Leaving Afghanistan

Zinc Media / VPRO

De val van Kabul op 15 augustus 2021 is in wezen twintig jaar eerder ingezet. Toen vielen Amerikaanse troepen, in de nasleep van de terroristische aanslagen van 11 september 2001, Afghanistan binnen om daar Osama bin Ladens terreurorganisatie al-Qaeda en het regime dat hen een uitvalsbasis had gegeven, de Taliban, een kopje kleiner te maken. En sindsdien is er permanent onenigheid geweest over wat het doel van de missie was en hoe dit kon worden bereikt. Totdat president Biden op 14 april 2021 verkondigde: ‘Het is tijd dat Amerika’s troepen naar huis komen.’

In de tweedelige documentaire Leaving Afghanistan (120 min.) maakt Jack MacIness de balans. Hij steekt zijn licht op bij insiders van westerse zijde, zoals de voormalige Britse premier David Cameron, Obama’s buitenlandadviseur Ben Rhodes, zijn minister van defensie Robert Gates, Trumps stafchef John Kelly, zijn nationale veiligheidsadviseur John Bolton en de Amerikaanse ambassadeur in Afghanistan Ross Wilson en spreekt tevens met de Afghaanse nationale veiligheidsadviseur Hamdullah Mohib, stafchef Matin Bek, vredesonderhandelaar Fatima Gailani en Taliban-vertegenwoordiger Suhail Shaheen.

Zij maken inzichtelijk hoe het geschipper tijdens de presidentschappen van George W. Bush en Barack Obama, waarbij dan nog vicepresident Joe Biden en minister van defensie Robert Gates vaak lijnrecht tegenover elkaar staan, ervoor zorgt dat de Verenigde Staten in de regio bekend komen te staan als een ontzettende olifant in de porseleinkast. En dan wordt zowaar de verpersoonlijking van dat beeld, Donald Trump, in 2016 gekozen tot president. Zelfs zijn eigen stafchef John Kelly is nog altijd verbaasd over hoe weinig zijn chef wist en begreep van de oorlog die aan de andere kant van de wereld werd uitgevochten.

Het ene moment wil Trump weg uit Afghanistan, dan weer geeft hij zijn troepen alle ruimte om daar naar eigen goeddunken te opereren. En als puntje bij paaltje komt doet hij het land en z’n bevolking rücksichtslos in de uitverkoop tijdens onderhandelingen met de voormalige vijand, de Taliban. Zijn opvolger Joe Biden stuurt de koers vervolgens ook niet bij en wordt daarmee verantwoordelijk voor de smadelijke aftocht van de Amerikanen, met de staart heel opzichtig tussen de benen. Ze laten een volledig ontredderd land achter, dat is overgeleverd aan oerconservatieve krachten die Afghanistan terug willen voeren naar de middeleeuwen.

Die tragische geschiedenis wordt in dit gedegen tweeluik van context voorzien door de beslissers van dienst en hun al dan niet trouwe secondanten. Hoe gewone Amerikanen en Afghanen de twintigjarige inmenging van de Verenigde Staten en hun bondgenoten in de sores van het Aziatische land hebben beleefd blijft vrijwel onbelicht. Leaving Afghanistan concentreert zich volledig op de (geo)politieke dimensies van het conflict, waarbij opvalt dat al die kopstukken van sommige zaken net zo weinig lijken te begrijpen als gewone burgers.

Amerika’s dramatische aftocht wordt gereconstrueerd in de documentaire Escape From Kabul, terwijl de vierdelige serie Afghanistan: The Wounded Land laat zien hoe het land al zo’n vijftig jaar permanent verwikkeld is in oorlog.

McEnroe

Volgens zijn tweede vrouw Patty Smyth zit hij beslist ergens op ‘het spectrum’. Zou dat misschien, dacht de leek, een verklaring kunnen zijn voor John McEnroe’s ongecontroleerde woede-uitbarstingen op de tennisbaan? Een opvallend oog voor detail, sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel en moeite om zich in een ander te verplaatsen – of het nu de opponent, een scheidsrechter of het publiek is – zou kunnen duiden op een autismespectrumstoornis. Zou. Kunnen. Het zou ook kunnen dat McEnroe (103 min.) gewoon een verwend ventje was, dat totaal niet tegen zijn verlies kon.

De ‘superbrat’, heerlijk gepersifleerd in de eightieshit Chalk Dust – The Umpire Strikes Back, meldde zich halverwege de jaren zeventig in de internationale tennistop, toen die werd gevormd door gladiatoren als Ilie Nastase, Vitas Gerulaitis en Jimmy Connors. McEnroe’s ultieme opponent zou echter de Zweed Bjorn Borg worden. De twee waren als water en vuur – de kalmte zelve versus het vleesgeworden heethoofd – en werden toch vrienden. Hun heroïsche gevechten, door beide mannen becommentarieerd, vormen ook het wild kloppende hart van Barney Douglas’s persoonlijke portret van John McEnroe.

Toen Borg al op 26-jarige leeftijd met tennispensioen ging, verloor ook zijn kameraad en rivaal een beetje de lust om te ballen. ‘Ik ben de grootste speler die ooit heeft gespeeld’, vertelt McEnroe nu over de post-Borg periode, waarin hij nochtans de onbetwiste nummer één van de wereld werd. ‘Maar waarom voelt dat dan niet bijzonder?’ Terwijl hij de successen aaneen reeg, stevende het enfant terrible onmiskenbaar af op wat hij zelf een ‘meltdown’ noemt. In de finale van Roland Garros in 1984, waarvan Douglas een kantelpunt in zijn leven maakt, speelde hij behalve tegen Ivan Lendl vooral tegen zichzelf. ‘Ik had het gevoel dat ik verdoemd was.’

En daarna zou het voorlopig alleen bergafwaarts gaan met John McEnroe, die ook nog in een slecht huwelijk met actrice Tatum O’Neal verzeild was geraakt. Als zestiger blikt hij – terzijde gestaan door zijn huidige echtgenote, broers, kinderen, dubbelspelpartner Peter Fleming, tennisicoon Billie Jean King en rock & roll-vrinden zoals Keith Richards en Chrissie Hynde (The Pretenders) – in deze geladen film diepgaand en zelfkritisch terug op deze periode, die als een catharsis heeft gewerkt. Hij is er de man door geworden die hij nu is: een perfectionist, iemand voor wie empathie lastig blijft en toch een uitgesproken familiemens.

Zo komt de mens (die de hele film – waarom eigenlijk? – door de verlaten nachtelijke straten zwerft van zijn geboorteplek Douglastown, New York) in deze geslaagde karakterschets méér dan voldoende achter het tennisicoon vandaan.

Enkele jaren geleden werd er al een filosofische documentaire over de voormalige toptennisser gemaakt: John McEnroe: In The Realm Of Perfection.

The Anthrax Attacks: In The Shadow Of 9/11

Netflix

‘Is Amerika klaar voor een chemische aanval?’ vraagt een nieuwspresentator met gedragen stem. ‘Het antwoord is: nee.’ ‘s Mans dramatische constatering komt niet uit de lucht vallen. De Verenigde Staten zijn enkele weken eerder, op die beruchte 11 september 2001, aangevallen door een terroristische cel van Al-Qaeda. Zij hebben de World Trade Center-torens in New York neergehaald en een aanval op het Pentagon uitgevoerd.

