Requiem For Auschwitz

Pink Moon

Ruim twintig jaar heeft componist Roger Moreno-Rathgeb gewerkt aan zijn Requiem For Auschwitz (64 min.). Binnen drie weken had hij de eerste zes delen, bijna drie kwartier muziek, min of meer klaar. En toen stokte zijn dadendrang, vertelt hij in Bob Entrops documentaire Een Stukje Blauw In De Lucht uit 2008. Hij voelde zich helemaal leeg en besloot om zelf een kijkje te gaan nemen bij het vernietigingskamp, waar meer dan een half miljoen leden van zijn gemeenschap, de Sinti en Roma, werden vermoord. ‘En toen was het helemaal voorbij met de inspiratie.’

Uiteindelijk heeft Moreno-Rathgeb de draad toch weer opgepakt, zo blijkt uit deze vervolgfilm van Bob Entrop, de Bredase filmmaker die zich in de afgelopen jaren heeft opgeworpen als chroniqueur van de Nederlandse zigeunergemeenschap. Entrop heeft op die manier een belangrijke rol gespeeld bij zowel de emancipatie van de Nederlandse Sinti en Roma als de erkenning dat ook zij tot de belangrijkste slachtoffers van het verderfelijke naziregime behoren. Ook al wilden – of konden – ze daar in eerste instantie vaak nauwelijks over praten.

In deze documentaire mag natuurlijk ook dat ene hartverscheurende beeld van Settela Steinbach, het meisje dat na de oorlog was uitgegroeid tot hét symbool van de vervolging van Nederlandse Joden, niet ontbreken. Vanuit een treinwagon op Kamp Westerbork kijkt de tiener, die op weg moet naar Auschwitz, desolaat de wereld in. Pas in 1994, vijftig jaar na dato, ontdekte de journalist Aad Wagenaar dat het in werkelijkheid om een Limburgs Sinti-meisje ging. Settela werd opnieuw een symbool: voor de afgevoerde Nederlandse zigeuners en hoe weinig aandacht daarvoor tot dan toe was geweest.

Die tragedie – het verwoesten van een complete gemeenschap en het zwijgen daarover – komt in deze film indringend tot uiting in scènes waarin jonge Sinti en Roma worden geconfronteerd met de herinneringen van vertegenwoordigers van een eerdere generatie zigeuners die de vernietigingskampen overleefden. Intussen is het muziekstuk van Roger Moreno-Rathgeb dan toch klaar om uitgevoerd te worden. Ter voorbereiding daarop brengt de componist met leden van het Nederlands Begeleidingsorkest een bezoek aan Auschwitz-Birkenau. Zodat ze weten en voelen wat ze gaan musiceren.

De beelden van overlevenden die afdalen in het diepste van hun zwartgeblakerde ziel en anderen die zich bij de plekken des onheils en bijbehorende monumenten proberen in te leven hoe het geweest moet zijn om volledig overgeleverd te raken aan een moorddadig regime, mogen dan inmiddels overbekend zijn, echt wennen doen ze nooit. Deze documentaire benadrukt nog maar eens het belang van dat herinneren en herdenken en voegt daar de helende kracht die muziek, hopelijk, kan hebben aan toe. Als balsem voor de gebutste ziel.

The Martha Mitchell Effect

Netflix

Martha Mitchell is de vrouw van John. John Mitchell is de minister van justitie van Dick. Tricky Dick is de bijnaam van Richard. Richard Nixon is de president. De president van de Verenigde Staten is afgetreden vanwege Watergate. En het Watergate-schandaal zou er nooit zijn geweest zonder Martha.

Tenminste, dat laatste wordt beweerd door Richard Nixon, de man die er al een halve eeuw mee wordt geassocieerd. Martha Mitchell beweert op haar beurt overigens dat Nixon ervoor heeft gezorgd dat haar huwelijk is stukgelopen. En haar voormalige echtgenoot John kon ze geen van tweeën de baas en moest dat uiteindelijk met enkele jaren gevangenisstraf bekopen.

Terug naar Martha: ze was de traditionele Law & Order-man Nixon al meteen een doorn in het oog, vertellen ooggetuigen zoals politiek journalist Helen Thomas, Nixons campagnemedewerker Jeb Magruder en Witte Huis-jurist John Dean in The Martha Mitchell Effect (41 min.). Véél te luidruchtig. Eigenwijs bovendien. Ongeleid projectiel. Een vrouw, kortom, die haar plek niet kende.

In de tijd waarin Martha Mitchell groot werd deelden mannen de lakens uit in het publieke leven. Vrouwen werden geacht om een ceremoniële rol te vervullen en moesten zich in het bijzijn van hun echtgenoot gedragen als een onopvallend decoratiestuk: gedwee positie kiezend achter hun (witte) man, die met zijn Old Boys Network wel eens eventjes de wereld bestierde .

Dat was niets voor Martha Mitchell, een flamboyante verschijning die haar mening nooit onder stoelen of banken stak. Tot afgrijzen van de Republikeinse president, die haar man in 1972 had benoemd tot hoofd van zijn herverkiezingscampagne. Toen de Watergate-affaire losbarstte, werd zij een serieus bedrijfsrisico. Enter Martha Mitchell, ‘politiek gevangene’.

Dit verhaal, dat perspectief op één van de grootste schandalen uit de Amerikaanse politieke geschiedenis, nu precies vijftig jaar geleden, doet er nog altijd toe en wordt door de filmmakers Anne Alverguey en Debra McClutchy puntig opgediend, met smakelijke nieuwsbeelden, televisie-interviews met Martha en offscreen quotes van ‘tout Washington’.

The Martha Mitchell Effect wordt daardoor niet alleen een adequate Watergate-reconstructie, maar ook een treffend beeld van een tijd waarin achter elke succesvolle man een sterke vrouw mocht staan. Tenminste, zolang ze er maar niet achteruit kwam.

Return To Space

Netflix

‘De veiligheid van Bob en Doug is niet onze eerste prioriteit maar de enige prioriteit.’ De zin is waarschijnlijk rechtstreeks afkomstig uit een communicatiebriefing. De emotie die Elon Musk voelt bij het uitserveren van de oneliner over ‘zijn’ astronauten – hij moet duidelijk z’n emoties wegslikken – lijkt echter oprecht.

De drijvende kracht achter SpaceX schiet wel vaker vol. Als zijn grote held Neil Armstrong, de eerste man op de maan, in het openbaar zijn commerciële ruimtevaartinitiatief affakkelt bijvoorbeeld. Musk heeft, zo toont Return To Space (128 min.) nog maar eens ten overvloede aan, ook emotioneel geïnvesteerd in het project dat uiteindelijk tot een permanente basis op de Maan en publieksvluchten naar Mars zou moeten leiden.

