als zo’n wetenschapper die anderen slechts als pion in z’n eigen spel ziet – zoals er wel meer leken te zijn in de jaren zestig en zeventig. Wat daarnaast beklijft zijn de beelden van een aap die ogenschijnlijk ontspannen met een kat kroelt, zindelijkheidstraining krijgen en samen met z’n mensenvrinden zowaar een joint rookt.

Net een mens – maar nooit echt, natuurlijk.

Justice For Sale

IF Productions

Volgens de Congolese vrouw Sifa Mbala is ze op 13 mei 2008 verkracht. Het politierapport spreekt echter van een dag eerder, 12 mei. En het slachtoffer van dit seksuele geweld blijkt zich nóg een dag eerder, op 11 mei 2008, al bij het ziekenhuis te hebben gemeld. Pro deo-advocaat Claudine Tsongo kan ‘t nauwelijks geloven: ondanks deze overduidelijke ongerijmdheden is haar cliënt, de militair Masamba Masamba, bij een verkrachtingstribunaal tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld. ‘Wat was het bewijs?’, vraagt ze zich af. ‘Ik zie ‘t niet.’

Tsongo is bij de zaak betrokken geraakt via de Nederlandse documentairemakers Ilse en Femke van Velzen. Zij maakten al twee films over seksueel geweld in Congo: Fighting The Silence (2007) en Weapon Of War (2009). Zij registreerden in dat kader ook de berechting van Masamba en vonden de gang van zaken daarbij toch wel héél opmerkelijk. ‘Ik ken haar lichaam niet’, hield de verdachte militair toen staande. ‘Ik zou niet weten hoe wij seks hadden kunnen hebben. Als zij beweert dat ik haar heb verkracht, laat haar dan met bewijs komen. Ik heb haar helemaal niet verkracht.’

In de observerende documentaire Justice For Sale (82 min.) uit 2011, het derde deel van hun Congo-trilogie, alterneren de tweelingzussen Van Velzen voortdurend tussen de oorspronkelijke rechtszaak tegen Masamba, die soms Kafkaëske vormen aanneemt, en de pogingen van de kordate mensenrechtenadvocate Claudine om de waarheid boven tafel te krijgen. Zij spreekt niet alleen met haar cliënt, diens echtgenote en zijn advocaat, maar reist ook naar het slachtoffer, haar advocaat en de man die verantwoordelijk lijkt te zijn voor de aangifte tegen Masamba, Sifa’s echtgenoot.

Gaandeweg ontstaat bij Tsongo de overtuiging dat Masamba méér is dan de zoveelste man die ontkent dat hij de grenzen van een vrouw heeft overschreden en die zich erop beroept dat er geen bewijs is. Hij zou inderdaad wel eens onschuldig kunnen zijn. Wellicht zit de reden voor deze beschuldiging in een meningsverschil met kapitein Mbala over een verdwenen telefoon. En omdat Congo, na een verpletterende burgeroorlog waarin seks stelselmatig als wapen is ingezet, schoon schip wil maken, lijkt een man die wordt beschuldigd van verkrachting bij voorbaat al veroordeeld.

Daarmee heeft Justice For Sale een wezenlijk andere insteek dan de twee eerste Congo-films van Ilse en Femke van Velzen. In Fighting The Silence en Weapon Of War tonen ze de enorme schade die seksueel geweld kan aanrichten in een samenleving, terwijl deze derde documentaire juist laat zien hoe de reactie daarop ook weer kan doorslaan. Als slachtoffers en hun advocaten op alle mogelijke manieren worden bijgestaan door lokale en internationale hulporganisaties, die ook de rechters op hun hand hebben, komt de onafhankelijkheid van de rechtspraak in het geding.

Deze film heeft er in elk geval voor gezorgd dat de zaak tegen Masamba nog een vervolg heeft gekregen.

Starsuckers

S2S

Dik vijftien jaar geleden was Starsuckers (101 min.) bedoeld als een waarschuwing: een wereld die volledig is gefocust op beroemdheid en celebrities richt zichzelf ten gronde, te beginnen met de kinderen.

De Britse documentairemaker Chris Atkins, later overigens nog in opspraak geraakt, introduceert bijvoorbeeld het wannabe-kindsterretje Ryan, een Amerikaans joch van zes dat door zijn ouders wordt uitgedost als een soort mini-LL Cool J en vervolgens echt overal aan de man wordt gebracht. Hij moet wereldberoemd worden – en zij met hem, en liefst ook nog rijk. Het is bijna onmogelijk om geen kidfluencer en familievloggers in het gezinnetje te zien.