En nu, begin oktober, duiken er op diverse plekken in het land poederbrieven met antrax – ofwel: miltvuur – op. Bij een roddelkrant in Boca Raton, een gebouw van NBC News in New York en het kantoor van de Democratische senaatsleider Tom Daschle in Washington DC zijn enveloppen met het uiterst gevaarlijke poeder bezorgd. En onderweg zijn diverse mensen – van postsordeerders tot receptiemedewerkers – ermee in aanraking gekomen.

‘Het moet doden om te overleven’, zegt specialist Paul Keim met het nodige aplomb over antrax. ‘Het moet doden om z’n levenscyclus te voltooien.’ Als de vooraanstaande wetenschapper het aangetroffen poeder onderzoekt, komt hij echter tot een opzienbarende conclusie: het gaat om de zogenaamde Ames-stam die tot dan toe (en twintig jaar later nog altijd) alléén in Amerikaanse laboratoria voorkomt.

Het spoor leidt in The Anthrax Attacks: In The Shadow Of 9/11 (95 min.) al snel naar een onderzoeker van de militaire inlichtingendienst. Dokter Bruce Ivins doet daar onderzoek naar infectieziekten. Hij wordt in deze documentaire van Dan Krauss vertolkt door acteur Clark Gregg. De bijbehorende gedramatiseerde scènes zijn gebaseerd op verslagen van de FBI, de interviews met ‘Gregg’ op persoonlijke communicatie van de man.

Binnen luttele minuten is daarmee glashelder: dit is de hoofdverdachte, die bovendien een soort Unabomber– of Hannibal Lecter-achtige allure krijgt aangemeten. Dat komt niet helemaal uit de verf. Zoals dit soort prominente fictiescènes sowieso nogal eens op gespannen voet komen te staan met het meer traditionele non fictie-deel van een documentaire. Ze doen al gauw afbreuk aan de authenticiteit van het totaalverhaal.

Deze ferme productie, waarin slachtoffers, nabestaanden, FBI-agenten en anderen die betrokken raakten bij het politieonderzoek, oogt daardoor soms meer als een op ware feiten gebaseerde speelfilm over de koortsachtige jacht op een mysterieuze moordenaar dan als een reguliere documentaire over de geruchtmakende bio-terreuraanslagen en de gemoedstoestand van een land dat plotseling aan de frontlinie van een smerige oorlog blijkt te liggen.

Het onderliggende verhaal is echter sterk genoeg om de aandacht gedurende de volledige speelduur vast te houden.

Hi My Name Is Jonny Polonsky

Humo

‘Ik wil niet alleen met hem in huis zijn’, zegt Iris Nechelput, de vriendin van Otto-Jan Ham. De radio- en televisiepresentator, die carrière maakte bij Studio Brussel, VIER en Canvas, heeft ‘t in zijn hoofd gehaald om zijn jeugdheld, de New Yorkse rocker Jonny Polonsky, over te laten komen voor een korte tournee door België – en om daar, dat lijkt ook al vanaf het allereerste begin het plan, een film over te maken.

Hoewel Polonsky allang in de vergetelheid is geraakt – als er al mensen zijn die zich zijn gruizige debuutalbum Hi My Name Is Jonny (1996), geproduceerd door Pixies-voorman Frank Black, überhaupt nog herinneren – is het Ham toch gelukt om enkele optredens te regelen in het najaar van 2020. Er is alleen nauwelijks budget. En dus zal de Amerikaanse zanger/songschrijver, waarmee hij zelf welgeteld één keer contact heeft gehad via Instagram, in zijn eigen huis in Halle moeten logeren.

Niet alleen daarmee neemt Otto-Jan Ham, die tevens zal optreden als tourmanager en er zelfs over fantaseert om bas te spelen in een speciaal samengestelde begeleidingsband rond Polonsky, een risico: zijn ontmoetingen met een grote held niet sowieso gedoemd om te mislukken? De Jonny Polonsky van toen, die hij overigens nooit zag optreden, kan zomaar een arrogante kwal, schim van zijn vroegere zelf of suffe broodmuzikant zijn geworden. Een man die je berooft van dromen.

Als de Amerikaan arriveert op vliegveld Zaventem staat Ham, ter zijde gestaan door cameraman Sjoerd Tanghe, hem met een naambordje op te wachten. De tour door Vlaanderen, met een uitstapje naar Amsterdam, en de weerslag daarvan, Hi My Name Is Jonny Polonsky (70 min.), kunnen nu echt beginnen. Van tevoren legt Ham voor de zekerheid nog wel even zijn oor te luister bij musici als Mauro Pawlowski, Stijn Meuris en Isolde Lasoen. Die muziek van Polonsky is toch helemaal oké? 

De man die zich in het huis van zijn superfan meldt en beleefd onderhoudt met diens kinderen blijft alleen een enigma. Hij houdt zich in gesprekken steeds op de vlakte en doet tijdens optredens in bars en achterafzaaltjes gewoon zijn ding, terwijl zijn grootste fan, tourmanager en bassist in spe – al heeft Jonny daarvan nog geen idee – zijn uiterste best doet om het hem naar de zin te maken. In de hoop dat de vonk nog eens ouderwets overslaat.

Het blijkt een uitstekend recept voor lol, ongemak, stress en – hopelijk – vlammende rock & roll in deze smeuïge roadmovie, die werkt als een aanstekelijke ode aan live-muziek en het onbekommerd, tegen beter weten in zelfs, najagen van ’s mans jeugddromen.

Hi My Name Is Jonny Polonsky is hier te bekijken.

Yo No Me Llamo Rubén Blades

Gema Films

‘Rubén, waarom deze documentaire? Waarom is die belangrijk voor je?’ vraagt regisseur Abner Benaim als salsaster Rubén Blades hem thuis zijn collectie strips heeft laten zien. ‘Ik zal je eerlijk zeggen: ik heb meer verleden dan toekomst’, antwoordt zijn protagonist. ‘Heb je gezien wat er is gebeurd met Prince? Hij stierf op 57-jarige leeftijd, zonder testament.’

Dat wil de begenadigde vertolker van geëngageerde Latijns-Amerikaanse muziek onder geen beding laten gebeuren. Vandaar Yo No Me Llamo Rubén Blades (Engelse titel: Rubén Blades Is Not My Name, 84 min.), een biografie uit 2018. ‘Dit hier is onderdeel van mijn nalatenschap’, stelt de zanger. ‘Ik wil de dingen zeggen die belangrijk voor me zijn. Want als ík ze nu niet zeg en uitleg wat ik bedoel, zullen andere mensen er straks hun interpretatie op loslaten.’

Tegelijkertijd wil hij zijn carrière als artiest zo langzamerhand afsluiten. Er is nog zoveel meer in het leven voor de man die ook jurist is, in talloze films speelde en ooit kandidaat was voor het presidentschap van zijn geboorteland Panama. In dit (zelf)portret loopt hij letterlijk door zijn leven, langs de plekken en mensen die hem hebben gevormd: San Felipe (de stad van zijn jeugd), New York (de plek waar hij carrière maakte) en Cambridge (waar hij studeerde aan Harvard University).

De vermaarde schrijver Gabriel García Márquez noemde Blades ooit ‘de populairste onbekende persoon’. In deze film kijkt die nu terug op een veelbewogen leven en loopbaan, samen met zijn echtgenote Luba Mason, de zoon die hij pas op latere leeftijd leerde kennen en muzikale collega’s zoals Paul Simon, Sting en Andy Montañez. ‘De carrière van een zanger eindigt nooit’, zegt die laatste, bijgenaamd The Godfather Of Salsa. ‘Totdat God Onze Vader de kaars uitblaast.’

