We Zien Ons

Allerzielen in Lindenheuvel / Human

We zien ons. Als in: tot de volgende keer. En: we houden elkaar in het oog. Een treffende titel voor deze zesdelige documentaireserie van Deborah van Dam. Het eroderen van sociale verbanden, en stiekem de kop opstekende eenzaamheid, vormt de onderlegger voor dit portret van de Geleense volkswijk Lindenheuvel. De mijn is gesloten, de kerk loopt leeg en de harmonie heeft een ledentekort. Het is een decor dat je met documentairemaker Hans Heijnen associeert. Hij maakte al diverse fraaie films over Limburg, zoals Bewakers Van Bemelen en Bokken En Geiten.

We Zien Ons (210 min.) volgt eerder het spoor van de succesvolle miniseries Schuldig (over verborgen armoede in een Amsterdamse wijk) en Stuk (over hoe patiënten in een revalidatiecentrum omgaan met het lot dat hen is toebedeeld): het wel en wee van enkele sleutelfiguren uit een kleine gemeenschap moet een grotere thematiek inzichtelijk maken. Die krijgt ditmaal vaste gezichten zoals een voormalige mijnwerker (die kortademig mijmert over zijn koempels), het typische buurtmeisje Alyza (dat de wijk wil verlaten voor een droombaan in het buitenland), de voetbaltrainer (die een surrogaatfamilie heeft gevonden bij de club), meneer pastoor (voor wie elke parochiaan er tegenwoordig één is) en de uitbaatster van de lokale kroeg (die als een moederkloek over de wijk waakt).

Een alwetende verteller voorziet hun lotgevallen van kleur en context. Het is de beschermheilige Sint Barbara, waarvoor schrijfster/dramaturge Katja Schoondergang de voice-over tekst verzorgde. De keuze om een dominante stem met een eigen signatuur toe te voegen aan de alledaagse beslommeringen van gewone mensen – die ook de makers van Schuldig (waarbij Schoondergang eveneens betrokken was) en Stuk (waarin regisseur Jurjen Blick een literaire toon zocht en vond) al maakten – voelt hier wat gekunsteld. Ook omdat deze Sint Barbara toch echt Algemeen Beschaafd Nederlands spreekt. Het plaatst haar op afstand van de gebeurtenissen (maar wellicht was dat ook de bedoeling: de blik van een buitenstaander op een hechte gemeenschap). Insider Hans Heijnen zou vast op zoek zijn gegaan naar een Limburgse stem.

’Ik denk dat ik in Lindenheuvel wil blijven’, zegt de jongeling Ayoub met onvervalst Limburgse tongval tegen Alyza, die op het punt staat om definitief naar Griekenland te verkassen. ‘Stel dat ik ooit ga verhuizen, dan naar een andere straat.’ Als kind van een mijnwerker is Ayoub geboren en getogen in Lindenheuvel, maar voor sommigen blijft hij gewoon een Marokkaan. Zo verhaalt We Zien Ons (tagline: over achterblijvers en doorzetters) niet alleen over een verdwijnende manier van leven, maar ook over nieuwe verbanden en veranderende verhoudingen. En net als de kerk heeft de lokale moskee te kampen met een afnemend aantal praktiserende gelovigen.

Het zijn kleine menselijke verhalen, fraai gefilmd en aangekleed met weelderige muziek, die Van Dam hier opdist: over de manier waarop mensen in tijden van verandering toch een oogje op elkaar proberen te houden. Anders wacht, zo lijkt de impliciete boodschap, de eenzaamheid van het beeldscherm. Het niveau van Schuldig en Stuk haalt We Zien Ons vooralsnog niet in de eerste twee afleveringen die ik heb gezien – ook omdat publiekslievelingen zoals Dennis van de Dierenwinkel of Daan Buringa lijken te ontbreken – maar de serie geeft treffend een menselijk gezicht aan een gecompliceerd maatschappelijk thema.

Tricky Dick

CNN

Als de huidige Amerikaanse president Donald Trump al een politieke voorvader heeft, dan moet het Richard Milhous Nixon zijn. De 37e president van de Verenigde Staten moest op 9 augustus 1974 aftreden vanwege een dreigend impeachment (een afzettingsprocedure die ook Trump, vanwege de nasleep van Russiagate, nog altijd boven het hoofd hangt). Het Watergate-schandaal was hem fataal geworden.

De drang van zowel Nixon als Trump om ten koste van alles te winnen, waarbij stelselmatig grove taal wordt gebezigd, geen ‘dirty trick’ onbenut blijft en de opponent liefst he-le-maal kapot wordt gemaakt, blijft ongeëvenaard. Het lijkt bovendien alsof beide mannen een aartsvijand nodig hadden/hebben om zichzelf als politicus te definiëren. Wat de Clintons, Crooked Hillary voorop, zijn voor Trump, waren destijds de Kennedys voor Nixon.

Hoewel de parallellen tussen de twee omstreden leiders onmiskenbaar zijn, worden die in Tricky Dick (168 min.) niet getrokken. De vierdelige docuserie brengt sec, chronologisch en zonder voice-over Nixons leven in beeld met een uitputtende collectie (nog niet eerder vertoond) archiefmateriaal. Uit de tijd dat de hele westerse wereld in brand leek te staan en Nixon als zelfverklaarde pleitbezorger van de gewone man afwisselend als pyromaan en brandweerman optrad.

Intussen wordt steeds duidelijker zichtbaar hoe de slinkse Nixon zich, net als Donald Trump een halve eeuw later, kon ontwikkelen tot de meest gehate Amerikaanse politicus van zijn tijd. Met behulp van ‘the silent majority’ wist hij nochtans twee presidentsverkiezingen te winnen. Niet dat hij daarvan gelukkig werd, trouwens. De persoonlijke achtergronden en motieven van de getroebleerde politicus worden in deze serie echter nauwelijks belicht. Naar wat Nixon werkelijk dreef – en uiteindelijk verteerde – blijft het gissen.

Deel 1 opent met zijn afscheidsspeech, gaat vervolgens terug naar zijn armoedige jeugd en stapt daarna met zevenmijlslaarzen door de beginperiode van zijn politieke carrière. Die culmineert in de presidentsverkiezingen van 1960, waarbij hij het nét aflegt tegen John F. Kennedy. In de volgende episode klimt hij uit een diep dal en hervindt zichzelf voor de presidentscampagne van 1968. Daarin komt het uiteindelijk niet tot een reprise van de tweekamp Nixon-Kennedy, omdat ook Johns jongere broer Bobby wordt vermoord.

Als president heeft Nixon in het derde deel van Tricky Dick vervolgens zijn handen vol aan de oorlog in Vietnam, die steeds verder ontspoort en ook in eigen land tot gewelddadige confrontaties leidt. Het is ook in deze periode dat hij geheime opnameapparatuur – die zijn gekonkel en vuilbekkerij rücksichtslos vastlegt – installeert in zijn ‘oval office’. Deze beslissing zal als een boemerang bij hem terug komen en in de slotaflevering ook zijn politieke lot bezegelen.

En daarmee zijn we weer aanbeland bij de openingsscène van deze gedegen geschiedenisles, die de kritische momenten uit Tricky Dicks veelbewogen leven netjes op een rij zet, zonder daaraan nieuwe elementen toe te voegen: het historische moment waarop diezelfde Richard Milhous Nixon zich klaarmaakt voor de aankondiging van zijn gedwongen afscheid, als eerste en vooralsnog enige Amerikaanse president. Zittend voor de camera maakt hij enkele belegen grapjes en lacht zijn tanden nog eens bloot, waarna hij de moeilijkste woorden van zijn leven probeert te vinden.

