Het Geheim Van De Hema

VPRO

Was acht jaar geleden al zichtbaar dat de toekomst van de HEMA nu aan een zijden draadje zou hangen? Met de recente onheilsberichten over de Nederlandse winkelketen in het achterhoofd wordt Het Geheim Van De HEMA (72 min.), een fijne documentaire van Yan Ting Yuen uit 2012, in elk geval een geheel andere kijkervaring.

Dan krijgen de pogingen van HEMA om in het buitenland voet aan de grond te krijgen, het bijbehorende zelfvertrouwen van CEO Ronald van Zetten en zijn directe medewerkers en hun pogingen om ‘Echt HEMA’ te blijven en tóch te vernieuwen ineens een geheel andere lading.

Ze zijn onderdeel van een uniek en onverwoestbaar concept, zo is de vaste overtuiging. En tegelijkertijd is er het besef dat HEMA niet anders kan dan in het voetspoor treden van retailers als Ikea, H&M en Zara, die hun eigen thuismarkt zijn ontgroeid. Anders prijs je jezelf uit de markt. Maar zitten ze in Parijs te wachten op Nederlandse mode? En hoe krijg je ze daar aan die befaamde HEMA-worst?

Documentairemaker Yan Ting Yuen, die zelf ook de verbindende voice-over verzorgt, beschikt voor deze boeiende bedrijfsfilm over opvallend veel toegang tot Van Zetten en zijn entourage en krijgt zo de gelegenheid om echt de temperatuur op te nemen binnen het warenhuis. Ze is alleen niet welkom als hij gaat overleggen met de eigenaar van het merk, het Britse private equity-fonds Lion Capital.

Duidelijk is dat HEMA een bedrijf in (permanente) transitie is, dat mee wil in de steeds sneller draaiende markt en daarbij moet oppassen, in de woorden van de kritische directeur marketing René Repko, voor middelmatigheid. We schaatsen best lekker, waarschuwt hij, maar wel op dun ijs.

Met de wetenschap van nu zou je een onderneming met een identiteitscrisis kunnen zien, die de weg aan het kwijtraken is en zich nauwelijks staande kan houden in een zeer competitieve wereld. Zodat nu, enkele jaren later, de vraag op tafel ligt of die typisch Nederlandse HEMA zijn eerste eeuw nog wel gaat volmaken in 2026.

Het Geheim Van De Hema is hier te bekijken.

Planet Of The Humans

Hoe weten we wanneer het tijd is om te gaan? vraagt Jeff Gibbs zich bij aanvang van Planet Of The Humans (100 min.) hardop af. Als zelfverklaarde ‘tree hugger’ sloot hij zich ooit enthousiast aan bij de Green Energy Movement, maar inmiddels heeft hij toch zijn twijfels gekregen: multinationals als Tesla, Apple, Google staan zich voor op hun klimaatvriendelijke benadering, maar kunnen in werkelijkheid nog altijd niet ‘off the grid’.

Groene energie levert verdacht weinig op en kan helemaal niet zonder fossiele energie, constateert Gibbs. Hij kan daar talloze voorbeelden van geven en doet dat dan ook. Waarbij overdaad op een gegeven moment echt begint te schaden. De enige echte oplossing voor de klimaatproblematiek ligt volgens hem op een ander gebied, waar we liever niet over praten: het terugbrengen van het aantal mensen op aarde.

Dat punt zet Gibbs best overtuigend neer in deze dwarse film, die publiekelijk is omarmd door de bekendste Amerikaanse documentairemaker, de linkse stokebrand Michael Moore. Hoewel de strekking van deze docu netjes aansluit bij het gedachtegoed dat uit diens oeuvre spreekt, staat Gibbs’ aanpak soms bijna haaks op de popi-jopi benadering van Michael Moore, die de waarheid nooit in de weg laat staan van een goed verhaal.

Natuurlijk, Gibbs verluchtigt zijn boodschap zo nu en dan ook met een grap of snedige montage, maar hij blijft verder vooral bewijsmateriaal aandragen voor zijn stelling dat groene energie slechts een marketingtruc is, van beroepsactivisten en bedrijven die daar bepaald niet slechter van worden. Een non non-believer zou dat op een gegeven moment kunnen gaan ervaren als drammerig.

Ons Bier

KRO-NCRV

‘Ik bepaal hier wat er gebeurt’, zegt Johan Nijhof tegen de medewerkers van het reclamebureau AlienTrick dat hij heeft ingehuurd om het imago van Huttenkloas, ‘een misdadig lekker biertje’, een ferme oppepper te geven. ‘Daar ben ik heel duidelijk in.’ Dus of hij zijn compagnon Ruud van der Gevel meeneemt naar de volgende afspraak, kan de Twentse brouwer nog niet zeggen…

De documentaire Ons Bier (55 min.) is nauwelijks een kwartier onderweg en de oplettende kijker weet genoeg: dit kon wel eens gedoe worden. Het twistpunt ligt dan ook al vast: welke plek krijgt de stoel waarop de oorspronkelijke Huttenkloas, een Twentse rover en moordenaar uit de achttiende eeuw, volgens de overlevering is geradbraakt en ter dood is gebracht in het nieuwe logo? Past die stoel überhaupt nog wel bij het tintelfrisse imago van de brouwer?

Huttenkloas, zoveel is duidelijk, moet worden klaargestoomd voor de 21e eeuw, met nieuwe apparatuur en een moderne attitude. ‘Facebooken, dat moeten we ook gaan doen’, constateren Johan en Ruud, die er toch bij is, onderweg naar het kantoor van AlienTrick, waar ze het merk Huttenkloas opnieuw gaan ‘positioneren binnen het bierlandschap’. Dit gaat gepaard met een bijdetijds logo, waarin de veelbesproken stoel een minder prominente plek heeft gekregen.

Het oubollige, ongetwijfeld smakelijke biertje krijgt zo een hipster-imago aangemeten. Documentairemaker Michiel van Erp zou er enkele jaren geleden wel raad mee hebben geweten en van de Huttenkloasen stoethaspels in een kneuterige komedie hebben gemaakt. En Frans Bromet had het meningsverschil ongetwijfeld echt op de spits gedreven. Oliver van der Zee, de maker van deze aandoenlijke tv-film, zoekt echter een, overigens heel vermakelijke, redelijke middenweg.

Waarbij na afloop wel een beetje het gevoel blijft hangen dat het verhaal nog niet is afgerond. Vaart Huttenkloas uiteindelijk wel bij al die vernieuwingsdrift? Een iets langere adem had Ons Bier wellicht goed gedaan.

Surplus: Terrorized Into Being Consumers

Om de wereld te redden moeten we terug naar het stenen tijdperk. Dat is min of meer de boodschap van antiglobaliseringsgoeroe John Zerzan, de onofficiële architect van het bijzonder ferme verzet tegen globalisering aan het begin van de 21e eeuw én de spil van deze activistische film uit 2003, waarin de wetten van marketing en reclame worden ingezet om een ándere boodschap over te brengen. Terug naar een wereld, zo luidt die, waarin wij als mensen niet meer worden gereduceerd tot zielloze slaven van het kapitalisme, als producent of als consument.

