Little Palestine: Diary Of A Siege

IDFA

‘Jullie kunnen ons niet verdrijven uit ons eigen kamp’, staat er op een muur gekalkt. In Kamp Yarmouk, in de Syrische hoofdstad Damascus, leven zo’n 100.000 Palestijnen. Sommigen wonen er al sinds 1948, het jaar dat de staat Israël werd gesticht en Palestijnen van hun land werden verdreven. Als in Syrië een heftige burgeroorlog uitbreekt, sluit president Assad het kamp volledig af. De belegering van Yarmouk zal van 2013 tot 2015 duren.

In Little Palestine: Diary Of A Siege (89 min.) legt Abdallah Al Khatib, zelf geboren in het vluchtelingenkamp, samen met enkele vrienden vast hoe het leven in Kamp Yermouk, dat eerder al het strijdtoneel vormde voor de documentaire Dance Or Die, gewoon doorgaat – moet! – als het halve kamp kapot wordt geschoten, een nijpend tekort aan voedsel en medicijnen ontstaat en de gemeente dodelijke slachtoffers krijgt te betreuren.

Terwijl sommige kampbewoners, zoals Abdallahs moeder Umm Mahmoud, zich blijven bekommeren om kwetsbare ouderen, laat de woede in het kamp zich nauwelijks meer beteugelen. Er ontstaan massale protesten over de deplorabele leefomstandigheden en het feit dat de wereld nauwelijks oog lijkt te hebben voor, in de woorden van secretaris-generaal Ban-Ki Moon van de Verenigde Naties, ‘de binnenste cirkel van de hel’.

‘Als je wordt belegerd, is individuele rouw een luxe en geheime rouw een onvergeeflijk verraad’, stelt Al Khatib in één van de filosofische voice-overs waarmee hij zijn schrijnende film aanstuurt. ‘Voor de belegerden is collectieve pijn een verworvenheid en onderdeel van het pad naar overleving. Als je wordt belegerd, verberg je je verdriet niet voor anderen als een held, maar voel je de pijn en huil je met elkaar zoveel je kan.’

Little Palestine wil echter méér zijn dan een oneindige treurzang van woede en verdriet. Te midden van de ravage is er ook ruimte voor hoop, medemenselijkheid en dromen over een betere toekomst. Zo kan er, in een prachtige scène, ineens een gedragen lied klinken als een groepje jongeren, begeleid op piano, gewoon op straat de ellende van zich afzingt. Op de achtergrond klinken schermutselingen, de soundtrack van het leven in het kamp.

En dan moeten Islamitische Staat en de Russen zich nog melden in Kamp Yarmouk…

Simple As Water

vanaf 8-3 op HBO Max

Ze wonen al twee maanden in een benauwd koepeltentje op een soort parkeerterrein nabij de haven van Athene. Yasmin al Kadad en haar vier kinderen van negen, zeven, zes en vijf maken er het beste van. Echtgenoot Safwan verblijft al tien maanden in Duitsland. Hopelijk komen ze in aanmerking voor familiehereniging. Hij wordt alleen nog altijd niet officieel erkend als vluchteling. ‘Ik krijg hier hoofdpijn van’, zegt Yasmin moedeloos. ‘Uiteindelijk ga ik wel weer terug naar Syrië.’

De documentaire Simple As Water (99 min.) is een logisch vervolg op heftige films vanuit het hart van de Syrische burgeroorlog, zoals The CaveFor Sama en Last Men In Aleppo. Een portret van een ontheemd volk, dat door die oorlog is uitgestrooid over de wereld. Doodgewone mensen zijn noodgedwongen ‘vreemdelingen’ geworden. Regisseur Megan Mylan (Lost Boys Of Sudan) observeert hoe zij in den vreemde hun verminkte levens opnieuw vorm proberen te geven.

In het Turkse Reyhanli stuit ze bijvoorbeeld op Samra Abo Ghanooj. Haar echtgenoot werd enige tijd geleden gearresteerd. Sindsdien heeft deze moeder van vijf kinderen niets meer van hem vernomen. Zij moet intussen op het land werken om haar kroost te onderhouden en overweegt nu om die onder te brengen in een weeshuis. Oudste zoon Fayez, nog maar twaalf jaar oud, heeft tot dusver als een surrogaat-vader gefungeerd voor haar andere kinderen en ziet helemaal niets in dat plan.

Omar Sabha is in Pennsylvania beland en heeft daar de zorg voor zijn zestienjarige broer Abudi, die gewond is geraakt tijdens de oorlog, op zich genomen. Abudi moet bovendien de opleiding krijgen die hij zelf nooit heeft genoten. En misschien kan de jongen dan ook een verblijfsvergunning voor de Verenigde Staten bemachtigen. Want die lijkt voor Omar zelf, als voormalig lid van de Free Syrian Army, niet te zijn weggelegd. Hij staat officieel te boek als terrorist.

In het thuisland hopen Diaa en haar echtgenoot Hosain ondertussen tegen beter weten in nog altijd op de terugkeer van hun zoon Mohammed. Die werd in Raqqa gevangen genomen door ISIS. Terwijl ze zorgt voor Yazzan, een andere zoon met een verstandelijke beperking, probeert de Syrische vrouw de moed (der wanhoop) erin te houden. In een asielzoekerscentrum te Duitsland wacht Safwan tenslotte ongeduldig af of het Yasmin en hun kinderen lukt om zich bij hen te voegen.

Deze zorgvuldig gecaste hoofdpersonen representeren samen de verschillende aspecten van de oorlog, die zoveel Syriërs van huis en haard heeft verdreven (of, in het geval van Diaa, hun thuis heeft ontmanteld). Mylan komt in het groot opgezette en toch heel intieme Simple As Water héél dicht bij haar protagonisten, zonder dat ze zelf ook een rol voor zichzelf claimt, en schetst via hen overtuigend de ervaring van het volledig ontheemd zijn, achtervolgd door een oorlog waaraan eigenlijk niet valt te ontsnappen.

Children Of The Enemy

‘Te bedenken dat mijn dochter lid is geworden van die terroristische groepering is verschrikkelijk.’ Patricio Galvez, een Chileense muzikant die woonachtig is in Göteborg, kan er met zijn hoofd nog altijd niet bij dat juist Amanda op achttienjarige leeftijd koos voor de Jihad. Hij is haar nu definitief kwijt. Amanda Gonzalez werd op 3 januari 2019 gedood bij een luchtaanval.

