De kinderen stoppen met praten. Ze gaan gewoon liggen. En daarna willen ze steeds minder eten en drinken. Totdat ze er helemaal mee ophouden. In catatonische toestand vervolgen ze hun leven. Doods liggend in een rolstoel. Of gewoon op bed. In een soort coma. Voor enkele maanden. Een compleet jaar. Of… En hun ouders denken dat ze doodgaan.
De korte documentaire Life Overtakes Me (40 min.) belicht het zogenaamde berustingssyndroom, waaraan maar liefst honderden vluchtelingenkinderen in Zweden zouden lijden. De filmmakers John Haptas en Kristine Samuelson portretteren bijvoorbeeld een Oekraïense familie, die zich in eigen land bedreigd voelde en is gevlucht. Als de asielaanvraag van het gezin wordt afgewezen, begint hun ooit zo actieve dochter Daria zich terug te trekken in haar eigen wereld. Al acht maanden oogt ze als Sneeuwwitje, die nodig wakker gekust moet worden.
Ook de andere ‘afwezige’ kinderen in deze sobere film, die in leven moeten worden gehouden met sondevoeding, hebben hun eigen verhaal. Getuige van een moord, aanwezig bij een verkrachting. Getraumatiseerd, dat zeker. Tegenslagen in hun nieuwe vaderland zetten hun lijf vervolgens helemaal op slot. Is het zelfbescherming? Of belazeren deze kinderen en ouders de kluit, zoals sommige criticasters beweren, om zo een verblijfsvergunning voor hun familie af te dwingen?
De psychologen die in Life Overtakes Me aan het woord komen twijfelen niet aan het Resignation Syndrome, maar waarom juist vluchtelingen uit de Balkan of de voormalig Sovjet-republieken deze problemen hebben en waarom die zich vrijwel uitsluitend in Zweden manifesteren? Daarover tast eigenlijk iedereen in het duister. Intussen is het pijnlijk om te zien hoe de ouders, in afwachting van een definitief besluit over hun asielaanvraag, moeten hannessen met kinderen, die bevangen lijken te zijn door pure angst.
‘Hoe leven de gezinnen van die meisjes nu? vraagt Manuel Campo Vidal, de presentator van de Spaanse televisierubriek Noticias zich af, nadat hij zojuist het nieuws heeft gebracht dat er drie lichamen zijn aangetroffen. ‘Zoals gezegd schamen we ons ervoor, maar we moeten bellen, dat is ons werk: Mevrouw Iborra, moeder van Miriam Garcia, wat voor nieuws is er?’
De moeder van de vermiste Miriam heeft natuurlijk ook niets nieuws te melden, maar dat weerhoudt Spaanse media er in 1992 blijkbaar niet van om de familie, live in de uitzending zelfs, lastig te vallen met impertinente vragen. De politie onderzoekt op dat moment nog of de gevonden lichamen inderdaad aan Miriam, Toñi en Desirée toebehoren, de drie verdwenen tieners uit Alcàsser.
De geruchtmakende verdwijningszaak was niets minder dan een zegen voor de Spaanse media. Schaamteloos legden ze het verdriet van de familie vast met hun camera’s, onderwijl natuurlijk steeds hun medeleven betonend. De twee belangrijkste talkshows van het land bouwden voor de gelegenheid zelfs een provisorische televisiestudio in de regio Valencia. ‘De meisjes zijn vermoord’, zegt presentatrice Nieves Herrero bijvoorbeeld op camera, tijdens een smakeloze live-uitzending. ‘Dat, na de reclame.’
Talkshowhost Paco Lobatón, de voornaamste concurrent van Nieves Herrero, kijkt in de vijfdelige true crime-serie El Caso Alcàsser (306 min.), waarin de zaak met vrijwel alle betrokkenen nog eens minutieus wordt doorgelicht, enigszins beschaamd terug op de rol van de journalistiek. Tegelijkertijd spreken de cijfers in zijn voordeel: beide programma’s behoren nog altijd tot de vijf best bekeken programma’s in de Spaanse televisiehistorie. En er zou in de navolgende jaren nog veel vaker worden gescoord met ‘nieuws’ uit de Alcàsser-zaak.
Nu werd de pers ook veelvuldig ingeschakeld door de families van de meisjes, waarbij met name Miriams vader Fernando zich ontwikkelde tot een echte mediapersoonlijkheid. Ruim 25 jaar later blikt ook deze Spaanse evenknie van Paul Marchal terug op de tragedie die zijn leven bepaalde, het politie-onderzoek én zijn eigen naspeuringen, waarmee hij een enorme Dutroux-achtige samenzwering op het spoor meende te zijn. In talkshows mocht hij, ondersteund door de cynische misdaadjournalist Juan Ignacio Blanco, ongehinderd allerlei ongefundeerde beschuldigingen uiten.
Zo toont deze typische true crime-serie van Elías León Siminiani vooral de lelijkste kant van de Spaanse media, die een gruwelijke misdaad vooral lijken te zien als een kans om de eigen status of kijkcijfers op te krikken. Nabestaanden, verdachten, advocaten en allerlei soorten ‘deskundigen’ zijn daarbij niet meer dan babbelvee, dat naar behoefte kan worden ingezet. En moddergevechten of ‘trial by media’ zijn nooit ver weg. Intussen komt er maar geen klaarheid in de zaak waarmee het ooit begonnen was: de verdwijning van drie volledig onschuldige tienermeisjes. Ook deze interessante, soms wat langdradige en warrige serie geeft geen definitief antwoord.
Je zou hem de ultieme winnaar kunnen noemen. Ten koste van alles en iedereen, ongeacht de middelen. De ideale posterboy voor het winner-takes-all wereldbeeld – en in het verlengde daarvan: het onversneden roofdier-kapitalisme. En toen haalde het verleden Lance Armstrong, zevenvoudig winnaar van de Tour de France, alsnog met duizelingwekkende snelheid in. De ultieme Gele Truidrager werd de risee van zijn sport.
De ontluisterende documentaire Stop At Nothing: The Lance Armstrong Story (100 min.) uit 2014 gaat terug naar het moment waarop de opkomst – en navolgende neergang – van de Amerikaanse wielercrack gestalte krijgt: zijn noodlottige ontmoeting met dopingdokter Michele Ferrari. Armstrong werd zijn ideale pupil. Of, zoals David Walsh, de Ierse journalist die hem jarenlang op het spoor was en daarvoor, niet alleen door Armstrong zelf, met pek en veren werd overgoten, het formuleert: ‘Als jij je werk als Frankenstein doet, word ik het beste monster dat je ooit hebt geschapen.’
Filmmaker Alex Holmes ontleedt de veelvraat van het moderne wielrennen, die bereid was om werkelijk alles te vreten (of slikken of injecteren of transfuseren of…) om te kunnen winnen, met zijn voormalige secondant Frankie Andreu en diens vrouw Betsy, oud-ploeggenoot en klokkenluider Tyler Hamilton, z’n voormalige masseuse Emma O’Reilly die eveneens een boekje open deed over Armstong en die andere Amerikaanse wielergrootheid Greg Lemond, met wie hij een uiterst moeizame relatie onderhoudt. Samen met enkele journalisten, een strijdbare advocaat en het hoofd van de Amerikaanse anti-dopinginstantie belichten zij de strijd om de waarheid boven tafel te krijgen.