Zoals met hedendaagse ogen ook de nodige influencers zijn te ontwaren in Starsuckers – ook al bestond die term in 2009 nog niet of nauwelijks. De New Yorker Wesley Autrey redde ooit bijvoorbeeld een man van een rijdende trein, door bovenop hem te gaan liggen. Op die manier kon de trein over hen heen rijden. Zo’n tweeduizend interviews later vraagt Autrey zich af of hij zich misschien kandidaat moet stellen voor een publiek ambt. Aan populariteit geen gebrek.

Bagagemedewerker John Smeaton zou in 2007 op het vliegveld van Glasgow enkele terroristen een halt toe hebben geroepen. Rond deze volksheld ontstaat vervolgens een ongelofelijke mediahype. Totdat enkele collega’s, die er ook bij zijn geweest en in de publiciteit helemaal genegeerd worden, zich tegen hem keren. ‘Smeato’ reageert laconiek: there is no bad publicity. En doorrr… in een film die net zo vaak open deuren intrapt als onverwachte kleine luikjes opent.

Carol Craig van het Centre for Confidence & Well-being pleit daarin voor een verbod op reclame voor kinderen onder de twaalf en begrenzing van het aantal commercials voor tieners. Een jaar of vijftien later weten we: kansloze strijd. We worden nu ook online overvoerd met gesponsorde inhoud en sluikreclame. Die zijn bewezen slecht voor ons. Psychiater Phillip Graham veronderstelt zelfs een link tussen het aldus gepropageerde materialisme en de toename van mentale problemen. 

Jongeren krijgen in de media, in 2009 net zo goed als nu, een beeld voorgespiegeld dat je er pas toe doet als je geld, status en roem hebt. Daarom melden non-bekendheden zich bij de New York Reality School (zodat ze de aandacht weten te trekken), solliciteren ze als Personal Assistant van een beroemdheid (waarbij ze tot nagenoeg alles bereid lijken) of laten zich verleiden tot een Kiss & Tell-verhaal in de media (nadat ze eerst de koffer in zijn gedoken met een nietsvermoedende celebrity).

En waar Atkins in het cynisch getoonzette Starsuckers, waarin ook de Britse (tabloid)journalistiek en het liefdadigheidsfestival Live Aid een flinke veeg uit de pan krijgen, nog een Litouwse politieke partij met louter beroemdheden laat zien als een soort waarschuwing, weten we inmiddels dat die collectief in de wind is geslagen. Roem, platvloersheid en narcisme hebben sindsdien alleen maar meer ruimte gekregen en zuigen ons langzaam maar zeker helemaal leeg. Tot de bodem is bereikt.

Draw For Change!

Clin D’oeil Fims

Zes verschillende vrouwen in zes verschillende landen. Syrië, Mexico, Rusland, India, Egypte en de Verenigde Staten. Met hun cartoons opereren zij aan de frontlinie van het vrije woord. Daar binden ze onversaagd de strijd aan met de vernietigingsdrang van Assad en Poetin, vrouwenhaat en femicide, huiselijk geweld, een religieus bewind dat geen tegenspraak duldt, de lange arm van de Moslimbroederschap en de wankelende Amerikaanse democratie (via een overigens nogal afwijkend college staatsrecht).

De cartoonisten Amany Al-Ali, Mar Maremoto, Victoria Lomasko, Rachita Taneja, Doaa el-Adl en Ann Telnaes zetten hun eigen persoonlijke veiligheid en die van hun geliefden op het spel om gebruik te kunnen maken van de vrijheid van de meningsuiting. Deze zes moedige vrouwen worden in Draw For Change! (322 min.), een zesdelige documentaireserie van de Belgische showrunners Vincent Coen en Guillaume Vandenberghe, geportretteerd door zes – ik bedoel: zeven – vrouwelijke filmmakers.

Alisar Hasan & Alaa Amer, Karen Vazquez Guadarrama, Ana Mosienko, Sama Pana, Nada Riyadh en Laura Nix tekenen de zes cartoonisten, natuurlijk ook met behulp van hun tot leven gewekte tekeningen en de reacties die deze oproepen, op in gloedvolle kleuren en schetsen tevens de grauwe wereld waarbinnen zij opereren. Vrouwen in wat ooit werd beschouwd als een mannenberoep. Feministen. Die in hun persoonlijk leven willen gaan trouwen, dealen met een dominante vader of worden lastiggevallen.

