I, Sniper

Vice

‘Je hebt het gevoel dat je de families in de steek hebt gelaten.’ Steve Bailey veegt zijn tranen weg. De Amerikaanse agent heeft destijds de auto van het tweetal, met de spotter achter het stuur en zijn scherpschutter in de achterbak, staande gehouden, maar had niet door wie hij voor zich had. Uiteindelijk liet hij ze toch weer verder rijden. ‘We hadden ze’, constateert Bailey geëmotioneerd. ‘Mijn fout.’

De volstrekte willekeur van de moorden maakte het een stuk lastiger om hen in de kraag te grijpen. Natuurlijk, ze hadden een motief. Vooral hij, de 41-jarige Golfoorlog-veteraan John Muhammad. Lee Malvo, de Jamaicaanse tiener die daadwerkelijk de trekker overhaalde, was niet meer dan een werktuig. De dodelijke slachtoffers die ze samen maakten hadden feitelijk maar één ding gemeen: ze waren op het verkeerde moment op de verkeerde plek.

In het najaar van 2002, ruim een jaar na de aanslagen van 11 september 2001 en enkele maanden voor de Amerikaanse inval in Irak, begon het duivelse duo aan zijn beulswerk. Ze zouden uiteindelijk een hele serie dodelijke slachtoffers maken in de omgeving van Washington. Gewone, volstrekt onschuldige mensen. Op laffe wijze afgemaakt. Tankend bij het benzinestation. Zittend voor hun eigen huis. Of rustig het gras maaiend. Vermoord omdat Muhammad zijn woede op de wereld moest koelen en de outcast Malvo als was in diens handen was.

Vanuit de Red Onion State Prison te Virginia doet die laatste nu, via gesprekken met de gevangenistelefoon van maximaal een kwartier, zijn relaas in I, Sniper (308 min.). Daartegenover staan de huiveringwekkende verhalen van overlevenden, nabestaanden en politiemensen die jacht op hen maakten. De filmmakers, onder leiding van regisseur Ursula Macfarlane, hebben zich bovendien toegang verschaft tot ex-geliefden, familieleden en vrienden van het moordduo. Zij kunnen van binnenuit hun totale ontsporing duiden.

Deze achtdelige documentaireserie schetst hoe de terreurcampagne van Muhammad en Malvo huishoudt in de betrokken gemeenschap. Er ontstaat bijvoorbeeld een massale klopjacht op een man uit het Midden-Oosten en een kleine witte truck, terwijl de verdachten in werkelijkheid zwart waren en rondreden in een donkere Chevrolet Caprice. Schietend, welteverstaan. Alsof ze op een militaire missie waren. Maar tegen wie of wat? En hoe zijn ze gekomen tot hun ogenschijnlijk willekeurige wraakactie? Is er een levenspad denkbaar dat op een logische manier naar dit soort blinde woede leidt?

I, Sniper is groots aangepakt, dramatisch getoonzet en meeslepend gemonteerd. Een tragische geschiedenis die zich stap voor stap ontvouwt, steeds spannender wordt en onderweg ook aan diepte en betekenis wint. Totdat het drama in zijn volledige omvang zichtbaar is geworden. Geen gemakzuchtige trashy true crime dus, maar een gelaagd psychologisch portret van een jeugdige scherpschutter, diens getormenteerde leermeester en de wereld die zij ongenadig opschudden, met talloze verwoeste levens tot gevolg. Een vrijwel vergeten schokgolf die een kleine twintig jaar later hier en daar nog altijd nadreunt.

Voor Jou Wil Ik Zijn

Human

Waarschijnlijk stond altijd al vast dat zij als zus ooit aan zet zou komen. Nu de ouders van Janine Kwinkelenberg-Barlo een respectabele leeftijd hebben bereikt en met gezondheidsproblemen kampen, dragen ze de zorg voor haar broer inderdaad langzamerhand over aan haar. Samen met haar echtgenoot Remco en jongere zus Annette, bekend als actrice en presentatrice, wordt Janine belangenbehartiger en mantelzorger voor Albert-Jan. Hij heeft een ernstige verstandelijke beperking.

Janine’s inmiddels 51-jarige broer functioneert en communiceert op een heel basaal niveau. Hij ziet en hoort slecht. En praten kan hij niet. Als iets Albert-Jan niet zint, bijvoorbeeld als hij een chirurgische ingreep moet ondergaan of één van zijn verplichte bezoeken aan de pedicure brengt, verzet hij zich daar met hand en tand tegen of laat hij met geluiden merken hoe hij erover denkt. Voor buitenstaanders staat daar op het eerste oog weinig tegenover: een kus misschien, als zijn pet ernaar staat en zij er bovendien nadrukkelijk om hebben gevraagd.

Toch spreekt uit alles wat Janine en haar zus in Voor Jou Wil Ik Zijn (52 min.) doen of zeggen een volstrekt vanzelfsprekende liefde naar hun broer. Dat is mooi om te zien. Het maakt hen tegelijk ook kwetsbaar. Zeker als de instelling waar Albert-Jan verblijft vanwege het Coronavirus de deuren sluit voor familieleden. Janine en Annette staan tijdelijk aan de zijlijn, terwijl hun oudere broer zichzelf moet zien te redden. En dat gaat hem uiteindelijk heel behoorlijk af. Misschien wel beter dan het hen vergaat zonder hem, dat hulpbehoevende familielid.

Marinka de Jongh, de regisseur van deze observerende documentaire, groeide zelf op te midden van mensen met een verstandelijke beperking, in het Thomashuis te Lochem dat werd gerund door haar ouders. Daar kwam ze ook in aanraking met de mantelzorgers van hun cliënten. Eerst waren dat natuurlijk vooral de ouders, daarna volgden als vanzelfsprekend broers en zussen. Gaandeweg groeide haar respect voor deze mensen die zich volledig (moeten) wegcijferen voor een familielid. Die waardering heeft nu zijn weg gevonden naar haar eerste lange documentaire.

Voor Jou Wil Ik Zijn is een heel intieme film geworden over loyaliteit, trouw en – dat ook – loslaten. De Jongh kijkt van dichtbij mee hoe Janine en haar verwanten Albert-Jan, soms tegen zijn wil, begeleiden bij de dagelijkse dingen van zijn kleine leven. De documentairemaakster kadert dit subtiel in met een monologue intérieur van Janine, die Albert-Jans rol en positie in haar eigen bestaan beschrijft. Het resultaat is even hartverwarmend als aangrijpend. Een fraai eerbetoon aan oprechte, onbaatzuchtige en onvoorwaardelijke naastenliefde.

