The Pickup Game

Good women love bad men.  Als eenvoudige, doordeweekse jongen moet je dus gewoon zo’n slechte vent spelen. Anders loop je het risico dat de babe, waar jij al weken natte dromen van hebt, je gaat beschouwen als haar beste vriend. Of, nog erger, als een soort oudere broer. Als je niet uit jezelf zo’n gladde praatjesmaker bent die genadeloos toeslaat als zij het niet ziet aankomen, dan kun je terecht bij zogenaamde Pickup Artists, onvervalste players die jou wel eens even haarfijn uitleggen hoe je elke rondborstige bimbo binnen de kortste keren je bed inlult. Tegen een billijke vergoeding, natuurlijk.

The Pickup Game (98 min.) buigt zich over de industrie die stiekem is ontstaan rond al die alleenstaande mannen die zich geen echte vent voelen en wel wat hulp kunnen gebruiken bij het veroveren van dames. ‘Respect the cock’, zou Frank T.J. Mackie uit de magnifieke speelfilm Magnolia zeggen. ‘And tame the cunt.’ Het begon allemaal in 1988 bij de bestseller How To Get The Women You Desire In Bed van Ross Jeffries, een voormalige brekebeen op het liefdespad, die technieken uit Neuro Linguïstisch Programmeren (NLP) besloot te gaan toepassen op het versieren van vrouwen. En de rest is geschiedenis.

Tegenwoordig kun je als schutterende versierder, getuige deze slicke documentaire van Matthew en Barnaby O’Connor, terecht bij professionele alfamannetjes als Maximilian ‘RSDMAX’ BergerRobert ‘Beckster’ Beck en Erik ‘Mystery’ von Markovik. Die leren de deelnemers aan hun cursus of workshop hoe ze het ‘target’ eerst moeten benaderen, daarna in hun invloedssfeer kunnen krijgen en tenslotte op het juiste moment hun kans moeten zien te grijpen. Waarbij de vrouwen in kwestie, tijdens de praktijkoefeningen op straat en in uitgaansgelegenheden gefilmd met een verborgen camera, worden gereduceerd tot willoos neukobject.

Dat je daarin ook te ver kunt gaan, toont het voorbeeld van versiercoach Julien Blanc, die onder vuur kwam te liggen omdat hij had gesuggereerd dat je Japanse vrouwen gewoon op straat bij hun hoofd kunt pakken, dat je vervolgens met ferme hand richting je eigen kruis duwt. Dat het bestaan van een pickup-artiest uiteindelijk alleen leidt tot emotionele leegte, betoogt spijtoptant Paul Janka, die inmiddels keurig getrouwd is. En dat The Game, de term die Neil Strauss ooit muntte in het gelijknamige boek, misogynie en geweld tegen vrouwen in de hand werkt, heeft dating- en ontwikkelingscoach Minnie Lane met eigen ogen kunnen vaststellen.

Die hele pickup-business, stelt een geanonimiseerde marketeer die de business inmiddels de rug heeft toegekeerd, heeft bovendien echt maar één bedoeling: de nietsvermoedende klant zoveel mogelijk geld uit de broek kloppen, voordat hij zich in het bijzijn van een appetijtelijke dame daadwerkelijk van die broek kan ontdoen. Het is een even treurige als voorspelbare conclusie voor deze interessante film, waarin de zelfverklaarde ladykillers juist op dat thema nog wel wat steviger hadden mogen worden aangepakt.

The Most Dangerous Animal Of All

FX

Zou Gary Stewart meer van zichzelf begrijpen als hij wist wie zijn ouders waren? De vraag stellen is hem beantwoorden. Zijn biologische moeder Jude had de ambitieuze Amerikaanse ondernemer, die in een adoptiegezin opgroeide en zelf inmiddels aan zijn vijfde huwelijk bezig is, snel gevonden.

Of hem dat enige gemoedsrust gaf? Nee, haar antwoorden riepen alleen maar meer vraagtekens op. Iets met een ‘Ice Cream Romance’. Over een 27-jarige man die zij als veertienjarige scholier in 1962 ontmoette bij de bushalte. De ‘pedofiele’ relatie die vervolgens tussen hen ontstond. En de manier waarop zij zich vervolgens ontdeden van hem, hun ongewenste kind.