‘Ik kon haar niet helpen’, zegt Patricio. ‘Maar ik kan wél iets doen voor de kinderen.’ Zeven heeft zij er achtergelaten, in leeftijd variërend van één tot acht jaar oud. Zonder ouders – want ook vader Michael Skråmo, de beruchte Noorse IS-propagandist, is gesneuveld – verblijven ze in het Syrische opvangkamp al-Hol. Net als talloze andere nakomelingen van geradicaliseerde westerlingen, die zich in de afgelopen jaren hebben aangesloten bij Islamitische Staat.

Van de Zweedse regering heeft Patricio waarschijnlijk niets te verwachten. Veel politici zijn deze kinderen van het Kalifaat – ook al hebben er slechts tachtig de Zweedse nationaliteit en kan hun onschuld nauwelijks worden betwist – liever kwijt dan rijk. Ze blijven tenslotte Children Of The Enemy (96 min.). Er rest grootvader niets anders dan zelf afreizen naar voormalig IS-gebied, om te bekijken of hij van daaruit zijn ondervoede en ziekelijke kleinkinderen naar huis kan krijgen.

Vanuit een ander perspectief belicht deze schrijnende documentaire dezelfde thematiek als The Return: Life After ISIS, een recente film over IS-bruiden, die na de val van het Kalifaat vastzitten in kamp al-Hol omdat hun geboortelanden hen niet terug willen. Het verschil is ook duidelijk: terwijl deze vrouwen zich daadwerkelijk hebben verbonden aan de extremistische ideologie van Islamitische Staat, beschikken Patricio’s kleinkinderen écht over een zuiver geweten.

Galvez wordt op z’n tocht vergezeld door zijn landgenoot Gorki Glaser-Müller. Hij zal steeds directer betrokken raken bij ‘s mans helletocht langs politiek, bureaucratie en journalistiek. Die wordt nog eens bemoeilijkt als ook Patricio’s ex-vrouw zich bij hem meldt. Samen met Amanda bekeerde zij zich enkele jaren geleden tot de Islam. Ze woonde ook enkele jaren in Syrië. Vormt zij nu een veiligheidsrisico voor de kinderen? En moeten die eigenlijk worden beschouwd als moslim?

Voor Patricio Galvez staat bij zulke lastige vragen één ding voorop: de toekomst van zijn kleinkinderen. En Glaser-Müller zit in deze urgente film op de eerste rang bij de emotionele achtbaan waarin hij vervolgens noodgedwongen rondjes maakt. Totdat de hele machinerie tot stilstand komt en duidelijk wordt of Patricio deze nieuwe generatie van zijn familie (voorlopig) kan redden van het Kalifaat.

Sabaya

Islamitische Staat mag dan militair verslagen zijn, de mentaliteit van de strijders van ‘Daesh’ is volgens Mahmud Resho onveranderd. In kamp Al-Hol, een kamp in Syrië waar ruim 70.000 voormalige IS’ers worden vastgehouden, zoekt de onverschrokken Mahmud naar Sabaya (91 min.), Jezidische vrouwen die jarenlang als seksslaaf zijn gebruikt en nog altijd worden vastgehouden door barbaren van Islamitische Staat.

Volgens Shejk Ziyad, Mahmuds collega bij het Jezidi-opvangcentrum in Syrië, worden er nog altijd duizenden meisjes en vrouwen vermist. Die zijn vijf jaar eerder gevangen genomen bij een aanval op hun thuisbasis in Sinjar in Noord-Irak. Sindsdien zijn ze alles kwijtgeraakt: hun naam, hun familie, hun taal, hun religie en – natuurlijk – hun eer. Volledig ontmenselijkt. Gereduceerd tot huissloof, broedkip of seksobject.

De nobele missie van Mahmud en zijn kompanen, op de voet gevolgd door filmmaker Hogir Hirori, is bepaald niet zonder gevaar. Ze begeven zich diep in IS-territorium. In het gigantische tentenkamp moeten ze – met behulp van voormalige sabaya’s, gestoken in een nikab, die zich als infiltrant in het hol van de leeuw wagen – verborgen gehouden Jezidi-meisjes en vrouwen opsporen en thuis afleveren.

Eenmaal buiten het kamp liggen er ook nog allerlei dilemma’s voor de ontheemde vrouwen. In een hartverscheurende scène moet een bevrijde moeder bijvoorbeeld op weg naar huis afscheid nemen van haar zoontje. Het kind is van een Daesh-man. Islamitische Staat vermoordde haar vader, broer en andere familieleden. En nu moet ze haar thuisfront er dus van overtuigen dat het jongetje echt geheel onschuldig is.

In al z’n lelijkheid toont deze indringende film zo hoe Islamitische Staat een volledig ontwrichte gemeenschap heeft achtergelaten, die van zijn echtgenotes en moeders, en dus nageslacht, is beroofd. Kunnen de vrouwen, die met onvervalste heldenmoed uit de klauwen van IS zijn gerukt, bijvoorbeeld nog normaal deel uitmaken van de wereld waartoe ze ooit behoorden? Raken ze ooit het stigma van ‘sabaya’ kwijt?

Hoewel Daesh tegenwoordig noodgedwongen een toontje lager zingt, blijven de horrorjaren dat de fundamentalistische organisatie ongenadig huishield in delen van Irak en Syrië zo als een inktzwarte schaduw over het leven van de Jezidi’s hangen.

Obada

VPRO

Bij een viskraam in Zandvoort staat een Syrische jongen op zijn beurt te wachten. Hoe hij heet? wil de man achter de toonbank weten. ‘Obada’, antwoordt de jongen. Hij vult aan: ‘Ik heb twee miljoen subscribers op YouTube.’ De man kan het nauwelijks geloven: ‘Twee miljoen? Serieus? Wauw! Cool.’ Echt twee miljoen abonnees? vraagt een andere jongen, die ook op zijn visje staat te wachten, voor de zekerheid. ‘Ja, en een half miljard views.’

Obada (45 min.), die naderhand rustig zijn harinkje weghapt, is een YouTuber. Geen Nederlandse, maar een Arabische. Vanuit het Gelderse dorp Angeren verovert hij het Midden-Oosten. Hier stelt hij niks voor: gewoon een Syrische jongeling, zonder al te veel opleiding. Hij heeft de praktijkschool, waar ze hem volgens eigen zeggen ‘kankervluchteling’ noemden, niet afgemaakt. Arabische jongeren kennen hem echter als zanger, acteur en rapper. Als hij een video online zet, kan die binnen een uur zomaar 150.000 keer bekeken zijn. ‘Als ik niet beroemd was’, constateert hij nochtans mistroostig, ‘zou ik waardeloos zijn.’