Misschien kan ruimtevaart niet zonder mannen met enorme ego’s en diepe zakken zoals Tesla-oprichter Musk, Richard Bransfield en Jeff Bezos. Zij durven groot te dromen en schuiven ook rücksichtslos alles wat die dromen in de weg staat aan de kant. Zulke overwegingen komen overigens slechts zijdelings aan de orde in deze documentaire van Elizabeth Chai Vasarhelyi en Jimmy Chin, die in de afgelopen jaren scoorden met de ijzingwekkende Oscar-winnaar Free Solo en het al even enerverende The Rescue

Return To Space richt zich vooral op de ontzagwekkende scope van Musks poging om de zieltogende Amerikaanse ruimtevaart te reanimeren. De film heeft een onmiskenbare positieve grondtoon – op het gladde af. Al te kritische vragen blijven achterwege. Tegelijkertijd is het beslist een kundig gemaakte documentaire, die de uitdagingen, trauma’s en mijlpalen van de moderne ruimtevaart in beeld brengt als een heroïsch avontuur dat van eminent belang is voor de gehele mensheid.

Zoals hun vorige films uiteindelijk een lofzang werden op de free solo-klimmer Alex Honnold en het duikersteam dat jeugdige voetballers uit een ondergelopen Thaise grot wist te redden, zo wordt ook Return To Space ondanks enkele bescheiden kanttekeningen een onverholen eerbetoon aan de missie van Elon Musk en zijn team. In die zin past de lijvige documentaire, die wel een stuk minder spannend is dan zijn voorgangers, ook in de Amerikaanse traditie van ronkende ruimtevaartfilms.

Waarbij space dus ‘the place’ is waar de echte helden zich onderscheiden van ons, gewone stervelingen.

Hallelujah: Leonard Cohen, A Journey, A Song

IDFA

John CaleJeff Buckley en zelfs Shrek moesten eraan te pas komen, maar toen werd Leonard Cohens Hallelujah dan toch echt een absolute evergreen, die via televisieprogramma’s als The VoiceX Factor en – pak ‘m beet – Matthijs Gaat Door definitief zijn weg naar het grote publiek zou vinden. Het zorgde voor ‘een mild gevoel van wraak’ bij de Canadese zanger-songschrijver. Zijn eigen platenmaatschappij Columbia Records had de bijbehorende langspeler Various Positions, kant en klaar en dus allang betaald, in 1984 niet willen uitbrengen. Columbia’s baas Walter Yetnikoff vond het een waardeloze plaat en wilde er geen cent meer aan uitgeven.

Via een glorieuze omweg zou de wereld Hallejujah dus alsnog ontdekken. Het betekende ook eerherstel voor producer/arranger John Lissauer. Zijn bemoeienis met Various Positions leek enige tijd de nekslag voor zijn florerende opnamecarrière. Hij is één van de ‘helden’ van Hallelujah: Leonard Cohen, A Journey, A Song (118 min.) – in zoverre een documentaire over zo’n uitgesproken persoonlijkheid als Cohen nog andere helden toelaat. Als dat zo is, dan verdient natuurlijk ook Jeff Buckley een eervolle vermelding. De begenadigde zanger, zoon van singer-songwriter Tim Buckley, leek de ideale vertolker van het Hallelujah-gevoel. Totdat hij in 1997 op slechts dertigjarige leeftijd een fatale duik in de Mississippi-rivier nam.

Deze film van Dan Geller en Dayna Goldfein start bij Cohens laatste uitvoering van Hallelujah op 21 december 2013, reconstrueert daarna met insiders als journalist Larry ‘Ratso’ Sloman, zangeres Judy Collins, ’s mans rabbi Mordecai Finley, samenwerkingspartner Sharon Robinson en ex-vriendin Dominique Isserman de loopbaan van de zwaarmoedige bard en werkt zo toe naar de conceptie en wedergeboorte van het lied, waaraan hij jaaaaaren werkte, dat wel 180 verschillende coupletten zou hebben gehad en waarvan sommige zinnen maar liefst 250 keer zouden zijn herschreven. Maar dan, zo wil de mythe, heb je ook wat.

Al heeft Bob Dylan zijn vrind Leonard naar verluidt wel eens ingewreven dat hij zijn eigen songs soms binnen een kwartier schrijft, gewoon achter in een taxi. Grootspraak meent de Ierse zanger Glen Hansard, die samen met vakbroeders zoals Brandi CarlileEric Church en Rufus Wainwright enthousiast de zegeningen van Cohens songschrijverschap telt in deze krachtige documentaire. Die vindt een slimme middenweg tussen een portret van de zanger/poëet en het verhaal van zijn signatuursong, waarin ‘s mans ‘holiness’ en ‘horniness’ perfect samenkomen. Één van de beste muziekfilms van het jaar.

In de documentaire Judges Under Pressure zit, voor de liefhebber, ook nog een heerlijke versie van Hallelujah. De woorden Andrzej en Duda, die samen de naam van de Poolse president vormen, blijken perfect in de melodie van Hallelujah te passen. En dan is er snel een zangeres gevonden…

Bob Ross: Happy Accidents, Betrayal & Greed

Netflix

Een film met een titel als Bob Ross: Happy Accidents, Betrayal & Greed (93 min.) roept automatisch verwachtingen op: hier wordt rücksichtslos de mantel der liefde afgetrokken van de man die met zijn vermaarde televisieprogramma The Joy Of Painting wereldberoemd werd en hele volksstammen aan het schilderen kreeg. Met landschapsschilderijen die hij bovendien binnen een half uur, de speelduur van elke aflevering, in elkaar flanste.

Een man die zo relaxt overkomt moet wel een enorme huichelaar zijn. Binnen enkele minuten heeft regisseur Joshua Roffé de eerste mythe dan ook al ontkracht: die weelderige haardos was niet echt. Volgens Ross zelf had hij dat halfbakken ‘afrokapsel’ te danken aan God én de kapper. ‘Het was een permanent’, bekent zijn eveneens schilderende zoon Steve. ‘En Bob zei altijd dat hij af en toe z’n veren strakker liet zetten.’

Niet veel later volgt Ross’ zoetgevooisde stem, sexy met een Candlelight-feel. Daar bleek ie dus gewoon op te hebben geoefend, om zo een contrast te laten ontstaan met zijn eigen leermeester William Alexander, die was behept met een hoog en benepen stemgeluid. En dan kan het natuurlijk niet lang meer duren voordat Die Andere Bob Ross uit de coulissen stapt: een man die houdt van snelle auto’s, schuine moppen én vrouwen. Check.

En dan… dan houdt het gewoon op. Dat is het. Géén demasqué van de sympathieke painter you hate to love Bob Ross (1942-1995). Wél een aanklacht tegen de industrie die rondom hem is opgetuigd. Bij leven en welzijn – met én ondanks Bob zelf – en ook ná ‘s mans dood. De Bob Ross Inc., bestierd door zijn voormalige zakenpartners Walt en Annette Kowalski, zou een bron voor conflicten worden en de onderlinge verhoudingen ernstig versturen.

Uit angst voor juridische stappen van de Kowalski’s willen veel bronnen uit de directe omgeving van de protagonist niet meewerken aan deze documentaire. De vrienden, collega’s, medewerkers en concurrenten die het wél aandurven schetsen een loffelijk beeld van de man, docent en kunstenaar Bob Ross, maar hebben duidelijk nog een appeltje te schillen met het roestvrijstalen echtpaar dat zijn naam, beeldmerk en producten beheert.