Samen agenderen zij het belang van persvrijheid, hoe die op diverse plekken in de wereld in het geding is en wat daarvan de consequenties zijn voor hen, de vrouwen die zich in het openbaar doen gelden. Die gevolgen laten zich raden: intimidatie, bedreiging (ook van hun naasten) én juridische procedures. Enkele cartoons van Rachita Taneja liggen in India bijvoorbeeld zo gevoelig dat ze een gevangenisstraf van zes maanden riskeert. Taneja’s advocaat raadt haar zelfs af om ze te laten zien in Draw For Change!.

Intussen zet deze zesdelige serie de schijnwerper op zes dappere vrouwen die blijven spreken, liefhebben, twijfelen, zwijgen, provoceren, tandenknarsen, bang zijn, grappen maken, zichzelf censureren en – ondanks alles – tekenen. In zes uiteenlopende verhalen over het belang van het vrije tekenen.

Paid In Full: The Battle For Black Music

BBC

Tekenen bij het kruisje. Daar kwam het in de afgelopen honderd jaar vaak op neer voor Amerikaanse artiesten. Pas later bleek dan wat zo’n platencontract inhield – en dat het doorgaans niet de mensen die de muziek maakten waren die er rijk van werden. Dat gold dubbel zo hard voor zwarte performers, die soms op een wel heel geniepige manier werden uitgeknepen. Hun strijd om artistieke vrijheid en financiële onafhankelijkheid duurt, getuige Paid In Full: The Battle For Black Music (180 min.), nog altijd voort.

Toonaangevende artiesten zoals Bessie SmithBillie Holiday en Nina Simone kregen in de beginjaren van de muziekbusiness vaak nog een vast bedrag per opnamedag betaald. Als daar vervolgens een hit uitrolde, werd iedereen daar rijk van – de witte mannen voorop –behalve zij. En anders was er wel een louche manager, zoals bij Louis Armstrong, die z’n cliënt op slinkse wijze helemaal leeg trok. ‘What a wonderful world’, croont de jazzgigant met een kamerbrede glimlach tijdens een optreden, als de kwestie wordt aangesneden in deze boeiende driedelige serie van Guy Evans.

Exploitatie van zwarte artiesten is van alle tijden. We zijn zo blut als maar kan, meldt de succesvolle meidengroep TLC bijvoorbeeld na de uitreiking van de Grammy Awards in 1996. De manoeuvres om geld weg te sluizen blijken eindeloos. In de jaren vijftig worden bij de composities van rock & roll-held Chuck Berry bijvoorbeeld doodleuk ook andere rechthebbenden opgevoerd, die niets te maken hebben met het ontstaan van zijn songs. Voor de man zelf blijft er nog maar een klein deel van de opbrengsten over, waarvan de gemaakte, vaak flink opgevoerde kosten dan nog worden afgetrokken.

Andere truc: maak een beschaafde witte versie van een zwarte hit, zoals Pat Boones brave versie van de Little Richard-hit Tutti Frutti, en zet die vervolgens wél goed in de markt. Dan stroomt het geld – het is in feite steeds hetzelfde liedje – weer op de juiste plek binnen. Er zijn uitzonderingen: soulzanger Sam Cooke probeert in de sixties met een eigen platenlabel financiële autonomie te verwerven. Hij krijgt navolging via de zwarte labels MotownStax en Def Jam, die echter stuk voor stuk zullen worden uitgebuit, weggeconcurreerd of overgenomen door witte mannen met diepere zakken.

Artiesten zoals Smokey RobinsonGloria GaynorNile RodgersChaka KhanIce-T en een keur aan kenners van de muziekindustrie vertellen in deze serie ‘graag’ over de misstanden waarmee ook zij zijn geconfronteerd. Paid In Full is overigens meer dan één grote klaagzang. Ook de initiatieven van eigengereide en ondernemende artiesten zoals PrinceJay-ZKendrick LamarrStormzy en Jessie Reyez, die een nieuw zelfbewustzijn hebben laten zien, komen aan de orde. Master P vat die attitude heel aardig samen. ‘Als een witte man me een miljoen dollars biedt, hoeveel zou ik dan werkelijk waard zijn?’

De meeste verhalen in deze fijne miniserie, bijeengehouden door verteller Zawe Ashton, zijn al wel eens verteld, maar hier worden ze vanuit een heldere invalshoek – wie wordt er rijk van? – verteld en in een bredere historische context geplaatst, zowel van de ontwikkeling van de muziekbusiness als de emancipatie van zwarte Amerikanen. En de vertelling is natuurlijk gelardeerd met fijne performances van baanbrekende artiesten zoals Ruth Brown, The Supremes, Sam & Dave, Public Enemy en Lil Nas X.