The Sparks Brothers

allsparks.com

De stem van de één – vaak ergens tussen lyrisch en hysterisch – werkt bij menigeen gigantisch op de zenuwen. De aanblik van de ander – ondoorgrondelijk gezicht, met Hitler/Charlie Chaplin-snor – kan voor echt ongemak zorgen. Samen vormen de Amerikaanse broers Russell en Ron Mael al ruim een halve eeuw de band Sparks. Ze begonnen met een soort over the top-glamrock, plaveiden daarna de weg voor Kraftwerks elektromuziek, snoepten even van punk, inspireerden de synthpop van de eighties, verloren zich in disco, sloten aan bij dance, probeerden uit hoe Queen in het kwadraat zou klinken en versmolten even letterlijk met Franz Ferdinand. Enzovoorts.

Altijd in beweging. Excentriek. Filmisch. Potsierlijk. Hyperactief. Grappig. Excessief. Creatief. Provocerend. Grillig. Bloedirritant. Net als deze voluptueuze documentaire van Edgar WrightThe Spark Brothers (141 min.), waarin de complete carrière van de gebroeders wordt doorlopen met de freaks zelf, hun voormalige bandleden, medewerkers, fans en een hele stoet hele en halve beroemdheden die gezamenlijk zo’n beetje de complete Sparks-invloedssfeer belichamen: comedian Mike Myers, presentator Jonathan Ross, producer Giorgio Moroder, lolbroek Weird Al Yankovic, supergroupie Pamela des Barres en schrijver Neil Gaiman.

En natuurlijk ontbreken de acts die op de één of andere verwrongen manier schatplichtig zijn aan de flamboyante frontman/mooibooi Russell en sociaal onhandige songschrijver Ron ook niet. Beck en leden van New Order, Sex Pistols, Erasure, Franz Ferdinand, Faith No More, Human League, Red Hot Chili Peppers, Heaven 17, Suede, The Go-Go’s, Sonic Youth en Duran Duran bewijzen het volstrekt eigenzinnige duo alle eer. De documentaire is met bijna tweeënhalf uur speeltijd al net zo overdadig als de gastenlijst en eclectisch van opzet bovendien: een bijzonder vermakelijke potpourri van videoclips, animatie, filmfragmenten, beeldgrapjes, concertbeelden en al wat ze verder nog konden bedenken.

Daarvan kun je zeggen: het had allemaal wel een tandje minder gekund, maar dan zou deze film eigenlijk geen recht hebben gedaan aan Sparks, een muzikale exploratie van zowat alle uithoeken van de popmuziek. Waarin spot en zelfspot gelukkig nooit hebben ontbroken. In die categorie behoren vast ook de weetjes, stuk voor stuk ‘honderd procent waar’, waarop de gebroeders hun publiek nog vergasten tijdens de aftiteling. ‘Russell heeft als anonieme stemacteur aan meegewerkt aan 27 animatiefilms uit Hollywood’, beweert Ron. ’26 Dagen voor elke tour begint Ron aan het alfabet-dieet’, stelt Russell op zijn beurt. ‘Hij eet dan gerechten op alfabetische volgorde. Van avocado op de eerste dag tot zucchini op de laatste.‘ Waarvan akte.

Ella Fitzgerald: Just One Of Those Things

‘Ooit zal ik beroemd zijn’, zei Ella Fitzgerald (1917-1996) tegen een schoolvriendin. En omdat ze dat inderdaad werd, als gevierd jazzzangeres, heeft de uitspraak nu zijn weg gevonden naar het portret Ella Fitzgerald: Just One Of Those Things (71 min.). Dat succes lag niet voor de hand, zo wordt ook meteen duidelijk: Ella groeide op in armoede, kreeg dagelijks te maken met racisme en verloor op haar dertiende haar moeder. Vanuit een heropvoedingsgesticht, waar ze te boek stond als ‘onhandelbaar’, zou ze toch nog uitgroeien tot een icoon van de Amerikaanse muziek.

Deze gedegen documentaire van Leslie Woodhead loopt met Ella’s zoon Ray, haar muzikanten en enkele biografen consciëntieus door Fitzgeralds leven en carrière. Collega’s en navolgers als Tony Bennett, Smokey Robinson en Jamie Cullum doen ook nog een duit in het zakje. In de film is verder lekker veel ruimte voor concertbeelden van de geboren zangeres. Ella kon met haar stem improviseren als de allerbeste bebopper. Als ze dat niet gewoon zelf was.

Dat betekende niet dat ze ook overal welkom was. In het gesegregeerde Amerika kon een zwarte zangeres toentertijd echt nog niet overal optreden. Soms moest Marilyn Monroe er zelfs aan te pas komen om ervoor te zorgen dat Ella haar natuurlijke habitat, het podium, mocht betreden. Uiteindelijk voelde ze toch de noodzaak om zich daarover in het openbaar uit te spreken. ‘Zouden ze mijn platen nu kapotmaken?’ voegde ze er, met de nodige zelfspot, tijdens het interview aan toe. 

Zover zou ‘t – vanwege bot geluk, of toch stomme pech? – nooit komen. Ella Fitzgerald kon gewoon tot het eind doorgaan met wat ze altijd had gedaan: zó gemakkelijk zingen, puur op talent, dat iedereen binnen de kortste keren helemaal overstag ging.

Dark Rider

Cinema Delicatessen

‘Gaan, gaan, gaan…’, brult Kevin Magee naar zijn maat Ben Felten. ‘Links.’
‘Gaan, gaan, gaan. Gaan, gaan, gaan. Links.
Gaan, gaan. Rechts. Rechts.
Links. Rechts. Rechts.
Rechts. Rechts.
Links. Links. Links.
Afbreken. Afbreken. Afbreken.’

Na afloop van een rit over een uitgestrekte zoutvlakte in Zuid-Australië constateert motorrijder Ben Felten met z’n begeleidingsteam dat hij overcompenseerde: hij maakte van Magee’s kleine links of rechts een grote. Dat schiet niet op. Samen met de oud-topcoureur moet Felten ervoor zorgen dat hij vasthoudt aan zijn lijn. Zigzaggen of zwabberen zou wel eens tot gevaarlijke situaties kunnen leiden en brengt hem sowieso niet bij de beoogde topsnelheid.

Net als andere deelnemers aan de Speed Week rijdt Felten puur op gevoel. Hij heeft alleen geen ogen om op koers te blijven. De 51-jarige Australiër heeft een degeneratieve oogziekte. Hij is sinds zijn 37e volledig blind. Samen met zijn boezemvriend ‘Magoo’, een voormalig Grand Prix-kampioen, wil hij het Guinness Book Of Records halen, als snelste blinde ter wereld. Daarvoor zal hij ruim 260 kilometer per uur moeten racen. Onder het motto: go fast or go home.