Dit thema wordt door regisseur Erik Gandini in Surplus: Terrorized Into Being Consumers (51 min.) weergaloos gevisualiseerd met videoclip-achtige beeldsequenties. Zo bouwt hij bijvoorbeeld rond een uitspraak van de Amerikaanse president George W. Bush na de aanslagen van 11 september 2001 een meeslepende clip. ‘We cannot let the terrorist achieve the objective of frightening the nation to the point where we don’t conduct business’, zegt Bush daarin. ‘Where people don’t shop.’

Op die manier schetst deze onweerstaanbaar ritmische film een ontluisterend beeld van het (ongebreidelde) kapitalisme, dat verder wordt ingekleurd met scènes rond een producent van levensechte sekspoppen, de maniakale presentaties van Microsoft-CEO Steve Ballmer en een negentienjarige Zweedse webdesigner, die dagelijks miljoenen door zijn handen laat gaan, van gekkigheid niet weet hoe hij zijn geld weer moet kwijtraken en zich vooral heel erg leeg voelt.

Als – overigens niet al te subtiel – contrast introduceert Gandini daarnaast de communistische heilstaat Cuba van Fidel Castro, volgens de leider zelf ‘het meest democratische land ter wereld’. Een natie zonder consumentisme en reclame bovendien, waar de met ijzeren hand geleide overheid probeert te voorzien in ieders basisbehoeften, maar consumeren om het consumeren echt uit den boze is.

Rice and beans, dat is het wel zo’n beetje, door de filmmaker vervat in alweer een swingende videoclip. Daarin vertelt een Cubaanse tiener over hoe ze haar ogen uitkeek in een Europese supermarkt en uiteindelijk bij de plaatselijke vestiging van McDonald’s het summum van westerse beschaving ontdekte: de Big Mac. Ze keerde moddervet terug in eigen land. ‘En heel mijn lijf bleef snakken naar meer.’ En naar muziek, films en ander entertainment.

Het is een wereld die wij inmiddels van binnen en buiten kennen. Waarin McDonald’s het succesvolste restaurant kon worden en Donald Trump president van de Verenigde Staten. Een wereld ook die we, zeker hier in het ‘vrije’ westen, als vanzelfsprekend zijn gaan beschouwen. En die nu natuurlijk toch volledig ter discussie is komen te staan. Die context maakt van het briljant gemonteerde Surplus, dat de boodschap er met veel repetitie in(d)ramt, nog altijd een onontkoombare documentaire.

Dirty Money – Season 2

Netflix

In de eerste reeks exploreerde de documentaireserie Dirty Money, geproduceerd door het bedrijf van de gerenommeerde filmmaker Alex Gibney, de wereld van het smerige geld, met afleveringen over onder andere de sjoemelsoftware van Volkswagen, stuitend gemanipuleer met medicijnprijzen en de Amerikaanse evenknie van Dirk Scheringa, een linkmiegel met zijn eigen autoraceteam.

Dit zesdelige tweede seizoen van Dirty Money (349 min.) waaiert wederom breed uit; van het witwassen van criminele opbrengsten met goud (en de gevolgen daarvan voor gewone gouddelvers in Peru) en de nietsontziende haaienmentaliteit bij de Amerikaanse bank Wells Fargo tot Maleisisch gemeenschapsgeld waarmee The Wolf Of Wall Street is gefinancierd (ook al onderwerp van de fijne docu The Kleptocrats) en grootschalige grond- en watervervuiling in Texas door een plasticfabrikant uit Taiwan, die zich nergens wat van aantrekt. Daarbij gaat het er soms stevig aan toe. ‘Wanneer je bang begint te worden weet je dat je de juiste weg bent ingeslagen’, meent Diane Wilson bijvoorbeeld, die actie voert tegen de vervuiler Formosa.

Niet alle afleveringen zijn even sterk: de bewijsvoering in deel 5 voor misbruik van voogdijschap bij (gefortuneerde) ouderen is bijvoorbeeld niet altijd even overtuigend. De bejaarden zouden niet meer voor zichzelf kunnen zorgen en worden vervolgens helemaal leeggeplukt door gewiekste bewindvoerders en hun entourage. Één van de slechts twee opgevoerde ouderen komt zelf echter helemaal niet aan het woord. Alleen zijn veel jongere vrouw en haar belangenbehartigers. Dat maakt wat wantrouwig.

Over het algemeen wordt er in deze ambitieuze serie echter stevige (onderzoeks)journalistiek bedreven, waarmee tegels worden gelicht in maatschappelijk relevante dossiers. Óók rond Bekende Amerikanen. In de eerste Dirty Money-serie was bijvoorbeeld een aflevering gewijd aan de dubieuze deals van de Amerikaanse president Donald Trump, ditmaal komt zijn schoonzoon Jared Kushner aan de beurt in een ontluisterende episode genaamd ‘Slumlord Millionaire’. Diens schandelijke praktijken als huisjesmelker en onroerend goed-man (die er zowaar een bedrijf met de naam 666, het duivelsgetal, op nahoudt) vormen de basis voor de sterkste aflevering, geregisseerd door Daniel DiMauro en Morgan Pehme, van deze tweede afdaling in de beerput van het grote geld.

The Forum

Klaus Schwab & Jair Bolsonaro / idfa.nl

‘Een pastoor wil de zondaren ook binnenhalen in zijn kerk’, zegt Klaus Schwab, de inmiddels 81-jarige oprichter en directeur van het World Economic Forum in Davos. ‘Die ziet hij nog liever komen dan zijn vaste parochianen.’ De man wordt op zijn wenken bediend. Tijdens The Forum (118 min.) van 2018 mag hij de Amerikaanse president Donald Trump ontvangen, een jaar later volgt diens al even omstreden Braziliaanse tegenhanger Jair Bolsonaro.

Deze fascinerende documentaire van Marcus Vetter volgt de geboren diplomaat Schwab van de ene naar de andere editie en kijkt achter de schermen mee bij zijn non-profit organisatie en het jaarlijkse terugkerende forum, dat geldt als het ultieme podium voor al die witte mannen die wereldwijd de politiek en economie bestieren. Schwab is daarvoor een perfect boegbeeld. Hij oogt niet alleen een beetje als een schildpad, hij lijkt ook zo te opereren. Behoedzaam, zorgvuldig en altijd attent. Met oog voor ieders belangen en alle mogelijke gevoeligheden.

‘Het is niet altijd zo slecht als het eruit ziet’, meent de man in kwestie als hij aan de filmmaker probeert uit te leggen waarom zijn organisatie samenwerkt met omstreden bedrijven als Nestle en Monsanto. Het World Economic Forum bestaat nu eenmaal bij de gratie van de stille dialoog, stelt Schwab, in plaats van openlijke confrontatie. ‘Mega-groepsdenken’, werpt Jennifer Morgan van Greenpeace tegen. Zij vraagt zich af of de deelnemers aan het WEF ooit écht iets goeds doen voor de wereld. Volgens haar bestendigen ze vooral de status quo. Intussen wordt de situatie rond het klimaat steeds nijpender.

