‘Ze moeten het alleen niet opeten bij de koelkast’, zegt initiatiefnemer Kymme in De Buurtkoelkasten Van New York. ‘Die mensen heb je ook.’ Zo hoog kan de nood zijn, bij sommige inwoners van Brooklyn. Zeker sinds de Coronacrisis heeft toegeslagen.
In ruim honderd buurtkoelkasten kunnen New Yorkers inmiddels het eten achterlaten dat ze over hebben. Anderen komen daarmee dan weer een dag door. Dat gaat verrassend goed volgens de Afro-Amerikaanse ‘echtgenote, moeder, christen en middenstander’. En als iemand toevallig al het eten meeneemt – of zelfs de koelkast – dan zal die daar wel heel erg behoefte aan hebben gehad.
Zo organiseert Kymme haar eigen hyperlokale voedselbanken. Zij regelt de stroom en plekken, anderen verzorgen het eten en de Instagram-pagina’s van de koelkasten. Ook vanuit de gedachte dat een gever in het Amerika van vandaag morgen zomaar een nemer kan worden. Solidariteit, in een eigentijds jasje.
Die attitude is in deze korte documentaire van Ilja Willems fraai vervat in het spandoek van een meisje met mondkapje en spandoek, met daarop de tekst ‘NY: We Got This’.
In New York vullen buurtgenoten en winkeliers 'community fridges’ met eten wat ze overhebben. Daklozen, werklozen en anderen die de eindjes niet meer aan elkaar kunnen knopen, pakken eruit wat ze nodig hebben. Kijk de docu om 21.10u @NPO2@omroephumanhttps://t.co/YZb0DL31Q2pic.twitter.com/QY2Qf01MAy
Alleen de joystick ontbreekt. Waarmee je over het zwart-witte land op het beeldscherm kunt bewegen. En straks, op het moment suprême, zult afdrukken. Debriefing Drone-Operator (10 min.) brengt je virtueel naar Afghanistan of de Gazastrook. In het hart van de strijd tegen de Taliban, Al-Qaeda of Palestijnse strijders. Én in de positie om te beschikken over leven en dood.
Zoals de mannen die je ondertussen hoort in deze korte videobrief van Jack Faber. ‘We hadden er jaren naartoe gewerkt, maar je kunt niet vergeten dat je uiteindelijk hebt meegewerkt aan de dood van iemand, zegt één van de drone-bestuurders. ‘Vanuit de lucht kun je niet inzoomen’, stelt een collega. ‘Je ziet geen mensen, geen gezichten. Dat is gemakkelijker te verwerken.’
Zonder geluid en ogenschijnlijk doelloos beweegt je cursor tegelijkertijd over het scherm. Hoog boven de bordkartonnen gebouwen, rijdende speelgoedauto’s en een enkel bewegend poppetje. Totdat het doel is geïdentificeerd. Dramatische muziek zwelt aan. De tijd van zoeken, nadenken of twijfelen is voorbij. Vuur! Een explosie maakt zich meester van het beeldscherm.
Zoals in de shooter games die je wellicht al eens hebt gespeeld. Dertienduizend drone-aanvallen werden er zo al uitgevoerd, naar verluidt duizenden tegenstanders uitgeschakeld. Vanaf een veilige afstand. ‘Ik trek geen champagne open en maak geen vreugdedans’, houdt een operator je voor. ‘Maar ik vergiet ook geen tranen en kan ’s nachts goed slapen.’
GAME OVER
'Je ziet geen mensen, dat is makkelijker te verwerken.' Regisseur Jack Faber verbindt in zijn 2Doc Kort videobeelden uit Afghanistan met audio-opnames van Israëlische drone-operators. Kijk 'Debriefing Drone-operator' om 21.15u op NPO 2 of nu online: https://t.co/TyVDz8tkOUpic.twitter.com/DCgoQrgApF
‘Één van de brandweerlieden keek ons aan en zei: het zou zomaar kunnen dat we vandaag niet overleven’, vertelt kapitein Jay Jonas van de Fire Department New York. ‘We stopten even en namen de tijd om elkaar de hand te schudden en veel geluk te wensen: ik ben blij dat ik je heb gekend, hopelijk zien we elkaar later.’ Jonas laat een minieme stilte vallen. ‘Van alle aanwezigen ben ik als enige nog in leven.’
Terwijl de brandweerlui beneden in één van de torens van het World Trade Center staan te wachten totdat ze in actie kunnen komen, horen ze het huiveringwekkende geluid van lichamen die te pletter vallen. Het zijn mensen die zich van een toren naar beneden hebben geworpen. Weg van het vuur, hun einde tegemoet. De gezichten van de brandweerlieden staan strak. Dit hebben ook zij nog niet eerder gehoord. Het sterkt hen alleen maar in hun missie: redden wie/wat er te redden valt, met gevaar voor eigen leven.
Het is alweer twintig jaar geleden: dinsdag 11 september 2001, de dag waarop de wereld van na de Koude Oorlog gestalte kreeg. Oorlogen in Irak en Afghanistan, verdere destabilisering van het Midden-Oosten en talloze botsingen tussen het westen en de radicale Islam zouden volgen. 9/11: One Day In America (294 min.) concentreert zich echter alleen op de dag zelf. En op enkele gewone mensen – géén beslissers – die zich tijdens dat apocalyptische etmaal staande probeerden te houden: overlevenden, nabestaanden, hulpverleners, politieagenten, journalisten en militairen. Heldhaftige Amerikanen, dat wel. Géén zak-en-as types.
Hun persoonlijke getuigenissen, krachtig en aangrijpend, zijn omkleed met een ontzaglijke collectie archiefmateriaal, die verder slechts wordt begeleid door verklarende teksten in beeld en onheilszwangere muziek. Zo ontstaat een even minutieuze als monumentale reconstructie van een ijkpunt in de Amerikaanse historie en wereldgeschiedenis, gemaakt in samenwerking met The 9/11 Memorial & Museum. Deze zesdelige docuserie brengt de verpletterende gebeurtenissen van deze cruciale dag niettemin terug tot menselijke proporties.