Dark Rider (93 min.) speelt zich af tegen een weergaloos decor, dat door cameraman Carl Rottiers is vervat in zinnenprikkelende panoramabeelden. Samen met point of view-shots vanaf de motor maken die Feltens queeste tot een belevenis. Tegelijkertijd komt deze documentaire van de Vlaamse filmmaakster (en motorrijdster) Eva Küpper ook héél dichtbij haar protagonist en diens boezemvriend. Zo wordt de film behalve enerverend en oogstrelend ook echt ontroerend.

Küpper introduceert tevens de dertienjarige Jed. Hij heeft eveneens een oogziekte en vraagt zich af hoe een leven met verminderd of zelfs zonder zicht eruit zal zien. Met zijn Kawasaki – nummerplaat: Blind1 – fungeert Ben Felten als rolmodel voor hem. Hij inspireert de jongen om zelf ook een motorfiets te bestijgen en, blind vertrouwend op zijn directe omgeving, het gaspedaal in te trappen. Net als Ben en ‘Magoo’ onderweg naar nieuwe stippen op de horizon.

Deze prachtige film is dan allang het niveau van de gemiddelde sportdocu ontstegen. Dark Rider is niets minder dan een ode aan het leven van mannenmannen, het aangaan van de uitdagingen die dat met zich meebrengt en de loyale vriendschap – veel smalltalk, stekelige grapjes en zo nu en dan een houterige knuffel – waarmee ze tegenslagen het hoofd proberen te bieden. En soms pinkt er iemand, stiekem, even een traantje weg.

Elize Matsunaga: Era Uma Vez Um Crime

Netflix

Ze heeft haar echtgenoot doodgeschoten en daarna zijn lichaam in stukken gesneden. En daarover geeft Elize Matsunaga, als ze na jaren in de gevangenis een weekje verlof krijgt, voor het eerst een interview. Maakt ze eindelijk schoon schip? Of trekt ze – opnieuw, volgens critici – een geraffineerd rookgordijn op?

Een buitenechtelijke affaire had Marcos Matsunaga, de puissant rijke erfgenaam van het Braziliaanse voedselbedrijf Yoki, volgens haar in 2012 de kop gekost. Die leidde tot een echtelijke twist en een moment van totale verstandsverbijstering – of, afhankelijk van je gezichtspunt, doodenge koelbloedigheid. Niet veel later was Elize weduwe én schathemeltjerijk.

De vierdelige serie Elize Matsunaga: Era Uma Vez Um Crime (197 min.) richt zich niet op óf de bedrogen echtgenote/sluwe golddigger Marcos heeft gedood, maar op de situatie waarbinnen dat gebeurde en de achtergronden van haar duizelingwekkende daad. In dat kader doorloopt regisseur Eliza Capai stapsgewijs de fatale avond en maakt van daaruit uitstapjes naar haar jeugd, de aanloop naar de moord en de gebeurtenissen die daarop volgden.

Echt enerverend wordt dat nooit. Daarvoor is de vertelling te stroperig. Natuurlijk probeert ook deze true crime-serie met verhaalwendingen en cliffhangers de aandacht vast te houden. In wezen wordt het centrale drama echter al in de allereerste minuten geïntroduceerd en volgen er naderhand vooral dwaalsporen en pogingen om de misdaad van Elize Matsunaga begrijpelijk en invoelbaar te maken. Geen wereldschokkende ontwikkelingen die de zaak uiteindelijk écht op zijn kop zetten.

En voor een karakterschets van een getroebleerde vrouw lijkt de serie soms wel heel nadrukkelijk aan te sturen op een soort rehabilitatie van de veroordeelde moordenares, die ernaar snakt om haar dochter weer te zien. Zeker aan het eind ligt dat er wel erg dik bovenop.

Hoogtijdagen – Portret Van Een Gehavend Gebied

Mokum

Zo’n beetje elk afzonderlijk shot van deze documentaire zou op een ansichtkaart kunnen. Verstuurd vanuit het verre Kola, een schiereiland in het Noordwesten van Rusland. Gelegen in de Poolcirkel. Waar de Sovjet-Unie ooit grootse verwachtingen losmaakte. Over bodemschatten die voor mijnbouw, werkgelegenheid en welvaart zouden gaan zorgen.

Utopia werd gaandeweg echter een Russische variant op Nergenshuizen. Tegenwoordig reppen ze er vooral over verloren tijden. Vergane glorie. En het rijk dat ten onder ging met de filosofie waarop die was gegrondvest: het communisme. Het is een plek geworden van opgepoetste herinneringen, geknakte ambities en – als je meer wilt van het leven – het verlangen om er zo snel mogelijk weg te gaan. Nú, als het kan.

Regisseur Ben van Lieshout vangt de desolate atmosfeer met een film die oogt als een serie bewegende foto’s, waarbij de camera zich nauwelijks verroert en slechts een heel enkele keer rugdekking krijgt van muziek. Hoogtijdagen – Portret Van Een Gehavend Gebied (90 min.) is doortrokken van de scheefgetrokken huizen, verouderde industrie, doodgeslagen leuzen, afgebladderde gebouwen, bergen afval en standbeelden van Sovjet-helden die hun fierheid allang zijn verloren.

Hier en daar lopen of rijden er nog wat verdwaalde Russen door het beeld. Zij slijten hun (laatste) levensdagen in deze sombere uithoek van de aarde, waarin de filmmaker een soort onttakelde schoonheid heeft ontdekt. Onderkoeld vertellen deze achterblijvers over hoe de wereld om hen heen is veranderd en gaandeweg ook hen van hun dromen heeft beroofd. Hoopvol werd onverbiddelijk melancholiek.

Kalm en trefzeker schetst Van Lieshout via Kola en z’n bevolking de opkomst en ondergang van het Russische communisme. Dat is geen meeslepende vertelling geworden – soms een beetje traag en saai zelfs – maar veeleer een soort wrakkenmuseum. Voor een wereld die inmiddels een glorieuze toekomst achter zich heeft liggen.

Oliver Sacks – His Own Life

Periscoop

Hij heeft nog enkele maanden te leven, hooguit een jaar, als Oliver Sacks in 2015 het manuscript voor zijn laatste boek On The Move inlevert. De autobiografie is een soort testament van de geboren verteller, een man die ieders verhaal kan vertellen. Alleen over zijn eigen leven is hij altijd erg terughoudend gebleven. Over zijn homoseksualiteit heeft hij bijvoorbeeld lange tijd zorgvuldig gezwegen. In de verfilming van zijn boek Awakenings, gebaseerd op Sacks’ ervaringen in 1969 met catatone psychiatrische patiënten in het Beth Abraham Hospital in de Bronx, bouwt de hoofdpersoon dan ook doodleuk een zwak op voor één van de verpleegsters.