‘Ik ben de zanger, populair overal waar ik ga, zingt Rubén Blades tenslotte zelf aan het eind van dit gedegen portret, terwijl hij een aanstekelijk ritme klapt. ‘Maar als de show voorbij is ben ik gewoon maar een mens. En leef ik mijn leven van plezier en verdriet, goede en slechte tijden.’

George Carlin’s American Dream

HBO

Zijn haar was langer geworden, hij had zijn baard laten staan en uit zijn mond kwam ineens subversieve humor, maatschappijkritiek en schuttingtaal. Eind jaren zestig draaide George Carlin (1937-2008) zijn carrière als salonfähige tv-ster rigoureus de nek om. De New Yorkse stand-upcomedian begon te zeggen wat hij écht op zijn lever had en werd zo een controversieel uitgangbord van de tegencultuur. Volgens Stephen Colbert ontwikkelde Carlin zich tot niets minder dan ‘the Beatles van comedy’. En toen moest hij nog beginnen met cocaïne….

Die voorliefde voor coke werd op een gegeven moment wel een probleem in Huize Carlin, vertelt zijn dochter Kelly in het tweedelige portret George Carlin’s American Dream (217 min.) van Judd Apatow en Michael Bonfiglio. Zeker omdat haar moeder Brenda tegelijkertijd een fikse alcoholverslaving had opgebouwd. Tegen de tijd dat alles weer min of meer onder controle werd Carlin bovendien alweer beschouwd als ‘yesterday’s news’, een relikwie van de swingende jaren zestig. Het zou hem vele jaren – en enkele hartaanvallen – kosten voordat hij weer op de bok zat.

Dat welbekende verhaal van opkomst, ondergang en wederopstanding van een gevierde held wordt hier opgedist met oude interviews met de man zelf, zijn veelvuldige bezoekjes aan talkshows en – natuurlijk – talloze bikkelharde, scherpzinnige en grappige fragmenten uit zijn shows. ‘s Mans broer Patrick, jeugdvriend Randy Jurgensen, enkele vaste medewerkers en collega’s zoals Jerry Seinfeld, Chris Rock, Bette Midler, Kevin Smith, Patton Oswalt en Jon Stewart zetten de vertelling luister bij met persoonlijke herinneringen, fijne observaties en kostelijke anekdotes.

Rechttoe rechtaan – maar daarmee niet minder doeltreffend – schetsen Apatow en Bonfiglio hoe Carlin zichzelf steeds opnieuw uitvindt als comedian en uiteindelijk een tamelijk donkere afslag neemt. Hij gaat steeds feller tekeer tegen alles en iedereen, de kerk en conservatieve politici in het bijzonder. Een vlijmscherpe man, moe van de mens, maar desondanks altijd op zoek naar een diepere waarheid. ‘Ze zeggen soms tegen mij: jij probeert mensen aan het denken te zetten’, vertelde hij daar zelf eens over. ‘En dan zeg ik: nee, dat zou de dood in de pot zijn. Ik laat ze zien dat ík denk.’

Een kleine vijftien jaar na zijn dood staat George Carlins zwartgeblakerde visie op Amerika nog steeds recht overeind, getuige een urgente slotsequentie waarin zijn genadeloze ‘rants’ over het land van de hoop en dromen perfect blijken te matchen met actuele nieuwsgebeurtenissen. ‘Het wordt de Amerikaanse Droom genoemd’, sneert die welbekende messcherpe stem, terwijl de film maar een climax toewerkt. ‘Want je moet wel flink zitten te slapen om hem te kunnen geloven.’

The Capote Tapes

Piece Of Magic

Hoewel Truman Capote (1924-1984) zo’n beetje de belichaming van de ons-kent-ons sfeer binnen de New Yorkse high society was, liep hij er soms ook in vast. Sterker: voor zijn beste werk, de true crime-klassieker In Cold Blood (1966), maakte de befaamde schrijver zich los van de incrowd en vertrok naar Kansas, waar hij zich jarenlang vastbeet in de geruchtmakende moord op de Clutter-familie. Tot het bittere eind, dat hij zelf voor zijn boek probeerde te bespoedigen.

Eenmaal thuis, maakt de gedegen documentaire The Capote Tapes (95 min.) van Ebs Burnough nog maar eens duidelijk, was het een heel eind gedaan met zijn schrijverschap, dat met Breakfast At Tiffany’s in elk geval nog één andere klassieker had opgeleverd. Capote, één van de eerste Amerikanen die openlijk homoseksueel was, zou volledig verzuipen in de celebrity-cultuur die hijzelf mede in gang had gezet. Hij werd meer talkshowgast dan schrijver, zegt auteur Jay McInerney.

Jarenlang zou Truman Capote werken aan een boek genaamd Answered Prayers. ‘Ik noem het mijn postume roman’, vertelde hij toentertijd in de talkshow van Dick Cavett. ‘Óf ik ga ‘m zelf doden. Óf hij doodt mij.’ Het boek zou nooit worden uitgebracht. Enkele gepubliceerde hoofdstukken, met allerlei roddel en achterklap over nauwelijks geanonimiseerde beroemdheden, zouden van hem zowat een persona non grata maken in eigen kring.

Burnough brengt ‘s mans opkomst en ondergang in beeld met fraai archiefmateriaal en laat dat inkaderen door Capote’s adoptiedochter Kate Harrington, enkele intimi en bevriende schrijvers. Hij completeert dit met nooit eerder gepubliceerde audio-opnamen van interviews die de literaire journalist George Plimpton deed met tijdgenoten als actrice Lauren Bacall, schrijver Norman Mailer en opiniemaker William Buckley Jr.

Zo reanimeert deze film vooral het larger than life-personage Truman Capote – méér dan de schrijver Truman Capote – en het tijdsgewricht waarin de cultus rond beroemdheid en beroemdheden op gang kwam. Een maatschappelijk fenomeen waarvan we nog altijd ontzettend veel last/plezier hebben.

We Are Twisted Fucking Sister!

Nee, Amerikaanse tegenstanders van mondkapjes kregen onlangs geen toestemming om We’re Not Gonna Take It te gebruiken als lijflied. Inwoners van Oekraïne mogen Twisted Sisters grootste hit echter gerust inzetten als strijdhymne tegen de Russen. Dat is volgens zanger Dee Snider, die zelf een Oekraïense grootvader heeft, nu eenmaal het verschil tussen ‘egoïstische idioten’ en ‘gerechtvaardigd verzet tegen overheersing’.

Voor wie de Amerikaanse glamrockband alleen kent van rechttoe rechtaan rockstampers, de bijbehorende mucho macho poses en uitzinnige make-up en podiumkledij moet dat toch een kleine verrassing zijn. Een band zoals Twisted Sister associëren we toch eerst en vooral met liederlijke afterparty’s, waarbij bandleden een keuze moeten maken uit de flessen sterke drank, lijntjes coke en gewillige groupies – al is kiezen ook weer niet absoluut noodzakelijk.

Wees gerust, getuige de documentaire We Are Twisted Fucking Sister! (134 min.) van Andrew Horn werd er toch behoorlijk wat gefeest door de New Yorkse groep, die een vaandeldrager zou worden van de zogenaamde hair metal-scene waarmee de jaren tachtig werden opgezadeld. Daarvóór had Twisted Sister in de seventies alleen wel eerst jarenlang het plaatselijke barcircuit moeten uitwonen, tevens het decor voor grofweg de eerste anderhalf uur (!) van deze toch wel erg lang uitgevallen documentaire van Andrew Horn uit 2014.