De all American hero, moedige kankeroverwinnaar en naamgever van zijn eigen goede doel-stichting laat zelf verstek gaan in deze film, waarin hij wordt geportretteerd als een aartsleugenaar en gewetenloze psychopaat die geen middel onbenut laat om zijn grote geheim te beschermen. De hoofdpersoon komt wel veelvuldig aan het woord in archiefmateriaal, waarin hij talloze statements doet die naderhand stuk voor stuk zijn ontkracht. Ook, uiteindelijk, door hemzelf: in een zogenaamd ‘tell all‘- interview met Oprah Winfrey. Met zijn gedrag heeft hij zijn sport dan al op systematische wijze besmeurd.
Er is nóg een andere Armstrong-documentaire over min of meer hetzelfde thema: The Armstrong Lie van regisseur Alex Gibney uit 2013. Vier jaar eerder had hij de Amerikaanse beroepswinnaar gevolgd tijdens zijn terugkeer in de Tour de France. Die film werd echter ingehaald door de feiten. Toen het dopingschandaal zijn opnamen irrelevant had gemaakt, ging Gibney verhaal halen. Bij mensen uit Armstrongs entourage en bij Lance zelf.
Hoe zou een Internationaal publiek
naar deze film over Nederlanders en hun liefde voor katten kijken? Zouden ze
daarin iets wezenlijks over onze volksaard vinden? De Spaanse filmmaakster Carmen Cobos woont al geruime tijd in Nederland en verbaast zich over het feit dat
mensen hier massaal poezen als huisdier houden. In eigen land kende ze dat
fenomeen helemaal niet. De kat was toch een buitendier?
In de documentaire Cat Stories (73
min.) onderzoekt ze als een soort antropoloog de kattenliefde van miljoenen
Nederlanders. In dat kader biedt ze zichzelf ook aan als oppas, een keuze die
wat gekunsteld aandoet en bovendien relatief weinig oplevert (of het moet een
verdwenen kat zijn).
Via hun katten portretteert Cobos ook enkele baasjes,
waaronder een gedreven fokster van Siamese katten. Met hen bezoekt ze het
asiel, de dierenarts en kattenshows. Uit hun verhalen komt een vertrouwd beeld
naar voren: het huisdier als trouwe metgezel in tijden van ziekte,
eenzaamheid en verdriet, die menselijke eigenschappen wordt toegedicht en waar
stevig om wordt gerouwd als het zelf afscheid van het leven moet nemen.
Sommige van die gesprekken voert Cobos in het Engels. Dat schept soms een zekere afstand en verhindert sommige hoofdpersonen om echt in hun ziel te laten kijken. Je zou ook kunnen zeggen: het versterkt de buitenstaandersblik van deze film, die in Nederlandse ogen wel heel erg gewoon blijft en weinig nieuws – of écht bijzonders – heeft te bieden. Maar wellicht zien vreemde ogen veel meer. Of juist iets heel anders.
‘Wat
zou Leni Riefenstahl doen?’, geint Steve Bannon tegen documentairemaakster Alison Klayman, nadat zij
hem kritisch heeft bevraagd over een nieuwe, opruiende Trump @War-campagnefilm voor de Amerikaanse midterm-verkiezingen
van 2018. ‘Hoe zou zij die scène monteren?’
De
zelfverklaarde ideoloog van het Trumpisme begint te glunderen.
Propaganda is voor hem helemaal geen vies woord. En hij weet dat hij met het
verwijzen naar de beruchte Duitse filmmaakster zijn ideologische tegenstanders
gemakkelijk op de kast kan krijgen – en dat het de doelgroep van zijn campagne,
de mensen die hij de van aartsvijand Hillary Clinton geleende geuzennaam ‘the deplorables’ heeft gegeven,
tegelijkertijd geen barst uitmaakt. Win-win, zogezegd.
Misschien
is dat ook de reden dat hij opnieuw meewerkt aan een documentaire van een filmmaker
die niet per definitie in zijn kamp zit. Ná Errol Morris’ vlammende film American Dharma uit 2018, die tijdens de
opnames voor The Brink (91 min.) in
première is gegaan. Er is een duidelijk verschil tussen de twee docu’s: terwijl
Morris Bannons extreme ideologie en de mogelijke implicaties daarvan onder vuur
neemt in een gestileerde setting, legt Alison Klayman als de spreekwoordelijke
vlieg op de muur, die slechts een heel enkele keer een vraag stelt, de
praktische uitwerking daarvan vast.
Zo
volgt ze Trumps voormalige campagnemanager naar achterafkamertjes in de
Verenigde Staten, waar de populistische revolte (verder) gestalte moet krijgen,
en reist ze tevens mee naar Europa, waar Bannon vergaande samenwerking tussen
nationalistische partijen uit verschillende landen hoopt te bewerkstelligen. In
een ontspannen atmosfeer dineert de man bijvoorbeeld gezellig met (extreem-)rechtse
kopstukken als opper-Brexiteer Nigel Farage, Vlaams Belang-leider Filip de Winter, de Zweedse scherpslijper Kent Ekeroth en Lega Nord-voorman Matteo Salvini. Ook adviseurs van Marine le Pen en de Hongaarse premier Orbán laten zich
gewillig door hem influisteren.
In
eigen land schuift Alison Klayman aan als de onvermoeibare Bannon de
financiers bezoekt van zijn campagne om, met alle beschikbare middelen,
Amerika’s hart en ziel te veroveren: Erik Prince (de oprichter van het omstreden beveiligingsbedrijf Blackwater), de Chinese multimiljonair Miles Kwok en voormalig topman van
Goldman Sachs, John Thornton. Mannen die hun geld graag
voor hen laten spreken. En laat het maar aan Steve Bannon over om de juiste
woorden te vinden. ‘Haat motiveert’, zegt hij daarover in deze documentaire.
‘Woede motiveert.’
Gevraagd naar zijn eigen drijfveren windt de workaholic er ook geen doekjes om: ‘Het gaat mij maar om één ding: winnen.’ Het doel heiligt in zijn geval écht alle middelen. Al betekent dat niet dat dit doel ook daadwerkelijk wordt bereikt. Als Bannon – tijdelijk? – uit de gratie raakt bij Trump, een periode waaraan hij de bijnaam ‘Sloppy Steve’ overhoudt, raakt hij ook zijn momentum kwijt. Nadat de Democraten in het najaar van 2018 de congresverkiezingen winnen met een diversere kandidatenlijst dan ooit, lijkt de invloed van de Macher tanende en begint de geboren winnaar steeds meer te ogen als een praatjesmakende loser.
Kijk goed naar de foto hierboven. Dit is Bas Jan Ader. Hij staat op het punt om de Atlantische Oceaan over te steken. Van Amerika naar Engeland. In het kleinste zeilbootje ooit. De Ocean Wave. Gekkenwerk!
Zijn vrouw Mary Sue maakte deze foto van hem. Voordat hij, op 9 juli 1975, aan de oostkust van de Verenigde Staten de zee opging. Het is het laatste beeld van de Nederlandse avonturier en kunstenaar. Negen maanden later is zijn boot teruggevonden bij de Engelse kust. Van Bas Jan ontbreekt ruim veertig jaar later nog elk spoor.
Of toch niet? Martijn Blekendaal stuit op aanwijzingen dat er wel eens iets héél anders achter die verdwijning zou kunnen zitten. Hij pluist bijvoorbeeld de vele zwart-wit video’s die zijn held achterliet uit op mogelijke clous. Slapstickachtige filmpjes. Bas Jan laat zich van een tak in het water vallen. Bas Jan probeert schuin te staan en valt. En Bas Jan rijdt met zijn fiets de plomp in.
Intussen wordt de joyeuze verteller Blekendaal zelf steeds meer de hoofdrolspeler van deze met veel fantasie, schwung en humor aangeklede zoektocht naar De Man Die Achter De Horizon Keek (28 min.), die zijn doel steeds nadrukkelijker uit het oog verliest. En dat, de heilzame ontsporing van Blekendaals queeste, lijkt vanaf het allereerste moment de bedoeling te zijn geweest.