Influencer of niet, zoals elke opgroeiende jongen heeft Obada Kheireddin thuis gewoon te maken met ouders, die zich zorgen over hem maken. Omdat hij niet is gaan studeren. En vanwege dat vriendinnetje uit Irak, dat hij in het AZC heeft leren kennen. Niets voor hem, vinden zij. Past gewoon niet in de familie. Die houding zorgt al snel voor conflicten. ‘Misschien komt het door zijn beroemdheid’, meent zijn vader Rajaie. ‘Dat het hem naar zijn hoofd stijgt.’ Het kan natuurlijk ook door Nederland komen. In Syrië kon je als kind doen wat je wilde, stelt Rajaie strikt, maar uiteindelijk had je vader toch het laatste woord.

Documentairemaker Sakir Khader dringt door tot de kern van het generatieconflict dat zich in de familie Kheireddin aftekent. Vooral tussen Obada en zijn vader, die in verschillende werelden opgroeiden en die nu toch in dezelfde moeten leven, loopt de spanning zienderogen op – al bevat deze film ook een bijzonder intieme scène van een heftige ruzie tussen Obada en zijn moeder. Khader lardeert de schermutselingen met aandoenlijke familievideo’s en een liefdevolle audioboodschap van Rajaie aan zijn zoon. Hoever ze ook van elkaar verwijderd dreigen te raken, op deze manier blijven ze toch onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Zo ontstaat een fraaie, geladen en aangrijpende coming of age-docu, die voor elke (ouder met een) opgroeiende tiener herkenbaar zal zijn en die door zijn achtergrond en setting toch nieuwe elementen toevoegt aan het welbekende verhaal van aantrekken en afstoten. Waarbij het steeds weer de vraag is of de liefde voor elkaar genoeg is om samen het leven te vervolgen, of op zijn minst de komende jaren met elkaar door te brengen.

This Rain Will Never Stop

De oorlog is nooit ver weg. In hun vaderland Syrië. Waar nog altijd familie woont. En in het land van hun moeder, Oekraïne. Waarnaar ze zeven jaar geleden zijn verkast. Dat zelf inmiddels in een onafhankelijkheidsstrijd is verwikkeld met de Russen. De Koerdische familie Suleiman probeert de omstandigheden het hoofd te bieden. Zo goed en zo kwaad als dat gaat. Vader Lazgin houdt contact met het thuisfront. En zoon Andriy meldt zich als vrijwilliger bij het Rode Kruis. Hij wordt belast met de distributie van elementaire goederen aan de bevolking.

De twintiger fungeert als protagonist voor deze stemmige documentaire van Alina Gorlova. Andriy reist af naar Duitsland voor de bruiloft van zijn broer. Brengt een emotioneel bezoek aan familie in Irak. En vergezelt in This Rain Will Never Stop (102 min.) tenslotte een dierbare op diens laatste reis. Intussen staat zijn leven stil en is de oorlog overal. Niet in de vorm van bommen en granaten. Veeleer als natuurlijke omgeving voor gewone mensen, die weten dat ze door moeten met hun leven. In desolaat zwartwit, dat wel. ‘Het ging de laatste tijd best goed’, meldt een familielid via Skype vanuit de Syrische stad Hasukah. ‘Maar de laatste vier dagen klinkt er weer geweervuur.’

Gorlova observeert en laat de gebeurtenissen zoveel mogelijk voor zich spreken. Ze dient ze op in losse, gefragmenteerde hoofdstukken, verbindt die met vervreemdende beeldsequenties en is bepaald niet scheutig met achtergrondinformatie. De cinematografie van haar cameraman Viacheslav Tsvietkov is indringend: met zowel oog voor detail – wassend water, dansende handen of een geknakte tak – als florerend in het grote en imposante: een mensenmassa die zich meldt voor hulp, leuzen roepende militairen of het onherbergzame landschap.

Die beelden van de natuur in al zijn woest- en wildheid komen voortdurend terug, als onheilszwanger decor voor de dingen die op Andriys pad komen en zijn bestaan beheersen. Samen met de unheimische soundtrack geven ze een beklemmende atmosfeer aan deze film, die overtuigend het perpetuum mobile van oorlog en vrede belicht, dat gewone stervelingen in hun greep kan krijgen.

Jano & Shiro, A Brother’s Journey

De voettocht begon in Syrië. Daarna volgden Turkije, Griekenland, Albanië, Montenegro, Bosnië en Kroatië. De broers Jano (18) en Shiro (15) leerden intussen op elkaar te vertrouwen. Ze moesten wel. ‘Ik kan mijn jeugd niet opnieuw beleven’, verzuchtte Jano onderweg, in de Kroatische sneeuw en veel te verstandig voor zijn leeftijd. Over zijn broer: ‘Hij heeft nog twee of drie jaar. Ik hoop dat hij nog zoiets als een kindertijd heeft voordat hij volwassen wordt.’

En toen ineens, bij de Sloveense grens, raakten ze elkaar kwijt. Geconfronteerd met de politie sloegen de broers op de vlucht. Allebei een andere kant op. Kwijt. Verloren ook. Jano moest op zoek naar zijn jongere broertje en probeerde intussen zijn vader, die nog gewoon ‘thuis’ verbleef, te kalmeren. ‘Nog steeds geen nieuws over Shiro?’, vroeg die ongerust. ‘Maak je niet druk’, antwoordde zijn oudste zoon, ook tegen zichzelf. ‘Die belt morgen wel.’

In Jano & Shiro, A Brother’s Journey (34 min.), de voorbode van een groter project over de reis van minderjarige vluchtelingen door Europa genaamd Shadow Game, volgen Eefje Blankevoort en Els van Driel de twee Syrische broers tijdens hun jarenlange tocht naar een nieuw en veilig thuis. Ze zullen in het kielzog van Jano en Shiro nog diverse plekken moeten aandoen. En eenmaal op de plaats van bestemming, Nederland, wacht de Syrische broers opnieuw een scheiding.

Shiro kan als minderjarige direct een start maken met zijn nieuwe leven, de (net) meerderjarige Jano is veroordeeld tot een ellenlange asielprocedure, in een andere uithoek van het land bovendien. Het is een treffend slotakkoord voor deze barre en louterende trip door een wereld die eigenlijk niet op jongens zoals zij zit te wachten. Blankevoort en Van Driel brengen hun coming of age-reis, met effectief gebruik van splitscreen en prikkelende muziek, krachtig in beeld.

Waarbij na afloop de vraag blijft hangen of de ervaringen onderweg Jano en Shiro nog parten gaan spelen in hun nieuwe bestaan.

Notturno

Cinéart

Hun levens zijn doordesemd met oorlog. Een oneindige strijd, die hen soms tijdelijk in slaap sust en die dan toch weer plotseling kan oplaaien. Al ruim een eeuw. Sinds de val van het Ottomaanse rijk, aan het einde van de Eerste Wereldoorlog.

