Grand Park in Los Angeles is bezaaid met stretchers. In de schemering kiezen allerlei mensen verwachtingsvol hun plek. Hen wacht een nacht als geen andere. Ze zijn getuige van een live-uitvoering van Sleep, een muziekstuk van ruim acht uur van de Duits-Engelse componist Max Richter (die naam maakte met soundtracks voor films/series als The Leftovers, Shutter Island en My Brilliant Friend). Slapen mag, maar hoeft niet. Luisteren – of beter: ondergaan – mag natuurlijk ook.
Max Richter’s Sleep (98 min.) is geen traditionele making of-docu waarin elke stap van de totstandkoming van dit bijzondere project wordt belicht en intussen automatisch een intiem portret ontstaat van de nucleus daarachter (en zijn vrouw en creatieve partner: de antropoloog, theatermaker en filmer Yulia Mahr). Tenminste, niet alleen. Deze film van Natalie Johns is tevens een poëtische verkenning van het fenomeen slaap, de werking van onze hersenen en mens zijn.
En een eerbetoon aan Richters meditatieve slaapsoundtrack, natuurlijk. Hij noemt die zelf overigens een protest tegen een wereld waarin we permanent ‘aan’ staan. Dat idee gaat gepaard met een weldadige beeldenstroom: verstilde panorama’s van een stad bij nacht, portretjes van enkele participanten en familievideo’s van de Richters en hun kinderen. Gezamenlijk vormen ze een – excuus: flauwe woordspeling op komst – droomvlucht.
Die kan worden beschouwd als een zusterfilm van de Nederlandse slaapdocumentaire In De Armen Van Morpheus. Deze documentaire gaat alleen niet uit van de individuele beleving, maar belichaamt de collectieve ervaring.
Voor hetzelfde geld was dit een sombere film geworden over een jongen die al een hele tijd thuis zit. Net als zesduizend andere kinderen in Nederland. Omdat hij op geen enkele school kan aarden. Een probleemgeval van nog geen twaalf, een jongen met een nauwelijks te dragen rugzakje. Zo’n documentaire is Merlijn En De Rode Appel (15 min.) bepaald niet geworden.
‘Dit zijn kinderen zonder autisme’, legt Merlijn Goldsack zelf monter uit, terwijl hij een groene appel laat zien. ‘En dit zijn kinderen met autisme’, vertelt hij met een rode appel in de hand. ‘Deze kinderen doen zo van buiten spelen en zo’, weet hij te vertellen over de groene kinderen. ‘Gewoon naar school. Want ze hebben er geen moeite mee, denk ik. Want ik kan niet in hun hoofd kijken.’
Hij vervolgt, nog steeds op bijzonder opgewekte toon. ‘En dit zijn de kinderen – daar weet ik wel weer meer van – die houden van binnen zijn. En die vinden het moeilijk’, pakt hij er weer een groen exemplaar bij, ‘om met deze appels om te gaan.’ Voor Merlijn is het glashelder: ‘Ik zou nooit een groene appel willen zijn, want, ja, het is best wel een fijn gevoel als je mij bent.’
En zo dartelt Merlijn, en met hem deze heerlijke jeugddocu van Susan Koenen uit 2013, verder door zijn eigen kleine leven. Ravottend met de hond, kletsend met zijn moeder en spelend met het speelgoed dat hij zelf heeft gefabriceerd. Natuurlijk worden in de tussentijd ook zijn problemen aangestipt, maar die krijgen niet de overhand en vertroebelen ook nooit het zicht op wat een heerlijk joch Merlijn is.
Zo wil hij best leren, maar heeft hij dan weer geen zin in school. Een diploma is toch ook maar een stukje papier? En Merlijn zou Merlijn niet zijn als hij niet gewoon zelf een getuigschrift zou maken. ‘Goed gedaan, Merlijn’, staat erop. ‘We zijn supertrots.’ Met kaarsvet zet hij er een officiële stempel op. Deftig: ‘Hiermee verklaar ik dat Merlijn het goed heeft gedaan.’
Het is een prachtig (bijna)slotakkoord voor een onweerstaanbare film, heerlijk op tempo en verluchtigd met lekkere indiemuziek, die een belangrijk maatschappelijk probleem aankaart, zonder het betrokken kind en zijn moeder te problematiseren. Een niet te onderschatten prestatie. Voor hoe Merlijn zichzelf ziet en hoe wij Merlijn, en kinderen zoals hij, zien.
Dat zelfgemaakte diploma vormt tevens het startpunt voor My Journey For Education (43 min.), een documentaire die Merlijn Goldsack in de afgelopen drie jaar zelf heeft gemaakt. Hij onderzoekt daarin waarom er eigenlijk zo’n slechte match was tussen hem en het onderwijs dat hij kreeg aangeboden. In dat kader spreekt hij met een voormalige leerkracht, zijn remedial teacher, de coach die hem bijstond in zware tijden en – jawel! – een docent van de multimedia-opleiding die hij dit moment volgt.
Merlijn, inmiddels een ogenschijnlijk doodnormale jongvolwassene, steekt ook zijn licht op bij scholen in Finland en de Verenigde Staten, waar hij een andere Nederlandse jongen met een autismespectrumstoornis en zijn moeder opzoekt. Het vergaat hen daar aanmerkelijk beter dan in ons land. Wat zouden Nederlandse onderwijsprofessionals van hun lesmethoden en ervaringen kunnen leren?
Merlijn steekt niet onder stoelen of banken dat het maken van deze persoonlijke film lang niet altijd gemakkelijk was: hij werd meermaals geconfronteerd met hoe zijn hersens prikkels (niet) verwerken en de depressies die zijn tevergeefse rondgang langs al die scholen en de bijbehorende teleurstellingen hebben vergezeld.
Ook ditmaal wacht er aan het eind van deze film echter een fraai getuigschrift. Hij spijkert het hoogstpersoonlijk netjes aan de muur. Alleen het officiële stempel van kaarsvet ontbreekt. Goed gedaan, Merlijn!
Als je goed kijkt, zie je een ontwapenend joch. Dan moet je wel goed kijken. Tussen de tralies en tatoeages door, ook in het aangezicht. Halfnaakt zit Geovanny in een soort kooi. Sommige gedetineerden om hem heen hangen lusteloos in een hangmat. Half ontkleed. Uitgestald bijna. In het zicht van de gehele populatie van San Francesco Gotera, een gevangenis in El Salvador die louter wordt bevolkt door leden van de rivaliserende bendes Barrio 18 en La Mara Salvatrucha (kortweg: MS-13).