Op die foto hierboven had dus net zo goed Martijn Blekendaal kunnen staan. Dat had hij overigens ook best gewild. Die allesbepalende stap durven te zetten naar dat véél te kleine bootje.
In bovenstaand beeld zit in zekere zin deze complete film – en de recente politieke geschiedenis van Brazilië – opgesloten. Rechts staat voormalig president Lula (2003-2011), die inmiddels in de gevangenis zit vanwege (vermeende) corruptie. Hij houdt de hand omhoog van zijn opvolgster Dilma Rousseff, die in 2016 na ruim vijf jaar werd afgezet als president omdat… Ja, waarom eigenlijk? En links in beeld kijkt haar vicepresident Michel Temer van enige afstand toe. Hij keerde zich later tegen Rousseff, mocht haar daarna opvolgen en zou zo de weg vrijmaken voor de huidige president van Brazilië, de ultrarechtse Jair Bolsonaro.
In de meeslepende documentaire The Edge Of Democracy (122 min.) verbindt filmmaakster Petra Costa de politieke ontwikkeling van Brazilië met haar eigen familiegeschiedenis. Zij stamt uit een geslacht dat van oudsher over macht en kapitaal beschikte, maar heeft ouders die zich daarvan juist los hebben gemaakt en linkse idealen koesterden. In de jaren dat Brazilië een dictatuur was, van 1964 tot 1983, bracht hen dat gedurig in de problemen. Net als de latere presidenten van ‘hun’ Arbeiderspartij, Lula en Dilma (die in die tijd ook in de gevangenis zat en flink werd gemarteld). Die tegenstellingen, en de bijbehorende keiharde strijd, spelen in de 21e eeuw onverminderd op en verscheuren ouderwets het land.
Costa mag met haar camera nog altijd zéér dichtbij de voormalige strijdmakkers van haar ouders komen en sympathiseert ook duidelijk met hun gevecht om politiek lijfsbehoud. Vanuit dat perspectief registreert ze hoe ‘het kapitaal’ via zijn handlangers in het parlement toch weer de macht probeert te grijpen. En op straat worden politieke tegenstanders intussen met veel theater uitgemaakt voor slangen die vleugels hebben gekregen (die natuurlijk direct moeten worden afgehakt) en weerklinkt ook doodleuk de roep om het leger. ‘Militaire interventie is het medicijn voor dit land’, schreeuwt een man bijvoorbeeld vol overgave in de camera. ‘Ten tijde van de dictatuur was alles veel beter. Dus generaals, waar blijven jullie?’
Het is een angstaanjagend beeld: de roep om een harde hand buiten en het gemak waarmee binnen basisregels van de democratie met voeten worden getreden. Alsof de bijbehorende normen en waarden op geen enkele manier gerespecteerd of onderhouden hoeven te worden, zodra de eigen emoties opspelen of belangen in het geding komen. Tendensen die ook moeiteloos in een Nederlandse context zijn waar te nemen. The Edge Of Democracy, waarin Costa als verteller de schokkende ontwikkelingen probeert te duiden, is daarmee een documentaire die de verwikkelingen in Brazilië, hoe verontrustend ook, duidelijk ontstijgt en iets wezenlijks over onze tijd probeert te zeggen.
Over het doel dat alle middelen heiligt. Over onoverbrugbare afstanden tussen bevolkingsgroepen, ideeën en – vooral – belangen. En over de fragiliteit van democratie (die veel te vaak, betoogt bijvoorbeeld de historicus Timothy Snyder, als vanzelfsprekend wordt beschouwd). Dit is, kortom, een film die ertoe doet. En ertoe zou moeten doen.
Als jonge vrouw wilde ze een hele zwik kinderen, een aap en een kasteel, zo wil de familielegende. Al Julita’s dromen kwamen uit, maar niet helemaal op de manier die ze in gedachten had gehad. Haar volwassen zoons en dochters stellen nu impertinente vragen over het verleden, die aap bleek uiteindelijk onhandelbaar en dat droomkasteel werd een ongelooflijk rommeltje en onbetaalbaar bovendien. En nu wil haar echtgenoot de excentrieke Julita ook al niet meer aanraken. Hij trouwde ooit een meisje van 53 kilo, zegt Antonio fijntjes. Tegenwoordig is hij getrouwd met een vrouw die bijna dubbel zoveel weegt.
In Lots Of Kids, A Monkey And A Castle (86 min.) richt de Spaanse acteur Gustavo Salmerón z’n camera op zijn praatzieke moeder. Hij filmt en bevraagt haar in huiselijke kring, een onvervalst huishouden van Juan Piedra dat helemaal, he-le-maal, dichtgegroeid is met spullen. Door de financiële crisis dreigen Julita en haar man Antonio bovendien bankroet te gaan en wordt de vraag actueel hoe dit gigantische hoardershuis in godsnaam kan/moet worden ontruimd? En, een vraag die steeds terugkeert: waar zijn eigenlijk de botten gebleven van Julita’s grootmoeder, die werd geëxecuteerd tijdens de Spaanse burgeroorlog?
Veertien jaar lang maakte Gustavo opnames voor deze film waarvan zijn moeder in eerste instantie dacht dat die alleen voor de eigen familie zou worden. Wie zat er immers op haar verhaal te wachten? En zou dat dan niet goed gefilmd en gemonteerd moeten worden? Een gelikte, strak gestructureerde documentaire zou de plank in dit geval echter behoorlijk mis hebben geslagen. Bij Julita en haar rommelige entourage past een charmante warboel van een film. En die doet in de verte wel wat doet denken aan Grey Gardens, een documentaireklassieker over de buitenissige moeder en dochter Beale, die zich begin jaren zeventig hadden verschanst in een vervallen en vervuild landhuis.
Terwijl haar kinderen beginnen op te ruimen, leegt Julita in Lots Of Kids, A Monkey And A Castle vooral haar overvolle hart, waarvan waarschijnlijk nog nooit een moordkuil is gemaakt. Het is een vermakelijk tafereel, met een melancholieke ondertoon. Van een uitbundig leven dat ten volle is geleefd, maar nu toch echt zijn einde nadert.
De Kleine Prins werd een vriend voor het leven. Nadat haar zus Pirkko verdronk, was Kerttu Vuolab uit Samiland als dertienjarig meisje naar een kostschool in Ivalo gestuurd. De taal waarmee ze in het afgelegen Vuovdaguoika opgroeide, Sami, werd daar niet gesproken. Ze moest en zou Fins leren. ‘Het voelde alsof iemand mijn keel had doorgesneden’, zegt Kerttu nu. ‘Mij werd de mond gesnoerd nog voordat ik iets had gezegd.’
Toen ontdekte ze het boek Le Petit Prince van Antoine de Saint-Exupéry. ‘Het bood me vriendschap en troost.’ Het was alsof Kerttu via de woorden van de Sain-Exupéry met zichzelf kon praten en zich kon laven aan de inherente wijsheid ervan. Met een eigen vertaling van het boek, in de taal van de hooglanden van Samiland, zou ze er later bovendien haar bedreigde taal en cultuur mee revitaliseren.
Na de Bijbel is Le Petit Prince het meest vertaalde boek ter wereld. De klassieker is inmiddels in meer dan 375 talen uitgebracht. In Het Wonder Van Le Petit Prince (88 min.) portretteert Marjoleine Boonstra vertalers uit alle windstreken. Zij vervatten het moderne sprookje in zieltogende talen als Nawat of Tamazight, die in respectievelijk El Salvador en de Sahara worden gesproken en ernstig in hun voortbestaan worden bedreigd.