De aaibare versie van Sacks die acteur Robin Williams in deze prachtige speelfilm tot leven wekt kan ook met geen mogelijkheid in verband worden gebracht met bodybuilding, gewichtheffen, motorrijden, amfetaminen en zelfdestructief gedrag. Toch waren dat centrale elementen in het leven van de jonge Oliver Sacks, die in 1966 in behandeling ging bij een psychotherapeut en dat de rest van zijn leven zou blijven. Hij, de man die zich in iedereen kon inleven, was in werkelijkheid een echte buitenstaander, die zijn hele leven naar liefde en erkenning zocht.

Die andere kant van de vermaarde schrijver/neuroloog is wel prominent aanwezig in deze hele fijne biografie van Ric BurnsOliver Sacks: His Own Life (94 min.) zoomt natuurlijk ook in op de opzienbarende gebeurtenissen in dat New Yorkse ziekenhuis, waar patiënten die decennialang alleen hadden gevegeteerd onder invloed van het speciale medicijn L-dopa plotseling ontwaakten uit hun volledige lethargie – en daarna overigens vaak weer een permanente terugval doormaakten. Het boek Awakenings (1973) werd in eerste instantie lauw ontvangen door veel collega’s. Deze man maakt het allemaal veel mooier dan het was, luidde de kritiek. Zijn schrijfsels waren met geen mogelijkheid wetenschappelijk verantwoord te noemen. Het boek zou dan ook pas veel later, via de film, alsnog z’n weg naar het grote publiek vinden.

Burns laat Sacks uitgebreid aan het woord, maar legt zijn oor ook te luister bij de man die zijn leven op latere leeftijd alsnog met een grote liefde verrijkte, een paar intieme vrienden, ‘s mans vaste redacteur en enkele vooraanstaande vakgenoten, zoals Temple Grandin en Atul Gawande. Gezamenlijk schetsen ze een hartveroverend portret van de man die de wetenschap van het hoofd naar het hart van de gewone man en vrouw wist te brengen – en zo de verpersoonlijking werd van het adagio dat je de mens moet behandelen, in plaats van zijn ziekte. Dat kan alleen eindigen met het diep ontroerende essay, My Own Life, waarmee Oliver Sacks definitief afscheid nam van de wereld.

Gewoon een mens, natuurlijk. Wel een buitengewoon mens.

The School That Tried To End Racism

Channel 4

‘Dit is gewoon niet eerlijk’, constateert de elfjarige Farrah verontwaardigd.

‘Farrah, niemand hier is wit’, antwoordt haar klasgenoot Makhai, terwijl hij geïrriteerd om zich heen kijkt. ‘Het is niet eerlijk.’

De kinderen participeren met hun klas deel in een experiment over latent racisme. Straks gaan ze aan een hardloopwedstrijd meedoen. Van tevoren wordt ieders startpositie bepaald. Dat gebeurt aan de hand van stellingen. Laatste: als je ouders je ooit voor racisme hebben gewaarschuwd, zet je een stap terug.

Inmiddels staan alle zwarte en gekleurde kinderen achteraan, inclusief Farrah en Makhai. Zij hebben nu al een onoverkomelijke achterstand opgelopen ten opzichte van de witte kinderen. ‘Als we nu gaan lopen is dit dan een eerlijk beginpunt voor iedereen?’ vraagt de gymjuf van dienst. ‘Nee!’ roept Farrah. Makhai vult aan: ‘Ik ben een beetje gefrustreerd dat de samenleving niet eerlijk is.’

En dat is natuurlijk precies wat The School That Tried To End Racism (91 min.) wil aantonen – en liefst ook nog hoe dat kan worden veranderd. In deze interessante tweedelige tv-docu van Rachel Dupuy en David Harris wordt de brugklas van de Glenthorne High School in Zuid-Londen gevolgd. Die gaat deelnemen aan een sociaal experiment van drie weken rond onbewust racisme. De klas vormt een ideale onderzoeksgroep: de helft van de leerlingen is zwart of gekleurd, de rest van de kinderen is dat niet.

De 24 elfjarigen laten zich onderwerpen aan een toets over vooroordelen, participeren in affiniteitsgroepen en krijgen volstrekt willekeurig privileges toebedeeld (of juist niet). Daarnaast trekken ze de wijde wereld in, op zoek naar wat het daar betekent om zwart of wit te zijn. Dit proces wordt gadegeslagen en becommentarieerd door twee deskundigen op het gebied van onbewuste rassenvooroordelen, een zwarte en een witte vrouw. Zij willen weten welk effect het project heeft. En: zou het ook een bijdrage kunnen leveren aan een meer inclusieve samenleving?

Na afloop van de hardloopwedstrijd is er in elk geval nauwelijks blijdschap bij de winnaars. Wat stelt die overwinning voor als je weet dat een groot deel van de concurrentie al bij voorbaat op achterstand is gezet?

Trumbull Land

De sciencefiction-klassiekers 2001: A Space Odyssey, Close Encounters Of The Third Kind en Blade Runner worden toegeschreven aan respectievelijk Stanley Kubrick, Steven Spielberg en Ridley Scott. Deze filmgrootheden hadden hun huzarenstukjes echter nooit kunnen uithalen zonder die ene special effectsman: Douglas Trumbull. Hij zorgde ervoor dat hun opzienbarende visie op de toekomst kon worden verwerkelijkt. En dan heeft hij Star Wars nog laten schieten.

In zijn eigen Trumbull Land (49 min.) te Berkshire, waar hij met zijn team werkt aan de nieuwe film Light Ship, blikt de gedreven Amerikaan terug op zijn carrière. Zo vertelt hij bijvoorbeeld over een screening van Blade Runner voor de schrijver ervan, Philip K. Dick. ‘Hij was helemaal overdonderd dat het ons was gelukt om in zijn hoofd te komen en dat wij het precies zo op film hadden gekregen als hij ‘t voor zich had gezien’, vertelt Trumbull aan een collega die op bezoek is, Gene Kozicki. ‘En dat is het grootste compliment dat je kunt krijgen.’

Toch voelde Douglas Trumbull zich niet altijd begrepen in Hollywood, vertelt hij in deze sfeervolle film van Grégory Wallet uit 2018. Hij was niet alleen ‘die special effects-man’, maar regisseerde zelf ook films (Silent Running) en probeerde met technische vondsten bovendien het medium film grondig te vernieuwen. En dan was er nog Trumbulls grootste trauma: zijn tweede speelfilm Brainstorm, die na een tragisch bootongeluk zonder hoofdrolspeelster Natalie Wood moest worden afgerond.

Deze film wordt zo een passend eerbetoon aan een ‘unsung hero’ van de sciencefictionfilm, die met zijn werk een essentiële rol heeft gespeeld in hoe wij – letterlijk! – naar de toekomst kijken.