Die kerel, Earl van Best Jr., zou hij nog in leven zijn? En, helemaal onvoorstelbaar, zou die onbekende vader misschien The Most Dangerous Animal Of All (175 min.) kunnen zijn? Een man met meerdere levens op zijn geweten. Een héél beruchte seriemoordenaar, ook omdat hij zelf nadrukkelijk de media opzocht en zo zijn naam, een ingenieuze nom de plume vervat in een symbool, probeerde te vestigen.

Is Gary’s vader, kortom, het antwoord op een vraag die al een halve eeuw openstaat? In deze gestileerde en vet aangezette serie van Ross M. Dinerstein en Kief Davidson gaat hij zelf op onderzoek uit, vergezeld door de wat morsige true crime-auteur Susan Mustafa. Samen schreven ze in 2014 het boek, dat het startpunt vormde voor deze vierdelige docu.

Als de twee dieper in de kwestie duiken, lijkt elk antwoord in dezelfde richting te wijzen: ‘Van’ moet de man zijn die een kleine halve eeuw geleden San Francisco onveilig maakte en heel Amerika in zijn greep kreeg. Maar welke rol speelde Gary’s moeder Jude, die naderhand getrouwd blijkt te zijn met de leider van het bijbehorende politie-onderzoek, dan in deze legendarische cold case?

Conspiracy theory, cover-up of een ander woord met een C? Of tóch een aannemelijke hypothese? Gary Stewart twijfelt niet over het antwoord. Als buitenstaander blijft het lastig oordelen: leiden alle sporen inderdaad naar de man die hem op de wereld dumpte? Of heeft Gary selectief in het bewijsmateriaal gewinkeld, teneinde zijn eigen queeste zin en drama te geven? In de onverwacht enerverende ontknoping volgt het verrassende antwoord.

‘This is not the …… speaking.’

Born Into Brothels: Calcutta’s Red Light Kids

Wat komt er terecht van een kind dat opgroeit in de rosse buurt van de Indiase metropool Calcutta? De Britse fotografe Zana Briski, die in Sonagachi is gaan wonen om de aldaar werkzame prostituees te fotograferen, begint zich het lot van hun kroost aan te trekken. Ze deelt cameraatjes uit en stimuleert hen om hun eigen leefwereld vast te gaan leggen. Al snel brengen de kinderen mensen en plekken in beeld, die voor buitenstaanders doorgaans goed verborgen blijven. En laten ze ook steeds meer van zichzelf zien.

Born Into Brothels: Calcutta’s Red Light Kids (83 min.), bekroond met een Oscar en talloze andere filmprijzen, geeft een bezielde impressie van het leven van deze opgroeiende jongens en meisjes in een omgeving, waar ruzie, drugsgebruik en geweld aan de orde van de dag zijn. De documentaire uit 2004 laat tevens zien hoe Briski, als een typische westerse weldoener, de levens van de kinderen probeert op te vrolijken met uitstapjes naar het strand en de dierentuin. En altijd gaan de cameraatjes weer mee.

Intussen doet Zana Briski, die deze film heeft geregisseerd met Ross Kauffman, serieuze pogingen om hen echt van een betere toekomst te verzekeren. Dat is nog geen sinecure. De meeste meisjes zijn bijvoorbeeld voorbestemd om ook in ‘het vak’ te belanden. Neem het uiterst aaibare meiske Kochi. Haar moeder kon niet voor haar zorgen. En haar vader stond op het punt om haar te verkopen. Alleen oma trekt zich haar lot aan. Welke kans heeft zo’n meisje om aan Sonagachi te ontsnappen?

Én: je kunt het kind wel uit het ‘red light district’ halen, maar haal je het ‘red light district’ daarmee ook uit het kind? Welke school accepteert überhaupt kinderen met zo’n achtergrond? Hoeveel goede intenties er ook schuilgaan achter deze film, en het bijbehorende project Kids With Cameras, het blijft de vraag of je als relatieve buitenstaander daadwerkelijk de levensloop van deze kinderen kunt bijsturen. Het lijkt onvermijdelijk dat in elk geval enkele meisjes die werden geboren in een bordeel daar ook ooit zal sterven.

Er is niet al te veel bekend over hoe het na de documentaire verder ging met de kinderen. In dit artikel van The Times Of India uit 2009 komen Preeti en Abhijit aan het woord. Ze zijn heel verschillend terecht gekomen.