Het knappe aan The Forum is dat de film nooit een gemakkelijke aanval op de gevestigde orde wordt. Tegelijkertijd besteedt de documentaire aandacht aan loffelijke initiatieven van Schwab en de zijnen, zoals betere distributie van medicijnen in Rwanda en pogingen om ontbossing tegen te gaan in Indonesië, maar zonder dat dit een kritiekloze lofzang wordt op de organisatie, die zich profileert met de slogan ‘Committed To Improving The State Of The World’.

En aan het eind slaagt Vetter er zowaar in om van al die speeches, overleggen en bilateraaltjes meeslepende cinema te maken, waarbij de klimaatdiscussie twee uitersten als gezicht krijgt: de Braziliaanse Amazone-verwoester Bolsonaro versus de jeugdige klimaatactiviste Greta Thunberg. Het is zo’n beetje het levenswerk geworden van Klaus Schwab om dergelijke tegenstellingen in Davos te overbruggen. Met zalvende woorden, een zuinig mondje en ontzettend veel ausdauer.

Push

De mensenrechten van inwoners van pak ‘m beet Barcelona, Toronto, Valparaiso, Londen en Seoul worden met voeten getreden, zo is de vaste overtuiging van de Canadese advocate Leilani Farha, die als speciale rapporteur voor de Verenigde Naties het thema ‘adequate housing’ beheert. Het op grote schaal speculeren met woningen en leefomgevingen moet worden gestopt. ‘Goud is geen mensenrecht’, zegt ze. ‘Een fatsoenlijk huis wel.’

Het gegeven dat in westerse steden hele woonwijken worden opgekocht door buitenlandse investeerders, de oorspronkelijke bevolking vertrekt of wordt weggepest en overal ‘dood gebied’ dreigt te ontstaan, spreekt natuurlijk minder tot de verbeelding dan oorlog, ziekte of armoede. Daarvoor krijgt ze dus ook moeilijk de handen op elkaar bij VN-gedelegeerden. Als hoofdpersoon van Push (91 min.) grijpt Farha alsnog de kans om haar punt kracht bij te zetten.

Deze boeiende documentaire van de Deense filmer Fredrik Gertten buigt zich over de oververhitte huizenmarkt, gentrificatie en de ongegeneerde handel in onroerend goed. Een pijnlijk voorbeeld is de Grenfell Tower in Londen. Nadat flatbewoners jaren hadden gewaarschuwd voor veiligheidsproblemen, brak er in 2017 brand uit. 72 bewoners vonden de dood. Ruim tweehonderd mensen raakten bovendien thuisloos. En diezelfde tragedie wordt nu benut om de wijk, liefst zonder hen, te upgraden.

Econoom Joseph Stiglitz plaatst dit fenomeen, dat ook in andere wereldsteden is te ontwaren, in het kader van de extreme vrije markt-ideologie die jarenlang is gepropageerd door zijn invloedrijke collega Milton Friedman. Die ging er vanuit dat minder regeltjes automatisch tot meer groei zou leiden. Dat zou uiteindelijk voor iedereen goed zijn. Elke vorm van moraliteit werd intussen terzijde geschoven, aldus Stiglitz. En dat zien we nu. ‘Je kunt geld verdienen door de wereld te vernietigen. En daar is echt iets mis mee.’

VN-rapporteur Leilani Farha wil in dat verband bijvoorbeeld graag in contact komen met het investeringsfonds Blackstone. Deze ‘aasgieren’ spelen overal ter wereld een soort real life-Monopoly met de huizen, straten en buurten van gewone mensen. Zulke internationaal opererende ondernemingen laten zich alleen niet gemakkelijk ter verantwoording roepen. Als ze weer eens bot vangt, zorgt dat voor elementaire twijfel bij Farha. ‘Ben ik belachelijk?’ vraagt ze zich hardop af.

Niet veel later hervindt ze de kracht om haar verhaal te blijven doen en verbinding te zoeken met lokale bestuurders. Want als het urgente Push één ding duidelijk maakt, is dat elke burgemeester van een grote stad, waar ook ter wereld, met min of meer dezelfde problematiek kampt.

The Kleptocrats

In de filmindustrie had niemand ooit van Red Granite Pictures gehoord. Toch investeert het bedrijf ettelijke honderden miljoenen dollars in de Hollywood-blockbuster The Wolf Of Wall Street uit 2013, een film van Martin Scorsese met in de hoofdrol Leonardo DiCaprio als überkapitalistisch roofdier. Op het Filmfestival van Cannes organiseert Red Granite bovendien een groots, zéér exclusief feest, waarbij sterren als Pharrell Williams, Jamie Foxx en Kanye West optreden. Dat kan niet kloppen, zou je zeggen. En dat doet het dus ook niet.

Het spoor in de boeiende financiële thriller The Kleptocrats (86 min.) leidt naar Najib Razak, de minister-president van Maleisië. Via het geheime fonds 1MDB zou op grote schaal publiek geld zijn weggesluisd om zijn herverkiezingscampagne te financieren. Gelukkig bleven er ook nog wat dollars over voor de man zelf en zijn lieftallige echtgenote Rosmah Mansor. Van die ene diamant van 27 miljoen dollar die Razak aan zijn vrouw gaf, hadden 3.333 leraren een jaar kunnen worden betaald, becijfert oppositielid Tony Pua. Zelfs Nazir Razak, de broer van de Maleisische premier, verbaast zich in deze documentaire over de welig tierende corruptie onder het bewind van zijn broer, die tot massale protesten leidt in de straten van Kuala Lumpur.

Een deel van het gestolen geld is ook in Hollywood beland. En dus gaan de filmmakers Sam Hobkinson en Havana Marking, in het kielzog van enkele onderzoeksjournalisten, op zoek naar de investeerder Jho Low, een omhoog gevallen sjacheraar die het breed laat hangen in het Amerikaanse uitgaansleven en zich probeert op te houden in de directe omgeving van sterren als Leonardo DiCaprio, Paris Hilton en Robert De Niro (die overigens lekker nijdig wordt, als hij telefonisch wordt bevraagd over zijn connectie met Low en diens plannen om te investeren in de nieuwe Scorsese-film The Irishman). Die speurtocht naar witteboordencriminelen levert een smakelijke film op, die aantoont dat de wereld van het grote geld inmiddels echt grenzeloos is geworden.

‘De echte vraag is: was dit allemaal legaal?’ vraagt Leonardo DiCaprio, als Jordan Belfort in The Wolf Of Wall Street, demonstratief aan de kijker. Hij antwoordt zelf: ‘Absoluut niet!’

Four Horsemen

Leven we in het zesde en laatste stadium waarin elk wereldrijk ooit terechtkomt? Die vraag gooit de documentaire Four Horsemen (98 min.) met de nodige bravoure in de lucht. Elk rijk, in dit geval het vrije Westen, gaat ongeveer 250 jaar mee, zo stelt Sir John Glubb in zijn boek The Fate Of Empires. Zo’n tien generaties. En dan breekt de laatste fase aan, ‘the age of decadence’. Daar zitten we nu middenin. Als iconen van dit geperverteerde stadium voert regisseur Ross Ashcroft in deze pamflettistische film uit 2011 enkele bekende babyboomers op, zoals Bill Clinton, Silvio Berlusconi en een showman/ondernemer die dan nog op geen enkele manier in verband wordt gebracht met het Amerikaanse presidentschap.

