Long Hot Summers – The Story Of The Style Council

The Jam is dood, lang leve The Style Council. Toen zanger en songschrijver Paul Weller begin jaren tachtig klaar was met de melodieuze punkband die hem enkele jaren daarvoor had gebombardeerd tot belangrijke vaandeldrager van de Britse muziek, was hij klaar voor een meer volwassen benadering. Op het drielandenpunt tussen pop, soul en jazz. Dat was even slikken voor de fans die hem na klassiekers als Town Called Malice en Going Underground in de armen hadden gesloten.

En toch – de goede verstaander voelt hem al aankomen; waarom zouden ze anders een kleine 35 jaar later een documentaire maken over de band? – kwam het nog goed met The Style Council. Met zichtbaar plezier blikken Weller en zijn voormalige bandmaten in Long Hot Summers – The Story Of The Style Council (74 min.) op de tropenjaren die zouden volgen. Het gezoek in de beginperiode, alle verplichte pieken en dalen en het einde van de band dat zich te langen leste onvermijdelijk aandient.

Zulke popdocu’s staan of vallen met de houdbaarheid van de muziek (lekkere hits en clips genoeg), de hoeveelheid smeuïge anekdotes (ruim voldoende; zo noemt Weller de liefdadigheidssingle van Band Aid, waaraan hij met zichtbare tegenzin meewerkte, bijvoorbeeld ‘vreselijk’) en de kwaliteit van de opgevoerde celebrities die de loftrompet over de groep mogen steken (behoorlijk: Culture Club-zanger Boy George, acteur Martin Freeman en singer-songwriter Billy Bragg).

Waarbij moet worden aangetekend dat The Style Council veel politieker was dan de soepele sound deed vermoeden en dat daarvoor vanzelfsprekend ook plek is ingeruimd in dit bandportret van Lee Cogswell. Dat is uiteindelijk een vermakelijke film geworden over een groep die tot de blikvangers van de eighties mag worden gerekend. Totdat de rek er echt uit was en het tijd werd voor: The Style Council is dood, leve Paul Weller!

Long Hot Summers – The Story Of The Style Council is hier te bekijken.

Boogie Man: The Lee Atwater Story

Zijn naam blijft voor altijd verbonden aan die van Willie Horton. De zwarte Amerikaan heette in werkelijkheid William Horton, maar Willie klonk nu eenmaal gevaarlijker. Zoals het beleid om weekendverlof te geven aan gedetineerden ook niet afkomstig was van de Democratische gouverneur van Massachusetts Michael Dukakis, maar van één van diens voorgangers, Francis Sargent, een Republikein nota bene.

Voor Lee Atwater (1951-1991), de spin doctor van de Republikein George H. Bush, was dat in 1988 echter helemaal geen beletsel: presidentskandidaat Dukakis werd persoonlijk verantwoordelijk gesteld voor de roofoverval, gewelddaden en verkrachting die de archetypische boze zwarte man ‘Willie’ pleegde tijdens zijn verlof. ‘Tegen de tijd dat wij klaar zijn’, pochte Atwater toentertijd zonder enige vorm van schaamte, ‘denken mensen dat Willie Horton de running mate van Dukakis is.’

De beruchte racistische campagnespot zou een sleutelrol spelen in de verkiezing van zijn baas tot president van de Verenigde Staten. Hoewel Lee Atwater ook een rol(letje) zou spelen bij andere Republikeinse presidenten zoals Nixon, Reagan en Bush Jr., stellen vrienden, collega’s en opponenten in Boogie Man: The Lee Atwater Story (88 min.) dat hij eigenlijk helemaal geen zwaar doortimmerd conservatief gedachtengoed had. De politieke profi uit South Carolina had maar één ideaal: winnen. Ten koste van alles en iedereen, waaronder hijzelf.

In dat verband bevond de man met ‘the eyes of a killer’ zich voortdurend in goed gezelschap, kerels die nog altijd met liefde en plezier over Atwater vertellen: Ed Rollins (een belangrijke politieke adviseur van het Republikeinse icoon Reagan en tevens de leermeester van Atwater, die hem een mes in zijn rug zou steken), Karl Rove (Atwaters voormalige rechterhand en de mannetjesmaker van George W. Bush) en Roger Stone (Donald Trumps dirty trickster). Om de huidige Republikeinse partij te kunnen begrijpen, is kennis van de persoon, tacticus en straatvechter Lee Atwater eigenlijk onontbeerlijk.

Dit traditioneel opgebouwde portret van Stefan Forbes uit 2008 belicht weliswaar ’s mans getraumatiseerde jeugd, zijn affiliatie met de opper-segregationist Strom Thurmond en die opmerkelijke voorliefde voor de bluesgitaar, maar concentreert zich natuurlijk vooral op het centrale verhaal van Atwaters carrière: de presidentscampagne van ‘88. En daarbij komen zowaar ook Bush’ grote tegenstrever Michael Dukakis en zijn echtgenote Kitty aan het woord. Zij werden voor het leven getekend door de vuile trucs van ‘de Amerikaanse Machiavelli’.

Uiteindelijk zouden de malicieuze aantijgingen ook Lee Atwater zelf inhalen. Een typisch geval van boontje komt om zijn loontje. Toen de spin doctor par excellence als dertiger terminaal ziek werd en toch nog wroeging leek te krijgen, bleek hij zich niet meer los te kunnen maken van zijn eigen creatie: Willie Horton was een toonbeeld geworden van racisme in de Amerikaanse politiek en Atwater ging de herinnering in als de gewetenloze instigator daarvan.

Coded Bias

‘Ik haat feministen. Die moeten allemaal dood en branden in de hel.’ Aan het woord is Tay, de chatbot die Microsoft in 2016 lanceerde op Twitter. Binnen enkele uren had de bot zich de mores van z’n nieuwe omgeving volledig eigen gemaakt. Tay begon zich als een racistische, vrouwonvriendelijke klootzak te gedragen. ‘Ik haat Joden. Hitler deed niets verkeerds.’ Het experiment werd na slechts zestien uur afgebroken.

Het verhaal van Tay is exemplarisch voor de centrale thematiek van Coded Bias (85 min.), een alarmistische film van regisseur Shalini Kantayya: moderne technologie, Artificial Intelligence in het bijzonder, is doorgaans de resultante van onbewuste, en vaak ook onbedoelde, aannames en vooroordelen, die bovendien gemakkelijk gemanipuleerd kunnen worden. Dat is vragen om problemen. Met Big Tech, autoritaire regimes of kwaadaardige trollen.

De documentaire start met Joy Buolamwini, een jonge computerwetenschapper die ontdekte dat ‘t een camera opvallend veel moeite kostte om haar gezicht te herkennen. Had dat misschien te maken met het feit dat ze een zwarte vrouw was en niet – zoals nog altijd de standaard is bij de ontwikkeling van nieuwe technologische toepassingen – een witte man? Een algoritme is immers, doceert ze, niet meer dan een voorspelling die is gebaseerd op gegevens die in het verleden zijn ingevoerd.