‘Jeff, dank je’, richt advocaat Frank Razzano zich geëmotioneerd tot Jeff Johnson, de man die hem het leven redde in het World Trade Center. Dankzij hem kon Razzano de bruiloft van zijn dochter bijwonen. ‘Dank je voor dat moment. En voor alle tijd die ik heb gehad met haar jongens en mijn andere kleinkinderen. Ontzettend bedankt.’ Het is slechts één van de vele indringende scènes in deze epische productie van regisseur Daniel Bogado en de executive producers Dan Lindsay en T.J. Martin, het team achter het thematisch en stilistisch verwante LA 92.
Met een beperkt aantal persoonlijke verhalen vangt deze serie de collectieve ervaring van 9/11: de hectiek, paniek en heroïek van ‘die ene dag in Amerika’.
‘Normaal gesproken heb je bij een moord een slachtoffer en ga je op zoek naar de moordenaar’, stelt rechercheur Steve McCusker. ‘In dit geval hadden we een moordenaar, maar hij wist niet wie de slachtoffers waren.’
In de flat en voormalige woning van Dennis Nilsen in Londen had de politie in 1983 de lijken van diverse jonge mannen aangetroffen. Het waren er in totaal vijftien of zestien volgens de man des huizes, werkzaam als leidinggevende bij het plaatselijke arbeidsbureau. Een schrikbarend aantal, dat op een naargeestige manier deed denken aan de bijna dertig dode jongens die waren gevonden in de kruipruimte onder de woning van de beruchte Amerikaanse seriemoordenaar John Wayne Gacy.
Nilsen wilde best over zijn daden vertellen, hoor, maar kon zich de details écht niet meer voor de geest halen. Herinneringen had de voormalige politieman niettemin genoeg, zo bleek later. In zijn gevangeniscel vertrouwde hij die met liefde en plezier toe aan een serie cassettebandjes. Ze hebben nu hun weg gevonden naar Memories Of A Murderer: The Nilsen Tapes (85 min.). ‘Ik ben een man’, zegt Dennis Nilsen daarop. ‘Geen monster. Raar, hè?’
Was de man knettergek of oerslecht? Regisseur Michael Harte probeert er de vinger achter te krijgen via interviews met politieagenten, nabestaanden, collega’s en zijn advocaat en benadrukt verder het duistere karakter van diens verhaal met onthullend archiefmateriaal, unheimische gestileerde beelden en onheilszwangere muziek. Het resultaat is stemmig, onrustbarend en niet al te cheap en behoort tot de betere exemplaren die de lopende band van seriemoordenaarsdocu’s in de afgelopen jaren heeft afgeleverd.
Homoseksualiteit bleek wel degelijk omkeerbaar. John Paulk en Anne Edward vormden eind jaren negentig het tastbare bewijs. Hij viel ooit op mannen, zij was een voormalige lesbienne. God had hen echter genezen. En nu waren ze te gast in de spraakmakende talkshow van Jerry Springer en stonden ze op het punt om samen in het huwelijksbootje te stappen. Eind goed, al goed.
In de stevige documentaire Pray Away (102 min.) kijken Paulk en andere prominente ex-gays met gemengde gevoelens terug op de periode dat ze onder invloed van de Heer een goed christelijk leven probeerden te leiden. Voormalige ex-gays, welteverstaan. Want de herstel- of conversietherapie die ze ondergingen, bleek uiteindelijk toch niet te beklijven. Hoezeer ze zich in het openbaar – en tot verdriet van andere christelijke homo’s – ook sterk bleven maken voor het afzweren van die tegennatuurlijke levenswijze.
Regisseur Kristine Stolakis zet hun ervaringen, die stuk voor stuk uitmonden in een persoonlijke catharsis (‘hoe kun je dat je eigen mensen aandoen?’ vraagt een propagandist van het discriminerende wetsvoorstel Proposition 8 zich af), af tegen de activiteiten van Jeffrey McCall. Nog niet zo lang geleden wilde deze bekeerling van geslacht veranderen, nu lijkt hij een alternatief te hebben gevonden in het geloof. McCall waarschuwt ouders dat ze hun kinderen niet naar een school moeten sturen, waar hun kinderen hormonen kunnen krijgen of hun lichaam chirurgisch mogen laten verminken.
De manier waarop Stolakis hem plaatst te midden van de getuigenissen van ex-ex gays en hun ervaringen met (verwoestende) bekeertherapieën laat er weinig misverstand over bestaan over hoe ze zijn rol ziet. Ook hij zal mettertijd waarschijnlijk oversteken naar wat ze in conservatief christelijke kringen ‘the dark side’ noemen. Het is alleen de vraag hoeveel kwaad hij, ongetwijfeld met de beste bedoelingen, in de tussentijd zal aanrichten. En of het überhaupt zover komt dat hij wederom uit de kast komt.
Amerikaans onderzoek heeft immers uitgewezen, zo valt te lezen in de aftiteling, dat deelnemers aan conversietherapie tweemaal zo vaak een einde aan hun leven maken als andere LGBTQ-jongeren.
Een voetbalclub die zijn jubileum wil opluisteren met een documentaire maakt zich kwetsbaar. Daar kan Ajax over meepraten. In het kader van hun honderdjarige bestaan lieten de Amsterdammers in het seizoen 1999-2000 regisseur Roel van Dalen binnen voor de documentaire Ajax: Daar Hoorden Ze Engelen Zingen, een ontluisterende film die uiteindelijk als sluitstuk zou fungeren voor een ronduit dramatisch seizoen.
Dit heeft Frans van Seumeren, grootaandeelhouder van FC Utrecht, er niet van weerhouden om camera’s toe te laten in het vijftigste levensjaar van de club waarin hij al jarenlang hart, ziel en een aanzienlijk geldbedrag steekt. En Van Seumeren zal er ook wel voor hebben gezorgd dat hij bij de samenstelling van FC Utrecht: No Guts No Glory (193 min.), waarin hij zelf de hoofdrol krijgt toebedeeld en ook aandacht is voor goodwill-acties naar de supporters en ‘de maatschappelijke poot’ van de club, een dikke vinger in de pap heeft.