The Family

Netflix

Als The Family niet bestond, zouden complotdenkers het broederschap beslist hebben verzonnen. ‘Als Jezus Christus iets organiseert maakt Hij de organisatie onzichtbaar’, stelt de enigmatische leider Doug Coe, ‘de machtigste man in Washington waarvan je nog nooit hebt gehoord’, tijdens één van zijn weinige publieke optredens. ‘De maffia gebruikt ook zo’n soort organisatie.’ The Family, zo’n tachtig jaar geleden opgericht door een Noorse immigrant, is onder Coe’s bewind een zogenaamde non-organisatie geworden.

Hoewel de conservatief christelijke lobbygroep jaarlijks het prestigieuze National Prayer Breakfast organiseert, waarbij de Amerikaanse president en zo ongeveer alle politieke kopstukken acte de présence geven, proberen Coe en de zijnen koste wat het kost buiten beeld te blijven. Die geheimzinnigheid spreekt natuurlijk tot de verbeelding en wordt dus ingezet als het unique selling point van The Family (245 min.), een vijfdelige docuserie van Jesse Moss die is gebaseerd op twee boeken van Jeff Sharlet.

Deze Amerikaanse auteur woonde zelf als jongeling enkele jaren in Ivanwald, het huis van de nieuwe lichting Family-leden, en fungeert nu als verteller voor deze documentairereeks over het invloedrijke verbond. Sharlets persoonlijke ervaringen zijn in de eerste aflevering zelfs gedramatiseerd, waarbij de bekende karakteracteur James Cromwell de rol van Doug Coe voor zijn rekening neemt. Die scènes verhouden zich lastig tot het documentairedeel van de episode. In de rest van de serie blijven ze bovendien vrijwel achterwege.

Het vermeende sektarische karakter van het broederschap, dat er eigen huizen en discipelen op nahoudt, wordt verder ook nauwelijks uitgewerkt. Inhoudelijk piept en kraakt het wel vaker in The Family. De belofte dat het christelijke genootschap méér is dan een invloedrijke lobbygroep, die in alle stilte zijn belangen probeert te behartigen, zowel in eigen land als bij dubieuze regimes elders in de wereld, en daarbij vuile handen maakt, die daarna natuurlijk steevast in onschuld worden gewassen, wordt in elk geval nooit overtuigend ingelost. Losse flodders en eindjes te over, concrete voorbeelden van Bilderberg-achtige machinaties veel minder.

‘Fundamenteel ondemocratisch’, oordeelt Sharlet, een man die het drama bepaald niet schuwt, niettemin over The Family. Dat mag zo zijn, maar regisseur Moss slaagt er in deze serie niet in om de grootschalige samenzwering, die allerlei aluhoedjes vast al tijden op het spoor waren, écht aan te tonen. Een typisch geval van ‘overselling’. In de slotaflevering, waarin hij zelf een gebedsgroep gaat bezoeken, ineens serieus in gesprek wil over de beweegredenen van individuele familieleden en bovendien de link met Donald Trump probeert te leggen, raakt de filmmaker het spoor helemaal bijster. Kritische kijkers zijn dan allang afgehaakt.

The Great Hack

Is deze geest ooit nog in de fles te krijgen? vraag je je in gemoede af na The Great Hack (114 min.), een unheimische film van Karim Amer en Jehane Noujaim over hoe het verzamelen van onwerkelijke hoeveelheden persoonlijke data door techgiganten en de (online) inzet daarvan voor propaganda-doeleinden wereldwijd een bedreiging vormen voor de democratie.

De filmmakers, die eerder samen de bekroonde docu The Square over het begin van de Arabische Lente op het Egyptische Tahrir-plein maakten, focussen zich op één concrete casus: Cambridge Analytica, het Britse bedrijf dat illegaal enorme datacollecties van Facebook ripte en daarmee online campagnes opzette om stiekem het stemgedrag van grote groepen mensen, de zogenaamde ‘persuadables’, te beïnvloeden. De Britse keuze voor een Brexit en de verkiezing van Trump gelden als hun voornaamste wapenfeiten – al blijft schimmig welke invloed de politieke marketeers nu precies hebben gehad.

Cambridge Analyticas business model voelt voor de Engelse schrijver en politiek technoloog Paul Hilder in elk geval ‘als een inbreuk op de autonomie en vrijheid van een individu en het idee van democratie’. Hij spoort ‘somewhere in Thailand’ voormalig kopstuk Brittany Kaiser op en confronteert haar met die onrustbarende conclusie. ’Ik weet het niet’, houdt de vrouw, die een sleutelrol speelde bij het Britse bedrijf en begin 2018 ineens last kreeg van haar geweten, de boot af.

Zij verwijst naar het door haar en haar collega’s gemanipuleerde stemvee in Amerikaanse swing states en het Engelse Leave-kamp. ‘Uiteindelijk zijn zij degenen die het stembiljet invullen.’ Liever spreekt Kaiser over haar leven vóór Cambridge Analytica toen ze werkte voor Team Obama en zich volgens eigen zeggen bezighield met mensenrechten en internationale betrekkingen. Totdat ze dus op een onbewaakt ogenblik, toen het water haar en de haren aan de lippen stond, Cambridge-CEO Alexander Nix tegenkwam…

Wil de enigmatische Brittany Kaiser, die inmiddels onder de noemer OwnYourData een eigen campagne voor meer transparantie is begonnen, werkelijk openheid van zaken geven? Of probeert ze vooral haar eigen straatje schoon te vegen? The Great Hack geeft daarop geen eenduidig antwoord. In die zin is ze een ideaal documentairepersonage: a woman you love to hate. Die je op zijn minst wantrouwt. Met een achtergrond waarin, wellicht, ook wel weer een geloofwaardige verklaring huist voor haar gedrag.

Intussen eist de New Yorkse dataprofessor David Carroll in een Britse rechtbank de van hem gestolen persoonlijke gegevens terug, vergelijkt onderzoeksjournaliste Carole Cadwalladr Cambridge Analyticas propagandacampagne met PSYOPS, een psychologische oorlogsvoeringscampagne van de CIA, en is de voormalige CFO van de gewraakte Engelse onderneming nog altijd geschokt dat juist zijn werkgever publiekelijk onder vuur is komen te liggen.

Gezamenlijk schetsen deze insiders een schemerwereld waarin ‘data’ de plek van ‘olie’ als meest waardevolle grondstof hebben ingenomen, morele overwegingen nauwelijks een rol lijken te spelen en in de tussentijd ons on(der)bewuste op alle mogelijke manieren wordt bespeeld. Met datamisbruik, fake news en haatcampagnes als logisch gevolg. Deze documentaire, vlot verteld en lekker bij de tijds vormgegeven, doet zo een overtuigend appel op eenieder die de democratie een warm hart toedraagt, om zich daartegen véél beter te gaan wapenen.

March Of The Penguins 2

Het zijn zogezegd net mensen, die pinguïns. En tegelijkertijd blijven ze lekker exotisch. Ideaal materiaal dus om je aan te vergapen. Dat bleek al bij de kaskraker March Of The Penguins (2005) en wordt opnieuw bevestigd met deze opvolger.

In March Of The Penguins 2 (79 min.) geeft de Franse regisseur/bioloog Luc Jacquet zijn succesformule nog maar eens een slinger met een klassiek ouder-kind verhaal. De lotgevallen van Keizer, die samen met zijn pinguïnvrouwtje heel wat ontberingen moet doorstaan voor zijn zoon De Jonge Keizer, worden opgediend met een uitgekiende flashback-structuur.

