Jano & Shiro, A Brother’s Journey

De voettocht begon in Syrië. Daarna volgden Turkije, Griekenland, Albanië, Montenegro, Bosnië en Kroatië. De broers Jano (18) en Shiro (15) leerden intussen op elkaar te vertrouwen. Ze moesten wel. ‘Ik kan mijn jeugd niet opnieuw beleven’, verzuchtte Jano onderweg, in de Kroatische sneeuw en veel te verstandig voor zijn leeftijd. Over zijn broer: ‘Hij heeft nog twee of drie jaar. Ik hoop dat hij nog zoiets als een kindertijd heeft voordat hij volwassen wordt.’

En toen ineens, bij de Sloveense grens, raakten ze elkaar kwijt. Geconfronteerd met de politie sloegen de broers op de vlucht. Allebei een andere kant op. Kwijt. Verloren ook. Jano moest op zoek naar zijn jongere broertje en probeerde intussen zijn vader, die nog gewoon ‘thuis’ verbleef, te kalmeren. ‘Nog steeds geen nieuws over Shiro?’, vroeg die ongerust. ‘Maak je niet druk’, antwoordde zijn oudste zoon, ook tegen zichzelf. ‘Die belt morgen wel.’

In Jano & Shiro, A Brother’s Journey (34 min.), de voorbode van een groter project over de reis van minderjarige vluchtelingen door Europa genaamd Shadow Game, volgen Eefje Blankevoort en Els van Driel de twee Syrische broers tijdens hun jarenlange tocht naar een nieuw en veilig thuis. Ze zullen in het kielzog van Jano en Shiro nog diverse plekken moeten aandoen. En eenmaal op de plaats van bestemming, Nederland, wacht de Syrische broers opnieuw een scheiding.

Shiro kan als minderjarige direct een start maken met zijn nieuwe leven, de (net) meerderjarige Jano is veroordeeld tot een ellenlange asielprocedure, in een andere uithoek van het land bovendien. Het is een treffend slotakkoord voor deze barre en louterende trip door een wereld die eigenlijk niet op jongens zoals zij zit te wachten. Blankevoort en Van Driel brengen hun coming of age-reis, met effectief gebruik van splitscreen en prikkelende muziek, krachtig in beeld.

Waarbij na afloop de vraag blijft hangen of de ervaringen onderweg Jano en Shiro nog parten gaan spelen in hun nieuwe bestaan.

Notturno

Cinéart

Hun levens zijn doordesemd met oorlog. Een oneindige strijd, die hen soms tijdelijk in slaap sust en die dan toch weer plotseling kan oplaaien. Al ruim een eeuw. Sinds de val van het Ottomaanse rijk, aan het einde van de Eerste Wereldoorlog.

In het grensgebied tussen Irak, Koerdistan, Syrië en Libanon heeft de bevolking (moeten) leren leven met voortdurend gevaar. Terwijl een eendenjager in het holst van de nacht met zijn kano het water opgaat, klinkt er tussen het rustgevende getsjirp van de krekels bijvoorbeeld regelmatig ratelend geschut. De man kijkt er niet van op.

Intussen zijn er overal militairen die de wacht houden, klaar om in te grijpen als de situatie daar om vraagt. Want Islamitische Staat, dat ongenadig huishield in de regio, is nog altijd niet definitief verslagen. De herinneringen aan het horrorbewind van de terreurbeweging houdt menigeen nog altijd in zijn greep. Niet alleen in de nachtelijke uren.

Gianfranco Rosi vangt die dagelijkse realiteit in Notturno (100 min.) met lange, zorgvuldig gekadreerde en prachtige uitgelichte (nacht)shots, die het oog van een meester verraden. Hij schildert met luchten: van bloedstollend mooi tot ronduit onheilspellend. De camera verroert zich intussen niet en sublimeert de grauwe werkelijkheid van het leven.

Rosi’s aanpak is verder uitgesproken sober. Geen interviews. Geen muziek. En geen duidelijke protagonisten. Gesproken wordt er ook nauwelijks. Of het moet dat gekerm op de psychiatrische afdeling zijn. De repetities voor een geladen toneelvoorstelling. Of het gejammer van een Koerdische moeder die in een verlaten gevangenis haar gestorven zoon betreurt.

In de meest indrukwekkende scène vertellen kinderen aan de hand van zelfgemaakte tekeningen over hun ervaringen met Islamitische Staat. ‘Als de kinderen huilden, werden ze door IS-mannen met een stok geslagen’, zegt een jongetje over zijn tijd in een gevangenenkamp. Hij wijst naar zijn tekening. ‘Dit is hun bloed.’

Kalm observeert Rosi gewone mensen die ‘gewoon’ hun leven leiden. Hele gezinnen op één kamer, soldaten op patrouille en vluchtelingen in een modderig kamp. Nietige wezens, overlevend in het perpetuum mobile van geweld waarin ze ooit terecht zijn gekomen. Het komt allemaal samen in de blik van die ene, in zijn eigen capuchon verscholen tienerjongen, die gepijnigd voor zich uitstaart.

Under The Wire

underthewiremovie.com

Ze moest letterlijk een oog geven voor haar missie. In 2001 te Sri Lanka, tijdens een bloedige burgeroorlog. Een ooglapje zou het handelsmerk worden van de Amerikaanse oorlogscorrespondent Marie Colvin. Net als dat ze voor de Duvel niet bang was en koste wat het kost, ongeacht de omstandigheden, de verhalen van gewone mensen wilde vertellen. Zo zou ze ook aan haar einde komen, bij een raketaanval in de Syrische stad Homs op 22 februari 2012.

Colvin was zo’n vrouw waarover films worden gemaakt: A Private War (het speelfilmdebuut van de gevierde documentairemaker Matthew Heineman, met Rosamund Pike als de onvervaarde journaliste) en de documentaire Under The Wire (93 min.) van Chris Martin. Beide films uit 2018 zijn zowel een eerbetoon aan de vrouw zelf als aan haar stiel, de oorlogsjournalistiek, en vormen tevens een vlijmscherpe aanklacht tegen oorlog in het algemeen.

Waar de speelfilm Colvins complete loopbaan probeert te vatten, inclusief haar trauma’s en drankmisbruik, reconstrueert deze docu alleen de helletocht die zou leiden tot haar dood (en die van haar Franse collega Rémi Ochlik). ‘Er is een vrouw dood’, roept een man op huiveringwekkende amateurbeelden, die de paniek van het moment perfect weerspiegelen. ‘Wie?’ reageert een ander. ‘Marie van The Sunday Times?’ Het antwoord slaat alle hoop de bodem in: ‘Ja, Marie van The Sunday Times. Ze is dood.’