Een treurmars is de zesdelige serie dan ook niet geworden. Al gaat het er soms best stevig aan toe. Als de omstreden Spaanse aanvaller Adrian Dalmau in de wedstrijd tegen ADO Den Haag een rode kaart krijgt en zijn team vervolgens blijft steken op een teleurstellend gelijkspel, wordt hij flink aangepakt. Eerst is het collega-spits Eljero Elia, zelf ook bepaald nog geen succesverhaal, die zijn ‘amigo’ in de kleedkamer ter verantwoording roept. Dreigend: ‘Je hebt geluk dat die camera hier is.’
Daarna krijgt de treurende Spanjaard ten overstaan van al zijn ploeggenoten (en de camera’s in de kleedkamer) ook nog eens van onder uit de zak van trainer René Hake. ‘Hee, Dalmau’, schreeuwt die met overslaande stem. ‘Heb je niks te zeggen tegen de jongens? In plaats van met je hoofd naar beneden te zitten. Je hebt de wedstrijd verkloot met je twee stomme gele kaarten!’ De gifbeker is dan overigens nog lang niet leeg voor de onfortuinlijke spits, die gedurig met zijn vorm blijft worstelen.
Zo levert FC Utrecht: No Guts No Glory uiteindelijk precies wat van dit soort voetbalseries (men neme bijvoorbeeld Tottenham Hotspur, Sunderland en binnenkort Feyenoord) wordt verwacht: een combinatie van flitsend gemonteerde wedstrijdbeelden, begeleid door bombastische muziek (en – aardige toevoeging – het chauvinistische radiocommentaar van RTV Utrecht-verslaggever René van den Berg en oud-speler en -trainer Gert Kruys). En materiaal vanuit het hart van de club: het trainingscomplex, de kleedkamer en de tribune (waar Van Seumeren de camera permanent op zich gericht weet).
Utrechts tocht over hoge toppen en door diepe dalen, die nochtans gewoon is afgesloten met een vertrouwd plekje in de subtop, wordt begeleid door interviews met de trainer, manager, directeur, materiaalman en enkele spelers (de ernstig geblesseerde aanvoerder Willem Janssen en zijn vrouw in het bijzonder). En ook de achterban krijgt natuurlijk spreektijd – van de bloemenverkoper tot de buschauffeur – om het gevoel in de stad te verwoorden. Alle denkbare voetbalclichés worden daarbij nog eens netjes afgestoft. Een gruwel wellicht voor de kritische kijker, maar ‘gefundenes Fressen’ voor iedereen die leeft voor de bal.
Het waren getapte jongens, Sal Magluta en Willy Falcon. In hun powerboats maakten ze in de jaren tachtig zo’n beetje onderling uit wie er met het Amerikaanse kampioenschap vandoor ging. En zoals dat gaat bij dit soort onweerstaanbare schelmen waren er in hun aanwezigheid altijd feestjes, mooie vrouwen en drugs. Cocaïne, om precies te zijn. Waar de twee Cubaanse Amerikanen dan weer zelf op grote schaal in handelden.
Als eerste generatie-immigranten hadden ze aan den lijve ondervonden wat armoe was, vertellen familie, vrienden en collega’s in de zesdelige serie Cocaine Cowboys: The Kings Of Miami (272 min.). En dus kon je het Sal en Willy toch moeilijk verwijten dat ze gevoelig waren voor het snelle geld? Daarbij gedroegen ze zich overigens netjes, hoor: het olijke duo uit ‘The Sunshine State’ Florida hield zich altijd ver van geweld.
Tenminste, tótdat de grond hen echt te heet onder de voeten werd. Toen ze in de jaren negentig voor de rest van hun leven in de cel dreigden te verdwijnen, lieten hun advocaten in een juristen- en gevangenistijdschrift een lijst met potentiële getuigen van justitie publiceren. Die werden rücksichtslos uit de weg geruimd. It’s all in a day’s job for cocaine cowboy (die het appartement waar ze gingen feesten doodleuk ‘Scarface‘ noemden).
En regisseur Billy Corben laat alle ‘muchachos’, gangsterliefjes, consiglieres en domme krachten in deze pastiche op Miami Vice, The Sopranos en Narcos nu gewoon lekker leeglopen. Kritische kanttekeningen blijven achterwege. Hij voorziet hun sterke verhalen liever van kekke montagetrucs, popi humor en – natuurlijk – een overload aan latin-muziekjes, onderbroken door een enkele eighties-klassieker.
Want het moet natuurlijk wel leuk blijven, zo’n trip nostalgia door de gouden jaren van de cokebusiness. Gaandeweg krijgt Cocaine Cowboys een iets grimmiger karakter, als het politieonderzoek naar en de rechtszaken tegen de drugsbaronnen en hun trawanten de aandacht beginnen op te eisen. Deze gladde miniserie verzuimt echter om hun wereld écht bloot te leggen en blijft daardoor aan de, weliswaar best vermakelijke, oppervlakte steken.
De beelden roepen direct associaties op met de filmklassieker Jaws. Jaagster Valerie Taylor is in een kooi onder water gegaan en komt dan oog in oog te staan met een witte haai. Een Australische ‘zeemeermin’ tegenover een ‘onderzeeër met tanden’. In Steven Spielbergs zenuwslopende bioscoophit kon dat maar op twee manieren aflopen: óf de bevallige blondine zou, uiteengereten, eindigen in die kolossale bek met vlijmscherpe tanden. Óf de heldin zou na een heroïsch slotgevecht het angstaanjagende beest met een uiterste krachtsinspanning tóch weten te doden.
Playing With Sharks (91 min.) – de titel verraadt het al – kent geen dramatische afloop voor Taylor. Terwijl ze soms toch echt ‘onbeschermd’ het water ingaat. Haar onderwateravonturen, vastgelegd in de documentaire Blue Water, White Death (1971), vormden echter wel degelijk de inspiratie voor eerst het boek Jaws van de Amerikaanse auteur Peter Benchley en daarna de film die daarop was gebaseerd. Zij verleende daaraan zelf ook haar medewerking. De opnames voor en actiescènes uit de Hollywood-hit zijn in deze puike documentaire slim met elkaar versneden door regisseur Sally Aitken.