‘Onze enige taak was om te doden’, herinnert Geovanny, die tot Barrio 18 behoorde, zich in Imperdonable (36 min.). ‘Ik begon dit te beschouwen als een soort hobby, als een sport.’ In de trant van: wie kan er het meeste mensen vermoorden? Hij haatte MS-13, al een jaar of dertig de aartsvijand van zijn eigen gang, met alles wat hij had. Zonder al te veel moeite roept de jongen herinneringen op aan die ene keer dat ze een lid van de andere bende langzaam openhaalden en vervolgens zijn organen eruit trokken. Het is een gruwelijk verhaal, waarin hijzelf een naargeestige hoofdrol vertolkt.’
Sinds 2017 hebben de gedetineerden van San Francesco Gotero zich collectief tot de Heer bekeerd. Alleen een klein groepje gevangenen, onder wie Geovanny, is buitengesloten. Omdat ze hun ware aard hebben laten zien. Hun seksuele geaardheid. Volgens God zijn mensen zoals zij niet meer dan honden. Tenminste, dat stelt één van de religieuze leiders zonder omhaal van woorden. Geovanny en de zijnen bevinden zich nu in een afgezonderde cellenvleugel en zijn hun leven niet meer zeker binnen de gevangenismuren. Van de ene onverdraagzame wereld zijn ze in de andere beland.
In hun cel doden ze de tijd en kunnen ze ook even zichzelf zijn. En samen, niet te vergeten. Het is een intrigerende uitgangspositie voor deze bijzonder indringende film van Marlén Vinayo, die niet voor niets al op diverse festivals is uitgeroepen tot beste korte documentaire. Imperdonable (Engelse titel: Unforgivable) portretteert met verve een grimmige wereld waarvan slechts een enkeling waarschijnlijk het bestaan vermoedde – en die menigeen zonder enige twijfel liever helemaal niet had leren kennen.
Waarin vliegen zich verzamelen rond een stapeltje slippers. Een kwetsbare muis met een paars draadje aan een kat wordt verbonden. En Geovanny inmiddels een transfer naar een andere plek heeft aangevraagd. Daar zal hij dan wel alleen naartoe moeten.
In de tijd dat New York echt een gevaarlijke stad was – met gevaarlijke drugs, muziek én kunst – vond Keith Haring er een nieuw thuis. Hij arriveerde er in 1978, als ambitieuze jongen uit het nietige Kutztown in Pennsylvania. Klaar om de kunstwereld een ferme schop onder zijn hol te geven. En om met mannen te slapen, dat ook.
Zijn cartooneske kunst zou een wereldwijd fenomeen van hem maken: Keith Haring: Street Art Boy (53 min.), een perfect uithangbord voor de florerende graffiti-scene van New York. Zijn kunst was niet voorbehouden aan bezoekers van musea of galeries, maar voor iedereen toegankelijk in metrostations. Zo boorde hij een nieuw publiek aan voor moderne kunst.
Dit levendige portret van Ben Anthony, waaraan Harings ouders en mensen uit zijn directe omgeving hun medewerking verlenen, weet de tijdgeest goed te raken en blijft ook lekker op tempo. De protagonist, die zelf aan het woord komt via een audio-interview dat vlak voor zijn dood in 1990 werd afgenomen, blijft wel enigszins een enigma. Een man die na zijn overlijden bovendien een wereldwijd icoon zou worden.
Want New York was ook een stad van gevaarlijke seks. En die zou Keith Haring op slechts 31-jarige leeftijd, via de meest gevreesde ziekte van zijn tijd, de kop kosten.
‘Volgens mij kan je enkel onverschillig blijven tegenover leed als je je ervoor afsluit’, constateert Sunny Bergman halverwege Oproerkraaiers (59 min.) ‘En misschien zorgt juist dat afsluiten ervoor dat we degenen die onze ogen willen openen als aanstellers, als overdreven drammers, ervaren. We vinden ze irritant omdat ze ons op iets wijzen dat we niet willen zien. En daarna geven we de zogenaamde drammers de schuld van polarisering.’
Het is een conclusie, die haar zelf natuurlijk goed uitkomt. Want met haar strijd tegen Zwarte Piet en institutioneel racisme behoort Bergman in de ogen van veel anderen ook tot die groep drammers. In deze nieuwe film duikt ze verder in de wereld van het Nederlandse activisme: van haar eigen natuurlijke omgeving bij Kick Out Zwarte Piet tot de fanatieke klimaatactivisten van Extinction Rebellion en de Jane Unchained Europe-demonstranten die zich manifesteren bij slachthuizen (en Bergman zelf tot het verfoeide ‘redelijke midden’ rekenen omdat zij nog gewoon dierlijke producten eet).
‘Een dag niet gedemonstreerd is een dag niet geleefd’, stelt beroepsactivist Frank van der Linde, terwijl hij met een megafoon leuzen schreeuwt naar het hoofdkantoor van booking.com. Hij voert fulltime actie, komt regelmatig in aanvaring met de autoriteiten en is inmiddels thuisloos geworden. Van der Linde is ook aanwezig bij de grote Black Lives Matter-demonstratie in Amsterdam, na de moord op de zwarte Amerikaan George Floyd, waar Sunny’s gehele natuurlijke entourage bij elkaar lijkt te komen.
Met haar camera begeeft ze zich ook buiten haar eigen bubbel en neemt plaats in de tractor van Mick, een actievoerder van Farmers Defence Force. Overtuigd van zichzelf legt die club geregeld half Nederland plat. Te midden van de boeren verbaast Bergman zich er wel over dat die echt geen ‘activist’ genoemd willen worden. ‘Dat is heel wat anders’, volgens twee mannen. ‘Ik versta onder activisten toch wel wat agressievere mensen’, legt een vrouw uit. ‘En zo agressief zijn wij niet. Wij houden ‘t netjes.’