Dáár ook, buiten het zicht van de pers en platenmaatschappijen, werden ze rocksterren. Zodat hun band, toen de muziekhoncho’s uiteindelijk tóch met frisse tegenzin langskwamen, er he-le-maal klaar voor was en alle sceptici een poepie kon laten ruiken. Het is een typisch ‘de-aanhouder-wint’-relaas, dat hier door de groepsleden, hun management en trouwe fans met zichtbaar plezier wordt gedaan. Waarna Twisted Sisters glorieperiode als stadionband kan beginnen.

Dat verhaal wordt echter bewaard – net als de hit We’re Not Gonna Take It trouwens – voor een andere film. Als die er al ooit komt. Deze documentaire richt zich volledig op de combinatie van bloed, zweet en tranen die Dee Snider en zijn maten investeerden in een carrière, waarin maar geen schot leek te komen.

Charles Bradley: Soul Of America

Charles Bradley zou nooit méér worden dan een imitator. Black Velvet was zijn naam. Ofwel: James Brown Jr. Een heel verdienstelijke imitator, dat wel. Met pruik en cape, alle verplichte danspasjes en die van soul druipende stem. Intussen leidde hij een tamelijk armetierig bestaan in een ongure New Yorkse flat. Soms moest Charles als volwassen vent zelfs bij zijn moeder in de kelder slapen.

Sinds zijn veertiende trad de zanger op als James Brown. Hij kon er echter nooit van leven. In 2011, als hij bijna de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, mag hij dan toch nog officieel debuteren als soloartiest. Bij Daptone Records, het kleine platenlabel van enkele witte soulfanaten die eerder al Miss Sharon Jones in de vaart der volkeren opstuwden. Bradley, die nauwelijks kan lezen en schrijven, vormt hun nieuwste project. Hij heeft alle butsen die hij in zijn leven heeft opgelopen, waaronder het overlijden van zijn oudere broer, verwerkt in eigen nummers.

In de docu Charles Bradley: Soul Of America (71 min.) uit 2012 volgt Poull Brien ‘The Screaming Eagle Of Soul’ in de aanloop naar de officiële release van zijn debuutalbum. Dat resulteert bijvoorbeeld in een prachtige scene als de Amerikaanse soulzanger hoort dat hij voor het eerst in de krant staat, op pagina 6 van The New York Post. De halve buurt loopt ervoor uit. Dan begint tastbaar te worden wat tot dusver een soort droom leek: hij, Charles Bradley, armoedzaaier uit New York, zou het als zestiger wel eens alsnog kunnen gaan maken.

Charles kan de eindjes alleen nog altijd nauwelijks aan elkaar knopen, ook omdat hij tegenwoordig moet zorgen voor zijn breekbare oude moeder, met wie hij van jongs af aan al een gecompliceerde relatie heeft. Het perspectief op een ander leven – met videoclips, fans en een Europese tournee – maakt echter alles anders. Het is alsof er een schijnwerper op hem wordt gezet, waardoor hij, bijna letterlijk, oplicht. Dat maakt van de 62-jarige debutant Charles Bradley een onweerstaanbaar filmpersonage, in een documentaire die liefdevol de ziel streelt.

Bad Vegan: Fame. Fraude. Fugitives.

Netflix

Het adagio ‘Good women love bad men’ begint zowaar een eigen plekje te claimen binnen de overvloed aan true crime-documentaire(serie)s. Een jonge, aantrekkelijke vrouw van de wereld (in dit geval: Sarma Melngailis, eigenaresse van het trendy veganistische restaurant Pure Food And Wine in New York) valt halsoverkop voor een mysterieuze kerel (de geheimagent ‘Shane Fox’) en wordt daarna helemaal leeggeschud door hem (een oplichter die in werkelijkheid Anthony Strangis blijkt te heten).

En net als in pak ‘m beet The Tinder Swindler, Love Fraud en The Puppet Master wordt de charade grotendeels verteld vanuit het perspectief van het toch wel erg naïeve slachtoffer, dat zich in de luren laat leggen door de belofte van een leven van overdadige liefde, luxe en, jawel, onsterfelijkheid. Voor haar hond Leon, welteverstaan. Want het ontluisterende proces dat de hoofdpersoon aan het eind ontredderd en berooid zal achterlaten, is ditmaal behalve met kolder over mysterieuze CIA-missies ook omkleed met een totaal bizar new age-verhaal (dat verder nauwelijks begrijpelijk wordt gemaakt).

In de vierdelige docuserie Bad Vegan: Fame. Fraude. Fugitives. (209 min ) pelt Chris Smith die pijnlijke geschiedenis helemaal af met Sarma en haar familie, medewerkers, investeerders en kennissen. Stuk voor stuk kregen ze te maken met de nieuwe man in haar leven, die dat al snel helemaal begon te ontregelen. Met lede ogen moesten ze aanzien hoe Sarma in zijn kielzog alles achter zich liet, inclusief een berg schulden. En daarmee joeg ze meteen haar directe omgeving tegen zich in het harnas, want ook die had zich laten verleiden of dwingen om diep in de buidel te tasten.

Het tweetal zou uiteindelijk tegen de lamp lopen door het bestellen van een pizza in Tennessee. En dat kwam met name Sarma, de bekendste van dit Bonnie & Clyde-achtige duo, op publieke hoon te staan. Zij, de veganistische restauranthouder, de vrouw van het ‘raw food’, was dus blijkbaar toch overstag gegaan voor zoiets banaals als fastfood. De werkelijkheid bleek, natuurlijk, genuanceerder. In meerdere opzichten overigens. En dat probeert Smith eveneens te vangen in deze miniserie, die daarmee tóch geen carbon kopie van al die andere man-kleedt-vrouw(en)-uit producties wordt.

Daar lijkt het alleen behoorlijk lang wél op. Bijna drie uur oogt Bad Vegan, ondanks enkele ingenieuze verhaalvondsten, als het eendimensionale relaas van een ‘good woman’ die er bijna om vraagt om te worden bedrogen door die ‘bad man’, vervolgens inderdaad gigantisch wordt belazerd en zich tenslotte zelfs, als het vleesgeworden Stockholm-Syndroom, ontwikkelt tot een handlanger van de kerel die haar leven kapotmaakt. Al zou ook in dit geval, getuige de twijfel die Chris Smith aan het eind van de miniserie zaait, niets kunnen zijn wat het lijkt. Of juist wel, natuurlijk.

Sociaal Tribunaal

VPRO

Nadat ze voor het boek Gouden Bergen (2020) een jaar lang enkele influencers volgde, pluist filosoof en journalist Doortje Smithuijsen de online-cultuur en bijbehorende mores nu verder uit in enkele tv-docu’s.

Zo portretteerde ze in Mijn Dochter De Vlogger enkele ouders en hun influencerkinderen en schetste ze in Volg Je Me Nog? een paar ‘ouder’ wordende influencers die hun achterban zagen slinken. In Sociaal Tribunaal (36 min.) onderzoekt Smithuijsen de zogenaamde cancelcultuur. In een soort rechtbanksetting praat ze met gecancelden, cancelaars en deskundigen op het gebied van webcultuur, imagobeheer en wetgeving over de digitale rechtszaal waarin menigeen zich tegenwoordig moet verantwoorden of doet gelden. Op zoek naar wat het ons, of hen, kost en oplevert.