In de afgelopen jaren heeft zich met het streamen van muziek, laat de slotaflevering zien, overigens alweer een nieuwe manier aangediend om (zwarte) artiesten te exploiteren. Naar hoe de grote platenlabels Warner, Universal en Sony daarmee omgaan en terugkijken op het beladen verleden, blijft het overigens gissen. Want die wilden documentairemaker Evans niet te woord staan en houden ’t bij een schriftelijke verklaring.

Fit For TV: The Reality Of The Biggest Loser

Netflix

The Biggest Loser wordt de grote winnaar. Wie het meeste gewicht verliest in deze Amerikaanse realityshow, wint 250.000 dollar. En de weegschaal fungeert als scherprechter bij de televisiewedstrijd voor mensen die ongelukkig zijn met hun overgewicht en zich en plein public willen laten afbeulen, afsnauwen en afzeiken.

In Fit For TV: The Reality Of The Biggest Loser (124 min.) licht Skye Borgman met een aantal deelnemers, enkele medewerkers en de bedenkers, David Broome en JD Roth, de smakeloze realityshow nog eens kritisch door. Daarmee past de driedelige docuserie in een tamelijk ironische trend van smeuïge publieksdocu’s over succesvolle tv-programma’s, zoals Jerry Springer of de kinderprogramma’s van Nickelodeon, die stelselmatig de grenzen opzochten – of er gewoon mijlenver overheen gingen.

The Bigger Loser sneed natuurlijk een actueel maatschappelijk probleem aan. Toen het eerste van de in totaal 17 seizoenen startte in 2004, kampte ongeveer één op de drie Amerikanen met ernstig overgewicht. Dit programma zou daar iets aan gaan doen! De bloedfanatieke trainers Bob Harper en Jillian Michaels, die zo’n beetje als enig vast teamlid niet participeert in deze docu, dreven de kandidaten dus tot het uiterste, bepaalden hun dieet en speelden bij emotionele toestanden voor amateurpsycholoog.

Daarbij lag ’t er vanzelfsprekend dik bovenop. Konden de deelnemers bijvoorbeeld verleidingen weerstaan zoals een kamer met ‘onbewaakte’ schalen met overdadig eten? De implicatie was helder volgens Aubrey Gordon: dikke mensen zijn niet te vertrouwen in de buurt van eten. ‘Gezien worden als een persoon en niet alleen als een lichaam is veel zeldzamer dan het zou moeten zijn voor dikke mensen’, stelt de schijfster van het boek You Just Need To Lose Weight, die in deze docuserie voor tegenwicht zorgt.

Want The Biggest Loser bleef eerst en vooral televisie: afvallen was natuurlijk mooi, maar dat moest dan wel met grote emoties gepaard gaan en bovendien elke week voor de gewone kijker zichtbaar kunnen worden gemaakt op de levensgrote weegschaal. En daarvoor was veel geoorloofd. Streep ‘veel’ overigens maar door en vervang door ‘alles’. Was in korte tijd zoveel gewicht kwijtraken eigenlijk wel gezond? Kon dat überhaupt zonder (stiekeme) paardenmiddelen? En hoe duurzaam was dat nieuwe gewicht dan?

De antwoorden op deze vragen laten zich raden. Fit For TV belicht daarnaast ook het psychologische effect van het programma, dat mensen reduceerde tot hun lichaam en eetstoornissen bijna in de hand werkte. Op grotere schaal heeft de realityshow in elk geval geen zoden aan de dijk gezet: anno 2025, meldt de aftiteling van deze aardige miniserie, kampt inmiddels zo’n 45 procent van de Amerikaanse volwassenen met obesitas. Zij hebben sinds kort echter de beschikking over een nieuw wondermiddel.

‘Als je nu een show maakt’, stelt de arts Dhruv Khullar zelfs, ‘is het misschien gewoon met mensen die zichzelf injecteren.’ Sommige oud-deelnemers aan The Biggest Loser, die weer op hun oorspronkelijke gewicht waren aanbeland, hebben hun toevlucht inmiddels al genomen tot Ozempic – al zijn de langetermijngevolgen daarvan voor hun gewicht en gezondheid nog helemaal niet duidelijk.

Live Aid At 40: When Rock ‘N’ Roll Took On The World

BBC

Je kunt er de klok op gelijkzetten: deze zomer is het veertig jaar geleden dat Live Aid, het grootste benefietconcert aller tijden, plaatsvond. En dus volgt de verplichte publieksdocu, die natuurlijk gevoelens van nostalgie oproept, meer dan genoeg bekende koppen bevat en ook nog eens aandacht vraagt voor de goede zaak. Thomas Pollard serveert het verhaal uit in vier hapklare brokken van dik veertig minuten, die samen de complete geschiedenis omvatten van Live Aid At 40: When Rock ‘N’ Roll Took On The World (168 min.).