Bergman kan vervolgens de verleiding niet weerstaan om het grote geld achter de boerenprotesten aan te snijden. Worden die niet gefinancierd door zuivelproducenten en veevoederbedrijven, die simpelweg hun eigen nering proberen te beschermen? Haar vader, een gezworen communist, zou zeggen: het is allemaal de schuld van het grootkapitaal. En dat zou je de gemene deler van al die protestacties kunnen noemen. Het gaat vrijwel altijd om gewone mensen die zich stelselmatig niet gehoord of gewaardeerd voelen. Toch zijn zij ‘t, stelt Bergman met een blik op het verleden vast, die uiteindelijk voor wezenlijke verandering zorgen. Zonder al die oproerkraaiers zou Nederland nooit het land zijn geworden dat het nu is.
Ofwel: radicaal wordt ooit normaal. Het is de optimistische slotsom van deze aardige rondgang langs idealisme, strijdbaarheid en belangenbehartiging.
In #Oproerkraaiers onderzoekt Sunny Bergman de relatie tussen actievoeren en maatschappelijke verandering. Waarom hebben we vaak een hekel aan activisten, terwijl we veel vrijheden aan hen te danken hebben? Kijk maandag 7 december, 20.25 uur op #NPO2pic.twitter.com/J0q0zVLBVg
Gespannen zitten ze te wachten voor het computerscherm. Op een teken van leven. Als ze de koptelefoon hebben opgezet, ontstaat er direct contact. ‘Hee’, zegt een vrouw, met een gezicht dat ineens helemaal straalt. ‘Hee meis’, kan een man zijn ogen bijna niet geloven. ‘Dat is apart.’ Een andere vrouw blijft simpelweg gelukzalig grinniken: ‘Hallo!’
Tegenover hen heeft hun overleden partner plaatsgenomen. Ze kunnen er zelfs gewoon mee praten. En dat werkt zichtbaar als balsem op de ziel. De gesprekken zijn onderdeel van Deepfake Therapy (24 min.). Met behulp van moderne techniek, waarbij beelden van hun gestorven geliefde tot leven worden gewekt, ondergaan ze een experimentele vorm van rouwtherapie.
Het is een ongelooflijk intiem beeld: van mensen die, tegen beter weten in, opgaan in een gefingeerde ontmoeting met hun andere helft, waarin ze nog eenmaal alles kunnen zeggen. Deze personen op het scherm houdt regisseur Roshan Nejal, die met deze observerende docu afstudeerde aan de Filmacademie, overigens zorgvuldig uit beeld. Ze zijn ook niet te horen.
Voor kijkers zoals ik is dat een frustrerende keuze. Die willen, als een ware ramptoerist, met eigen ogen kunnen vaststellen hoe dat eruit ziet: een overledene die een extra leven krijgt. Tegelijkertijd is die keuze zeer goed verdedigbaar: het verhaal zit niet in de gimmick, maar in wat de deepfake-technologie teweegbrengt bij de nabestaanden die met dat beeldscherm communiceren.
‘Mensen zien wat ze willen zien en horen wat ze willen horen’, zegt rouwtherapeute Leoniek van der Maarel-Stordiau daarover tegen Ayesha de Groot. Die gaat de rol vertolken van Dalisay, de overleden dochter van Ron en Patricia de Boer. Leoniek spoort haar om tijdens het gesprek vooral veel te lachen. De reden is eenvoudig: ‘Wat gebeurt er als je jouw kind weer ziet lachen?’
En dat is een fascinerend tafereel. En een mindfuck tegelijkertijd. Niet alleen voor de deelnemers aan het gesprek. Als kijker vraag je je af: zou ik zelf ooit dat stemmetje in mijn hoofd, dat ‘nep’, ‘wishful thinking’ of zelfs ‘volksverlakkerij’ roept, kunnen negeren? Of kun je zulke dingen alleen denken als je zelf nog nooit met een dergelijk verlies bent geconfronteerd?
Dit experiment met Deepfake Therapy doet in elk geval vermoeden dat deze therapievorm heilzaam zou kunnen werken voor mensen die vastlopen in hun rouw. Zoals de moderne mens ook praatjes maakt met een zorgrobot, cyberseks heeft of opdrachten geeft aan een virtuele assistent. Al voelt dat voor buitenstaanders vaak soms nog wat onwennig.
Nee, je bent niet automatisch de ‘coolste dude’ van de klas als je als tienjarige jongen aan synchroonzwemmen doet. En nee, je bent ook niet automatisch één met de meiden als je met je allersierlijkste bewegingen bij hen aansluit. Giovanni van der Zon lijkt een eenling. Hij wil als allereerste jongen meedoen aan het Nederlands kampioenschap.
Dat is bepaald geen sinecure. Hij moet bijvoorbeeld eerst officieel op examen. En daarvoor moet dan weer flink getraind worden. Het gaat er op zulke momenten soms stevig aan toe, bijvoorbeeld bij het oefenen van de split. ‘Doet het pijn?’ vraagt zijn trainster naar de bekende weg als haar pupil het uiterste vraagt van zijn lichaam. ‘Dat is goed.’ Ze laat hem even ademhalen. ‘Nog verder. Probeer het!’
Toch is Giovanni En Het Waterballet (17 min.) geen beladen sportfilm, hoor. Regisseur Astrid Bussink dient de verrichtingen van haar aandoenlijke hoofdpersoon op met een uitbundige soundtrack en vervlecht ze bovendien met heerlijke scènetjes van de jongen met zijn vriendinnetje Kim. Waarbij het voortdurend de vraag is of ze eigenlijk nog wel verkering hebben of niet.
Deze hartveroverende jeugddocu uit 2014 werd niet voor niets wereldwijd op allerlei festivals vertoond en bovendien bekroond met diverse prijzen. Het is een film die in wezen, zonder ook maar een moment zwaar op de hand te worden, over de ontwikkeling van elk kind gaat: durf ik voor mijn dromen te gaan of laat ik me toch leiden door wat mijn omgeving ervan vindt?
Via onderstaande link is na de documentaire zelf nog te zien hoe Giovanni terugkijkt op het maken ervan en hoe hij zijn toekomst ziet. Met een badmuts en neusklem in het water? Of toch op een andere plek? En, ook belangrijk, is Kim nog in zijn leven?
In eerste instantie lijkt het een traditioneel true crime-relaas te worden: jonge vrouw is uit de weg geruimd door jaloerse echtgenoot. Haar moeder Marisela Escobedo Ortiz, de protagonist van deze vertelling, probeert vervolgens recht te halen. Eerst moet alleen het stoffelijk overschot van haar zestienjarige dochter Rubí worden gevonden. En dan neemt dat ogenschijnlijk licht voorspelbare verhaal, met typische Latijns-Amerikaans melodrama opgedist, een onverwachte wending.