Valerie Taylor kon toen nog niet vermoeden dat Jaws een serieus struikelblok zou worden voor iedereen die het goed voorhad met de haai. Wie kon er, met Spielbergs bloeddorstige monster in het achterhoofd, immers serieus pleiten voor behoud van dit afzichtelijke dier? Toch is dat precies wat Taylor en haar getrouwen zich voornamen. Als een soort Jane Goodall voor de haai begon ze, met werkelijk adembenemende beelden van onder de waterspiegel, bewijsmateriaal te verzamelen voor de zegeningen van de bedreigde diersoort.
Inmiddels is Valerie Taylor dik in de tachtig en is dus ook duidelijk dat ze nooit ten prooi is gevallen aan haar eigen knuffeldier. Toch schieten buitenstaanders onvermijdelijk in de Jaws-reflex, als ze voor de camera een witte haai met de hand voert – en hem naderhand, ook dat nog, een vriendelijk klopje op zijn snuit geeft. Bevangen door het monster dat ze ooit zelf (mede) creëerde.
Als je een podcast verfilmt – de interviews, gepaard aan archiefmateriaal en figuratieve beelden – is het dan ineens een documentaire? De zesdelige serie Catch And Kill: The Podcast Tapes (170 min.) van Fenton Bailey en Randy Barbato is in elk geval een vervolg op de podcast van de Amerikaanse journalist Ronan Farrow, die op zichzelf weer een logische voortzetting is van diens bestseller Catch And Kill.
In alle producties staat de #metoo-zaak tegen filmproducent Harvey Weinstein centraal en hoe die door Farrow (en zijn concullega’s Jodi Kantor en Megan Twohey van The New York Times, die er het boek She Said over schreven, waaraan verder overigens nauwelijks aandacht wordt besteed) aan het licht is gebracht. Over die kwestie is trouwens al een stevige documentaire gemaakt, waarin allerlei slachtoffers zich uitspreken: Untouchable.
In de eerste aflevering van Catch And Kill gaat Ronan Farrow, die zelf overigens direct betrokken is bij de beschuldigingen van seksueel misbruik van zijn moeder Mia Farrow tegen zijn vader Woody Allen (zie: de docuserie Allen v. Farrow), in gesprek met het Italiaanse model Ambra Battilana Gutierrez. Zij maakte audio-opnames van hoe ze Weinstein probeerde te laten bekennen dat hij haar had lastiggevallen. ‘Five minutes’, voegt hij haar daarop dreigend toe. ‘Don’t ruin our friendship for five minutes.’
Verder spreekt Farrow met de journalisten Kim Masters en Ken Auletta (die jarenlang, tevergeefs, achter het Weinstein-verhaal aanzaten), Weinstein-medewerker Rowena Chiu (die ooit de klok probeerde te luiden over zijn volstrekt ongepaste toenaderingspogingen en de manier waarop die binnen Miramax Pictures werden toegedekt), een privédetective (die de opdracht kreeh om Farrow te schaduwen), zijn eigen collega Rich McHugh bij NBC News (dat hun gezamenlijke onderzoek naar het ultieme ‘male chauvinist pig’ in een diepe lade begroef) en de journalisten van The New Yorker (die het wél aandurfden).
Voor Harvey Weinsteins slachtoffers ruimt Ronan Farrow relatief weinig ruimte in. Verder komt alleen de actrice Rosanna Arquette aan het woord. Catch And Kill: The Podcast Tapes legt de nadruk op het systeem dat de bullebak met alle mogelijke middelen probeerde te beschermen en hoe Farrow de man en zijn machinaties uiteindelijk met journalistiek vakwerk weet tr ontmantelen. Maar of de serie daadwerkelijk iets toevoegt aan wat er al bekend en (door Farrow zelf) gepubliceerd is over de Weinstein-casus?
Ruim 25 jaar documenteert Roy Dames nu al de levens van enkele vrije jongens uit Amsterdam-Oost, die voortdurend op het slappe koord tussen onder- en bovenwereld balanceren. Dat resulteerde in drie documentaires, die gezamenlijk een zwaar dooraderd portret van de onderkant van de hoofdstedelijke penoze schetsen: Ik Ben Jantje (1994), Vrienden Voor Het Leven (2000) en Foute Vrienden (2010).
In de driedelige serie 25 Jaar Foute Vrienden (150 min.) maakt Dames, die als maker sowieso graag aan de zelfkant lijkt te bivakkeren, opnieuw de balans op met Verbrande Herman, Rooie Jos en Jantje van Amsterdam. Ze zijn inmiddels dik in de zestig en getekend door het leven dat ze hebben geleid. Doordat hij hen nu al zo lang volgt – ook, of juist, op de momenten dat het tegenzit – dringt Dames echt door tot het wezen van zijn hoofdpersonen. De vierde Foute Vriend, Dikke Bob, wordt door hem ook nog altijd behandeld als hoofdpersoon. Ook al ligt die toch echt al ruim vijftien jaar onder de groene zoden.
Net als bij de Britten die sinds 1964 elke zeven jaar opnieuw worden opgezocht voor de befaamde Up-serie, zijn de Mokummers uitgegroeid tot het soort kennissen waarvan kijkers eens in de zoveel tijd willen weten hoe het hen is vergaan. Vaste ‘fans’ moeten daarbij dan op de koop toenemen dat sommige spraakmakende scènes uit het verleden (zoals de volledig ontsporende ruzies tussen Jantje en zijn vrouw Hermien, Hermans afranseling van een vermeende pedofiel en de autodiefstal door Jos en Bob) opnieuw een prominente plek in de vertelling hebben gekregen.
Die gebeurtenissen worden associatief met het heden verbonden en vormen zo nu en dan aanleiding voor bescheiden reflectie. Want Dames is er de man niet naar om zijn subjecten aan een ethisch vragenvuur te onderwerpen of te dwingen tot diepgaand zielzoeken. Hij benadert hen empathisch – als de vriend die hij, de ‘katholieke ex-student uit Beverwijk’ – zo graag wil zijn voor hen. Voor kerels die het klappen van de zweep kennen en die er zelf ook flink van langs hebben gekregen.