Paolo Conte: Via Con Me (It’s Wonderful)

Piece Of Magic

Dit is één grote lofzang. Op de Italiaanse bromsnor Paolo Conte. De man achter wereldwijde hits als Via Con Me, Gli Impermeabili en Max. Hij schrijft nu al ruim zestig jaar liedjes. Sinds de jaren zeventig vertolkt hij ze ook zelf. Met die sonore stem, gezeten achter een vleugel en meestal in de rug gedekt door een excellerend orkest. Conte zingt dan zoals hij eruit ziet: een gesoigneerde heer, oorspronkelijk advocaat van beroep, mijmerend of somberend over het leven.

Via talloze concertfragmenten krijgt hij in de hagiografie Paolo Conte: Via Con Me (It’s Wonderful) (100 min.) ook alle ruimte om te zingen. Tussendoor is Conte, pratend over z’n songs en carrière, zijn eigen peinzende zelf. En geeft regisseur Giorgio Verdelli allerlei Italiaanse vakbroeders en coryfeeën zoals Isabella Rossellini, Jane Birkin en Roberto Benignini de gelegenheid om al hun persoonlijke herinneringen aan hem op te dissen en een diepe greep te doen in de grabbelton met superlatieven die ze speciaal voor de gelegenheid hadden klaargezet.

In het geval van de komiek Benignini (La Vita E Bella) mondt dit uit in cabaretachtige minivoorstellingen, waarvan een enkele kijker wellicht in een permanente lachstuip zal schieten en de rest waarschijnlijk diepgevoelde wurgneigingen krijgt. De andere sprekers vliegen weliswaar minder karikaturaal uit de bocht, maar hebben in wezen dezelfde boodschap: Paolo Conte is een soort godswonder en zij voelen zich gezegend dat ze, al was het maar voor heel even, in zijn aanwezigheid mochten vertoeven.

Een mens zou van minder ongemakkelijk worden. Ruim anderhalf uur verder heeft de argeloze kijker bovendien – ondanks de overvloed aan anekdotisch bewijs – nog altijd weinig grip gekregen op het fenomeen Paolo Conto. Al zou het zomaar kunnen dat hij/zij daarna wél één van de langspelers van de charismatische jazzbrommer uit het Noord-Italiaanse stadje Asti voor de dag haalt. Want deze zoete en lange ode aan de man en zijn muziek maakt ondanks al z’n beperkingen toch een succesvol pleidooi voor zijn melancholieke oeuvre.

Hunger Ward

Abeer is zes jaar oud en weegt vijftien pond. Vijftien. Pond. Met grote ogen kijkt ze toe hoe een zuster van de Aslam-kliniek in het Noorden van Jemen een naald inbrengt in haar linkerarmpje. Het meisje gaat aan het infuus. Om te redden wat er nog te redden valt.

Even later zit ze wezenloos voor zich uit te staren, in een ruimte met allemaal vrouwen in zwarte boerka’s met net zo’n weerloos hummeltje op hun schoot. ‘Hebt u genoeg geld om haar te kunnen voeden?’ vraagt zuster Mekkia Mahdi aan Abeers vader. Het antwoord laat zich raden. ‘Lach één keer naar me’, probeert de zuster het ondervoede meisje nog een reactie te ontlokken. Abeer heeft haar echter niet meer dan een flauwe glimlach te bieden, terwijl ze met haar vader het ziekenhuis verlaat. Op weg naar een ongewisse toekomst in dat troosteloze land.

Andere kinderen verlaten de Hunger Ward (40 min.) als ze hun laatste adem al hebben uitgeblazen. De hongersnood in Jemen is alomtegenwoordig. Het leven van twee miljoen kinderen hangt aan een zijden draadje. En ook de oorlog zelf kan ze nog te pakken krijgen. Het is allemaal vervat in die blik van Abeer: de tristesse, het lijden, de totale verslagenheid. Gevangen in een vicieuze cirkel van oorlog en honger, die zo nu en dan ook van deze gestileerde, indringende en voor een Oscar genomineerde korte documentaire van Skye Fitzgerald een moedeloos makende bedoening dreigt te maken.

Bij gebrek aan licht aan het eind van de tunnel, zijn er alleen de onvermoeibare ziekenhuismedewerkers die voor licht en verlichting zorgen: Zij vertegenwoordigen de hoop tegen wil en dank. Dagelijks brengen ze dat ene, ondanks alles troostrijke, uitgangspunt in de praktijk: het redden van één mensenleven is als het redden van de complete mensheid.

Aznavour, Le Regard De Charles

Piece Of Magic

Via wat hij zag, krijgen we hem te zien. Charles Aznavour (1924-2018), chansonnier, acteur én amateurfilmer. Een paar maanden voor zijn dood leidde hij regisseur Marc di Domenico binnen in zijn heilige der heiligen: een geheime kamer, bezaaid met filmrollen. Aznavour had die hoogstpersoonlijk volgeschoten met de 16mm-camera, die hij in 1948 kreeg van zangeres Edith Piaf. De zanger zou er tot 1982 zijn leven mee filmen, met een bijzonder oog voor de wereld om hem heen én voor vrouwelijk schoon.

Het (zelf)portret Aznavour, Le Regard De Charles (75 min.) is vrijwel volledig opgebouwd uit deze privébeelden: Charles op de filmset van de anti-oorlogsfilm Un Taxi Pur Toubrouk, Charles en zijn toenmalige geliefde op een zeilboot en Charles omringd door handtekeningenjagers in een Chinese trein. Maar vooral zien we wat hij zag: vanaf het moment dat de ruim twintig jaar jongere Zweedse schone Ulla in zijn leven komt, domineert zij bijvoorbeeld een tijd lang elk frame. En verder: de plekken die hij aandeed en de mensen die hij daarbij ontmoette

Intussen vertelt hij zelf, in voice-overteksten die zijn gebaseerd op interviews en notities van Aznavour en ingesproken door acteur Romain Duris, zijn levensverhaal: telg van een familie die de Armeense genocide ontvluchtte, als zanger onder de hoede genomen door Edith Piaf, doorgebroken in het verre Amerika, comfortabel levend in de internationale jetset en toch altijd verlangend naar dat ene land dat Zij, Armeniërs van de diaspora, moesten verlaten. Want je kan een man wel van zijn geboortegrond halen, maar daarmee haal je die grond nog niet uit de man.

Gekende evergreens als La Bohème, Formidable en She begeleiden Aznavours videodagboek, dat de kijker een intieme blik gunt in zijn gedachtewereld en zielenleven. Aan het eind van de film richt hij zich rechtstreeks tot z’n publiek: ‘Ik heb deze beelden nooit teruggezien. Maar ik wist dat u ze ooit zou zien. Vandaag bent u erbij, meekijkend over mijn schouders. Er is geen scheiding meer, geen lijn meer tussen ons. Onze blikken smelten samen.’