Die crime passionel blijkt in Las Tres Muertes De Marisela Escobedo (109 min.) de opmaat naar een groter verhaal over de samenleving waarbinnen die zich heeft afgespeeld: het Mexico waar drugskartels de dienst uitmaken en een mensenleven een soort wegwerpartikel is. Letterlijk. Zeker een vrouwenleven, getuige de feminicide in het land. Rubí is slechts één van de vele vermiste vrouwen van Ciudad Juárez. En ze zal ook niet het laatste slachtoffer in deze zaak zijn.
Het schokkende verhaal van Marisela en haar kinderen is exemplarisch voor de maalstroom van corruptie, incompetentie en geweld die het Midden-Amerikaanse land nu al jaren in zijn greep houdt en die door regisseur Carlos Pérez Osorio met direct betrokkenen uit en te na wordt gereconstrueerd. Intussen wordt Sergio Barraza Bocanegra, Rubí’s gewelddadige ex, lid van de beruchte drugsbende Los Zetas. Hij raakt zo steeds verder buiten bereik van justitie en Marisela zelf, die hem nog altijd wil (laten) inrekenen.
‘United we stand, divided we fall.’ Aan het begin van 2011 staan ze zij aan zij op het Tahrirplein in Caïro. Christenen en moslims. Idealisten en hardliners. En gewone Egyptenaren. Hosni Mubarak, de man die al ruim dertig jaar aan de macht is in hun land, moet weg. Nu echt. Pas dan verlaten ze hun plek.
De atmosfeer is strijdbaar en optimistisch. Een nieuwe generatie eist zijn plek op. Ook in de landen om hen heen waait de wind van verandering, die zal worden gevangen onder de noemer De Arabische Lente. Al op 11 februari hebben de actievoerders succes: Mubarak druipt met de staart tussen de benen af. En The Square (109 min.) loopt weer leeg.
Intussen neemt het Egyptische leger de macht in het land over. Allereerst lijken de militairen aan de kant van de vernieuwers te staan. Gaandeweg komen de verhoudingen toch op scherp te staan en keren de demonstranten weer terug naar hun plek op het Tahrirplein. Er ontstaat ook tweespalt: speelt de Moslim Broederschap inmiddels onder één hoedje met het militaire regime?
Deze documentaire van Jehane Noujaim en Karim Amer uit 2013 brengt van binnenuit in beeld hoe de eenheid op het plein binnen twee jaar volledig verbrokkelt, waardoor voormalige strijdmakkers zoals Moslimbroeder Magdy Ashour en de jonge demonstrant Ahmed Hassan, tevens de verteller van deze film, bijna lijnrecht tegenover elkaar komen te staan. Wat begon als een toonbeeld van algehele eensgezindheid is dan allang het decor voor een grimmige burgeroorlog geworden. Met – de naam zegt het al – talloze burgerslachtoffers. De (zoveelste) Arabische herfst lijkt te zijn begonnen. En: winter is coming.
Zo komt The Square uiteindelijk tot een ronduit tragische slotsom: zolang er een gemeenschappelijke vijand bestaat, is er bij verschillende bevolkingsgroepen de bereidheid om samen te werken. Zodra die echter wegvalt, trekt eenieder zich direct terug in zijn eigen gelijk. En dan is het verdomd moeilijk om banden met de andere kant te blijven onderhouden.
‘Er is maar een bepaalde hoeveelheid ellende die een mens aankan’, zegt Ahmed op een gegeven moment in deze krachtige documentaire, waarvoor de politieke ontwikkelingen in Egypte tevens zijn vervat in bijzonder expressieve muurschilderingen. ‘Er komt een moment dat ik ontplof.’ Hij herhaalt de zin nog eens, ook voor zichzelf: ‘Er komt een moment dat ik ontplof ‘
En toch probeert de jongen, soms tegen beter weten in, on speaking terms te blijven met de man die hem ooit zo na stond, Magdy.
‘Ik heb liever een gezonde zoon dan een suïcidale dochter’, zegt Bryce, de moeder van Jay. De tiener krijgt binnenkort hormonen toegediend, zodat haar borstgroei niet op gang komt. Dat is wel een opluchting: geen ijszakjes of duct tape meer om de onvermijdelijke zwellingen tegen te gaan. De ingreep is ook hard nodig. Jay heeft sinds drie maanden een vriendinnetje. Die heeft er echter geen idee van dat haar vriendje nog niet helemaal de jongen is die hij wil zijn.
Intussen vraagt Bryce zich af of ze wel voldoende geld heeft voor alle behandelingen en medicatie. Want de fysieke overgang van het ene naar het andere geslacht wordt in de Verenigde Staten niet automatisch vergoed. In Transhood (97 min.) volgt Sharon Liese gedurende vijf jaar vier gezinnen uit Kansas City die een kind in transitie hebben. Bij aanvang zijn ze respectievelijk vier, zeven, twaalf en vijftien jaar oud.
Elke leeftijd brengt zo zijn eigen uitdagingen met zich mee. Leena, de oudste van de vier, heeft bijvoorbeeld haar eerste vriendje. Die zegt dat het hem niet uitmaakt dat zij een transvrouw is. De twee ogen ook oprecht verliefd. De ouders van ‘girlboy’ Phoenix overwegen intussen om afstand te nemen van hun familie omdat die, ook vanwege hun geloofsovertuiging, toch wel heel veel moeite heeft met het feit dat de kleuter nu als meisje door het leven gaat.
En het fotogenieke meisje Avery Jackson vraagt zich af, na enkele gewelddadige acties tegen de LGBTQ-gemeenschap, of ze toch niet wat voorzichtiger moet zijn met publiciteit. Als negenjarige belandt ze niettemin op de cover van het tijdschrift National Geographic. Haar moeder Debi wil haar bovendien actief inzetten in een mediacampagne om het beleid van de nieuwe Amerikaanse president Trump te beïnvloeden. En, omdat zo’n heel persoonlijk proces tevens zo z’n kansen biedt, wordt het ook tijd voor een boek van Avery, It’s Okay To Sparkle!, dat tijdens een heuse tour aan de mens wordt gebracht.
