The Session Man

Pink Moon

In 1968 had de Britse pianist Nicky Hopkins (1944-1994) al een Grand Slam te pakken. Hij kon vinkjes zetten achter de namen van de beste bands van zijn jonge jaren: The Beatles, The Stones, The Who en The Kinks. Tegen het einde van zijn leven voltooide hij nog een tweede Grand Slam: Hopkins had toen ook op de soloalbums van alle afzonderlijke Beatles meegespeeld.

Als studiomuzikant zou hij daarnaast een essentiële bijdrage leveren aan de muziek van Cat Stevens, The Jeff Beck Group, Jefferson Airplane, Quicksilver Messenger Service, Harry Nilsson, Jerry Garcia Band, Joe Cocker, Badfinger, Art Garfunkel, The Rumour, Spinal Tap en Joe Walsh. In The Session Man (86 min.) loopt verteller Bob Harris, in opdracht van regisseur Michael Treen, netjes alle acts langs, waaraan Nicky Hopkins tijdens z’n lange en vruchtbare loopbaan zijn diensten verleende.

In dertig jaar tijd speelde Hopkins op zo’n 250 albums. Hij is te horen op liefst veertien langspelers van The Rolling Stones. ‘Ik draaide liedjes in elkaar die maar half af waren en in de studio bakten we er wat van’, vertelt Keith Richards. ‘En op de een of andere manier vond Nicky bijna bij elk nummer dat ontbrekende gedeelte. Zo hadden we een soort vreemde samenwerking.’ Glunderend herinnert de gitarist zich hoe Hopkins hem steeds uit de brand hielp. ‘Elke keer weer. Een ongelooflijke pianist.’

Ook Mick Jagger en Bill Wyman delen warme herinneringen aan Nicky Hopkins, één van de ‘unsung heroes’ van de rock & roll, die in deze film tevens lof krijgt toegezwaaid door collega’s als Dave Davies, Peter Frampton, Nils Lofgren en Graham Parker. Aardig is ook hoe de toetsenisten van Tom Jones, The Waterboys, Mott The Hoople en Tom Petty & The Heartbreakers, inclusief Hopkins’ Stones-collega Chuck Leavell, vanachter de piano demonstreren wat er zo bijzonder was aan zijn werk.

Voor een solocarrière was Nicky Hopkins niet in de wieg gelegd. Hij floreerde aan de zijde van een blikvanger of als onderdeel van een team en was, doordat hij de Ziekte van Crohn had, ook niet gemaakt voor het leven onderweg. Zijn broze gezondheid komt soms ter sprake in deze typische popdocu, maar wordt nauwelijks uitgediept. Treen richt zich op ’s mans muzikale verrichtingen, waardoor de persoon daarachter, ondanks bijdragen van z’n weduwe Moira, slechts beperkt tot leven komt.

Van de onbekende held zelf lijkt slechts één interview bewaard te zijn gebleven. Uit 1991, drie jaar voordat hij, veel te jong, het tijdelijke voor het eeuwige verwisselde. Hij had zich toen allang de pophistorie ingespeeld. Als de man die een essentiële bijdrage leverde aan klassieke hits zoals ImagineSympathy For The Devil en You Are So Beautiful.

Celtics City

HBO Max

F**k The Celtics, heet de vijfde aflevering van deze negendelige docuserie van Lauren Stowell over het succesvolste basketbalteam uit de NBA-historie. De Boston Celtics zijn in de zomer van 2024 voor de achttiende keer Amerikaans kampioen geworden. Of zoals ze ‘t in de Verenigde Staten zeggen: wereldkampioen.

De epische reeks Celtics City (540 min.) gaat terug naar het begin: de start van de National Basketball Association. Basketbal geldt dan als een B-sport, veel minder populair dan bijvoorbeeld honkbal of ijshockey. Vanaf begin jaren vijftig meldt de sterrenploeg van coach Arnold ‘Red’ Auerbach (die vanaf 1969 directeur zal worden, een functie die hij tot aan zijn dood in 2006 zal bekleden) zich als één van de grote teams van het Amerikaanse basketbal. De Celtics-dynastie dient zich aan.

Basketbal is dan nog vooral een witte sport. De Celtics hebben in ‘point guard’ Bob Cousy een aansprekend boegbeeld. Pas als de zwarte ‘center’ Bill Russell zich bij het team voegt, vallen de puzzelstukjes echter in elkaar. Vanaf 1958 winnen ze acht keer achter elkaar de landstitel (herstel: wereldtitel). Aan het eind van zijn carrière leidt Russell, als eerste zwarte coach in de NBA-historie, zijn team ook nog naar twee kampioenschappen. In totaal wint hij er elf, in slechts dertien jaar.

Russell manifesteert zich ook nadrukkelijk binnen de burgerrechtenbeweging. De verhoudingen tussen zwart en wit lopen sowieso als een rode draad door deze serie. Want Boston is een gesegregeerde stad en heeft bepaald geen goede reputatie onder zwarte Amerikanen. Dat wordt in de jaren tachtig nog eens bevestigd door de rivaliteit tussen Earvin ‘Magic’ Johnson van The Los Angeles Lakers, de hoop van zwart Amerika, en de ‘great white hope’ Larry Bird, de sterspeler van Boston.

‘Fuck The Celtics’, verwoordt Laker James Worthy dan een sentiment dat breed wordt gevoeld in de Amerikaanse basketbalwereld. The Celtics zijn een gehaat wit team geworden, in een league die inmiddels grotendeels zwart is. Ooit was dat wel anders: Auerbach selecteerde met Chuck Cooper de eerste zwarte speler en stelde ook als eerste een geheel zwart line-up op, in een tijd dat veel teams nog een zwartenquotum hanteerden. Die baanbrekende keuzes zijn naar de achtergrond verdreven.

En als de succesploeg rond Larry Bird met pensioen gaat, komt de klad erin bij The Celtics. Het lijkt zelfs alsof er een vloek rust op de kampioenen uit Boston, die hun beoogde vaandeldragers Len Bias en Reggie Lewis vroegtijdig kwijtraken, afscheid moeten nemen van hun vaste thuisbasis The Boston Garden en sterspeler Paul Pierce lijken kwijt te raken na een steekpartij. Dan bereikt deze meeslepende serie zijn dieptepunt, waarna de wederopstanding van The Boston Celtics gestalte kan krijgen.

Lauren Stowell kan bij haar geschiedschrijving van de Amerikaanse sportdynastie terugvallen op bijzonder fraai archiefmateriaal en een keur aan Celtics-helden, waaronder Bob Cousy, Larry Bird en de huidige ster Jaylen Brown, allerlei basketbal-insiders en prominente ‘Bostonians’ zoals de leden van New Edition, nieuwspresentator Lawrence O’Donnell en popzanger Donnie Wahlberg (die met zijn groep New Kids On The Block nog een onofficieel Celtics-clublied Hangin’ Tough uitbracht). 

Met typisch Amerikaanse zwier en bravoure weet Stowell hun ‘Celtic Pride’ te pakken te krijgen. Een attitude die nog het best werd belichaamd door die onverwoestbare voorman Red Auerbach. ‘Als ik al die vlaggen zo zie’, wijst die naar de groene banieren in de thuishaven van de Celtics, die stuk voor stuk een kampioenschap representeren, ‘staan die voor mensen, zweet, werk en de prijs betalen voor de overwinning.’

Oklahoma City Bombing: American Terror

Netflix

Als maker van historische documentaires houd je er een geheel eigen agenda op na. Enige tijd voordat een ingrijpende maatschappelijke gebeurtenis een jubileum nadert, beginnen vaak al de voorbereidingen voor een nieuwe productie. Voor 19 april 2025 bijvoorbeeld, als het dertig jaar geleden is dat Timothy McVeigh een terroristische aanslag pleegde op het Alfred P. Murrah Building in Oklahoma City.

En dus bracht National Geographic onlangs de driedelige docuserie Oklahoma City Bombing: One Day In America uit. Netflix volgt nu met de documentaire Oklahoma City Bombing: American Terror (84 min.). En HBO Max probeerde de concurrentie vorig jaar al te slim af te zijn met An American Bombing – The Road To April 19th. In grote lijnen vertellen ze steeds precies hetzelfde verhaal. The devil is in the detail.

De schaal bijvoorbeeld. Neem je de aanloop naar McVeighs terreurdaad en de nasleep daarvan – van pak ‘m beet de belegering van Waco, precies twee jaar eerder, tot de bestorming van het Capitool – mee of juist niet? En belicht je alleen de gebeurtenissen ter plaatse of ook het grotere, maatschappelijke en politieke verhaal? Regisseur Greg Tillman gebruikt de dag zelf en het navolgende onderzoek als zijn uitgangspunt.