In het grensgebied tussen Irak, Koerdistan, Syrië en Libanon heeft de bevolking (moeten) leren leven met voortdurend gevaar. Terwijl een eendenjager in het holst van de nacht met zijn kano het water opgaat, klinkt er tussen het rustgevende getsjirp van de krekels bijvoorbeeld regelmatig ratelend geschut. De man kijkt er niet van op.

Intussen zijn er overal militairen die de wacht houden, klaar om in te grijpen als de situatie daar om vraagt. Want Islamitische Staat, dat ongenadig huishield in de regio, is nog altijd niet definitief verslagen. De herinneringen aan het horrorbewind van de terreurbeweging houdt menigeen nog altijd in zijn greep. Niet alleen in de nachtelijke uren.

Gianfranco Rosi vangt die dagelijkse realiteit in Notturno (100 min.) met lange, zorgvuldig gekadreerde en prachtige uitgelichte (nacht)shots, die het oog van een meester verraden. Hij schildert met luchten: van bloedstollend mooi tot ronduit onheilspellend. De camera verroert zich intussen niet en sublimeert de grauwe werkelijkheid van het leven.

Rosi’s aanpak is verder uitgesproken sober. Geen interviews. Geen muziek. En geen duidelijke protagonisten. Gesproken wordt er ook nauwelijks. Of het moet dat gekerm op de psychiatrische afdeling zijn. De repetities voor een geladen toneelvoorstelling. Of het gejammer van een Koerdische moeder die in een verlaten gevangenis haar gestorven zoon betreurt.

In de meest indrukwekkende scène vertellen kinderen aan de hand van zelfgemaakte tekeningen over hun ervaringen met Islamitische Staat. ‘Als de kinderen huilden, werden ze door IS-mannen met een stok geslagen’, zegt een jongetje over zijn tijd in een gevangenenkamp. Hij wijst naar zijn tekening. ‘Dit is hun bloed.’

Kalm observeert Rosi gewone mensen die ‘gewoon’ hun leven leiden. Hele gezinnen op één kamer, soldaten op patrouille en vluchtelingen in een modderig kamp. Nietige wezens, overlevend in het perpetuum mobile van geweld waarin ze ooit terecht zijn gekomen. Het komt allemaal samen in de blik van die ene, in zijn eigen capuchon verscholen tienerjongen, die gepijnigd voor zich uitstaart.

Under The Wire

underthewiremovie.com

Ze moest letterlijk een oog geven voor haar missie. In 2001 te Sri Lanka, tijdens een bloedige burgeroorlog. Een ooglapje zou het handelsmerk worden van de Amerikaanse oorlogscorrespondent Marie Colvin. Net als dat ze voor de Duvel niet bang was en koste wat het kost, ongeacht de omstandigheden, de verhalen van gewone mensen wilde vertellen. Zo zou ze ook aan haar einde komen, bij een raketaanval in de Syrische stad Homs op 22 februari 2012.

Colvin was zo’n vrouw waarover films worden gemaakt: A Private War (het speelfilmdebuut van de gevierde documentairemaker Matthew Heineman, met Rosamund Pike als de onvervaarde journaliste) en de documentaire Under The Wire (93 min.) van Chris Martin. Beide films uit 2018 zijn zowel een eerbetoon aan de vrouw zelf als aan haar stiel, de oorlogsjournalistiek, en vormen tevens een vlijmscherpe aanklacht tegen oorlog in het algemeen.

Waar de speelfilm Colvins complete loopbaan probeert te vatten, inclusief haar trauma’s en drankmisbruik, reconstrueert deze docu alleen de helletocht die zou leiden tot haar dood (en die van haar Franse collega Rémi Ochlik). ‘Er is een vrouw dood’, roept een man op huiveringwekkende amateurbeelden, die de paniek van het moment perfect weerspiegelen. ‘Wie?’ reageert een ander. ‘Marie van The Sunday Times?’ Het antwoord slaat alle hoop de bodem in: ‘Ja, Marie van The Sunday Times. Ze is dood.’

Maar, om een bekende boutade te parafraseren: achter elke succesvolle vrouw staat een sterke man: fotograaf Paul Conroy. Colvins vaste partner in crime is de eigenlijke hoofdpersoon van deze beklemmende documentaire. Die is ook gebaseerd op het boek dat hij schreef over hun werkreis naar Assads Syrië. Nadat ze samen de voorpagina van de krant hadden gehaald en zij dat met de dood moest bekopen, belandde hij weer bij de benauwde kilometerslange tunnel die hen op de plek des onheils had gebracht.

Conroy had nog maar één missie: zijn verhaal vertellen. Hun verhaal. Samen met enkele collega’s die erbij waren op dat fatale moment en in de rug gedekt door een slimme combinatie van reconstructiebeelden en shockerende opnamen van de ‘slachting’ ter plaatse brengt hij de horror tot leven. Dat komt hard binnen. Marie, een ijzervreter van het zuiverste water, zou vast niet anders gewild hebben.

69 Minutes Of 86 Days

VPRO

86 dagen in nog geen 70 minuten. De komst van een driejarig meisje en haar familie naar Europa, teruggebracht tot z’n essentie. Tenten, maaltijden, treinen. Lopen, wachten, sjouwen. Drukte, rotzooi, stress. Hulpverleners, douanebeambten, vluchtelingen. Dat vooral: vluchtelingen, vluchtelingen, vluchtelingen. In colonne lopen ze weg van hun verleden.

Waaronder dus dat ene kind: Lean Kanjo. Grote ogen, haren in een staartje en een schattig roze Frozen-rugzakje. Meestal weggekropen in papa’s armen, soms even op zichzelf de wereld ontdekkend. Via het kleine Syrische meisje brengt regisseur Egil Haskjold Larsen in 69 Minutes Of 86 Days (70 min.) de maandenlange tocht van de familie Kanjo naar een nieuw vaderland in beeld. Van de aankomst op een met reddingsvesten, rubberbootjes en wrakstukken bezaaid strand in Griekenland tot de uiteindelijke eindbestemming: familie in Zweden.

De camera blijft in beweging en volgt de nieuwkomers nauwgezet. Gesproken wordt er nauwelijks. Hun gezichten spreken echter boekdelen: deze verweesde mensen willen vooruit, ook al kunnen ze eigenlijk niet meer en worden ze ook doodmoe van alle drempels die op weg naar dat nieuwe thuis moeten worden genomen. Voor Lean lijkt de tocht vooral een groot avontuur, dat op een heel vanzelfsprekende manier van minuut tot minuut wordt beleefd.