De rol en positie van de ouders, en hoe die zich gedurende de jaren ontwikkelt, vormt het saillantste deel van deze erg Amerikaanse documentaire, die het vooral van zijn longitudinale aanpak moet hebben. Als één van de hoofdpersonen onverwacht nóg een transitie doormaakt, maken ook de bijbehorende ouders ineens een draai van 180 graden. Wat eerst nog volledig werd ondersteund, krijgt nu het predicaat ‘psychische stoornis’. Het is een ontluisterende conclusie, die de dubbelzinnigheid laat zien waarmee de ontwikkeling van een transkind ook gepaard kan gaan.
Kun je als kijker een band opbouwen met mensen die je nooit krijgt te zien? In dit geval: de drie volwassen dochters die de woning van hun overleden moeder leeghalen en gereed maken voor verkoop. En de vrouw die tot voor kort in datzelfde huis woonde.
Bij aanvang van de korte documentaire Wat Achterblijft (28 min.) ligt het ouderlijk huis er helemaal ontzield bij. Ontdaan van elk leven, klaar om een nieuwe bestemming te krijgen. Daarna laat regisseur Loes Janssen zien hoe alle restanten van dat afgebroken bestaan worden weggewerkt: het servies, de kleding en alle meubels, natuurlijk. Maar ook: de Surinaamse pop, het bord met de geborduurde tekst ‘Vera is in de tuin’ en een speeldoosje dat ‘t nog blijkt te doen.
Janssen observeert de ontmanteling van dichtbij en vangt de terloopse gesprekken tussen de zussen, die niet herkenbaar in beeld worden gebracht. De toon is vooral praktisch. ‘Volgens mij was mama’s devies “wie wat bewaart, die heeft wat”, of niet?’ zegt één van hen bijvoorbeeld bij de aanblik van alle spullen. Slechts een enkele keer wordt het onderliggende verdriet uitgesproken, bijvoorbeeld als ze stuiten op moeders pruik.
Toch is de situatie, misschien wel juist omdat er geen concrete gezichten aan worden gegeven, gemakkelijk invoelbaar. Alles wat door de overledene(n) een leven lang zorgvuldig is bewaard of verzameld wordt nu rücksichtslos verdeeld, afgegeven of gewoon weggegooid. Met het afscheid nemen van al die spullen, stuk voor stuk goed voor hun eigen herinneringen, kan er ruimte komen voor universele gevoelens van rouw en verlies.
Het zijn taferelen, hier zonder enige opsmuk gepresenteerd, die herkenbaar zijn voor iedereen die in z’n directe omgeving wel eens is geconfronteerd met de restanten van een afgesloten bestaan. Als het verdriet nog niet is ingedaald, geven de bezittingen van de overledene houvast bij het verdergaan met het eigen leven – en het aangaan van een kijkersrelatie met de overlevenden.
Waar is trouwens mama’s trouwring?
Hun moeder overleed plotseling. Nu moeten 3 zussen het ouderlijk huis leeghalen. Het onderhuidse rouwproces weerspiegelt zich in de manier waarop het huis en de spullen ontmanteld worden. Kijk de Teledoc Campus-docu 'Wat achterblijft' om 23:25u op @NPO3https://t.co/rbhJpAR6Obpic.twitter.com/RJFOkVsGZt
In dat ene beeld is in wezen de complete familiegeschiedenis vervat. ‘Moeder trouwde een foto van vader’, zegt Firouzeh Khosrovani, die zelf als verteller van dat intieme verhaal fungeert. Dat bedoelt ze letterlijk: haar moeder staat als een eenzame bruid op de trouwfoto’s. Vader is in Zwitserland gebleven, waar hij radiologie studeert. Nadat ze zonder hem met hem is getrouwd, zal ze zich vanuit hun beider geboorteland Iran bij hem voegen. De afstand tussen Tayi en Hossein zal alleen nooit helemaal worden overbrugd.
Hij is een seculiere man van de wereld, zij een traditionele moslima. Ze spreken elkaar wel liefdevol aan, hoor, in de oude brieven en herinnerde gesprekken die Firouzeh voor Radiograph Of A Family (82 min.) met acteurs heeft gereconstrueerd. ‘Tayi jaan’, noemt hij haar teder. ‘Mousieu’, zegt zij tegen hem in haar slechtste Frans, een taal die nooit de hare wordt. Hun conversaties, aangevuld met de voice-over van hun dochter, vormen het hart van deze poëtische documentaire, waarin de beide echtelieden in twee verschillende werelden lijken te leven.
Als Tayi zwanger wordt van Firouzeh, keren ze op haar uitdrukkelijke verzoek terug naar Iran. Van hem had dat niet gehoeven. Daar zullen de rollen worden omgedraaid: zij voelt zich onderdeel van de islamitische remonte die in de tweede helft van de jaren zeventig gestalte krijgt, hij begint een buitenstaander te worden in zijn eigen land. Hun dochter illustreert deze ontwikkeling in zowel het huwelijk van haar ouders als haar geboorteland met een fijngevoelige mixture van familiefoto’s, filmpjes en muziek.
Hossein heeft zijn kleine dochter bijvoorbeeld nog niet gevraagd of ze de symfonie herkent die hij begint te fluiten, Beethovens a Ode An Die Freude (‘alle Menschen werden Brüder’), of de revolutie die voor tweespalt zal zorgen in Iran breekt uit. Als rode draad toont Khosrovani gedurende de hele film, op het IDFA uitgeroepen tot beste documentaire, bovendien gestileerde sequenties van de huiskamer van haar ouders. Die verandert gaandeweg rigoureus van karakter en vormt zo een treffende afspiegeling van de maatschappelijke ontwikkeling die zich tegelijkertijd voltrekt.
Na een uur krijgt hij telefoon en moet plotseling weg. George Darmanovic laat zijn gesprekspartners Misha Wessel en Thomas Blom met allerlei vragen achter. De Zuid-Afrikaanse geheimagent weet alles over de weggesluisde miljarden van de Libische leider Muammar Gaddafi, maar heeft het achterste van zijn tong nog niet laten zien.
Darmanovic vertrekt met de belofte dat hij bij een volgend interview foto’s en ander bewijsmateriaal zal laten zien. Wessel en Blom zullen hem echter nooit meer ontmoeten. Zes weken later wordt zijn ontzielde lichaam gevonden in de Servische hoofdstad Belgrado. Hij is geliquideerd. Later volgen ook de twee huurmoordenaars die Darmanovic zouden hebben neergeschoten.