In z’n chronologische reconstructie verwerkt hij een korte terugblik op Waco, waarbij FBI-agent Bob Ricks eveneens een prominente rol speelde, en de persoonlijke herinneringen van enkele direct betrokkenen. De levensveranderende ervaring van Amy Downs bijvoorbeeld, een jonge vrouw die vast kwam te zitten onder het puin. Zij deed haar verhaal ook al in de miniserie van National Geographic. Net als Ricks trouwens.

Dat blijft nu eenmaal een thema voor een maker van docu’s over populaire onderwerpen: welke slachtoffers, ooggetuigen en functionarissen doen waar hun verhaal? En kun je hen ook exclusief krijgen? Renee Moore, de moeder van de baby Antonio die tijdens de aanslag in het kinderdagverblijf in het Murrah Builing verbleef en die één van de 168 slachtoffers zou worden, is vast benaderd voor meerdere producties.

Een andere ‘catch’ is Charlie Hanger, de agent van de Oklahoma Highway Patrol die McVeigh na de aanslag aanhield op de snelweg. Een kwestie van stom toeval. Hanger had geen idee dat dit de gezochte aanslagpleger was. Of cipier Marsha Moritz van de Noble County Jail. Zij nam bij aankomst een foto van de benige oud-militair, die alweer bijna was vrijgelaten toen hij alsnog werd geïdentificeerd als binnenlandse terrorist.

En waar houd je als maker op? Tillman concentreert zich in het laatste deel van deze boeiende, hoewel soms nét iets te vet aangezette reconstructie van 19 april 1995 zowel op het justitiële onderzoek tegen McVeigh en zijn medeverdachten Terry Nichols en Michael Fortier als op de motieven van de Golfoorlog-veteraan, die in de extreemrechtse hoek terecht was gekomen en die we nu zouden opzadelen met de kwalificatie ‘incel’.

Als ’t voor Timothy McVeigh ophoudt, besluit vervolgens ook Greg Tillman zijn vertelling.

The Aristocrats

Think Film

Een documentaire over één enkele grap. Met een enorme baard bovendien, zo oud als Methusalem. Waarvan de clou ook al meteen wordt weggegeven: The Aristocrats (88 min.), juist. En toch blijft deze docu van Paul Provenza en Penn Jilette uit 2005 bijna anderhalf uur lang boeien en vermaken.

Want het gaat niet om de eindbestemming, de zogenaamde ‘punchline’, maar om de weg daarnaartoe, bezweren honderd bekende komieken en entertainers, waaronder George Carlin, Jon Stewart, Robin Williams, Chris Rock, Whoopi Goldberg, Bob Saget, Eric Idle, Penn & Teller, Howie Mandel, Eddie Izzard, Carrie Fisher, Don Rickles, Drew Carey, The Amazing Johnathan en Sarah Silverman.

Ieder van hen vertelt ook z’n eigen versie van de aloude grap. De ene nog ranziger dan de andere. Alles mag – zolang er maar veel poep en pis, seks en geweld inzit. Liefst in combinatie met dieren. Op weg naar een ‘pointe’ die iedereen al minutenlang ziet aankomen, laat de verteller zien uit welk hout hij of zij is gesneden en welke variaties ie op het welbekende thema kan bedenken.

Een South Park-versie bijvoorbeeld, waarin een onverstoorbare Cartman de andere personages uit de animatieserie vergast op zijn Artistocrats-grap. Of de roast van Playboy-baas Hugh Hefner door komiek Gilbert Gottfried, die kort na de terroristische aanslagen van 11 september 2001 zijn publiek voor het eerst weer eens ouderwets laat lachen. Dat mag dan (blijkbaar) weer.

De grove grap zegt iets over de normen en waarden van een samenleving, concluderen de medewerkers van The Onion, het Amerikaanse voorbeeld van De Speld, tijdens een redactievergadering. Wat als grappig wordt beschouwd, waar de grens ligt en of die met de tijd verandert. Met seks valt in elk geval nauwelijks meer te shockeren, concluderen ze eensgezind, nu zo’n twintig jaar geleden.

Deze film bestaat vrijwel volledig uit gesproken woord – interviews, het vertellen van de grap en enkele performances – en is nog altijd buitengewoon grappig. Juist door de voorspelbaarheid ervan. The Aristocrats wordt bovendien geheel in stijl afgesloten, met een zeer geruststellende gedachte in de aftiteling: ‘No animals were fucked during the making of this film.’

Liza: A Truly Terrific Absolutely True Story

Atlas Media Corp

Deze vrouw heeft een publiek nodig. Ook nu ze bijna tachtig is. Als Liza Minnelli wordt geprepareerd voor het centrale interview van de documentaire Liza: A Truly Terrific Absolutely True Story (101 min.) van Bruce David Klein, zit ze al helemaal in haar rol van Hollywood-diva, die alles en iedereen om haar heen dirigeert, er nog altijd tiptop bij wil zitten en toch ook wel een soort zelfspot lijkt te hebben.

Die allure heeft ze ongetwijfeld met de paplepel ingegoten gekregen van haar ouders, de wereldberoemde actrice, zangeres en danseres Judy Garland en filmregisseur Vincente Minnelli. En anders was de creatieve duizendpoot Kay Thompson, die zich over Liza ontfermde na de voortijdige dood van haar getroebleerde moeder in 1969, vast een aardige mentor. En al die (bekende) mannen in haar leven hebben ongetwijfeld ook hun sporen achtergelaten in Minnelli’s theatrale persoonlijkheid.

Ze was nochtans een natuurtalent, beweren sleutelfiguren uit haar lange carrière in film, musical en theater. Liza kon zingen, acteren, dansen en flaneren als de allerbeste. Als haar moeder dus, simpel gezegd. Want het kostte haar nogal wat kruim om zich los te maken van het predicaat ’de dochter van…’ 1972 was in dat verband een geweldig jaar: ze won een Emmy Award voor de tv-special Liza With A Z en een Oscar voor de rol van de zangeres Sally Bowles in de verfilmde musical Cabaret.

Het exuberante personage Liza Minnelli kwam daarin optimaal tot z’n recht en zou ook in de navolgende decennia nog regelmatig floreren in allerlei producties. Maar wie de vrouw achter al die glitter en glamour nu echt is? Afgaande op dit gesmeerd lopende en zwierig aangeklede portret, waarin heel lang geen onvertogen woord valt, is Liza achter de schermen aardig, oprecht, kwetsbaar, gul en bescheiden. En ze staat dus blijkbaar – eerst zien, dan geloven – ook wel eens niet ‘áán’.

Uiteindelijk wordt Liza Minnelli toch ingehaald door het turbulente leven dat ze al die jaren heeft geleid en moet ze onder ogen zien dat ze ongewild in het voetspoor is getreden van haar zelfdestructieve moeder. Daarmee krijgt dit helemaal geweldige en absoluut ware verhaal, nét voor de verplichte grande finale natuurlijk, alsnog de te overwinnen crisis die zo’n film over een boegbeeld van de internationale showbusiness (and there’s no business like…) nu eenmaal nodig heeft.

‘Sometimes you’re happy and sometimes you’re sad’, zingt ze tot besluit met ouderwetse bravoure, op piano begeleid door haar trouwe vriend, archivaris en vleesgeworden loftrompet Michael Feinstein. ‘But the world goes roooouuuund.’

Crazy Love

Magnolia Pictures

Het was nu niet direct liefde op het eerste gezien toen Linda Riss in september 1957 Burton Pugach ontmoette. Ze hield de boot af toen hij haar, een lookalike van Elizabeth Taylor, overlaadde met rozen. Enkele dagen later ging Linda, die eruit zag als een flirt maar volgens vriendinnen in werkelijkheid heel braaf was, toch overstag. Voor een ritje in zijn… vliegtuig.

Samen met vrienden, collega’s, journalisten en deskundigen vertellen de twee tortelduifjes vijftig jaar later het brisante verhaal van hun Crazy Love (91 min.). Hij, de man die het breed kon laten hangen, was stapelverliefd op haar. En zij was op haar beurt best onder de indruk van de playboy, die graag liet zien dat hij een man van de wereld was. Burt was alleen wel getrouwd. En zij wilde pas seks als ze zelf getrouwd waren.

Toen het daarna helemaal misging tussen Linda en Burt, kreeg hij volgens eigen zeggen ‘primitieve gedachten’. In de trant van: als ík haar niet kan hebben… De onverbeterlijke charmeur nam z’n toevlucht tot een wanhoopsdaad, die de loop van hun levens voorgoed zou veranderen – en waardoor ze meteen het favoriete stel werden van de roddelpers, die in chocoladeletters uitpakte over hoe liefde letterlijk blind kan maken.