Van daaruit slaat Kantayya haar vleugels uit naar de mogelijke gevaren van toepassingen zoals ongebreidelde dataverzameling, gezichtsherkenning op bestelling en geautomatiseerde beoordelingsystemen. Natuurlijk wordt daarbij regelmatig de link gelegd met dystopische klassiekers zoals George Orwells 1984. In China kun je bijvoorbeeld al inkopen afrekenen via een gezichtsscanner, maar voor hetzelfde geld word je op basis van datzelfde uiterlijk voortaan geweerd uit het openbaar vervoer.

Coded Bias had nog wel wat krachtige voorbeelden kunnen gebruiken: van gewone stervelingen die door/met tech zijn gegeseld. Want als A.I. en andere moderne technologie in verkeerde handen belandt, zoveel maken de verschillende sprekers wel duidelijk, belanden we beslist in een unheimische wereld, waarin massale en veelal onzichtbare manipulatie de menselijke maat, elke vorm van privacy en gewoon gezond verstand zal verdringen.

Soul Boys Of The Western World

Natuurlijk, dit is zo’n typische banddocu. Die chronologisch uiteenzet hoe de som uiteindelijk – pas na een slordige 24 minuten – meer werd dan de delen. Waarin de grote successen van de helden (True, Gold en natuurlijk Through The Barricades) vanzelfsprekend uitbundig worden gevierd. En die niet geheel toevallig werd uitgebracht toen hun groep, Spandau Ballet, na ruim twintig jaar een onverwachte comeback had gemaakt.

Soul Boys Of The Western World (110 min.) is niettemin een joyeuze viering van hoe de ‘working-class lads’ uit Noord-Londen, na diverse valse starts, ergens in de jaren tachtig de synthesizer ontdekten, zich precies het juiste imago aanmaten en een eigentijdse en poppy draai gaven aan hun voorliefde voor soul. Ze werden er even héél succesvol mee: echte popsterren, de vervulling van al hun jongensdromen. En toen begonnen de steeds verder opgeblazen ego’s, gepersonifieerd door zanger Tony Hadley en songschrijver Gary Kemp, ongenadig te botsen. Vanwege een ordinaire centenkwestie kwamen de bandleden zelfs tegenover elkaar te staan bij de rechter.

Regisseur George Hencken serveert dat al duizenden malen vertelde verhaal over de opkomst, ondergang en wederopstanding van een popgroep aanstekelijk uit, laat het off screen becommentariëren door de individuele bandleden en heeft daarnaast genoeg oog voor de maatschappelijke context in het toenmalige Verenigd Koninkrijk, straf geleid door ‘iron lady’ Margaret Thatcher, om er nét iets meer van te maken dan alleen een routineuze vertelling over een dertien-in-een-dozijn bandje. Ook als je weinig hebt met hun muziek – understatement – en zelfs wel een beetje moet grinniken om hun uitbundige kapsels, zorgvuldige gestylede kostuums en nét iets te kleine speedo’s – bekentenis – houdt deze film je bijna twee uur bij de les.

Slechts enkele jaren na het uitbrengen van deze popdocu uit 2014 was er overigens tóch weer herrie in de tent bij Spandau Ballet. Sindsdien moeten de overjarige glamourboys het doen zonder frontman Tony Hadley. Totdat ook die in zijn portemonnee weer de dringende noodzaak begint te voelen om zich en plein publique te verzoenen met zijn jeugdvrienden. En de camera’s wellicht kunnen gaan draaien voor Soul Boys Of The Western World – The Sequel.

Once Upon A Time In Iraq

‘Waar zou u de serie mee beginnen?’ wil de interviewer bij de start van Once Upon A Time In Iraq (295 min.) weten. ‘Jeetje…’, peinst de Amerikaanse oorlogscorrespondent Dexter Filkins (The New York Times). ‘Irak zou niet met 9/11 in verband moeten worden gebracht, maar dat is helaas wel gebeurd.’

Regisseur James Bluemel keert daarna inderdaad terug naar de aanslagen op 11 september 2001, die door de Amerikaanse president George W. Bush als aanleiding werden gebruikt om in het voorjaar van 2003 Irak binnen te vallen. Ook al was (en is) de connectie tussen de terroristische aanval op het Amerikaanse World Trade Center en het Pentagon en het gehate regime van de Iraakse leider Saddam Hoessein nooit overtuigend aangetoond. Hem wilden Amerikaanse neoconservatieven echter al heel lang weg hebben. In elk geval sinds de Golfoorlog, toen president George H. Bush – juist, de vader van – Hoessein begin jaren negentig op zijn plek liet zitten.

Dat is de politieke context, die tot een eindeloze (burger)oorlog en de opkomst van Islamitische Staat zou leiden. Deze tragische geschiedenis wordt in deze krachtige vijfdelige docureeks, met acteur Andy Serkis als verteller, nu eens niet uit de doeken gedaan door politieke kopstukken, hooggeplaatste militairen en topdiplomaten (die in de docuserie The Iraq War al uitgebreid aan het woord zijn gekomen), maar door gewone mensen uit Irak en de Verenigde Staten: burgers, journalisten en soldaten. De mensen die – toen de bombardementen, beschietingen en onthoofdingen begonnen – met hun poten in de modder stonden. Of in het bloed.

En zij hebben nogal wat op hun lever. Een meisje herinnert zich bijvoorbeeld hoe ze een oog verloor door een granaatscherf. Een tolk vertelt hoe hij in een kuil de gevluchte Saddam Hoessein ontdekte. Een Amerikaanse bataljonscommandant realiseert zich nu dat hij langzaam maar zeker helemaal doordraaide. Een Iraakse militair verhaalt over hoe hij als enige een moordpartij van IS overleefde. Een jonge vrouw herinnert zich hoe ze als kind tijdens de komst van het Amerikaanse leger begroette: ‘Zijn jullie Ninja Turtles?’ En één van die soldaten, sergeant Rudy Reyes, laat een fles tequila aanrukken, om zijn verhaal te kunnen doen. ‘Of het ‘t allemaal waard was?’ vraagt Bluemel naderhand. Reyes: ‘Nou ja, dat moet gewoon. Wat is het alternatief?’

Grote geschiedenis, kortom, bezien door gewone mensen, die uitstekend invoelbaar maken hoe het is om te leven of werken te midden van oorlog en terreur. En die nog altijd kampen met de gevolgen daarvan. ‘Waar eindigt dit verhaal?’ vraagt de filmmaker tot besluit aan oorlogsjournalist Dexter Filkins. ‘Ik weet het niet’, antwoordt deze vertwijfeld. ‘Ik denk niet dat er binnenkort een einde aan komt. Er is geen oplossing. In het Midden-Oosten is er geen oplossing. We zijn er nog lang zoet mee.’

Making Waves: The Art Of Cinematic Sound

Videoland

Als kind was ik verzot op Winnetou-films. Ik keek ze vooral op de Duitse televisie. Op een gegeven moment begon me echter één ding op te vallen: alle paarden hinnikten op precies dezelfde manier. Het duurde niet lang of ik kon het geluid perfect imiteren. Ik denk dat ik het nog steeds kan.

Elke zichzelf respecterende sound editor zou zich tegenwoordig kapot schamen voor zo’n goedkope oplossing. Toch was het in de begindagen van de film geen ongebruikelijke keuze, zo wordt duidelijk uit de documentaire Making Waves: The Art Of Cinematic Sound (95 min.). Toen de stomme film het had afgelegd tegen de rolprent met geluid, werd er vaak gebruikgemaakt van stockgeluiden. Voor rondvliegende kogels. Een explosie. Of een flinke oorvijg. En als het niet anders kon, werd er gewoon een overdaad aan bombastische muziek overheen gemixt.