Thomas Acda fungeert daarbij als luchtige verteller, met een Amsterdamse tongval en veel (flauwe) grapjes. Een keuze die valt te betwisten. Het kost Acda moeite om de film te dragen. Zeker als je hem afzet tegen de majestueuze voice-over van de oorspronkelijke versie van de film, Morgan Freeman.

Deze opvolger borduurt verder vrolijk voort op het Oscar-winnende origineel, één van de succesvolste natuurdocumentaires ooit. Met subliem camerawerk dat majestueuze vergezichten paart aan veel oog voor detail wordt een klein – ik zou bijna zeggen: menselijk – verhaal uit de doeken gedaan. Waarbij Jacquet kiest voor één enkele pinguïn als hoofdpersoon, die (natuurlijk) menselijke eigenschappen wordt toegedicht.

Uiteindelijk is ook deze tweede episode van March Of The Penguins een gemakkelijk invoelbaar verhaaltje over hoeveel ouders voor hun kinderen (moeten) doen. En tussendoor worden er natuurlijk heel wat buikschuivers, bommetjes en plonsduiken gemaakt, gaat de camera mee onder water en in de lucht en ontsnapt het jonge kuiken bovendien op diverse manieren aan de dood. Een entertainende film, kortom.

The Camera That Changed The World

BBC

De mobiele camera maakte eind jaren vijftig de revolutie mogelijk, die zich allang in het hoofd van de filmmakers had voltrokken. Ineens hoefde het ding niet meer op een statief te worden geplaatst en kon de cameraman gaan ‘schouderen’. Een geheel nieuw filmgenre kon zich zo ontwikkelen: de direct cinema (of zijn Franse pendant, cinema vérité).

Waar documentaire tot dat moment een statisch en geënsceneerd gebeuren was gebleven, kon ineens het echte leven in beeld worden gebracht. De camera ging zich in de actie mengen, bewoog (mee) en kon stiekem gebeurtenissen vangen. Het was een ontwikkeling die aansloot bij de tijdgeest: de stijve jaren vijftig maakten plaats voor de swingin’ sixties. Als kijker was je daar waar het gebeurde.

De revolutie voltrok zich zo ongeveer simultaan in de Verenigde Staten en Frankrijk en resulteerde direct in twee klassieke films: Primary, de documentaire die van een onbekende Amerikaanse politicus, ene John Kennedy, tegelijkertijd een mens van vlees en bloed en een onweerstaanbare publiekslieveling zou maken. En z’n Franse tegenhanger Chronique D’Un Été, over het dagelijks leven van gewone Parijzenaars.

De documentaire The Camera That Changed The World (59 min.) van Mandy Chang uit 2011 – netjes met statief opgenomen overigens en voorzien van interviews en archiefmateriaal – brengt dit scharnierpunt in de documentairehistorie in beeld met de pioniers van het genre in Amerika (Robert Drew, Albert Maysles, Richard Leacock en D.A. Pennebaker, die begin augustus op 94-jarige leeftijd overleed) en Frankrijk (Jean Rouch, Michel Brault en Jean-Pierre Beauviala).

Zonder hen zou de observerende film zoals we die nu kennen, nog altijd één van de dominantste documentairegenres, er totaal anders uit hebben gezien. Zonder hun camera’s zouden fly on the wall-klassiekers als Dont Look Back, Titicut Follies en The War Room bovendien nooit het licht hebben gezien. En zonder die films zouden de popmuziek, psychiatrie en politiek een ander karakter hebben gehad.

Diego Maradona

Cineart

Het contrast kan niet groter: de man die in de beginscène van de film letterlijk is achtervolgd naar zijn grootse presentatie als nieuwe held van de Italiaanse voetbalclub SSC Napoli, verlaat de club en stad waar hij wordt vereerd als een God ruim twee uur later als een dief in de nacht. Zeven jaren (1984-1991) zijn ondertussen gepasseerd. Die periode, waarin hij eigenhandig van een provincieclub een internationale grootmacht maakte en zelf zowel volksheld als meest gehate man van het land werd, vormt het woest kloppende hart van deze puike documentaire.

Regisseur Asif Kapadia vermijdt in Diego Maradona (130 min.) zo de valkuilen van de traditionele sportbiografie, waarin eerst de jeugdjaren aan bod komen, daarna de successen van de held uitbundig worden gevierd en tot slot diens onvermijdelijke neergang zijn beslag krijgt. Sterker: Maradona’s voetballeven van vóór zijn Napolitaanse periode, dat hem nochtans langs Boca Juniors en FC Barcelona voerde, worden met enkele grove pennenstreken afgedaan. En ook de schertsfiguur die hij ná zijn carrière werd komt nauwelijks aan bod.

Kapadia concentreert zich vrijwel volledig op zijn tropenjaren in Zuid-Italië, waar Diego Maradona zichzelf vond en ook weer kwijtraakte. Zoals Johan Cruijff bij Barcelona de Catalanen hun zelfrespect teruggaf, bezorgde hij intussen Napels, het riool van Italië, en haar inwoners, de Afrikanen van Europa, geloof in zichzelf. Hij zou er een enorme prijs voor betalen. Aan de lokale tifosi, die hem gaandeweg helemaal verzwolgen, én aan de Camorra, de plaatselijke tak van Italië’s beruchte georganiseerde misdaad. De Giuliano-clan om precies te zijn. Zij voorzagen hem tevens van vrouwen en coke.

Diego komt gaandeweg steeds nadrukkelijker tegenover Maradona te staan. Het lievige jongetje uit een volksbuurt tegenover het larger than life-personage. Bij de één voelde je je thuis, vertelt zijn personal trainer Fernando Signorini. Die ander probeerde je te mijden als de pest. Samen met Diego’s zus, de vrouwen uit z’n leven, teamgenoot en volbloed-Napolitaan Ciro Ferrara, clubfunctionarissen, fans, sportjournalisten en Diego zelf (of is het toch Maradona?) plaatst hij het buitengewone verhaal van het Argentijnse straatschoffie in zijn context.

Net als in zijn eerdere films (Ayrton) Senna en Amy (Winehouse) laat Kapadia intussen de beelden het werk doen. Alle geïnterviewden blijven volledig off screen. Het prachtige archiefmateriaal dat de filmmaker heeft verzameld van zijn protagonist is bovendien daadkrachtig gemonteerd en met slicke muziek flink op temperatuur gebracht. De filmmaker bouwt er een enerverende vertelling mee, een tragisch exposé over een (bijna) fatale combinatie van talent, succes en roem.

In zekere zin geldt ook voor ‘Diego’ het aloude adagio: Napels zien en dan sterven… En ‘Maradona’ staat nu al ruim 25 jaar op zijn graf te dansen.

Shangri-La

Rick Rubin

‘Het gaat om de artiesten, de conversaties die we daarmee hebben en het verhaal dat daaruit voortvloeit’, stelt Rick Rubin bij aanvang van de aan hem en zijn studio gewijde documentaireserie Shangri-La (219 min.). ‘In zekere zin is dit een vehikel om de processen te laten zien van de mensen waarmee we in gesprek gaan.’ De Amerikaanse sterproducer benadrukt het nog maar eens: ‘Het gaat zeker niet om mij.’

‘Het is net een spiegelpaleis’, constateert documentairemaker Morgan Neville (20 Feet From Stardom, Won’t You Be My Neighbor? en They’ll Love me When I’m Dead) vervolgens, terwijl de camera langs de spierwitte muren van Rubins studio in Malibu dwaalt. Er hangt niks aan de muur, schilderijen zouden het eigen voorstellingsvermogen maar in de weg zitten. ‘Als jij simpelweg reflecteert wat een artiest inbrengt’, stelt Neville. ‘Dan kijk ik dus weer naar een reflectie van een reflectie.’