The Return: Life After ISIS

VPRO

‘Weet jij wat de Jihad echt inhoudt?’ zegt de ene kleuter tegen de andere. ‘De Jihad is belangrijk. Als je een Jihadi bent, kan niemand je pijn doen. Je bent je eigen baas, begrijp je?’ Intussen klauteren ze samen op een geïmproviseerd klimrek in Kamp Al-Roj. ‘En als je sterft als Jihadi, ga je rechtstreeks naar het paradijs.’

De kinderen zijn zojuist met hun moeders gearriveerd in het gevangenenkamp in het Noordoosten van Syrië en zullen daar nog een aanzienlijke tijd verblijven. De vrouwen komen oorspronkelijk uit Groot-Brittannië, Canada, de Verenigde Staten, Duitsland én Nederland. In hun geboortelanden zijn deze ‘bruiden’ van de terreurbeweging Islamitische Staat echter helemaal niet meer welkom. Maar waar moeten ze dan heen? En wat willen ze, ouder en soms wijzer, eigenlijk zelf?

The Return: Life After ISIS (90 min.) portretteert de vrouwen, waaronder Hafida Haddouch en Nawal Hammoudi uit Nederland, terwijl hun leven in de pauzestand staat en er alle gelegenheid is om te reflecteren op hun jeugd in het westen, hun bekering tot de fundamentalistische Islam en hun, veelal ellendige, tijd in het kalifaat. Regisseur Alba Sotorra Clua omkleedt deze herinneringen met beelden van de oorlog tegen Islamitische Staat en propagandavideo’s van de bruten zelf.

Is het voor te stellen dat de westerse tieners – want zo oud waren ze meestal toen ze radicaliseerden – ten prooi vielen aan de perverse IS-ideologie? Of valt het deze zusters van Laura H wel degelijk aan te rekenen dat ze afreisden naar het kalifaat en daar onderdeel werden van een regime dat zich schuldig maakte aan alle mogelijke mensenrechtenschendingen? Ook al kleeft er aan hun eigen handen, omdat ze thuis voor de kinderen moesten zorgen, dan toevallig geen bloed.

‘Ik wil naar huis en niet verplicht worden om hier te zijn’, moppert de Canadese Kimberly, die beweert dat ze zelfs nog nooit een verkeersboete heeft gehad. ‘Waarom wordt me de toegang tot mijn land en kinderen ontzegd?’ Haar begeleidster, de doorgaans vergevingsgezinde Koerdische vrouwenrechtenactiviste Sevinaz Evdike, reageert fel. ‘Jij misschien niet, maar je echtgenoot misschien wel. Hij kan mijn neef vermoord hebben. Mijn buurman. Mijn leraar. Of mijn vriend.’

In kampen zoals Roj bevinden zich zo’n 64.000 vrouwen en kinderen van Islamitische Staat. Deze indringende film ontdoet hen van hun afzichtelijke IS-tronie en geeft hen weer een menselijk gezicht, zónder dat ze daarmee automatisch ook de verantwoordelijkheid voor hun eigen keuzes mogen ontlopen. Verdient Hoda Muthana, een jonge Amerikaanse vrouw die onder de noemer @UmmJihad duizenden opruiende tweets plaatste, bijvoorbeeld ook een tweede kans?

Feit is dat vrouwen zoals zij worden uitgekotst door hun vroegere omgeving, waarnaar ze nu maar al te graag zouden terugkeren. Ze zitten daardoor gevangen in een soort niemandsland tussen de droom die een nachtmerrie werd – óók voor hen – en het andere leven dat hen – vanwege begrijpelijke overwegingen – niet wordt vergund. Dat schept getuige deze krachtige en ook belangwekkende film weliswaar een band, maar lijkt tegelijkertijd ook onhoudbaar. Al is het alleen vanwege die kinderen.

I’ll Be Gone In The Dark Special Episode

HBO/Ziggo

Deze epiloog van Liz Garbus’ documentaireserie I’ll Be Gone In The Dark uit 2020 is tegelijk ook een proloog. De Special Episode (49 min.), die is geregisseerd door Elizabeth Wolff, geeft namelijk niet alleen een update over wat er sindsdien is gebeurd met de man die werd gearresteerd als de beruchte Golden State Killer, maar gaat ook terug naar het allereerste begin: het gruwelijke misdrijf waardoor de veertienjarige Michelle McNamara in 1984 helemaal in de ban raakte van het fenomeen misdaad.

Michelles alles verterende fascinatie voor true crime zette haar uiteindelijk op het spoor van de angstaanjagende verkrachter en moordenaar die in de jaren zeventig en tachtig talloze levens vernielde in Californië. Ze gaf hem een straffe bijnaam en schreef een huiveringwekkend boek, I’ll Be Gone In The Dark, dat na haar plotselinge dood in 2016 een enorme bestseller werd. En dit vormde, samen met haar eigen tragische levensgeschiedenis, dan weer de basis voor een emotioneel geladen docuserie.

Michelle McNamara zou helaas nooit de identiteit leren kennen van de killer, die zich nu als verward en hulpbehoevend voordoet in de rechtbank en zo alsnog zijn welverdiende straf hoopt te ontlopen. En de Amerikaanse schrijfster, echtgenote van komiek Patton Oswalt, zou ook nooit het onderzoek kunnen afronden naar de verkrachting van en moord op de 24-jarige Kathleen Lombardo in haar woonplaats Oak Park, die haar als tiener helemaal in zijn greep kreeg en die al die jaren onopgelost is gebleven.

Die oude lustmoord en een wellicht daarmee samenhangende gewelddadige verkrachting uit dezelfde periode wil in deze nabrander van de documentaireserie alleen maar niet echt een logische eenheid vormen met de afhandeling van de strafzaak tegen The Golden State Killer. In het universum van Michelle McNamara waren ze misschien onlosmakelijk verbonden, maar hier lijken de twee verhaallijnen vooral tot elkaar veroordeeld omdat ze afzonderlijk toch te weinig body hebben om een eigen documentaire te rechtvaardigen.

Summer Of Soul (…Or, When The Revolution Could Not Be Televised)

Voor hetzelfde geld waren niet Joe Cockers ongecontroleerde bewegingen tijdens With A Little Help From My Friends, de sarcastische anti-Vietnam slogan ‘Whoopee!, we’re all gonna die!’ van Country Joe MacDonald of Jimi Hendrix’ heerlijke aanval op The Star Spangled Banner tijdens Woodstock de popgeschiedenisboeken ingegaan, maar de weerslag van dat andere gratis festival in de zomer van 1969: het Harlem Cultural Festival in New York.

De tapes daarvan bleven echter een halve eeuw in de één of andere kelder liggen. En dus drongen de dampende performance van Nina Simone, Stevie Wonders drumsolo en het indrukwekkende eerbetoon van Jesse Jackson, Mahalia Jackson en Mavis Staples aan de net daarvoor vermoorde Martin Luther King nooit door tot het collectieve geheugen. Want, ja, alle artiesten waren zwart. En vrijwel alle 300.000 festivalgangers ook. Net als The Black Panthers, die de beveiliging verzorgden.