Toch waren er altijd filmmakers die het belang van geluid wél onderkenden. En begin jaren zeventig, toen een nieuwe generatie Hollywood veroverde, werd die houding eindelijk gemeengoed. Deze documentaire ontleedt die ontwikkeling met bekende regisseurs als Steven Spielberg, George Lucas en David Lynch en groten uit het geluidsvak zoals Walter Murch (The Godfather, The Conversation & Apocalypse Now), Ben Burtt (Star Wars, E.T. & Indiana Jones) en Gary Rydstrom (Jurassic Park, Saving Private Ryan & Toy Story).

Making Waves – de tegenhanger van Score, een soortgelijke liefdevolle documentaire over filmmuziek – is gelardeerd met prachtige voorbeelden uit de filmhistorie. Die worden nu eens niet benaderd vanuit de regisseur, scenarioschrijver of acteurs, maar vanuit alle verschillende aspecten van het geluidsdecor, zónder dat het een ondoorgrondelijk technisch verhaal wordt. Doorgewinterde cinefielen zien sleutelscènes uit filmklassiekers zo nog eens met andere oren en voor de verandering staan in deze docu van vakbroeder Midge Costin nu dus eens de ‘unsung heroes’ van de filmsound in de spotlight.

Deze giganten hebben ons als kijkers opgevoed. Meestal overigens zonder dat we dat doorhadden, want veel geluidstechnici werken in het geniep. Hun beste trucs verdwijnen in het totaal. Als ze broddelwerk afleveren, merken we het echter direct. Zo begon het mij als jongetje bijvoorbeeld op te vallen dat een heel klein team bij de Duitse tv de nasynchronisatie van zo’n beetje alle producties verzorgde. Ik ontdekte de grote westernheld ‘John Wayne’ tevens in totaal andere rollen en films. En ook hem kon ik al snel behoorlijk nadoen.

The Reagans

Showtime

Het was destijds voor veel Nederlanders waarschijnlijk nauwelijks voor te stellen dat de figuur Ronald Reagan, een voormalige acteur die nooit president van de Verenigde Staten (1981-1989) had mogen worden, ooit nostalgische gevoelens zou kunnen oproepen. Nooit meer zou een man immers zo evident ongeschikt zijn voor het ambt dat hij mocht bekleden. En toen, een kleine dertig jaar later, werd Donald Trump gekozen tot president en begon het Republikeinse icoon Reagan steeds meer te lijken op een adequate vertegenwoordiger van betere tijden.

Deze vierdelige docuserie van Matt Tyrnauer heet echter niet voor niets The Reagans (218 min.). Meervoud. Want achter deze ‘all American hero’ staat niet zomaar een representatieve echtgenote of glamoureus fotomodel, maar een kleine, vinnige dame: Nancy Davis, een voormalige actrice die haar ‘Ronnie’ naar grote hoogten zou dirigeren en – ondanks een aanzienlijke collectie charmante mantelpakjes – thuis stevig de broek aanhad. Zonder Nancy is Reagans opmars van verdienstelijke bijrolspeler, voorzitter van de acteursvakbond en rondreizend uithangbord voor General Electric tot eerst gouverneur van de staat Californië en daarna Amerikaans president volstrekt ondenkbaar.

Die heldhaftige klim naar ‘this shining city upon a hill’, waarbij Reagan en zijn echtgenote de mythe van Amerika consequent verkozen boven de soms barre realiteit, wordt in deze gedegen dubbelbiografie met een karrenvracht aan fraai archiefmateriaal en een keur aan bronnen gereconstrueerd. Van de onvermijdelijke biografen, journalisten en historici tot insiders zoals James Baker, George Shultz en Stu Spencer. Zij aanschouwden van spuugafstand hoe de Reagans opereerden als politiek tweemanschap.

De teneur van de serie is opvallend kritisch. Tyrnauer zoomt bijvoorbeeld in op hoe Ronald een ommezwaai van links naar rechts maakte, waarbij hij slim inspeelde op ressentiment bij witte Amerikanen, zijn eigen (fictieve) ‘welfare queen’ introduceerde en nauwelijks begrip toonde voor bevolkingsgroepen die zich niet thuis voelden in zijn geïdealiseerde versie van Amerika. Was zijn vader misschien een racist? Zoon Ron Jr, die zich al vaker kritisch heeft uitgelaten over de verrichtingen van zijn ouders, vindt het een lastige vraag. Ook al kan hij zich niet herinneren dat thuis ooit het N-woord werd gebezigd.

Junior kreeg zijn vader in elk geval niet aan z’n verstand gepeuterd dat alleen de rijken profiteerden van Reaganomics en dat zijn rigoureuze bezuinigingen juist de kwetsbaarste Amerikanen troffen. Intussen liet zijn moeder Het Witte Huis opnieuw decoreren en kreeg ze aan de lopende band nieuwe designerjurkjes aangemeten. Zulke kritiek – en die weerklinkt volop in deze soms ronduit ontluisterende reeks – werd door de twee volleerde acteurs gepareerd met een kundig uitgeserveerde grap, een vleugje zelfspot of een aantrekkelijk fotomomentje. The Reagan Show, zoals vervat in de gelijknamige documentaire.

Hoe hard zijn beleid ook uitpakte, bijvoorbeeld voor homoseksuelen met AIDS, Ronald bleef ogen als een goeiige grootvader des vaderlands. En die roestvrijstalen glimlach verliet nooit Nancy’s gezicht. Beiden speelden immers de rol van hun leven. ‘Laat ons naar elkaar uitspreken’, speechte Reagan bijvoorbeeld bij het Amerikaanse vrijheidsbeeld tijdens de presidentscampagne van 1980, ‘dat we in staat zijn om en – als God het ons toestaat – daadwerkelijk “make America great again”.’ Niet voor niets zou die slogan later geleend worden door die andere Republikeinse president, een man die op min of meer dezelfde grondslagen zou gaan regeren. De toon was alleen volledig anders.

The Hunt For Gaddafi’s Billions

VPRO

Na een uur krijgt hij telefoon en moet plotseling weg. George Darmanovic laat zijn gesprekspartners Misha Wessel en Thomas Blom met allerlei vragen achter. De Zuid-Afrikaanse geheimagent weet alles over de weggesluisde miljarden van de Libische leider Muammar Gaddafi, maar heeft het achterste van zijn tong nog niet laten zien.

Darmanovic vertrekt met de belofte dat hij bij een volgend interview foto’s en ander bewijsmateriaal zal laten zien. Wessel en Blom zullen hem echter nooit meer ontmoeten. Zes weken later wordt zijn ontzielde lichaam gevonden in de Servische hoofdstad Belgrado. Hij is geliquideerd. Later volgen ook de twee huurmoordenaars die Darmanovic zouden hebben neergeschoten.

Deze kille afrekeningen lijken aan te tonen dat er echt wat op het spel staat in The Hunt For Gaddafi’s Billions (91 min.). Ettelijke miljarden dollars, zoals het zich laat aanzien. Toen de grond hem te heet onder de voeten werd, ten tijde van de Arabische Lente van 2011, besloot de Libische leider Gaddafi een groot deel van zijn vermogen, geschat op zeker 150 miljard dollar, clandestien naar het buitenland te verplaatsen. Als een enorme oorlogskas of voor – wie zal het zeggen? – een riant bestaan als pensionado.