Larsen presenteert de gezamenlijke reis van de Kanjo’s zo sec mogelijk en zet alleen met stemmige muziek accenten. Zo komt hij heel dicht bij de daadwerkelijke ervaring van ontheemden, die moesten achterlaten wie ze waren, zonder precies te weten wie ze zouden gaan worden.

This Is Not A Movie

VPRO

Dit is geen speelfilm.

‘Je kunt een Hollywood-crew hiernaartoe brengen en een film maken’, zegt de Britse oorlogsjournalist Robert Fisk terwijl hij in 2018 door de volledig verwoeste Syrische stad Homs loopt. ‘Alleen kunnen de doden niet praten en zijn de levenden allemaal weg.’ Op deze plek, zo realiseerde hij zich enkele jaren geleden, begint het verhaal van de mensen die uiteindelijk als vluchteling in Griekenland, Hongarije en Duitsland zijn beland. ‘Hier is de lont naar het kruitvat aangestoken.’

Nogmaals: This Is Not A Movie (108 min.).

Regisseur Yung Chang volgt de vermaarde Midden-Oosten correspondent naar conflictgebieden als Syrië, Libanon en Bosnië en laat Fisk aan het woord over de ervaringen die hem nog altijd achtervolgen. Zoals de slachting onder Palestijnse burgers bij Sabra & Shatila, volgens Fisk het hedendaagse equivalent van nazi-oorlogsmisdaden. Die traumatische gebeurtenis in 1982, onder het oog van Israëlische militairen, bevrijdde hem van elke vorm van schroom om te berichten over de werkelijkheid zoals hij die zag. Gewoon de ongemakkelijke feiten. Zonder de behoefte om daarbij beide partijen aan het woord te laten en een soort (vals) evenwicht te creëren.

Dit is immers geen speelfilm.

Fisks parool is en blijft: challenge authority. Teneinde, ergens, de waarheid te vinden. Dit gedegen portret van de strijdbare correspondent, die zich al een halve eeuw in ‘s werelds voornaamste brandhaard bevindt en liefst zelf ter plekke, met pen en papier in de hand, poolshoogte gaat nemen als er iets gebeurt, werkt tevens als een aanklacht tegen oorlog in het algemeen en het allereerste slachtoffer daarbij: diezelfde waarheid. En die zal de inmiddels 73-jarige Robert Fisk, met alles wat hij in zich heeft, tot zijn allerlaatste ademtocht blijven zoeken. Wat anderen – of het nu gaat om de autoriteiten of zijn eigen eindredacteuren – daar ook van vinden…

Dit. Is. Echt.

This Is Not A Movie is hier te bekijken.

Once The Dust Settles

VPRO

Het slagveld of rampgebied van nu is de toeristische attractie van straks. Wat gebeurt er als het stof is neergedaald? vraagt documentairemaker John Appel zich af. (Hoe) kun je je bestaan weer oppakken nadat de storm is uitgeraasd of de laatste kogel is afgevuurd en jouw leven, blijkbaar, nog niet is beëindigd?

Appel onderzocht eerder de rol van het toeval bij calamiteiten in zijn film Wrong Time, Wrong Place uit 2012, waarvoor hij mensen portretteerde die betrokken raakten bij de massamoord van Anders Breivik op het Noorse eiland Utoya. In Once The Dust Settles (87 min.) bezoekt hij drie voormalige rampplekken en onderzoekt wat de situatie en mensen daar met elkaar gemeen hebben: Amatrice (getroffen door een verwoestende aardbeving), Tsjernobyl (van de kernreactorontploffing) en Aleppo (strijdtoneel van de Syrische burgeroorlog).

Appel presenteert zijn bevindingen als losse blokken. Het zijn eigenlijk drie films in één, met elk hun eigen hoofdpersonen. Een Italiaanse pastor die zijn thuis is kwijtgeraakt, de operator van unit 4 van de beruchte Russische kernreactor die ooit een zwijgcontract moest ondertekenen van de KGB en een Syrische hoteleigenaar en reisgids die jarenlang hun werk niet konden uitoefenen en hun stiel nu weer proberen op te pakken. Terwijl ze hun weg vinden in een nieuwe werkelijkheid, proberen ze zich tevens te verzoenen met hun ervaringen uit het verleden.

Once The Dust Settles is een verzorgde, bespiegelende en soms ook wat trage documentaire geworden over menselijke veerkracht. Vanuit de gedachte dat op de puinhopen van toen nu iets nieuws kan ontstaan. Hopelijk iets beters…

De Puinhopen Van Irak

VPRO

’Ik eet geen vlees en tomatensoep meer’, zegt een grafdelver in de Iraakse hoofdstad Bagdad. ‘Die doen me denken aan de gruwelijkheden. Al die ellende. Onze kleren zaten altijd onder het bloed.’ De man leeft volgens eigen zeggen van brood en thee. En als hij aan al die verminkte lichamen denkt, krijgt-ie helemaal geen hap meer door zijn keel. Hij is helemaal kapot. ‘Ik drink elke dag om te kunnen slapen.’

In de vijfdelige documentaireserie De puinhopen van Irak (125 min.) neemt Sakir Khader de menselijke schade op van de oorlog in het verscheurde land, dat generaties lang met ijzeren vuist werd geregeerd door Saddam Hoessein. De voormalige dictator, in 2003 afgezet door de Amerikanen, is in bepaalde contreien nog altijd populair, constateert de Palestijns Nederlandse filmmaker in één van zijn bespiegelende voice-overs.

En de Amerikanen kunnen bij veel Irakezen nog altijd weinig goed doen. Effenden zij niet gewoon het pad voor Islamitische Staat? ‘We gaan je zo eerst te eten geven’, grapt een man bijvoorbeeld, die door een Amerikaanse scherpschutter een broer verloor, als hij van Khader hoort dat Nederland participeerde in de invasie van Irak door de Verenigde Staten. ‘Daarna maken we je af.’

Hoe dichter hij naar zijn Arabische roots reist, constateert Sakir Khader, hoe groter de conflicten worden. In elke aflevering probeert hij, soms enigszins geforceerd, zijn eigen geschiedenis te verbinden met z’n riskante trips door Irak. Met zijn persoonlijke betrokkenheid, lef en doorzettingsvermogen slaagt hij erin om de tegenstellingen in het land, en het brute geweld dat daaruit voortvloeit, in kaart te brengen via gewone Irakezen.

Net als Sinan Can maakt Khader zo een wereld toegankelijk die we vooral kennen van mistroostige berichten in de media. De boodschap is overigens niet per definitie optimistischer. ‘Misschien ben ik dood wel beter af dan in leven’, stelt de mijnenruimer Hassan bijvoorbeeld mismoedig. Net als veel landgenoten is hij het leven, in elk geval dít leven, moe. Maar hoe kan deze cyclus van geweld worden doorbroken?

