Playing With Sharks

Disney+

De beelden roepen direct associaties op met de filmklassieker Jaws. Jaagster Valerie Taylor is in een kooi onder water gegaan en komt dan oog in oog te staan met een witte haai. Een Australische ‘zeemeermin’ tegenover een ‘onderzeeër met tanden’. In Steven Spielbergs zenuwslopende bioscoophit kon dat maar op twee manieren aflopen: óf de bevallige blondine zou, uiteengereten, eindigen in die kolossale bek met vlijmscherpe tanden. Óf de heldin zou na een heroïsch slotgevecht het angstaanjagende beest met een uiterste krachtsinspanning tóch weten te doden.

Playing With Sharks (91 min.) – de titel verraadt het al – kent geen dramatische afloop voor Taylor. Terwijl ze soms toch echt ‘onbeschermd’ het water ingaat. Haar onderwateravonturen, vastgelegd in de documentaire Blue Water, White  Death (1971), vormden echter wel degelijk de inspiratie voor eerst het boek Jaws van de Amerikaanse auteur Peter Benchley en daarna de film die daarop was gebaseerd. Zij verleende daaraan zelf ook haar medewerking. De opnames voor en actiescènes uit de Hollywood-hit zijn in deze puike documentaire slim met elkaar versneden door regisseur Sally Aitken.

Valerie Taylor kon toen nog niet vermoeden dat Jaws een serieus struikelblok zou worden voor iedereen die het goed voorhad met de haai. Wie kon er, met Spielbergs bloeddorstige monster in het achterhoofd, immers serieus pleiten voor behoud van dit afzichtelijke dier? Toch is dat precies wat Taylor en haar getrouwen zich voornamen. Als een soort Jane Goodall voor de haai begon ze, met werkelijk adembenemende beelden van onder de waterspiegel, bewijsmateriaal te verzamelen voor de zegeningen van de bedreigde diersoort.

Inmiddels is Valerie Taylor dik in de tachtig en is dus ook duidelijk dat ze nooit ten prooi is gevallen aan haar eigen knuffeldier. Toch schieten buitenstaanders onvermijdelijk in de Jaws-reflex, als ze voor de camera een witte haai met de hand voert – en hem naderhand, ook dat nog, een vriendelijk klopje op zijn snuit geeft. Bevangen door het monster dat ze ooit zelf (mede) creëerde.

Making Waves: The Art Of Cinematic Sound

Videoland

Als kind was ik verzot op Winnetou-films. Ik keek ze vooral op de Duitse televisie. Op een gegeven moment begon me echter één ding op te vallen: alle paarden hinnikten op precies dezelfde manier. Het duurde niet lang of ik kon het geluid perfect imiteren. Ik denk dat ik het nog steeds kan.

Elke zichzelf respecterende sound editor zou zich tegenwoordig kapot schamen voor zo’n goedkope oplossing. Toch was het in de begindagen van de film geen ongebruikelijke keuze, zo wordt duidelijk uit de documentaire Making Waves: The Art Of Cinematic Sound (95 min.). Toen de stomme film het had afgelegd tegen de rolprent met geluid, werd er vaak gebruikgemaakt van stockgeluiden. Voor rondvliegende kogels. Een explosie. Of een flinke oorvijg. En als het niet anders kon, werd er gewoon een overdaad aan bombastische muziek overheen gemixt.

Toch waren er altijd filmmakers die het belang van geluid wél onderkenden. En begin jaren zeventig, toen een nieuwe generatie Hollywood veroverde, werd die houding eindelijk gemeengoed. Deze documentaire ontleedt die ontwikkeling met bekende regisseurs als Steven Spielberg, George Lucas en David Lynch en groten uit het geluidsvak zoals Walter Murch (The Godfather, The Conversation & Apocalypse Now), Ben Burtt (Star Wars, E.T. & Indiana Jones) en Gary Rydstrom (Jurassic Park, Saving Private Ryan & Toy Story).