En daarmee is deze even ambitieuze als onevenwichtige, veelvuldig aan speelfilms en filosofie refererende serie afgetrapt. De bedreven kijker weet inmiddels: dit wordt geen routinematig carrièreoverzicht van de bebaarde topproducer Rick Rubin, de punkrocker die ooit een enorme liefde opdeed voor hiphop, vervolgens aan de basis stond van de doorbraak van Run-DMC, Public Enemy en Red Hot Chili Peppers en later ervaren cracks als Johnny Cash, Joe Strummer en Neil Diamond in de herfst van hun carrière tot een grandioos slotakkoord inspireerde. ’s Mans roemruchte muziekgeschiedenis wordt slechts in de kantlijn aangedaan.

Shangri-La, een naam die verwijst naar het aardse paradijs, neemt de kijker mee naar een soort muzikaal retraitecentrum in Californië, waar The Band ooit opnam voor de legendarische concertfilm The Last Waltz. In een meditatief decor zwaait de relaxte gastheer Rick Rubin (lange grijze baard, witte kleding en altijd blootvoets) er tegenwoordig met zalvende woorden de scepter. Hij strooit met bemoedigende knikjes en diepe levenswijsheden. ‘The artist may not always be the maker’, luidt bijvoorbeeld het leidmotief van aflevering 1 van deze vierdelige serie. ‘It may be the person who sees the piece and recognizes the art in it.’

Je kunt er Rubins metersdiepe stem moeiteloos bij verzinnen. En je ziet hem er bijna bij liggen: ontspannen op zijn rug, de handen vredig ineen gevouwen en meebewegend met zijn kalende hoofd. Verstand op nul en dan nadenken, zoiets. De sterproducer neemt tevens plaats tegenover artiesten die onder zijn hoede aan nieuwe albums werken, zoals de indieband Vampire Weekend, singer-songwriter Benjamin Clementine of het onlangs, aan een overdosis overleden multitalent Mac Miller. Als een goedmoedige goeroe staat hij hen bij met zijn levensspreuken (waarvan er ook dagelijks één op zijn Twitter-account belandt). Hij zet daarmee de luiken open – en, zo nu en dan, ook de lachspieren aan het werk.

Met sleutelfiguren uit zijn loopbaan (Mike D van Beastie Boys, Public Enemy-voorman Chuck D., rapper LL Cool J, Red Hot Chili Peppers-bassist Flea, Robbie Robertson, meestergitarist Carlos Santana, Weezer-frontman Rivers Cuomo en filmmaker David Lynch) filosofeert hij bovendien over thema’s als identiteit, creativiteit en spiritualiteit. Rubin gaat daarnaast zelf te rade bij coaches, yogi’s en adviseurs. ‘Ik spreek met de artiest en dan luister ik echt heel goed’, zegt hij bijvoorbeeld op het strand tegen de spiritueel schrijver Kent Nerburn. ‘Het is in zekere zin de kunst van er niet zijn’, antwoordt deze. ‘Het is de kunst om uit de weg te gaan en de ruimte geven aan wat er ook komt.’

En dan komt er, als een onvervalste deus ex machina, een Californische natuurbrand die de rust in Rubins Shangri-La danig verstoort…

PS Getuige enkele gedramatiseerde scènes uit deze documentaireserie had Rick Rubin al op zéér jonge leeftijd een lange, grijze baard en leek hij in bepaalde fases van zijn leven zelfs te worden aangestuurd door een poppenspeler.

I Love You, Now Die: The Commonwealth v. Michelle Carter

Conrad: ‘Ik hou zoveel van je.’

Michelle: ‘Ik zal altijd van je houden.’

Roy: ‘Ik heb nu echt verschrikkelijke pijn. Het is echt onverdraaglijk.’

Michelle: ‘Dan is dit het moment om het te doen.’

Michelle: ‘Het is oké dat je bang bent. Dat is normaal.’

Michelle: ‘Je staat tenslotte op het punt om te sterven.’

Kun je iemand die een ander heel nadrukkelijk naar zijn zelfverkozen dood heeft gepraat veroordelen voor moord of doodslag? Dat lijkt aanvankelijk de centrale vraag van I Love You, Now Die: The Commonwealth v. Michelle Carter (140 min.), waarin de geruchtmakende zaak tegen de Amerikaanse tiener Michelle wordt belicht. Via steeds opdringerige SMS-berichten zou zij in 2014 haar achttienjarige vriend Conrad Roy hebben aangezet, of zelfs gedwongen, tot zelfdoding.

Filmmaker Erin Lee Carr, die in de afgelopen jaren al duchtig van zich deed spreken met de opzienbarende true crime-docu Mommy Dead And Dangerous (2017) en een film over seksueel misbruik in de Amerikaanse turnwereld At The Heart Of Gold: Inside The USA Gymnastics Scandal (2019) werpt gaandeweg echter nog hele andere en al even prangende vragen op in dit intrigerende documentaire-tweeluik en toont daarmee aan dat het ware verhaal een stuk gecompliceerder is dan de karikaturale mediaversie ervan, over de harteloze feeks Michelle die een argeloze jongen de dood indreef.

De noodlottige ontmoeting tussen Michelle Carter en Conrad Roy vond plaats in 2012. Ze zagen zichzelf als een moderne Romeo en Julia, waarbij hun romance zich met name online afspeelde. Hoewel ze slechts een uurtje rijden van elkaar woonden, zou het slechts vijf keer tot een ontmoeting in levende lijve komen tussen de geliefden. Hun bijzonder intensieve contact speelde zich vrijwel volledig af in een soort virtuele contactzone, waarbij hun eigen, vet aangezette en snel getikte ervaringen en gevoelens zich al snel vermengden met dramatische ontwikkelingen in en rond de televisieserie Glee en de tienerfilm The Fault In Our Stars. Zo dreven ze elkaar langzaam maar zeker tot waanzin.

Carr zet de duizenden SMS-jes die de twee getormenteerde tortelduifjes in twee jaar met elkaar uitwisselden zéér effectief in. Ze fungeren als structurerend en dramatiserend element voor een film die steeds een laag afpelt van de jongeren en hun tragische relatie en geven de verhaallijn steeds een duwtje in een andere richting. De familie Roy verleent daarbij hand- en spandiensten, terwijl Michelle en de rest van de Carter-familie alle interviewaanvragen hebben afgeslagen. Haar advocaat en de psychiater Peter Breggin, die door Michelles verdediging als getuige-deskundige wordt ingezet, proberen hun kant van het verhaal over het voetlicht te brengen.

Met die elementen creëert Erin Lee Carr een gelaagde en genuanceerde vertelling die de simpele whodunnit-vraag die de meeste true crime-films drijft volledig ontstijgt. Op de meeste vragen die de filmmaakster in I Love You, Now Die opwerpt, bestaan de eenvoudige antwoorden die veel Amerikanen verlangen ook niet. De aandacht voor deze geruchtmakende suïcide/moord zal vermoedelijk dus nog wel even aanhouden. Zeker omdat ook de zorgvuldig zwijgende Michelle, ooit, waarschijnlijk haar verhaal zal willen doen. Tot die tijd volstaat deze klassefilm over een helemaal bijdetijdse ‘fatal attraction’.