For Sama

Het is een scène die je nooit meer vergeet. Een gewonde vrouw wordt binnengebracht in een noodhospitaal in Aleppo. Ze is hoogzwanger. Het is onduidelijk of de aanstaande moeder kan overleven. De artsen besluiten tot een spoedkeizersnede. Het grijze jongetje dat zo ter wereld wordt gebracht oogt levenloos.

Ze beginnen het kind te reanimeren, schudden hem door elkaar en wrijven zijn ruggetje warm. Wat ze ook doen, het jongetje wil de geest maar niet krijgen. Burgerjournalist Waad al-Kateab staat er met haar camera bovenop en vangt zo een sleutelscène voor haar film: nieuw leven in het hart van de oorlog. Heeft het een kans?

In de persoonlijke film For Sama (95 min.), die de ene na de andere filmprijs wint en op het IDFA nog werd gekozen tot dé publieksfavoriet, richt de jonge Syrische filmmaakster zich in haar verbindende voice-over tot het kind dat in haar eigen buik tot volle wasdom is gekomen. Ze vertelt Sama haar levensverhaal en toont het werk van haar activistische echtgenoot Hamza, die als arts in het hospitaal werkt.

Intussen probeert al-Kateab, samen met co-regisseur Edward Watts, bewijsmateriaal te verzamelen van de vernietigende burgeroorlog in Syrië, die ook haar prille gezin steeds verder in het nauw brengt. Ze stelt zichzelf daarbij pijnlijke vragen: heeft een kind een kans op een normaal leven als rondom haar een bloedige burgeroorlog woedt? En: ben je een egoïst of zelfs een lafaard als je in die omstandigheden je huis ontvlucht?

Het zijn de elementaire dilemma’s die oorlog losmaakt in gewone mensen en die ook al in talloze andere documentaires over Syrië aan de orde zijn gesteld. Het decor voelt ook vertrouwd: een belegerde en inmiddels volkomen kapot geschoten stad, die van alle kanten wordt aangevallen. Totdat er écht geen leven meer inzit. Toch went de bijbehorende mengeling van (wan)hoop, paniek en galgenhumor nooit.

Zeker niet als de bijbehorende mensen echt tot leven komen en hun relaas van binnenuit wordt verteld. Zoals in het verpletterende For Sama, een documentaire die – naast Last Men In Aleppo, City Of Ghosts en The Cave – een plek verwerft in het rijtje essentiële Syrië-films, dat eigenlijk verplicht moet worden gesteld voor iedereen met een gemakkelijke mening over oorlogsslachtoffers en vluchtelingen.

The Cave

Als reusachtige roofvogels cirkelen Assads en Poetins bommenwerpers boven Damascus. Hun bommen zaaien dood en verderf op de grond, waar de wijk Oost-Ghouta al ruim vijf jaar wordt belegerd. Meer dan 400.000 inwoners zitten als ratten in de val. Ze zijn gereduceerd tot bommenvoer en leven van de ene naar de andere verpletterende inslag.

Onder de stad is een netwerk van grotten aangelegd. Er wonen mensen, hele gezinnen zelfs, en er is een klein noodhospitaal. Daar zwaait de 29-jarige Amani Ballour de scepter. De jonge, idealistische vrouw stuurt in The Cave (107 min.) enkele doctoren en verpleegsters aan, die in barbaarse omstandigheden werk verrichten dat letterlijk van levensbelang is. Intussen proberen ze iets van menselijkheid te behouden.

De oudere arts Salim zweert tijdens het opereren bijvoorbeeld bij klassieke muziek, terwijl kokkin Samaher altijd in is voor een geintje. Tijdens het bereiden van de maaltijd moet ze alleen regelmatig even bij haar pannen weg om een veilig plekje op te zoeken. Amani luistert ondertussen naar voicemail-berichtjes van haar vader. Hij is trots op zijn dochter, maar wat zou haar leven eenvoudig zijn als ze een jongen was geweest! Vrouwen horen volgens veel Syrische mannen nu eenmaal thuis, achter het aanrecht.

Tegelijkertijd worden er steeds nieuwe slachtoffers binnengebracht, soms zelfs per kruiwagen. Ernstig gewonden, mensen die helemaal in de war zijn en – niet alleen Amani’s hart breekt – beschadigde kleine kinderen. De ellende is met geen mogelijkheid te bezweren, zelfs niet door Amani en haar dappere team. Angst, gevaar en pure chaos nemen het hospitaal langzaam maar zeker over. Totdat ook de artsen zelf de wanhoop nabij zijn en een beslissing moeten nemen over hun eigen lot.

Nadat hij eerder in het bijzonder aangrijpende, voor een Oscar genomineerde Last Men in Aleppo (2017) een groepje hulpverleners portretteerde, dat na gevechten en bombardementen slachtoffers vanonder het puin probeerde te halen, heeft filmmaker Feras Fayyad opnieuw een ontzettend urgente film gemaakt over een klein groepje Syriërs, dat de gekmakende oorlog in hun land – tegen beter weten in – het hoofd blijft bieden.

Het resultaat is niets minder dan een eerbetoon aan menselijke moed. Een blijk van vertrouwen in de elementaire goedheid van de mens – of, op zijn minst, van sommige mensen. En een even onontkoombare als verpletterende film. The Cave is zonder enige twijfel één van de beste documentaires van het jaar 2019.

Ghosts Of Sugar Land

Netflix

Ze verschijnen allemaal gemaskerd voor de camera: als Spider Man, Super Mario of Star Wars-schurk. Alleen ‘Mark’ komt met zijn gezicht in beeld. Hij was de enige zwarte jongen in de vriendengroep. Ze willen hem nu overigens ook best ‘Steve’ noemen. Zolang het maar niet zijn eigen naam is.

Alle jongens groeiden op in een multiculturele wijk in Sugar Land, Texas. Ze waren bovendien stuk voor stuk moslim. En dat wilde ‘Mark’, een jongen die maar moeilijk zijn plek kon vinden, ook best worden. Ook al stonden moslims volgens hen nóg lager in de pikorde dan zwarte Amerikanen.

In Ghosts Of Sugar Land (22 min.), een korte documentaire van Bassam Tariq, kijken de vrienden terug op hoe ze samen opgroeiden en vertellen ze hoe ‘Mark’ voor hun ogen radicaliseerde, een proces dat inzichtelijk wordt gemaakt via Facebook-posts van de verder afwezige hoofdpersoon.

Of waren al die opruiende berichten, vragen de gemaskerde kameraden zich nu af, eigenlijk bedoeld om hén uit hun tent te lokken? Met andere woorden: hadden ze een mol, een FBI-infiltrant, in de gelederen, die moest bekijken of zij gevoelig waren voor een extremistische opvatting van de islam?