Making Waves – de tegenhanger van Score, een soortgelijke liefdevolle documentaire over filmmuziek – is gelardeerd met prachtige voorbeelden uit de filmhistorie. Die worden nu eens niet benaderd vanuit de regisseur, scenarioschrijver of acteurs, maar vanuit alle verschillende aspecten van het geluidsdecor, zónder dat het een ondoorgrondelijk technisch verhaal wordt. Doorgewinterde cinefielen zien sleutelscènes uit filmklassiekers zo nog eens met andere oren en voor de verandering staan in deze docu van vakbroeder Midge Costin nu dus eens de ‘unsung heroes’ van de filmsound in de spotlight.

Deze giganten hebben ons als kijkers opgevoed. Meestal overigens zonder dat we dat doorhadden, want veel geluidstechnici werken in het geniep. Hun beste trucs verdwijnen in het totaal. Als ze broddelwerk afleveren, merken we het echter direct. Zo begon het mij als jongetje bijvoorbeeld op te vallen dat een heel klein team bij de Duitse tv de nasynchronisatie van zo’n beetje alle producties verzorgde. Ik ontdekte de grote westernheld ‘John Wayne’ tevens in totaal andere rollen en films. En ook hem kon ik al snel behoorlijk nadoen.

A Lion In The House

Ze worden kaal, blazen langzaam helemaal op of verliezen plotseling één of meerdere lichaamsfuncties. Al op zeer jonge leeftijd moeten de hoofdpersonen van A Lion In The House (230 min.) dealen met de meest gevreesde ziekte van onze tijd.

Toen Steven Bognar en Julia Reichert, de makers van deze tweedelige documentaire uit 2006, door het kinderenziekenhuis in Cincinnati werden gevraagd om te komen filmen, had hun eigen dochter net een behandeling tegen kanker achter de rug. Toch stemden ze toe, om het verhaal van enkele zieke kinderen en hun families te vertellen. Daarbij nemen ze afwisselend de voice-over voor hun rekening.

Over Alex bijvoorbeeld, een schattig meisje van nauwelijks zeven. Ze heeft op die leeftijd al diverse terugvallen en remissies achter de rug. Haar prognose blijft zorgwekkend. Alex’s moeder Judy vraagt zich af hoever ze nog moeten gaan met behandelingen. Haar echtgenoot Scott wil echter van geen wijken weten. En dus wordt de kleine Alex steeds weer met nieuwe tegenslagen en ontberingen geconfronteerd. ‘Papa had beloofd: geen auwtjes meer’, kermt ze op een gegeven moment wanhopig.

Door de jeugdige leeftijd van de meeste patiëntjes zijn het eigenlijk hun ouders die als hoofdpersonen voor deze indringende film fungeren. Hun twijfel over wat het beste is voor hun kind staat centraal. Hun verdriet. Hun onmacht. En ook: hun onenigheid. Want het pad naar een gezonde toekomst – of de dood – dient zich niet vanzelfsprekend aan, maar moet steeds, elke keer weer, onderweg ontdekt worden. Artsen en verpleegkundigen staan hen daarbij terzijde.

Dat kan ook een heel eenzaam proces worden. De afro-Amerikaanse puber Tim heeft bijvoorbeeld al een veelbewogen leven achter de rug als hij wordt gediagnosticeerd met een nektumor. Zijn vader werd vermoord toen hij nog maar een kind was. Sindsdien staat zijn moeder Marietha er helemaal alleen voor. Ze kan zijn ellende en verdriet er eigenlijk niet bij hebben. De jongen heeft intussen een leerachterstand opgelopen en ook zijn complete sociale leven is naar de gallemiezen. En dan blijft ook die K-ziekte steeds terugkomen.

In tegenstelling tot bijvoorbeeld een tv-programma zoals Over Mijn Lijk ontbreekt in deze film de Bucketlist: de insteek van vrijwel alle betrokkenen is niet gericht op het verzamelen van zoveel mogelijk piekervaringen voordat Magere Hein dan toch langskomt, maar volledig op het leven redden, verlengen of op zijn minst menswaardig laten eindigen. En dat blijkt al moeilijk genoeg.