De lieden die op een totale ontmaskering van de mens Bob Ross hadden gehoopt, zoals yours truly, komen dus van een koude kermis thuis. ‘s Mans nagedachtenis wordt echter ernstig overschaduwd door het merk Bob Ross en de ordinaire strijd om de credits en centen die daaromheen is losgebarsten. Dat zijn aardige bouwstenen voor een portret van een schilder die in de kwart eeuw na zijn overlijden gewoon een beeldbepalende figuur is gebleven.

25 Jaar Foute Vrienden

NTR

Ruim 25 jaar documenteert Roy Dames nu al de levens van enkele vrije jongens uit Amsterdam-Oost, die voortdurend op het slappe koord tussen onder- en bovenwereld balanceren. Dat resulteerde in drie documentaires, die gezamenlijk een zwaar dooraderd portret van de onderkant van de hoofdstedelijke penoze schetsen: Ik Ben Jantje (1994), Vrienden Voor Het Leven (2000) en Foute Vrienden (2010).

In de driedelige serie 25 Jaar Foute Vrienden (150 min.) maakt Dames, die als maker sowieso graag aan de zelfkant lijkt te bivakkeren, opnieuw de balans op met Verbrande Herman, Rooie Jos en Jantje van Amsterdam. Ze zijn inmiddels dik in de zestig en getekend door het leven dat ze hebben geleid. Doordat hij hen nu al zo lang volgt – ook, of juist, op de momenten dat het tegenzit – dringt Dames echt door tot het wezen van zijn hoofdpersonen. De vierde Foute Vriend, Dikke Bob, wordt door hem ook nog altijd behandeld als hoofdpersoon. Ook al ligt die toch echt al ruim vijftien jaar onder de groene zoden.

Net als bij de Britten die sinds 1964 elke zeven jaar opnieuw worden opgezocht voor de befaamde Up-serie, zijn de Mokummers uitgegroeid tot het soort kennissen waarvan kijkers eens in de zoveel tijd willen weten hoe het hen is vergaan. Vaste ‘fans’ moeten daarbij dan op de koop toenemen dat sommige spraakmakende scènes uit het verleden (zoals de volledig ontsporende ruzies tussen Jantje en zijn vrouw Hermien, Hermans afranseling van een vermeende pedofiel en de autodiefstal door Jos en Bob) opnieuw een prominente plek in de vertelling hebben gekregen.

Die gebeurtenissen worden associatief met het heden verbonden en vormen zo nu en dan aanleiding voor bescheiden reflectie. Want Dames is er de man niet naar om zijn subjecten aan een ethisch vragenvuur te onderwerpen of te dwingen tot diepgaand zielzoeken. Hij benadert hen empathisch – als de vriend die hij, de ‘katholieke ex-student uit Beverwijk’ – zo graag wil zijn voor hen. Voor kerels die het klappen van de zweep kennen en die er zelf ook flink van langs hebben gekregen.

Foute Vrienden portretteert de ‘bloedgabbers’ in de herfst van hun levens, die uiteindelijk weinig echte zomers lijken te hebben gekend. Jantje is tegenwoordig meer van de woorden dan van de daden, de socio Jos probeert ogenschijnlijk op het rechte pad te blijven en nurkse Herman (‘Alleen al om bepaalde mensen te treiteren, blijf ik leven gewoon’) wil in het reine komen met zijn volwassen dochter, die zelf ook een woelig bestaan heeft geleid. Zo maken ze elk, onnadrukkelijk en zonder al te veel sentiment, de balans op: wat heeft hun leven opgeleverd en wat heeft dit gekost? Ofwel… loont misdaad?

1971: The Year That Music Changed Everything

Apple TV+

Voor wie vijftig jaar na dato nog altijd niet elke bocht, zijweg en afslag van ‘the trip down memory lane’ richting Boomerland kent, is 1971: The Year That Music Changed Everything (363 min.) zonder enige twijfel een traktatie. De achtdelige reeks van Asif Kapadia (Senna, Amy en Diego Maradona) buigt zich diepgaand over het muziekjaar 1971.

Alle oude favorieten komen weer langs: John Lennon, The Rolling Stones, Alice Cooper, The Doors, T. Rex, The Who, Joni Mitchell, Elton John, Bob Marley, Kraftwerk en Lou Reed. Ze worden gepresenteerd onder een motto dat is ontleend aan David Bowie: ‘We begonnen met de 21e eeuw in 1971.’ Daarbinnen is er ook opvallend veel aandacht voor de zwarte inbreng, middels korte portretten van Marvin Gaye, Sly & The Family Stone, Aretha Franklin, Curtis Mayfield, Ike & Tina Turner, James Brown, The Staple Singers en Bill Withers.

Deze momentopnames van belangwekkende artiesten worden afgezet tegen belangrijke ontwikkelingen in diezelfde periode; van de oorlog in Vietnam en burgerrechtenbeweging tot de seksuele revolutie en opkomst van heroïne en cocaïne. Waarbij ook beeldbepalende figuren zoals Muhammad Ali, Hunter S. Thompson, Charlie Manson, Angela Davis en James Baldwin, die stuk voor stuk al veel vaker in beeld zijn gebracht, natuurlijk niet ontbreken.

De muziek wordt intussen een belangrijke maatschappelijke rol toegedicht – of op zijn minst beschouwd als een wezenlijke weerslag van wat er destijds, met name in de Verenigde Staten, gaande was. Deze reeks is verder vanzelfsprekend gelardeerd met fraaie concertfragmenten, waarbij de songteksten in beeld worden vertoond. Talloze insiders, met quotes die uit de archieven zijn gehaald en nu off screen worden gepresenteerd, voorzien het geheel van commentaar.

Het terrein dat 1971 probeert te bestrijken is natuurlijk al lang en breed afgegraasd. Sterker: de meeste verhalen zijn, ook in documentaires, al eerder en diepgaander verteld. Deze serie – zonder enige twijfel knap gemaakt, maar ook zonder enige urgentie – is daardoor vooral interessant voor muziekliefhebbers die zich nog nooit in dit tijdsgewricht hebben verdiept. Of er altijd in willen blijven hangen.

Zouden die zich volgend jaar in 1972 mogen verlustigen?

End Of The Century: The Story Of The Ramones

One-two-three-four. Het aftellen vooraf was integraal onderdeel van het nummer zelf. Zoals het ook bij Bruce Springsteen niet is weg te denken. Één. Twee. Drie. Vier. En dan gaan als een banaan. Bij The Ramones mocht je dat gerust letterlijk nemen: lange halen, snel thuis. Overstuurde gitaren, opgejaagd door een onstuimige ritmetandem. Met onweerstaanbare slogans over lobotomie voor tieners, nazischatjes en lijm snuiven eroverheen. Punkrock pur sang, kortom. Domme muziek voor slimme mensen.

In de documentaire End Of The Century: The Story Of The Ramones (108 min.) uit 2003 komt de gehele familie Ramone aan het woord, inclusief de dan al overleden zanger Joey (over wie de Nederlandse regisseur David Kleijwegt een jaar eerder de tv-docu Joey Ramone – A Wonderful Life maakte). Ze worden terzijde gestaan door familieleden, jeugdvrienden, managers, producers, platenbazen, popcritici en collega’s uit bands zoals Blondie, The Clash, Sex Pistols, Red Hot Chili Peppers en Metallica.