Die begint als Bob Geldof, zanger van de Britse band The Boomtown Rats, in oktober 1984 op televisie beelden van de ontzaglijke hongersnood in Ethiopië ziet. Hij benadert een aantal muzikale vrinden en neemt op 25 november een single met hen op, die niet alleen goed voor de wereld maar ook voor hun eigen carrières zal blijken te zijn: Do They Know It’s Christmas? van de gelegenheidsgroep Band Aid. Een geheide kersthit, realiseert ook George Michael zich al tijdens de opnames. Daar gáát de beoogde eerste nummer 1-notering voor zijn eigen groep Wham! met de single Last Christmas (die inderdaad nog veertig jaar zal moeten wachten op de eerste plek in de hitlijsten).

Geldof heeft ook de toppositie toebedeeld gekregen in deze miniserie. Hij wordt terzijde gestaan door popgrootheden zoals Bono (U2), Brian May en Roger Taylor (Queen), Pete Townshend (The Who), Sting, Midge Ure (Ultravox), Gary Kemp (Spandau Ballet), Nile Rodgers (Chic) en Patti Labelle. Zij blikken terug op hoe de Britse benefietsingle, in aflevering 2, een Amerikaans vervolg krijgt: We Are The World van USA For Africa, een hit die relatief weinig aandacht krijgt in deze serie en vooral met archiefbeelden en oude interviews wordt afgehandeld. Niet vreemd: een jaar geleden verscheen een aparte documentaire over de totstandkoming van deze hit: The Greatest Night In Pop (2024).

‘Saint Bob’ is intussen zelf naar Addis Abeba gevlogen om ter plaatse de schade op te nemen. Zijn boodschap is vervolgens even oprecht als eenvoudig: ‘Give us your fucking money!’ Daarna besteedt deze serie aandacht aan Live Aid zelf, ‘het Woodstock van deze generatie’ dat in slechts vijf weken uit elkaar wordt gestampt. Op zaterdag 13 juli 1985 treedt een sterrenparade aan in Londen en Philadelphia, met onder andere Status Quo, Queen, David Bowie, Madonna, Paul McCartney, Led Zeppelin en Phil Collins (die als enige, door een strak geplande vliegreis, zowel in Engeland als de VS optreedt). Zij zijn in totaal goed voor zestien uur live-televisie, uitgezonden in meer dan 150 landen.

Ieder heeft zo zijn eigen herinneringen aan die gedenkwaardige dag. Bono kan het befaamde U2-optreden bijvoorbeeld nog altijd niet aanzien vanwege zijn eigen ‘bad hair day’. In het bijzonder: z’n matje. De andere bandleden konden hem destijds overigens wel schieten: doordat Bono het publiek was ingegaan en zo het optreden had vertraagd, konden ze hun grootste hit Pride (In The Name Of Love) niet spelen. En The Who blijkt niet geheel spontaan weer bij elkaar te zijn gekomen voor Live Aid. Geldof kondigde hen gewoon aan in een persverklaring. Pure chantage, aldus gitarist Pete Townshend. Of zoals zanger Roger Daltrey ’t op z’n Godfathers verwoordt: ‘an offer we couldn’t refuse’.

Twintig jaar later moet overigens ook Geldof zelf gedwongen worden, om in acht afzonderlijke landen Live 8-concerten (2005) te organiseren, onderwerp van de slotaflevering van deze miniserie. Thomas Pollard vergeet intussen niet om ook de achtergronden van de benefietacties te schetsen. Hij spreekt Afrikaanse leiders, westerse politici én de Ethiopische boer Woldu Menameno. Zijn dochtertje Birhan, dat destijds een wisse hongerdood tegemoet leek te gaan, werd het gezicht van de ramp. Als door een wonder ontsnapte zij echter aan Magere Hein. Ze zit nu naast haar vader, een vrouw van in de veertig die ‘t nog altijd moeilijk vindt om beelden van zichzelf te bekijken.

Die onuitwisbare beelden en de navolgende ideële acties vormden tevens de start van het leven als popactivist van Bob Geldof en Bono. Samen en los van elkaar krijgen ze toegang tot de beslissers van deze wereld en worden ze ook zelf een kracht voor het goede om rekening mee te houden. Ze zijn daarbij meteen ontzettend goede vrienden geworden, vertelt Geldof. ‘Hij wil de wereld een enorme knuffel geven, terwijl ik er soms gewoon flink op los wil slaan.’ Als de ‘good cop’ en ‘bad cop’ van de popmuziek hebben ze zo de aanzet gegeven tot een hernieuwd activisme binnen de muziekwereld, met Live Aid als meesterzet.