Maar, om een bekende boutade te parafraseren: achter elke succesvolle vrouw staat een sterke man: fotograaf Paul Conroy. Colvins vaste partner in crime is de eigenlijke hoofdpersoon van deze beklemmende documentaire. Die is ook gebaseerd op het boek dat hij schreef over hun werkreis naar Assads Syrië. Nadat ze samen de voorpagina van de krant hadden gehaald en zij dat met de dood moest bekopen, belandde hij weer bij de benauwde kilometerslange tunnel die hen op de plek des onheils had gebracht.

Conroy had nog maar één missie: zijn verhaal vertellen. Hun verhaal. Samen met enkele collega’s die erbij waren op dat fatale moment en in de rug gedekt door een slimme combinatie van reconstructiebeelden en shockerende opnamen van de ‘slachting’ ter plaatse brengt hij de horror tot leven. Dat komt hard binnen. Marie, een ijzervreter van het zuiverste water, zou vast niet anders gewild hebben.

69 Minutes Of 86 Days

VPRO

86 dagen in nog geen 70 minuten. De komst van een driejarig meisje en haar familie naar Europa, teruggebracht tot z’n essentie. Tenten, maaltijden, treinen. Lopen, wachten, sjouwen. Drukte, rotzooi, stress. Hulpverleners, douanebeambten, vluchtelingen. Dat vooral: vluchtelingen, vluchtelingen, vluchtelingen. In colonne lopen ze weg van hun verleden.

Waaronder dus dat ene kind: Lean Kanjo. Grote ogen, haren in een staartje en een schattig roze Frozen-rugzakje. Meestal weggekropen in papa’s armen, soms even op zichzelf de wereld ontdekkend. Via het kleine Syrische meisje brengt regisseur Egil Haskjold Larsen in 69 Minutes Of 86 Days (70 min.) de maandenlange tocht van de familie Kanjo naar een nieuw vaderland in beeld. Van de aankomst op een met reddingsvesten, rubberbootjes en wrakstukken bezaaid strand in Griekenland tot de uiteindelijke eindbestemming: familie in Zweden.

De camera blijft in beweging en volgt de nieuwkomers nauwgezet. Gesproken wordt er nauwelijks. Hun gezichten spreken echter boekdelen: deze verweesde mensen willen vooruit, ook al kunnen ze eigenlijk niet meer en worden ze ook doodmoe van alle drempels die op weg naar dat nieuwe thuis moeten worden genomen. Voor Lean lijkt de tocht vooral een groot avontuur, dat op een heel vanzelfsprekende manier van minuut tot minuut wordt beleefd.

Larsen presenteert de gezamenlijke reis van de Kanjo’s zo sec mogelijk en zet alleen met stemmige muziek accenten. Zo komt hij heel dicht bij de daadwerkelijke ervaring van ontheemden, die moesten achterlaten wie ze waren, zonder precies te weten wie ze zouden gaan worden.

This Is Not A Movie

VPRO

Dit is geen speelfilm.

‘Je kunt een Hollywood-crew hiernaartoe brengen en een film maken’, zegt de Britse oorlogsjournalist Robert Fisk terwijl hij in 2018 door de volledig verwoeste Syrische stad Homs loopt. ‘Alleen kunnen de doden niet praten en zijn de levenden allemaal weg.’ Op deze plek, zo realiseerde hij zich enkele jaren geleden, begint het verhaal van de mensen die uiteindelijk als vluchteling in Griekenland, Hongarije en Duitsland zijn beland. ‘Hier is de lont naar het kruitvat aangestoken.’

Nogmaals: This Is Not A Movie (108 min.).

Regisseur Yung Chang volgt de vermaarde Midden-Oosten correspondent naar conflictgebieden als Syrië, Libanon en Bosnië en laat Fisk aan het woord over de ervaringen die hem nog altijd achtervolgen. Zoals de slachting onder Palestijnse burgers bij Sabra & Shatila, volgens Fisk het hedendaagse equivalent van nazi-oorlogsmisdaden. Die traumatische gebeurtenis in 1982, onder het oog van Israëlische militairen, bevrijdde hem van elke vorm van schroom om te berichten over de werkelijkheid zoals hij die zag. Gewoon de ongemakkelijke feiten. Zonder de behoefte om daarbij beide partijen aan het woord te laten en een soort (vals) evenwicht te creëren.

Dit is immers geen speelfilm.

Fisks parool is en blijft: challenge authority. Teneinde, ergens, de waarheid te vinden. Dit gedegen portret van de strijdbare correspondent, die zich al een halve eeuw in ‘s werelds voornaamste brandhaard bevindt en liefst zelf ter plekke, met pen en papier in de hand, poolshoogte gaat nemen als er iets gebeurt, werkt tevens als een aanklacht tegen oorlog in het algemeen en het allereerste slachtoffer daarbij: diezelfde waarheid. En die zal de inmiddels 73-jarige Robert Fisk, met alles wat hij in zich heeft, tot zijn allerlaatste ademtocht blijven zoeken. Wat anderen – of het nu gaat om de autoriteiten of zijn eigen eindredacteuren – daar ook van vinden…

Dit. Is. Echt.

This Is Not A Movie is hier te bekijken.

Once The Dust Settles

VPRO

Het slagveld of rampgebied van nu is de toeristische attractie van straks. Wat gebeurt er als het stof is neergedaald? vraagt documentairemaker John Appel zich af. (Hoe) kun je je bestaan weer oppakken nadat de storm is uitgeraasd of de laatste kogel is afgevuurd en jouw leven, blijkbaar, nog niet is beëindigd?

Appel onderzocht eerder de rol van het toeval bij calamiteiten in zijn film Wrong Time, Wrong Place uit 2012, waarvoor hij mensen portretteerde die betrokken raakten bij de massamoord van Anders Breivik op het Noorse eiland Utoya. In Once The Dust Settles (87 min.) bezoekt hij drie voormalige rampplekken en onderzoekt wat de situatie en mensen daar met elkaar gemeen hebben: Amatrice (getroffen door een verwoestende aardbeving), Tsjernobyl (van de kernreactorontploffing) en Aleppo (strijdtoneel van de Syrische burgeroorlog).