Deze kille afrekeningen lijken aan te tonen dat er echt wat op het spel staat in The Hunt For Gaddafi’s Billions (91 min.). Ettelijke miljarden dollars, zoals het zich laat aanzien. Toen de grond hem te heet onder de voeten werd, ten tijde van de Arabische Lente van 2011, besloot de Libische leider Gaddafi een groot deel van zijn vermogen, geschat op zeker 150 miljard dollar, clandestien naar het buitenland te verplaatsen. Als een enorme oorlogskas of voor – wie zal het zeggen? – een riant bestaan als pensionado.
Wat is er met dat geld gebeurd? En wie heeft er zich over ontfermd? Het spoor in deze groots opgezette internationale productie leidt naar Zuid-Afrika, waar een deel van de verdwenen cash werd vrijgemaakt voor een wapendeal en daarna spoorloos is verdwenen. Twee concurrerende groeperingen – bestaande uit dubieuze diplomaten, privédetectives, geheimagenten, wapenhandelaren, premiejagers en huurlingen – zetten de jacht in op de verdonkeremaande schat. Voor de goede zaak, hun land of – zo gaat dat in deze schimmige wereld – het op te strijken vindersloon.
Hun jarenlange speurtocht naar waar Gaddafi’s erfenis terecht is gekomen leidt Wessel en Blom naar de donkerste spelonken van de internationale diplomatie, waar ze stuiten op enkele politieke kopstukken die zich ogenschijnlijk in duistere zaakjes hebben begeven. Onderweg hebben de Nederlandse onderzoeksjournalisten zowaar ook een ontmoeting met een Deep Throat-achtige anonieme bron. In een parkeergarage, natuurlijk.
Stukje bij beetje komen ze in deze enerverende jacht op Gaddafi’s geld en de bijbehorende goudzoekers zo steeds dichter bij wat er met die miljarden gebeurd zou kunnen zijn.
The Hunt For Gaddafi’s Billions is hier te bekijken.
Waar zijn de miljarden van de overleden Libische leider #Gaddafi gebleven? En wat is de rol van het #ANC en Zuid-Afrika bij het wegsluizen hiervan? Kijk '#2Doc: The Hunt for Gaddafi's Billions', maandag om 20.00 uur op #NPO2. pic.twitter.com/7LDj3FcHat
Zou Dennis van de Dierenwinkel zich nog melden? Bij het begin van de zevendelige serie Klassen (350 min.) begin je héél even te twijfelen: die voice-over stem, die lekker losse vertelwijze, die zorgvuldige casting, die toegang tot precaire situaties en die bijzonder smaakvolle muziek. Is dit een nieuwe aflevering van Schuldig, de gelauwerde documentaireserie uit 2016 over schuldenproblematiek in Amsterdam-Noord, waarmee Dennis uitgroeide tot een publiekslieveling?
Nee, dit is een logisch vervolg. Dezelfde toon, setting en invalshoek, andere thematiek. Kansen(on)gelijkheid in het onderwijs, ditmaal. Aan de hand van enkele Amsterdamse kinderen in het laatste jaar van de basisschool, die worden voorbereid op hun overstap naar de middelbare, en enkele tieners die daar net terecht zijn gekomen schetsen Ester Gould, Sarah Sylbing en Daan Bol een levendig portret van een multiculturele samenleving, waarbinnen klasseverschillen, en bijbehorende problemen zoals onderadvisering van vooral allochtone basisschoolkinderen, aan de orde van de dag zijn (gebleven).
Op de Weidevogel hoopt bijvoorbeeld vrijwel iedere leerling op een VWO-advies, terwijl de kinderen op sommige andere scholen – noem het vooral geen zwarte scholen – stelselmatig een lager advies krijgen dan hun prestaties eigenlijk rechtvaardigen. Het is één van de voornaamste thema’s van de Amsterdamse wethouder van onderwijs en armoede, Marjolein Moorman (PvdA), onderwijspsycholoog Bowen Paulle (die spreekt over ‘the prison of low expectations’) en schoolbestuurder Mirjam Leinders, enkele van de professionals in deze Nederlandse evenknie van de veelgeprezen serie America To Me. Intussen proberen de leerlingen en hun bijzonder betrokken leerkrachten ‘gewoon’ het uiterste eruit te halen – of, tenminste, op koers of het rechte pad te blijven.
Halverwege de eerste aflevering van deze bijzonder boeiende serie komt zowaar Dennis van de Dierenwinkel nog even langs, als een toevallige passant in het leven van de kinderen en een subtiele herinnering aan het feit dat Schuldig en Klassen zich in hetzelfde decor afspelen en thematisch ook nauw verweven zijn.
In het huis dat hij ooit bewoonde is in een aparte vleugel zijn complete oeuvre opgeslagen. De weerslag van bijna 53 jaar Frank Zappa. Méér dan een mensenleven eigenlijk kan bevatten. Regisseur Alex Winter kreeg voor deze definitieve biografie toegang tot het persoonlijke archief van de muzikant, provocateur en ‘experimentalist’ Zappa (129 min.), die in 1993 na een veelbewogen leven en carrière zijn laatste adem uitblies.
De dwarse Amerikaan was een genre op zich, wars van gebaande paden en de mainstream. Creatief, gedreven en bijzonder eigenzinnig. Nooit tevreden ook. De muziek die hij maakte klonk nooit zo mooi als hij hem in zijn hoofd had gehoord, volgens zijn voormalige gitarist Steve Vai. De componist Zappa leed echt onder de beperkingen – in geld, middelen of de capaciteiten van zijn muzikanten – die hem werden opgelegd. Vai kan er wel om lachen: ‘Sorry, Frank!’
In deze lijvige documentaire is het vooral Zappa zelf, die het woord voert. Hij wordt bijgevallen door echtgenote Gail, zijn vaste illustrator Bruce Bickford en leden van zijn begeleidingsband The Mothers Of Invention. Zoals het bij leven en welzijn ook meestal ging. Frank zette de toon. Een welbespraakte vrijdenker, met uitgesproken opinies, veel dadendrang en niet al te veel oog voor zijn directe omgeving. Zelfs voor zijn eigen gezin.