Foute Vrienden portretteert de ‘bloedgabbers’ in de herfst van hun levens, die uiteindelijk weinig echte zomers lijken te hebben gekend. Jantje is tegenwoordig meer van de woorden dan van de daden, de socio Jos probeert ogenschijnlijk op het rechte pad te blijven en nurkse Herman (‘Alleen al om bepaalde mensen te treiteren, blijf ik leven gewoon’) wil in het reine komen met zijn volwassen dochter, die zelf ook een woelig bestaan heeft geleid. Zo maken ze elk, onnadrukkelijk en zonder al te veel sentiment, de balans op: wat heeft hun leven opgeleverd en wat heeft dit gekost? Ofwel… loont misdaad?
Eind 2024 is Jantje van Amsterdam overleden. Zijn foute vrienden, inclusief Roy Dames, begeleidden hem, getuige deze reportage van AT5, naar zijn laatste rustplaats.
Zijn ontzielde lichaam werd op 7 januari 1992 aangetroffen in het Kroatische stadje Karlovac, gesneuveld tijdens de oorlog in het voormalige Joegoslavië. Christian Würtenberg, een gewone Zwitserse jongen. Journalist. Avonturier. En, volgens sommigen, een moedig man. ‘Het was een zelfmoordmissie’, stelt zijn broer Michael. ‘Geen enkele foto, geen enkele zin, niets is het waard om je leven voor te wagen. Geen enkel verhaal is reden genoeg om te sterven.’
De nicht van Chris The Swiss (90 min.), regisseur Anja Kofmel, wil weten wat Christian dreef en reist hem ruim twintig jaar later achterna. Intussen spreekt ze met zijn plaatselijke fixer, andere oorlogsjournalisten en huurlingen. Wat ze via hen te weten komt, verwerkt Kofmel in stemmige zwartwit-animaties die de laatste levensdagen van haar neef, zijn gemoedstoestand en de Joegoslavische burgeroorlog in het algemeen verbeelden. Dat is geen vrolijk stemmend verhaal.
Anja Kofmel is vooral benieuwd naar de onverwachte afslag die Christian in zijn laatste levensfase heeft genomen. In hoeverre zet die alles op zijn kop? vraagt de Zwitserse filmmaakster zich af. Of sluit deze wending juist aan bij de activiteiten die haar neef eerder heeft ontplooid in Zuid-Afrika? De beruchte terrorist Carlos de Jakhals noemt ‘Chris The Swiss’ in elk geval een dubbelagent. Vaststaat dat hij steeds verder is afgedaald in de hel die oorlog is. Totdat de dood erop volgde.
Deze overtuigende hybride van (ego)documentaire en animatiefilm uit 2018 zet dat drama goed in de verf en verdwaalt met hem in het morele mijnenveld van de Joegoslavische burgeroorlog, waarbinnen niets hoeft te zijn wat het ooit was of nu lijkt.
‘Als het stuk klaar is, dan is ze echt dood’, stelt Eric de Vroedt terwijl hij geëmotioneerd naar cassettebandjes van zijn moeder luistert. ‘Nu kan ik die taal nog laten klinken.’ Met zijn collega’s van Het Nationale Theater werkt de toneelschrijver/regisseur aan de voorstelling De Eeuw Van Mijn Moeder. Over de Indische vrouw Winnie de Willigen, de stuurse ouder die hij van haver tot gort kent.
Terwijl De Vroedt zijn acteurs scènes uit het leven van zijn moeder laat spelen, soms flink uitvergroot, probeert hij tevens in het reine te komen met haar en de herinneringen die hij aan haar leven heeft. De grote emoties of confrontaties die hij als zoon in werkelijkheid nooit echt is aangegaan, krijgen binnen de veilige omgeving van zijn kunst nu alle ruimte. Hij bekijkt het zelf met argusogen.
Via zijn moeder vertelt Eric de Vroedt tevens het verhaal van de Indische migranten die vanuit de voormalige kolonie naar Nederland kwamen. Documentairemaker Ditteke Mensink verbeeldt dat in Eric de Vroedt: Terwijl Het Liefde Was (60 min.) ook met persoonlijke voorwerpen van haar: foto’s, trouwringen en koppen en schotels. In handen van De Vroedts spelers, met wie hij soms al twintig jaar werkt, krijgen die extra waarde en betekenis.
Gebiologeerd ziet hij in deze fijnzinnige documentaire hoe zijn zeer persoonlijke verhaal via hen steeds verder gestalte krijgt. Soms stuurt hij bij of grijpt in. Als de voorstelling afstevent op een emotionele climax, hervindt Eric de Vroedt de ouder van wie hij vooral rituele liefde en weinig oprechte genegenheid dacht te hebben gekregen. Terwijl, zo ziet hij met de wijsheid van nu, het toch echt liefde was.
En dan is het stuk klaar.
Volgens Eric de Vroedt, artistiek leider van Het Nationale Theater, is samenspel vergelijkbaar met een potje schermen. In 'Terwijl het liefde was' kijken we achter de schermen mee naar hoe De Vroedt zijn acteurs regisseert. Terwijl het liefde was, 11 augustus om 22.55 op @NPO2. pic.twitter.com/tkBlPs4yek
‘Op de middelbare school kwam ik er pas achter wat een homo is’, vertelt Maarten. ‘En dat ik dat dan had.’ Interviewster Yora Rienstra kan haar oren bijna niet geloven. ‘Hád?’ De domineeszoon moet er zelf om lachen. ‘Ja, die geaardheid.’ Yora bijt door: ‘Dat klinkt alsof je een ziekte had? Voelde dat zo?’ Maarten: ‘Ik denk het wel. Mijn hele middelbare schoolperiode was ik een soort van aan het bewijzen dat ik het niet was.’
Maartens ouders vertellen dat ze het heel erg verdrietig vinden dat hun zoon zo lang met zijn seksualiteit heeft geworsteld. Tegelijkertijd vinden zij die ook niet gemakkelijk. Hun hele omgeving wijst zijn geaardheid, met de bijbel in de hand, categorisch af. En dat is precies het terrein dat Rienstra, die zelf op vrouwen valt, met de tv-docu Ik Deed Aangifte Tegen De Minister Van Onderwijs (51 min.) in kaart wil brengen. De film is een vervolg op, inderdaad, de aangifte die zij eind vorig jaar deed tegen minister Arie Slob (ChristenUnie). Hij had gezegd dat reformatorische scholen homoseksualiteit mogen afkeuren zolang ze maar zorgen voor een veilig leerklimaat. En toen kwam de stoom dus uit haar oren.