Met journalist en entrepreneur Sander Schimmelpenninck bespreekt ze bijvoorbeeld de rel die ontstond nadat hij de vijftienjarige Alexia in een podcast de lekkerste prinses had genoemd. Hij werd vervolgens en masse uitgemaakt voor pedo, voelde zich op dat moment echt bedreigd en pleit nu voor een verbod op anonieme profielen op social media. In dat verband komt ook het zogenaamde ‘trollenleger’ van een andere gesprekspartner van Smithuijsen, Telegraaf-journalist Wierd Duk, aan de orde. Die voelt zich echter helemaal niet verantwoordelijk voor wat het extreme deel van zijn achterban uitspookt.

En heeft Schimmelpenninck, met een messcherpe twitterdraad over een filmpje van Laura van Ree, zelf het leven van dit model/influencer ook niet nodeloos zuur gemaakt? Zij vindt van wel. Smithuijsen bekent vervolgens dat ze het bewuste filmpje ook heeft gedeeld. Zulke dwarsverbanden en dubbelrollen geven deze interviewfilm, die is opgefleurd met een White Lotus-achtige soundtrack, kleur en maken tevens duidelijk hoe ingewikkeld het speelveld op sociale media is. Want waar houdt het agenderen van een reëel probleem of prangende kwestie op en begint cancelen? En lukt het überhaupt om iets of iemand op die manier écht kalt te stellen?

Doortje Smithuijsen verkent deze discussie met een uiteenlopende groep gasten, waaronder ook Ian Buruma (die weg moest als eindredacteur bij de New York Review Of Books, nadat er onder zijn verantwoordelijkheid een artikel verscheen van een man die door diverse vrouwen werd beschuldigd van seksueel wangedrag), kunstcollectief Kirac (dat de eveneens van seksueel geweld betichte kunstenaar Julian Andeweg probeert te ontcancelen) én de ogenschijnlijk aimabele Mark Keus (die jarenlang onder de naam Henk de Vries loos ging op de sociale media, bijvoorbeeld over die #kutkaag).

Vlot stipt Sociaal Tribunaal via en met hen allerlei kernzaken, pijnpunten en principiële kwesties aan, waarover de menschen thuis dan lekker verder kunnen discussiëren.

Jeen-Yuhs: A Kanye Trilogy

Netflix

Het is een gok die totaal verkeerd had kunnen uitpakken. Eind jaren negentig stuit de stand up-comedian Clarence ‘Coodie’ Simmons tijdens het filmen voor een lokaal tv-station in Chicago op een uniek hiphop-talent: Kanye West. Hij valt op door zijn beats, zijn raps en – ook – zijn enorme zelfvertrouwen. Coodie besluit om zijn eigen carrière aan de kant te schuiven en zich, geïnspireerd door Steve James’ klassieke coming of age-documentaire Hoop Dreams, volledig te gaan richten op Kanye, die naar New York verkast om het daar te gaan maken.

Ruim twintig jaar later is helder dat Coodie op het juiste paard heeft gewed: Kanye is een absolute wereldster geworden. Met zijn (voormalige?) echtgenote Kim Kardashian vormt hij bovendien zo’n beetje het bekendste koppel op aarde. Maar heeft de man die zijn eigen imago streng bewaakt ook voor de juiste videograaf gekozen? Met andere woorden: Is Jeen-Yuhs: A Kanye Trilogy (367 min.) een productie die past bij de statuur van Kanye West? En is de driedelige serie over het Amerikaanse enigma ook méér geworden dan zomaar een door de ster zelf gladgestreken promodocu?

Coodie heeft Kanye in elk geval als een schaduw kunnen volgen tijdens zijn formatieve jaren, toen hij nog vooral werd beschouwd als een getalenteerde producer en nauwelijks serieus werd genomen als rapper. Zelfs nadat hij een contract had getekend bij de toonaangevende platenmaatschappij Roc-A-Fella bleef hem dat parten spelen. Hoewel dat moet hebben geknaagd aan zijn zelfvertrouwen laat West daarvan in beeld weinig blijken. Sterker: hij geeft meermaals zelf aan dat er vooral moet worden gefilmd, bijvoorbeeld als hij na een auto-ongeluk zijn kaak moet laten repareren bij de tandarts. Dit is immers, daarvan lijkt hij zelf overtuigd, ‘history in the making’.

Filmer Coodie fungeert daarbij als alwetende verteller, die dat belangwekkende verhaal van binnenuit mag vertellen. Zonder al te veel distantie, maar wel met ongekende toegang. Zo nu en dan had Coodie zeker scherper kunnen selecteren – dan dobbert Jeen-Yuhs wat stuurloos rond in oeverloze hiphop-clichés – maar daartegenover staat dat hij unieke opnames in de studio, met collega’s als Jay-Z, Jamie Foxx en Pharrell Williams, en heel bijzondere privémomenten, bijvoorbeeld thuis met zijn moeder Donda, heeft kunnen vastleggen. Belangwekkende beelden, áls Kanye West inderdaad die beeldbepalende artiest wordt die Coodie in hem zag.

Heel lang lijkt die carrière echter op niets uit te lopen. Totdat, tegen het einde van aflevering twee, Kanye West begin 2004 alsnog vlam vat met zijn debuutalbum The College Dropout en al dat fly on the wall-materiaal van Coodie, die deze serie in elkaar zette met filmmaker/graficus Chike Ozah, ineens tóch waarde krijgt voor de buitenwereld. Met het succes ontstaat er tevens verwijdering tussen de filmer en zijn protagonist, die voortaan vooral het megalomane personage ‘Kanye’ wil uitventen. Ook over deze productie wilde de hoofdpersoon bijvoorbeeld het laatste woord hebben, waarschijnlijk om enkele scènes te kunnen verwijderen.

Het gaat dan vermoedelijk om materiaal uit de derde aflevering, die overvloedig bewijsmateriaal bevat van zijn toenemende instabiliteit. Als Kanye van een hoogmoedige jonge hond zienderogen verandert – zeker na de plotselinge dood van zijn moeder – in een zich steeds vreemder gedragende celebritiy en onderdeel wordt van een droomkoppel met Kim Kardashian (die overigens vrijwel volledig ontbreekt in deze serie). Waarschijnlijk heeft Coodie, zoals hij onlangs al aankondigde in een interview met Variety, inderdaad artistieke eindverantwoordelijkheid voor de serie gekregen en zijn poot stijf kunnen houden.

Jeen-Yuhs is daardoor niets minder geworden dan muziekgeschiedenis die zich voor ieders ogen – en zonder reflectie achteraf, in de vorm van interviews – stap voor stap ontvouwt. Waarbij wat nu vanzelfsprekend lijkt – Kanye West als (volledig doorgedraaide) megaster – helemaal niet zo vanzelfsprekend blijkt te zijn geweest.

Deze bespreking is na elke aflevering geactualiseerd.

Tiny Tim: King For A Day

Man, vrouw, volwassene en kind. Ze gingen allemaal in de blender, volgens Susan M. Khaury Wellman. En eruit kwam Tiny Tim, alias Herbert Butros Khaury (1932-1996), een performer met een uitgesproken ‘seksuele, politieke en etnische ambiguïteit’. Susan wist het meteen: met Tim wil ik trouwen. Hij was alleen ‘half-homo’, maar dat ging volgens haar meer om identiteit dan om seksuele voorkeur. 