Wat is er met dat geld gebeurd? En wie heeft er zich over ontfermd? Het spoor in deze groots opgezette internationale productie leidt naar Zuid-Afrika, waar een deel van de verdwenen cash werd vrijgemaakt voor een wapendeal en daarna spoorloos is verdwenen. Twee concurrerende groeperingen – bestaande uit dubieuze diplomaten, privédetectives, geheimagenten, wapenhandelaren, premiejagers en huurlingen – zetten de jacht in op de verdonkeremaande schat. Voor de goede zaak, hun land of – zo gaat dat in deze schimmige wereld – het op te strijken vindersloon.

Hun jarenlange speurtocht naar waar Gaddafi’s erfenis terecht is gekomen leidt Wessel en Blom naar de donkerste spelonken van de internationale diplomatie, waar ze stuiten op enkele politieke kopstukken die zich ogenschijnlijk in duistere zaakjes hebben begeven. Onderweg hebben de Nederlandse onderzoeksjournalisten zowaar ook een ontmoeting met een Deep Throat-achtige anonieme bron. In een parkeergarage, natuurlijk.

Stukje bij beetje komen ze in deze enerverende jacht op Gaddafi’s geld en de bijbehorende goudzoekers zo steeds dichter bij wat er met die miljarden gebeurd zou kunnen zijn.

The Hunt For Gaddafi’s Billions is hier te bekijken.

Unfit: The Psychology Of Donald Trump

Quizvraag: aan welke Amerikaanse politicus moet u denken bij de volgende termen: narcisme, paranoia, antisociale persoonlijkheid en sadisme? Vast niet aan Joe Biden. Al is er volgens psychiater John Gartner een dikke kans dat de Democratische presidentskandidaat in elk geval een narcist is. Dat geldt immers voor de meeste politici. Niet alleen de Amerikaanse overigens.

Nee, hij heeft het natuurlijk over – tromgeroffel, doodse stilte, paukengeschal – Donald J. Trump. En diens narcisme is bepaald niet het grootste probleem. Die andere drie kwalificaties maken hem in de ogen van Gartner pas echt gevaarlijk. Ga maar na: ’s mans complottheorieën, zijn slachtofferschap, het kleineren en demoniseren van anderen, zijn leugenachtigheid, het schenden van andermans rechten, zijn totale gebrek aan elke vorm van spijt en het overtreden van alle mogelijke normen en regels. Samengevat: kwaadaardig narcisme.

En natuurlijk, er bestaat zoiets als The Goldwater Rule, vernoemd naar de Republikeinse presidentskandidaat Barry Goldwater die in 1964 publiekelijk allerlei psychische stoornissen kreeg aangepraat door psychiaters. Sindsdien geldt het uitgangspunt: als psychiater houd je in het openbaar je mond over de mentale gesteldheid van een politicus. Maar dan treedt volgens Gartner en zijn collega’s de Tarasoff-regel in werking: het is de plicht van een therapeut om anderen te waarschuwen als ‘de patiënt’, volgens Commander In Cheat-schrijver Rick Reilly ook een notoire valsspeler op de golfbaan, een gevaar voor hen vormt.

Zie daar het centrale dilemma van de intrigerende documentaire Unfit: The Psychology Of Donald Trump (85 min.) van Dan Partland, waarin psychologen, historici en critici vanuit eigen kring zoals George Conway (de echtgenoot van Trumps adviseur Kellyanne), zijn voormalige perschef voor een dag of tien, Anthony Scaramucci, en conservatief boegbeeld Bill Kristol de man en het fenomeen Trump proberen te duiden. Daarbij komen en passant ook thema’s als de psychologie van het hedendaagse Amerika en moderne wetenschappelijke inzichten over leiderschap en groepsvorming aan de orde.

Waarbij de psychologische bevindingen en politieke ideeën van de sprekers over de Amerikaanse president natuurlijk volledig verknoopt raken, bijvoorbeeld als die omstreden parallel tussen Trump en autoritaire leiders als Mussolini en Hitler aan de orde komt. Die wordt overigens behoorlijk aannemelijk gemaakt, zonder dat The Donald meteen wordt gelijkgeschakeld aan Il Duce of Der Führer. Dat de vergelijking überhaupt wordt gemaakt zal voor critici echter al voldoende reden zijn om het lekker vlot gemonteerde en met animaties opgeleukte Unfit zonder omhaal van woorden af te doen als ‘hopeloze Trump-bashing’.

Als we Gartner en consorten mogen geloven wordt er tijdens de verkiezingen van dinsdag 3 november hoe dan ook een narcist tot president gekozen. Het is vooral de vraag of die regelmatig een hole-in-one slaat.

Outfoxed: Rupert Murdoch’s War On Journalism

Hoe zou de eerste ambtstermijn van Donald Trump eruit hebben gezien zónder de kabelzender Fox News? Het is de vraag of hij überhaupt ooit president had kunnen worden zonder de onvoorwaardelijke steun van Fox’s oerconservatieve eigenaar Rupert Murdoch, CEO Roger Ailes (een voormalige spin doctor van de Republikeinse partij) en bijzonder partijdige talkshow hosts zoals Sean Hannity, Laura Ingraham en Tucker Carlson.

In de activistische documentaire Outfoxed: Rupert Murdoch’s War On Journalism (77 min.) uit 2004 ontleedde de linkse filmmaker Robert Greenwald al de modus operandi van de nieuwszender, die zich destijds afficheerde met slogans als ‘fair & balanced’ en ‘we report, you decide’ en intussen doelbewust geen enkel onderscheid meer maakte tussen feiten en meningen daarover. Alles, werkelijk alles, werd consequent bezien vanuit een bijzonder rechtse bril.

Daarmee leverde Fox een aanzienlijke bijdrage aan de vergiftiging van het Amerikaanse politieke klimaat. Om over de verruwing van het debat nog maar niet te spreken. ‘Shut up’ werd bijvoorbeeld het vaste mantra van de toenmalige ster van de nieuwszender, Bill O’Reilly, ‘some people say’ een slim voorwendsel om oncontroleerbare meningen in te brengen in het gesprek, zo laat Outfoxed zien. Het werkte wel: de benadering van Fox News bleek zowel succesvol als lucratief.

Greenwalds politieke pamflet komt enigszins traag op gang en heeft met linkse kopstukken als Bernie Sanders en Al Franken ook een wat eenzijdige bronnenlijst, maar overlegt uiteindelijk overtuigend bewijsmateriaal van de ontzettend partijdige manier waarop Fox bericht over onderwerpen als het homohuwelijk, abortus en de verkiezingen van 2000, waarbij de rechtse zender het pleit echt in het voordeel van de Republikein George W. Bush probeert te beslechten.

Diens oorlog in Irak zorgt bovendien voor heel wat tromgeroffel op Fox News. En pijnlijke taferelen. Als Jeremy Glick, de zoon van een man die sneuvelde bij de aanslagen van 11 september 2001, zich in The O’Reilly Factor bijvoorbeeld tegen die oorlog uitspreekt, krijgt hij meermaals van de gastheer te horen dat hij zijn bek moet houden. ‘Ik hoop dat je moeder dit niet zit te kijken.’ Bijna een jaar na het bewuste twistgesprek wordt Glick in uitzendingen nog altijd regelmatig zwartgemaakt door O’Reilly.