Inside China: The Battle For Tibet

ITVX

De Dalai Lama, het boeddhistische boegbeeld van het Tibetaanse verzet tegen de Chinese overheersing, wordt dit jaar negentig. Als de spirituele leider van het Aziatische land komt te overlijden, moet er een opvolger worden gekozen. Die keuze wordt in principe gemaakt door zijn minder bekende tegenhanger, de zogeheten Panchen Lama. Alleen: die is in 1995 op zesjarige leeftijd op mysterieuze wijze verdwenen.

De Chinese machthebbers zouden er dertig jaar geleden wel eens hoogstpersoonlijk voor kunnen hebben gezorgd dat de Panchen Lama van het toneel verdween. Zodat zij nu een eigen kandidaat naar voren kunnen schuiven als hun vanuit India opererende Nemesis, de Dalai Lama, het tijdelijke voor het eeuwige verwisselt. De inmiddels 75-jarige knechting van het weerspannige Tibet kan dan probleemloos worden voortgezet.

Sinds 1950 is de wil van de Chinese communistische partij al wet in het boeddhistische land, dat alsmaar steviger onder de knoet wordt gehouden en zoveel mogelijk is afgeschermd van de rest van de wereld. Voor de docu Inside China: The Battle For Tibet (57 min.) gaat een journalist met de schuilnaam ‘Chang’ zelf poolshoogte nemen in ‘de autonome Chinese regio’, die al zo lang een onafhankelijk land wil zijn.

Zijn opnames met een verborgen camera onderstrepen hoe de Tibetaanse cultuur en religie genadeloos worden onderdrukt, maar vormen uiteindelijk slechts een zijspoor in deze interessante documentaire van Gesbeen Mohammad over de turbulente recente historie van Tibet, de manier waarop China de Tibetaanse identiteit onderdrukt en de sleutelrol daarin voor de twee geestelijke leiders, de Dalai Lama en de Panchen Lama.

Mohammad spreekt met gevluchte Tibetanen zoals de boeddhistische monnik Arjia Rinpoche, wetenschapper Gyal Lo en dissidente Namkyi. Verder vertelt de Britse wetenschapper Robert Barnett hoe hij in de jaren negentig een document in handen kreeg, waarin uitvoerig stond beschreven hoe China de strijd tegen het separatisme wilde voeren. ‘Om een slang te doden, moeten we eerst zijn kop afhakken.’

Als het China lukt om z’n eigen Panchen Lama na het overlijden van de Dalai Lama te laten bepalen wie diens opvolger wordt, dan is de ‘culturele genocide’ waarover de Tibetaanse leider in ballingschap al zo lang waarschuwt vrijwel voltooid. Tibet dreigt dan, in de woorden van Inside China’s verteller Caroline Catz, ‘langzaam weggevaagd te worden’. Wat rest is een onbeduidende Chinese regio, ontdaan van z’n hart en ziel.

De Chinese reactie op deze docu laat zich intussen raden en is net voor de aftiteling opgenomen. Kort gezegd: die ‘zit vol met vooroordelen en valse beschuldigingen’. Waarvan akte.

Trailer Inside China: The Battle For Tibet

Name Me Lawand

BFI

In Koerdistan in Noord-Irak stellen zijn ouders jarenlang alles in het werk om hem te laten praten. Ze willen niet dat Lawand anders is dan andere kinderen. Bij zijn leeftijdgenoten vindt hij echter nooit aansluiting. Omdat hij niet kan horen, valt het jongetje er helemaal buiten. Lawand Hamad Amin wordt gepest. Tot verdriet van zijn vader en moeder leeft hij een geïsoleerd bestaan. Al te veel zelfvertrouwen heeft ie natuurlijk niet: Lawand denkt in die tijd zelf dat hij ‘Bad’ heet.

Als hij vijf is, besluiten zijn ouders om Irak te verlaten, op zoek naar een beter leven voor hun kind. Na een maandenlange reis, waarbij hun leven regelmatig aan een zijden draadje hangt, stuiten ze in een vluchtelingenkamp te Frankrijk op een dove vrijwilliger die het Koerdische jochie in contact brengt met gebarentaal. Hij effent ook het pad voor hem naar The Royal School for the Deaf Derby. In 2016 komt Lawand, met zijn ouders en oudere broer Rawa, terecht in Groot-Brittannië.