Niemand kon in elk geval zo overtuigend zingen op ‘the sissy way’. Tim begon in de jaren vijftig op te treden te midden van andere toenmalige misfits, zoals Het Armloze Wonder en De Scherpschutter Zonder Handen. Hijzelf werd destijds De Menselijke Kanarie genoemd. Nee, echt serieus werd de androgyne artiest, met die nét iets te hoge stem en zijn eeuwige ukelele, toen niet genomen. Totdat Tim een plek vond binnen de tegencultuur van de jaren zestig en als cultfiguur een graag geziene gast in allerlei televisieprogramma’s werd. Op het gênante af.

In Tiny Tim: King For A Day (75 min.) roept regisseur Johan von Sydow de wondere wereld van deze welhaast vergeten ‘freak’ uit New York op. Hij maakt daarbij gebruik van heel persoonlijke dagboekfragmenten van zijn protagonist, die worden ingelezen door diens geestverwant ‘Weird Al’ Yankovic. Von Sydow ondersteunt Tims gedachtewereld bovendien met fantasievolle zwart-wit animaties. Zo worden kerngebeurtenissen uit zijn veelbewogen verleden opgehaald en ook de sombere binnenkant van de extraverte publieke persoonlijkheid inzichtelijk gemaakt.

Deze inkijkjes in het leven van de excentriekeling worden gestut door interviews met zijn weduwe, dochter, neven, jeugdliefde, vrienden, muzikanten, manager, biograaf en de voorzitter van de Tiny Tim-fanclub. Ook zij herkenden in de flamboyante performer een getormenteerde ziel. Die raakt in de tweede helft van dit empathische portret langzaam uit de gratie en verwordt dan tot een tamelijk deerniswekkende figuur. Volgens schrijver Will Friedwald heeft hij nochtans hoogstpersoonlijk het pad geëffend voor androgyne sterren als David Bowie, Prince en Boy George.

Behalve een charmant portret van een eigenzinnige entertainer werkt Tiny Tim: King For A Day ook als aanklacht tegen het soms ontzettend cynische talkshowcircuit, dat buitenbeentjes eerst enthousiast binnenhaalt, daarna helemaal uitmelkt en tenslotte achteloos dumpt. Als ‘koning’ van de dag, een wegwerpproduct met een beperkte uiterste houdbaarheid. Zo bezien krijgen Tims bezoekjes aan de show van Johnny Carson zelfs bijna een wreed karakter. Geamuseerd kijkt Amerika’s bekendste talkshowhost steeds toe hoe zijn gast zichzelf keer op keer te kijk zet.

Joan Mitchell – Woman In Abstraction

AVROTROS

Hoewel zij doorgaans van haar hart geen moordkuil maakt, moet haar werk toch vooral voor zichzelf spreken. ‘Als je met blablabla begint’, meent Joan Mitchell (1925-1992), ‘maak je alles kapot.’

Mitchell maakt enkele jaren na de Tweede Wereldoorlog haar entree in de kunstscene van New York, waarvan dan ook ‘action painters’ als Jackson Pollock, Willem de Kooning en Franz Kline deel uitmaken. Voor hen is het schilderen zelf bijna net zo belangrijk als het resultaat ervan. Mitchell is één van de weinige vrouwen die echt een prominente rol claimt in deze mannenwereld. Haar werk wordt intussen steeds abstracter. Eind jaren vijftig verkast de kunstenares naar Parijs, waar ze een langdurige en getroebleerde relatie krijgt met de schilder/bon vivant Jean-Paul Riopelle.

‘Ze zei altijd voor de grap: ik ben maar een vrouwelijke schilder’, vertelt schrijver Paul Auster in Joan Mitchell – Woman In Abstraction (53 min.). ‘Spottend. Ze wilde niet in het getto van vrouwelijke schilders worden geplaatst. Ze vond dat ze net zo goed was als ieder ander. En dat was ze ook.’ Regisseur Stéphane Ghez wandelt in deze tv-docu soepeltjes door Mitchells leven en carrière, illustreert die met haar kleurrijke schilderijen (die door enkele galeriehouders en conservatoren van duiding worden voorzien) en geeft het geheel een lekkere push met een zeer expressieve soundtrack.

‘Verlies je jezelf door te schilderen?’ vroeg een interviewster ooit aan de vrouw die gebeurtenissen in haar eigen leven en de wereld om haar heen verwerkte in abstracte schilderijen. ‘Als dat gebeurt ben ik zo gelukkig’, antwoordde Joan Mitchell. ‘Daarom schilder ik waarschijnlijk. Dan besta ik niet meer. Dat is heerlijk. Ik zeg altijd dat het net is als fietsen met losse handen. Heerlijk.’

Daniel Day-Lewis: The Heir

AVROTROS

Op een dag in september 1989 verlaat Daniel Day-Lewis aan het einde van de eerste akte ineens het podium. Zoals het een echte Britse karakteracteur betaamt, heeft hij de hoofdrol in Shakespeare’s Hamlet bemachtigd. Hij treedt daarmee in de voetsporen (en stapt in de schaduw) van grote theateracteurs als Laurence Olivier, Richard Burton en Christopher Plummer. Intussen moet hij elke dag ook de confrontatie aangaan met zijn overleden vader. Daniel heeft een foto van de befaamde dichter en schrijver Cecil Day-Lewis, die film maar een inferieure kunstvorm vond, opgehangen in zijn kleedkamer.

De recensies voor Day-Lewis’ Hamlet zijn niet onverdeeld positief. Plotseling knapt er iets in hem. ‘Ik was gewoon compleet uitgeput, het kon me allemaal niks meer schelen’, vertelt de acteur een kleine twintig jaar later aan talkshowhost Charlie Rose. ‘Het was genoeg geweest, ik kon het niet meer.’ En dus lonkt het witte doek, waarmee hij in de voorgaande jaren al enigszins vertrouwd is geraakt. Ten tijde van het gesprek met Rose in 2007 is hij al een gevierd filmacteur, met diverse bioscoophits op zijn naam (The Last Of The Mohicans, The Age Of Innocence en The Boxer) en zijn eerste Oscar in de achterzak (My Left Foot).

Nummer twee en drie, voor There Will Be Blood en Lincoln, moet hij dan nog ontvangen, als eerste acteur in de geschiedenis die drie Academy Awards voor de beste hoofdrol krijgt. Hij zal daarnaast overigens ook nog drie keer genomineerd worden voor diezelfde Oscar, voor zijn hoofdrollen in In The Name Of The Father, Gangs Of New York en Phantom Thread. Tóch is Daniel Day-Lewis nooit een typische Hollywood-celebrity geworden. Hij mijdt het babbeldebabbelcircuit, kiest zijn rollen altijd zéér zorgvuldig en verdwijnt tussendoor soms jaren in de anonimiteit.

In de interessante tv-biografie Daniel Day-Lewis: The Heir (52 min.) betonen Jeanne Burel en Nicolas Maupied het acteerkanon op een passende manier eer. Géen collega’s of bekendheden dus, die ongegeneerd de loftrompet over hem steken – iets wat kijkers met nét iets te veel last van plaatsvervangende schaamte, net als Day-Lewis zelf waarschijnlijk, alleen zeer gegeneerd kunnen aanzien. Maar een gedegen poging om ‘s mans leven, zijn carrière en de wisselwerking daartussen te vatten. Geïllustreerd met treffende speelfilmfragmenten, oude foto’s en de spaarzame publieke optredens van de man die zich het liefst terugtrekt op het Ierse platteland.