Gezamenlijk schetsen zij de opkomst en ondergang van de punkpioniers uit de donkerste krochten van New York en de bijbehorende muziekstroming, die via hen halverwege de jaren zeventig de oversteek naar het Verenigd Koninkrijk maakte en van daaruit echt de wereld zou veroveren. Dat relaas is door Jim Fields en Mark Gramaglia vanzelfsprekend opgeleukt met rauwe concertbeelden van de cartoonachtige band, die altijd in de underground bleef steken en in 2002 tóch werd opgenomen in de Rock And Roll Hall Of Fame.

Goede vrienden werden Joey, Dee Dee, Johnny, Tommy en Marky Ramone niet in de ruim twintig jaar dat ze hun elementaire songs, in deze film regelmatig ondertiteld, op elk denkbaar podium stonden af te raffelen. Sterker: de spanning was soms te snijden, zeker tussen de linksige zanger Joey en oerconservatief Johnny. Waarbij de verhoudingen nog eens extra op scherp werden gezet toen de gitarist er met het vriendinnetje van de frontman vandoor ging. Die scheef er meteen een klassieker en bijna-hit over: The KKK Took My Baby Away. Ook gezellig.

Intussen voegden ze zich moeiteloos bij bands zoals The MC5, New York Dolls en The Stooges in het rijtje aartsvaders van de punk, een muziekgenre dat inmiddels al bijna een halve eeuw schaamteloos huishoudt in ‘s werelds rockholen en daarbij nog steeds het onverwoestbare parool van The Ramones huldigt, zoals dat is vervat in hun signatuursong Blitzkrieg Bop: Hey! Ho! Let’s go!

Maya Angelou: And Still I Rise

‘Één van de fantasieën die ik op mijn zevende had, was dat er ineens iemand ‘Shazaam!’ zou zeggen en dat ik dan ineens wit zou zijn’, blikt Maya Angelou (1928-2014) een kleine halve eeuw later terug op haar jeugd in Stamps, een gehucht in de Amerikaanse staat Arkansas. ‘En dat ik niet meer met zo’n weerzin bekeken zou worden als ik door het witte deel van de stad liep.’ 

Het is een pijnlijke herinnering. Tegelijkertijd is ook duidelijk de verhalenverteller Angelou aan het woord. De zinnen die deze heeft gevonden worden bovendien uitgesproken door de performer Angelou. Haar kindertijd wordt zo onderdeel van het verhaal dat de schrijfster, zangeres en danseres van haar leven heeft gemaakt en dat ze in Maya Angelou: And Still I Rise (113 min.) samen met haar zoon Guy Johnson en mensen uit haar directe omgeving vol verve opdist.

Een veelbewogen bestaan was het zeker, dat haar aan de zijde bracht van Afro-Amerikaanse helden als Martin Luther King, Malcolm X en James Baldwin (over wie enkele jaren geleden de thematisch verwante documentaire I Am Not Your Negro is gemaakt) en dat in algehele erkenning zou uitmonden toen ze als een soort dichteres des vaderlands de natie mocht toespreken tijdens de inauguratie van Bill Clinton tot president van de Verenigde Staten in 1993.

Clinton ontbreekt natuurlijk niet in deze ongegeneerde lofzang op de befaamde zwarte schrijfster van Bob Hercules en Rita Coburn Whack uit 2016. Net als zijn vrouw Hillary en protegés als talkshowhost Oprah Winfey, hiphopper Common en regisseur John Singleton. Zij illustreren Maya Angelou’s eigen verhaal over een leven vol schade, schande en triomfen. Dat zou haar maken tot een ‘wise old woman’, die nadrukkelijk haar sporen achterliet in een nieuwe generatie Afro-Amerikanen en het land dat intussen ook het hunne was geworden.

Jimmy Carter: Rock & Roll President

Hij verliet het Witte Huis in 1980 met de staart tussen de benen, om plaats te maken voor zijn absolute tegenpool Ronald Reagan. Sinds die tijd heeft Jimmy Carter zich echter volledig gerehabiliteerd: als toponderhandelaar bij internationale conflicten. Als onvermoeibare motivator voor allerlei goede doelen, waarbij hij ook nooit schroomde om zelf de handen uit de mouwen te steken. En nu, inmiddels dik in de negentig, als pleitbezorger van dat ene ongeëvenaarde bindmiddel: muziek.

Jimmy Carter: Rock & Roll President (96 min.), juist. Hij, de vertegenwoordiger van het racistische ‘old south’, werd halverwege de jaren zeventig een representant van het nieuwe Zuiden, waar zwart en wit als gelijken samenleefden en alle Amerikaanse muzikale genres hun plek hadden. Van Bob Dylan, The Allman Brothers en Johnny Cash tot James Brown, Charlie Mingus en Aretha Franklin.

Deze fijne documentaire van Mary Wharton zet de schijnwerper op de politieke carrière van de pindaboer uit Plains, Georgia, maar benadert die vanuit zijn liefde voor muziek. Daarbij komen Jimmy zelf, zijn zoon Chip en insiders als Andrew Young en Madeleine Albright aan het woord, maar is er vooral ook ruimte voor muzikale cracks als Bob Dylan, Willie Nelson, Gregg Allman, Trisha Yearwood, Garth Brooks, Nile Rodgers, Rosanne Cash, Jimmy Buffett en Bono, die ongegeneerd (en oprecht) de loftrompet laten schallen over ‘good ol’ Jimmy’.

Zoals later ook Bill Clinton en Barack Obama cultuur een prominente plek zouden geven tijdens hun ambtstermijn, werd Carters Witte Huis een thuis voor muzikanten, waar Gregg Allman en Cher op zijn allereerste werkdag als president kwamen eten, zijn eigen zoon pot rookte met Willie Nelson en de president zelf zich liet verleiden om Salt Peanuts te zingen met Dizzy Gillespie.

Zijn presidentschap mag dan worden beschouwd als niet volledig geslaagd – of totaal mislukt, als je critici moet geloven. Met elk nieuw levensjaar begint de man meer te ogen als een witte raaf in de zwartgeblakerde (inter)nationale politiek. Een nederig mens bovendien, dat zijn leven volledig in het teken heeft gesteld van een betere wereld. Die attitude bezorgde Jimmy Carter in 2002 de Nobelprijs voor de Vrede, een gelegenheid waarbij zijn dierbare vriend Willie Nelson het onvermijdelijke Georgia On My Mind kwam zingen.

A Wilderness Of Error

FX

Het is een bloedbad dat nooit werd geclaimd door de beruchte Manson-familie. Slechts een half jaar na eerst de moordpartij op actrice Sharon Tate en haar gezelschap en een dag later de gewelddadige dood van het echtpaar Leno en Rosemary LaBianca vielen drie mannen en een vrouw op 17 februari 1970 de woning van arts Jeffrey MacDonald op Fort Bragg binnen. ‘Acid is great, kill all the pigs’, schreeuwden ze. MacDonalds zwangere vrouw Colette en zijn twee dochters Kimberley (5) en Kristen (2) vonden die avond de dood. Met bloed was het woord ‘pig’ op de muren gekalkt.