De Britse filmmaker bouwt zijn linksige video-essay, gemaakt in de nasleep van de financiële crisis van 2008, vervolgens op rond vier hedendaagse varianten op de Bijbelse ‘ruiters van de apocalyps‘: een roofzuchtig financieel systeem, escalerend georganiseerd geweld, stuitende armoede bij miljarden mensen en het uitputten van de natuurlijke grondstoffen van de aarde. Ashcrofts pleidooi is helder: het vigerende maatschappij-paradigma moet op de helling. De dog-eat-dog samenleving heeft zijn langste tijd nu echt gehad.

Zover is het natuurlijk nog niet. Met een dwingende voice-over en 23 vooraanstaande denkers, waaronder sociaal epidemioloog Richard Wilkinson, de Nobel Prijs-winnende econoom Joseph Stiglitz en filosoof (en vaste gast in dit soort films) Noam Chomsky, legt Ashcroft dus eerst de vinger op de zere plek. Bij een kapitalistische wereld die volgens hem in werkelijkheid neerkomt op ‘socialisme voor de rijken’. De overheid mag overal de brandjes blussen die door de zichzelf verrijkende elite zijn gesticht. Nadat hij die diagnose heeft gesteld, proberen de filmmaker en zijn pratende hoofden vervolgens een remedie te formuleren: samenwerking in plaats van competitie.

Four Horsemen is goed gedocumenteerd, bevat interessante sprekers en spoort echt aan om na te denken over de tijd en wereld waarin we leven. De film is zo nu en dan wel wat prekerig en wordt waarschijnlijk vooral in eigen parochie goed verstaan. Of we inderdaad in de nadagen van Het Moderne Rome leven, valt bovendien waarschijnlijk pas ná de eventuele val van het rijk vast te stellen. Al is het natuurlijk wel héél opmerkelijk dat Ross Ashcroft destijds, een jaar of vijf voordat hij zich verkiesbaar stelde voor een politiek ambt, al een icoon van deze decadente tijd herkende in die ene patserige zakenman met dat voluptueuze kapsel…

American Factory

Netflix

In de donkere dagen van de economische crisis van 2008 besluit General Motors zijn fabriek in Dayton te sluiten. Zo’n 10.000 mensen in Ohio raken hun baan kwijt. Twee jaar later beginnen Chinese bedrijven te investeren in de regio. In de oude GM-fabriek wordt een Amerikaanse vestiging van Fuyao Glass geopend, waar een combinatie van oud-autowerkers en ingevlogen Chinezen aan de slag gaat. De cultuurshock, die in American Factory (110 min.) door Steven Bognar en Julia Reichert (in opdracht van het productiebedrijf van Barack en Michelle Obama) treffend en genuanceerd is gedocumenteerd, laat zich voorspellen.

De nieuwe kansen voor Amerikaanse arbeiders, die enkele jaren eerder keihard zijn geraakt door de crisis, gaan bijvoorbeeld ook gepaard met aanmerkelijk lagere lonen. En op medewerkers die daar iets tegen willen doen en zich aansluiten bij een vakbond zit het nieuwe management bepaald niet te wachten. ‘Een vakbond beïnvloedt efficiëntie en schaadt ons bedrijf’, aldus Fuyaos gestaalde CEO Cao Dewang. ‘Dan lijden we verliezen. Als er een vakbond komt, dan sluit ik de fabriek.’ Amerikaanse werknemers zijn voor zijn begrip sowieso al niet productief. En dan hebben ze ook nog veel te veel zelfvertrouwen, constateert Dewangs Chinese directeur van de Amerikaanse vestiging. Je moet ze paaien. ‘Ezels worden graag geaaid met de haarrichting mee’, zegt hij. ‘Anders schoppen ze.’

Tijdens een werkbezoek in China zien de Amerikanen met eigen ogen hoe hun dociele Chinese collega’s op welhaast militaire wijze worden gedrild. Vrije dagen en vakantie hebben ze vrijwel niet. En van Arbo-wetgeving heeft nog nooit iemand gehoord. Het helpt dat de Fuyao-vakbond ook niet echt een gevaar vormt. De voorzitter is tevens secretaris van de Communistische Partij en, oh ja, een zwager van de directeur van de fabriek. De Amerikanen kijken hun ogen uit, zeker tijdens de speciale Fuyao-show op oudejaarsavond, waarin bedrijf en management zowat heilig worden verklaard. Het is een prachtige scène, waarbij de Amerikaanse werkemannen zich eerst verbazen, daarna enthousiast worden en uiteindelijk ontroerd raken. En aan het eind mogen ze zelf het podium op voor een kolderieke versie van de Village People-hit YMCA.

Bognar en Reichert hebben jaren de tijd genomen om alle verwikkelingen bij Fuyao te registreren. Die ausdauer betaalt zich uit: het proces van aantrekken en afstoten is minutieus vastgelegd, met oog voor het menselijke verhaal en gevoel voor humor. Ook de toegang tot zowel de nieuwe directie als Chinese en (ontevreden) Amerikaanse medewerkers, is opmerkelijk. De filmmakers hebben blijkbaar behoorlijk vrij hun gang kunnen gaan. Zo hebben ze mooi wederzijdse vooroordelen, ook op managementniveau, kunnen vangen. Want hoeveel goede wil alle betrokkenen ook ten toon spreiden, samenwerken blijft geven en nemen – of, zoals sommige betrokkenen dat ervaren: je eigen idealen prijsgeven.

Het is onvermijdelijk dat het bedrijf en een deel van de arbeiders uiteindelijk tegenover elkaar komen te staan. Die confrontatie wordt in het boeiende American Factory van binnenuit weergegeven, zonder dat de makers al te duidelijk een kant of standpunt kiezen. Ontwikkelingen binnen de wereldeconomie worden zo teruggebracht naar de werkvloer, waar gewone mensen in hun inkomen proberen te voorzien.

Everything Must Fall

‘Each generation must, out of relative obscurity, discover its mission, fulfil or betray it.’ Met dit citaat van Frantz Fanon als leidmotief belicht Everything Must Fall (58 min.) de Zuid-Afrikaanse studentenbeweging, die in 2015 van zich laat horen als de University Of The Witwatersrand in Johannesburg het collegegeld alweer met ruim tien procent verhoogt. Op een moment dat een deel van de zwarte studenten al is aangewezen op de voedselbank. Studeren dreigt opnieuw echt iets te worden voor de (witte) elite. Als tegenreactie ontstaat een vreedzaam protest onder de noemer Fees Must Fall.

Wat begint als een studentenactie die zich al snel verspreidt over het hele land, mondt echter uit in een opgeheven vuist voor een hele wirwar aan sociale issues: vrouwenrechten, inkomensongelijkheid, LGBT, anti-Apartheid, de outsourcing van banen en dekolonisatie en… (en dan ben ik er vast nog een paar vergeten). It’s the sixties all over again, zogezegd. Als de universiteit vervolgens besluit om de zwaarbewapende oproerpolitie in te schakelen, wordt de campus het strijdtoneel voor een gewelddadige confrontatie. Een onschuldige Maagdenhuis-achtige bezetting escaleert zo razendsnel tot een soort Zuid-Afrikaanse variant op het Kent State-bloedbad.