Waco: Madman Or Messiah

Een leider die alle antwoorden heeft en zelf toch één groot vraagteken blijft. Het is niet vreemd dat charismatische mannen als Bhagwan Sri Rajneesh, Jim Jones en Charles Manson een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefenen op zowel hun (voormalige) volgelingen als filmmakers. Na recente documentaires over de Bhagwan-beweging (Wild Wild Country), The Peoples Temple (Jonestown: Terror In The Jungle) en de Manson-familie (Inside The Manson Cult: The Lost Tapes) heeft Christopher Spencer nu de Waco-archieven uitgeplozen om met negen voormalige leden van de Branch Davidians en zijn tegenstanders een al even illustere sekteleider te portretteren: David Koresh.

Alle elementen voor een interessant en dramatisch verhaal dienen zich in 1993 als vanzelf aan rond de thuisbasis van diens religieuze gemeenschap op Mount Carmel, nabij Waco, Texas. De enigmatische leider die zich als vanzelfsprekend, omdat hij nu eenmaal een heilige plicht heeft, de (minderjarige) meisjes toe-eigent, gaat steeds meer in zichzelf geloven en zorgt zo intern voor spanningen. Het absolute Wij-gevoel, dat hij probeert af te dwingen, zorgt automatisch ook voor frictie met de buitenwereld. Waar Koresh zijn volgelingen de hemel op aarde leek bieden, leidt hij ze in werkelijkheid met vaste hand naar de poorten van de hel. Waar een eindconfrontatie van liefst Bijbelse proporties volgt. In het geval van Waco: de langste belegering uit de Amerikaanse historie. Met 82 dode leden, waaronder 23 kinderen, tot gevolg.

Het tweeluik Waco: Madman Or Messiah (172 min.) vertelt in eerste instantie twee parallelle verhalen: de ontwikkeling van de Branch Davidiansen de getormenteerde jongeling Vernon Howell – net als Charles Manson een mislukte muzikant – die zich onder de naam David Koresh opwerpt als absolute leider van de religieuze gemeenschap. Én de aanloop naar de maandenlange belegering van de thuisbasis van de sekte in Waco, die in het tweede deel zal uitlopen op een bloedige confrontatie tussen zwaarbewapende sekteleden en de FBI. Waarbij de federale agenten de ene na de andere tactische blunder begaan en Koresh en de zijnen, in een slinkse mediaoorlog, rücksichtslos als niets minder dan de vijand portretteren. Dat zal alle betrokkenen duur komen te staan.

Behalve voormalige sekteleden komen in deze stevige film ook hun voormalige opponenten aan het woord: FBI-medewerkers, de undercoveragent die bij de Branch Dividians infiltreerde en onderhandelaars die een confrontatie met Koresh’ familie moesten zien te voorkomen. Bijbel-kenners proberen intussen vat te krijgen op de ideologie en profetieën van Koresh, terwijl zijn stiefbroer en tante de persoon achter de messias/madman proberen te duiden. De grote leider zelf laat van zich horen via 247 geluidsbanden die door de FBI zijn gemaakt tijdens de belegering. Die opnames maken tastbaar hoe de situatie in Waco steeds verder ontspoort en een dramatische ontknoping, met het bijbehorende martelaarschap voor David Koresh, onafwendbaar wordt.

Tegelijkertijd geven de tapes een inkijkje in het hoofd van deze zelfverklaarde heiland, die nog altijd diep onder de huid zit bij zijn voormalige volgelingen. Waarbij onvermijdelijk de vraag opspeelt: was de man echt in zichzelf gaan geloven of was alles, van de diepe vergezichten tot de vurige preken, onderdeel van één grote relishow die alleen nog met hel en verdoemenis kon eindigen?

De Hoofdprijs

Lily

‘Ik ben rolstoelgebonden en heb heel weinig kracht’, vertelt de 23-jarige Lily in de televisiedocu De Hoofdprijs (74 min.). ‘Ik vind dat ik heel veel kan nog. Ik haat het woordje ‘nog’ trouwens. Dat vind ik een verschrikkelijk woord.’ Ze herstelt zichzelf: ‘Ik vind dat ik heel veel kan, maar ik heb ook heel veel hulp nodig.’

Lily heeft Spinale Musculaire Atrofie (SMA), type 2. Langzaam maar zeker levert ze spierkracht in. Totdat haar vitale functies het ooit zullen begeven en onvermijdelijk de dood volgt. Kinderen die type 1 van de progressieve spierziekte hebben, bereiken vaak niet eens de leeftijd van twee jaar. De diagnose SMA betekent in wezen een doodvonnis, zegt de Amerikaanse kinderarts en neuroloog Richard Finkel.

Vanuit de Verenigde Staten komen er echter hoopvolle berichten. Er zou een nieuw wondermedicijn zijn, Spinraza. Als posterboy daarvan introduceert regisseur Jannes van Lenteren, die deze degelijke film maakte in opdracht van het Prinses Beatrix Spierfonds, het Amerikaanse peutertje Cameron. Enkele weken na zijn geboorte werd hij gediagnosticeerd met SMA. ‘Dit was een kind, van wie ik hoopte dat hij in ieder geval twee vingers zou kunnen bewegen’, zegt zijn vader Rob. ‘En nu fietste hij op een driewieler.’

Camerons miraculeuze ontwikkeling wordt via de Facebook-pagina Hope For Cameron met de wereld gedeeld en zorgt natuurlijk ook in Nederland voor vraag naar het nieuwe medicijn. Spinraza moet echter eerst toegelaten worden tot de Nederlandse markt. Bovendien vraagt de Amerikaanse producent Biogen de hoofdprijs voor het ‘wondermiddel’: 750.000 dollar voor het eerste behandeljaar, 375.000 voor elk volgend jaar.

Twee jaar lang volgt Van Lenteren enkele Nederlandse patiënten die Spinraza willen gaan gebruiken. Ze dreigen het slachtoffer te worden van de moeizame onderhandelingen tussen de Nederlandse overheid en de farmaceut. Is de gevraagde prijs een redelijke compensatie voor de ontwikkeling van een levensreddend middel, waarmee bovendien de research voor toekomstige medicijnen kan worden gegarandeerd? Of maakt die prijs vooral duidelijk dat winstmaximalisatie voor de farmaceutische industrie écht belangrijker is dan de volksgezondheid?

Diverse pratende hoofden (artsen, de patiëntenvereniging, een woordvoerder van Biogen, Tweede Kamerleden en minister voor Medische Zorg en Sport Bruno Bruins) doen daarover hun zegje. Intussen blijven patiënten als Lily verstoken van het middel dat hun achteruitgang zou kunnen stoppen. ‘De laatste tijd gaat het echt heel snel’, zegt ze emotioneel. ‘En dat maakt me echt heel bang. Je ziet jezelf moeite krijgen met dingen. Je ziet jezelf dingen niet meer kunnen doen. En het hoeft niet. En dat maakt me zo boos.’ Lily laat een stilte vallen en benadrukt nog eens: ‘Het is niet nodig.’

The Accountant Of Auschwitz

Netflix

Vrolijke marsmuziek klinkt in de openingsscène van deze film. In beeld verschijnt de zwart-wit foto van een jonge militair. Rond brilletje, melancholiek gezicht. De stem van deze Oskar Gröning zorgt voor de herinneringen bij archiefbeelden van een concentratiekamp. ‘Het hoofdkamp van Auschwitz was net een klein dorp, met veel geroddel en geklets. Er was een kantine, een bioscoop.’ Intussen zien we hoe gezellig de medewerkers van het beruchte kamp ‘t hadden met elkaar. De opgewekte muziek zwelt weer aan: ‘Links um die Ecke…’ In het kader van de vrijetijdsbesteding wordt er enthousiast gesport. De atleten hebben ook mooie trainingspakjes aan, met een SS-embleem erop.