Uitgemaakte zaak, zou je zeggen: volgelingen van de gestoorde sekteleider Charles Manson, al dan niet daadwerkelijk door hem aangestuurd. Of was er toch iemand die er belang bij had dat de slachting zou worden toegeschreven aan een stel moordlustige blommenkinderen? De heer des huizes bijvoorbeeld. Een kapitein in het Amerikaanse leger, een Green Beret zelfs. MacDonald kwam er zelf met zeer lichte verwondingen vanaf en werd uiteindelijk buiten bewustzijn op de plaats delict aangetroffen, met een arm over het lijk van zijn echtgenote. Dat schokkende tafereel zet de vijfdelige serie A Wilderness Of Error (234 min.) in gang. Waanzinnige hippiehorror? Of toch, zoals het omstreden boek Fatal Vision van Joe McGinnis en de daarop gebaseerde tv-film in 1983 zonder terughoudendheid beweerden, een koelbloedig gecamoufleerd familiedrama?

‘Wat gebeurt er als het verhaal belangrijker wordt dan wat er echt is gebeurd?’ vraagt documentairemaker Errol Morris, die het boek schreef waarop deze miniserie van Marc Smerling is gebaseerd, zich hardop af. Hij maakte ooit de klassieke true crime-docu The Thin Blue Line (1988), waarmee een man die in de cel zat voor de moord op een politieagent werd vrijgepleit. Morris zou dat kunstje graag nog eens herhalen bij de MacDonald-moorden. Niet dat iedereen erop zit te wachten dat deze zaak (alweer) wordt heropend. ‘Elk jaar wil er weer iemand een touw om mijn benen gooien en me door de poel van bloed van onze familie sleuren’, zegt Colettes broer Bob. En geeft zich er dan toch maar weer aan over. Want net als zijn moeder Mildred en stiefvader Freddy Kassab kan hij wat er toentertijd met zijn zus is gebeurd niet laten rusten.

Achteraf bezien zou je kunnen zeggen dat zij van geboorte af aan al verdoemd was. Twee doodgeboren zusjes genaamd Colette waren haar voorgegaan. En ook nummer drie zou dus niet aan het noodlot ontsnappen. Het is maar één van de talloze naargeestige details in deze intrigerende whodunnit, waarin archiefbeelden en interviews met een aantal belangrijke spelers worden gepaard aan krachtige gedramatiseerde scènes (fraai gematcht ook met audio-opnamen van de rechtszaak), een sjieke soundtrack en enerverende verhaalwendingen. Alleen de twee voornaamste hoofdrolspelers ontbreken: dokter MacDonald die nog altijd stug blijft volhouden dat hij onschuldig is en het voormalige sixtiesmeisje Helena Stoeckley, dat destijds diverse bekentenissen heeft afgelegd en die ook weer net zo gemakkelijk heeft ingetrokken.

Daar staat tegenover dat Errol Morris, geïnterviewd via de interrotron die hij zelf ooit heeft bedacht, een soort sleutelrol krijgt toebedeeld in met name de slotaflevering van deze slimme serie, die twee volstrekt strijdige hypotheses over wat er een halve eeuw geleden op die fatale februarinacht is gebeurd met elkaar laat botsen. Waarbij het de vraag is of A Wilderness Of Errors voor de gevierde documentairemaker Morris een tweede Thin Blue Line wordt. Of toch eerder een variant op The Jinx, de zinderende true crime-serie over moordverdachte Robert Durst waarbij Marc Smerling als producer betrokken was? Smerling heeft nu een al even spraakmakende ontknoping voor ogen.Met Errol Morris, de man die zelf zoveel brisante portretten maakte, in de hoofdrol.

Citizens Of Boomtown: The Story Of The Boomtown Rats

Adrian Boot / NTR

Toen Ratten nog Ratjes waren… Boomtown Rats, om precies te zijn. De Ierse band rond zanger Bob Geldof, die ook de drijvende kracht zou worden achter het grootste benefietconcert aller tijden Live Aid, is onlangs aan een tweede leven begonnen in het nostalgiecircuit – al zijn de bandleden zelf er natuurlijk van overtuigd dat ze nog eens ouderwets gaan pieken. De popdocu Citizens Of Boomtown: The Story Of The Boomtown Rats (60 min.) vormt een perfecte bijsluiter voor die reünie.

Regisseur Billy McGrath is te werk gegaan volgens het welbekende procédé voor dit soort muziekfilms: verzamel alles wat je kunt vinden over een band (concerten, videoclips, tv-optredens, oude interviews en de knipselmap). Laat de groepsleden los van elkaar helemaal leeglopen over die goeie ouwe tijd. En kader hun herinneringen netjes in met een afgewogen mix van pophoncho’s, ‘deskundigen’ en collega’s (ditmaal: Bono, Sting en een gesluierde Sinead O’Connor).

Succes verzekerd: een hele generatie kan zijn eigen jonge jaren herbeleven, anderen mogen zich vergapen aan ‘de jeugd van toentertijd’. En er komen altijd weer smakelijke anekdotes bovendrijven. Zoals dat verhaal over de duizend dode ratten die de platenmaatschappij naar Amerikaanse radiostations stuurde om de single Lookin’ After Number One te promoten. Geen deejay wilde zijn vingers daarna nog branden aan dat nummer.

Na een schietincident op een basisschool in San Diego kwam er een nieuwe kans voor The Boomtown Rats. De zestienjarige Brenda Spencer had begin 1979 het vuur geopend op een groep schoolkinderen en -medewerkers. Haar verklaring daarvoor inspireerde Bob Geldof tot een heuse popklassieker: I Don’t Like Mondays. Ook dat nummer zou echter nooit een hit worden in de Verenigde Staten, het land waar school shootings nog steeds aan de orde van de dag zijn.

Zo visten The Rats steeds nét achter het net en raakten ze daarna, als echte seventiesband, ook nog eens verzeild in de jaren tachtig, waarin het doek dus wel móest vallen. Al met al levert dat een heel aardig tijdsbeeld op. Best vermakelijk ook. Maar tegelijkertijd tamelijk dertien in een dozijn. Net als – vloek in de kerk-waarschuwing! – The Boomtown Rats zelf.

I Don’t Like Mondays heeft zijn plek in de pophistorie natuurlijk verdiend, maar al die andere hitjes doen het toch vooral goed op fanclubavonden en – natuurlijk – reünieconcerten. En Bob Geldof zal vooral herinnerd worden vanwege zijn jarenlange inspanningen voor al die hongerige Afrikaanse kinderen…

Young @ Heart

Dat je je vanaf de allereerste minuut kapot ergert aan de werkwijze van de Britse regisseur Stephen Walker.

Aan zijn popi, nét te uitleggerige voice-overs over het Amerikaanse ouderenkoor dat centraal staat in Young @ Heart (108 min.) uit 2007. In de ik-vorm nota bene, zodat we hemzelf toch echt niet over het hoofd zien.

Aan zijn kruiperige interviewtechniek als hij bij de oudjes thuis naar de bekende weg komt vragen over leven, dood en zingen.