Met fraaie zwart-wit foto’s, ronkende krantenkoppen en een nostalgische soundtrack tekenden Dan Klores en Fisher Stevens in 2007 deze onnavolgbare liefdesgeschiedenis op. Over twee mensen die blijkbaar tot elkaar veroordeeld waren. Haar gedrag en keuzes bleven voor menigeen volstrekt onbegrijpelijk, terwijl het tegelijkertijd heel begrijpelijk was dat hij in de tabloids werd uitgeroepen tot ‘America’s most horrible husband’

En dan hadden zelfs die waarschijnlijk niet kunnen voorzien dat ook deze oude vos wel z’n haren zou verliezen, maar niet z’n streken. Evangeline Borja, 27 jaar jonger, kon ervan getuigen. In 1996, bijna veertig jaar later, zou ook zij de donkere kant van Burton Pugach leren kennen. ‘Ik mag Burt echt heel graag’, zegt zijn vriend Bob Janoff daarover. Waarna hij er lachend aan toevoegt: ‘Echt waar! Ze zeggen dat zelfs Hitler vrienden had.’

Met zulke vrienden heb je geen vijanden meer nodig. Of Pugach een soort slachtoffer van zijn eigen obsessies was of toch ‘gewoon’ een psychopaat, valt op basis van deze bedrieglijk nostalgische film nauwelijks te zeggen. Hij oogt als een goedmoedige oude baas, met een vrouw die hém het leven zuur maakt. Zoals schijn nu eenmaal kan bedriegen. Ook bij deze Crazy Love, die vast niemand echt gelukkig heeft gemaakt.

Watergate: High Crimes In The White House

CBS

‘Mensen hebben er recht op om te weten of hun president een schurk is’, stelde de Amerikaanse president Richard Nixon, in het najaar van 1973, toen het Watergate-schandaal inmiddels zijn gehele tweede ambtstermijn had overgenomen. ‘Welnu, ik ben geen schurk.’

Het probleem was, stelt Lesley Stahl, destijds een jonge verslaggeefster van CBS News, dik vijftig jaar later in de documentaire Watergate: High Crimes In The White House (89 min.): dat was hij dus wél. Nixon was de man die een smerige lastercampagne tegen zijn politieke rivalen in gang zette, die op 17 juni 1972 uitmondde in de geruchtmakende inbraak bij de Democratische Partij in het Watergate-gebouw. En de man die de ware toedracht daarvan met alle mogelijke middelen probeerde toe te dekken.

Nixon was trouwens ook de man die ondertussen zijn eigen graf groef: hij liet al zijn gesprekken stiekem opnemen en leverde daarmee het bewijsmateriaal voor zijn eigen betrokkenheid bij het schandaal. En de Amerikaanse pers, die hij sowieso al voor een groot deel op zijn persoonlijke ’vijandenlijst’ had staan, rook bloed. Twee jonge verslaggevers van The Washington Post beten zich vast in de zaak en kregen de waarheid uiteindelijk boven tafel. Ze zouden er journalistieke helden mee worden.

Natuurlijk ontbreken Bob Woodward en Carl Bernstein niet in deze gedegen reconstructie van Matthew DeVoe en Adam Goldfried. Behalve uitdagers van ‘Tricky Dick’ Nixon zijn ook medewerkers van de Republikeinse president vertegenwoordigd: zijn persoonlijke assistent Dwight Chapin, stafmedewerker Alexander Butterfield, de boekhoudster van Nixons herverkiezingscampagne Judith Hoback en de financiële topman daarvan Hugh Sloan en zijn vrouw Deborah, werkzaam in het Witte Huis.

Zij verhalen over een tijd waarin de president (nog) niet boven de wet stond. Het verschil met hoe de Republikeinse partij en het Amerikaanse electoraat in de afgelopen jaren de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021 terzijde hebben geschoven, zodat Donald Trump onlangs opnieuw kon worden gekozen tot president, is levensgroot. In 1974 waren ‘t zijn eigen partijgenoten die Nixon uiteindelijk tot de orde riepen en hem de keuze gaven om z’n biezen te pakken – of anders hardhandig buiten gewerkt te worden.

Assistent Stephen Bull herinnert zich nog goed hoe hij de spullen van zijn baas moest gaan inpakken. Een muziekdoosje begon spontaan Hail To The Chief te spelen. En voordat Richard Nixon, met een tandpastaglimlach en een al even ongemeend victoriegebaar, de helikopter naar huis instapte, had hij nóg een klassieke oneliner voorhanden. ‘Vergeet nooit: anderen kunnen je haten’, liet hij zich diep in zijn binnenste kijken. ‘Maar zij zullen pas winnen als je hen begint te haten. Dan vernietig je jezelf.’

Wham! The Story Of Last Christmas

Tony McGee

Niets werd in 1984 aan het toeval overgelaten: een onweerstaanbaar popliedje, van twee knappe en jonge tienersterren, met een hartverwarmende videoclip, opgenomen in een idyllisch wintersportoord in Zwitserland. Dit moest dé Kersthit van het jaar worden! Last Christmas zou echter nooit die felbegeerde eerste plek in de Britse hitlijsten bereiken. Daarvoor was er toentertijd simpelweg te veel hongersnood in Afrika.

Veertig jaar later geldt de hitsingle van Wham! als een absolute kerstklassieker. Tijd om, met Kerst natuurlijk, Wham! The Story Of Last Christmas (61 min.) te vertellen. En Andrew Ridgely, één van die twee jeugdidolen, is natuurlijk ook best bereid om met de toenmalige Wham!-entourage, waaronder de achtergrondzangeressen Shirlie Kemp en Pepsi DeMacque-Crockett, af te reizen naar het Zwitserse Saas-Fee, voor een uitgelaten bezoek aan de plek waar toentertijd de magie werd gemaakt. De videoclip, welteverstaan, een gelikt liefdesverhaaltje dat was gemaakt om ieders hart te raken.

Alleen George Michael, de man die de geheide hit schreef en ook helemaal in z’n eentje inzong en -speelde, schittert natuurlijk door afwezigheid. Hij overleed in 2016, op slechts 53-jarige leeftijd. Tijdens Kerstmis, ook dat nog. Via archiefbeelden en -interviews is Michael natuurlijk alsnog aanwezig in deze tv-docu. En via zijn stem, natuurlijk. Als singer-songwriter Sam Smith in de studio bijvoorbeeld de oorspronkelijke zangopname van Last Christmas mag horen, verdwijnt hij helemaal in de stem die tot hem spreekt via de koptelefoon. ‘Hij legt z’n ziel bloot’, constateert Smith geraakt.

Behalve Smith steken ook andere collega’s in deze feelgood-docu de loftrompet over de zanger en songschrijver George Michael: Neil Tennant (Pet Shop Boys), Mary J. Blige en Martin Kemp (Spandau Ballet), de man die uiteindelijk het hart van Wham!s achtergrondzangeres Shirlie wist te veroveren. Hun meerwaarde is beperkt. Interessanter zijn de ervaringen van mensen die daadwerkelijk betrokken waren bij de totstandkoming van Last Christmas, zoals manager Simon Napier-Bell, muzikaal leider Chris Cameron, opnametechnicus Chris Porter en clipregisseur Andy Morahan.

En ook Band Aid-organisator Bob Geldof, de man die in 1984 een stok tussen Wham!s spaken stak met de liefdadigheidssingle Do They Know It’s Christmas?, waarmee ettelijke miljoenen werden opgehaald voor Ethiopië, is van de partij. Daarmee wordt deze typische kerstfilm van Nigel Cole een aardige aanvulling op de recente docu’s over Wham! en de solocarrière van George Michael en een eerbetoon aan het nummer waarmee zij allemaal tot in de oneindigheid zullen worden geassocieerd en dat het uiteindelijk zowaar ook nog tot nummer één in de hitlijsten schopte: Last Christmas.

Big Time: De NBA-Droom Van Jesse Edwards

Nozem Films / Omroep Zwart

D’rop of d’ronder. Nog 98 dagen tot de NBA-draft van 2024. Dan selecteren de teams van de National Basketball Association in totaal zestig jonge spelers. Het Nederlandse talent Jesse Edwards stond enige tijd geleden nog op plek veertig op de voorlopige ranglijst, maar is daaruit, mede door een blessure, inmiddels weggevallen. Hij zal zich snel in de kijker moeten spelen. Anders is zijn kans, in elk geval voor dit jaar, verkeken.