Treffend is in dat verband de anekdote rond de ontstaansgeschiedenis van het nummer Valley Girl. De aanleiding was een briefje dat zijn dochter Moon, om wie hij zich slechts beperkt bekommerde, onder de deur naar zijn studio doorschoof: ‘Daddy, hi! I’m 13 years old. My name is Moon. Up until now I have been trying to stay out of your way while you record. However, I have come to the conclusion that I would love to sing on your album, if you would like to put up with me.’ En zo geschiedde. Het zou Zappa’s enige hit worden.
Hij was verder niet van de aaibare muziek. Geen aaibare man ook. Een eenzaat. De vleesgeworden contramine. Met die karakteristieke snor en sik, spottende lach en altijd een sigaret in de hand. Totdat de tijd hem inhaalde, in de vorm van die K-ziekte. Deze weelderig aangeklede film, waarvoor zijn archief liefdevol is geplunderd, getuigt van ‘s mans onbedwingbare drang om te scheppen.
Het is een indrukwekkend gezicht. Voorop loopt een Afrikaanse priester, met een opzichtige kwast en een emmertje wijwater. Na hem volgt een hele stoet mannen en vrouwen. Een groot deel van hen loopt met krukken. Anderen maken duidelijk gebruik van een beenprothese. Ze zijn onderweg naar een massagraf, met slachtoffers van de zesdaagse oorlog in het noordoosten van Congo. Bij de stad Kisangani bonden twee buurlanden, Oeganda en Rwanda, daar in 2000 de strijd met elkaar aan. De deelnemers aan de mars overleefden de slachting, maar ze kwamen gehavend uit de strijd. Zonder een arm of een been. Of erger.
In een boot gaan ze vervolgens op weg naar de hoofdstad, Downstream To Kinshasa (89 min.). Van tevoren was er nog discussie: blijft die ene beroepsklager welkom? En is het eigenlijk wel handig als mensen met allerlei serieuze beperkingen meegaan? Douchen en poepen zijn voor mij echt een beproeving, bekent Sola, een krachtige jonge vrouw en begenadigde zangeres die beide benen mist. Ze zal de anderen uiteindelijk toch vergezellen, voor een soms barre tocht op de Congorivier. Naar een stad die helemaal niet op hun komst zit te wachten.
Die queeste om hun recht te gaan halen, de beloofde compensatie voor opgelopen schade, wordt door regisseur Dieudo Hamadi doorsneden met beelden van een pijnlijke theatervoorstelling over de oorlog en de gevolgen daarvan, waarin enkele reizigers een hoofdrol vertolken. ‘Kijk wat we zijn geworden!’ roept Président Lemalema, een krachtige man die zich staande moet zien te houden met twee krukken, vanaf het toneel. ‘Denk je dat we zo geboren zijn? Kinderen en volwassenen kijken op ons neer. We zijn waardeloos geworden.’
En nu zijn ze op zoek naar ‘bloedgeld’, smartengeld voor de ledematen die bruut werden afgehakt en het bloed van hun familieleden dat nodeloos werd vergoten. Onderweg maken ze ook een persoonlijke reis door; het permanente ervaren van waardeloosheid, dat nog eens wordt versterkt door hoe ze soms worden behandeld, maakt gaandeweg ruimte voor een gevoel van eigenwaarde. Zo wordt deze scherpe, emotionele én fraaie documentaire uiteindelijk toch een eerbetoon aan menselijke kracht.
De achternaam volstaat: Belushi (108 min.). Bijna veertig jaar na zijn dood, op slechts 33-jarige leeftijd, spreekt die nog altijd tot de verbeelding. John Belushi werd beroemd als gezicht van het populaire comedyprogramma Saturday Night Live, stal de show in de bioscoophit National Lampoon’s Animal House en vormde met zijn vaste kompaan Dan Aykroyd het onvergetelijke duo The Blues Brothers.
Intussen bouwde hij wel een heftige cocaïneverslaving op, die zijn toch al ontregel(en)de gedrag verder versterkte. Die tragiek – van een man die zichzelf gaandeweg helemaal kwijtraakt – vormt vanzelfsprekend ook de ruggengraat van deze gedegen biografie van R.J. Cutler, al krijgt ook hij zijn vinger er niet helemaal achter waarom Belushi steeds de rand van de afgrond opzocht.
‘Honey’, schrijft hij in een brief aan zijn vrouw en muze Judy. ‘Ik ben serieus verslaafd. Ik krijg mijn emoties niet onder controle als ik gebruik, maar het lukt me niet om daarmee te stoppen.’ Uit alle verhalen die in deze film – waarvoor Cutler gebruik kon maken van audio-interviews die Belushi’s biograaf Tanner Colby een jaar of tien geleden deed met intimi en collega’s zoals Dan Aykroyd, Chevy Chase en Carrie Fisher – rijst het beeld van een man die en plein publique een kuil graaft en er dan, inderdaad, zelf invalt.
Belushi werd, zoals ze dat zo treurig zeggen, ‘an accident waiting to happen’. Toen hij botste met zijn eigen sterfelijkheid – de boosdoener was naar verluidt heroïne – ging een beeldbepalende komiek verloren, waarop in deze documentaire met traditioneel archiefmateriaal en enkele geanimeerde sequenties nog eens ouderwets de schijnwerper wordt gezet. Zoals eerder gebeurde in thematisch verwante films over komieken als Robin Williams, Garry Shandling en Bill Hicks. Belushi dus.
‘Dus je ziet hem in de scène zelf niet drinken?’ ‘Klopt’ ‘Dan kan hij net doen alsof hij dronken is.’ ‘Nee, doen alsof werkt niet. Dat zou er verschrikkelijk uitzien.’ ‘Maar wat dan, Jorge?’ ‘Daarom moeten we het echt doen.’ ‘We gaan hem dus laten drinken voor de scène?’ ‘Ja, laat hem drinken.’ ‘Verdomme, man!’
Jorge Thielen Armand is onverbiddelijk. De fles zal er aan te pas moeten komen. De man die zich dadelijk aan de rum gaat overgeven ligt nu nog rustig in een hangmat, te wachten totdat hij weer aan de bak moet. Alle aanwezigen weten hoe Jorge Thielen Hedderich dan wordt. Jorge’s vader, die hij uit het oog was verloren en die hij nu heeft gevraagd als hoofdrolspeler voor zijn nieuwe speelfilm La Fortaleza, heeft een kwaaie dronk. Straks is het gedaan met de rust.