Aan z’n quasi-verbazing over de dwarse repertoirekeuze van dirigent Bob Cilman voor het koor: Jimi Hendrix, The Clash en Sonic Youth.

Aan de manier waarop hij die in beelden uitdrukt: opengesperde ogen, ongelovige glimlachjes en – te langen leste – verrukte gezichtsuitdrukkingen bij zowel de koorleden zelf als hun enthousiaste publiek.

Aan die enkele, toch wel héél erg ingewikkelde nummers (James Browns I Feel Good en Yes We Can Can van Allen Toussaint) die de bejaarde koorleden nauwelijks ingestudeerd krijgen, een proces dat natuurlijk lekker lang wordt uitgemolken.

En dat je dan, ondanks Walkers opzichtige pogingen om de hele boel, bijna letterlijk, om zeep te helpen, tóch overstag gaat.

Voor die onweerstaanbare combinatie van de zegeningen en kwalen van ouderdom (waarin ziekte en de dood vanzelfsprekend niet ontbreken) en Young At Heart’s ferme, dolkomische of ontroerende interpretaties van popklassiekers als Road To Nowhere (Talking Heads), I Wanna Be Sedated (The Ramones), Stayin’ Alive (The Bee Gees) en het speciaal voor de gelegenheid met een zuurstofpomp uitgeruste Fix You (Coldplay).


Daartegen is zelfs een koekenbakker als Stephen Walker (*) niet opgewassen.

(*) die, vooruit, kundig de kracht van het koor vat, de muziek zoveel mogelijk het werk laat doen en ook het onvermijdelijke drama rond enkele individuele leden goed heeft opgetekend.

Once Were Brothers: Robbie Robertson & The Band

Elliot Landy

Ze gingen dwars tegen de tijdgeest in. Terwijl hun generatiegenoten opzichtig rebelleerden tegen alles wat ook maar riekte naar de wereld van hun ouders, gingen de vijf leden van The Band voor hun debuutalbum Music From Big Pink pontificaal op de foto met hun families.

Het bleek de ideale illustratie van hun muzikale attitude: in de hoogtijdagen van de psychedelische pop ging de Canadese groep in 1968 ongegeneerd terug naar de basis. Met zwaar dooraderde muziek, die we sindsdien ‘americana’ zijn gaan noemen. Gemaakt op het tijdloze kruispunt van folk, country, rock, blues en pop.

Ruim een halve eeuw later zijn er nog maar twee leden in leven: toetsenist Garth Hudson én gitarist/songschrijver Robbie Robertson. En die doet in Once Were Brothers: Robbie Robertson & The Band (101 min.) zijn muzikale levensverhaal, dat uiteindelijk tot een climax komt in de veelgeroemde supergroep (die tevens fungeerde als band voor Bob Dylan).

Robertson toont zich een geanimeerde verteller. Hij wordt bovendien in de rug gedekt door zijn vrouw Dominique en diverse medewerkers van zijn band, waarbij dat andere nog levende Band-lid, Hudson, helaas ontbreekt. Ze zijn ook allang geen broeders meer, zingt Robertson in het titelnummer van de film, Once Were Brothers.

Regisseur Daniel Roher geeft deze gedegen popdocu echter extra ‘star quality’ met mannen bij wie alleen de achternaam al volstaat: Clapton, Springsteen en Scorsese. Die laatste documenteerde in 1978 ook het afscheid van The Band, die toen al ten prooi was gevallen aan de verleidingen waarmee elke groep van statuur wordt geconfronteerd.

The Last Waltz vormt ook de vanzelfsprekende apotheose van deze film, die de band recht doet. Zonder tot enorme hoogte te stijgen.

Ne Me Quitte Pas

Bob (l) en Marcel (r)

‘Het is dus voorbij?’ vraagt Marcel Meijs in de openingsscène van Ne Me Quitte Pas (104 min.), aan zijn echtgenote die op het punt staat om hem te verlaten. Definitief. ‘Nog één keertje neuken dan?’ Zij: ‘Voor de vijftiende keer: nee.’ Marcel, een stugge Waal met een troebele oogopslag, schakelt door: ‘Zelfs niet met een condoom?’ Hij laat een korte stilte vallen. ‘Zelfs dat wil je niet. Je doet het wel met die andere kerel zonder condoom.’

Zijn ex is en blijft echter onverbiddelijk. Na zestien jaar, en drie kinderen later, is het schluss. Marcel is – als hij er geen einde aan maakt, tenminste – nu veroordeeld tot zijn boezemvriend Bob Spaenhoven. En die is toevallig net in het bos, begeleid door een lichtvoetig klassiek muziekje van Pavane, op zoek naar die ene, prachtige boom waarbij hij ooit een einde aan zijn leven wil maken. Maar waar stond dat ding nou? Ze zullen hem toch niet hebben omgehakt?

En dus zetten Marcel en Bob het maar op een ongenadig zuipen in deze documentaire van Sabine Lubbe Bakker en Niels van Koevorden. Dat is vragen om problemen. Hij kan alleen nog aan bier denken, bekent Marcel aan een medewerkster van het ziekenhuis, waar hij een ontwenningskuur gaat volgen. ‘U mag nooit meer drinken’, zegt de vrouw streng, ‘of u zult in de oude verslaving vervallen.’ Maar Marcel weet dat hij echt niet zomaar van de alcohol af is: die roept hem. Elke dag.

Weduwman Bob is op zich geen problematische drinker – dat vindt hij tenminste zelf – al werkt hij wel een halve liter rum per dag weg. ’s Mans gebit heeft eronder te lijden: de man heeft nauwelijks nog een tand in zijn mond. Volgens zijn kompaan Marcel drinkt de aimabele Vlaming, die snakt naar contact met zijn volwassen kinderen, overigens zeker een liter meer. Anderhalve liter rum per dag.

Aan tristesse bepaald geen gebrek in Ne Me Quitte Pas. Behalve pijnlijk is de observerende film echter ook grappig en aandoenlijk. Op de één of andere manieren kruipen de twee ‘alcoholiekers’ moeiteloos in je hart. Het zijn ook gewoon arme stumpers – zoals wijzelf – die met vallen en opstaan, letterlijk in dit geval, hun levensweg vervolgen.

Marley

Hoe een jongen die nooit ergens bij hoorde – omdat hij toevallig een witte vader had – hét symbool van zijn land en cultuur werd. Voor zijn veertigste was de verweesde halfbloed Robbie uitgegroeid tot niemand minder dan Bob Marley, het boegbeeld van reggaemuziek, Jamaica en de rastafari-levensfilosofie.

Dat verhaal wordt in de biopic Marley (144 min.) uit 2012 virtuoos verteld. Met zijn vrouw, kinderen en andere familieleden legt regisseur Kevin Macdonald echt de ziel van de man bloot. En kleurrijke collega’s als Bunny Wailer, Lee ‘Scratch’ Perry en Jimmy Cliff plaatsen hem overtuigend binnen de Jamaicaanse cultuur en levensstijl. Het fenomeen Bob Marley, zoveel wordt duidelijk, was voorbestemd, de sublimering van alles wat het Caribische eiland exceptioneel maakt.