Boonstra geeft haar hoofdpersonen alle ruimte in deze bespiegelende film. Ze laat hen kalm – of traag, afhankelijk van je kijktempo – hun eigen verhaal doen. Van een veelbewogen persoonlijk leven, hun cultuur die vertrapt of ondergesneeuwd dreigt te worden en dat ene boek van De Saint-Exupéry, waaruit ze ook liefdevol, in hun eigen taal natuurlijk, voorlezen. Omdat de wereld, zo lijkt deze verstilde documentaire te betogen, gebaat is en blijft bij ‘culturele en taalkundige diversiteit’.
‘Each generation must, out of relative obscurity, discover its mission, fulfil or betray it.’ Met dit citaat van Frantz Fanon als leidmotief belicht Everything Must Fall (58 min.) de Zuid-Afrikaanse studentenbeweging, die in 2015 van zich laat horen als de University Of The Witwatersrand in Johannesburg het collegegeld alweer met ruim tien procent verhoogt. Op een moment dat een deel van de zwarte studenten al is aangewezen op de voedselbank. Studeren dreigt opnieuw echt iets te worden voor de (witte) elite. Als tegenreactie ontstaat een vreedzaam protest onder de noemer Fees Must Fall.
Wat begint als een studentenactie die zich al snel verspreidt over het hele land, mondt echter uit in een opgeheven vuist voor een hele wirwar aan sociale issues: vrouwenrechten, inkomensongelijkheid, LGBT, anti-Apartheid, de outsourcing van banen en dekolonisatie en… (en dan ben ik er vast nog een paar vergeten). It’s the sixties all over again, zogezegd. Als de universiteit vervolgens besluit om de zwaarbewapende oproerpolitie in te schakelen, wordt de campus het strijdtoneel voor een gewelddadige confrontatie. Een onschuldige Maagdenhuis-achtige bezetting escaleert zo razendsnel tot een soort Zuid-Afrikaanse variant op het Kent State-bloedbad.
Met enkele prominente studentenleiders en vertegenwoordigers van het universiteitsbestuur neemt regisseur Rehad Desai de gebeurtenissen door die in het gehele land voor schermutselingen zorgen en alle betrokkenen dwingen om voor zichzelf de vraag te beantwoorden of het doel de middelen nog heiligt. Hoe heilzaam is de voortgang van het collegejaar nu werkelijk als de universiteit en zijn studenten daardoor lijnrecht tegenover elkaar komen te staan? En wat zijn die collegegeldconcessies waard als ze betaald moeten worden met bloed? In zulke verhitte omstandigheden blijkt het bovendien, zo toont deze degelijke film, bepaald geen sinecure om de neuzen dezelfde kant op te houden.
Is het een monster, een kapitalistische weldoener of toch een psychopaat? In het messcherpe video-essay The Corporation (144 min.) uit 2003 ontleden Mark Achbar, Jennifer Abbott en Joel Bakan (die ook het gelijknamige boek schreef) wat een onderneming nu eigenlijk is, wat zo’n in essentie indentiteitsloze entiteit werkelijk beoogt en wat daarvan de maatschappelijke impact is. De aanleiding is amoreel gedrag van (CEO’s van) multinationals, de toon zonder enige twijfel links-activistisch en de overkoepelende boodschap nog altijd ontzettend actueel: de namen van toenmalige boosdoeners als Exxon, Dow Chemical en Monsanto kunnen moeiteloos worden vervangen door moderne pendanten zoals Facebook, Google en – in een Nederlandse context – Shell en de NAM.
Omlijst door een aanstekelijke mixture van fragmenten uit nieuwsreportages, commercials, voorlichtingsfilmpjes, animaties, speelfilms en documentaires geven zowel linksige opiniemakers zoals Noam Chomsky, Naomi Klein en Michael Moore als (voormalige) topmannen van internationaal opererende ondernemingen, beurshandelaren, vertegenwoordigers van rechtse denktanks en de Nobelprijs-winnende vrije marktdenker Milton Friedman hun visie op de aard van onderneming en het kapitalisme in het algemeen. Mijn eerste reactie op de aanslagen van elf september? bekent een beurshandelaar openhartig. Simpel: ‘Gaat de goudprijs nu omhoog?’ Ofwel, het welbekende adagium: never waste a good crisis.
Alles op de wereld zou een exploitant moeten hebben, stelt een andere geboren entrepreneur zelfs. Want zo iemand draagt beslist zorg voor zijn eigen eigendom. En dat zou dan de ultieme bescherming zijn voor alles wat waarde vertegenwoordigt. Deze film toont nochtans moeiteloos aan dat diezelfde wereld nog veel vaker compleet weerloos is tegenover de mensen en bedrijven die van ‘moving product’ hun hoogste ideaal hebben gemaakt en zoomt in op enkele absurde voorbeelden van dat doorgeslagen kapitalisme, zoals het doodenge Disney-stadje Celebration in Florida, een undercover-campagne voor ‘real life-product placement’ en het patenteren van zowat alles wat je in je stoutste dromen kunt bedenken; van de complete drinkwatervoorziening in de Boliviaanse stad Cochabamba tot levende organismen (waarbij de mens, vooralsnog, is uitgezonderd).
Voor de Amerikaanse wet hebben ondernemingen dezelfde rechten als fysieke personen. Ze moeten dan echter wel worden beschouwd als psychopathische personen, constateren de makers van The Corporation. Zorgvuldig vinken ze alle eigenschappen af op de zogenaamde ‘Personality Diagnostic Checklist’ van de World Health Organisation. De gevolgen laten zich raden: van stuitende witte boordencriminaliteit en slinkse marketingcampagnes die volledig zijn gericht op maximaal zeurende kinderen tot exploitatie van mens en dier, massaontslagen, de verspreiding van ziektes, klimaat- en milieuverontreiniging en – natuurlijk! – oorlog. ‘Elk mens van vlees en bloed is een morele persoon’, stelt Noam Chomsky. ‘Tegelijkertijd laten we allerlei verschillende soorten gedragingen zien. Ieder van ons kan, onder bepaalde omstandigheden, medewerker van een gaskamer of juist een heilige worden.’
Dat is een ontnuchterende gedachte, met potentieel nefaste gevolgen. En die worden in deze pamflettistische film in een naargeestige historische context geplaatst – inderdaad: de banden tussen Hitler-Duitsland en bedrijven als IBM en Coca Cola (dat speciaal voor de Duitse markt Fanta ontwikkelde) – en zeker niet altijd even genuanceerd uitgeserveerd. Behalve voor winst zouden die ondernemingen immers ook – ik noem maar een dwarsstraat – voor perspectief voor mensen en hun gemeenschappen kunnen zorgen. Als totaalpakket is The Corporation niettemin een indrukwekkende aanklacht tegen het ongebreidelde kapitalisme, dat in grote delen van de wereld nog altijd – ook ná de financiële crisis van 2008, waarvan nog altijd niet iedereen is hersteld – als een allesomvattend geloof wordt aangehangen.
Hij noemt het één van de grootste dilemma’s van zijn leven. Z’n moeder is de allerlaatste fase van haar leven ingegaan. Intussen komt een fotoshoot in Palm Springs in de Verenigde Staten, die hij hoogstpersoonlijk heeft gefinancierd, zienderogen dichterbij. En Erwin Olaf, die zelf inmiddels ook de leeftijd heeft bereikt dat het tijd is voor een retrospectief, kan het zich niet veroorloven om die af te blazen. In meerdere opzichten.