‘Het was een plek waar je vriendschappen voor het leven opdeed en waar ik met veel plezier op terugkijk’, blikt Gröning bij de start van The Accountant Of Auschwitz (75 min.) met weemoedige stem terug. Inmiddels wordt het archiefmateriaal van de levenslustige jongelingen afgewisseld met de huiveringwekkende beelden die we doorgaans associëren met het vernietigingskamp. ‘We waren ervan overtuigd dat we verraden waren door de hele wereld en dat er een grote samenzwering van Joden tegen ons was’, zegt de kampmedewerker nu, op zoek naar een verklaring en rechtvaardiging voor zijn eigen gedrag in de Tweede Wereldoorlog.

‘Maar je moet je toch hebben gerealiseerd dat zeker die kinderen je helemaal niets misdaan kunnen hebben?’ werpt de interviewer van dienst tegen, terwijl de alomtegenwoordige marsmuziek gaandeweg helemaal vastloopt en de openingsscène aan zijn einde komt. ‘Die kinderen zijn op het moment zelf natuurlijk niet de vijand’, stelt Gröning. ‘De vijand is het bloed dat door hun aderen stroomt.’ Die gedachtegang maakte het voor de Duitser (blijkbaar) mogelijk om te werken bij Auschwitz. Zijn werk in het kamp was voor hem een normale baan. De één werkt nu eenmaal bij Philips of Volkswagen, een ander bij de Firma Endlösung.

Oskar Gröning verzamelde bijvoorbeeld de spullen van Joden die aankwamen in het vernietigingskamp. Zij hadden die immers toch niet meer nodig – waaruit je overigens meteen kunt afleiden dat hij er wel degelijk van op de hoogte was wat er met de nieuwe kampgasten zou gaan gebeuren. Maar is de man, die zelf ogenschijnlijk verder geen geweldsdaden pleegde, daarmee ook (mede)verantwoordelijk voor de genocide die in zijn directe werkomgeving plaatsvond?

Die principiële vraag drijft deze film van Matthew Shoychet, waarin De Zaak Gröning wordt geplaatst tegen de achtergrond van rechtszaken tegen oorlogsmisdadigers (die verdacht vaak met een heel beperkte straf zijn weggekomen). Van beruchte beulen als John Demjanjuk lijkt het logisch dat ze tot in lengte van dagen worden vervolgd, maar kun je ook iemand veroordelen die zelf geen mens heeft vermoord en daartoe ook niet de opdracht heeft gegeven? En: wanneer houdt iemands schuld op?

Thuishaven

Nederlandse Filmacademie

In de psychiatrie mag je als patiënt nog geen schilderijtje aan de muur hangen, zo wil het verhaal. Uiteindelijk moet het vizier immers altijd gericht blijven op een leven buiten de instellingsmuren. En dus is het niet de bedoeling dat je je tijdens de behandeling thuis gaat voelen.

De 55 bewoners van het Judith van Swethuis in Amsterdam zijn echter uitbehandeld en proberen, met de mogelijkheden en onmogelijkheden die hen zijn gegeven, zo goed en zo kwaad als dat gaat te leven. In Thuishaven (25 min.), zijn afstudeerfilm voor de Nederlandse Filmacademie, observeert Niels Beth hen in hun kleine, beschermde wereld.

Hij vangt zo enkele indringende inkijkjes in het (samen) leven met een beperking. Als bewoner Joost, die tot dan versuft in zijn stoel heeft gehangen, tijdens een bijeenkomst van de religiegroep bijvoorbeeld ineens de telefoon opneemt en een geanimeerd gesprek begint, leidt dit tot irritatie bij de man die op dat moment voorgaat in het gebed.

Hij maant Joost het gesprek te stoppen. ‘Hans, Hans, ik zit midden in een vergadering’, probeert deze zijn (denkbeeldige?) gesprekspartner af te breken, terwijl zijn tics intussen steeds heviger worden. ‘Nee, in een gebed zitten we’, reageert de voorganger geërgerd, waarna hij de draad weer probeert op te pakken. ‘Met David bidden we…’

Met zulke treffende scènes kleurt Beth het leven van de bewoners van het Judith van Swethuis overtuigend in. Hun begeleiders Tanja en Jeffrey fungeren daarbij als verteller. Dat is op zich wat ongemakkelijk: er wordt – overigens met respect en in vrij algemene termen – wel óver de bewoners van het huis gesproken, maar niet mét hen. Waarschijnlijk illustreert die keuze echter vooral het sociale onvermogen van de hoofdpersonen.

De Oorlog Is Oud Ade Binnengekomen, Vijf Jaar Na MH17

KRO-NCRV

‘De oorlog is Oud Ade binnengekomen’, sprak diaken André van Aarle, nu alweer vijf jaar geleden, tijdens de kerkdiensten na MH17. Hij leende de woorden van dorpsbewoner Dammes van der Poel, die het gevoel in de Zuid-Hollandse gemeenschap perfect wist te verwoorden. Van der Poel wist ook als geen ander waarover hij sprak. Zijn eigen zoon Erik en diens vriendin Truike Heemskerk kwamen om het leven toen de vlucht van Malaysian Airlines boven Oekraïne uit de lucht werd geschoten.

Dammes en zijn vrouw Toos doorlopen in De Oorlog Is Oud Ade Binnengekomen, Vijf Jaar Na MH17 (42 min.) nog eens het hele proces dat ze toen moesten doormaken: van de allereerste berichten over een neergestort vliegtuig tot het begraven van de botdeeltjes van hun kind. In deze televisiedocumentaire van Stephanie Sint Nicolaas en Alje Kamphuis komen daarnaast diverse dorpsgenoten aan het woord: vrienden en kennissen van de overledenen, de voorzitter van de voetbalclub, een wethouder en de regisseur van de toneelgroep.

Gezamenlijk schetsen ze het beeld van een hechte gemeenschap, die eensgezind treurt en verwerkt. ‘Heel het dorp was in de rouw’, zegt diaken Van Aarle. ‘Er hing een soort van vacuüm, er hing een ijzige stilte waarin je de pijn voelde.’ Die onderlinge verbondenheid is duidelijk ook wat de documentairemakers aan de kijker willen meegeven. Het gevoel voor gemeenschapszin wordt steeds weer benadrukt. Zoals sommige activiteiten van Eriks ouders ook nét iets te geregisseerd ogen; alsof ze speciaal voor de camera worden uitgevoerd.

Dit laat onverlet dat De Oorlog Is Oud Ade Binnengekomen treffend documenteert wat het met ouders doet als ze het meest onnatuurlijke verlies, de dood van een kind, moeten zien te incasseren en welke rol de directe omgeving kan spelen bij het dragen van dat lot.

Veearts Maaike

KRO-NCRV

’t Is goed, meisje’, zegt de Groningse boer Evert Smink tegen zijn koe, terwijl hij haar liefdevol op de hals klopt. ‘Bedankt voor de melk die je hebt gegeven, hoor.’ Intussen dient Veearts Maaike (97 min.) het dier een fatale injectie toe.

De koe heeft onlangs onverwacht gekalfd en ligt sindsdien al dagen lusteloos op de grond. ‘Het komt niet meer goed’, heeft Maaike van den Berg even daarvoor geconstateerd. Evert wist het al, zegt hij. ‘Alleen zelf ben ik er nog niet helemaal aan toe.’ En nu moet de boer dus afscheid van zijn melkkoe. ‘Dank je wel. Je mag wel gaan’, fluistert hij haar liefdevol toe en aait haar nek. ‘Ga maar, meisje.’