Sindsdien heeft het stijfrechtse Fox News bepaald geen gas teruggenomen. Zo heeft de zender, onbewust, de bodem gelegd voor een populistische politicus als Donald Trump, die als president regelmatig blindelings de ‘talking points’ van zijn favoriete programma Fox & Friends doortweet en soms zelfs beleid lijkt te ontwikkelen op basis van wat Murdochs zender hem die dag voorschotelt. Intussen blijkt uit allerlei publicaties dat Fox News-kijkers er inmiddels een geheel eigen wereldbeeld op nahoudt.

‘Fox News maakt zijn kijkers immuun voor bewijsmateriaal dat niet past in hun wereldbeeld’, constateerde Alvin Chang al in dit onderzoek van Vox uit 2018. Inmiddels heeft zich met One America News Network (OANN) bovendien een nóg extremere nieuwszender aangediend, die ongegeneerd naar de gunsten van de Amerikaanse president dingt.

In de nabrander Outfoxed Effect: Ten Years Later blikt Robert Greenwald terug op hoe ze de documentaire maakten (bijvoorbeeld door met een team letterlijk 24 uur per dag Fox News te kijken) en het effect dat die had.

Surplus: Terrorized Into Being Consumers

Om de wereld te redden moeten we terug naar het stenen tijdperk. Dat is min of meer de boodschap van antiglobaliseringsgoeroe John Zerzan, de onofficiële architect van het bijzonder ferme verzet tegen globalisering aan het begin van de 21e eeuw én de spil van deze activistische film uit 2003, waarin de wetten van marketing en reclame worden ingezet om een ándere boodschap over te brengen. Terug naar een wereld, zo luidt die, waarin wij als mensen niet meer worden gereduceerd tot zielloze slaven van het kapitalisme, als producent of als consument.

Dit thema wordt door regisseur Erik Gandini in Surplus: Terrorized Into Being Consumers (51 min.) weergaloos gevisualiseerd met videoclip-achtige beeldsequenties. Zo bouwt hij bijvoorbeeld rond een uitspraak van de Amerikaanse president George W. Bush na de aanslagen van 11 september 2001 een meeslepende clip. ‘We cannot let the terrorist achieve the objective of frightening the nation to the point where we don’t conduct business’, zegt Bush daarin. ‘Where people don’t shop.’

Op die manier schetst deze onweerstaanbaar ritmische film een ontluisterend beeld van het (ongebreidelde) kapitalisme, dat verder wordt ingekleurd met scènes rond een producent van levensechte sekspoppen, de maniakale presentaties van Microsoft-CEO Steve Ballmer en een negentienjarige Zweedse webdesigner, die dagelijks miljoenen door zijn handen laat gaan, van gekkigheid niet weet hoe hij zijn geld weer moet kwijtraken en zich vooral heel erg leeg voelt.

Als – overigens niet al te subtiel – contrast introduceert Gandini daarnaast de communistische heilstaat Cuba van Fidel Castro, volgens de leider zelf ‘het meest democratische land ter wereld’. Een natie zonder consumentisme en reclame bovendien, waar de met ijzeren hand geleide overheid probeert te voorzien in ieders basisbehoeften, maar consumeren om het consumeren echt uit den boze is.

Rice and beans, dat is het wel zo’n beetje, door de filmmaker vervat in alweer een swingende videoclip. Daarin vertelt een Cubaanse tiener over hoe ze haar ogen uitkeek in een Europese supermarkt en uiteindelijk bij de plaatselijke vestiging van McDonald’s het summum van westerse beschaving ontdekte: de Big Mac. Ze keerde moddervet terug in eigen land. ‘En heel mijn lijf bleef snakken naar meer.’ En naar muziek, films en ander entertainment.

Het is een wereld die wij inmiddels van binnen en buiten kennen. Waarin McDonald’s het succesvolste restaurant kon worden en Donald Trump president van de Verenigde Staten. Een wereld ook die we, zeker hier in het ‘vrije’ westen, als vanzelfsprekend zijn gaan beschouwen. En die nu natuurlijk toch volledig ter discussie is komen te staan. Die context maakt van het briljant gemonteerde Surplus, dat de boodschap er met veel repetitie in(d)ramt, nog altijd een onontkoombare documentaire.

Intent To Destroy: Death, Denial & Depiction

Het is ondenkbaar dat The Promise (2016), de speelfilm van de Noord-Ierse schrijver/regisseur Terry George (In The Name Of The Father, Hotel Rwanda en Reservation Road) met Christian Bale in de hoofdrol, kon worden opgenomen in Turkije, het land waar het verhaal zich eigenlijk afspeelt. De film behandelt namelijk de Armeense genocide in 1915, die honderd jaar na dato nog altijd erg gevoelig ligt in de Turkse gemeenschap. De officiële lezing is zelfs heel simpel: de volkerenmoord op zo’n anderhalf miljoen Armeense inwoners van het Ottomaanse rijk heeft nooit plaatsgevonden.

Duitsland zou bij die operatie hand- en spandiensten hebben verleend, leren officiële documenten. Als naargeestige vingeroefening voor de latere Endlösung. Vlak voor de invasie van Polen in 1939 benoemde Adolf Hitler de genocide, een woord dat overigens pas enkele jaren later zou worden gemunt door de Joods-Poolse jurist Raphael Lemkin, zelfs in zijn Obersalzberg-speech: ‘Wie heeft het tegenwoordig nog over de Armeense massamoord?’ Want daarmee kon je blijkbaar wegkomen.

De documentaire Intent To Destroy: Death, Denial & Depiction (114 min.) vertelt het complete verhaal van de eerste genocide van de twintigste eeuw, die dus nog gruwelijke reprises zou krijgen in het Derde Rijk, maar ook op desolate plekken als Cambodja, Rwanda en Bosnië. De bewogen filmopnames voor The Promise, die bij alle (Armeense) betrokkenen heel wat emotie losmaken, leveren daarbij het bewijsmateriaal, dat in werkelijkheid bijna niet kon worden gemaakt. Daar zagen de Turkse autoriteiten toentertijd wel op toe, in een poging om hun sporen zorgvuldig te wissen.

Documentairemaker Joe Berlinger richt zich in de tweede helft van zijn interessante film op de navolgende pogingen van het land om ‘de zogenaamde genocide‘ stil te zwijgen en iedereen die zich daar tóch over wil uitspreken rigoureus de mond te snoeren. Deskundigen noemen dat overigens de laatste fase van genocide: dat de schuld uiteindelijk wordt gelegd bij de slachtoffers. Intent To Destroy geeft hen het podium dat hen toekomt, maar laat ook enkele criticasters die vraagtekens zetten bij de kwalificatie genocide aan het woord. Berlingers boodschap is echter duidelijk: dit onrecht dient nog altijd te worden rechtgezet.