9to5: The Story Of A Movement

In één van de eerste 9to5-blaadjes was hun positie in een woord of tien treffend samengevat: ‘We are referred to as “girls” until the day we retire without pension.’ In de jaren zeventig werkten talloze Amerikaanse vrouwen als secretaresse, klerk of typiste. Ze voelden zich echter niet gehoord door de burgerrechtenbeweging, de eerste feministische golf en de bedrijfswereld waarvan ze onderdeel uitmaakten.

De vrouwen zaten vast in een Groundhog Day-achtige aflevering van Mad Men: ze maakten hele lange dagen op kantoor, werden daarop behandeld als veredelde koffiejufrouw en kregen een schamel loon dat paste bij die status. Totdat enkele activistische vrouwen, bevangen door de tijdgeest, besloten om hun recht te gaan opeisen. En elke seksistische ‘boss’ kon zijn borst natmaken.

‘Sommige chefs beschouwen hun secretaresse als een soort kantoorvrouw, die ze zowel een memo kunnen dicteren als koffie kunnen laten zetten’, constateerde de legendarische tv-journalist Walter Cronkite in zijn aankondiging van een reportage over één van de stakingsacties, de zogenaamde Coffee Rebellion. ‘Maar in Chicago vroegen sommige van die vrouwen vandaag echtscheiding aan.’

In 9to5: The Story Of A Movement (86 min.), de tamelijk conventionele nieuwe documentaire van Julia Reichert en Steven Bognar (die dit jaar een Oscar wonnen voor American Factory), blikken kernfiguren van de emancipatiebeweging terug op hun strijd met ‘male chauvinist pigs’ en scepsis in de eigen gelederen. Die vormde ook de inspiratie voor de Hollywood-comedy Nine To Five, met de activiste actrice Jane Fonda in de hoofdrol.

De speelfilm, en de titelsong die Dolly Parton daarvoor schreef, zou hun ideeën naar de mainstream brengen, waar gelijke rechten voor vrouwen op de maatschappelijke agenda kwamen te staan en ook de term ‘seksuele intimidatie’ gemeengoed zou worden. Die historie wordt in deze documentaire, met veel aansprekend archiefmateriaal en vlotte muziekjes, hartstikke netjes opgetekend.

Challenger: The Final Flight

Netflix

Slechts 73 seconden duurde de vlucht van hun leven. Zeven representanten van de glorieuze United States of America vonden voor het oog van een geschokte natie de dood. Zes specialisten van de National Aeronautics and Space Administration (NASA) en een ‘gewone burger’, de lerares Christa McAuliffe. In navolging van Neil Armstrong, Buzz Aldrin en Michael Collins, de eerste mannen op de maan (en helden van de ontzagwekkende spacedocu Apollo 11), zouden ook zij onderdeel van de ruimtevaarthistorie worden, als de eerste dodelijke slachtoffers van Amerika’s drang om het complete heelal te veroveren.

Ze maakten stuk voor stuk deel uit van de Klas van 1978, de eerste generatie astronauten die niet volledig uit witte mannen bestond. En ze waren tevens onderdeel van een soort reboot van de Amerikaanse ruimtevaart, die gaandeweg wat van zijn oorspronkelijke glans was verloren. ‘Amerikanen hebben de wereld laten zien dat ze niet alleen groots dromen’, oreerde Ronald Reagan bij de lancering van de eerste spaceshuttle, ‘maar dat we die ook durven te realiseren.’ De toenmalige Amerikaanse president instigeerde ook de zoektocht naar de eerste burgerpassagier voor de shuttle, ‘one of America’s finest’: een leraar.

De aanloop naar de fatale vlucht en de selectie van de crew daarvoor vormen het hart van Challenger: The Final Flight (180 min.), een stevige vierdelige docuserie van Daniel Junge en Steven Leckart. Trots maken de uitverkorenen zich op voor hun historische missie, al hebben ze geen idee waarom die in de geschiedenisboeken zal belanden. De promotionele beelden van hun enthousiaste voorbereiding, en de herinneringen daaraan van hun nabestaanden, collega’s en plaatsvervangers (die de dans dus ontsprongen), hebben sindsdien een onheilspellend karakter gekregen. Zij, weten wij, gaan nietsvermoedend hun ondergang tegemoet.