Met enkele prominente studentenleiders en vertegenwoordigers van het universiteitsbestuur neemt regisseur Rehad Desai de gebeurtenissen door die in het gehele land voor schermutselingen zorgen en alle betrokkenen dwingen om voor zichzelf de vraag te beantwoorden of het doel de middelen nog heiligt. Hoe heilzaam is de voortgang van het collegejaar nu werkelijk als de universiteit en zijn studenten daardoor lijnrecht tegenover elkaar komen te staan? En wat zijn die collegegeldconcessies waard als ze betaald moeten worden met bloed? In zulke verhitte omstandigheden blijkt het bovendien, zo toont deze degelijke film, bepaald geen sinecure om de neuzen dezelfde kant op te houden.

The Corporation

Is het een monster, een kapitalistische weldoener of toch een psychopaat? In het messcherpe video-essay The Corporation (144 min.) uit 2003 ontleden Mark AchbarJennifer Abbott en Joel Bakan (die ook het gelijknamige boek schreef) wat een onderneming nu eigenlijk is, wat zo’n in essentie indentiteitsloze entiteit werkelijk beoogt en wat daarvan de maatschappelijke impact is. De aanleiding is amoreel gedrag van (CEO’s van) multinationals, de toon zonder enige twijfel links-activistisch en de overkoepelende boodschap nog altijd ontzettend actueel: de namen van toenmalige boosdoeners als Exxon, Dow Chemical en Monsanto kunnen moeiteloos worden vervangen door moderne pendanten zoals Facebook, Google en – in een Nederlandse context – Shell en de NAM.

Omlijst door een aanstekelijke mixture van fragmenten uit nieuwsreportages, commercials, voorlichtingsfilmpjes, animaties, speelfilms en documentaires geven zowel linksige opiniemakers zoals Noam ChomskyNaomi Klein en Michael Moore als (voormalige) topmannen van internationaal opererende ondernemingen, beurshandelaren, vertegenwoordigers van rechtse denktanks en de Nobelprijs-winnende vrije marktdenker Milton Friedman hun visie op de aard van onderneming en het kapitalisme in het algemeen. Mijn eerste reactie op de aanslagen van elf september? bekent een beurshandelaar openhartig. Simpel: ‘Gaat de goudprijs nu omhoog?’ Ofwel, het welbekende adagium: never waste a good crisis.

Alles op de wereld zou een exploitant moeten hebben, stelt een andere geboren entrepreneur zelfs. Want zo iemand draagt beslist zorg voor zijn eigen eigendom. En dat zou dan de ultieme bescherming zijn voor alles wat waarde vertegenwoordigt. Deze film toont nochtans moeiteloos aan dat diezelfde wereld nog veel vaker compleet weerloos is tegenover de mensen en bedrijven die van ‘moving product’ hun hoogste ideaal hebben gemaakt en zoomt in op enkele absurde voorbeelden van dat doorgeslagen kapitalisme, zoals het doodenge Disney-stadje Celebration in Florida, een undercover-campagne voor ‘real life-product placement’ en het patenteren van zowat alles wat je in je stoutste dromen kunt bedenken; van de complete drinkwatervoorziening in de Boliviaanse stad Cochabamba tot levende organismen (waarbij de mens, vooralsnog, is uitgezonderd).

Voor de Amerikaanse wet hebben ondernemingen dezelfde rechten als fysieke personen. Ze moeten dan echter wel worden beschouwd als psychopathische personen, constateren de makers van The Corporation. Zorgvuldig vinken ze alle eigenschappen af op de zogenaamde ‘Personality Diagnostic Checklist’ van de World Health Organisation. De gevolgen laten zich raden: van stuitende witte boordencriminaliteit en slinkse marketingcampagnes die volledig zijn gericht op maximaal zeurende kinderen tot exploitatie van mens en dier, massaontslagen, de verspreiding van ziektes, klimaat- en milieuverontreiniging en – natuurlijk! – oorlog. ‘Elk mens van vlees en bloed is een morele persoon’, stelt Noam Chomsky. ‘Tegelijkertijd laten we allerlei verschillende soorten gedragingen zien. Ieder van ons kan, onder bepaalde omstandigheden, medewerker van een gaskamer of juist een heilige worden.’

Dat is een ontnuchterende gedachte, met potentieel nefaste gevolgen. En die worden in deze pamflettistische film in een naargeestige historische context geplaatst – inderdaad: de banden tussen Hitler-Duitsland en bedrijven als IBM en Coca Cola (dat speciaal voor de Duitse markt Fanta ontwikkelde) – en zeker niet altijd even genuanceerd uitgeserveerd. Behalve voor winst zouden die ondernemingen immers ook – ik noem maar een dwarsstraat – voor perspectief voor mensen en hun gemeenschappen kunnen zorgen. Als totaalpakket is The Corporation niettemin een indrukwekkende aanklacht tegen het ongebreidelde kapitalisme, dat in grote delen van de wereld nog altijd – ook ná de financiële crisis van 2008, waarvan nog altijd niet iedereen is hersteld – als een allesomvattend geloof wordt aangehangen.

Houen Zo!

beeldengeluid.nl

‘Hier een hele mooie! De gouwen medaille gewonnen voor voor- en achteruit zwemmen, dat gekke ding’, prijst een marktkoopman de verse vis in zijn hand aan. ‘Twee kwartjes per kilo.’ Verder wordt er in deze klassieke korte documentaire van Herman van der Horst, samen met Bert Haanstra de voornaamste exponent van wat de Hollandse Documentaire School werd genoemd, nauwelijks gesproken. Behalve het spreekwoordelijke ‘Houen Zo!’ (20 min.), de al dan niet geënsceneerde slogan om aan te geven dat de zaak wel snor zit waaraan deze film zijn titel ontleent.

Geluid is er overigens genoeg in deze associatieve documentaire, die in 1953 als beste ‘Film de realité’ werd bekroond op het filmfestival van Cannes. Het geluid van mannen – nauwelijks een vrouw te bekennen in deze film – aan het werk: drilboren, scheepshoorns, heipalen, cementmolens en pikhouwelen. En muziek: het carillon, de harmonie en het draaiorgel, als soundtrack van de jaren vijftig, de periode van wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog.

Deze straf gefilmde en gemonteerde film werd mede mogelijk gemaakt door het Marshall Plan en brengt de reconstructie van het vernietigde stadscentrum van Rotterdam met veel daadkracht, schwung en beeldrijm in beeld. ‘Wederopbouwcineast’ Van der Horst (1910-1976), volgens dit NRC-artikel ‘de filmische erfgenaam van de landschapschilders uit de zeventiende eeuw’ probeert zo de geest te vangen van een stad die zich niet laat kisten. Houen Zo! is bijna een sublimering van het ‘Geen Woorden Maar Daden’-principe, waarbij werkelijkheid en verbeelding met elkaar aan de haal gaan.