Eva van Weeghel, Kim Smeekes en Eef Hilgers gebruiken die draft als richtpunt voor de sportdocu Big Time: De NBA-Droom Van Jesse Edwards (53 min.). Wanneer de lange Amsterdammer daar niet wordt geselecteerd, zou zijn Amerikaanse avontuur na vijf jaar universiteitsbasketbal wel eens abrupt kunnen eindigen. Als zijn team al snel faalt bij een cruciaal meetmoment, hangt Edwards’ toekomst dus aan een zijden draadje.

Stilistisch is deze film nogal een ratjetoe. Er zijn de geijkte elementen voor elk sportportret: enerverende jeugd-, wedstrijd- en trainingsbeelden, achter de schermen-impressies en gesprekken met de hoofdpersoon en sleutelfiguren uit zijn directe omgeving, zoals zijn Nederlandse moeder, Amerikaanse vader en enthousiaste broers, enkele medespelers en zijn voormalige coach bij West-Virginia University, Bob Huggins.

Daarnaast bevat Big Time echter ook vox pops met Amerikaanse tieners, enkele gereconstrueerde scènes en een paar korte explainers over hoe het Amerikaanse basketbalsysteem werkt door de voormalige NBA-spelers Geert Hammink en Henk Norel en Edwards’ jeugdcoach in Nederland, journalist Arno Kantelberg. Hoewel alle elementen met smakelijke muziek bij elkaar zijn geklutst, is dat wat veel van het goede.

Intussen neemt het aantal dagen naar die allesbepalende NBA-draft zienderogen af – en loopt intussen de spanning op bij Jesse Edwards. Deze film brengt dat zenuwslopende proces van heel dichtbij in beeld en werkt toe naar het selectiemoment, dat hij thuis in Nederland, te midden van z’n complete familie en gevolgd door de camera’s van de Nederlandse sportzender ESPN, beleeft: d’rop of d‘ronder, nu!

De Propagandist

Docmakers

Vorig jaar sleepte Luuk Bouwman samen met collega Aliona van der Horst op het International Documentary Festival Amsterdam de prijs voor beste Nederlandse documentaire in de wacht met Gerlach, een film over ‘de laatste akkerbouwer’. Dit jaar is diezelfde IDFA-Award opnieuw voor hem, nu is alleen alle eer voor hem.

Bouwmans nieuwe film De Propagandist (111 min.) is een soort vervolg op zijn documentaire Allen Tegen Allen (2020), waarin hij de geschiedenis van het Nederlandse fascisme, en alle bijbehorende splinterpartijtjes, helemaal uitvlooit. Nu zoomt hij in op één enkele man: Jan Teunissen (1898-1975), de filmtsaar van Nederlandse nazi’s.

De historicus Rolf Schuursma sprak in 1964 en 1965 enkele malen met de geaffecteerd sprekende Teunissen. Die opnamen, in totaal ruim negen uur, vormen samen met beeldmateriaal dat de gedreven filmmaker zelf maakte het fundament onder deze documentaire. Schuursma geeft daarbij dan, soms nog altijd ontzet, weer commentaar.

In een andere wereld – en met een andere attitude – had hij, net als zijn veel bekendere Duitse vak- en partijgenoot Leni Riefenstahl, een gevierde regisseur kunnen worden. Zijn start was veelbelovend: als G.J. Teunissen maakte hij de eerste Nederlandse film met geluid en Sjabbos, een documentaire over de vooroorlogse Amsterdamse Jodenbuurt .

Toen hij zich in 1934 waagde aan de eerste grote Nederlandse speelfilm, over de nationale trots Willem van Oranje, ging ‘t echter helemaal mis. ‘Een tragische mislukking en een slecht begin van de Nederlandse film’, leest Rolf Schuursma voor uit de vernietigende kritieken in de pers. ‘Willem van Oranje opnieuw vermoord.’

Als voorzitter van de filmdienst van de NSB, het filmgilde van de Nederlandse Cultuurkamer, de Bioscoopbond en de Filmkeuring maakte Teunissen, het enige kind van een zeer gefortuneerde antiquair uit Den Haag, een comeback. Hij werd de allesbepalende factor in de Nederlandse film tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Teunissens privéadres, Lange Voorhout 62 in Den Haag, werd het centrum van de Nederlandse film in de oorlog, stelt historicus Egbert Barten. Hij doet sinds 1989 onderzoek en interviewde vaderlandse filmmakers uit die tijd, zoals Reinier Meijer, Jan Koelinga en Bob Kommer. De één sprak liever over het verleden dan de ander.

Deze historische documentaire diept de geschiedenis van de Nederlandse nazi-propagandafilm, aan de hand van de grote roerganger ervan, weer op. Het levert even vergeten als onvergetelijke verhalen op, zoals de NSB-kluchten Wat Een Tijd en de eerste Nederlandse en uitgesproken antisemitische tekenfilm Van Den Vos Reynaerde

Teunissen spreekt er twintig jaar later zonder al te veel wroeging over, in een fascinerende film over een bezoedeld verleden, dat menigeen liever onbesproken – en ongezien – laat. Dat zijn eigen vooroorlogse beelden van de Jodenbuurt werden verwerkt in de ultieme nazifilm Der Ewige Jude vindt hij ‘een onfortuinlijke kwestie’.

De Jodenvervolging vond De Propagandist ‘een zeer ongelukkige kwestie’. Nee, sjiek was dat niet, zegt hij tegen het einde van dit portret, als zijn ware aard naar voren lijkt te komen en hij zichzelf definitief de das omdoet. Aan serieuze zelfreflectie is hij blijkbaar nooit toegekomen.

Fly

National Geographic

‘Als jij er niet meer bent wanneer deze film uitkomt’, vraagt documentairemaker Shaul Schwarz bij de start van Fly (110 min.) aan Scotty Bob Morgan, ‘wat wil je dan dat mensen ervan opsteken?’ Als de vraag, die later in de film nog extra lading zal krijgen, wordt gesteld, begint de Amerikaanse basejumper te lachen. ‘Daar geef ik geen antwoord op, want ik zal er nog zijn.’

Al een jaar of negen springt de Irak-veteraan Morgan vrijwel wekelijks in z’n wingsuit van duizelingwekkende hoogten. Als een menselijke vleermuis scheert hij dan zo dicht mogelijk over de boomtoppen of vliegt hij verdacht laag bij de grond. Het is therapeutisch, zegt hij. En levensgevaarlijk, dat ook. Zijn moeder krijgt regelmatig de vraag waarom ze eigenlijk geen bezwaar maakt. ‘Ik zeg dan: Scott zou niet gelukkig zijn als hij niet kon vliegen.’

Dat lijkt eveneens op te gaan voor de andere hoofdpersonen van deze duizelingwekkende film, waarvoor Schwarz samen met coregisseur Christina Clusiau zeven jaar lang in het gezelschap van enkele doorgewinterde basejumpers verkeerde, terwijl die hun leven, bijna routineus, in de waagschaal stelden. Zeker Marta Empinotti kent de mogelijke gevolgen: haar vriend Steve kwam in 1987 om het leven. Na een korte pauze begon ze echter toch weer te jumpen.

Inmiddels springt Marta met haar huidige partner Jimmy Pouchert weer alsof haar leven ervan afhangt. Ze organiseren ook groepsreizen, waarbij nieuwelingen die enerverende combinatie van vrijheid en gevaar kunnen leren kennen. Marta vergelijkt basejumpen met een religieuze ervaring. Haar vriend is er al even verknocht aan. Hij ervaart na die eerste afzet een gevoel van absolute gelukzaligheid en verlegt daarom steeds zijn eigen grenzen. Op het roekeloze af.

De bekende Noorse basejumper Espen Fadnes ging als kind voor het eerst de bergen in met zijn vader, een gedreven klimmer. Van hem leerde hij dat je best risico mag nemen voor je plezier. Zijn Britse vriendin Amber Forte heeft eigenlijk een hekel aan de angst en het gevaar, maar zij houdt dan weer van de vrijheid van het basejumpen. Samen met Espen stort ze zich regelmatig de diepte in. De twee excelleren in synchroon skydiven en doen ook mee aan wedstrijden.

Fly toont deze waaghalzen op hun allerbest: als ze daadwerkelijk een ultieme droom van de menselijke soort lijken waar te maken en even kunnen vliegen. Met behulp van geavanceerde camera’s, drones en GoPro’s leggen Clusiau en Schwarz hun vervaarlijke vluchten op een werkelijk adembenemende manier vast. Tegelijkertijd zijn er de zegeningen van hun persoonlijke levens: relationeel geluk, vriendschap en het gezinsleven. Ook dan lijken ze af en toe te zweven.

Daartegenover staat de redenen waarom ze soms de vlucht naar voren kiezen en de pijn en het verdriet als het dan tóch een keer misgaat. Fly herbergt bijvoorbeeld net zoveel spanning als de documentaires Free Solo en Skywalkers: A Love Story – waarin de hoofdpersonen, een klimmer die bergwanden opgaat zonder zekering en een koppel dat illegaal de hoogste toppen van de wereld beklimt, eveneens opzichtig het lot tarten – maar belicht daarnaast ook het bijbehorende drama.