Niet alle gelovige gays zitten overigens te wachten op zo’n aangifte, van een theatermaakster uit Amsterdam nota bene. Helpt die jonge homo’s en lesbiennes in een christelijke omgeving werkelijk verder? Nadat Yora Rienstra haar oor bij hen te luister heeft gelegd, besluit ze ook in gesprek te gaan met vertegenwoordigers van religieuze scholen. Daar vindt ze uiteindelijk een gewilliger oor dan ze had verwacht, al wordt ook meteen duidelijk dat het in deze kwestie spitsroeden lopen blijft voor zowel christenhomo’s als hun gemeenschap.
Ik Deed Aangifte Tegen De Minister Van Onderwijs geeft zo ruimte aan de verschillende gezichtspunten over homo’s en religie en is daardoor uiteindelijk beduidend minder scherp – of: genuanceerder – dan de titel wellicht doet vermoeden.
'Het is zo makkelijk om iets op Twitter te plempen. Het is veel lastiger om er dieper in te duiken en de verbinding te zoeken.' Yora Rienstra vertelt over het maakproces achter de documentaire 'Ik deed aangifte tegen de Minister van Onderwijs'. Lees hier: https://t.co/15gvrpeC7kpic.twitter.com/eMM9j3Nx2Q
Toen documentairemaker Thomas Balmès voor zijn bekroonde film Happiness (2013) de achtjarige Peyangki in een afgelegen klooster te Bhutan portretteerde, was de jongen er vast van overtuigd dat hij monnik zou worden. Hij hoopte alleen dat ze binnenkort elektriciteit en televisie konden krijgen. En dat zou alles veranderen.
Inmiddels is Peyangki zeventien en heeft ook het internet z’n intrede gemaakt in zijn kleine, overzichtelijke wereld. Waar bij het ochtendritueel serene rust zou moeten heersen, zitten alle jonge monniken tegenwoordig over hun smartphone gebogen. In de ban van de verlokkingen die de hedendaagse wereld heeft te bieden.
In Peyangki’s geval: Ugyen, een bevallig meisje dat hij heeft leren kennen via WeChat. Met mooie liedjes brengt ze zijn hoofd op hol. Het ideaal dat hij altijd koesterde, zijn leven wijden aan het boeddhisme en lama worden, komt erdoor op de tocht te staan. De jongen overweegt om het klooster, waar hij nu al bijna tien jaar woont, te verlaten.
Kalm en zorgvuldig registreert Balmès in Sing Me A Song (93 min.) hoe Peyanki’s leven in het klooster in het landelijke Laya, geworteld in eeuwenoude traditie, in beweging komt. Hij spiegelt dat met de dagelijkse beslommeringen van Ugyen die in de grote stad Thimphu fantaseert over die ongetwijfeld bemiddelde jongen van het platteland.
Als het uiteindelijk tot een ontmoeting komt tussen de twee blijkt dat ze elkaar online toch veel minder goed hebben leren kennen dan gedacht en moeten Peyankgki en Ugyen zich allebei bezinnen op wat dat betekent. Voor de jonge boeddhistische monnik is het in elk geval de vraag of hij eigenlijk nog terug kan naar het leven dat hij ooit leidde.
Via de zoekende tiener maakt deze fraaie, subtiele en toch krachtige film inzichtelijk hoe het wereldwijde web niet alleen alles en iedereen met elkaar in verbinding brengt, maar mensen ook kan losrukken van waar ze altijd thuishoorden. Door de immense omvang en diversiteit van de wereld op het scherm verliest het eigen bestaan zijn glans en lijkt het klein en nietig.
En als gevolg daarvan, zo maakt Sing Me A Song eveneens pijnlijk duidelijk, kun je zomaar het kind met het badwater weggooien.
Het duurde tien jaar voordat Rob en Dee zwanger waren. Er kwamen IVF en een spermadonor aan te pas. En toen had het Britse stel zowaar een zoon: Billy. Die kwam al op zevenjarige leeftijd uit de kast. Moeder heeft daar geen moeite mee, maar vader kan het nauwelijks geloven. ‘Volgens mij is hij niet gay’, meent Rob. ‘Dat kun je pas beslissen als je zestien of zeventien bent.’ Billy riposteert: ‘Hij denkt dat ik het zeg om hem op de kast te jagen.’
En zo staan de pionnen op het bord voor My Gay Life (47 min.), een jeugddocu waarvoor Billy van zijn elfde tot en met zijn achttiende zijn eigen leven filmde. Een periode waarin hij ook op gezette tijden werd geïnterviewd door de filmmakers Mel Beer en Tim Froggat. Het zijn jaren waarin het de tiener in eerste instantie voor de wind lijkt te gaan. Alleen Rob ligt dwars, vinden zijn vrouw en zoon. ‘Ik kan nu volmondig beamen dat m’n vader een enorme eikel is’, vertelt Billy zonder omhaal van woorden aan zijn dagboekcamera.
Terwijl de jongen zich overgeeft aan zijn stoutste dromen, blijft de relatie met zijn vader precair. Bovendien krijgt Billy’s moeder een fikse tegenslag te verwerken. Dan wordt het filmen zelfs even stopgezet. Pas enige tijd later hervat Billy het documenteren van zijn eigen leven voor wat uiteindelijk een vlotte coming of age-docu is geworden. Die graaft niet al te diep, belicht vooral Billy’s eigen perspectief en doet daardoor Rob als bezorgde vader niet altijd evenveel recht, maar brengt wel aardig de ontwikkeling van een zoekende homoseksuele jongen in beeld.
Die verlaat zich daarbij consequent op een motto dat hij heeft ontleend aan zijn grote idool, Lady Gaga: ‘Don’t you ever let a soul in the world tell you you can’t be exactly who you are.’ Waarvan akte.