Appel presenteert zijn bevindingen als losse blokken. Het zijn eigenlijk drie films in één, met elk hun eigen hoofdpersonen. Een Italiaanse pastor die zijn thuis is kwijtgeraakt, de operator van unit 4 van de beruchte Russische kernreactor die ooit een zwijgcontract moest ondertekenen van de KGB en een Syrische hoteleigenaar en reisgids die jarenlang hun werk niet konden uitoefenen en hun stiel nu weer proberen op te pakken. Terwijl ze hun weg vinden in een nieuwe werkelijkheid, proberen ze zich tevens te verzoenen met hun ervaringen uit het verleden.

Once The Dust Settles is een verzorgde, bespiegelende en soms ook wat trage documentaire geworden over menselijke veerkracht. Vanuit de gedachte dat op de puinhopen van toen nu iets nieuws kan ontstaan. Hopelijk iets beters…

De Puinhopen Van Irak

VPRO

’Ik eet geen vlees en tomatensoep meer’, zegt een grafdelver in de Iraakse hoofdstad Bagdad. ‘Die doen me denken aan de gruwelijkheden. Al die ellende. Onze kleren zaten altijd onder het bloed.’ De man leeft volgens eigen zeggen van brood en thee. En als hij aan al die verminkte lichamen denkt, krijgt-ie helemaal geen hap meer door zijn keel. Hij is helemaal kapot. ‘Ik drink elke dag om te kunnen slapen.’

In de vijfdelige documentaireserie De puinhopen van Irak (125 min.) neemt Sakir Khader de menselijke schade op van de oorlog in het verscheurde land, dat generaties lang met ijzeren vuist werd geregeerd door Saddam Hoessein. De voormalige dictator, in 2003 afgezet door de Amerikanen, is in bepaalde contreien nog altijd populair, constateert de Palestijns Nederlandse filmmaker in één van zijn bespiegelende voice-overs.

En de Amerikanen kunnen bij veel Irakezen nog altijd weinig goed doen. Effenden zij niet gewoon het pad voor Islamitische Staat? ‘We gaan je zo eerst te eten geven’, grapt een man bijvoorbeeld, die door een Amerikaanse scherpschutter een broer verloor, als hij van Khader hoort dat Nederland participeerde in de invasie van Irak door de Verenigde Staten. ‘Daarna maken we je af.’

Hoe dichter hij naar zijn Arabische roots reist, constateert Sakir Khader, hoe groter de conflicten worden. In elke aflevering probeert hij, soms enigszins geforceerd, zijn eigen geschiedenis te verbinden met z’n riskante trips door Irak. Met zijn persoonlijke betrokkenheid, lef en doorzettingsvermogen slaagt hij erin om de tegenstellingen in het land, en het brute geweld dat daaruit voortvloeit, in kaart te brengen via gewone Irakezen.

Net als Sinan Can maakt Khader zo een wereld toegankelijk die we vooral kennen van mistroostige berichten in de media. De boodschap is overigens niet per definitie optimistischer. ‘Misschien ben ik dood wel beter af dan in leven’, stelt de mijnenruimer Hassan bijvoorbeeld mismoedig. Net als veel landgenoten is hij het leven, in elk geval dít leven, moe. Maar hoe kan deze cyclus van geweld worden doorbroken?

For Sama

Het is een scène die je nooit meer vergeet. Een gewonde vrouw wordt binnengebracht in een noodhospitaal in Aleppo. Ze is hoogzwanger. Het is onduidelijk of de aanstaande moeder kan overleven. De artsen besluiten tot een spoedkeizersnede. Het grijze jongetje dat zo ter wereld wordt gebracht oogt levenloos.

Ze beginnen het kind te reanimeren, schudden hem door elkaar en wrijven zijn ruggetje warm. Wat ze ook doen, het jongetje wil de geest maar niet krijgen. Burgerjournalist Waad al-Kateab staat er met haar camera bovenop en vangt zo een sleutelscène voor haar film: nieuw leven in het hart van de oorlog. Heeft het een kans?

In de persoonlijke film For Sama (95 min.), die de ene na de andere filmprijs wint en op het IDFA nog werd gekozen tot dé publieksfavoriet, richt de jonge Syrische filmmaakster zich in haar verbindende voice-over tot het kind dat in haar eigen buik tot volle wasdom is gekomen. Ze vertelt Sama haar levensverhaal en toont het werk van haar activistische echtgenoot Hamza, die als arts in het hospitaal werkt.

Intussen probeert al-Kateab, samen met co-regisseur Edward Watts, bewijsmateriaal te verzamelen van de vernietigende burgeroorlog in Syrië, die ook haar prille gezin steeds verder in het nauw brengt. Ze stelt zichzelf daarbij pijnlijke vragen: heeft een kind een kans op een normaal leven als rondom haar een bloedige burgeroorlog woedt? En: ben je een egoïst of zelfs een lafaard als je in die omstandigheden je huis ontvlucht?

Het zijn de elementaire dilemma’s die oorlog losmaakt in gewone mensen en die ook al in talloze andere documentaires over Syrië aan de orde zijn gesteld. Het decor voelt ook vertrouwd: een belegerde en inmiddels volkomen kapot geschoten stad, die van alle kanten wordt aangevallen. Totdat er écht geen leven meer inzit. Toch went de bijbehorende mengeling van (wan)hoop, paniek en galgenhumor nooit.

Zeker niet als de bijbehorende mensen echt tot leven komen en hun relaas van binnenuit wordt verteld. Zoals in het verpletterende For Sama, een documentaire die – naast Last Men In Aleppo, City Of Ghosts en The Cave – een plek verwerft in het rijtje essentiële Syrië-films, dat eigenlijk verplicht moet worden gesteld voor iedereen met een gemakkelijke mening over oorlogsslachtoffers en vluchtelingen.

The Cave

Als reusachtige roofvogels cirkelen Assads en Poetins bommenwerpers boven Damascus. Hun bommen zaaien dood en verderf op de grond, waar de wijk Oost-Ghouta al ruim vijf jaar wordt belegerd. Meer dan 400.000 inwoners zitten als ratten in de val. Ze zijn gereduceerd tot bommenvoer en leven van de ene naar de andere verpletterende inslag.

Onder de stad is een netwerk van grotten aangelegd. Er wonen mensen, hele gezinnen zelfs, en er is een klein noodhospitaal. Daar zwaait de 29-jarige Amani Ballour de scepter. De jonge, idealistische vrouw stuurt in The Cave (107 min.) enkele doctoren en verpleegsters aan, die in barbaarse omstandigheden werk verrichten dat letterlijk van levensbelang is. Intussen proberen ze iets van menselijkheid te behouden.