De gedachte dat ze er zelf om hebben gevraagd als het misgaat, volstaat dan niet. Wie eenmaal mee is gegaan in hun spannende avonturen, heeft gezien wie de mensen achter die aerodynamische vleermuispakken zijn en een idee denkt te hebben gekregen over waarom ze doen wat ze doen, leeft onvermijdelijk ook hartstochtelijk mee als het onvermijdelijke dan tóch gebeurt in deze bijzonder enerverende en aangrijpende film.

My Generation

EO

Gaan we rocken? roept een man naar de bus senioren. Zij reageren enthousiast: jeeeeuuuh! Het gezelschap is onderweg naar de Zwarte Cross in Lichtenvoorde, waar een hopelijk volle festivaltent wacht op het ouderenkoor uit Haarlemmermeer. Net voor aankomst zingen ze nog even mee met de plaatselijke klassieker Oerend Hard van Normaal.

My Generation (54 min.) afficheert zich als een rockkoor, waarbij iedereen welkom is. Zangtalent is mooi meegenomen, maar zeker geen voorwaarde. Onder leiding van dirigent Boris studeren de senioren enthousiast bekende pop- en rockklassiekers in van pak ‘m beet The Rolling Stones (Ruby Tuesday), Bob Marley (One Love) en – natuurlijk – The Beatles (Here Comes The Sun).

Dit doet natuurlijk denken aan de opzet van Young @ Heart, Stephen Walkers documentaire over een Amerikaans ouderenkoor met een al even opmerkelijk repertoire – al begaf dat gezelschap zich met covers van lekker dwarse acts als Talking Heads, Sonic Youth en The Ramones zelfs nog véél verder van de mainstream. De oudjes werden er hip mee. Toen die term allang niet meer in zwang was.

My Generation opereert conventioneler en moet het vooral van lol, gezelligheid en enthousiasme hebben. Tijdens de voorbereidingen op het muziek- en crossfestival in de Achterhoek, die als rode draad voor deze film fungeren, volgt documentairemaakster Anne-Marieke Graafmans enkele leden tijdens activiteiten van het koor en in hun dagelijks leven.

Zij kampen met de dingen waarmee mensen op leeftijd nu eenmaal kampen: eenzaamheid, verlies en de zin van het bestaan. Dat klinkt al een stuk heftiger dan het in deze wat vlakke docu wordt. Echt drama blijft achterwege. Binnen de groep is er hooguit wat wrijving over het ontwerp voor het officiële ‘tourshirt’ en of de dames tijdens het Zwarte Cross-optreden een giletje gaan dragen of niet.

Wat rest is een vlot groepsportret van een stelletje enthousiastelingen dat zich opmaakt voor een plek in het middelpunt van de belangstelling – als toch wel een soort gimmick – bij een festival dat populairder dan ooit lijkt bij de jeugd van tegenwoordig.

The Tragically Hip: No Dress Rehearsal

Prime Video

Met de geladen tourdocu Long Time Running (2017) zet de Canadese rockband The Tragically Hip na ruim dertig jaar noodgedwongen een punt achter z’n carrière. Zanger Gordon Downie is twee jaar eerder gediagnosticeerd met een terminale hersentumor en wil in 2016 nog eenmaal met z’n maatjes een serie concerten geven. Het wordt een emotionele tournee en waardige afsluiting. Als ‘Gord’ vervolgens op slechts 53-jarige leeftijd z’n laatste adem uitblaast op 17 oktober 2017, houdt ook de groep automatisch op te bestaan. 

Zeven jaar later documenteert Gords oudere broer, documentairemaker Mike Downie, met de vierdelige serie The Tragically Hip: No Dress Rehearsal (261 min.) de carrière van de populairste band van Canada. Het is een archetypisch popverhaal, over vijf jongens uit Kingston, Ontario, die wereldberoemd worden in eigen land – en ook nog behoorlijk populair bij de grote onderbuur. Al wordt dat laatste wel een terugkerend thema, ook in deze productie: waarom zijn ze eigenlijk niet definitief doorgebroken in de Verenigde Staten? Is The Hip daar dan mislukt?

Met de nog levende leden – ondersteund door de entourage van de band, familieleden en Canadese prominenten zoals premier Justin Trudeau, acteur/komiek Dan Aykroyd en filmregisseur Atom Egoyan – loopt Downie hun carrière door. Na zes albums waarin The Tragically Hip als een gestaalde eenheid heeft gepresteerd, komt toch de klad erin en verwordt de groep vrinden tot een dysfunctionele familie, die nauwelijks meer in staat blijkt om normaal te communiceren. En daarover spreken ze nu, met de wijsheid van achteraf, zonder meel in de mond en zonder te zwarte pieten.

Gord Downie zelf vergroot soms, veelal onbedoeld, de verdeeldheid binnen de groep. Hij is een bevlogen zanger, uitgesproken poëet en theatrale performer die z’n hele hebben en houwen in de strijd gooit, maar ook de man die al snel alleen nog zijn eigen teksten wil zingen. Zo kortwiekt hij de andere songschrijvers in de band – al is Downie wel bereid om de inkomsten eerlijk te delen. Alle spanningen komen uiteindelijk tot een climax tijdens de opnames van het elfde studioalbum We Are The Same in 2009, waarbij de zanger los van de rest van de band komt te staan.

‘Gord is niet The Tragically Hip’, klaagt vaste technicus Dave Koster dan tegen producer Bob Rock, die Downie een status aparte geeft. ‘Gord is de zanger van The Tragically Hip. The Tragically Hip bestaat uit vijf gasten, die innig samenwerken en geweldige muziek maken.’ En uiteindelijk zullen die vijf, laat deze fijne miniserie eveneens overtuigend zien, de weg terug naar elkaar weer vinden. Zodat ze nog eenmaal samen, met een voorman die zijn eigen teksten en zanglijnen opnieuw moet leren, kunnen gloriëren als de band die ze ruim drie succesvolle decennia zijn geweest.

Intussen komt het einde steeds naderbij, van Gords leven en van die band. ‘Wie ben ik nu nog?’ vraagt gitarist Rob Baker zich af tijdens de aangrijpende apotheose van No Dress Rehearsal. Hij zal al snel in een neerwaartse spiraal terechtkomen. Zoals alle leden van The Hip op zichzelf worden teruggeworpen en los van elkaar afscheid moeten nemen van wie ze samen waren. Een complete natie, belichaamd door een geëmotioneerde premier Trudeau, rouwt met hen mee. Over het verlies van een groep die als geen ander verklankte wat het betekent om Canadees te zijn.

‘Ik zei tegen mezelf: je hebt al vaker tijden gehad waarin je hem weinig zag’, vertelt Gord Downies moeder Lorna tegen haar ene zoon Mike, die als filmmaker zoveel mogelijk buiten beeld blijft, over hoe zij het verlies van die andere zoon probeert te dragen. ‘Ik stel me gewoon voor dat hij op tournee is.’

Control Room

Magnolia Pictures

Met ingehouden adem wacht de wereld in het voorjaar van 2003 op de Amerikaanse inval in Irak. Na de terroristische aanslagen van 11 september 2001 heeft president George W. Bush besloten om niet alleen achter de verantwoordelijke terreurorganisatie, Osama bin Ladens Al-Qaeda, aan te gaan in Afghanistan, maar om eindelijk ook eens af te rekenen met de Iraakse dictator Saddam Hoessein.

Deze ontwikkelingen worden met argusogen bekeken op het hoofdkwartier van Al Jazeera. Vanuit Doha in het nabijgelegen oliestaatje Qatar bedient de nieuwszender zo’n veertig miljoen Arabische kijkers. In de achter-de-schermen documentaire Control Room (86 min.) neemt Jehane Noujaim poolshoogte bij de Arabische nieuwsorganisatie, die rond de Amerikaanse inval in Irak van alle kanten onder vuur ligt.

De meeste regimes in het Midden-Oosten zitten immers bepaald niet te wachten op onafhankelijke journalistiek, terwijl Al Jazeera vanuit de Verenigde Staten voortdurend wordt beschuldigd van anti-Amerikaanse propaganda. Aan de ene kant staat een houwdegen als Donald Rumsfeld, aan de andere een wezenloze propagandist, Mohammed Saïd Al-Sahaf, die zich als karikaturale leugenaar ontwikkelt tot een cultfiguur en meme.