Shut Up & Sing

Terwijl het Amerika van president George W. Bush zich in het voorjaar van 2003 opmaakt voor een bijzonder omstreden militaire inval in Irak, geeft het populaire countrytrio The Dixie Chicks uit zijn thuisbasis Texas een optreden in Londen. ‘Wij zijn tegen deze oorlog, dit geweld’, zegt zangeres Natalie Maines daarbij. ‘En we schamen ons dat de president van de Verenigde Staten uit Texas komt.’ Ze moet er zelf om lachen. Het was geen vooropgezet plan. De woorden zijn haar per ongeluk ontsnapt.

Na afloop van het concert lijkt er geen vuiltje aan de lucht. De drie vrouwen en hun management zijn tevreden over de show. Ze hebben geen idee dat half Amerika, het patriottische deel, straks over hen heen zal vallen. Regisseur Barbara Kopple registreert vervolgens van dichtbij hoe Maines en de zussen Martie Maguire en Emily Robison reageren als de conservatieve countrywereld z’n favoriete dochters in de ban doet, hun cd’s publiekelijk worden vernietigd en de algehele sfeer rond de dames ronduit bedreigend wordt.

’Ze schaden onze mannen overzee’, zegt een gast in een praatprogramma. ‘Dit zijn de domste bimbo’s die ik ooit heb gezien’, stelt een ander. En de beruchte talkshowhost Bill O’Reilly concludeert dat iemand die meiden eigenlijk eens alle hoeken van de kamer moet laten zien. Shut Up & Sing (92 min.) documenteert hoe The Dixie Chicks in de drie jaar na Maines’ slip of the tongue de storm proberen te trotseren, hun persoonlijk leven verder gestalte geven én de weg terug naar het hart van Amerika hopen te vinden.

Het is uiteindelijk een klein en menselijk verhaal over hoe je in tijden van nationale eenheid ineens helemaal uit de gratie kunt raken en hoe moeilijk het dan is om in zo’n storm, ook al raast die slechts in een glas water, echt bij jezelf te blijven. En dan, als die oorlog in Irak maar blijft voortduren en slachtoffers blijft maken, verandert zowaar de ‘you’re either with us or with the terrorists’-attitude in het land en worden de moed en standvastigheid van The Dixie Chicks (die sinds kort overigens door het leven gaan als The Chicks) alsnog beloond.

After Tiller

calgaryfilm.com

Als eerste Amerikaanse president sprak Donald Trump onlangs een anti-abortusbijeenkomst toe. Je zou het een nieuw hoogtepunt voor Religieus Rechts kunnen noemen in de strijd tegen Roe Vs. Wade, het besluit van het Hooggerechtshof waarmee in 1973 het recht op abortus werd geregeld in de Verenigde Staten.

Sinds die tijd wordt er een loopgravenoorlog uitgevochten rond het zogenaamde ‘wedge issue’, die de laatste jaren lijkt over te waaien naar Europa. Vertrouwd zijn ook hier inmiddels de beelden van demonstranten bij abortusklinieken, die vrouwen luidkeels proberen te overtuigen van de immoraliteit van hun keuze. Tot gericht geweld tegen klinieken en artsen is het vooralsnog niet gekomen.

De indringende documentaire After Tiller (87 min.) van Martha Shane en Lana Wilson laat zien wat het betekent als extremisten wél bereid zijn om bloed te vergieten voor hun denkbeelden. De gelauwerde film uit 2013 zoomt in op enkele bijzonder gedreven artsen en verpleegkundigen in Amerikaanse abortusklinieken, in de jaren nadat de bekende abortusarts George Tiller in 2009 koelbloedig is vermoord, tijdens een kerkdienst nota bene.

In de hele Verenigde Staten zijn er op dat moment nog maar vier artsen, die net als hij bereid zijn om abortussen uit te voeren in het laatste trimester, na de 25e week van de zwangerschap. Shane en Wilson volgen de idealisten tijdens hun werk, met onherkenbaar gemaakte zwangere vrouwen, en portretteren hen in hun eigen omgeving, waar ze ingaan op hun beweegredenen en de prijs die ze daarvoor betalen.

De filmmakers sympathiseren duidelijk met de zorgverleners en hun patiënten en laten zien welke redenen er schuil gaan achter de ingrijpende beslissing om een zwangerschap te beëindigen en hoe zorgvuldig de bijbehorende procedure in gang wordt gezet. De demonstranten fungeren slechts als decorstuk: staand bij de ingang van de kliniek, met een bord of spandoek in de hand. Of op enge fotootjes, waarmee medewerkers van de kliniek elkaar waarschuwen voor mogelijk gevaar.

Als burgemeesters in oorlogstijd proberen de abortusverleners, die zelf soms ook worstelen met de morele implicaties van late abortussen en het gegeven dat vrouwen daarbij echt een baby opgeven, intussen mensenwerk te blijven leveren. In een steeds vijandigere omgeving, waarin continu de dreiging van redeloos geweld hangt.

When We Were Kings

‘Het is passend dat ik eindig zoals ik begon, door een monster te verslaan dat iedereen neerhaalt en niemand kan verslaan’, pocht uitdager Muhammad Ali tijdens één van zijn befaamde persconferenties, ditmaal voor het legendarische gevecht tegen wereldkampioen zwaargewicht boksen George Foreman in 1974. Ali heeft duidelijk een lesje voorbereid en komt al snel lekker op stoom: ‘Ik heb iets nieuws gedaan voor dit gevecht: ik heb geworsteld met een alligator. Gestoeid met een walvis. Ik heb de bliksem handboeien omgedaan en de donder in het gevang gegooid. En vorige week heb ik nog een rots vermoord, een steen verwond en een baksteen het ziekenhuis in geslagen. Ik ben zo gemeen dat ik medicijnen ziek maak.’ Gestaag werkt hij zo toe naar de pointe van zijn rijmpje: ‘Ik ben zó snel. Gisteravond deed ik het licht uit in mijn slaapkamer en lag ik al in bed voordat het donker was!’

‘Ik denk dat Ali bang was’, zegt schrijver Norman Mailer, die een boek schreef over het groots opgezette titelgevecht in Zaïre, aan het begin van de documentaire When We Were Kings (83 min.). ‘En hij wist dat hij alleen maar banger zou worden naarmate het gevecht dichterbij kwam.’ Muhammad Ali is intussen nog altijd bezig met zijn showtje: ‘Weet je hoe George vecht?’ vraagt hij aan de camera terwijl-ie als een dolende zombie door de ruimte paradeert. ‘Ik noem hem de mummie.’ Mailer zorgt opnieuw voor duiding: ‘Met zijn ego kon hij zichzelf wijsmaken dat hij Foreman zou domineren, moeiteloos kon verslaan en voor gek ging zetten.’ Maar stiekem wist ‘The Greatest’ volgens Mailer wel beter. Foreman was een absolute geweldenaar, die eerdere titelpretendenten als Joe Frazier en Ken Norton moeiteloos had verpulverd. ‘The Rumble In The Jungle’, gepresenteerd als de grootste bokspartij aller tijden, zou in zijn ogen Muhammad Ali’s zwanenzang worden, de tragische afgang na een glorieuze bokscarrière.