De oudere arts Salim zweert tijdens het opereren bijvoorbeeld bij klassieke muziek, terwijl kokkin Samaher altijd in is voor een geintje. Tijdens het bereiden van de maaltijd moet ze alleen regelmatig even bij haar pannen weg om een veilig plekje op te zoeken. Amani luistert ondertussen naar voicemail-berichtjes van haar vader. Hij is trots op zijn dochter, maar wat zou haar leven eenvoudig zijn als ze een jongen was geweest! Vrouwen horen volgens veel Syrische mannen nu eenmaal thuis, achter het aanrecht.

Tegelijkertijd worden er steeds nieuwe slachtoffers binnengebracht, soms zelfs per kruiwagen. Ernstig gewonden, mensen die helemaal in de war zijn en – niet alleen Amani’s hart breekt – beschadigde kleine kinderen. De ellende is met geen mogelijkheid te bezweren, zelfs niet door Amani en haar dappere team. Angst, gevaar en pure chaos nemen het hospitaal langzaam maar zeker over. Totdat ook de artsen zelf de wanhoop nabij zijn en een beslissing moeten nemen over hun eigen lot.

Nadat hij eerder in het bijzonder aangrijpende, voor een Oscar genomineerde Last Men in Aleppo (2017) een groepje hulpverleners portretteerde, dat na gevechten en bombardementen slachtoffers vanonder het puin probeerde te halen, heeft filmmaker Feras Fayyad opnieuw een ontzettend urgente film gemaakt over een klein groepje Syriërs, dat de gekmakende oorlog in hun land – tegen beter weten in – het hoofd blijft bieden.

Het resultaat is niets minder dan een eerbetoon aan menselijke moed. Een blijk van vertrouwen in de elementaire goedheid van de mens – of, op zijn minst, van sommige mensen. En een even onontkoombare als verpletterende film. The Cave is zonder enige twijfel één van de beste documentaires van het jaar 2019.

Ghosts Of Sugar Land

Netflix

Ze verschijnen allemaal gemaskerd voor de camera: als Spider Man, Super Mario of Star Wars-schurk. Alleen ‘Mark’ komt met zijn gezicht in beeld. Hij was de enige zwarte jongen in de vriendengroep. Ze willen hem nu overigens ook best ‘Steve’ noemen. Zolang het maar niet zijn eigen naam is.

Alle jongens groeiden op in een multiculturele wijk in Sugar Land, Texas. Ze waren bovendien stuk voor stuk moslim. En dat wilde ‘Mark’, een jongen die maar moeilijk zijn plek kon vinden, ook best worden. Ook al stonden moslims volgens hen nóg lager in de pikorde dan zwarte Amerikanen.

In Ghosts Of Sugar Land (22 min.), een korte documentaire van Bassam Tariq, kijken de vrienden terug op hoe ze samen opgroeiden en vertellen ze hoe ‘Mark’ voor hun ogen radicaliseerde, een proces dat inzichtelijk wordt gemaakt via Facebook-posts van de verder afwezige hoofdpersoon.

Of waren al die opruiende berichten, vragen de gemaskerde kameraden zich nu af, eigenlijk bedoeld om hén uit hun tent te lokken? Met andere woorden: hadden ze een mol, een FBI-infiltrant, in de gelederen, die moest bekijken of zij gevoelig waren voor een extremistische opvatting van de islam?

‘Mark’ zou inmiddels de oversteek hebben gemaakt naar Syrië, waar hij zich heeft aangesloten bij Islamitische Staat. Niets is echter zeker: voor hetzelfde geld houdt hij zich gewoon, met een andere identiteit, ergens in Amerika schuil. Die elementaire twijfel drijft deze boeiende interviewfilm, die even klein als raak is.

Na afloop blijft wel één vraag hangen: waarom hoefde ‘Mark’, of hij nu Jihad-strijder of toch undercoveragent is, eigenlijk géén masker te krijgen?

Keeper

Halal

Als Hans van Breukelen – talloze malen kampioen van Nederland, winnaar van de Europa Cup 1 en Europees kampioen met het Nederlands elftal – wordt gevraagd naar het definiërende moment van zijn carrière, dan is de kans behoorlijk groot dat hij ‘het graspolletje’ noemt. Een, relatief kleine, fout die in 1987 de nederlaag van PSV tegen rivaal Feyenoord inleidde. De Eindhovense voetbalclub werd dat jaar overigens gewoon kampioen en zou in het volgende seizoen letterlijk alles winnen wat er te winnen viel. Met Van Breukelen als rots in de branding.

Het incident met het polletje is illustratief voor de 73-voudige international Van Breukelen, de succesvolste doelverdediger uit de Nederlandse historie, en voor zijn stiel in het algemeen: de keeper als een tragische figuur. De bezeten eenling. Het buitenbeentje ook. Een man – of steeds vaker: vrouw – die nooit punten voor je wint, ze alleen kan verliezen. ‘Als het team wint, komt het door de trainer’, zegt Tarek Kharboutly, één van de hoofdpersonen van de documentaire Keeper (75 min.). ‘Als het team verliest, komt het door de keeper.’ Een fout is volgens de doelverdediger van de Zuid-Hollandse tweedeklasser Teylingen, die ooit voor het Syrische nationale elftal speelde, niets minder dan ‘een schande’.

Tegendoelpunten kunnen zelfs intens verdriet veroorzaken, zoals bij jeugdkeeper Lenny Bemboom uit Terschelling die tranen met tuiten huilt als er wéér een bal invliegt. Er moet een volwassene aan te pas komen om de jongen te troosten. Het is één van de mooiste scènes uit deze fijne publieksfilm van Johan Kramer, die verder de ambitieuze doelvrouw Selena Babb en de 74-jarige Jan Dooijewaard van DVV’33 uit Ermelo, ‘de oudste keeper van Nederland’, portretteert. Via hen gaat Kramer, in de rug gedekt door de sportjournalisten en (oud-)keepers Sjoerd Mossou en Leo Oldenburger, op zoek naar het wezen van de spreekwoordelijke sukkel op doel. Die er natuurlijk alleen staat omdat hij niet kon voetballen.

De filmmaker maakt in deze mythologisering van de beroepsgroep, die alle oerbeelden bestendigt die je bij keepers kunt hebben, geen gebruik van archiefmateriaal. Geen legendarische namen uit het verleden dus, zoals Gordon Banks, Dino Zoff of Rinat Dasajev. En ook de moderne ‘krokettenvangers’ Neuer, Courtois of – de grote held van Lenny – De Gea ontbreken. Keeper richt zich op gewone baltegenhouders. In een oer-Hollandse setting is te zien hoe ze hun verdediging dirigeren, spugen in handschoenen, rekken en strekken, de bal uit de sloot halen of klaar gaan staan om een penalty te stoppen (volgens Sjoerd Mossou de enige situatie waarin een keeper alleen maar kan winnen). Kamer vangt hun rituelen in fraaie, door weelderige muziek ondersteunde sequenties. Waarbij natuurlijk ook dat hele kleine beetje sterven na elke tegengoal niet ontbreekt. Als de bal ook nog eens door hen, en door niemand anders, uit het doel moet worden gehaald.