‘Mark’ zou inmiddels de oversteek hebben gemaakt naar Syrië, waar hij zich heeft aangesloten bij Islamitische Staat. Niets is echter zeker: voor hetzelfde geld houdt hij zich gewoon, met een andere identiteit, ergens in Amerika schuil. Die elementaire twijfel drijft deze boeiende interviewfilm, die even klein als raak is.

Na afloop blijft wel één vraag hangen: waarom hoefde ‘Mark’, of hij nu Jihad-strijder of toch undercoveragent is, eigenlijk géén masker te krijgen?

Keeper

Halal

Als Hans van Breukelen – talloze malen kampioen van Nederland, winnaar van de Europa Cup 1 en Europees kampioen met het Nederlands elftal – wordt gevraagd naar het definiërende moment van zijn carrière, dan is de kans behoorlijk groot dat hij ‘het graspolletje’ noemt. Een, relatief kleine, fout die in 1987 de nederlaag van PSV tegen rivaal Feyenoord inleidde. De Eindhovense voetbalclub werd dat jaar overigens gewoon kampioen en zou in het volgende seizoen letterlijk alles winnen wat er te winnen viel. Met Van Breukelen als rots in de branding.

Het incident met het polletje is illustratief voor de 73-voudige international Van Breukelen, de succesvolste doelverdediger uit de Nederlandse historie, en voor zijn stiel in het algemeen: de keeper als een tragische figuur. De bezeten eenling. Het buitenbeentje ook. Een man – of steeds vaker: vrouw – die nooit punten voor je wint, ze alleen kan verliezen. ‘Als het team wint, komt het door de trainer’, zegt Tarek Kharboutly, één van de hoofdpersonen van de documentaire Keeper (75 min.). ‘Als het team verliest, komt het door de keeper.’ Een fout is volgens de doelverdediger van de Zuid-Hollandse tweedeklasser Teylingen, die ooit voor het Syrische nationale elftal speelde, niets minder dan ‘een schande’.

Tegendoelpunten kunnen zelfs intens verdriet veroorzaken, zoals bij jeugdkeeper Lenny Bemboom uit Terschelling die tranen met tuiten huilt als er wéér een bal invliegt. Er moet een volwassene aan te pas komen om de jongen te troosten. Het is één van de mooiste scènes uit deze fijne publieksfilm van Johan Kramer, die verder de ambitieuze doelvrouw Selena Babb en de 74-jarige Jan Dooijewaard van DVV’33 uit Ermelo, ‘de oudste keeper van Nederland’, portretteert. Via hen gaat Kramer, in de rug gedekt door de sportjournalisten en (oud-)keepers Sjoerd Mossou en Leo Oldenburger, op zoek naar het wezen van de spreekwoordelijke sukkel op doel. Die er natuurlijk alleen staat omdat hij niet kon voetballen.

De filmmaker maakt in deze mythologisering van de beroepsgroep, die alle oerbeelden bestendigt die je bij keepers kunt hebben, geen gebruik van archiefmateriaal. Geen legendarische namen uit het verleden dus, zoals Gordon Banks, Dino Zoff of Rinat Dasajev. En ook de moderne ‘krokettenvangers’ Neuer, Courtois of – de grote held van Lenny – De Gea ontbreken. Keeper richt zich op gewone baltegenhouders. In een oer-Hollandse setting is te zien hoe ze hun verdediging dirigeren, spugen in handschoenen, rekken en strekken, de bal uit de sloot halen of klaar gaan staan om een penalty te stoppen (volgens Sjoerd Mossou de enige situatie waarin een keeper alleen maar kan winnen). Kamer vangt hun rituelen in fraaie, door weelderige muziek ondersteunde sequenties. Waarbij natuurlijk ook dat hele kleine beetje sterven na elke tegengoal niet ontbreekt. Als de bal ook nog eens door hen, en door niemand anders, uit het doel moet worden gehaald.

En niemand die dat zo hartverscheurend kon als, juist, Hans van Breukelen. De beelden zijn moeiteloos op te roepen: hoe hij nadat de bal uit het net is gevist, met een mengeling van ongeloof en weltschmerz in de ogen en mismoedig schuddend met het hoekige hoofd, de bal met een larmoyante voetbeweging richting middenstip trapt. Nóg mooier echter zijn de herinneringen aan hoe ‘De Breuk’ eerst, in de aanloop naar de belangrijkste strafschop van zijn leven, met zijn wijsvinger even het rechterooglid omlaag trekt (zo van: ‘ik heb jou door, jongen!’) en later als een ongenaakbare gladiator de knuffels van zijn teamgenoten in ontvangst neemt. Tussendoor heeft hij in de EK-finale van 1988 een penalty van de Rus Belanov gestopt. Die redding vormde de opmaat naar de enige prijs die Oranje ooit won.

Disclaimer: ik sta zelf elke zondag op doel en ben zo ongeveer het tegendeel van Hans van Breukelen: nooit iets gewonnen en na elke redding op zoek naar een schouderklopje.

The Good Terrorist

Was het in zekere zin kinderspel waar de zogenaamde Hofstadgroep, die in 2004 met veel machtsvertoon door de Haagse politie werd gearresteerd, zich mee bezighield? Of hadden de leden van de terroristische cel daadwerkelijk de potentie om later aanslagen van het kaliber Brussel of Parijs te gaan plegen? Hun toenmalige advocaat Victor Koppe is duidelijk: die Hofstadgroep stelde weinig voor.

Paul Abels, Raadadviseur Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, is daarvan niet overtuigd: in wezen hadden deze ‘homegrown terroristen’ hetzelfde gedachtengoed als de moslimextremisten die later wel degelijk een bloedbad aanrichtten. De tijd was blijkbaar alleen nog niet rijp voor zo’n goed georganiseerde aanslag.

Afgaande op wat voormalig Hofstadgroep-lid Jason Walters zelf zegt in The Good Terrorist (80 min.) – en de moord op Theo van Gogh door Hofstadgroep-lid Mohammed B. – ben je geneigd om Abels te volgen. Niet-moslims waren volgens de jonge Jason onrein. De grootst mogelijke misdadigers. Het zorgde voor superioriteitsgevoelens. En een dodenlijst. ‘Quasi-serieus’, zegt hij nu. ‘Half opschepperig bedoeld.’

‘Het is de islamisering van de radicaliteit’, stelt de Belgische gevangenisdocent en activist Luk Vervaet in deze film van Robert Oey. De bron van de radicalisering van bepaalde jongeren is volgens hem vooral de onvrede die zij van binnen voelen, de islam is niet meer dan een omhulsel. Hun bloedeigen Rage Against The Machine, die uiteindelijk wel uitdooft.