Deze boeiende film uit 2004 toont intussen feilloos hoe ook in deze oorlog de waarheid het eerste slachtoffer is. Want wanneer heeft Saddam Hoessein de VS nu daadwerkelijk bedreigd met ‘weapons of mass destruction’ (die later overigens een Amerikaanse idee-fixe – of gewoon: leugen – blijken te zijn)? Zijn de Amerikanen nu al wel of niet doorgedrongen tot de Iraakse hoofdstad? En hoe verhoudt de ‘war on terror’ van Bush zich tot ‘regime change’ in Baghdad?

Op zoek naar zoiets als de waarheid moeten de Al Jazeera-zwaargewichten Hassan Ibrahim en Samir Khader daarover de degens kruisen met persofficieren van het Amerikaanse leger. Interessant is daarbij dat één van hen, luitenant John Rushing, zowaar bereid blijkt om over zijn eigen schaduw heen te springen. Tijdens momenten van zelfreflectie bekent Rushing dat hij zelf soms ook een nefaste bijdrage levert aan de informatie-oorlog in de media.

Het Amerikaanse leger presenteert bijvoorbeeld met veel bravoure een stok kaarten, waarop ruim vijftig Iraakse sleutelfiguren zijn afgebeeld. Die moeten zo snel mogelijk worden uitgeschakeld. Dead or alive dus. Naderhand is het Amerikaanse perskorps verontwaardigd. Vooral over de vorm van de mededeling, overigens. Want waarom zijn er geen promotie-exemplaren van deze ‘deck of cards’ beschikbaar gemaakt voor journalisten?

Zo schieten de Amerikanen zichzelf publicitair wel vaker in de eigen voet. ‘Dankzij de moed en macht van ons leger is het Iraakse volk nu vrij’, stelt de Amerikaanse president Bush bijvoorbeeld unverfroren tijdens zijn beruchte ‘mission accomplished’-overwinningsspeech op een Amerikaans vliegdekschip, waarmee Noujaim haar boeiende film naar een logisch eindpunt brengt – dat uiteindelijk dus helemaal geen eindpunt blijkt zijn.

Bush’ triomfantelijke woorden zullen in de navolgende jaren als een boemerang naar hem terugkomen: behalve de waarheid gaan er ook nog veel Amerikanen sneuvelen in Irak, de inval van de Verenigde Staten zal voor verdere destabilisatie van het Midden-Oosten zorgen en ook de opkomst van een nieuwe terreurorganisatie, Islamitische Staat, kan niet los worden gezien van ’s mans besluit om na elf september orde op zaken te stellen in Irak.

In de navolgende twintig jaar zal Al Jazeera daarvan verslag blijven doen – en John Rushing zal zich dan zowaar ook bij de nieuwsorganisatie voegen.

Black Power Salute

BBC

Er is weinig spontaans aan. Het iconische beeld van twee Afro-Amerikaanse atleten, nummer één en drie van de 200 meter sprint tijdens de Olympische Spelen van 1968 in Mexico-stad, die tijdens het Amerikaanse volkslied hun vuist ballen en fier in de lucht steken. De Black Power Salute (58 min.) van gouden medaillewinnaar Tommie Smith en John Carlos is het sluitstuk van een zorgvuldig geplande campagne. Eerder hebben de organisatoren, onder wie de militante professor sociologie Harry Edwards, nog een boycot van de Spelen door zwarte sporters overwogen.

Dat zien andere atleten zoals de verspringers Ralph Boston en Bob Beamon alleen helemaal niet zitten. Waarom zouden ze hoogstpersoonlijk hun eigen sportcarrière de nek omdraaien? En Avery Brundage, de omstreden voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité (IOC), moet al helemaal niets hebben van de vermenging van sport en politiek. Als boegbeeld van het Amerikaans Olympisch Comité heeft hij zich in 1936 zelfs uitgesproken tegen een boycot van de Olympische Spelen in Berlijn. Hij stelde toen alles in het werk om Hitlers naziregime vooral maar niet tegen de haren in te strijken.

Zwarte activisten zoeken dus een andere manier om een statement te maken over de achtergestelde positie van ‘negro’s’ in de Verenigde Staten: een gebalde vuist. ‘Mensen noemen het black power’, zegt Tommie Smith in deze gedegen BBC-docu van Geoff Small uit 2008. ‘Natuurlijk ben ik zwart en natuurlijk representeert dat gebaar kracht, maar voor mij was het een schreeuw om vrijheid: kijk, hier ben ik. Ik heb hulp nodig. Ik wil gerechtigheid.’ IOC-baas Brundage stuurt de levende legende Jesse Owens, de zwarte held van de besmette Spelen van 1936, om te bemiddelen. Tevergeefs.

Smith en Carlos willen niets van hem weten. Zonder gevaar is hun actie echter niet, helpt verteller Colin Salmon de kijker nog even herinneren. Slechts enkele maanden eerder, in het voorjaar van 1968, zijn eerst burgerrechtenleider Martin Luther King en daarna presidentskandidaat Robert Kennedy vermoord. Opstaan tegen onrecht en segregatie kan dus zomaar keihard worden afgestraft. En hoewel vrijwel alle betrokkenen bij de Black Power-vuisten hun verhaal kunnen navertellen in deze oerdegelijke reconstructie, zijn ze wel degelijk jarenlang achtervolgd door hun principiële actie.

De algehele waardering is pas veel later gekomen. Sinds 2005 staat er een standbeeld op Carlos en Smiths alma mater San Jose State University, als blijk van waardering voor hun moedige protestactie. In Victory Salute ontbreekt alleen een belangrijke bijrolspeler: de Australische atleet die zich op de 200 meter tussen hen in had geschaard en die op het moment suprême solidair met hen was. Ook Peter Norman, de ‘unsung hero’ van het Black Power Salute, zou duur betalen voor zijn bijdrage aan de actie, getuige de documentaire Salute (2012).

Fallen Idols: Nick And Aaron Carter

Investigation Discovery / HBO Max

‘De aanklachten van seksueel geweld tegen Nick Carter, die in dit programma aan de orde komen, zijn onderdeel van nog lopende rechtszaken’, meldt een tekst bij de start van Fallen Idols: Nick And Aaron Carter (175 min.). ‘Alleen de kant van de beschuldigden komt aan de orde.’

En daarmee is het pad geëffend voor een typische #metoo-docu, waarmee weer een nieuwe man uit de entertainmentwereld in ernstige verlegenheid wordt gebracht: Nick Carter van de populaire Amerikaanse boyband Backstreet Boys. En ook zijn jongere broer Aaron, een voormalig kindsterretje dat steeds verder in de penarie is geraakt en eind 2022 overlijdt aan een overdosis, wordt onderdeel van dat onsmakelijke verhaal. Uiteenlopende bekendheden zijn Carter voorgegaan. In een business, waarin het ‘sex appeal’ van de helden zo nadrukkelijk wordt uitgevent en de machtsverhoudingen al bij voorbaat zo uit het lood zijn, is misbruik bijna onvermijdelijk. Jonge sterren worden voortdurend geconfronteerd met devote en vaak nóg jongere fans, die tot alles bereid zijn – of dat in elk geval lijken.

‘Ik ga mijn verhaal vertellen’, zegt voormalig zangeres en actrice Melissa Schuman in aflevering 1 van deze wufte vierdelige serie, ongenaakbaar in de camera kijkend. Later rijdt ze nog eens met de cameraploeg langs het appartementencomplex, waar Nick zich aan haar zou hebben vergrepen. ‘Gaat het, Melissa?’ vraagt regisseur Tara Malone. Waarbij het de vraag is of zij werkelijk wil weten hoe ’t met haar gesprekspartner gaat – of gewoon de scène in gang wil zetten, waarin die vertelt over hoe ze door de zanger werd verkracht. De vraag stellen… En Melissa levert: zeer gedetailleerd en ogenschijnlijk ook geroutineerd, bijgestaan door haar toegewijde vader Jerry. Samen leggen zij ook meteen het verband met Schumans carrière die daarna, tot haar grote verdriet, niet meer van de grond wilde komen.

In deel 2 wordt de ‘fame seeker’ geconfronteerd met serieuze weestand vanuit de Backstreet Boys-achterban. Van relatief onschuldige steunbetuigingen aan de blonde adonis die zij heeft beschuldigd (#IStandWithNickCarter) tot intimidatie en doxing. Ze krijgt ook bijval van Nicks ex-vriendin Kaya Jones, waarbij onduidelijk blijft hoe serieus die relatie was en of zij iets van diens vermeende donkere kant heeft meegekregen, en van Ashley Repp, die als vijftienjarige dronken zou zijn gevoerd en misbruikt door de Backstreet Boy. Subtiel gaat ’t er niet aan toe in deze miniserie, die qua toonzetting eerder doet denken aan de rechttoe rechtaan tv-producties Surviving R. Kelly en House Of Hammer (Armie Hammer) dan aan gelaagdere beschouwingen over de betekenis van #metoo, zoals We Need To Talk About Cosby (Bill Cosby) en Sorry/Not Sorry (Louis C.K.).