Totdat Daniel Day-Lewis letterlijk voelt dat hij zijn zelfverkozen kluizenaarschap weer even moet verlaten voor de volgende Oscar-waardige rol…

Crime Scene: The Times Square Killer

Netflix

In het New Yorkse Travel Inn Hotel is op 2 december 1979 brand uitgebroken. Op kamer 417 kunnen de hulpverleners nauwelijks een hand voor ogen zien. Een brandweerman treft een vrouw aan en wil haar eerste hulp gaan geven. Dan ziet hij het pas: ze heeft helemaal geen hoofd en ook geen handen. Er ligt nog een tweede vrouwenlichaam, eveneens onthoofd. ‘Dit moet door een echt zieke klootzak zijn gedaan’, zegt één van de aanwezigen tegen NYPD-rechercheur Jim Riegel.

Zoals dat hoort bij true crime-docu’s laten de eerste lijken in Crime Scene: The Times Square Killer (146 min.), het tweede seizoen van de Joe Berlinger-serie, niet lang op zich wachten. Wie heeft deze gruwelijke moordpartij op zijn geweten? Een vraag die pas echt in beeld komt als een andere is beantwoord: wie zijn deze twee vrouwen? De dader maakt het de onderzoekers bepaald niet gemakkelijk: het vuur heeft al het nog aanwezige bewijsmateriaal voorgoed opgeslokt. En de kamer lijkt van tevoren helemaal schoon te zijn gemaakt.

Times Square was in de jaren zeventig, in de woorden van moordrechercheur Malcolm Reiman, ‘het epicentrum van de seksindustrie’. Een plek om verboden fantasieën te vervullen – en onlangs niet voor niets het decor voor de dramaserie The Deuce van de chroniqueur van het moderne Amerika, David Simon (Homicide, The Wire en Treme). Ook Berlinger neemt uitgebreid de tijd om het grimmige milieu van prostituees, hoerenlopers, pooiers, maffiosi en drugsdealers te schetsen, alvorens hij met agenten, misdaadjournalisten, vertegenwoordigers van de rosse buurt en de dochter van één van de slachtoffers ‘de Torso-moorden’, waarvan er natuurlijk nog meer blijken te zijn, eens goed gaat uitdiepen.

Die gedegen sfeertekening, historisch ingebed bovendien, is net zo interessant als de zaak zelf, die toch gewoon weer neerkomt op de geijkte zoektocht naar een gevreesde seriemoordenaar (zoals er al zoveel zijn gemaakt, ook door Berlinger zelf). Waarbij de schmutzige omgeving van de plaats delict ‘t ditmaal echt een stuk gemakkelijker heeft gemaakt voor de dader om anoniem te blijven en anonieme slachtoffers – één van de vrouwen uit ‘de hotelkamer van de hel’ wordt nog steeds noodgedwongen ‘Jane Doe’ genoemd – te blijven maken.

Eat Your Catfish

IDFA

Als het drama in een documentaire over iemand met de spierziekte ALS niet zorgvuldig wordt gedoseerd, kan die al snel bijna net beklemmend worden als de ziekte zelf. De diagnose is immers niets minder dan een doodvonnis, dat weliswaar direct wordt uitgesproken, maar uiteindelijk zo langzaam wordt voltrokken dat elk verlies afzonderlijk moet worden geïncasseerd en geïncorporeerd in het leven. In het beste geval weet de chroniqueur van dat proces er een film met de spreekwoordelijke lach en traan van te maken, die onvermijdelijk afstevent op een dramatisch einde.

Eat Your Catfish (73 min.) heeft evenwel niets van een rechttoe rechtaan tearjerker. De film is (vrijwel) volledig gemaakt vanuit het perspectief van de Amerikaanse vrouw Kathryn, via een camera die aan de achterkant van haar rolstoel is bevestigd en daardoor een heel intiem beeld geeft van haar leefwereld. Zij weet inmiddels vijf jaar dat ze ALS heeft en is in die periode compleet verlamd geraakt. Bij vrijwel elke activiteit moet ze worden geholpen, door steeds andere verzorgers bovendien. Nur die Gedanken sind frei. Letterlijk, in dit geval.

Nadat ze die met oogbewegingen heeft toevertrouwd aan een speciaal keyboard, worden ze hardop uitgesproken door een computerstem. Kathryn formuleert messcherp. ‘Ben jij eigenlijk wel in staat om aandacht te schenken aan iets anders dan jezelf?’ vraagt ze bijvoorbeeld aan haar Iraans-Amerikaanse echtgenoot Saïd, die de zorg voor zijn vrouw niet aankan of niet wil aankunnen. Hij reageert niet. Daarom blijft Kathryn de zin maar herhalen. Totdat ze tot een bijtende conclusie komt:  ‘Jij bent de zwakste persoon die ik ken.’

De sfeer in Huize Arjomand is sowieso vaak te snijden. Niet alleen tussen Kathryn en haar man. Ook zoon Noah, die deze documentaire samen met zijn coregisseurs Adam Isenberg en Senem Tüzem samenstelde uit negenhonderd uur film, ergert zich groen en geel aan zijn vader en botst daarnaast regelmatig met zijn moeder. Ieder voor zich bereiden ze zich voor op zo’n beetje het enige waarvoor Kathryn nog wil leven: het huwelijk van haar dochter Minou. Die feestelijke aangelegenheid fungeert als richtpunt voor de film, die daar met de nodige tijdsprongen naar toewerkt.

Eat Your Catfish blijft ook dan grotendeels vrij van sentiment. De documentaire, die met flashbacks de vroegere Kathryn laat zien, spiegelt het leven met ALS af als een ontluisterende ervaring: kil, kaal en hard. Geen materiaal voor een happy end – al is Kathryns scherpzinnige geest op geen enkele manier aangetast geraakt en behoudt ze ook te allen tijde haar gevoel voor (galgen)humor.

The First Wave

National Geographic

‘Elke keer als ik naar hem kijk zie ik die jonge kinderen’, zegt verpleegkundige Kellie Wunsch geëmotioneerd, terwijl ze wordt getroost door een collega. ‘Ik heb het gewoon nodig dat het goed met hem gaat.’ Ahmed Ellis, een Afro-Amerikaanse man van halverwege de dertig, had haar verteld over zijn gezin en daarna indringend gevraagd: ‘Laat me alstjeblieft niet sterven!’

Inmiddels is Ellis, in het dagelijks schoolbeveiliger, buiten bewustzijn en geïntubeerd. Als zijn vrouw Alexis en zoontje Austin videobellen naar het ziekenhuis, houdt Kellie de iPad recht voor Ahmeds gezicht en probeert ze hem bij het gesprek te betrekken. Het is echter nog maar de vraag of hij het Coronavirus te boven komt. De artsen en verpleegkundigen van het Long Island Jewish Medical Center moeten daarvoor alle zeilen bijzetten.

In het ziekenhuis in Queens moet ook regelmatig een minuut stilte worden ingelast. Intensieve zorg, beademing en reanimatie kunnen het overlijden van een patiënt lang niet altijd voorkomen. Soms weerklinkt ook ineens Here Comes The Sun van The Beatles op de afdeling. Dan mag iemand van de beademing af. Het zijn de spaarzame momenten waarop er even licht gloort aan het eind van een angstaanjagende tunnel.

Verder lijkt er sprake van permanente crisis in het ziekenhuis in New York, dat in het voorjaar van 2020 tot de grote brandhaarden van The First Wave (93 min.) van COVID-19 behoort. Regisseur Matthew Heineman tekent van binnenuit op hoe het huilen zelfs ervaren krachten soms nader dan het lachen staat. Een eindeloze stroom patiënten belandt uitgeteld in bed, ogenschijnlijk meer dood dan levend. Waarbij het de vraag is of ze dat ooit nog zullen verlaten.