De vergankelijkheid van het leven is een terugkerend thema in de documentaire Erwin Olaf – The Legacy (76 min.). Met zijn vroegere vriend Teun maakt hij bijvoorbeeld een reprise van Getting Close, een naaktfoto van hen beiden uit 1985. Toen kenden ze elkaar net. Op Getting Close Again (2018) zijn twee gelouterde mannen te zien. Mannen ook waarvoor het einde in zicht komt. Teun is ernstig ziek. Erwin zelf kampt met longemfyseem, een degeneratieve aandoening die hem regelmatig de adem beneemt en steeds meer begint te belemmeren in zijn loopbaan.
Eerder dit jaar was er in het Haags Gemeentemuseum en Fotomuseum een grote overzichtstentoonstelling van Olaf met de ambitieuze nieuwe fotoserie Palm Springs. Vanaf 3 juli volgt een expositie met eigen werk en werk van zijn voornaamste inspiratiebronnen in het Rijksmuseum in Amsterdam (waaraan hij inmiddels een deel van zijn beste foto’s heeft overgedragen, zodat die toegankelijk blijven voor toekomstige generaties). Intussen wordt de gevierde fotograaf in deze film van Michiel van Erp gedwongen om de balans op te maken en zich af te vragen hoeveel lucht er nog in zijn toekomst zit. Zijn arts raadt hem in elk geval dringend aan om een tandje terug te schakelen.
Erwin Olaf – The Legacy is dan ook niet zomaar een ‘sentimental journey’ door leven en werk van een belangwekkende Nederlandse kunstenaar. Het is een film over een man die beseft dat de tijd hem op de hielen zit. Elke ambitieus nieuw project kost meer kruim dan het vorige en zou wel eens het laatste in zijn soort kunnen zijn. Zo moest Olaf eerder dit jaar het regisseren van zijn allereerste speelfilm, een verfilming van Arthur Japins Een Schitterend Gebrek, vanwege zijn lichamelijke klachten staken. 2019, het jaar waarin hij zestig werd, lijkt daarom een uitgelezen gelegenheid te zijn om Erwin Olafs majestueuze oeuvre uitbundig te vieren. Deze boeiende documentaire past prima in dat plaatje.
Kun je in het kind al de latere volwassene zien? Die vraag legt filmmaker Michael Apted ditmaal letterlijk voor aan zijn inmiddels 63-jarige hoofdpersonen. Ze antwoorden eigenlijk stuk voor stuk bevestigend. Het was ooit ook het startpunt van deze epische documentaireserie in 1964: kun je al op zevenjarige leeftijd zien wie of wat een kind later zal worden? Apted heeft de jongens en meisjes van toen sindsdien elke zeven jaar opgezocht met de camera.
Ruim een halve eeuw later laten ze zich bijna allemaal opnieuw door hem portretteren. Je zou kunnen betogen dat dit relatief oppervlakkig gebeurt: relatie, kinderen, werk, hobby’s en de toekomst. Het wordt allemaal aangeraakt, maar echt diep erop ingaan is er niet bij. Een mensenleven wordt gecomprimeerd tot een minuut of tien. Tegelijkertijd is dat wellicht ook de kracht van de invloedrijkste documentaireserie aller tijden. In wezen ging het nooit over deze specifieke hoofdpersonen. Zij zijn niet meer dan tamelijk willekeurige representanten van een generatie, ooit bijeengebracht omdat ze de Britse klassenmaatschappij aardig weerspiegelden.
‘Het is geen portret van wie Nick is’, zegt Nick Hitchon, die als wetenschapper carrière maakte in de Verenigde Staten. ‘Het is een portret van ons allemaal. Het gaat over hoe een mens, elk mens, verandert.’ Hij is inmiddels ernstig ziek en laat zich in 63 Up (141 min.) van zijn kwetsbaarste kant zien. ‘De serie is extreem belangrijk voor mij en lijkt ook voor anderen iets te betekenen’, zei hij al op 49-jarige leeftijd. ‘Dat maakt het echter niet gemakkelijk. Ik kan echt niet uitleggen hoe het je emotioneel helemaal leeg trekt om de interviews en filmopnames te doen. En dan doe ik voor mezelf nog alsof er helemaal niemand kijkt.’
Ook in deze aflevering verbindt regisseur Apted, zelf inmiddels tegen de tachtig, bekende oude fragmenten met nieuwe interviews en scènes. Het zevenjarige straatschoffie Tony Walker vloeit bijvoorbeeld naadloos over in een wildebras van 21 die uit de penarie moet zien te blijven, de veertiger met huwelijksproblemen en nu een man die de pensioengerechtigde leeftijd nadert en zijn keuze voor het Brexit betreurt. De taxichauffeur draagt het hart nog altijd op de tong, andere vaste Up-gasten opereren gereserveerder en laten het achterste van hun tong echt niet zien. Tegelijkertijd vertellen hun uiterlijk, partner, gezinssituatie, huis en werk alles wat we eigenlijk zouden willen – of moeten – weten.
Elke aflevering van de Up-serie behandelt de kernvragen die ieder mens dient te beantwoorden in een bepaalde levensfase. In 63 Up zit de carrière er bijna op, is het huis een heel eind afbetaald en zijn de kinderen nu echt de deur uit, zodat voorspelbare thema’s in beeld komen: ziekte, pensionering én de dood. En Magere Hein heeft inderdaad al eens toegeslagen in de Up-rangen. Enkele jaren na 56 Up kwam één van de hoofdpersonen plotseling te overlijden. Nabestaanden zetten nu een persoonlijke punt achter een heel gewoon, maar publiek geleefd bestaan, dat in zekere zin groter is geworden dan een mensenleven eigenlijk kan zijn.
70 Up, dat bij leven en welzijn van Michael Apted en zijn subjecten, in 2026 het licht zou moeten zien, bevat ongetwijfeld nog meer dramatische verhalen. Want zelfs het leven van mensen die altijd een beetje zeven zullen blijven, begint nu stilaan zijn slotaflevering(en) te naderen.
De Up-serie is hier te bekijken.70 Up is in het najaar van 2026 daadwerkelijk verschenen. Zonder overigens Michael Apted, inmiddels overleden.
Was het in zekere zin kinderspel
waar de zogenaamde Hofstadgroep, die in 2004 met veel machtsvertoon door de Haagse politie werd
gearresteerd, zich mee bezighield? Of hadden de leden van de terroristische cel
daadwerkelijk de potentie om later aanslagen van het kaliber Brussel of Parijs te gaan plegen? Hun toenmalige advocaat Victor Koppe is duidelijk:
die Hofstadgroep stelde weinig voor.
Paul Abels, Raadadviseur Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid,
is daarvan niet overtuigd: in wezen hadden deze ‘homegrown terroristen’
hetzelfde gedachtengoed als de moslimextremisten die later wel degelijk een bloedbad
aanrichtten. De tijd was blijkbaar alleen nog niet rijp voor zo’n goed
georganiseerde aanslag.
Afgaande op wat
voormalig Hofstadgroep-lid Jason Walters zelf zegt in The Good Terrorist (80 min.) – en de moord op Theo van Gogh door Hofstadgroep-lid Mohammed B. – ben je
geneigd om Abels te volgen. Niet-moslims waren volgens de jonge Jason onrein.
De grootst mogelijke misdadigers. Het zorgde voor superioriteitsgevoelens. En
een dodenlijst. ‘Quasi-serieus’, zegt hij nu. ‘Half opschepperig bedoeld.’