Bij acteurs weet je nooit of ze een rol spelen. Neem Anthony Hopkins. Had hij in 1992, toen het grote succes dan eindelijk kwam, werkelijk de gedachte ‘nu kan ik wat slechte films gaan maken’? Toch was dat volgens Hopkins het eerste wat in hem opkwam toen hij een Oscar won voor zijn rol als de seriemoordenaar Hannibal Lecter in The Silence Of The Lambs.
Zo zegt hij in Hannibal Hopkins & Sir Anthony (52 min.) bijvoorbeeld over Hollywood: ‘Juist de oppervlakkigheid staat me wel aan’. Werkelijk? Dat zou dan wel heel erg contrasteren met zijn imago als Brits karakteracteur. ‘Hoe houd je het uit?’ vroegen vroegere vrienden hem niet voor niets over de plastic stad. ‘Het is net of je op de maan woont.’ Waarop hij dan zei: ‘Ach, dat bevalt mij wel.’
Terwijl de filmmakers Clara en Julia Kuperberg met de nodige bokkensprongen door zijn imposante oeuvre en carrière wandelen, heeft Anthony Hopkins zo steeds een nieuwe oneliner paraat. ‘Als ik geen acteur was geworden was ik misschien geen crimineel geworden’, stelt hij bijvoorbeeld in één van de vele archiefinterviews. ‘Maar toch ook geen aardig mens.’
Of: ‘Ik heb geen analytische geest, ik ben niet heel slim of intellectueel.’ Het is de vraag of hij dat zelf gelooft. En over het vak, dat hij nu toch al ruim zeventig jaar uitoefent: ‘Ik voel me geen acteur. Wat is een acteur? Het voelt meer alsof ik bij het circus zit.’ Over zijn riddering tenslotte: ‘Mijn vrouw belde me’, vertelt hij geamuseerd. ‘Ze zegt: Je wordt geridderd. Ik zeg: waarvoor?’
Valse bescheidenheid? Zelfrelativering als schild? Of gewoon: lekkere verhalen waarmee je voor de dag kunt komen? Sir Anthony Hopkins houdt in deze tv-docu te allen tijde iets ongrijpbaars. Ook als hij vertelt over het onbegrepen jongetje dat hij ooit was, zijn immense onvrede als toneelacteur en het titanengevecht dat hij moest leveren met koning alcohol.
Bij topacteurs weet je nu eenmaal nooit of ze een rol spelen. De rol van hun leven.
Op de schouders van de gigant David Bowie, als directe reactie op de eerste punkgolf en snakkend naar een eigen signatuur vond een nieuwe generatie Britse jongeren eind jaren zeventig een thuisbasis in de Londense club The Blitz. Daar ontstond een Europese evenknie van het Amerikaanse Studio 54, waar zich een frisse incrowd van kunstenaars, modeontwerpers en muzikanten vormde. De zogenaamde ‘new romantics’. Ze waren arrogant, extravagant en genderfluïde.
Onder deze Blitz Kids – type kijken en bekeken worden – bevonden zich toekomstige pophelden als Boy George (Culture Club), Gary Kemp (Spandau Ballet) en Midge Ure (Ultravox) en de messcherpe modeontwerpers Michele Clapton, Fiona Dealey en Stephen Jones. Die willen in deze joyeuze documentaire van Bruce Ashley en Michael Donald natuurlijk maar al te graag vertellen over de tijd dat zij tot ‘the happy few’ behoorden en een geheel eigen stijl – op het snijpunt van pop, mode en kunst – begonnen uit te dragen. Ze realiseerden zich vrijwel direct: ‘Dit is mijn stam.’
Gezamenlijk hebben zij, constateren ze nu in het sjiek uitgevoerde Blitzed!: The 80’s Blitz Kids Story (90 min.), ook het pad geëffend voor mannen en vrouwen die zich buiten de voor hun gender en geslacht gebaande paden wilden wagen. Van outcast kon je wel degelijk incrowd worden. En tussendoor kwam – om de cirkel helemaal rond te maken – zowaar hun grote inspirator Bowie nog op bezoek in de glamoureuze club van het illustere duo Rusty Egan en Steve Strange. Hij vroeg enkele sleutelfiguren uit de scene bovendien om de videoclip voor zijn hitsingle Ashes To Ashes op te fleuren.
Dat is een mooi verhaal uit de oude doos, waaruit ook de ‘new romantics’ tegenwoordig met liefde en plezier putten. Ze zijn natuurlijk allang ‘old romantics’ geworden. Bevangen door de nostalgie over hun jeugd die ons allemaal ooit overvalt.
Als je toevallig aardig tegen een bal kunt slaan, een jonge vrouw bent en van Aziatische afkomst, dan word je geacht om je te gedragen als rolmodel, ligt er gigantische druk op elke wedstrijd die je speelt en maken ze je ook nog eens wijs dat je een stijlicoon bent. De tennisser Naomi Osaka moet zich, kortom, ontwikkelen tot het merk Naomi Osaka (111 min.). En tussendoor gewoon aardig tegen een bal blijven slaan.
Dat is lastig genoeg. Osaka’s eerste successen worden gevolgd door smadelijke nederlagen en elementaire twijfel. Na een kansloos verlies tijdens de Australian Open van 2020 tegen de vijftienjarige Coco Gauff, die ze eerder nog van de baan had geveegd en daarna publiekelijk getroost, loopt Osaka bijvoorbeeld met haar ziel onder haar arm door het holst van de nacht. ‘Ik wandel maar, want slapen kan ik niet’, vertelt ze in deze driedelige serie van Garrett Bradley (Time) aan haar eigen smartphone. ‘En dan word ik gek. Want slapen zit er echt niet in.’
Als vlak daarna haar mentor, oud-topbasketballer Kobe Bryant, omkomt bij een helikoptercrash, stevent Naomi Osaka in dit serene portret af op een soort catharsis. Wie is zij eigenlijk, als dochter van een Japanse vrouw en een zwarte Haïtiaanse vader? Japans of Amerikaans? Aziatisch of zwart? En: een ster die netjes binnen de lijnen kleurt of toch een jonge vrouw die zich uit durft te spreken over de wereld om haar heen? ‘Wat ben ik als ik geen goede tennisser ben?’, heeft de jonge topsporter, die zich kwetsbaar durft op te stellen voor Bradleys camera, zich eerder al afgevraagd.