De prachtige festivalfilm Summer Of Soul (…Or, When The Revolution Could Not Be Televised) (117 min.) brengt een tijd tot leven, waarin een nieuw zwart bewustzijn opgeld deed, dat zich niet had laten knakken door de moorden op King, Malcolm X en de gebroeders Kennedy. Het debuut van Ahmir ‘Questlove’ Thompson, drummer van de befaamde hiphopgroep The Roots, ruimt natuurlijk veel tijd in voor optredens, maar plaatst die voortdurend binnen zijn historische, maatschappelijke en culturele context.

Met festivalgangers, artiesten die optraden in het Mount Morris Park te Harlem (Stevie Wonder, Marilyn McCoo en Billy Davis van The 5th Edition en Gladys Knight) en Afro-Amerikaanse boegbeelden zoals Jesse Jackson, Al Sharpton en Chris Rock bekijkt Questlove het fraaie beeldmateriaal dat filmmaker Hal Tulchin destijds maakte van deze glorieuze viering van de zwarte cultuur, waarin behalve voor muziek – soul, gospel, funk en jazz – ook aandacht is voor comedy en dans.

Het zijn echter vooral de vurige optredens, vastgelegd in prachtige kleuren en heerlijk klinkend, die ‘t hem doen: B.B. King, David Ruffin, Edwin Hawkins Singers, Hugh Masekela én Sly & The Family Stone. En die laatste act glorieerde toevallig ook op dat andere festival, zo’n 150 kilometer verderop, dat de historie zou ingaan als de ultieme hippiehappening. Summer Of Soul verdient eigenlijk een soortgelijke status. Als ultieme uitdrukking van het ‘Black Is Beautiful’-gevoel van de burgerrechtenbeweging. Black Woodstock, inderdaad.

Sophie: A Murder In West Cork

Netflix

Bij de ruïne van een kasteel op Three Castle Head had ze een geestverschijning. Op die idyllische plek zou een mythisch personage rondwaren dat ooit bij het nabijgelegen meer had gewoond, ‘de witte dame’. De aanblik daarvan maakte Sophie Toscan du Plantier doodsbang. Ze kende de lokale legende die erbij hoorde: als je deze vrouw hebt gezien, zal je binnen een paar uur sterven.

‘Ze werd bevangen door een diepgevoelde, onverklaarbare paniek, slechts enkele uren voordat ze op brute wijze zou worden gedood’, schreef de plaatselijke journalist Ian Bailey later in een artikel over de moord op de Française, op 23 december 1996 in het dorp Schull aan de afgelegen zuidwestkust van Ierland. Sophie werd verminkt langs een weg achtergelaten, ver weg van haar zoon en echtgenoot, de vermaarde filmproducent Daniel Toscan du Plantier, in Frankrijk.

Het onderzoek naar die spraakmakende moord staat vanzelfsprekend centraal in de driedelige true crime-serie Sophie: A Murder In West Cork (164 min.), waarin regisseur John Dower de gebeurtenissen reconstrueert met nabestaanden, de lokale bevolking en vertegenwoordigers van politie en justitie. Gaandeweg komt er ook een verdachte in beeld, die ruim 25 jaar na dato nog altijd stug vasthoudt aan zijn onschuld en zich toch goedgeluimd laat filmen en interviewen.

Deze man – een even intrigerend als complex personage – is één van de troeven van deze slim opgebouwde miniserie: is hij wie hij zegt te zijn? Of toch degene die anderen in hem zien? Hij krijgt in elk geval fijn tegenspel van de toenmalige hoofdcommissaris van de Ierse Garda, Dermot Dwyer, die ‘s mans verhalen ogenschijnlijk geamuseerd probeert te weerleggen. Ook Sophie’s familie en de inwoners van Schull blijven ervan overtuigd: deze vent is zo schuldig als wat.

Dat is een intrigerend uitgangspunt voor een boeiende vertelling, die zich bovendien afspeelt binnen een aansprekend decor: het Ierse platteland, dat zich had ontwikkeld tot een thuishaven voor ‘inwaaiers’, die er stilte, veiligheid of een ander leven hoopten te vinden. Totdat het schokkende misdrijf elk gevoel van (gemoeds)rust rigoureus verstoorde, ook bij de plaatselijke bevolking. Die moet nu al een kwart eeuw met een onopgeloste moord zien te leven. En met een man die daarvan verdacht wordt.

‘Sophie’s ingewikkelde liefdesleven’, kopte journalist Ian Bailey, die vanaf het begin bij de zaak betrokken was, twee dagen na haar dood in The Star. Ze zou volgens hem zijn gedood met een stomp voorwerp en niet seksueel zijn misbruikt.

Goede Moeders

KRO-NCRV

Ze wordt geacht om een melding te doen bij Veilig Thuis of de kinderbescherming. Want de cliënten van verloskundige Sylvia von Kospoth uit Harlingen staan te boek als ongeschikte opvoeders. Eerder werd een kind van hen uit huis geplaatst. Nu ze opnieuw zwanger zijn, soms binnen een nieuwe relatie of situatie, moet Von Kospoth dat laten noteren in het systeem, waarmee ze al zulke slechte ervaringen hebben opgebouwd.

Regisseur Jorien van Nes legt vast hoe de verloskundige zich steeds meer engageert met de ouders en vervolgens in gewetensnood komt: zij ziet vooral Goede Moeders (89 min.), die maar niet los kunnen komen van hun traumatische verleden en die bovendien ernstig worden benadeeld door de bevooroordeelde kijk en onzorgvuldige rapportages van de betrokken instellingen. Zijn ze werkelijk ‘verstandelijk beperkt’ of ‘een gevaar voor hun eigen kind’?

Von Kospoth identificeert zich met de ouders, zet haar tanden in hun zaken en treedt daarmee ogenschijnlijk ook buiten haar eigen rol en expertise. ‘Je gaat ver, hoor’, constateert een medewerker van Veilig Thuis als de verloskundige bij hen op bezoek komt. ‘Ik vind het wel ook heel mooi wat je doet, maar ik vind het ook spannend.’ Het is een subtiel geformuleerde waarschuwing en de enige keer dat een vertegenwoordiger van de ‘instanties’ aan het woord komt in deze film.

Van Nes beperkt zich tot het observeren van de verloskundige en ‘haar’ ouders. Ze stelt geen kritische vragen en haalt ook geen weerwoord bij de betrokken professionals. Daardoor wordt nooit helemaal duidelijk wat er precies met de uit huis geplaatste kinderen is voorgevallen en wat vervolgens de overwegingen van hulpverleners waren (en nog altijd zijn) om hen niet naar huis te laten terugkeren. Von Kospoths gezichtspunt wordt zo automatisch leidend.