Terwijl er op dat moment toch ook al technische problemen waren en enkele insiders zelfs waarschuwden voor serieuze ongelukken. ‘De shuttle gaat ontploffen’, zou hoofdingenieur Bob Ebeling enkele uren voor de lancering van de Challenger, die diverse malen was uitgesteld, hebben gezegd tegen zijn dochter. De klok liep alleen al en was met geen mogelijkheid meer te stoppen, vertellen NASA-medewerkers en -klokkenluiders. Op 28 januari 1986 ging de Challenger met een ‘big bang’ de lucht in. De toeschouwers die zich bij Cape Canaveral in Florida hadden verzameld om de lancering bij te wonen waren volledig uit het veld geslagen toen ze van de omroeper hoorden wat die vreemde taferelen boven hen betekenden: ‘Het ruimtevaartuig is ontploft.’

Ook president Reagan reageerde vanzelfsprekend geschokt. ‘De bemanning van de Challenger eerde ons met de manier waarop ze leefden’, wist hij de stemming in het land opnieuw in grootse woorden te vatten. ‘We zullen ze nooit vergeten, noch de laatste keer dat we ze zagen, deze ochtend, toen ze zich voorbereidden op de reis, zwaaiden en de aarde achter zich lieten om Gods gezicht aan te raken.’ De achterblijvers zouden zich een leven lang boos, verdrietig en schuldig voelen.

All Or Nothing: Tottenham Hotspur

Amazon Prime

‘Wat voor Harry en Lucas geldt, geldt ook voor jou’, schreeuwt doelverdediger Hugo Lloris tegen zijn medespeler Heung-Min Son. ‘Met één minuut te gaan móet je meelopen.’ Het komt in de Spurs-kleedkamer zelfs bijna tot een handgemeen tussen de twee ploeggenoten. Trainer Mourinho ziet er wel wat positiefs in: ‘Dit was een jaar geleden niet voorgekomen. Dit gebeurt omdat jullie meer van elkaar eisen.’

De koning is dood, lang leve de koning! Na vijfeneenhalf jaar moet Mauricio Pochettino, de coach die de Londense club enkele maanden eerder nog naar de Champions League-finale heeft geleid, het veld ruimen bij Tottenham Hotspur. Zijn opvolger staat al klaar: José Mourinho, één van de succesvolste trainers van de afgelopen twintig jaar en tevens één van de meest gehate mensen van het internationale voetbal.

Even later, in de eerste aflevering van de negendelige serie All Or Nothing: Tottenham Hotspur (440 min.), na een eerdere reeks over Manchester City, begint ‘The Special One’ zelf dozen uit te pakken en nauwkeurig zijn nieuwe kantoor in te ruimen. Foto’s van zijn carrière om op te hangen, ordners in de vakkenkast. Paperassen op het bureau, netjes recht. Lineaaltje erbij. En dan alleen de flip-over nog installeren. Via de televisie komt intussen het nieuws van zijn benoeming binnen. ‘Kijk wat er gebeurde bij zijn laatste clubs’, zegt een sportcommentator. ‘Hij is over zijn top heen.’ Mourinho loopt direct naar het toestel en zet dat demonstratief uit. ‘Fuck you!’

En daarmee is de toon gezet. De nieuwe koning schrijft zijn eigen wetten uit, zet z’n onderdanen op hun (juiste) plek en begint meteen de media te bespelen. Het sleutelwoord is: winnen. ‘Ik haat het om te verliezen’, heet ‘t dan. Terwijl Mourinho zijn veel te lieve team een over mijn lijk-mentaliteit probeert bij te brengen, hebben sommige spelers zo hun eigen beslommeringen: de flegmatieke international Dele Alli worstelt met zijn vorm, vaste linksachter Danny Rose valt ineens geregeld buiten de basis en spelverdeler Christian Eriksen lijkt in ongenade te zijn gevallen omdat hij een transfer wil maken. En dan raakt ook spits en boegbeeld Harry Kane nog ernstig geblesseerd.