‘Moge de wederopbouw van verwoest Rotterdam een symbool zijn van de herwonnen kracht van geheel Nederland’, laat de ronkende begintekst er al geen misverstand over bestaan. Dit wordt een film met een boodschap, over menselijke kracht en optimisme, die een kleine twintig minuten later culmineert in een bezwerende heiscène; met elke beuk van het heiblok verrijst een nieuw kolossaal gebouw in de havenstad. Daartegen, zo wil Van der Horst maar zeggen, is geen kwaad kruid gewassen!

Darwin’s Nightmare

Het begint met een visje. De nijlbaars, uitgezet in het Victoriameer. In het kader van een ‘klein wetenschappelijk experiment’, een halve eeuw geleden. Moddervet wordt hij tegenwoordig uit het water gevist. Enkele honderden kilo’s zwaar. Daarvan kunnen talloze visfilets worden gemaakt. En die vinden gretig aftrek in het rijke Westen. Vliegtuigen vliegen af en aan.

Het lijkt een economisch succesverhaal, die nijlbaars. De gehele Tanzaniaanse regio Mwanza verdient er zijn brood mee. De vraatzuchtige baars heeft alleen het hele meer leeggeroofd. Alle andere vissoorten zijn zowat uitgestorven. De symboliek daarvan is onontkoombaar: het hart van Afrika wordt nog altijd rücksichtslos vertrapt en geplunderd door witte mannen.

Alle hoofdpersonen van Darwin’s Nightmare (106 min.) uit 2004 zitten helemaal vast in dat volledig verrotte systeem. Of ze nu vissen, vliegen, bewaken, rondzwerven, hel en verdoemenis prediken, lijm snuiven, Aids hebben of moeten hoereren. De Oostenrijkse filmmaker Hubert Sauper constateert tevens dat die gewilde vis bij hen niet voor goedgevulde magen zorgt. Zij moeten het doen met de bijzonder onsmakelijk ogende restjes van hun eigen exportproduct – of lijden gewoon honger.’

Hier gelden de wetten van de jungle’, vertelt Mkono, een voormalige leraar die tegenwoordig een visserskamp runt, nuchter. ‘Sterke en stoere dieren hebben nu eenmaal meer kans om te overleven dan zwakke exemplaren.’ Hij beschouwt de Europeanen inmiddels als sterker dan de rest. Zij hebben immers het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank in hun zak. Het is een bittere constatering, waar je als westerling eigenlijk liever niet al te lang over nadenkt. Zeker als je de gevolgen in Afrika overziet.

En zijn de vliegtuigen waarmee Russische piloten de vis vrijwel dagelijks afvoeren naar de andere kant van de wereld werkelijk leeg als ze in Tanzania arriveren? De vraag stellen is hem beantwoorden. En het antwoord dat Sauper uiteindelijk weet te ontfutselen aan al zijn verschillende bronnen maakt de slotsom van deze grimmige film, die bij de European Film Awards werd gekozen tot beste documentaire en tevens werd genomineerd voor een Oscar, nog eens extra wrang.

En het is allemaal ooit begonnen met een visje…

Holwerd Aan Zee

De mooiste scène van Holwerd Aan Zee (50 min.) heeft feitelijk niets van doen met het centrale thema van de film – en toch ook weer alles. Een busje van Coop Holwerd Verbeek rijdt achteruit richting de hoofdingang van de supermarkt. Medewerkers, in die karakteristieke oranje-zwarte uniformen, vormen aan beide zijden van de ingang een ontvangstcomité. De achterklep van het busje gaat open. Familieleden dragen de kist van Bindert Verbeek de supermarkt in, waar de lokale gemeenschap de laatste eer kan bewijzen aan de voormalige kruidenier.

Even daarvoor heeft Bindert in deze fijne documentaire van Kees Vlaanderen nog onverhuld zijn trots uitgesproken over zijn zoon Marco, één van de vier initiatiefnemers van het ambitieuze vernieuwingsproject Holwerd Aan Zee en hem een bijzonder liefdevol klopje op de rug gegeven. Voor dit in het Friese dorp zelf ontwikkelde plan moet de dijk worden doorbroken en wordt er een rechtstreekse verbinding met de Waddenzee gelegd. Van een gemeente die al sinds jaar en dag met krimp heeft te maken, willen de vier mannen weer een bruisende gemeenschap maken. En Bindert had dat nog zo graag willen meemaken.

Om het revolutionaire plan te realiseren is visie, passie én een open blik nodig. Marco Verbeek had bijvoorbeeld ‘niks’ met kunst toen ze werden benaderd door Joop Mulder van Sense Of Place, tevens de man achter het Oerol-festival. ‘En toen ging-ie vertellen wat het oplevert aan bezoekers’, vertelt Verbeek glunderend. ‘Toen dacht ik: oh leuk, kunst!’ Intussen wordt, in het kader van het kunstwerk Wachten Op Hoog Water, met zorg een ‘volle vrouw’ van de Friese kunstenaar Jan Ketelaar op het Holwerdse strand geplaatst.

De Mannen Van Holwerd – een inspecteur van de voedsel- en warenautoriteit, een aardappelboer, een beleidsambtenaar en een kruidenier – zijn inmiddels zelf ook vereeuwigd. Als iconen van de gewone man die zijn leven in eigen hand neemt. Portretfotograaf Linette Raven heeft hen op ware grootte afgebeeld op een denkbeeldige sluis van aardappelkistjes. Gaandeweg krijg je steeds meer sympathie voor de vier mannen en het idee waarvoor ze letterlijk stad en land afreizen en ook bij de Waddenvereniging, het Goed Geld Gala van de Postcode Loterij en de Europese Unie in Brussel terechtkomen. Op zoek naar 65 miljoen euro.

Het is een aansprekend en vaardig verteld verhaal over kleine mensen die groot durven te denken, bereid zijn om over hun eigen belang heen te kijken en onverwijld kiezen voor de toekomst van hun kinderen en kleinkinderen. In een Holwerd, waar krimp plaats heeft gemaakt voor groei. En dat direct aan zee ligt, natuurlijk.

Ganz: How I Lost My Beetle

‘Kun je je herinneren, kleine kever, hoeveel kilometer we samen hebben gereisd?’, vraagt Josef Ganz aan de creatie die hem zo ruw is afgenomen. ‘Toen jij de weg opging, werd mijn naam gewist.’ Intussen zien we archiefbeelden van marcherende Nazi’s, die hun Führer eer bewijzen. Zij zullen zijn idee voor een Volkswagen, een auto voor Jan Modaal, omarmen en er een wereldwijd succes van maken. Ganz, de geniale ontwerper van de voorloper van die auto, de zogenaamde Meikever, staat tegen die tijd allang buitenspel. Hij wordt ruim vóór het begin van de Tweede Wereldoorlog rücksichtslos kalt gestellt.