Daar hoort de Britse documentairemaker Edward Lovelace, die in 2014 met The Possibilities Are Endless al een immersieve film maakte over het herstelproces van zanger Edwyn Collins na een beroerte, over het Koerdische kind dat samen met zijn familie, met wie hij eigenlijk nauwelijks kan communiceren, naar Engeland is gekomen. Lovelace leert zelf gebarentaal, stelt een deels dove crew samen en begint de zevenjarige jongen en zijn familie te volgen en spreken.

Name Me Lawand (90 min.) is de zinnenprikkelende weerslag van een zeer delicaat proces: stukje bij beetje ontdekt Lawand dat er meer mensen zijn zoals hij en dat doofheid op zich niet iets is om je voor te schamen. Tegelijkertijd moet hij dealen met zijn verleden, vervat in plotseling vanuit zijn onderbewuste de kop opstekende flashbacks. ‘Ik dacht dat er in de hele wereld niemand was zoals ik’, vertelt de jongen daar later over. ‘Ik raakte eraan gewend dat ik alleen was.’

Zijn docente, ‘gespeeld’ overigens door de bekende dove actrice Sophie Stone, probeert hem uit zijn schulp te krijgen. Taal, weet zij als geen ander, betekent vrijheid. Zij groeide zelf op met een sprekende ouder en kent de eenzaamheid, het isolement. Terwijl Lawand stilaan zijn reserves laat varen, tot bloei komt op school én vriendjes krijgt, hangt er nog een zwaard van Damocles boven het hoofd van de Koerdische familie. Want het is bepaald niet zeker dat ze een verblijfsvergunning krijgen.

Edward Lovelace verwerkt de interactie van de dove jongen met zijn inspirerende docent, klasgenoten en directe verwanten in gestileerde beelden, waaronder veel fraaie droneshots, en besteedt vanzelfsprekend ook veel aandacht aan het geluid. Soms is het gewoon helemaal stil in de film, terwijl er, in British Sign Language (BSL), toch druk wordt gecommuniceerd. En de geluiden die hij wél laat horen klinken vaak gedempt. Zo geeft hij de kijker toegang tot het hoofd van Lawand.

Rawa en Lawands ouders voorzien de gebeurtenissen intussen, buiten beeld, van context. Communicatie tussen de dove jongen en de rest van het gezin blijft intussen lastig: de anderen zijn de taal waarin Lawand zichzelf heeft gevonden nog altijd niet machtig. Met gebarentaal wint hij een wereld, maar dreigt hij ook zijn familie achter zich te moeten laten.

Welcome To Babel

Mayfan / AVROTROS

Vanuit zijn huidige domicilie, Bundeena in Australië, heeft de Chinese kunstenaar Jiawei Shen ruim tien jaar gewerkt aan een kunstwerk dat zijn pièce de résistance moet worden: de Toren van Babel, een episch vierluik van zo’n 130 vierkante meter, dat is geïnspireerd door zowel de Bijbel als kunstwerken van Bruegel en Tatlin. Het gigantische schilderij bestaat uit vier enorme panelen (Utopia, Internationale, Saturnus en Gulag) en beslaat zijn hele werkruimte. Het kunstwerk belicht het communisme in al z’n facetten.

In Welcome To Babel (99 min.) volgt regisseur James Bradley de ontstaansgeschiedenis van dit ambitieuze werk, waarin Jiawei Shen de geschiedenis van de ideologie van pak ‘m beet Marx, Lenin, Stalin, Mao en Deng Xiaoping probeert te vatten. Hij is zelf ook een kind van dat gedachtengoed. De kunstenaar werd in 1948 geboren in Shanghai en kreeg een communistische opvoeding. Volgens eigen zeggen groeide hij op tot een modelburger, met het beeld van de mensheid als één grote familie.

Zulke herinneringen staan op gespannen voet met de manier waarop zijn vrouw Lan Wang terugdenkt aan haar jeugd. Haar ‘rechtse’ vader werd tot vijand van het volk gebombardeerd. En zij was, zo bezien, dus een kind van de vijand. Als Lan Wang haar man begin jaren zeventig zou hebben gekend, had ze waarschijnlijk ook niets met hem te maken willen hebben. In de hoogtijdagen van Mao’s Culturele Revolutie maakte die immers het ultieme patriottische schilderij ‘Standing Guard For Our Great Motherland’.