De ontroerende scène is exemplarisch voor deze aardse docu van Jan Musch en Tijs Tinbergen, die eerder films als Mees TV en Rotvos maakten: een jonge, stoere en ambitieuze vrouw van de wereld staat zij aan zij met een man die helemaal is gevormd door het Groningse platteland, op een moment dat het ertoe doet.

In een andere, zeer expliciete scène probeert Maaike bijvoorbeeld een kalf ter wereld te brengen. Als dat niet op de reguliere manier kan, moet er een keizersnede aan te pas komen. Terwijl de veearts begint aan haar incisie, wendt boer Roelf Bus het gezicht even af. Het is een tafereel van vertrouwen en vertrouwdheid tussen boer en arts, intimiteit wellicht, die natuurlijk nooit wordt uitgesproken.

Leven en dood liggen dicht bij elkaar in de Nederlandse melkveehouderij. Als het gaat om de dieren, maar ook bij de bedrijven zelf. Sommige boeren bouwen een nieuwe stal en geven zichzelf daarmee opnieuw een toekomst. Bij andere families ontbreekt een opvolger en wacht een voortijdig einde – en waarschijnlijk het slachthuis voor de betrokken dieren.

Via de veearts wordt, met grootse droneshots en veel gevoel voor symmetrie, zo tevens haar directe werkveld in beeld gebracht: een boerengemeenschap uit de omgeving van Loppersum, die zich regelmatig de speelbal van Haagse en Brusselse regelgeving voelt. Maaike pendelt letterlijk op en neer tussen die twee werelden en voelt zich uiteindelijk gedwongen om te kiezen.

Ligt haar toekomst in de dagelijkse praktijk, rijdend van veehouderij naar veehouderij? Of moet ze het zoeken op een hoger niveau, als woordvoerder of vertegenwoordiger van dierenartsen? Zodat ze zich kan laten gelden over actuele thema’s als het gebruik van antibiotica, melkquota en fosfaatrechten.

Die tweestrijd brengen Musch en Tinbergen treffend in beeld in deze typische plattelandsfilm: de veearts die met beide poten in de klei staat – en menig uur achter het stuur doorbrengt, op weg naar alweer een boer – tegenover de eloquente vertegenwoordigster, die zich in haar werkveld wil manifesteren en metavragen stelt als: ‘hoe willen we in Nederland dieren houden?’ en ‘hoe willen we vlees eten?’.

Chasing The Moon

Het was net zo goed een tijd van grote woorden als van grote daden. ‘Na deze dag gaan we wellicht nog verder, naar Mars en Jupiter en zelfs naar de hemelen daar voorbij’, verklaarde een zwarte leider bij de lancering van de Apollo 11-raket op 16 juli 1969, tevens de openingsscène van deze historische docuserie. ‘Maar zolang racisme, armoede, honger en oorlog op aarde blijven heersen hebben wij als beschaafde natie gefaald.’

Een ander zag in de reis naar de maan niets minder dan een uitkomst: ‘Volgens sommigen is de zo populaire ruimtevaart een zoektocht naar een nieuw paradijs’, klonk het bijna religieus. ‘De mens voelt zich schuldig over de wereld waarin hij leeft en die hij misschien heeft leeggeroofd. En nu hij de volwassenheid heeft bereikt, moet hij een nieuwe plek gaan zoeken. Een plek waar de mens naartoe kan gaan met achterlating van de roestige kooi waarin zijn fouten hem gevangen hielden.’

En dan waren er vier dagen later, bij het betreden van het aanbeden hemellichaam, natuurlijk de iconische woorden van de eerste man op de maan zelf. ‘One small step for man’ verhaspelde Neil Armstrong de grootse zin die voor hem was geschreven. ‘For a man’, had hij moeten zeggen. Een man, hijzelf. En daarna, de mensheid: ‘One giant leap for mankind.’ Er sprak een soort onmetelijk geloof uit al die woorden, in een maakbare wereld. Hier op aarde en anders in de één of andere uithoek van het heelal. Zonder grenzen of beperkingen.

In de zesdelige documentaireserie Chasing The Moon (300 min.) wordt de ruimterace die aan de geslaagde maanlanding voorafging minutieus gereconstrueerd. Een wedloop die in eerste aanleg door de Sovjet-Unie leek te worden gewonnen, tot grote consternatie van de Verenigde Staten die zich publiekelijk vernederd voelden. Onder aanvoering van de illustere Duitser Wernher von Braun, die ook al voor Hitler werkte, zetten ze begin jaren zestig de achtervolging in op de Russische spoetnik. Waarbij de NASA ook enorme tegenslagen moest overwinnen. Zoals de dramatische episode rond Apollo 1 en de astronauten Virgil Grissom, Ed White en Roger Chaffee, die door een wrede speling van het lot nooit in de buurt van de maan zouden komen.

Regisseur Robert Stone plaatst de ruimterace met een karrenvracht aan archiefmateriaal binnen de Koude propagandaoorlog – met astronauten als Glenn, Armstrong en Gagarin als boegbeelden van het vrije westen of juist het communistische ideaal – en kadert dit in met off screen quotes van de ruimtevaarders, hun echtgenotes (die het lang niet altijd gemakkelijk hadden met deze haantjes), NASA-medewerkers, historici en journalisten. Sergej Chroestsjov, de zoon van de toenmalige Sovjet-leider, vult aan met het Russische perspectief.

Zo ontstaat een uitputtend, gelaagd en persoonlijk verslag van een stuk moderne geschiedenis met een mythisch karakter, dat eigenlijk geen hedendaagse equivalent heeft. De maan is even ver weg als toen, Mars en Jupiter zijn vooralsnog buiten het bereik van de mens gebleven. De reuzensprong voorwaarts die ‘man’ via ‘a man’, Armstrong dus, destijds voor de gehele mensheid zette, heeft in de navolgende jaren slechts kleine stapjes als vervolg gekregen.

Deze puike serie is een prima bijsluiter voor de uitmuntende documentaire Apollo 11, die op dit moment in de Nederlandse bioscoop draait, en geeft ook extra context bij de speelfilm First Man, over de jarenlange reis van Neil Armstrong en zijn mannen naar de maan, die vorig jaar op het witte doek was te zien.

Wig

HBO

In hoeverre kan Wigstock in de 21e eeuw nog een bijdrage leveren aan empowerment van de LGBT-gemeenschap? vraagt een drag queen aan haar collega. Of zou het festival wel eens te ‘Disney’ kunnen worden? In de jaren tachtig en negentig was de functie van Wigstock glashelder: travestie bevrijden uit de randen van de nacht en aantonen dat de stijlvorm, en de bijbehorende beoefenaars, het daglicht wel degelijk kon verdragen.

Sinds 2001, toen het festival na de aanslagen van 11 september werd stopgezet, is er evenveel hetzelfde gebleven als veranderd, bewijst Wig (90 min.), een portret van de veelkleurige New Yorkse drag scene en haar bewogen historie. De gemeenschap die in eerste instantie vooral een emancipatoir karakter had en uitbundig de eigen diversiteit wilde vieren, heeft zich gaandeweg flink doorontwikkeld. Met (meer) acceptatie kwam ook professionalisering – en verdween volgens sommigen de oorspronkelijke charme.