In het derde deel komt dan Nicks jongere broer Aaron in beeld. Ook hij heeft, volgens zijn tourmanager Mark Giovi, ‘The X Factor’ en wordt daarom als zevenjarig joch gelanceerd als popster. Maar hoeveel succes hij ook heeft, Aaron Carter blijft altijd het jongere broertje van Nick. Hij belandt intussen ook bij de beruchte Backstreet Boys-manager Lou Pearlman. Die zou een ongezonde voorkeur hebben voor jonge jongens, een onderwerp dat in de serie wel wordt aangeroerd maar verder nauwelijks wordt onderzocht. Dat is wel vaker de makke van dit soort producties: veel rook, relatief weinig vuur. Ook doordat de makers ervan zich vaak moeten verlaten op ex-partners, secundaire bronnen en entertainmentdeskundigen, die er een job van hebben gemaakt om in de stront van celebrities te roeren – en daar ook duidelijk lol in hebben.

Als Aaron Carters leven steeds verder uit de bocht vliegt, melden ook zijn exen Lina Valentina en Melanie Martin zich in deze trashy miniserie. Zij waren erbij toen hij steeds meer op ramkoers kwam te liggen met Nick. Binnen die context heeft Aaron ook contact opgenomen met Nicks vermeende slachtoffers, die zijn pogingen om z’n oudere broer publiekelijk te besmeuren direct omarmen. Dat Aaron overduidelijk in de war is en bovendien nog een appeltje heeft te schillen met zijn broer, doet er dan niet meer toe – en blijkbaar ook niet voor de maakster van de serie, Tara Malone. Dit doet de geloofwaardigheid van de productie, en de daarin vertelde slachtofferverhalen, bepaald geen goed en bezoedelt ook het toch al bijzonder tragische familieverhaal van de Carters.

In een statement verwerpt Nick Carter intussen alle beschuldigingen.

The Jinx Part Two

HBO Max

Het eerste seizoen van The Jinx gaat er in maart 2015 uit met een knal. Zeg maar gerust: met een gigantische explosie. In de fascinerende zesdelige true crime-serie legt Andrew Jarecki (Capturing The FriedmansRobert Durst op de grill. Het zwarte schaap van een vermogende familie uit New York wordt in verband gebracht met maar liefst drie afzonderlijke moorden: op zijn eerste echtgenote Kathleen McCormack, beste vriendin Susan Berman en buurman Morris Black. Durst ontkent alles. Als hij aan het eind van de slotaflevering naar het toilet gaat, legt een zendermicrofoon, volgens Jarecki bij toeval, echter vast hoe de vermeende moordenaar ‘There it is. You’re caught.’ tegen zichzelf zegt. ‘Killed them all, of course.’ 

Die bekentenis wordt wereldnieuws. Hoe kun je met een nieuw seizoen over zo’n daverende apotheose heen? En welke ontwikkelingen rechtvaardigen nog eens zes afleveringen? The Jinx Part Two (295 min.) start als Robert Durst net, een dag voordat dit spraakmakende slot wordt uitgezonden, is gearresteerd en vervolgt daarna met een blik achter de schermen bij het eerste seizoen, bijvoorbeeld van hoe de nabestaanden van Dursts slachtoffers bij Jarecki voor het eerst worden geconfronteerd met diens bekentenis. Daarna sluit de filmmaker, die zich al een jaar of vijftien vastbijt in de drievoudige moord, aan bij de gedreven cold case-onderzoeker John Lewin. Hij moet de zaak alsnog vlot trekken en voor de rechter proberen te brengen.

Durst presenteert zichzelf daar doelbewust als een fragiele oude man, waarvan het nog maar de vraag is of hij de rechtsgang wel helemaal vat. Hij spreekt daar openlijk open over tijdens telefoongesprekken met intimi, zoals zijn huidige echtgenote Debrah Charatan – ook al weet hij dat die waarschijnlijk worden afgeluisterd door Lewin. En die heeft ze blijkbaar tevens doorgespeeld aan Andrew Jarecki. De opnamen vormen één van de fundamenten onder dit tweede seizoen van The Jinx, dat de moorden op Dursts vrouw Kathie Durst en zijn beste vriendin Susan Berman wederom onder de loep neemt en vitale nieuwe feiten, bewijzen en getuigen presenteert. En de charmante engerd Robert Durst geeft daar dan op z’n geheel eigen wijze telefonisch commentaar op.

De serie komt tamelijk moeizaam op gang. Jarecki moet laveren tussen het ophalen van de voornaamste bevindingen van het eerste seizoen, de totstandkoming en impact daarvan én het verder brengen van het verhaal. Pas vanaf aflevering 3 neemt hij de gelegenheid om écht opnieuw in de afzonderlijke moordzaken te duiken en wint de serie zienderogen aan urgentie en spanning. Dan ontwikkelt The Jinx Part Two zich alsnog tot een waardevolle en uiteindelijk ook noodzakelijke aanvulling op die eerste voltreffer, die bovendien wordt afgetopt met een getuigenis onder ede van de onweerstaanbare schurk zelf. Tijdens het kruisverhoor legt Lewin Durst het vuur aan de schenen.

Dit gebeurt niet zonder humor. Als de aanklager een zeer uitgebreide vraag heeft gesteld, reageert de verdachte, die deze vanwege een haperend gehoor van een schermpje moet lezen, bijzonder sarcastisch. ‘Ik denk dat ik u moet feliciteren’, zegt hij. ‘U hebt uw persoonlijke record verbroken. U hebt achttien regels gevuld op mijn tablet.’ Lewin reageert direct: ‘En ik wil u feliciteren met het verbreken van het meineedrecord.’ Waarna Dursts advocaten natuurlijk bezwaar maken. De rechter is echter onverbiddelijk: ‘Overruled.’ Zelfs Durst is het er uiteindelijk mee eens dat hij meermaals heeft gelogen tijdens zijn verklaring. Welk rookgordijn probeert hij met die bekentenis nu weer op te trekken? Of is hij gewoon druk doende om verwarring te zaaien, zodat de feiten als vanzelf het onderspit delven?

Tegelijkertijd ontspint zich een fascinerend verbaal steekspel, dat te langen leste toch echt tot een vonnis moet leiden. In de intrigerende slotaflevering verlegt Jarecki zijn aandacht tenslotte naar de entourage van zijn hoofdpersoon. (Hoe) heeft die zijn misdaden gefaciliteerd? Ieder voor zich hebben ze in de spiegel gekeken en de vraag moeten beantwoorden die Lisa DePaulo van New York Magazine heel treffend heeft geformuleerd: wat kost mijn ziel? En daarmee komt dit tweede seizoen – en als het niet heel gek loopt: The Jinx als geheel – toch weer tot een climax. Niet met een gigantische explosie, maar met een nabrander die zich ook niet zomaar uit het geheugen laat verdrijven. Intussen is Part Two uitgegroeid tot een essentieel onderdeel van één van de beste en belangrijkste true crime-producties.

Deze bespreking is na elke aflevering bijgewerkt.

The Kid Stays In The Picture

USA Films

The Kid Stays In The Picture (94 min.), zou de legendarische filmproducent Darryl Zanuck hebben gezegd. Daarmee was de discussie over Robert Evans definitief beslecht. Eerder hadden schrijver Ernest Hemingway en de acteurs Tyrone Power, Ava Gardner en Eddie Albert nog een brief geschreven aan Zanuck: als Evans de rol van Pedro Romero speelt, wordt onze film The Sun Also Rises een gigantische flop. Alleen co-ster Errol Flynn had zich afzijdig gehouden. Die moest wel lachen om alle drukte.

Het joch blijft in de film, schreeuwde Zanuck dus door een megafoon, toen hij Robert Evans eenmaal aan het werk had gezien als de Spaanse stierenvechter. En iedereen die het daar niet mee eens is, voegde hij eraan toe, kan zelf vertrekken. Robert Evans wist het ondertussen zeker: dit wil ik ook. Vanaf dat moment was zijn acteercarrière ten dode opgeschreven. Een legendarische filmproducent werd daar, op die verdeelde filmset, geboren: Bob Evans (1930-2019), de man achter Hollywood-klassiekers als Rosemary’s Baby, Love Story, The Godfather, Chinatown en Serpico.