De dood van George Floyd fungeert uiteindelijk als vliegwiel in deze gestileerde productie: Osaka zegt een belangrijke wedstrijd af om te kunnen deelnemen aan een Black Lives Matters-demonstratie en begint bij de US Open van 2020 bovendien mondkapjes met de namen van zwarte slachtoffers te dragen: Breonna Taylor, Elijah McClain, Ahmaud Arbery, Trayvon Martin… Ze heeft er zeven: genoeg voor elke ronde, inclusief de finale. Waarna Naomi Osaka in de laatste akte van de vertelling – zoals dat gaat in dit soort moderne heldenfilms – natuurlijk ook weer aardig tegen een bal begint te slaan.
‘Kijk, als ze me zouden vermoorden en ik m’n beroemde laatste woorden kon zeggen‘, vertelt Manuel Buendía op een geluidsopname, ‘zou ik alleen zeggen: ik heb het verdiend.’
In zijn columns nam de Mexicaanse journalist nooit een blad voor de mond. In felle bewoordingen kaartte hij misstanden of corruptie aan. Het leverde hem talloze vijanden op, ook bij Mexico’s drugskartels. Dat kon niet goed aflopen. En dat deed het ook niet. Op woensdag 30 mei 1984 werd Buendía geliquideerd, toen hij op weg was naar zijn auto. Zijn dood veroorzaakte een schokgolf in het Midden-Amerikaanse land, dat één van zijn meest kritische stemmen verloor.
In Red Privada: Quién Mató A Manuel Buendía? (100 min.) onderzoekt documentairemaker Manuel Alcala de geruchtmakende moord, die onvermijdelijk vergelijkingen oproept met de aanslag op de Nederlandse misdaadjournalist Peter R. de Vries. Waar die liquidatie waarschijnlijk puur op het conto van de georganiseerde misdaad kan worden geschreven, leken onder- en bovenwereld in het Mexico van Buendía helemaal met elkaar verweven.
Vrienden, collega’s, politieagenten en medewerkers van inlichtingendiensten leggen bijvoorbeeld het verband met de gewelddadige dood van Kiki Camarena, een undercoveragent van de Amerikaanse Drugs Enforcement Administration (die ook in de televisieserie Narcos Mexico een prominente rol speelde). Wat was Buendía op het spoor gekomen, dat hem uiteindelijk op vier laffe kogels in zijn rug kwam te staan? En wie zag in de journalist een bedreiging of wilde via hem juist publiekelijk zijn barbaarse punt maken?
Na die gruwelijke daad klinken in deze degelijke documentaire, met veel pratende hoofden en scherpe citaten uit Buendía’s columns, woorden die inmiddels vertrouwd aandoen. ‘Het was een misdaad tegen heel Mexico, het was niet alleen gericht tegen één man, meent een geschokte man. ‘Maar de ideeën, vrijheid en waarheid zullen blijven bestaan, ongeacht of ze dappere mannen zoals Manuel Buendía vermoorden.’
Je kunt het ook hem bijna horen zeggen: on bended knee is no way to be free.
Als documentairemaker kun je proberen om de waarheid te vinden. Een waarheid, in elk geval. Of: jouw waarheid. Je kunt de werkelijkheid ook gebruik om een verhaal te vertellen. Dat luistert nauw: als je te ver gaat, delft juist datgene het onderspit waaraan documentaires doorgaans hun meerwaarde ontlenen: de verbinding met de werkelijkheid. Dat de vertelling die zich zojuist voor je ogen heeft afgespeeld niet zomaar is ontsproten uit het op hol gelagen brein van een scenarioschrijver uit Hollywood, maar is geworteld in het echte leven en daar ook iets over probeert te zeggen.
Bij de zesdelige docuserie Heist (257 min.) staat juist dit uitgangspunt – je kunt dat natuurlijk ook gewoon geloofwaardigheid noemen – vanaf het allereerste begin onder druk. En niet eens doordat de serie echt een aanzienlijke hoeveelheid gedramatiseerde scènes met acteurs bevat. Het is vooral de lollige ‘tone of voice’. Die doet denken aan de misdaadkomedie The Legend Of Cocaine Island en komt in de eerste twee afleveringen met name van het hoofdpersonage Heather Tallchief. Ze is er eens goed voor gaan zitten om de hoofdrol te spelen in een Hollywood-versie van haar eigen wilde jonge jaren.
Tollchiefs signatuurverhaal – 21-jarige babe en oudere beroepscrimineel gaan er na een overval op een geldtransport vandoor met drie miljoen dollar – krijgt daarmee een plastic randje. Natuurlijk, zij was een femme fatale waarvoor elke vent door zijn knieën ging. Roberto Solis bleek niets minder dan een veroordeelde moordenaar, die zichzelf bovendien in Folsom Prison had heruitgevonden als de schrijver Pancho Aguila. En hun gezamenlijke misdaad was een huzarenstukje dat natuurlijk wordt opgezadeld met de term ‘perfecte misdaad’. Het duurt niet lang voordat Tallchief zelf de onvermijdelijke vergelijking maakt: Bonnie & Clyde.
In de andere twee sterke kraakverhalen die worden opgedist in Heist – over een vliegveldoverval door een klunzige Latijnse variant op The Sopranos en de diefstal van een lading bourbon in Kentucky – speelt die behoefte om de waarheid op te leuken en van kleine krabbelaars karikaturale helden en schurken te maken al even nadrukkelijk op. Die zit echte identificatie met de gebeurtenissen alleen in de weg. Heist wordt een soort real life-versie van kassuccessen als Ocean’s Eleven, Jackie Brown of The Usual Suspects. Waarbij de werkelijkheid – ondanks de vlotte montage, kekke muziekjes en opzichtige pogingen tot humor – het dan toch aflegt tegen de echte Hollywood-versie ervan.
Al blijkt echt, zeker als het gaat om Heather Tallchief, ook nog een relatief begrip.