All Or Nothing laat ongetwijfeld heel veel níet zien van wat er in het binnenste van de trainersploeg, het elftal en de directie omgaat, maar wat er overblijft is méér dan voldoende: (crisis)overleg tussen directie en coach, kleedkamerbeelden van voor, tijdens en na de wedstrijd en Mourinho’s persoonlijke gesprekken met (on)tevreden spelers bijvoorbeeld. Zulk fly on the wall-materiaal wordt doorsneden met lekker bombastische wedstrijdregistraties, waarbij volvette shots, ronkende muziek en overspannen commentatoren een glorieus huwelijk aangaan. Zo wordt zelfs van het meest onbeduidende competitieduel een soort strijd op leven en dood gemaakt, waarbij er nooit enige twijfel is over wie de ‘good guys’ (moeten) zijn.

Zelfs de totstandkoming van transfers blijft niet geheel onbelicht. Saillant is in dat verband de komst van de Nederlandse aanvaller Steven Bergwijn, een overgang die bij zijn vorige club PSV begin dit jaar heel wat kwaad bloed zette. De speler zou hebben geweigerd om nog te spelen in Eindhoven. Bij Tottenham Hotspur wordt Bergwijn evenwel binnengehaald als redder in nood. Geen woord over hoe de transfer tot stand is gekomen (en of er eigenlijk wel zoveel aan de hand was bij zijn vorige werkgever, of dat alle partijen gewoon het welbekende onderhandelingsspel speelden).

Deze puike sportserie, waarvoor acteur en Spurs-fan Tom Hardy als verteller fungeert, laat alleen onbeantwoord wat er precies zo speciaal is aan de nieuwe koning van de Spurs. José Mourinho lijkt vooral een archetypische teambuilder, die onvermoeibaar blijft hameren op agressie, discipline en de absolute wil om prijzen te pakken. ‘We moeten winnen’, zegt de manager bijvoorbeeld tijdens de wedstrijdbespreking voor Bergwijns eerste match, tegen titelkandidaat Manchester City. ‘We moeten aanvallen. We moeten risico’s nemen, maar hebben ook stabiliteit nodig. En we moeten georganiseerd spelen als we de bal hebben…. Oké, we zijn er klaar voor.’

Of zulke peptalks, doorgaans vergeven van de fucks en fuckings, werkelijk voldoende zijn om het tij te keren bij Mourinho’s zwalkende elftal? En kan hij zijn team tijdens de verplichte Corona-pauze echt met Zoom-sessies klaarstomen voor toch nog een succesvolle bekroning van het seizoen?

Why We Hate

Haat valt af te leren. Is logisch. Beschermt ons. Wordt doelbewust ingezet. Kan besmettelijk zijn. Én maakt héél veel kapot.

Aan de hand van zes subthema’s en een daarbij behorende wetenschapper schetst de docuserie Why We Hate (264 min.), geregisseerd door Geeta Gandbir en Sam Pollard en geproduceerd door Steven Spielberg en Alex Gibney, de psychologische, genetische, sociologische, juridische, neurologische en biologische achtergronden van de menselijke behoefte om De Ander te wantrouwen, beschimpen of zelfs bestrijden. Dit levert interessante inzichten en dwarsverbanden op, die met soms schokkende beelden worden geïllustreerd.

Over tribalisme bijvoorbeeld, een fenomeen dat zowel zichtbaar is in de rivaliteit tussen voetbalclubs als de permanente stammenstrijd tussen de Democratische en Republikeinse partij in de Verenigde Staten en de steeds weer oplaaiende oorlog tussen Israël en de Palestijnen. Hopeloze kwesties ogenschijnlijk, waarbij ‘de psychologie van het slachtofferschap’ (ook al behoor je tot de bovenliggende partij) een dominante rol lijkt te spelen. Wetenschappelijke experimenten tonen echter aan dat die verhoudingen wel degelijk zijn te reframen – al leidt dat helaas niet per definitie ook tot betere verhoudingen.