In Ganz: How I Lost My Beetle (85 min.) geeft Suzanne Raes een stem aan de vergeten auto-ontwerper. Op basis van Het Ware Verhaal Van De Kever: Hoe Hitler Zich Het Ontwerp Van Een Joods Genie Toe-eigende, een boek van de Nederlandse journalist Paul Schilperoord, schreef ze een zeer persoonlijke voice-over, waarin Josef Ganz zijn eigen levensverhaal doet. De Duitse acteur Joachim Król heeft die tekst ingesproken en fungeert daarmee als verteller voor deze historische documentaire, waarin de man, zijn droom én de ontwikkeling van een auto voor het gewone volk worden geportretteerd. Een zeer geslaagde keuze.

De Ganz van Raes richt zich rechtstreeks tot de Volkswagen Beetle. Terwijl hijzelf met de staart tussen de benen naar de andere kant van de wereld vertrok, werd zijn geesteskind na de Tweede Wereldoorlog één van de populairste auto’s van de wereld. ‘Wie had gedacht dat jij het symbool van de Duitse wederopstanding na de oorlog zou worden?’ Suzanne Raes versnijdt het meeslepende relaas van de verteller met de pogingen van Ganz-kenner Schilperoord en Josefs achterneef Lorenz om een exemplaar van z’n oorspronkelijke auto te bemachtigen en aan de praat te krijgen.

Verder introduceert ze de kunstenaar Rémy Markowitsch, die de expositie Nudnik: Forgetting Josef Ganz heeft gewijd aan de vergeten Joodse ingenieur, en Maja, de nicht van Ganz. Bij haar geboorte ontving zij een brief van hem, die ze sinds jaar en dag bij zich draagt. Was die verre oom Joe, die zijn laatste levensjaren als balling in Australië zou slijten, een gigantische fantast of toch de ‘absente vader’ en ‘anonieme verwekker’ van de Kever? ‘Als alles was gelopen zoals het had moeten lopen’, constateert Maja gelaten, ‘dan hadden we nu in een slot in Oostenrijk gezeten.’

Die tragiek, van een geniale ontwerper – en zijn nazaten die wellicht net zo schathemelrijk hadden kunnen worden als de familie Porsche – is in Ganz: How I Lost My Beetle met compassie en gevoel voor drama, hoewel misschien een beetje lang, opgetekend. Een man die ruim een halve eeuw dood is krijgt zo een tweede leven en de erkenning die hem al zo lang toekomt.

Ademloos

Op archiefbeelden uit 1977 benadrukt Jacques Lepoutre, de huisarts van het Vlaamse dorp Kapelle-op-den-Bos, dat kanker als gevolg van asbest een zeer zeldzame ziekte is. ‘Op de 120.000 sterfgevallen in België vorig jaar zijn slechts tien mensen daaraan gestorven.’ Of er een verband is met asbest? ‘Dat weet ik niet. Maar ik kan bevestigen dat ik bij onze arbeiders geen enkel geval van mesiothelioom heb gezien.’

‘Uiteindelijk is ‘m er zelf aan overleden’, zegt Kapelles huidige huisarts Renaat Huysmans over Lepoutre, toentertijd tevens de bedrijfsarts van Etex-Eternit, een plaatselijke fabrikant van dakbedekkings- en bouwmaterialen die veelvuldig gebruik maakte van asbest. ‘Wiens brood men eet, wiens woord men spreekt’, constateert Huysmans, die in de plaatselijke gemeenschap nog altijd heel veel loyaliteit naar het bedrijf ziet. ‘Ik vrees dat dat zeker en vast van toepassing is geweest.’

Filmmaker Daniel Lambo groeide op in Kapelle-op-den-Bos en zag van dichtbij hoe asbest huishield in zijn directe omgeving. Zijn vader, een vakbondsman die bij Etex-Eternit werkte, moet hebben geweten hoe de fabrikant doelbewust risico’s nam met de plaatselijke volksgezondheid. Hij wilde er tot aan zijn dood echter nooit over praten en vroeg zijn zoon zelfs om het onderwerp te laten rusten. Die slaat het vaderlijk advies met Ademloos (80 min.) overtuigend in de wind.

In zekere zin heeft vader Lambo daar zelf om gevraagd: hij stimuleerde zijn zoon ooit om vakantiewerk te gaan doen bij Etex-Eternit. Met het geld dat hij daarmee verdiende, kocht Daniel zijn allereerste camera. Enkele tientallen jaren later zet hij dat middel nu in voor een onderzoek naar het gebruik van asbest en de gevolgen daarvan. Zijn queeste is persoonlijk van aard, maar niet navelstaarderig of sentimenteel, en uitstekend gedocumenteerd bovendien.

De film brengt de Belgische filmmaker tot ver buiten zijn eigen landsgrenzen. Nadat asbest in de jaren negentig in de ban is gedaan in Europa, is de productie gewoon geoutsourced naar landen als India, waar een tweede Kapelle is ontstaan. In het kwadraat, welteverstaan. Het is een uiterst wrange conclusie. En de asbestindustrie, zo ervaart Lambo tijdens het maken van deze krachtige documentaire aan den lijve, geeft zich nog altijd niet zomaar gewonnen…

Inside Europe: Ten Years Of Turmoil

Het is een running gag geworden op het sociale medium Twitter. Elke keer als er in de Britse politiek weer chaos ontstaat over het Brexit, wordt een befaamde tweet van David Cameron rondgestuurd. De man die het referendum over de Britse afscheiding van Europa mogelijk maakte, waarschuwt daarin voor zijn rivaal van de Labour-partij: ‘Britain faces a simple and inescapable choice – stability and strong Government with me, or chaos with Ed Miliband.’

Camerons zelfoverschatting staat model voor de houding van het Verenigd Koninkrijk in Europa en veroorzaakte één van de belangrijkste binnenbranden die de Europese gemeenschap in het afgelopen decennium moest zien te blussen. Aflevering 1 van Inside Europe: Ten Years Of Turmoil (178 min.) laat zien hoe de Britse premier met het referendum (tevergeefs) de eenheid in zijn eigen partij probeerde te herstellen. In het documentaire-drieluik komen verder de Griekse schuldencrisis en de problematiek rond de vluchtelingeninstroom vanuit Syrië aan de orde.

De serie werd gemaakt door Norma Percy van het befaamde productiehuis Brook Lapping, dat eerder groots opgezette en gezaghebbende documentaires maakte over geopolitieke onderwerpen als de relatie tussen Iran en het Westen, Vladimir Poetin en de Irak-oorlog. De Britse producent strikt voor zijn producties steevast een indrukwekkende lijst van kopstukken en insiders, die gezamenlijk de binnenkant van een ontwikkeling, crises of oorlog schetsen. Moderne geschiedschrijving in optima forma.

Ook Inside Europe kan weer bogen op een imposante bronnenlijst: Sarkozy, Tusk, Renzi, Van Rompuy, Davatoglu, Juncker, Hollande, Barroso, Schäuble, Varoufakis, Trichet, Geithner, Rehn, Strauss-Kahn en onze eigen Timmermans, Dijsselbloem en Rutte (die, ook met het oog op zijn eigen Europese ambities, bepaald niet ongelukkig zal zijn met de sleutelrol die hem hier wordt toebedeeld in het bezweren van de vluchtelingencrisis). Eigenlijk ontbreken alleen beeldbepalende figuren als Cameron, Merkel en Erdogan. Met slim gebruik van archiefmateriaal en gesprekken met hun naaste medewerkers wordt dat gemis handig gecamoufleerd.