En niemand die dat zo hartverscheurend kon als, juist, Hans van Breukelen. De beelden zijn moeiteloos op te roepen: hoe hij nadat de bal uit het net is gevist, met een mengeling van ongeloof en weltschmerz in de ogen en mismoedig schuddend met het hoekige hoofd, de bal met een larmoyante voetbeweging richting middenstip trapt. Nóg mooier echter zijn de herinneringen aan hoe ‘De Breuk’ eerst, in de aanloop naar de belangrijkste strafschop van zijn leven, met zijn wijsvinger even het rechterooglid omlaag trekt (zo van: ‘ik heb jou door, jongen!’) en later als een ongenaakbare gladiator de knuffels van zijn teamgenoten in ontvangst neemt. Tussendoor heeft hij in de EK-finale van 1988 een penalty van de Rus Belanov gestopt. Die redding vormde de opmaat naar de enige prijs die Oranje ooit won.

Disclaimer: ik sta zelf elke zondag op doel en ben zo ongeveer het tegendeel van Hans van Breukelen: nooit iets gewonnen en na elke redding op zoek naar een schouderklopje.

The Good Terrorist

Was het in zekere zin kinderspel waar de zogenaamde Hofstadgroep, die in 2004 met veel machtsvertoon door de Haagse politie werd gearresteerd, zich mee bezighield? Of hadden de leden van de terroristische cel daadwerkelijk de potentie om later aanslagen van het kaliber Brussel of Parijs te gaan plegen? Hun toenmalige advocaat Victor Koppe is duidelijk: die Hofstadgroep stelde weinig voor.

Paul Abels, Raadadviseur Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, is daarvan niet overtuigd: in wezen hadden deze ‘homegrown terroristen’ hetzelfde gedachtengoed als de moslimextremisten die later wel degelijk een bloedbad aanrichtten. De tijd was blijkbaar alleen nog niet rijp voor zo’n goed georganiseerde aanslag.

Afgaande op wat voormalig Hofstadgroep-lid Jason Walters zelf zegt in The Good Terrorist (80 min.) – en de moord op Theo van Gogh door Hofstadgroep-lid Mohammed B. – ben je geneigd om Abels te volgen. Niet-moslims waren volgens de jonge Jason onrein. De grootst mogelijke misdadigers. Het zorgde voor superioriteitsgevoelens. En een dodenlijst. ‘Quasi-serieus’, zegt hij nu. ‘Half opschepperig bedoeld.’

‘Het is de islamisering van de radicaliteit’, stelt de Belgische gevangenisdocent en activist Luk Vervaet in deze film van Robert Oey. De bron van de radicalisering van bepaalde jongeren is volgens hem vooral de onvrede die zij van binnen voelen, de islam is niet meer dan een omhulsel. Hun bloedeigen Rage Against The Machine, die uiteindelijk wel uitdooft.

Jason Walters is in dat verband een interessante casus. Oey spreekt met mensen die direct met hem te maken kregen: de officier van justitie, het afdelingshoofd van de Terroristenafdeling van de Penitentiaire Inrichting Vught en de gevangenisdocent, die hem daar begeleidde bij zijn studie Cultuurwetenschappen –de stap die hem naar verluidt richting deradicalisering leidde.

Maar kunnen mensen daadwerkelijk deradicaliseren? vraagt Robert Oey, geholpen door geluidstechnicus en medebedenker van deze film Maaik Krijgsman (die zo nu en dan ook in beeld verschijnt), zich af. Hebben we de mogelijkheid om onszelf te resetten? En hoe zouden anderen dat dan kunnen controleren? Zoals Jason zelf stelt: de echte (de)radicalisering komt van binnenuit.

Definitieve antwoorden zijn Oey dus per definitie niet gegeven in deze, met dwingende klassieke muziek aangeklede denkfilm over de psychologie van het (moslim)terrorisme. Ook niet als hij zijn licht opdoet in Islamabad, het Rifgebergte of gewoon in Den Haag, bij een winkelier die er ooit getuige van was hoe de Hofstadgroep werd ingerekend. Waarbij steeds dezelfde vraag opspeelt: bestaat er zoiets als een ex-terrorist? En hoe herken je die dan?

Of Fathers And Sons

‘Hij is geboren op de dag dat het World Trade Center viel’, aait de Syrische vader Abu zijn zoon Mohammad-Omar (vernoemd naar Mullah Omar, de leider van de Afghaanse Taliban) over zijn bol. ‘Op de dag van de aanval vroeg ik God om die dag te zegenen met een kind.’ Abu Osama wil dat filmmaker Talal Derki, die zich in de Noord-Syrische provincie Idlib voordoet als sympathisant van IS en Al-Qaida, ook met zijn andere kinderen kennismaakt. Ze dragen namen als Osama (een verwijzing naar Bin Laden, de voormalige leider van Al-Qaida) en Ayman (vernoemd naar al-Zawahiri, diens opvolger bij de terreurorganisatie) en worden klaargestoomd voor de jihad.

Abu, overtuigd lid van de al-Nusrah-brigade, is een echte gelover. In zijn auto galmt hij enthousiast mee met strijdliederen. ‘Gods volgelingen zullen jullie vermorzelen, hoe lang het ook duurt’, zingt hij de ‘beschermers van Israël’ Hezbollah vol overgave toe. ‘We verspillen ons bloed ruimhartig, want God geeft ons onze kracht.’ Naar zijn kinderen kan Abu, bij wie Derki twee jaar inwoont, liefdevol zijn. Maar hij schuwt de harde hand (en voet) ook niet.

Gaandeweg verlegt de documentairemaker de focus in Of Father And Sons (53 min.) van de volwassen strijder naar zijn opgroeiende kinderen. Naar zijn jongens, om precies te zijn. In de gehele documentaire is nauwelijks een meisje of vrouw te zien. Die doen er niet toe. Het zijn de jongens die de (wan)hoop van het kalifaat vertegenwoordigen. Zij krijgen al op jonge leeftijd een shariastudie en gedegen militaire training, waarin marcheren en de stormbaan natuurlijk niet ontbreken. Zodat ze klaar zijn voor het slagveld.