‘Het is de
islamisering van de radicaliteit’, stelt de Belgische gevangenisdocent en
activist Luk Vervaet in deze film van Robert Oey. De bron van de radicalisering van bepaalde jongeren is volgens hem vooral
de onvrede die zij van binnen voelen, de islam is niet meer dan een omhulsel. Hun
bloedeigen Rage Against The Machine, die uiteindelijk wel uitdooft.
Jason Walters is in
dat verband een interessante casus. Oey spreekt met mensen die direct met hem
te maken kregen: de officier van justitie, het afdelingshoofd van de
Terroristenafdeling van de Penitentiaire Inrichting Vught en de
gevangenisdocent, die hem daar begeleidde bij zijn studie Cultuurwetenschappen –de
stap die hem naar verluidt richting deradicalisering leidde.
Maar kunnen mensen daadwerkelijk deradicaliseren? vraagt Robert Oey, geholpen door geluidstechnicus en medebedenker van deze film Maaik Krijgsman (die zo nu en dan ook in beeld verschijnt), zich af. Hebben we de mogelijkheid om onszelf te resetten? En hoe zouden anderen dat dan kunnen controleren? Zoals Jason zelf stelt: de echte (de)radicalisering komt van binnenuit.
Definitieve antwoorden zijn Oey dus per definitie niet gegeven in deze, met dwingende klassieke muziek aangeklede denkfilm over de psychologie van het (moslim)terrorisme. Ook niet als hij zijn licht opdoet in Islamabad, het Rifgebergte of gewoon in Den Haag, bij een winkelier die er ooit getuige van was hoe de Hofstadgroep werd ingerekend. Waarbij steeds dezelfde vraag opspeelt: bestaat er zoiets als een ex-terrorist? En hoe herken je die dan?
Zouden Freek
(achternaam, De Jonge, eigenlijk overbodig) en zijn onafscheidelijke vrouw Hella in het echt – ik bedoel: als Dennis Alinks camera níet
draait – ook over kunst en kitsch bomen tijdens de afwas en vervolgens een
grapje met elkaar maken over het vleesmes dat hij achteloos onder zijn oksel
heeft gestoken en waar zij bijna tegenaan is gelopen? Met andere woorden: hoe
spontaan – echt, zo je wilt – zijn de fly on the wall-scènes die de filmmaker
toont van de cabaretier en zijn echtgenote? Hoe zij zijn haren knipt, hoe de
televisie aanblijft tijdens het eten en hoe ze in de voorbereiding op een
voorstelling kibbelen over een klein detail in het decor.
Zien we daar de waarachtige Freek of krijgen we
die juist te zien in de gestileerde, speciaal voor deze film uitgevoerde scènes
en liedjes in stemmig zwart-wit of zijn gearrangeerde ontmoetingen met z’n zus,
de partner van Bram Vermeulen (met
wie hij ooit Neerlands
Hoop vormde) en vakgenoten als André van Duin, Herman Finkers en Jack Klöters.
Heeft hij, kortom, een podium nodig om zichzelf te kunnen zijn? ‘Ben jij dan
een man die op het toneel, in de voorstelling, wél kan nadenken en praten en
dingen aan de orde kan brengen’ wil Klöters weten, ‘maar privé, thuis en met
vrienden veel minder?’ ‘Ja’, beaamt Freek. Over Hella: ’Vorige week stonden we
nog samen op het toneel. Dan interview ik haar en zeg ik: ik ben zo blij dat we
eens even kunnen praten, want thuis lukt dat niet.’
Die paradox zit op alle mogelijke manieren ook in dit grillige portret van de inmiddels bijna 75-jarige podiumtijger verweven, waarbij Alink als interviewer zijn hoofdpersoon zo nu en dan even probeert te ontregelen. Uit zijn spel te halen, als het ware. ‘Hoe lang ken jij Jacques nu?’, vraagt hij bijvoorbeeld halverwege Freek (80 min.) tijdens het regelmatig in de film terugkerende tweegesprek van De Jonge en Klöters. ‘Wij moeten elkaar kennen vanaf ’65, ’66’, antwoordt Freek welwillend. Waarna de interviewer, alsof hij een onthulling van formaat op het spoor is, zijn kans schoon ziet: ‘En hoe heten Jacques’ kinderen?’ De komiek begint te lachen. ‘Dat weet ik niet.’ Klöters kopt de voorzet vervolgens hoogstpersoonlijk binnen: ‘Heb jij een vriendenkring?’ ‘Nee’, geeft Freek grif toe. ‘Zoals jij vrienden definieert, dat heb ik niet.’
Het is geen treurige conclusie. Uiteindelijk
telt alleen de bühne, zoveel is duidelijk. Daar voelt die benige streber zich
volledig vrij. Maar wanneer bereikt Freek (nee, niet: Vonk) zijn uiterste
houdbaarheidsdatum? Of ligt die, zonder dat hij het zelf doorhad, al enige tijd
achter hem? Het zijn urgente vragen waarmee hij zichzelf in de herfst van zijn
leven en carrière gedurig lastigvalt. Intussen doet Alink een ferme greep in de
grabbelton van driekwart eeuw Freek de Jonge. Dat zorgt zo nu en dan voor
frictie, waarbij de filmmaker de grenzen opzoekt die zijn subject juist probeert
te bewaken. Die confrontaties geven dit intrigerende portret, waarin de
hoofdpersoon zijn masker niet (altijd) afdoet maar ook niet wordt afgeschminkt,
een gezonde spanning. Freek is daardoor net als zijn hoofdpersoon: ambitieus,
ongemakkelijk en (meestal) onverminderd boeiend.
‘He would never take ‘no’ for an answer’, zegt Deborah Slater, de vroegere secretaresse van Harvey Weinstein, over de tijd dat hij nog een ambitieuze concertpromotor in Buffalo was. Ze probeert zijn zakelijke attitude te omschrijven aan het begin van de documentaire Untouchable (98 min.), maar de analogie met ‘s mans buitensporige seksuele gedrag is natuurlijk onontkoombaar. Om aan alle eventuele twijfel daarover een einde te maken, laat regisseur Ursula Macfarlane tegelijkertijd een foto zien van Harvey met een ander icoon van geweld tegen vrouwen, O.J. Simpson. Waarna Hope D’Amore het eerste aangrijpende verhaal van deze documentaire mag vertellen: over hoe ze eind jaren zeventig tijdens een bezoek aan New York met een jonge en bijzonder opdringerige Harvey in een hotelkamer belandde.
Toen Miramax, het filmproductiebedrijf van Weinstein en zijn broer Bob, vanaf halverwege de jaren tachtig stormenderhand Hollywood begon te veroveren, kreeg zijn wangedrag een structureel karakter. Niet alleen naar vrouwen overigens. Ook de mannelijke Miramaxers hadden het regelmatig zwaar te verduren met hun lomperd van een baas, vertellen ze in dit pijnlijke portret van de filmmagnaat. De asbakken vlogen zogezegd in het rond. Tegelijkertijd was er die onweerstaanbare drive, zijn grootse visie op films en die oprechte liefde voor cinema. Harvey was dan misschien een bullebak, lijken ze nog steeds (tegen zichzelf) te zeggen, maar zijn manier van werken leverde wel wat op: de ene na de ander Oscar. En ach, iedereen gaat wel eens een keer over de schreef.