‘Levens worden echt geruïneerd!’ fulmineert ze na een bezoek aan een ouderpaar dat in zak en as zit. ‘Echt geruïneerd!’ Zo bezien zijn de ouders in deze film niet meer dan slachtoffer van de situatie. De werkelijkheid bevat ongetwijfeld meer tinten grijs. Waarbij meteen moet worden aangetekend dat Nederland inderdaad opvallend veel kinderen uit huis plaatst. Een kwestie die door het prikkelende Goede Moeders overtuigend wordt geagendeerd.

Tegelijkertijd zou de documentaire zomaar het wantrouwen kunnen voeden naar de professionals, die impliciet de rol van onzichtbare vijand krijgen toebedeeld. De complexiteit van de situatie nodigt in elk geval uit tot een serieuze maatschappelijke discussie over waarmee kwetsbare ouders – en hun kinderen! – nu uiteindelijk het beste zijn gediend.

Goede Moeders is hier te bekijken.

Servais

‘Een film is nooit perfect’, zegt de Belgische animatiefilmer Raoul Servais. Hij legt uit hoe dat werkt in zijn hoofd: ‘Laten we zeggen dat tien procent van een film niet perfect is, maar je hebt de indruk dat negentig procent niet perfect is. Die indruk krijg ik telkens als ik mijn films afgewerkt heb.’ Die twijfel zorgde er bijvoorbeeld voor dat hij de première van zijn laatste film Tank (2015) op het filmfestival van Gent bijna had afgeblazen.

Dergelijke gevoelens drijven de inmiddels hoogbejaarde pionier van de Belgische animatiefilm ongetwijfeld nog altijd voort, maar erg veel reden is er niet voor zulke elementaire twijfel. Servais’ loopbaan, die inmiddels ruim een halve eeuw omspant, is een aaneenschakeling van loftuitingen geworden. Met Harpya won hij in 1979 bijvoorbeeld een Gouden Palm op het filmfestival van Cannes. Een jaar later werd de korte productie zelfs gekozen tot één van de beste animatiefilms aller tijden.

De aimabele Servais (60 min.) blijft in dit fraaie portret van Rudy Pinceel, dat vanzelfsprekend is doordesemd met fragmenten uit zijn imposante oeuvre en dat zijn privéleven veelal buiten beschouwing laat, evenwel de bescheidenheid zelve. Als hij een eigen vleugel krijgt aangeboden in het Muzee in zijn geboorteplaats Oostende, te midden van schilders als James Ensor en Léon Spilliaert, stelt hij zichzelf weer elementaire vragen. ‘Verdien ik dat wel? Is mijn werk sterk genoeg?’

Intussen steken collega’s en notabelen ongegeneerd de loftrompet over de peetvader van de Europese animatie, bijvoorbeeld als hij in 2018 bij z’n negentigste verjaardag wordt uitgeroepen tot ereburger van zijn stad. Hij heeft niet alleen baanbrekend werk verricht met zijn eigen films, maar stond begin jaren zestig ook aan de basis van de allereerste Europese animatieopleiding in Gent. ‘Je moet daar niet trots op zijn’, zegt hij, geheel in stijl, tegen een verslaggever van de VRT. ‘Alleen tevreden dat je het mag doen.’

Goud

NPS

Iedere kijker weet op voorhand al wat het gaat worden: Goud (105 min.). Niets meer of minder. Dit portret van het Nederlandse dameshockeyteam krijgt dus hoe dan ook een happy end. Aan het eind van het WK van 2006 in Madrid zullen beeldbepalende speelsters als Naomi van As, Minke Booij en Ellen Hoog dolgelukkig hun gouden medaille in ontvangst nemen. En van de missie van coach Marc Lammers staat van meet af aan vast dat ie gaat slagen.

Dat is geen uitdagende premisse voor een observerende documentaire. Misschien heeft Niek Koppen er zelfs wel van wakker gelegen. Toch heeft hij een boeiende film gemaakt. Want ook de weg naar de hemel is geplaveid met goede bedoelingen (en die zijn dan weer niet genoeg om succes te behalen). Onderweg moeten er steeds weer afwijkende meningen, kleine conflicten en opspelende emoties worden weggemasseerd. ‘Misschien zit dat in onze cultuur dat we allemaal moeten praten, praten met iedereen’, verzucht Lammers als hij weer eens tekst en uitleg heeft moeten geven. ‘Ik ben benieuwd of de coach van Australië, Argentinië of China ook zoveel individueel vertrouwen moet geven. We zijn een praatland.’

De hockeycoach zelf is, ondanks de twijfels die hij daarbij heeft, ook een exponent van die traditie. Hij is geen man van kadaverdiscipline of bars geschreeuwde commando’s. Eerder het type brave huisvader, dat en route ook gewoon met zijn vrouw, kinderen en konijn in de weer blijft. Kritisch, dat wel. En Lammers durft ook besluiten te nemen. Daarover probeert hij dan wel weer helder en empathisch te communiceren. Zoals dat hoort in een beschaafde sport. Met speelsters die de definitieve selectie niet halen gaat hij bijvoorbeeld persoonlijk het gesprek aan. Toch sluipt er onvermijdelijk soms onvrede in de selectie. Een coach die iedereen tevreden wil stellen wint uiteindelijk niets.

Koppen krijgt van Lammers echt toegang en kan zo van binnenuit observeren hoe hij met z’n secondanten geduldig aan het team sleutelt. Het individu moet zich daarbij ondergeschikt maken aan het collectief. Dit gaat lang niet altijd vanzelf. Soms knettert het tussen de dames, op andere momenten vinden ze elkaar juist. Met memorabele scènes tot gevolg. Als Minke Booij op haar teamgenoten foetert vanwege twee onnodige tegengoals. Of wanneer Fatima Moreiro de Melo een teamgenoot troost na een sterfgeval in de familie. En als Miek van Geenhuizen woest weg beent als ze wordt gepasseerd voor een wedstrijd.

Toch is er binnen deze vertelling uiteindelijk relatief weinig ruimte voor de individuele speelsters. Niek Koppen zet duidelijk in op het collectief en laat de afzonderlijke personen verdwijnen in het grotere geheel. Goud is dus eerst en vooral een groepsportret: van 22 ambitieuze vrouwen met een gezamenlijke droom: de eerste wereldtitel in zestien jaar. En van hun begeleidingsteam onder leiding van Marc Lammers, dat de boel bij elkaar en op koers moet zien te houden. Totdat het onvermijdelijke ‘We Are The Champions’ over het veld schalt. En minister-president Jan Peter Balkenende telefonisch zijn felicitaties heeft overgebracht.