Filmmaker Leon Gast was er met zijn camera getuige van hoe de twee matadoren de strijd met elkaar aanbonden. Op initiatief van de legendarische bokspromotor Don King vond het gevecht plaats in het Afrikaanse land Zaïre, waar hij 10 miljoen dollar voor de twee boksers los wist te peuteren bij dictator Mobutu. In eerste instantie wilde Gast zich volgens dit artikel uit De Filmkrant in de documentaire vooral richten op het bijbehorende muziekfestival, waarvoor onder anderen James Brown, The Spinners en BB King waren ingevlogen. Het kostte hem echter ruim twintig jaar om zijn film gefinancierd te krijgen. In die tijd wijzigde zijn idee over welk verhaal hij wilde vertellen: de muziek werd niet meer dan een smeermiddel voor de grote tweekamp tussen Ali en Foreman. En dat gevecht, en de aanloop ernaartoe, zou de filmmaker laten zien vanuit de underdog met de véél te grote mond, Muhammad Ali. Voor Foreman had hij niet veel meer dan een positie als afschrikwekkende antiheld in gedachten, een bijrol waarmee de man eigenlijk schromelijk tekort werd gedaan.

Gast sprak voor zijn documentaire niet meer met de twee hoofdpersonen zelf, maar voorzag hun lotgevallen in de voormalige Belgische kolonie Congo van context via interviews met de schrijver George Plimpton, de Afro-Amerikaanse filmregisseur Spike Lee en de lokale kunstenaar Malik Bowens. Die laatste schetst overtuigend hoe Ali zich destijds nadrukkelijk positioneerde als een Afrikaanse bokser en zo de plaatselijke bevolking aan zijn kant kreeg. Dat resulteerde zelfs in een soort strijdkreet: ‘Ali, bomaye!’ (Ali, maak hem af!). Dat die andere bokser ook zwart was en eveneens een product van de gesegregeerde Verenigde Staten, deed er even niet meer toe. Dit zou een gevecht worden tussen goed en kwaad. Muhammad Ali liet zich daarin, tussen het uitdelen en incasseren door, opnieuw van zijn patserigste kant liet zien. Toen Foreman de overhand kreeg, fluisterde de man die natuurlijk al met een alligator had geworsteld hem provocerend toe: ‘George, je stelt me teleur. Je slaat niet hard genoeg.’ Waarna zijn opponent ziedend werd en behalve Ali ook zichzelf helemaal naar de kloten sloeg.

Via de nodige om- en zijwegen werkt Leon Gast, die later nog de documentaire The Trials Of Muhammad Ali (2013) zou produceren, uiteindelijk toe naar de apotheose van het genadeloze man-tegen-man gevecht, de vanzelfsprekende climax van deze klassieke documentaire die met diverse filmprijzen, waaronder een Oscar, werd beloond.

Hearts Of Darkness: A Filmmaker’s Apocalypse

‘Mijn film is geen film. Hij gaat niet over Vietnam, hij ís Vietnam’, zegt regisseur Francis Ford Coppola met gevoel voor drama bij de persconferentie voor zijn film Apocalypse Now op het festival van Cannes in 1979. ‘Zo was het echt. Het was gekkenwerk. De manier waarop we hem maakten is vergelijkbaar met de manier waarop de Amerikanen zich gedroegen in Vietnam. We waren in de jungle, we waren met te veel en we hadden te veel geld en apparatuur. En langzaam maar zeker werden we gierend gek.’

Orson Welles beet zich al eens stuk op het boek Heart Of Darkness van Joseph Conrad. Coppola, helemaal vol van zichzelf na het immense succes van zijn twee Godfather-films, liet zich daardoor niet weerhouden. Hij zag in de aardedonkere klassieker een prima gelegenheid om zijn bedrijf Zoetrope nieuw leven in te blazen. John Milius had het onverfilmbare verhaal enkele jaren daarvoor al in een scenario gegoten. Gesitueerd in een actueel decor bovendien, de Vietnam-oorlog. En dus vertrok de sterregisseur met zijn crew naar de Filipijnen voor wat zijn grootste film moest worden. Coppolas vrouw Eleanor mocht mee om een making of-docu te maken. Ze weet nog altijd niet of haar echtgenoot geen zin had in nóg een professionele filmcrew of haar gewoon bezig wilde houden.

Hoogmoed komt voor de… triomf. Uiteindelijk, tenminste. Eleanor Coppola legde de voorafgaande val van haar man echter genadeloos vast. Ze nam zelfs stiekem privégesprekken met hem op, oorspronkelijk bedoeld voor een productiedagboek. De documentaire-opnamen en interviews zouden jarenlang ongebruikt blijven totdat Eleanor ze overhandigde aan Fax Bahr en George Hickenlooper. Zij strikten de voornaamste hoofdrolspelers voor een interview, onder wie het echtpaar Coppola en de acteurs Martin Sheen, Robert Duvall, Frederic Forrest, Dennis Hopper en Sam Bottoms (die bekent dat hij tijdens de filmopnames hasj, LSD en speed heeft gebruikt en regelmatig onder invloed voor de camera stond) en lieten mevrouw Coppola een verbindende voice-over inspreken. Het resulteerde in 1991, vijftien jaar na de start van de filmopnames voor Apocalypse Now, in de klassieker Hearts Of Darkness: A Filmmaker’s Apocalypse (96 min).

De documentaire brengt de desastreuze filmopnames en het onttakelingsproces bij Coppola zelf haarscherp in beeld. Na slechts een week filmen besluit de regisseur bijvoorbeeld al zijn hoofdrolspeler te vervangen. Harvey Keitel blijkt niet zijn gedroomde captain Willard, Martin Sheen des te meer. Zoals hij tijdens een bloederige scène, stomdronken opgenomen op diens 36e verjaardag, feilloos aantoont. Maar Sheen brengt ook problemen met zich mee. En die heeft Francis Ford Coppola al zoveel: een rammelend script, door tropische regens verwoeste filmlocaties en een peperdure ster, die voor drie weken werk een honorarium van maar liefst drie miljoen dollar heeft bedongen. Ondanks een voorschot van een miljoen weigert Marlon Brando echter mee te denken over wanneer hij naar de Filipijnse jungle afreist. En als hij uiteindelijk toch arriveert in Coppola’s creatieve chaos, blijkt de man zijn tekst niet te kennen. Sterker: heeft de zwaarlijvige acteur Heart Of Darkness eigenlijk wel gelezen?

‘Deze film is een ramp van twintig miljoen dollar’, vertrouwt de regisseur zijn vrouw toe als hij de wanhoop allang voorbij is. ‘Ik denk erover om mezelf dood te schieten.’ Apocalypse Now, een ‘journey into self’ voor Coppola, een confrontatie met zijn eigen ambities en angsten, dreigt een ongelooflijk debacle te worden. ‘Apocalypse When?’ en ‘Apocalypse Forever’, koppen de media al als de draaiperiode, achteraf bezien, nog maar halverwege is. Coppola zinkt intussen zienderogen weg in zijn eigen moeras. Hij zal uiteindelijk 238 filmdagen nodig hebben. Tegen alle verwachtingen in is het resultaat er echter naar: een zinnenprikkelende filmklassieker die de complete gekte van oorlog belichaamt en die bovendien een intrigerende documentaire heeft opgeleverd, die perfect past in de prachtige traditie van films over geniale gekken aan het werk, die eerder docu-evergreens over Werner Herzog (Burden Of Dreams), Terry Gilliam (Lost In La Mancha) en – juist – Orson Welles (They’ll Love Me When I’m Dead) heeft opgeleverd.