Het blijft tevens pijnlijk hoe effectief propaganda kan zijn als middel om een andere bevolkingsgroep te dehumaniseren. De bijbehorende weerzinwekkende beelden – de Obama’s als apen, moslims als vleesgeworden bommen en Joden als afgezanten van de Duivel – mogen dan bekend zijn, het blijft nauwelijks te bevatten dat mensen bereid zijn om dit soort vuiligheid te produceren en consumeren. En de gevolgen daarvan zijn onmiskenbaar. In Rwanda werden de Tutsi’s in de jaren negentig bijvoorbeeld stelselmatig door kranten en radiostations van de Hutu-meerderheid uitgemaakt voor ‘kakkerlakken’. En wat doe je met zulke beesten? Juist: kapot maken.

Met verve slalomt de zesdelige serie Why We Hate verder langs de burgeroorlog in het voormalige Joegoslavië, Pol Pots Cambodja en het Hongarije van Viktor Orbán, zoomt in op het Internationaal Strafhof in Den Haag, de Charleston Church Shooting en de beruchte Milgram– en Stanford Prison- experimenten (en de rol van instructie daarbij) en introduceert haatzaaiers die tot inkeer zijn gekomen, zoals een voormalige neonazi, ex-extremistische moslim en oud-lid van de omstreden Westboro Baptist Church. Uit hun gezamenlijke relaas kan tóch hoop worden geput. Als voorbeelden daarvan focussen Gandbir en Pollard op hoe Zuid-Afrika Apartheid en Duitsland het Derde Rijk achter zich hebben gelaten.

Er is uiteindelijk ook geen alternatief voor het loslaten van de haat, zo wordt glashelder. Met het ontmenselijken van de ander, stelt mensenrechtenadvocaat Patricia Viseur Sellers bijvoorbeeld, doen we ook onze eigen humaniteit geweld aan.

American Factory

Netflix

In de donkere dagen van de economische crisis van 2008 besluit General Motors zijn fabriek in Dayton te sluiten. Zo’n 10.000 mensen in Ohio raken hun baan kwijt. Twee jaar later beginnen Chinese bedrijven te investeren in de regio. In de oude GM-fabriek wordt een Amerikaanse vestiging van Fuyao Glass geopend, waar een combinatie van oud-autowerkers en ingevlogen Chinezen aan de slag gaat. De cultuurshock, die in American Factory (110 min.) door Steven Bognar en Julia Reichert (in opdracht van het productiebedrijf van Barack en Michelle Obama) treffend en genuanceerd is gedocumenteerd, laat zich voorspellen.

De nieuwe kansen voor Amerikaanse arbeiders, die enkele jaren eerder keihard zijn geraakt door de crisis, gaan bijvoorbeeld ook gepaard met aanmerkelijk lagere lonen. En op medewerkers die daar iets tegen willen doen en zich aansluiten bij een vakbond zit het nieuwe management bepaald niet te wachten. ‘Een vakbond beïnvloedt efficiëntie en schaadt ons bedrijf’, aldus Fuyaos gestaalde CEO Cao Dewang. ‘Dan lijden we verliezen. Als er een vakbond komt, dan sluit ik de fabriek.’ Amerikaanse werknemers zijn voor zijn begrip sowieso al niet productief. En dan hebben ze ook nog veel te veel zelfvertrouwen, constateert Dewangs Chinese directeur van de Amerikaanse vestiging. Je moet ze paaien. ‘Ezels worden graag geaaid met de haarrichting mee’, zegt hij. ‘Anders schoppen ze.’