Althans, dat is de versie van zijn levensverhaal die Evans opdist in deze typische Hollywood-film van Brett Morgen en Nanette Burstein uit 2002, die weer is gebaseerd op zijn eigen gelijknamige autobiografie. Omdat een leven ook maar gewoon een leven is – en dus niet zomaar een verhaal wordt. Dat maakt de verteller er dus zelf van, met een oneliner van Darryl Zanuck – zou die daadwerkelijk ooit zo zijn uitgesproken? – als inciting incident. Waarna de gelikte vertelling die Evans van zijn eigen lotgevallen heeft gemaakt van start kan.

Via belangrijke plotpoints – ’s mans eerst contract bij Paramount Pictures, zijn Hollywood-huwelijk met Love Story-ster Ali McGraw (die hem uiteindelijk inruilde voor Steve McQueen), z’n partygedrag met elke keer een andere schone aan zijn arm, de onvermijdelijke megaflop (The Cotton Club) en het ontslag bij Paramount dat uiteindelijk het logische gevolg was – op weg naar een klassiek point of no return, geïllustreerd met klassieke scènes uit zijn eigen films, als hij in de jaren tachtig werkeloos, berooid en depressief zijn leven en loopbaan lijkt te moeten eindigen.

Hollywood zou echter Hollywood niet zijn – en Evans niet Evans – als er niet toch nog een happy end in het verschiet lag in dit vermakelijke, als een klassieke Hollywood-film opgebouwde en aangeklede portret van een man die als geen ander de gouden jaren van de Amerikaanse filmindustrie representeert.

Be The Fool

Doxy

In de zomer van 2023 komt de jarenlange zoektocht van Jade Moon Finch en zijn zus Scarlet Finch naar het verleden van hun ouders ten einde met een tribute aan hun leven en werk. Barry Finch en Josje Leeger waren in de jaren zestig onderdeel van het hippie-kunstenaarscollectief The Fool, dat sindsdien in de vergetelheid is geraakt. Samen met het andere stel in The Fool, Marijke Kooger en Simon Posthuma (de latere vader van Douwe Bob, met hem ook te zien in de documentaire Whatever Forever, Douwe Bob), bevonden zij zich in Londen, toen die stad het wild kloppende hart van de swingin’ sixties vormde.

Als The Fool, een verwijzing naar de tarotkaart De Dwaas, hielden Barry en Josje zich bezig met kunst, mode, muziek, design, poëzie en fotografie. De avant-garde kunstenaars ontwierpen bijvoorbeeld de winkel van The Beatles (Apple Boutique), brachten een elpee uit die doorgaat voor het allereerste wereldmuziekalbum, ontwierpen daarna in hun eigen boetiek The Chariot in Los Angeles kleding voor artiesten als Jim Morrison, Joni Mitchell en Led Zeppelin, en brachten in de jaren zeventig de muziekcultuur van Ibiza op gang met concerten van Eric Clapton, UB40 en Bob Marley.

In Be The Fool (79 min.) van regisseur Joris Postema maken broer en zus een trip nostalgia langs de plekken die hun ouders hebben gevormd – en die door hen zijn gevormd. Onderweg ontmoeten ze uiteenlopende artiesten zoals Hollies-zanger en Crosby, Stills, Nash & Young-lid Graham Nash (met wie The Fool z’n titelloze debuutalbum opnam), singer-songwriter Donovan (die bij Barry ‘de honger’, de drang om te communiceren, herkende, waarover hij zelf ook beschikte) en Iron Maiden-boegbeeld Bruce Dickinson (de metalzanger, waarvoor Josje ravissante podiumkledij ontwierp).

Tegelijkertijd proberen Jade en Scarlet enkele sleutelscènes uit de nooit uitgevoerde muziekvoorstelling Fools Paradise, een zoektocht naar identiteit die hun ouders ooit schreven na het succes van de musical Hair, alsnog tot leven te brengen met de actrice Marieke op den Akker. Postema gebruikt deze theatrale sequenties om het levensverhaal van The Fool – een personage dat volgens Jade Moon de waarheid vertelt die niemand anders durft uit te spreken – verder in te kaderen. ‘Be the fool’, is de boodschap die hij daar zelf, als zoon en als mens, uit heeft gehaald. Durf de dwaas te zijn.

Achter al die creatieve uitspattingen gaat een tragisch familieverhaal schuil, waarnaar in deze film meermaals wordt gehint en dat uiteindelijk, na enig aandringen door Postema, ook wel ter sprake komt – al wordt nooit helemaal duidelijk wat er precies is gebeurd. Duidelijk is wel dat het verleden, zowel de fraaie buitenkant als de tragische binnenzijde ervan, hen allen heeft getekend. En die woelige geschiedenis is nu zwierig opgetekend voor alle hedendaagse en toekomstige dwazen, die nodig met The Fool in contact moesten worden gebracht.

Trailer Be The Fool

Simple Minds: Everything Is Possible

Simple Minds

Alle verplichte elementen voor een popdocu zitten erin. Dat begint in Simple Minds: Everything Is Possible (87 min.) al direct met het decor: een grauwe arbeiderswijk in Glasgow, de ideale voedingsbodem voor jongens die méér willen van het leven. En daarmee zijn we meteen aanbeland bij de hoofdpersonen voor zo’n film: Jim Kerr en zijn maatje Charlie Burchill. Volgens de overlevering startte hun ‘bromance’ al in de zandbak bij de Toryglen-flat. ‘Voor sommige mensen houdt de wereld aan het einde van de straat op’, stelt Kerr. ‘Voor Charlie en mij als tieners begon de wereld daar pas.’

En dan begint ook die band, al gauw Simple Minds genaamd. In de jaren dat punk opkomt. Als iedereen denkt dat ie kan spelen en ook vindt dat ie dat moet gaan doen. ‘De barbaren rammelden aan de poort’, aldus Kerr, die wordt gebombardeerd tot zanger. Zijn maatje Charlie heeft zich dan al gemanifesteerd als een verdienstelijke gitarist. Ze gaan samen liedjes schrijven. De twee treden voor het eerst met hun bandje op in januari 1978. Aan zelfvertrouwen over hun ‘artrock’ bepaald geen gebrek. ‘We zijn te goed om genegeerd te worden’, beweren ze tegen de plaatselijke krant.

Na het beluisteren van Joy Division’s signatuuralbum Unknown Pleasures willen ze hun eigen, tamelijk gladde new wave-debuutalbum desondanks bijna in de vuilnisbak gooien. Veel te gepolijst! Een half jaar later al volgt elpee twee. Die hoeft van de band niet ‘commercieel’ te zijn of hits te bevatten. Dat lukt zonder al te veel problemen – tot grote frustratie van hun platenlabel. Zo moeten de Simple Minds – verplicht in dit soort docu’s – eerst de nodige zijpaden bewandelen om dan toch de weg naar de top te vinden. Dat ze die vinden staat overigens vast. Anders zou deze film er nooit zijn gekomen.

Hun lange weg naar de voetbalstadions, waar Kerr, Burchill en de hunnen (die ook hier slechts een bijrol krijgen toebedeeld) moeiteloos mensenmassa’s naar hun hand zetten, wordt in deze docu van Joss Crowley begeleid door oud-manager Bruce Findlay, lieden uit de bandomgeving en de sterproducers die eraan te pas kwamen (John Leckie, Jimmy Iovine en Trevor Horn). En natuurlijk zijn ook vakbroeders zoals Bobby Gillespie (Primal Scream), Bob Geldof (The Boomtown Rats) en Dave Gahan (Depeche Mode) bereid om de status van hun muzikale vrinden – en zichzelf – nog eens te bevestigen.

Na de gloriejaren, waarin de zanger nog een celebrity-huwelijk met Pretenders-boegbeeld Chrissie Hynde ziet floreren en stranden, volgt de onvermijdelijke teruggang – ook verplicht in dit soort bandjesportretten. Kerr en Burchill moeten zich ermee verzoenen dat ze zijn ingehaald door een nieuwe generatie acts, die te goed is om genegeerd te worden. Als rechtgeaarde stadionband zijn ze weer veroordeeld zijn tot gewone zalen. Dan komt onvermijdelijk ook de vraag op tafel: hebben de Simple Minds nog toekomst? Ja dus. Ze spelen nog altijd, in een steeds vernieuwende bezetting. 

‘We zeggen niet: we zijn terug, maar: dit hebben we met ons leven gedaan’, heeft Jim Kerr dan nog een oneliner paraat. ‘En als er zoveel op het spel staat, moet je wel elke avond alles geven.’ Zijn boezemvriend Charlie vult aan: ‘We waren tot het inzicht gekomen dat we net als oude blueszangers tot onze laatste snik door zouden gaan. Dat was ons statement.’ En dus maken ze zich op, het laatste elementaire element van dit type (leuke) popdocu, voor de grootste tournee in jaaaren.