Hungary 2018

IDFA

De leiders van de Europese Unie zitten volledig onder de plak bij George Soros.
In Zweden verven blondines hun haren bruin om migranten te plezieren. In dat land worden toevallig ook de meeste vrouwen verkracht.
Engelse kinderdagverblijven nodigen actief transseksuelen uit. En ouders daar laten kinderen van vier tot twaalf jaar zonder problemen een sekseoperatie ondergaan.

Welkom in het Europa van de Hongaarse regeringspartij Fidesz. Centrale thema: de instroom van vluchtelingen. Want: elke anderhalve vluchteling leidt tot zeker vijf nieuwe mensen in het land. Dus: laten we Hongarije een kalifaat worden of niet?

Die anti-migratieboodschap staat ook centraal tijdens de campagne van premier Viktor Orbán voor de parlementsverkiezingen van april 2018. Daarvoor trekken zijn partij-apparatsjiks het hele land door. In sfeerloze zaaltjes spreken ze een roomblank en volledig vergrijsd publiek toe, dat gedwee als klapvee fungeert. Alsof de jaren vijftig nooit zijn voorbij gegaan of alweer ras voor de deur staan.

‘Haat zal dit land vernietigen’, constateert voormalig premier en oppositieleider Ferenc Gyurcsáni, de hoofdpersoon van Hungary 2018 (82 min.). De observerende film van Eszter Hajdú volgt hem als hij het land, tegen beter weten in, probeert te winnen voor zijn linkse, pro-Europese ideeën. Van onvermoeibare campaigner wordt hij gaandeweg een zichtbaar oververmoeide politicus, die voor zijn medewerkers de hoop levend moet houden die hij zelf allang lijkt te hebben begraven.

Want Orbán en zijn Fidesz-partij zijn alomtegenwoordig in het hedendaagse Hongarije: bij verkiezingsbijeenkomsten, in de grotendeels door de regering gecontroleerde media en gewoon op straat, in de vorm van hatelijke leuzen, liedjes en posters. Subtiel is anders. Als een man bij een campagnerally bijvoorbeeld hardop uitspreekt dat Soros de 6.000.001ste had moeten zijn, een naargeestige verwijzing naar het aantal Holocaust-slachtoffers, is er niemand die hem tot de orde roept.

Het is al met al een angstaanjagend beeld dat uit deze film oprijst. Over een land dat nog altijd gewoon deel uitmaakt van de Europese Unie, waartegen het zich zo vaak afzet. De documentaire was in eigen land nog niet te zien, maar de reacties laten zich raden. Uit angst voor represailles hebben veel medewerkers hun naam niet op de aftiteling laten zetten. Hungary 2018 mag dan op zich geen héél bijzondere film zijn, het is wel héél bijzonder dat deze campagnedocumentaire überhaupt is gemaakt.

Oh ja, tot slot: Merkel, May en ook Rutte hebben geen kinderen. Volgens Fidesz-kopstukken betekent dit dat ze niet vooruit kunnen denken.

The War Room


Het is een klassiek geworden scène: de hevig geëmotioneerde campagneleider James Carville spreekt op verkiezingsdag zijn troepen toe. Of Bill Clinton daadwerkelijk president wordt, weet hij dan nog niet. ‘Ik was 33 toen ik voor het eerst naar Washington en New York ging’, stamelt Carville. ‘42 toen ik mijn eerste campagne won. En ik ben dankbaar voor jullie allemaal. Jullie hebben deel uitgemaakt van iets bijzonders in mijn leven.’ Zijn mond trekt, tranen dringen zich op. Niet alleen bij hem. ‘En ik zal nooit vergeten wat jullie hebben gedaan. Bedankt!’

De ‘ragin’ cajun’ Carville en zijn rechterhand, glamourboy George Stephanopoulos, zijn de absolute helden van deze ultieme politieke campagnefilm van de direct cinema-pionier D.A. Pennebaker en zijn partner Chris Hegedus. Hun baas Bill Clinton, die ze slim The Comeback Kid dubden, is hooguit een interessant bijpersonage. Als twee politieke generaals zetten Carville en Stephanopoulos de lijnen uit in The War Room (96 min.), zodat hun kandidaat in 1992 de Republikeinse president George Bush kan verslaan en straks zelf leider van de westerse wereld wordt.

Je zou deze presidentscampagne kunnen zien als het startpunt van de (verdere) verruwing van de Amerikaanse politiek, die uiteindelijk in het reality-tv presidentschap van Donald Trump heeft geresulteerd. Gebruikte gouverneur Clinton een condoom?, wil een journalist bijvoorbeeld weten tijdens de persconferentie van Gennifer Flowers, die claimt jarenlang een affaire te hebben gehad met de presidentskandidaat. Zo ongeveer tegelijkertijd lekt uit dat Bill Clinton in de Vietnam-jaren de dienstplicht zou hebben ontdoken.

Die verhalen zijn volgens James Carville, de vuilgebekte southerner die van zijn hart nooit een moordkuil maakt, allemaal ingestoken door de Republikeinse spin doctor Roger Ailes (die later Fox News zal oprichten en daarmee een jarenlange hetze gaat voeren tegen alles wat links of Democratisch is). Intussen onderhoudt de ‘straight talking’ Carville een relatie met Mary Matalin, de stekelige woordvoerdster van de door hem zo gehate Bush-campagne. Over twee geloven op één kussen gesproken.

Carville en Matalin zijn 25 jaar later nog altijd een koppel. Hun huwelijk heeft de presidentschappen van Clinton, Bush jr. en Obama overleefd. Deze klassieke campagnefilm, die met zijn ongeëvenaarde blik in de machinekamer van een presidentscampagne de standaard heeft gezet voor politieke documentaires, maakte van hen celebrities. Hetzelfde geldt voor de mediagenieke George Stephanopoulos. Hij is al jaren anchor van This Week, het zondagochtendprogramma van de Amerikaanse televisiezender ABC.

In 2008 maakten Hegedus en Pennebaker nog een soort terugblikdocumentaire, The Return Of The War Room, waarin alle hoofdpersonen worden bevraagd over de campagne van ‘92 en hun eigen rol daarin. Dat is geen heel bijzondere exercitie geworden. Op het web is er ook nauwelijks meer iets over te vinden.

George Best: All By Himself


‘Herinner me maar vanwege het voetbal’, zegt voormalig stervoetballer George Best twee maanden voor zijn dood tegen een interviewer. Het is één van zijn laatste quotes in de documentaire George Best: All By Himself (92 min.). Best realiseert zich dat hij ook onder een andere noemer de geschiedenisboeken in zou kunnen gaan.

Als de vijfde Beatle bijvoorbeeld, één van de allereerste voetbalidolen. Als een onvervalste playboy, die geen Miss World kon weerstaan. Of, het meest voor de hand liggend, als de onverbeterlijke drinkebroer die zijn talent verzoop.

Deze fraaie documentaire besteedt gelukkig ook ruim aandacht aan Georgie Best, de kwikzilveren aanvaller die Manchester United twee landstitels en die felbegeerde Europa Cup I bezorgde, maar ontkomt er niet aan om ook de schaduwzijden te belichten van de man die ooit over zichzelf zei: ‘In 1969 ben ik gestopt met vrouwen en alcohol. Het waren de beroerdste twintig minuten van mijn leven.’