Tijdens een werkbezoek in China zien de Amerikanen met eigen ogen hoe hun dociele Chinese collega’s op welhaast militaire wijze worden gedrild. Vrije dagen en vakantie hebben ze vrijwel niet. En van Arbo-wetgeving heeft nog nooit iemand gehoord. Het helpt dat de Fuyao-vakbond ook niet echt een gevaar vormt. De voorzitter is tevens secretaris van de Communistische Partij en, oh ja, een zwager van de directeur van de fabriek. De Amerikanen kijken hun ogen uit, zeker tijdens de speciale Fuyao-show op oudejaarsavond, waarin bedrijf en management zowat heilig worden verklaard. Het is een prachtige scène, waarbij de Amerikaanse werkemannen zich eerst verbazen, daarna enthousiast worden en uiteindelijk ontroerd raken. En aan het eind mogen ze zelf het podium op voor een kolderieke versie van de Village People-hit YMCA.

Bognar en Reichert hebben jaren de tijd genomen om alle verwikkelingen bij Fuyao te registreren. Die ausdauer betaalt zich uit: het proces van aantrekken en afstoten is minutieus vastgelegd, met oog voor het menselijke verhaal en gevoel voor humor. Ook de toegang tot zowel de nieuwe directie als Chinese en (ontevreden) Amerikaanse medewerkers, is opmerkelijk. De filmmakers hebben blijkbaar behoorlijk vrij hun gang kunnen gaan. Zo hebben ze mooi wederzijdse vooroordelen, ook op managementniveau, kunnen vangen. Want hoeveel goede wil alle betrokkenen ook ten toon spreiden, samenwerken blijft geven en nemen – of, zoals sommige betrokkenen dat ervaren: je eigen idealen prijsgeven.

Het is onvermijdelijk dat het bedrijf en een deel van de arbeiders uiteindelijk tegenover elkaar komen te staan. Die confrontatie wordt in het boeiende American Factory van binnenuit weergegeven, zonder dat de makers al te duidelijk een kant of standpunt kiezen. Ontwikkelingen binnen de wereldeconomie worden zo teruggebracht naar de werkvloer, waar gewone mensen in hun inkomen proberen te voorzien.

Making A Murderer (seizoen 2)

Netflix

Zit er opnieuw een hype in Making A Murderer? Nou nee. De true crime-serie van Laura Ricciardi en Moira Demos veroorzaakte in 2015 een wereldwijde mediastorm. Door menigeen is er dan ook reikhalzend uitgezien naar dit tweede seizoen over Steven Avery en zijn medeplichtige Brendan Dassey, die al dan niet onterecht zijn veroordeeld voor de moord op de fotografe Teresa Halbach. Dat is echter een overbodige exercitie geworden.

Steven, een telg van de beruchte Avery-familie uit Manitowoc County in Wisconsin die eerder al achttien jaar onterecht in de gevangenis heeft gezeten voor aanranding en poging tot moord, wordt sinds enige tijd vertegenwoordigd door een nieuwe advocaat: Kathleen Zellner. Jarenlang was ze al tevergeefs door mensen uit de kring van Steven benaderd om zijn verdediging over te nemen. Daar kwam toen geen enkele reactie op. Na het succes van Making A Murderer, en het effect dat de serie had op de status van Averys vorige advocaten Dean Strang en Jerry Buting, is ze alsnog aan boord gekomen.

Wat voor de gestaalde dame pleit: ze heeft negentien keer eerder een ten onrechte veroordeelde man vrijgepleit. Volgens eigen zeggen meer dan willekeurig welke andere Amerikaanse advocaat. Wat ook voor Kathleen Zellner pleit: ze is een uitstekende nieuwe hoofdpersoon voor het tweede seizoen van deze documentairereeks, die zelf een auto aanschaft om te laten testen, proefschiet met een geweer of experimenteert met reageerbuisjes bloed. Zellner heeft bovendien wel wat weg van Morticia uit de televisieserie The Addams Family en is gezegend met een krachtig brein, een vlijmscherpe tong en een neus voor publiciteit.