Talal Derki, die de verwording van Syrië eerder vastlegde in Return To Homs (2013), ziet het met lede ogen en zorgvuldig observerende camera aan. Met bespiegelende voice-overs beschrijft hij ondertussen hoe zijn thuisland, dat hij zelf ooit ontvluchtte ‘om te ontsnappen aan het onrecht en de dood’, een Gouden Eeuw heeft gegeven aan wat hij ‘het salafisten-jihadisme’ noemt. Het stemt de documentairemaker – en de kijker met hem – ronduit somber.

Maalstroom

Documentaires vertellen – vanwege het lange productieproces soms met enige vertraging – gezamenlijk het verhaal van onze tijd. Ze laten zien wie wij, mensen, zijn, wat ons bezighoudt en waar we voor staan. Over weinig thema’s zijn in de afgelopen jaren bijvoorbeeld zoveel films gemaakt als over de oorlog in Syrië en de vluchtelingenstroom die daardoor op gang is gekomen.

Die documentaires geven het fenomeen, dat eenvoudig in abstracte – en soms ronduit onmenselijke – termen is te vatten, een humaan gezicht. Ze houden ons een spiegel voor: wij hadden hulpverlener kunnen zijn in een volledig verwoeste stad (Last Men In Aleppo), vaste bewoner van een vluchtelingenkamp in Libanon (The Long Season) of doelwit van Islamitische Staat (City Of Ghosts).

Verwende westerlingen zoals wij (of beter: zoals ik) bereiken echter onvermijdelijk ook een verzadigingspunt. Dan dreigt een zekere verveling en ontstaat honger naar een nieuwe verhaal. Andere films met andere helden die andere obstakels moeten overwinnen. Intussen blijft, natuurlijk, gewoon het leed. Van gewone mensen, in of uit Syrië, voor wie het bekijken van documentaires een onbegrijpelijk westers tijdverdrijf moet zijn.

Over zulke gewone Syriërs worden nog altijd films gemaakt. Maalstroom(45 min.) van Misja Pekel bijvoorbeeld, een documentaire over weemoed die voor een groot deel is opgebouwd uit ‘found footage’, beelden die door al even gewone Syriërs zijn gemaakt met hun mobiele telefoon, consumentencamera of tablet: hoe ze onbekommerd zwemmen, lekker gaan stappen of enthousiast sneeuwballen gooien. Pekel bemachtigde de beelden via een oproep op Facebook, die werd ondersteund door gewone Syriërs.

Met het op die manier verzamelde materiaal en zelf geschoten beelden van een poging om de oversteek te maken van Calais naar Dover, bijeengehouden door een poëtische tekst van de Syrisch-Palestijnse dichter Ghayath Almadhoun, roept Pekel het Verloren Land van deze ontheemden op en reconstrueert hij tevens hun reis, en de bijbehorende gemoedstoestand, naar het Beloofde Land: het Europa dat wij gewoon, zonder nadenken, al jaren bewonen.

Het is een melancholieke dwaaltocht geworden langs bitterzoete herinneringen en onbezonnen toekomstdromen. Over een ‘gewoon’ leven. Hier en nu. In de vele gezichten die in Maalstroom passeren kun je als kijker moeiteloos je eigen spiegelbeeld herkennen. Want ‘zij’ is in werkelijkheid natuurlijk ‘wij’.

On Her Shoulders

Je bent alles wat je bezat kwijtgeraakt Je halve familie is uitgemoord. En je hebt zelf een jaar als seksslaaf in een kamp gezeten. Als je dan eindelijk bent ontsnapt aan de gruwelen van Islamitische Staat, wacht de rest van de wereld. Met jouw verhaal kun je de genocide op jouw volk wereldwijd onder de aandacht brengen, maar wil en kun je jouw persoonlijke nachtmerrie steeds herbeleven? Het voelt soms bijna als een tweede verkrachting.

Hoe begripvol haar gesprekspartners ook proberen te zijn, uiteindelijk zijn ze meedogenloos voor Nadia Murad, mensenrechtenactivist tegen wil en dank. Hoe hebben ze je verkracht? willen ze weten. Of: je bent nu beroemd, wat betekent dat voor je? Zelf wil Nadia eigenlijk praten over wat er met al die andere jonge meisjes is gebeurd, in welke omstandigheden de vluchtelingen in de kampen moeten leven en hoe de situatie is van haar volk, maar altijd weer is er die hunkering naar persoonlijke details die haar betoog extra indringend maken.

Nog niet zo lang geleden woonden de Jezidi’s als een christelijke minderheid in Noord-Irak, nu draagt een vrouw van begin twintig de last van haar volk On Her Shoulders (89 min.). Terwijl ze langs media en politici wordt geleid, moet Nadia in deze film van Alexandria Bombach iets van zichzelf zien te behouden. ‘Voor een meisje van mijn leeftijd is dit iets heel groots’, zegt ze zelf. ‘Het is groot, maar het zal nooit groter zijn dan het onrecht dat ons is aangedaan.’ Even later verzucht Nadia dat ze bekend had willen staan als een uitstekende naaister, atlete, studente, visagiste of boerin. ‘Ik wil niet dat mensen me kennen als een slachtoffer van IS-terrorisme.’

Inmiddels is ze toch de stem geworden van haar volk, het gezicht van een campagne van de Verenigde Naties en een potentieel doelwit van Islamitische Staat, maar ergens daarachter gaat nog steeds die rouwende dochter, zus en vriendin schuil, die afscheid heeft moeten nemen van (zowat) alles wat haar dierbaar was. Een tengere vrouw, een meisje nog, dat een symbool is geworden – en daarmee ook een speelbal van allerlei belangen en idealen. Deze aangrijpende film brengt de bijbehorende vervreemding treffend in beeld en laat tegelijkertijd zien hoe dapper Nadia zich desondanks van haar plicht kwijt.

Het leverde haar onlangs, samen met de Congolese gynaecoloog Denis Mukwege, de Nobelprijs voor de Vrede op.

The Long Season

Cinema Delicatessen

‘Dit is de auto’, legt één van de jongetjes uit. ‘Hier zijn de soldaten. Dit is een tank. Dit is een raket.’ Hij kijkt nog even naar zijn tekening en raakt geëmotioneerd. ‘Dat was het.’ In de pas geopende school van kamp Khiara in Libanon, een tentenkamp nabij de Syrische grens, hebben de gevluchte kinderen de tekenopdracht op geheel eigen wijze ingevuld. Geen rudimentaire auto’s, uitbundige bloemenpracht of een tevreden zonnetje, maar dood en verderf. Net als thuis.