Pas toen de Chinese regime in 1989 een demonstratie op het Plein van de Hemelse Vrede hardhandig neersloeg, besloot Jiawei, die toevallig in Australië verbleef, dat het genoeg was. Zijn echtgenote bevond zich toen nog in Beijing en slaagde er pas twee jaar later om ook ‘down under’ te komen. Daar bouwden ze samen een nieuw leven op, als gezin en als individuele kunstenaars. Jiawei Shen ontwikkelde zich in die periode tot een veelgevraagd portretschilder en begon vervolgens te dromen van zijn levenswerk.

Deze fraaie film toont dat kunstwerk in al z’n glorie. Het is beslist groter dan één enkele man. De Chinese schilder heeft er bijvoorbeeld werken van talloze communistische kunstenaars uit de twintigste eeuw en beeltenissen van toonaangevende intellectuelen van linkse snit in verwerkt. Jiawei heeft het schilderij kunnen maken omdat hij zelf niet is blootgesteld aan het lijden, meent zijn vrouw. ‘Daardoor is hij in staat om deze historische tragedie opnieuw op te roepen. Ik kan de gedachte daaraan niet verdragen.’

Intussen beschouwt Jiawei Shen, blijkens dit portret dat hem en zijn monnikenwerk recht doet, zichzelf nog steeds als een communist. Maar niet zoals dat in zijn geboorteland in de praktijk wordt gebracht – en zoals dat op zijn eigen magnum opus, in oktober 2023 aan de wereld toevertrouwd, in al z’n glorie, wreedheid en tragiek is geopenbaard.

The Session Man

Pink Moon

In 1968 had de Britse pianist Nicky Hopkins (1944-1994) al een Grand Slam te pakken. Hij kon vinkjes zetten achter de namen van de beste bands van zijn jonge jaren: The Beatles, The Stones, The Who en The Kinks. Tegen het einde van zijn leven voltooide hij nog een tweede Grand Slam: Hopkins had toen ook op de soloalbums van alle afzonderlijke Beatles meegespeeld.

Als studiomuzikant zou hij daarnaast een essentiële bijdrage leveren aan de muziek van Cat Stevens, The Jeff Beck Group, Jefferson Airplane, Quicksilver Messenger Service, Harry Nilsson, Jerry Garcia Band, Joe Cocker, Badfinger, Art Garfunkel, The Rumour, Spinal Tap en Joe Walsh. In The Session Man (86 min.) loopt verteller Bob Harris, in opdracht van regisseur Michael Treen, netjes alle acts langs, waaraan Nicky Hopkins tijdens z’n lange en vruchtbare loopbaan zijn diensten verleende.

In dertig jaar tijd speelde Hopkins op zo’n 250 albums. Hij is te horen op liefst veertien langspelers van The Rolling Stones. ‘Ik draaide liedjes in elkaar die maar half af waren en in de studio bakten we er wat van’, vertelt Keith Richards. ‘En op de een of andere manier vond Nicky bijna bij elk nummer dat ontbrekende gedeelte. Zo hadden we een soort vreemde samenwerking.’ Glunderend herinnert de gitarist zich hoe Hopkins hem steeds uit de brand hielp. ‘Elke keer weer. Een ongelooflijke pianist.’

Ook Mick Jagger en Bill Wyman delen warme herinneringen aan Nicky Hopkins, één van de ‘unsung heroes’ van de rock & roll, die in deze film tevens lof krijgt toegezwaaid door collega’s als Dave Davies, Peter Frampton, Nils Lofgren en Graham Parker. Aardig is ook hoe de toetsenisten van Tom Jones, The Waterboys, Mott The Hoople en Tom Petty & The Heartbreakers, inclusief Hopkins’ Stones-collega Chuck Leavell, vanachter de piano demonstreren wat er zo bijzonder was aan zijn werk.

Voor een solocarrière was Nicky Hopkins niet in de wieg gelegd. Hij floreerde aan de zijde van een blikvanger of als onderdeel van een team en was, doordat hij de Ziekte van Crohn had, ook niet gemaakt voor het leven onderweg. Zijn broze gezondheid komt soms ter sprake in deze typische popdocu, maar wordt nauwelijks uitgediept. Treen richt zich op ’s mans muzikale verrichtingen, waardoor de persoon daarachter, ondanks bijdragen van z’n weduwe Moira, slechts beperkt tot leven komt.

Van de onbekende held zelf lijkt slechts één interview bewaard te zijn gebleven. Uit 1991, drie jaar voordat hij, veel te jong, het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde. Hij had zich toen allang de pophistorie ingespeeld. Als de man die een essentiële bijdrage leverde aan klassieke hits zoals ImagineSympathy For The Devil en You Are So Beautiful.