Met nieuwe deskundigen, die het bestaande bewijsmateriaal tegen het licht houden, en allerlei extra onderzoeken en tests probeert ze de zaak heropend te krijgen. Intussen pogen ook Laura Nirider en Steve Drizin, de nieuwe advocaten van Brendan Dassey, om het vonnis tegen hun cliënt te laten herroepen. De pleitbezorgers van de veroordeelden zijn de echte hoofdpersonen van dit tweede seizoen. Steven Avery en Brendan Dassey, die hun kant van het verhaal zo langzamerhand ook wel hebben verteld, zijn niet meer dan figuranten. Al heeft Steven een nieuwe vriendin, een pas gescheiden blondine die wel een rol voor zichzelf ziet in de serie.

Daarnaast neemt dit tweede seizoen uitgebreid de tijd voor een portret van de Avery- en Dassey-families en het bijbehorende milieu, dat we voor het gemak maar white trash zullen noemen. Dat is heel aardig, maar draagt niet per definitie bij aan het opvoeren van het tempo en het aanbrengen van spanning in de serie, die in het eerste seizoen voortdurend van dramatische cliffhanger naar opzienbarende wending leek te stomen. Dit vervolg is erg stroperig, valt regelmatig in herhaling en wordt soms gewoon ronduit saai. Alsof Ricciardi en Demos zich hadden voorgenomen om het complete onderzoek van de verdediging van Steven Avery en Brendan Dassey tot in detail in beeld te brengen en ergens onderweg het uitgangspunt uit het oog zijn verloren dat Making A Murderer toch eerst en vooral een interessante documentaire zou moeten zijn.

Na opnieuw tien uur Avery/Dassey, waarin alle mogelijke onderzoekspistes zijn doorlopen en toch nog geen heel overtuigende theorie wordt geformuleerd over wat er dan precies is gebeurd of wie Teresa Halbach dan wél heeft vermoord, is het je als kijker zwaar te moede. Lamgeslagen door alwéér een nauwelijks te controleren scenario, test of onderzoek, waarmee Zellner en haar medewerkers voor de camera een toneelstukje opvoeren. Met enige goede wil is er uit deze eindeloze verzameling speculaties, herhaling van zetten en (twijfelachtige) verdachtmakingen een enerverende documentaire van pak ‘m beet anderhalf uur te peuren, die iets meer klaarheid brengt in de mogelijke justitiële dwaling rond Avery en Dassey. Héél veel meer zit er echt niet in.

Making A Murderer kiest duidelijk de kant van het verdedigingsteam van Steven Avery en Brendan Dassey – al doen Ricciardi en Demos zo nu en dan via nieuwsitems, interviews en archiefmateriaal voorzichtige pogingen om ook de kijk van de tegenpartij mee te nemen. De aangekondigde documentaireserie Convicting A Murderer belooft de zaak écht vanuit het perspectief van het Openbaar Ministerie te belichten. Het zal me benieuwen óf, en zo ja wát, we daar dan weer wijzer van worden.

Dancer


Als de openingsscène van een film over een balletdanser wordt begeleid door een klassieker van de metalband Black Sabbath, dan weet je dat het niet om zomaar een danser gaat. Dat klopt. Hij heet Sergei Polunin en lijkt daadwerkelijk de Iron Man van het internationale ballet.

De meeslepende documentaire Dancer (77 min.), die donderdag wordt uitgezonden door Het Uur Van De Wolf, wrikt de deur open bij de Oekraïense ‘bad boy of ballet’ en komt zo voorbij het dwarse gedrag, de opzichtige tatoeages en nonchalant geëtaleerd drugsgebruik.

Filmmaker Steven Cantor gaat op zoek naar de twintiger die zijn jeugd heeft geofferd voor zijn gave. Terwijl hij als jongetje naar een exclusieve balletschool in Kiev werd gestuurd, vertrokken zijn vader en oma naar respectievelijk Portugal en Griekenland om te werken, zodat die opleiding ook kon worden betaald. Niet veel later lag het hele gezin Polunin aan diggelen.

In Dancer stelt Sergei zich de vraag of ’t het allemaal waard was en wat dansen eigenlijk nog betekent in zijn leven. Leeft hij zijn eigen droom of die van een ander?