‘De hel hier is beter dan daar’, stelt Zahra, de nieuwe vrouw van Abu Hussein, in wat de sleutelzin van The Long Season (89 min.) mag worden genoemd. Ze ligt voortdurend overhoop met Abu Husseins zwangere eerste echtgenote Yisra. ‘Noem jij dit vlees schoon?’, vraagt die bijvoorbeeld uitdagend als ze samen koken. Zahra riposteert direct: ‘Wat ik ook zeg of doe. Jij mag me toch niet.’ Zo kibbelen de vrouw de hele film door. Het gezinshoofd onttrekt zich zoveel mogelijk aan het gekrakeel. Volgens de profeet zou hij nog twee vrouwen meer mogen hebben.

Ondanks alles is Zahra toch blij dat ze van huis is weggegaan en elders is getrouwd. ‘Het is een hel in Raqqa’, vertelt ze over de Syrische stad die als voornaamste uitvalsbasis voor Islamitische Staat fungeert. ‘De stad wordt voortdurend gebombardeerd. Er heerst armoede en honger. Ik moet helemaal in het zwart bedekt zijn. Als ze mijn hand zien, hakken ze ‘m eraf. Als mijn gezicht onbedekt is, ga ik de gevangenis in en krijg veertig zweepslagen.’ Alsof ze wil zeggen: dan valt dat kijvende wijf van Abu Hussein nog alleszins mee.

Zo neemt het gewone leven, ondanks alle ontberingen aan de andere kant van de grens, toch weer zijn gewone loop in het geïmproviseerde tentenkamp. Van oude blikjes wordt een speelgoedvrachtauto gemaakt, met behulp van wasknijpers en garen een soort flipperkast. Er wordt op het land van een barse boer gewerkt, jongeren raken verliefd op elkaar en vrouwen zoeken elkaars toekomst in koffiekopjes. Net als thuis. Bijna dan.

Gedurende een jaar bivakkeerde de Nederlandse filmmaker Leonard Retel Helmrich met de door hem getrainde Syrische cameravrouw Ramia Suleiman regelmatig te midden van de bewoners. Met zijn typische single shot-cameravoering, waarbij hij vloeiend de activiteiten voor zijn lens probeert te volgen, komt hij heel dicht bij hen en verstoort hij (blijkbaar) toch niet de situatie die hij filmt. Het resultaat is een intieme kijk binnen een gemeenschap van ontheemden, die nog altijd, wellicht tegen beter weten in, blijft hopen op een terugkeer naar huis.

Als Abu Husseins getroebleerde zoon Maher bijvoorbeeld bij de vader van het meisje Batoul om haar hand komt vragen, wijst hij dat in eerste instantie resoluut af. ‘Vergeet haar.’ Als de jongen echter blijft aandringen, geeft de man toch wat toe. ‘Geen woord erover voordat we terug zijn in Syrië.’

Tijdens de montage van The Long Season kreeh regisseur Leonard Retel Helmrich een hartstilstand. Daarna heeft hij wekenlang in coma gelegen. De film, die vorig jaar de award voor beste Nederlandse documentaire won op het IDFA, is afgerond door Ramia Suleiman en producent Pieter van Huystee.

Enkele maanden geleden is Retel Helmrich, die allerlei internationale prijzen won voor zijn Indonesische documentairetrilogie De Stand Van De Zon, Maan en Sterren, benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Hij is nog altijd aan het revalideren.

A Stranger Came To Town


Elk verhaal bestaat uit dezelfde drie elementen, zegt de verteller van A Stranger Came To Town (54 min.). ‘Er is een held met een missie. Vijandige krachten. En een vreemdeling die naar de stad komt.’ Intussen zien we desolate beelden van een ogenschijnlijk vrijwel verlaten stad, in onwerkelijke blauw- en roodtinten. ‘Dit is je houvast’, zegt de verteller nog. ‘Maar staar je er niet blind op.’

De openingsscène van deze fascinerende documentaire van Thomas Vroege voert de kijker met vaste hand naar het hart van Aleppo, de Syrische stad die voor het oog van de wereld, en de camera’s van die wereld, is kapot geschoten tijdens de oorlog die dictator Bashar al-Assad nu al een jaar of zeven uitvecht met zijn eigen bevolking. Vroege, die zijn filmplan ontwikkelde tijdens de IDFA-Mediafonds workshop, introduceert vier inwoners van Aleppo, die de stad bijna allemaal zijn ontvlucht. Ooit woonden ze op een steenworp afstand van elkaar.

Hun indringende getuigenissen, vaak recht in de camera uitgesproken, worden gepaard aan clipachtige sequenties, met de klaagzang van zangeres Jawa Manla en Karim Aouadi als fraaie soundtrack, en burgerbeelden vanuit de stad die tussen méér dan twee vuren zit. Dat levert hachelijke taferelen op. Zo legt een man bijvoorbeeld de paniek op straat vast als een demonstratie met geweervuur wordt beantwoord. Eerst roept hij nog dat ze zich moeten bekommeren om de voor hun ogen gevallen martelaren, later beperkt hij zich tot een steeds wanhopiger ‘Allahu Akbar’.

Halverwege meldt de aangekondigde vreemdeling van dit tragische verhaal zich. In een lange rij witte bussen stoomt de Tawhid-brigade op door het weidse landschap. ‘Aleppo moest bevrijd worden’,  constateert één van de hoofdpersonen, de aandoenlijke adolescent Nahel, enthousiast. Hij organiseerde de eerste ondergrondse protesten tegen Assad. De nieuwe troepen, lid van het Vrije Syrische Leger, worden als helden onthaald. Niet veel later wappert de vlag van hun revolutie in de stad.

Het duurt niet lang voordat ‘Allahu Akbar’ opnieuw door de straten van Aleppo schalt, ditmaal als strijdkreet van ‘de helden van het Vrije Syrische Leger’. De leus wordt uiteindelijk zelfs als een soort voetbalhymne gezongen, de ongemakkelijke opmaat naar het derde bedrijf van deze prachtfilm, waarin diezelfde revolutie zijn ware gezicht laat zien.

Het verhaal dat zich in de tussentijd heeft ontvouwd is misschien niet nieuw, maar slaat nog altijd het wit uit je ogen. Het moet worden verteld, zoveel is duidelijk. Steeds weer. Totdat we de vreemdelingen leren herkennen voor wie ze zijn. En als het verhaal zo virtuoos wordt verteld als in A Stranger Came To Town, voelt het weer nieuw en onontkoombaar.