Jason Walters is in dat verband een interessante casus. Oey spreekt met mensen die direct met hem te maken kregen: de officier van justitie, het afdelingshoofd van de Terroristenafdeling van de Penitentiaire Inrichting Vught en de gevangenisdocent, die hem daar begeleidde bij zijn studie Cultuurwetenschappen –de stap die hem naar verluidt richting deradicalisering leidde.

Maar kunnen mensen daadwerkelijk deradicaliseren? vraagt Robert Oey, geholpen door geluidstechnicus en medebedenker van deze film Maaik Krijgsman (die zo nu en dan ook in beeld verschijnt), zich af. Hebben we de mogelijkheid om onszelf te resetten? En hoe zouden anderen dat dan kunnen controleren? Zoals Jason zelf stelt: de echte (de)radicalisering komt van binnenuit.

Definitieve antwoorden zijn Oey dus per definitie niet gegeven in deze, met dwingende klassieke muziek aangeklede denkfilm over de psychologie van het (moslim)terrorisme. Ook niet als hij zijn licht opdoet in Islamabad, het Rifgebergte of gewoon in Den Haag, bij een winkelier die er ooit getuige van was hoe de Hofstadgroep werd ingerekend. Waarbij steeds dezelfde vraag opspeelt: bestaat er zoiets als een ex-terrorist? En hoe herken je die dan?

Of Fathers And Sons

‘Hij is geboren op de dag dat het World Trade Center viel’, aait de Syrische vader Abu zijn zoon Mohammad-Omar (vernoemd naar Mullah Omar, de leider van de Afghaanse Taliban) over zijn bol. ‘Op de dag van de aanval vroeg ik God om die dag te zegenen met een kind.’ Abu Osama wil dat filmmaker Talal Derki, die zich in de Noord-Syrische provincie Idlib voordoet als sympathisant van IS en Al-Qaida, ook met zijn andere kinderen kennismaakt. Ze dragen namen als Osama (een verwijzing naar Bin Laden, de voormalige leider van Al-Qaida) en Ayman (vernoemd naar al-Zawahiri, diens opvolger bij de terreurorganisatie) en worden klaargestoomd voor de jihad.

Abu, overtuigd lid van de al-Nusrah-brigade, is een echte gelover. In zijn auto galmt hij enthousiast mee met strijdliederen. ‘Gods volgelingen zullen jullie vermorzelen, hoe lang het ook duurt’, zingt hij de ‘beschermers van Israël’ Hezbollah vol overgave toe. ‘We verspillen ons bloed ruimhartig, want God geeft ons onze kracht.’ Naar zijn kinderen kan Abu, bij wie Derki twee jaar inwoont, liefdevol zijn. Maar hij schuwt de harde hand (en voet) ook niet.

Gaandeweg verlegt de documentairemaker de focus in Of Father And Sons (53 min.) van de volwassen strijder naar zijn opgroeiende kinderen. Naar zijn jongens, om precies te zijn. In de gehele documentaire is nauwelijks een meisje of vrouw te zien. Die doen er niet toe. Het zijn de jongens die de (wan)hoop van het kalifaat vertegenwoordigen. Zij krijgen al op jonge leeftijd een shariastudie en gedegen militaire training, waarin marcheren en de stormbaan natuurlijk niet ontbreken. Zodat ze klaar zijn voor het slagveld.

Talal Derki, die de verwording van Syrië eerder vastlegde in Return To Homs (2013), ziet het met lede ogen en zorgvuldig observerende camera aan. Met bespiegelende voice-overs beschrijft hij ondertussen hoe zijn thuisland, dat hij zelf ooit ontvluchtte ‘om te ontsnappen aan het onrecht en de dood’, een Gouden Eeuw heeft gegeven aan wat hij ‘het salafisten-jihadisme’ noemt. Het stemt de documentairemaker – en de kijker met hem – ronduit somber.

Maalstroom

Documentaires vertellen – vanwege het lange productieproces soms met enige vertraging – gezamenlijk het verhaal van onze tijd. Ze laten zien wie wij, mensen, zijn, wat ons bezighoudt en waar we voor staan. Over weinig thema’s zijn in de afgelopen jaren bijvoorbeeld zoveel films gemaakt als over de oorlog in Syrië en de vluchtelingenstroom die daardoor op gang is gekomen.

Die documentaires geven het fenomeen, dat eenvoudig in abstracte – en soms ronduit onmenselijke – termen is te vatten, een humaan gezicht. Ze houden ons een spiegel voor: wij hadden hulpverlener kunnen zijn in een volledig verwoeste stad (Last Men In Aleppo), vaste bewoner van een vluchtelingenkamp in Libanon (The Long Season) of doelwit van Islamitische Staat (City Of Ghosts).

Verwende westerlingen zoals wij (of beter: zoals ik) bereiken echter onvermijdelijk ook een verzadigingspunt. Dan dreigt een zekere verveling en ontstaat honger naar een nieuwe verhaal. Andere films met andere helden die andere obstakels moeten overwinnen. Intussen blijft, natuurlijk, gewoon het leed. Van gewone mensen, in of uit Syrië, voor wie het bekijken van documentaires een onbegrijpelijk westers tijdverdrijf moet zijn.

Over zulke gewone Syriërs worden nog altijd films gemaakt. Maalstroom(45 min.) van Misja Pekel bijvoorbeeld, een documentaire over weemoed die voor een groot deel is opgebouwd uit ‘found footage’, beelden die door al even gewone Syriërs zijn gemaakt met hun mobiele telefoon, consumentencamera of tablet: hoe ze onbekommerd zwemmen, lekker gaan stappen of enthousiast sneeuwballen gooien. Pekel bemachtigde de beelden via een oproep op Facebook, die werd ondersteund door gewone Syriërs.

Met het op die manier verzamelde materiaal en zelf geschoten beelden van een poging om de oversteek te maken van Calais naar Dover, bijeengehouden door een poëtische tekst van de Syrisch-Palestijnse dichter Ghayath Almadhoun, roept Pekel het Verloren Land van deze ontheemden op en reconstrueert hij tevens hun reis, en de bijbehorende gemoedstoestand, naar het Beloofde Land: het Europa dat wij gewoon, zonder nadenken, al jaren bewonen.

Het is een melancholieke dwaaltocht geworden langs bitterzoete herinneringen en onbezonnen toekomstdromen. Over een ‘gewoon’ leven. Hier en nu. In de vele gezichten die in Maalstroom passeren kun je als kijker moeiteloos je eigen spiegelbeeld herkennen. Want ‘zij’ is in werkelijkheid natuurlijk ‘wij’.