En uiteindelijk belandt Macdonald binnen dit mythische verhaal weer bij dat elementaire gevoel: van een bastaardzoon die niet wordt geaccepteerd door zijn eigen vader. In één van de mooiste scènes van deze meeslepende film laat hij Marleys halfzus Constance en blanke halfbroer Peter voor het eerst Cornerstone horen, het lied dat Bob schreef nadat hij als jonge man werd afgewezen door zijn biologische vader, ‘captain’ Norval Marley.

‘The stone that the builder refused will always be the head cornerstone’, zingt de reggaeheld daarin trots. ‘Hoe waar is dat?’, constateert Constance niet zonder wrevel. ‘Bob heeft de naam Marley op de kaart gezet.’ Al die anderen, de ‘white Marleys’ die zichzelf altijd zo belangrijk vonden, zijn al lang en breed vergeten, wil ze maar zeggen. Terwijl haar halfbroer lééft. En juist doordat hij zo gekwetst was, meent zijn halfzus, kon Bob zoveel mensen raken.

Tot een erg stabiel gezinsleven leidde dat dan weer niet. Hoewel hij netjes getrouwd was, slaagde de womanizer Marley er toch in om maar liefst elf kinderen te verwekken bij zeven verschillende vrouwen. Voordat zijn onstuimige leven, op slechts 36-jarige leeftijd, tot een dramatisch einde kwam. Waarna hij, nu al bijna veertig jaar, tóch is blijven voortleven, zoals is te zien in de ontroerende slotscène van deze grootse documentaire.

Mystify: Michael Hutchence

Michael Hutchence / Andrew de Groot

Zijn geruchtmakende dood leek een logisch uitroepteken achter een turbulent leven. Van een man die als een archetypische rockgod – compleet met mysterieuze blik, lange manen en structureel ontbloot bovenlijf – het collectieve geheugen zou ingaan. Michael Hutchence, frontman van de Australische rockband INXS. Zanger van wereldhits als Original Sin, Never Tear Us Apart en Need You Tonight. Gestorven op 22 november 1997, op 37-jarige leeftijd. Een dood die werd omgeven door roddel en achterklap. Was het zelfdoding? Of toch zoiets sinisters als wurgseks?

In Mystify: Michael Hutchence (102 min.) probeert regisseur Richard Lowenstein, die diverse INXS-clips maakte en voor deze documentaire toegang kreeg tot het privé-archief van zijn hoofdpersoon, met Hutchences familie, management en bandleden, ex-vriendinnen als zangeres Kylie Minogue en topmodel Helena Christensen en ’s mans beroemde vriend/collega Bono het leven en de carrière van het idool uit te diepen. Lowensteins bronnen leveren (off screen) allerlei anekdotes, maar tot een coherente of diepgravende narratief leidt dit uiteindelijk niet. Hutchence blijft de klassieke getormenteerde zanger – zoals elke muziekgeneratie lijkt voort te brengen – die met gezwinde spoed op zijn onvermijdelijke dramatische einde afkoerst.

De filmmaker kent speciale waarde toe aan een gewelddadig incident in Denemarken, waarbij de zanger een hersenbeschadiging zou hebben opgelopen. Daarna werd alles anders bij Michael Hutchence, die tot dan volstrekt toe ongenaakbaar had geleken. Tekenend is een pijnlijk tafereel bij de Brit Awards van 1996. Nadat  de INXS-voorman een prijs heeft overhandigd aan Oasis, wordt hij publiekelijk afgeserveerd door de gitarist van die band, Noel Gallagher: ‘Has-beens shouldn’t present awards to gonna-beens’. Hutchence druipt vernederd af.

Hij was toen al in een veelbesproken relatie met Bob Geldofs ex-vrouw Paula Yates beland en zou met haar in een duizelingwekkende spiraal van drugs en depressie terechtkomen, die beiden fataal werd. Uiteindelijk was er geen redden meer aan voor Michael Hutchence, luidt dan de conclusie. En in wezen kon hij daar zelf dus ook niet al te veel aan doen. Die ene knal voor zijn hoofd had hem voorgoed veranderd.

Ging het werkelijk zo? Of is dit hoe van elk groots geleefd leven een verhaal met kop en staart wordt gemaakt en een duidelijke oorzaak automatisch tot een onontkoombaar gevolg leidt? Deze film, hoe meeslepend die soms ook wordt, slaagt er in elk geval niet helemaal in om de mens achter het fenomeen Michael Hutchence te pakken te krijgen.

Noel Gallagher mag natuurlijk ook al enige tijd een has-been worden genoemd. Niet dat hij dat zelf doorheeft, overigens.

Rolling Thunder Revue: A Bob Dylan Story By Martin Scorsese

‘Waarom Rolling Thunder Revue?’ Larry ‘Ratso’ Sloman legt uit: ‘Bob wilde het eigenlijk Montezuma’s Revue noemen. Maar toen hij thuis een naam zat te bedenken hoorde hij een knal in de lucht. En toen, van links naar rechts door de lucht, van boem, boem, boem.’

Even later: ‘Voor we op weg gingen, zei Chesley Millikin, die ook meeging: Weet je wat Rolling Thunder betekent voor indianen?’ Bob tastte volgens Ratso in het duister. ‘De waarheid spreken.’

‘Later hoorden we dat Rolling Thunder de codenaam was voor Nixons bombardementen op Cambodja.’ Ratso haalt zijn schouders op. ‘Dus wie weet wat het ware verhaal is…’

Feit is dat Bob Dylan in het najaar van 1975 met de Rolling Thunder Revue (waarbij gasten als Patti Smith, Allen Ginsberg, Joan Baez, Ramblin’ Jack Elliott, Roger McGuinn en Joni Mitchell aanhaakten) een korte tour door het Noord-Oosten van de Verenigde Staten en Canada maakte. Per bus, met de singer-songwriter zelf zo nu en dan hoogstpersoonlijk achter het stuur, reisde het gezelschap twee maanden het land rond voor ruim dertig optredens.

Een cameraploeg legde de concerten vast en verzamelde het gebruikelijke backstage- en tourmateriaal. Deze beelden vormen het hart van Rolling Thunder Revue: A Bob Dylan Story By Martin Scorsese (142 min.). Het was nog een hele klus om ze te maken, beweert de toenmalige regisseur, de Nederlander (!) Stefan van Dorp die eerder met Shocking Blue werkte aan de wereldhit Venus. ‘Van Dorp was een vreemde vent’, stelt Dylan in een nieuw interview met Scorsese. ‘Hij was zo iemand die een vijand zoekt. Hij maakte vijanden die er niet waren.’

Deze film bevat nog veel meer opmerkelijke ontboezemingen. Zo verhaalt actrice Sharon Stone bijvoorbeeld over hoe ze als 19-jarig meisje met haar moeder doordrong tot de vermaarde zanger en met hem in gesprek raakte over haar Kiss T-shirt. Net als de leden van die hardrockband ging Dylan vervolgens tijdens de tournee gezichtsbeschildering gebruiken. Hij had ook nog een lied over haar geschreven, zei hij: Just Like A Woman. Vreemd genoeg werd dat echter al in 1966 uitgebracht.