En dan, halverwege de documentaire, introduceert Macfarlane de actrices Rosanna Arquette, Caitlin Dulany, Nannette Klatt, Louise Godbold en Paz de la Huerta. Ze hebben elk hun eigen ervaringen, maar vertellen tegelijkertijd één en hetzelfde verhaal, dat bovendien parallel is gemonteerd. De modus operandi van een seksueel roofdier, dat weet dat het ongestoord zijn gang kan gaan. Als er al details over zijn erotische escapades zouden uitlekken, dan kunnen die altijd in verband worden gebracht met jonge actrices, die zich nu eenmaal omhoog proberen te neuken. En in Hollywood weten ze allang dat híj, de onbetwiste baas van Miramax, daar niet vies van is, getuige bijvoorbeeld Seth MacFarlanes opmerkingen daarover bij de Oscar-uitreiking van 2013, die ene grap in de comedyserie 30 Rock en de ‘slip of the tongue’ van Courtney Love uit 2005.
Harvey waant zich onaantastbaar, zo ervaren oud-medewerkers, vrouwen en journalisten die hem tegen de haren instrijken. Met behulp van alle mogelijke middelen worden ze geïntimideerd. En als ‘the fucking sheriff of this fucking lawless piece-of-shit town’ uiteindelijk toch niet weg komt met wat hij nu weer heeft geflikt, kan er nog altijd worden geschikt, met een stevige geheimhoudingsverklaring erbij. Harvey meent daardoor dat hij boven de wet staat. Tótdat de onderzoeksjournalisten Ronan Farrow (The New Yorker) en Megan Twohey en Jodi Kantor van The New York Times in 2017, als de #metoo-beweging duchtig van zich doet spreken, eindelijk bronnen vinden die tegen Weinstein willen getuigen en zijn hele leven en bedrijf als een kaartenhuis in elkaar donderen.
De complete, inmiddels welbekende Weinstein-affaire wordt in deze doortimmerde documentaire netjes uit de doeken gedaan met jeugdvrienden, voormalige medewerkers en de gebruikelijke journalisten en deskundigen, maar wordt in Untouchable slechts beperkt in verband gebracht met de mucho macho-mores die er al sinds jaar en dag leven bij/rond dit soort hele machtige mannen, zeker in de entertainmentindustrie. Een tijdperk dat nu echter op z’n einde lijkt te lopen. Na R. Kelly en Michael Jackson is ‘Zweinstein’ al de derde grootheid die in 2019 wordt gesloopt in een documentaire. Nu is het alleen nog wachten op de definitieve Bill Cosby-film, die zich onlangs, vanuit de gevangenis, alweer op de sociale media meldde als ‘America’s dad’.
Oh ja, Harvey Weinstein ontkent alles. Bijna dan. En zijn broer Bob wist van niets.
‘Waarom Rolling Thunder Revue?’ Larry ‘Ratso’ Sloman legt uit: ‘Bob wilde het eigenlijk Montezuma’s Revue noemen. Maar toen hij thuis een naam zat te bedenken hoorde hij een knal in de lucht. En toen, van links naar rechts door de lucht, van boem, boem, boem.’
Even later: ‘Voor we op weg gingen, zei Chesley Millikin, die ook meeging: Weet je wat Rolling Thunder betekent voor indianen?’ Bob tastte volgens Ratso in het duister. ‘De waarheid spreken.’
‘Later hoorden we dat Rolling Thunder de codenaam was voor Nixons bombardementen op Cambodja.’ Ratso haalt zijn schouders op. ‘Dus wie weet wat het ware verhaal is…’
Feit is dat Bob Dylan in het najaar van 1975 met de Rolling Thunder Revue (waarbij gasten als Patti Smith, Allen Ginsberg, Joan Baez, Ramblin’ Jack Elliott, Roger McGuinn en Joni Mitchell aanhaakten) een korte tour door het Noord-Oosten van de Verenigde Staten en Canada maakte. Per bus, met de singer-songwriter zelf zo nu en dan hoogstpersoonlijk achter het stuur, reisde het gezelschap twee maanden het land rond voor ruim dertig optredens.
Een cameraploeg legde de concerten vast en verzamelde het gebruikelijke backstage- en tourmateriaal. Deze beelden vormen het hart van Rolling Thunder Revue: A Bob Dylan Story By Martin Scorsese (142 min.). Het was nog een hele klus om ze te maken, beweert de toenmalige regisseur, de Nederlander (!) Stefan van Dorp die eerder met Shocking Blue werkte aan de wereldhit Venus. ‘Van Dorp was een vreemde vent’, stelt Dylan in een nieuw interview met Scorsese. ‘Hij was zo iemand die een vijand zoekt. Hij maakte vijanden die er niet waren.’
Deze film bevat nog veel meer opmerkelijke ontboezemingen. Zo verhaalt actrice Sharon Stone bijvoorbeeld over hoe ze als 19-jarig meisje met haar moeder doordrong tot de vermaarde zanger en met hem in gesprek raakte over haar Kiss T-shirt. Net als de leden van die hardrockband ging Dylan vervolgens tijdens de tournee gezichtsbeschildering gebruiken. Hij had ook nog een lied over haar geschreven, zei hij: Just Like A Woman. Vreemd genoeg werd dat echter al in 1966 uitgebracht.
Truth is stranger than fiction? Of toch: gewoon fictie? ‘Als iemand een masker draagt, vertelt hij de waarheid’, stelt Dylan cryptisch tegenover Martin Scorsese. ‘Als hij geen masker draagt, is dat onwaarschijnlijk.’ De man, onbeschilderd ditmaal, neemt in het interview zo nu en dan opzichtig een loopje met de waarheid en geeft daarmee ogenschijnlijk authenticiteit aan de – juist! – verzonnen personages en gebeurtenissen die regisseur Scorsese in deze mockumentary aan de werkelijke touractiviteiten toevoegt.
Dat is best vermakelijk – acteur Michael Murphy in een reprise van zijn rol als politicus Jack Tanner uit de klassieke mockumentary Tanner ‘88 bijvoorbeeld – maar de echte meerwaarde van deze fictieve elementen ontgaat me een beetje. Voor overtuigde Dylan-adepten zijn de concertbeelden van Dylan in topvorm méér dan voldoende. De rest wordt nooit meer dan geinige ballast. Zeker omdat de film toch al erg ruim in z’n jasje zit.
Ava DuVernays vierdelige drama When They See Us, sinds kort te zien op Netflix, is zonder enige twijfel de meest geprezen televisieserie van 2019. Over hetzelfde onderwerp, de onterechte veroordeling van vijf donkere New Yorkse jongens vanwege een gewelddadige verkrachting, werd in 2012 ook al een prijswinnende documentaire gemaakt: The Central Park Five (118 min.).
Beide producties gaan terug naar die ene fatale dag in 1989, woensdag 19 april, toen een vrouwelijke jogger nagenoeg levenloos werd achtergelaten in het New Yorkse Central Park. Ze zou twaalf dagen in coma liggen. Enkele jongens, onderdeel van een grotere groep tieners die stenen naar auto’s had gegooid en een paar willekeurige parkbezoekers in elkaar had geslagen, werden gearresteerd voor de verkrachting.
Onder druk van de politie legden ze tijdens hun (gefilmde) verhoren een valse bekentenis af, die hen zou blijven achtervolgen. Ook al was er geen enkel fysiek bewijs – een situatie die herinneringen oproept aan de Puttense moordzaak. Toen in een andere zaak een erkende serieverkrachter als verdachte werd aangehouden, vond niemand het nodig om zijn DNA te testen. The Central Park Five zouden jarenlang achter de tralies zitten.
Met de vijf voormalige verdachten – één van hen wilde alleen niet in beeld – en advocaten, journalisten, burgerrechtenactivisten, psychologen en familieleden van de jongens nemen Ken Burns, David McMahon en Sarah Burns de zaak door, die kan worden gezien als de culminatie van raciale spanningen in het door een misdaadgolf en de crackepidemie overspoelde New York van de jaren zeventig en tachtig.