City Of Ghosts


Het zou me niet hebben verbaasd, zo schreef ik in mijn jaaroverzicht voor 2017, als Matthew Heineman de Oscar voor beste documentaire zou winnen met City Of Ghosts (92 min.), een onontkoombare film over Syrische burgerjournalisten die met gevaar voor eigen leven berichten over de gruwelen van IS. De prijs zou echter gaan naar Icarus, een fascinerende documentaire over het Russische dopingprogramma.

In 2016 was Heineman al eens dichtbij een Oscar met Cartel Land (nog steeds te zien op Netflix), een geweldige film over de drugsoorlog die op de grens van de Verenigde Staten en Mexico wordt uitgevochten (en die onlangs een krachtig vervolg kreeg met de miniserie The Trade). Zijn volgende film City Of Ghosts is opnieuw een mokerslag die je nog dagen op je bakkes voelt: actueel, urgent en superspannend. Niet eerder werd de nefaste ideologie van Islamitische Staat, dat alles wat het Kalifaat voor de voeten loopt letterlijk de kop probeert af te hakken, zo pregnant in beeld gebracht.

De Amerikaanse filmmaker volgt de burgerjournalisten van het collectief Raqqa Is Being Slaughtered Silently, die met gevaar voor eigen leven, en dat van hun dierbaren, proberen te berichten over de dagelijkse dreiging van het leven met/onder IS. Zelfs in het buitenland zijn deze onbekende helden, die de Duivel brutaal in de bek hebben gespuugd, niet meer veilig als IS-cellen worden ingezet om hen met grof geweld uit de weg te ruimen.

De angst die hen begeleidt bij elke stap die ze zetten, elk stuk dat ze schrijven en elke misstand die ze fotograferen of filmen – en de moed die ze ergens diep van binnen toch steeds weer vinden om hun missie te vervolgen – wekt evenveel bewondering als verbazing. Hoe blijf je mens in dit genadeloze kat- en muisspel? Gaandeweg dringt in deze doodenge docu echter het besef door dat ze helemaal geen keuze meer hebben: ‘Of we winnen of ze doden ons allemaal.’

Dance Or Die


‘Iedereen vecht zijn eigen oorlog’, zegt Ahmad Joudeh bij de start van Dance Or Die (54 min.), een indringende film van Roozbeh Kaboly, die al diverse reportages voor Nieuwsuur maakte over de ontheemde danser. ‘Toen ik besloot om danser te worden, begon mijn oorlog.’ Even later loopt hij door Yarmouk, het volledig kapot geschoten Palestijnse vluchtelingenkamp in de Syrische stad Damascus waar hij opgroeide. Dan weerklinkt geweervuur. ‘Ze schieten op ons’, reageert hij laconiek. ‘Maar ze kunnen me niet raken.’

Ze hebben hem ooit in zijn benen proberen te schieten, stelt Ahmad zonder omhaal van woorden. Omdat hij de plaatselijke kinderen wilde leren dansen. Als reactie heeft hij een levensmotto in zijn nek laten tatoeëren: ‘dans of sterf’. Waarna hij de daad bij het woord voegt en, te midden van de onvoorstelbare ravage die de Syrische burgeroorlog heeft aangericht, een stijlvolle kleine dansvoorstelling geeft. Pure schoonheid, te midden van totale vernietiging. Hij zal in deze film op nog meer opmerkelijke plekken dansen, zoals bijvoorbeeld in een verweesde parkeergarage.

Ahmad Joudeh woont inmiddels anderhalf jaar in Nederland, danst bij het Nationale Ballet en begint zo langzamerhand een graag geziene gast in voorstellingen en televisieprogramma’s over de hele wereld te worden. Het leven lacht hem ogenschijnlijk toe; binnen de balletwereld heeft hij zijn plek en geestverwanten gevonden. Intussen blijft hij natuurlijk gewoon ‘een danser’, zo’n beetje het ergste wat zijn traditionele vader kon bedenken. Een schande voor de familie. Homoseksueel waarschijnlijk. Het huwelijk van zijn ouders ging eraan kapot.

Vanuit Amsterdam probeert Joudeh de relatie met zijn moeder thuis te onderhouden. En dan blijkt plotseling ook zijn vader in Europa te zijn aanbeland, waar hij zijn zoon, een internationale ster inmiddels, maar al te graag wil ontmoeten. Slaagt vader erin om zich te verzoenen met zijn zoon? Dat kleine verhaal, van een kind dat geaccepteerd wil worden door zijn ouder, vormt het hart van deze fraaie film, die een grote en schokkende wereldgebeurtenis en het leven daarna terugbrengt naar de menselijke maat.

De Verloren Kinderen Van Het Kalifaat

 
Grootvader Houssein wil op zoek naar zijn dochter Meryem en haar twee kinderen. Hij weet nauwelijks waar hij moet zoeken. In Syrië, zoveel is duidelijk. Het verscheurde land waar zijn dochter, samen met Housseins ex-vrouw, enkele jaren eerder is beland. De twee vrouwen hadden zich aansloten bij IS.
 
Sinan Can, met in zijn kielzog regisseur Jochem Pinxteren, vergezelt de (groot)vader in De Verloren Kinderen Van Het Kalifaat (50 min.) naar het hart van de Islamitische Staat. Daar stierf ook Hoesseins jongste zoon Ilyas, eveneens als onderdeel van IS. Op zestienjarige leeftijd, voor een nooit verwezenlijkt ideaal; Islamitische Staat heeft inmiddels de aftocht moeten blazen en een totaal verwoest land achtergelaten.
 
In Racca, het voormalige hoofdkwartier van IS, hangt nog letterlijk de geur van de dood. Die went nooit. Even verderop, op het centrale plein, werden ten overstaan van de lokale bevolking de wekelijkse executies voltrokken. Enkele geradicaliseerde Nederlanders deden er enthousiast aan mee en gingen daarna trots op de foto met de afgehakte hoofden, meldt Can in één van de vele voice-overs waarmee hij de gesprekken en gebeurtenissen tijdens de reis van diepte en context voorziet.
 
Terwijl de twee mannen hun zoektocht vervolgen door de volledig ingestorte Islamitische Staat en spreken met plaatselijke burgers en notabelen, komt één vraag steeds terug: waarom? Wat heeft Syriëgangers zoals Housseins ex-vrouw, dochter en zoon bezield om strijder voor het Kalifaat te worden? Zo stevenen ze af op een aangrijpende ontknoping, waarbij Sinan Can het hoofd opmerkelijk koel weet te houden. Zodat de kijker vooral met prangende vragen achterblijft, in plaats van al te gemakkelijke antwoorden.
 
De complete documentaire is hier te bekijken.