Truth is stranger than fiction? Of toch: gewoon fictie? ‘Als iemand een masker draagt, vertelt hij de waarheid’, stelt Dylan cryptisch tegenover Martin Scorsese. ‘Als hij geen masker draagt, is dat onwaarschijnlijk.’ De man, onbeschilderd ditmaal, neemt in het interview zo nu en dan opzichtig een loopje met de waarheid en geeft daarmee ogenschijnlijk authenticiteit aan de – juist! – verzonnen personages en gebeurtenissen die regisseur Scorsese in deze mockumentary aan de werkelijke touractiviteiten toevoegt.

Dat is best vermakelijk – acteur Michael Murphy in een reprise van zijn rol als politicus Jack Tanner uit de klassieke mockumentary Tanner ‘88 bijvoorbeeld – maar de echte meerwaarde van deze fictieve elementen ontgaat me een beetje. Voor overtuigde Dylan-adepten zijn de concertbeelden van Dylan in topvorm méér dan voldoende. De rest wordt nooit meer dan geinige ballast. Zeker omdat de film toch al erg ruim in z’n jasje zit.

Dont Look Back

De jonge honden die in de jaren zestig stormenderhand de documentairewereld overnamen met hun mobiele camera- en geluidsapparatuur en het bijbehorende nieuwe docugenre, direct cinema, injecteerden ook hun eigen onderwerpen in die films. Popmuziek en documentaire gingen vanaf de swingin’ sixties een natuurlijk huwelijk aan, dat nog steeds standhoudt. Al piept en kraakt de verbintenis, die door de professionalisering van de popbusiness ook veel zouteloze promotiefilms heeft opgeleverd, zo nu en dan flink.

Dont Look Back (96 min.), een film uit 1967 waarin Bob Dylan in korrelig zwartwit wordt geobserveerd, geldt als het archetype van de tourfilm, een subgenre van de muziekdocu. In de navolgende halve eeuw zijn er talloze portretten gemaakt van artiesten of bands die floreerden, of juist verdwaald raakten, in de eindeloze, zichzelf repeterende rondgang langs concertzalen, kleedkamers, journalisten, superfans, groupies en afterparty’s. Met Meeting People Is Easy (1998), Grant Gees desolate verbeelding van een volledig verweesd ‘Radiohead on tour’, als absoluut hoogtepunt.

D.A. Pennebaker, één van de absolute direct cinema-pioniers, schetst in zijn volgportret van de jonge Dylan die Londen verovert, een minder dramatisch beeld: van een muzikant die de roem en aandacht ogenschijnlijk redelijk gemakkelijk van zich laat afglijden en oog houdt voor waar het hem om gaat. Tussen de optredens en interviews door wordt er bijvoorbeeld druk gemusiceerd in zijn hotelkamer. Terwijl Joan Baez een lied zingt, zoekt Dylan op een typemachine naar de bijbehorende woorden. Even later neemt hij zelf ook zijn instrument ter hand. Gezamenlijk prikken ze zo even een gaatje in de enorme zeepbel die rondom hem wordt opgeblazen.

In dat verband is een scène met Dylans manager Albert Grossman, een gesoigneerd heerschap dat eerder al hotelmedewerkers die het waagden om te klagen over lawaai vanuit Dylans hotelkamer op onbeschofte wijze heeft afgeblaft, eveneens verduiveld interessant. Samen met een Britse concertpromotor probeert hij op gehaaide wijze de BBC te verleiden om de gage voor enkele concerten van ‘zijn’ artiest te verhogen. Dat levert een fraai inkijkje op in het dagelijkse loven en bieden rond een gewild popproduct, dat je tegenwoordig nog maar zelden krijgt voorgeschoteld.

Ook verhelderend en ontluisterend tegelijk: de ontmoetingen van Dylan met een keur aan concertorganisatoren, would be-muzikanten en popjournalisten, die opzichtig hengelen naar zijn aandacht en goedkeuring en zo nu en dan ‘s mans toorn of afkeer over zich afroepen. Als een keizer tegen wil en dank wikt en beschikt de singer-songwriter, die een halve eeuw later de Nobelprijs voor de Literatuur zal ontvangen, met een enkele blik, besmuikte lach of messcherpe opmerking over zijn hovelingen.

Pennebakers zoekende camera, zowel naar de ideale verhaallijn als het juiste kader en de focus, schetst ondertussen een onopgesmukt en voor die tijd ongekend portret van een fenomeen dat tegenwoordig heel vertrouwd voelt: de muzikant als beroemdheid, opiniemaker en machtsfactor.

De openingsscène van Dont Look Back, het iconische beeld van Dylan die tekstkaarten laat zien tijdens Subterranean Homesick Blues, zou overigens de geschiedenisboeken ingaan als zo’n beetje de allereerste videoclip.

Who Shot The Sheriff?

Netflix

In de pophistorie zitten nog talloze documentaires verstopt, zo blijkt steeds weer. Als een soort Ander Tijden Muziek gaat de achtdelige Netflix-serie ReMastered van Jeff en Michael Zimbalist nu maandelijks een nieuw vergeten verhaal opdiepen. Deel 1 Who Shot The Sheriff? (57 min.), waarmee de reeks onlangs werd gestart, richt zich op de moordaanslag die reggaezanger Bob Marley bijna het leven kostte in 1976.

Marley was toen al uitgegroeid tot een Jamaicaanse volksheld, die zich steeds nadrukkelijker begon uit te spreken over sociale kwesties. Intussen dreigde hij vermalen te worden tussen twee politieke partijen die elkaar in de aanloop naar de verkiezingen naar het leven stonden. Aan de vooravond van het Smile Jamaica Concert, waarna de stembussen zo’n beetje direct werden geopend, mondde dat uit in bot geweld, gericht tegen de zanger en zijn directe omgeving.

De schietpartij zou Marleys leven en carrière volledig op zijn kop zetten en meer dan ooit tevoren een politieke figuur van hem maken. In de nasleep van de aanslag vertrok hij voor bijna anderhalf jaar naar Londen en werkte daar aan zijn klassieke album Exodus, waarop de sporen van de aanslag moeiteloos zijn terug te vinden. Maar wie er nu precies achter die kogelregel zat en wat daarvan de bedoeling was?

Ruim veertig jaar na dato probeert regisseur Kief Davidson via getuigenissen van mensen uit Marleys directe entourage, ingewijden in Jamaica’s turbulente politiek van destijds en een enkele anonieme getuige het antwoord op die vragen te vinden. Bob Marley’s weldadige muziek is intussen niet meer dan een voertuig om bij dat verhaal te komen.

Voor het volledige levensverhaal van de reggaezanger, die in 1981 op 36-jarige leeftijd overleed, kun je overigens terecht bij de meeslepende biopic Marley van Kevin Macdonald.

Komende maand is ReMastered gewijd aan het spraakmakende bezoek vanJohnny Cash aan president Richard Nixon, een documentaire die is gemaakt door de vermaarde regisseur Barbara Kopple. Daarna volgen nog uitzendingen over onder anderen de mysterieuze dood van soulzanger Sam Cooke, bluesgitarist Robert Johnson die zijn ziel aan de duivel zou hebben verkocht en de moord op Jam Master Jay van de invloedrijke hiphopgroep Run DMC.