Het vergrijp speelde destijds perfect in op latent racisme. Een blanke vrouw verkracht? Daar kón alleen een zwart roofdier achter zitten. Vijf nog wel. Zelfs in 2016, toen de zaak al lang en breed was opgelost en de onschuldige verdachten allang op vrije voeten waren, bleef een zekere New Yorkse vastgoedman, die ook al eens een advertentie in de krant had geplaatst om de doodstraf te bepleiten voor de vijf, volhouden dat de jongens in wezen schuldig waren.
De uitspraken van deze Donald Trump geven dit dramatische verhaal over stuitend onrecht, dat door Burn, McMahon en Burns zonder effectbejag is opgetekend, een actuele draai. Datzelfde racisme steekt nog altijd de kop op in het hedendaagse Amerika, dat lang niet zo kleurenblind is als je zou hopen.
Bij een zaak met zulke grote maatschappelijke implicaties zou je bijna vergeten dat de gewelddadige verkrachting in eerste en laatste instantie een vrouwelijk slachtoffer had. Trisha Meili maakte zich in 2003 met een boek bekend als de Central Park-jogger, geeft zo nu en dan haar mening over de zaak rond de vijf ten onrechte veroordeelde jongens en schijnt tegenwoordig met andere slachtoffers van seksueel geweld te werken.
‘Misschien ben ik gewoon jong, naïef en dom’, schreef
soldaat Bradley Manning aan Adrian
Lamo, een hacker waarmee hij al een tijdje chatte en die hem niet veel
later rücksichtslos zou verraden. Lamo gaf Manning aan bij het Amerikaanse
leger: hij had in 2010 honderdduizenden geheime documenten gelekt naar de
klokkenluiderssite Wikileaks,
waaronder de geruchtmakende Collateral
Murder-video met beelden van Amerikaanse soldaten die vanuit een helikopter
willekeurige Iraakse burgers neermaaiden. Manning zou hoogverraad hebben
gepleegd.
De Amerikaanse
militair verdween in 2013 voor 35 jaar achter slot en grendel en groeide
intussen uit tot een martelaar voor het vrije woord. En alsof dat nog niet
genoeg was, maakte hij vanuit de cel bekend dat hij voortaan als vrouw door het
leven ging en Chelsea genoemd wilde worden. De documentaire XY Chelsea (92
min.) pakt het verhaal op als Mannings advocatenteam begin 2017 te horen krijgt
dat de Amerikaanse president Barack Obama, net voor
het einde van zijn ambtstermijn, heeft besloten om hun cliënt strafvermindering
te geven.
Enkele maanden later
staat ze plotseling op straat, in een wereld die transvrouwen en ‘landverraders’
zoals zij met argusogen bekijkt. Vervreemd doolt Chelsea door haar nieuwe
leven, gaat op bezoek bij de mensen die haar in de voorgaande jaren door dik en
dun hebben gesteund en treedt in interviews en fotoshoots voor het eerst als
vrouw in de openbaarheid. Intussen vertelt ze filmmaker Tim
Travers Hawkins haar tragische levensverhaal.
Het resultaat is een
unheimische film over een getroebleerd mens dat wil werken aan een nieuwe
toekomst, maar steeds opnieuw wordt geconfronteerd met haar verleden. ‘Ik heb
het gevoel dat ik in een hoek word gedreven’, zegt ze strijdbaar. ‘Ik heb geen
andere keus dan terugvechten. Ik ga in elk geval zeker niet zitten wachten op
het moment dat iemand mij, of ons allemaal, komt redden. Want de kans lijkt me
groot dat er helemaal niemand komt.’
Terwijl Chelsea Manning spreekt, laat de filmmaker langzaam het geluid van een Trump-speech opkomen. De boodschap is duidelijk: ook van hem heeft Chelsea niets te verwachten. Enkele seconden later verschijnt er een tweet in beeld: transgenders zijn volgens de president niet welkom in het leger. Waarna de hoofdpersoon doet wat Amerikaanse helden doen in zulke situaties: ze pakt de handschoen op en haalt zich in dit stemmige portret weer een heleboel nieuwe problemen op de hals.
Als één rechterlijke maatregel voortdurend te maken heeft met pure incidentenpolitiek, dan is het TBS. Zodra een behandeling succesvol is en de voormalige patiënt weer probleemloos in de samenleving wordt opgenomen, hoor je er niets over. Elk incident, dat natuurlijk ook vaak gepaard gaat met gruwelijke delicten, leidt echter tot ophef in de media, politieke consternatie en massale verontwaardiging in de samenleving. Een systeem dat nuchter beschouwd een redelijk succes mag worden genoemd, ligt daardoor voortdurend onder het vergrootglas.
In Max, Een Leven In TBS (55 min.) vertellen Roy Dames en Jos Driessen het verhaal van Max, die in 2001 op 17-jarige leeftijd is aangehouden voor meerdere pogingen tot aanranding: het lastigvallen van een volwassen vrouw en een achtjarig jongetje. Op zulke vergrijpen staat – volgens de goedgebekte hoofdpersoon van de documentaire zelf – maximaal acht jaar gevangenisstraf. Hij zal dus hooguit vijf jaar en vier maanden vast hoeven te zitten, berekent Max, die dan al het nodige op zijn kerfstok heeft. Hij krijgt echter TBS opgelegd en wordt zo ontvanger – slachtoffer, zal hij zelf zeggen – van een behandeling met een open einde.
De navolgende jaren worden beheerst door één elementair dilemma: de ontkenningen van Max dat hij de delicten heeft gepleegd en zijn weigering om aan therapie mee te werken worden door de behandelaars geïnterpreteerd als bewijs dat hij niet mag/kan terugkeren in de samenleving, terwijl hijzelf in de vele rechtszittingen over het al dan niet verlengen van de dwangmaatregel volhoudt dat hij onschuldig is en dus niet anders kan dan dwarsliggen. Het zal hem 14 jaar van zijn leven kosten, waarvan een flink deel doorgebracht in de isoleercel. Uiteindelijk komt Max in 2015 als begin-dertiger vrij. Nog altijd even strijdbaar. En behept met een posttraumatische stressstoornis, zegt hij zelf.
Deze televisiedocumentaire is zijn verhaal. Interviewer Roy Dames doet geen poging om z’n beweringen kritisch te bevragen. Het weerwoord komt via citaten uit officiële rapporten over zijn persoonlijkheid, houding en gedrag. Het is geen gemakkelijke jongen, die Max. Hij zorgde voor allerhande problemen in de kliniek en wist zelfs een therapeute voor zijn karretje te spannen. Maar is hij daarmee ook een potentieel gevaar voor de samenleving? Ook dat kan niet voor honderd procent worden vastgesteld. In die zin is de messcherpe jongeling bijna een verpersoonlijking van het centrale dilemma van terbeschikkingstelling.
Wanneer is iemand een gevaar of juist klaar voor de samenleving? Die afweging is en blijft in eerste en laatste instantie altijd mensenwerk – en in zekere zin: giswerk. Deze film, waarin de hoofdpersoon in gesprekken en ontmoetingen met z’n vader Theo, zijn in TBS gespecialiseerde advocaat Jan-Jesse Lieftink en de gerenommeerde forensisch psychiater Hjalmar van Marle z’n relaas doet, maakt de dilemma’s van terbeschikkingstelling inzichtelijk, maar trekt geen al te gemakkelijke conclusies over schuld, onschuld en de (on)rechtvaardigheid van de aan Max opgelegde maatregel. Daarvoor is óók deze zaak, gebaseerd op delicten die op minderjarige leeftijd zouden zijn gepleegd, te gecompliceerd.