Die film, die onlangs in competitie werd vertoond tijdens het International Film Festival Rotterdam, is gebaseerd op Hedderichs leven en zijn worsteling met een alcoholverslaving. Vader speelt dus zichzelf. En in deze observerende documentaire van Mo Scarpelli moet hij ook nog eens zichzelf zíjn. El Father Plays Himself (105 min.) wordt daarmee een gelaagd dubbelportret van de twee Jorges, die zich op drie verschillende manieren tot elkaar moeten verhouden; van vader tot zoon, van regisseur tot hoofdrolspeler en van het ene documentaire-personage tot het andere.
Het is onvermijdelijk dat de grens tussen feit en fictie daardoor vervaagt. Zeker als ze voor de opnames naar de Venezolaanse jungle vertrekken, waar ontsnappen (aan elkaar) onmogelijk is, de druk om te presteren behoorlijk oploopt en drankgebruik elke scène kan verpesten – of, misschien nog wel gevaarlijker, juist kan redden. Binnen die prikkelende setting zoekt Jorge soms doelbewust de furie op die in ‘el father’ huist en probeert hij tegelijkertijd de banden met hem aan te halen. Dat proces, intiem en pijnlijk, vormt de basis voor deze indringende karakterschets van een kind en de ouder van wie hij vervreemd was geraakt.
Dit verhaal zou zich kunnen afspelen op een onontgonnen stuk wildernis in Zuid-Amerika. Of op een nagenoeg verlaten Indonesisch eiland. Met ontblote bast peddelt een groepje verwilderde jongens in een bootje door het water. Op zoek naar vis, een zwaan achtervolgend. Volledig één met de natuur. Op de achtergrond prijkt alleen een rijtje grauwe flats. De Roemeense hoofdstad Boekarest bevindt zich op nauwelijks een steenworp afstand.
Twintig jaar geleden nam de gypsy Gica Enache, teleurgesteld in de reguliere maatschappij, zijn vrouw Niculina mee naar Vacaresti, een verwaarloosd natuurgebied met meren en wilde dieren vlakbij de stad. Daar voedden ze samen maar liefst negen kinderen op. De pater familias doet denken aan het Viggo Mortensen-personage uit de fraaie speelfilm Captain Fantastic, een vader die zijn kroost in de bossen probeert te behoeden voor de consumptiemaatschappij. Tagline: he prepared them for everything except the outside world.
Zoals ook de vergelijking met de documentaire The Wolfpack, over de zes broers Angulo die van hun dominante vader jarenlang hun New Yorkse appartement nauwelijks mochten verlaten, zich onvermijdelijk aandient bij Acasă, My Home (86 min.). Zeker omdat ook hier de buitenwereld zich steeds nadrukkelijker meldt in de wereld van de Enaches, in de vorm van ambtenaren die van Vacaresti een beschermd natuurpark willen maken en de kinderbescherming die zich zorgen maakt over het welzijn van de kinderen.
Dat kan niet goed gaan. En dat doet het dus ook niet. ‘Wil je zien hoe ik mezelf in brand steek?’ roept de patriarch theatraal als zo’n groepje bemoeials zich meldt op het vervuilde erf bij zijn hut. ‘Gewoon voor de show.’ Voordat hij, met een peuk in de hand, de daad bij het woord kan voegen, wordt de boel gesust. De Enaches zullen moeten terugkeren naar de maatschappij die ze de rug toe hadden gekeerd. En vader Gica, die kampt met gezondheidsproblemen en mede daardoor de controle verliest, gaat mee. Of hij dat nu wil of niet.
De kinderen worden daar eens goed gewassen, gaan naar de kapper en stromen ook in op school, waar ze lezen, schrijven en rekenen kunnen leren. De domesticatie van de zigeuners, een bevolkingsgroep waarop menige Roemeen neerkijkt, verloopt desondanks niet zonder strubbelingen. In deze fraaie debuutfilm van onderzoeksjournalist Radu Ciorniciuc blijven twee totaal verschillende ideeën over het leven met elkaar botsen. Aarden in de nieuwe wereld gaat dus bepaald niet vanzelf, terwijl terugkeren naar de oude eveneens onmogelijk is.
Het is het centrale dilemma van de familie Enache – en vrijbuiters in het algemeen – dat Ciorniciuc vervat in een beeldende vertelling, waarin vissen en het eten of verkopen daarvan een symbolische lading krijgt. Als manier van in contact blijven met de natuur, als product om in het eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en als activiteit die in de bewoonde wereld alleen op afgesproken plekken geoorloofd is. Het komt allemaal samen in een film die inmiddels diverse filmprijzen won, waaronder de Cinematography Award op het Amerikaanse Sundance Film Festival.
Nee, niemand zit op een film over gewone mensen te wachten. Seriemoordenaars, willen ze zien. Of iets met seks. Daarin heeft de Britse documentairemaker Marc Isaacs dan weer geen interesse. En dus kan hij naar financiering voor zijn films fluiten.
Uit arren moede begint hij in zijn eigen huis te filmen. Ogenschijnlijk zonder idee of plan. De twee werkemannen die een nieuwe schutting in zijn tuin plaatsen. Zijn Colombiaanse hulp in huis, die net haar moeder heeft moeten afgeven. De gesluierde Pakistaanse buurvrouw met een zieke echtgenoot en zin om te koken. En de dakloze Slovaak die hij een tijdelijke slaapplek aanbiedt.
The Filmmaker’s House (75 min.) oogt in eerste instantie als een onopgesmukt portretje van de mensen die toevallig bij hem, de filmende filmer, te gast of aan het werk zijn. Isaacs volgt hen met de camera en voert terloopse gesprekjes. Aan de eettafel raken alle aanwezigen bovendien in gesprek met elkaar. Stuk voor stuk blijken ze – scoop! – hun eigen verhaal te hebben.
Gaandeweg wordt steeds duidelijker dat het om een geconstrueerde werkelijkheid gaat, waarbij de documentairemaker een hand heeft in alles wat er zich voor zijn ogenschijnlijk registrerende camera afspeelt. En dat lijkt uiteindelijk ook de boodschap van deze aardige film – wat is waar of authentiek? – die de tijd neemt om naar zijn onverwachte (anti)climax te wandelen.