Zo ontstaat een afgewogen en genuanceerd beeld van de uitdagingen voor Europa in de afgelopen tien jaar, waarin populistische anti-Europese partijen opgeld hebben gedaan. Deze serie benadrukt zo onwillekeurig het belang van Europa en werkt in zekere zin dus als tegengif: als het water één van de lidstaten aan de lippen staat of een crisis de draagkracht van een enkel land overstijgt, dan zijn het bureaucraten en vergadertijgers van de gezamenlijk opererende Europese landen die het verschil kunnen maken.

Schapenheld

Er zijn dagen waarop de gemiddelde Nederlander niet mijmert over de toestand van de vaderlandse heide. Totdat je dat typische landschap krijgt te zien zoals schaapsherder Stijn Hilgers het dagelijks ziet – of beter: zoals filmmaker Ton van Zantvoort de hei laat zien in zijn meeslepende documentaire Schapenheld (80 min.). Een uitgestrekt landschap, waar de kou nog van de grond opstijgt, de opkomende ochtendzon de lucht blauw-oranje kleurt en een man met een hoed en zijn trouwe metgezel Hekske, een ‘flapdrol’ van een hond, hun kudde naar graasplekken leiden. ‘Dat is mijn werk’, stelt Hilgers in karakteristieke krachttaal met Brabantse tongval. ‘Zorgen dat die schapen hun pens volvreten op de goeie plekkies.’

Zo ongeveer zou een Nederlandse versie van het Wilde Westen eruit zien, met Hilgers als de onverschrokken held die sneller (verwensingen) schiet dan zijn eigen schaduw. Verweerde kop, twee oorringen in en het haar samengebonden in een staartje. Stuurs in de verte starend, zo nu en dan trekkend aan het shaggie in zijn hand. Onversaagd trekt hij ten strijde voor het behoud van de vaderlandse heide en zijn eigen bedreigde stiel. Ondertussen onophoudelijk foeterend op de Nederlandse regeltjeszucht en de, ja, neoliberalisering van het natuurbehoud. Want zelfs een authentieke schaapsherder, een beroep dat toch op de lijst van immaterieel cultureel erfgoed staat, moet concurreren. Totdat-ie er kapot aan gaat.

‘Openheid, rust, ruimte’, zocht de schaapsherder ooit in het vak, dat hem soms acht tot tien uur per dag alleen op de hei brengt. ‘Vrijheid. Dingen die ik zelf heb gekozen, die me niet opgelegd zijn. Dát. Simpel leven.’ Hilgers – of beter: filmmaker Van Zantvoort – laat een korte pauze vallen. ‘Dacht ik.’ En dan is het weer even stil, totdat Hilgers op zijn bouwradio stevige dansmuziek aanzet en zijn schapen begint te scheren. In die beginquote van de documentaire zit het complete drama van de film verscholen. Want de solitaire herder krijgt nauwelijks meer ruimte om zich te bewegen. Als de schapenheld, met zwarte hoed overigens, zijn kudde van de ene naar de andere wei dient te verplaatsen, moet hij bijvoorbeeld uit de minste van twee kwaden kiezen: door het bos kan een boete van de boswachter opleveren, door het dorp betekent andere mogelijke ellende.

Hilgers kiest overtuigd voor het laatste. Het ziet er ook majestueus uit, zo’n stoet schapen die door het dorp heen trekt. Een beeld uit lang vervlogen tijden. ‘Hadden ze bijna dat gloednieuwe gazon te grazen genomen’, roept de herder grappend naar enkele kijkende bewoners. Niet veel later krijgt hij de politie op zijn dak: de beesten hebben keutels achtergelaten nabij een ijssalon. ‘Het is afgelopen met dit vak, hier in Nederland’, foetert de man in kwestie machteloos. Het is één van de sleutelscènes van deze knarsetandende film, die past in een traditie van vaderlandse documentaires over plattelanders die langzaam maar zeker helemaal vastlopen in het moderne Nederland, zoals De Kleine Oorlog Van Boer Kok of Het Mysterie Van De Melkrobots.

Altijd weer is er het gevecht met de ‘teringlijers’ en de noodzaak om samen met zijn vrouw Anna op de één of andere manier, vraag niet hoe, de eindjes aan elkaar te knopen. De geboren rebel Hilgers – laten we hem een wolf in schaapskleren noemen – moet de tering naar de nering zetten en ziet zich bijvoorbeeld gedwongen om allerlei commerciële activiteiten te ontplooien. Van Zantvoort legt ‘s mans strijd tegen de bierkaai met compassie vast en brengt intussen het verdwijnende, of op zijn minst veranderende, beroep van schapenherder prachtig in beeld. De onontkoombare keuze waar Stijn Hilgers uiteindelijk voor komt te staan wordt ondertussen uitstekend invoelbaar.

Schone Schijn

schone-schijn-auto

 

Als hij een mogelijke investeerder uit Canada ontvangt, trekt Serge Janssen Daalen zijn enige maatpak aan en leent hij een representatieve auto. Het water staat de ondernemer al jaren aan de lippen, maar dat mogen potentiële zakenpartners natuurlijk niet weten. Hij dient succes uit te stralen. Anders is succes uitgesloten.

Intussen let zijn vrouw Merel noodgedwongen op de kleintjes in de supermarkt. Bij de kassa moet ze zelfs boodschappen terugleggen. Ziedaar de vicieuze cirkel waarin Janssen Daalen, de hoofdpersoon van Schone Schijn (55 min.), verzeild is geraakt. Sinds de crisis van 2008 gaat hij, net als enkele honderdduizenden concullega’s, gebukt onder een enorme schuld. Hij moet continu het ene gat met het andere dichten en probeert schuldeisers van zich af te houden. Intussen ontplooit de geboren plannenmaker nieuwe initiatieven, waarmee hij zich hoopt te verzekeren van inkomen.

Thuis begint de financiële malaise steeds nadrukkelijker zijn tol te eisen, getuige deze schrijnende documentaire van camerajournalist Fleur Amesz, die de zelfstandig ondernemer enkele jaren op de huid zat. Het huis dreigt per executie te worden verkocht, vrouwlief moet de was soms in de badkuip doen en het hele gezin is al twee jaar niet naar de tandarts geweest omdat er nog een flinke rekening openstaat. Bij zijn eerste behandeling in tijden meldt Janssen Daalen zijn tandarts dat hij niet verdoofd hoeft te worden. ‘Dat scheelt weer dertig euro.’

Een kat in het nauw maakt rare sprongen. De licht kakkineuze ondernemer geeft ronduit toe dat hij heeft gefantaseerd over foute dingen: drugshandel of fraude. Zover is het volgens eigen zeggen nooit gekomen, maar het geeft aan hoever Janssen Daalen bereid is te gaan om te voorkomen dat hij de ultieme nederlaag moet slikken: een baan in loondienst. Het is echter maar de vraag of hij dat onheil definitief weet af te wenden. Als hij via de schuldsanering van die loden bal aan zijn been af wil, dan zal Janssen Daalen toch echt moeten stoppen als ondernemer…