Exemplarisch is het verhaal van Charlene Incarnate, één van de hoofdpersonen van deze documentaire. Zij was volgens eigen zeggen een ‘closeted church boy from Alabama’, werd nadat ze uit de kast kwam verstoten door haar familie en begon in New York een nieuw leven. Inmiddels heeft ze haar transitie van man naar vrouw onderdeel gemaakt van haar Drag Queen-performance. Tijdens een festival in 2015 liet ze op het podium bijvoorbeeld voor het eerst vrouwelijk hormoon inspuiten. Inmiddels heeft Charlene een pronte buste, die ze zonder enige gêne laat zien.

Regisseur Chris Moukarbel alterneert voortdurend tussen heden en verleden in deze collectie snapshots van een uitbundige subcultuur, die kan worden beschouwd als een update van de klassieke documentaire Paris Is Burning uit 1990. De baanbrekende toeren die de queens toentertijd uithaalden zijn echter allang (uitvergrote) clichés geworden, blijkt uiteindelijk op het Wigstock-festival van 2018, de climax van deze wat fragmentarische film. Intussen worden er alweer vrolijk nieuwe grenzen verlegd.

Blue Note Records: Beyond The Notes

Een Duitse leeuw en wolf stonden ooit aan de basis van het vermaarde Amerikaanse platenlabel Blue Note Records. De jeugdvrienden Alfred Lion en Francis Wolff ontvluchtten in de jaren dertig de Jodenvervolging in nazi-Duitsland. In hun nieuwe vaderland focusten de twee outsiders zich op hun grote passie, jazz, en richtten in 1939 Blue Note op, een onderneming waarmee waarschijnlijk geen rooie rotcent was te verdienen. Een grotendeels zwart label bovendien, in een veelal witte industrie. Het zou niettemin een groot succes worden.

In Blue Note Records: Beyond The Notes (54 min.) blikken kopstukken als Herbie Hancock, Terrace Martin, Derrick Hodge en de huidige directeur van Blue Note, Don Was, terug op de hoogtijdagen van ‘de Cadillac onder de jazzlabels’, toen grootheden als Miles Davis, Thelonious Monk, John Coltrane, Art Blakey, Lee Morgan, Horace Silver en Sonny Rollins van Lion en Wolff volledige artistieke vrijheid kregen en met speels gemak muzikale grenzen verlegden. In een nieuwe studiosessie zoeken The Blue Note All-Stars intussen de magie van Blue Notes gouden jaren op.

Regisseur Sophie Huber richt zich in deze gedegen televisiedocumentaire compleet op de kunst: de muziek zelf natuurlijk, de bijbehorende coole zwart-wit foto’s en het stijlvolle artwork. Ze tekent ook de revival van het label in de tweede helft van de jaren tachtig op, als Blue Notes onmiskenbare sound wordt opgepikt door hiphoppers, opnieuw in de belangstelling komt te staan en nieuwe sterren als Norah Jones in de vaart der volkeren opstuwt.

Jiro Dreams Of Sushi

Jiro Dreams Of Sushi (82 min.) is een kleine film. Letterlijk. Het leeuwendeel van de documentaire speelt zich af op hooguit twintig vierkante meter. Zo groot is het restaurant van de 85-jarige Japanse sushimeester. Tien zitplekken, meer niet. En de wc is buiten. Lekker lang tafelen is er ook niet bij. Een snelle eter staat na een kwartier, en 30.000 Yen lichter, weer buiten. Toch is het, blijkbaar, een voorrecht om te mogen eten bij Jiro Ono in Tokyo. Hij is de oudste kok met drie Michelin-sterren.

Uiterste eenvoud schept zuiverheid, zoals een toonaangevende Japanse culinair journalist het omschrijft in deze fijne film van David Gelb uit 2011. De Japanse chef is een absolute ambachtsman, een relikwie van een verloren era waarin tijd en aandacht nog niet waren verdrongen door snel en voordelig. Jiro is tevens een strenge meester. Één van zijn leerlingen vertelt hoe hij eerst tweehonderd afgekeurde omeletten moest maken voordat er één goed werden bevonden. De tranen sprongen toen in z’n ogen.

De perfectionist Jiro werd automatisch een afwezige vader. Het lukte hem zelfs niet om op zondag thuis de vis aan te snijden. Hij was altijd aan het werk en droomde zelfs over sushi. Intussen zijn z’n beide zoons in zijn voetsporen getreden. Jongste zoon Takashi is elders een eigen restaurant begonnen. Oudste zoon Yoshikazu, vijftig inmiddels, staat nog altijd bij vader in de zaak. Hij wilde ooit straaljagerpiloot worden, maar wacht nu, geheel volgens de traditie, op zijn kans om de leiding over te nemen. Kan hij zijn onverslijtbare pa ooit overtreffen of zelfs maar evenaren?

In die zin vertelt Jiro Dreams Of Sushi, opgediend met ferme Philip Glass-muziek, een klassiek vader-zoon verhaal. Met de wisseling van de wacht dient zich straks ook onvermijdelijk het einde van een tijdperk aan. Dat tekent zich nu al af, getuige bijvoorbeeld het contrast tussen Jiro’s minieme restaurant en de enorme vismarkt, waar zijn oudste zoon tegenwoordig voor hem het neusje van de tonijn moet zien te vinden. Van een exclusief gerecht is sushi in de afgelopen jaren een massaproduct geworden. Een tekort aan kwaliteitsvis dreigt voor Jiro en zijn clientèle. Waardoor die uiteindelijk toch nog wel eens héél duur betaald zou kunnen worden.

Tiananmen: The People Versus The Party

PBS

Het is een tafereel dat op het netvlies van een complete generatie staat gebrand: een Chinese man stelt zich op het Plein van de Hemelse Vrede in Beijing te weer tegenover een rij oprukkende legertanks en dreigt erdoor verpletterd te worden. In één enkel beeld is vervat hoe het communistische regime in 1989 de roep om democratisering, ‘dialoog’, van de Chinese studentenbeweging met bruut geweld de nek omdraaide.

Dertig jaar later is nog altijd onbekend wie deze ‘Tank Man’ was, die het symbool werd van een uiteindelijk vruchteloze campagne om van China een normaal functionerende democratie te maken. In de journalistieke documentaire Tiananmen: The People Versus The Party (111 min,) reconstrueert Ian MacMillan met toenmalige studentenleiders, ooggetuigen, mensenrechtenactivisten en sinologen gedetailleerd de redenen voor, aanloop naar en achtergronden van de confrontatie tussen het communistische regime en de nieuwe generatie Chinezen die westerse waarden nastreefde.

Als alwetende verteller vertolkt Corey Johnson daarbij een prominente rol. Zijn voice-over fungeert als verbindende factor die van alle ervaringen en meningen en het overvloedige archiefmateriaal een coherent verhaal maakt, dat onvermijdelijk afstevent op een dramatische (anti)climax. Waarbij de studenten die zijn opgestaan voor hun idealen voor de elementaire keuze worden gesteld of ze moeten blijven staan of toch beter kunnen buigen voor het overmatige geweld van de machthebbers. De cruciale vraag in dit soort situaties: do or die?

Het Plein van de Hemelse Vrede verandert in het strijdtoneel voor een Hels gevecht, dat drie decennia later nog altijd na-ijlt. Ook al heeft de revolte ogenschijnlijk weinig concreets opgeleverd, zo toont deze interessante en uitstekend gedocumenteerde, maar ook wat schoolse geschiedenisles eens te meer aan. Aan de vooravond van de dertigste ‘verjaardag’ van Tiananmen hebben de Chinese autoriteiten onlangs activisten en familieleden van slachtoffers gearresteerd, onder huisarrest geplaatst of naar andere plaatsen overgebracht. Voor het geval iemand zich nog vreemde ideeën in het hoofd wilde halen…