Behalve op Ahmed Ellis richt Heineman zich daarbij op de jonge immigrante Brussels Jabon. Na een keizersnede is ze met haar pasgeboren zoon Lyon in het ziekenhuis terecht gekomen. Haar halve familie is besmet geraakt met het Coronavirus. Verder portretteert hij het team van de betrokken arts Nathalie Dougé, die na de dood van George Floyd betrokken raakt bij Black Lives Matters-demonstraties en op haar werk ziet dat ook COVID-19 minderheden extra hard treft.

Matthew Heineman schuwt het drama niet en heeft er ook gevoel voor: een oog dat langzaam dichtvalt of plotseling wordt opengesperd, de hand die krachteloos probeert te zwaaien of het hoofdschudden van hulpverleners die tevergeefs hebben geprobeerd om het leven van een patiënt te redden. Het zijn tragische beelden van een crisis die we inmiddels uit en te na kennen – ook uit documentaires – en het liefst even zouden vergeten.

The First Wave weet toch door die Coronamoeheid heen te breken. Als een soort shockbehandeling. Zo ernstig was – en is/wordt – het dus in de ziekenhuizen. Tegelijkertijd laat de film ook de medemenselijkheid zien, die juist op zulke momenten komt bovendrijven. Als een patiënt bijvoorbeeld het ziekenhuis mag verlaten om thuis verder aan zijn/haar herstel te werken, gebeurt dat onder luid applaus van het zorgpersoneel.

Zulke verbondenheid in tijden van nood is zeker niet (meer) overal vanzelfsprekend.

69: The Saga Of Danny Hernandez

Toen hij groot ‘69’ op zijn voorhoofd liet tatoeëren, was er geen weg meer terug voor Daniel Hernandez, een latino-tiener uit Bushwick, Brooklyn. Hij zou het moeten gaan maken als Tekashi69 (ofwel: 6ix9ine). Als rapper met regenbooghaar, diverse gezichtstatoeages en tanden in allerlei verschillende kleuren. Ophef werd z’n handelsmerk. Zijn videoclips hadden zogezegd een enorme ‘shock value’: seks, coke en geweld. En op Instagram schopte hij wild om zich heen. Succes verzekerd: een bepaalde categorie jongeren identificeert zich maar wat graag met een straatwijze gangster.

In 69: The Saga Of Danny Hernandez (102 min.) wil regisseur Vikram Gandhi, bekend van zijn hoofdrol als nep-goeroe in de documentaire Kumaré, vat krijgen op de omstreden rapper, die zich uiteindelijk helemaal vastdraait in zijn eigen shit. Dat wordt de filmmaker niet door iedereen in dank afgenomen. Een buurtbewoner die hem te woord wil staan wordt ter plaatse luidkeels ter verantwoording geroepen. In dat opzicht doet Gandhi’s queeste denken aan Nick Broomfields pogingen om klaarheid te krijgen in de moorden op Tupac en Biggie, helden van een eerdere hiphopgeneratie. 

Ook Gandhi krijgt vooral belangrijke bijfiguren te spreken: Danny Hernandez zelf wil hem niet te woord staan. En dus meldt de filmmaker zich bij diens tatoeëerder, geluidstechnicus, chauffeur, haarstylist en collega’s (waarmee hij tegenwoordig soms op gespannen voet staat). Sara Molina, Hernandez’s ex-vriendin en moeder van zijn dochter, probeert de jongen achter het personage te schetsen. Al heeft ook zij nooit echt aan de binnenkant mogen kijken bij dit typische product van een New Yorkse achterbuurt, dat heeft geleerd dat hij moet vechten om te overleven.

Met zijn bronnen, geïllustreerd met clips en social media-uitingen van zijn hoofdpersonage, probeert Vikram Gandhi de opmars van Hernandez te vangen. Eerst begon hij zijn eigen kledinglijn, met teksten als Nigger, HIV of Pussy Eater erop. Daarna was er de rel rond een filmpje van groepsseks met een dertienjarig meisje, dat hij ongegeneerd deelde via social media. En toen volgde ook nog de ‘beef’ met rapper Trippie Redd, waarbij hij zich ter zijde liet staan door de beruchte Nine Trey Bloods Gang. Waar Tekashi69 kwam, zo was toen wel duidelijk, kwam gedonder.

Daarbij was het altijd weer de vraag of Danny Hernandez echt kwaad in de zin had of vooral uit was op goedkope publiciteit. Wat zijn motivatie ook mocht zijn, al die commotie legde hem bepaald geen windeieren: met hits als GummoTrollz en Gooba werd Tekashi69 een mondiaal fenomeen. Totdat hij dus werd ingehaald door zijn eigen Bad Boy-imago en zich serieus in de nesten werkte. Daar zit ook de aantrekkingskracht van deze scandaleuze documentaire, die een toxische wereld blootlegt waarin zo’n beetje alles wat fout is zowel de weg naar roem en geld als de levende hel kan plaveien.

The Velvet Underground

Apple TV+

Het zou ongepast zijn geweest als Todd Haynes van The Velvet Underground (120 min.) zo’n typische joyeuze popdocu, waarin nostalgie de boventoon voert, had gemaakt. Hoewel de documentaire in wezen het vaste stramien van zulke films volgt – ontstaan, opkomst, bloei, implosie en herwaardering – is de toonzetting aanmerkelijk donkerder en wekt ook het veelvuldige gebruik van splitscreen licht vervreemdend. De film lijkt daarmee in eerste instantie al net zo weinig aaibaar als de experimentele rockband rond zanger/songschrijver Lou Reed en multi-instrumentalist John Cale.

Zij creëerden samen met gitarist Sterling Morrison en drummer Maureen Tucker, en onder de hoede van popartheld Andy Warhol, in de tweede helft van de jaren zestig een geheel eigen universum. Met als voornaamste wapenfeit dat klassieke debuutalbum uit 1967, met tijdloze Reed-songs over drugsgebruik en sadomasochisme zoals Venus In Furs, Heroin en I’m Waiting For The Man, vocale bijdragen van de Duitse actrice/zangeres Nico (Femme Fatale, All Tomorrow’s Parties en I’ll Be Your Mirror) en natuurlijk Warhols klassieke bananenhoes.

Haynes neemt de tijd om toe te werken naar het ontstaan van The Velvet Underground. Eerst schetst hij de achtergrond van de twee belangrijkste groepsleden, de getormenteerde Reed en zijn Welshe tegenpool Cale, en hoe zij elkaar vonden in de avant-garde scene van New York. Daarna zoomt hij in op de illustere band zelf en z’n natuurlijke omgeving, Warhols Factory. Hij spreekt met de twee nog levende bandleden, John Cale en Maureen Tucker, laat Lou Reeds zus Merrill en vertegenwoordigers van de toenmalige scene aan het woord en vult dat aan met archiefinterviews met Reed, Morrison en Nico.

Met een arty montage van concertbeelden, foto’s, kunstwerken, posters, performances en tijdsbeelden weet Todd Haynes vervolgens de geest van de band goed te pakken te krijgen. The Velvet Underground is daardoor precies de bandfilm – conventioneel met een rafelrandje – geworden die de goegemeente verwacht. En dat is in dit geval niet eens een diskwalificatie.