The Innocence Files

Netflix

Kun je vertrouwen op ooggetuigen? Houden agenten en aanklagers zich zelf eigenlijk wel aan de wet? En leveren bijtwonden enigszins betrouwbaar bewijsmateriaal op? Het zijn zulke elementaire vragen over het Amerikaanse rechtssysteem die The Innocence Files (570 min.) domineren. In de negendelige documentaireserie worden enkele zaken onderzocht van het zogenaamde Innocence Project, waarbij een team van gedreven Amerikaanse juristen mogelijke gerechtelijke dwalingen, veelal uit de tijd dat DNA nog niet kon worden gebruikt als (ontlastend) bewijsmateriaal, onder de loep neemt en ten onrechte veroordeelde landgenoten weer vrij probeert te krijgen.

De serie van de docucracks Alex Gibney, Liz Garbus en Roger Ross Williams introduceert in dat kader enkele naamloze Amerikanen, meestal afkomstig uit een minderheidsgroepering en probleemwijk, die voor jáááren achter de tralies zijn verdwenen. Het gaat zonder uitzondering om schrijnende verhalen van mannen, jongens nog soms, die voor het leven werden getekend door een wrede speling van het lot. En dat lot werd soms meer dan zomaar een handje geholpen door overijverige, véél te gretige of gewoon slinkse agenten, officieren van justitie en getuige-deskundigen.

De eerste drie afleveringen, geregisseerd door Williams, richten zich bijvoorbeeld op twee kindermoorden en de gewelddadige dood van een man en de verkrachting van diens echtgenote aan het begin van de jaren negentig. De verdachten van deze misdrijven hebben één ding gemeen: ze zijn alledrie veroordeeld op basis van verklaringen van één en dezelfde expert. ‘Ik ben slechts de boodschapper die het bewijs verzamelt voor de jury’, zegt forensisch tandheelkundige Michael West over de kritiek dat hij er maar wat op los heeft gefabuleerd. ‘En als er ergens een nieuwe methode uitkomt die aantoont: ‘Hij is onschuldig’ kúnnen we hem vrij laten.’

En tot die tijd zitten ze dus achter slot en grendel, soms tientallen jaren lang. Of ze het nu gedaan hebben of niet. Als mogelijke slachtoffers van al dan niet bewuste ‘testilying’. Hoewel hij flink onder vuur wordt genomen, zit de morsige West niettemin met zichtbaar genoegen voor de camera. Een larger than life-personage, dat overduidelijk geniet van de aandacht – en al even duidelijk: niet berekend is op zijn taak. Anderen die een gerechtelijke dwaling hebben gefaciliteerd stellen zich aanmerkelijk nederiger op en trekken, geëmotioneerd zelfs, het boetekleed aan. ‘Het spijt me’, zegt een vrouw die een man onterecht voor haar verkrachter heeft aangezien. Van slachtoffer is ze daarmee dader geworden, concludeert ze nu zelf.

Het leed dat op die manier werd veroorzaakt is nauwelijks te bevatten. Complete levens werden verwoest. Van de mannen in de cel én van hun partners, kinderen en ouders. Na de veroordeling gaat het leven weliswaar verder – of houdt op, dat ook – maar lijkt het elke glans te hebben verloren. Er rest de mannen niets anders dan strijden voor hun recht. Dit vaste stramien is eigenlijk in elke aflevering van The Innocence Files zichtbaar. Dat zorgt ervoor dat alle verhalen, hoe indringend ze ook worden verteld, in essentie hetzelfde zijn. Tegelijkertijd maken die overeenkomsten ook helder dat het bij deze gerechtelijke dwalingen niet om individuele blunders gaat, maar om ernstige systeemfouten in het Amerikaanse justitiële systeem. Die, natuurlijk, buitenproportioneel minderheidsgroepen raken.

The Apollo

HBO

In een volledig gesegregeerde wereld gaf The Apollo in Harlem, New York een thuis aan de Afro-Amerikaanse cultuur. Sinds 1934 kreeg vrijwel elke zwarte muzikant, comedian of theatermaker wel eens de vloer in het roemruchte theater. Het was de plek waar ‘black is beautiful’ daadwerkelijk gestalte kreeg. Of zoals James Brown, die er meer dan tweehonderd keer op het podium stond en in 1963 een absolute klassieker opnam met Live At The Apollo, het verwoordde: ‘Say it loud! I’m black and I’m proud!’

In de collageachtige documentaire The Apollo (102 min.) roept Roger Ross Williams de hoogtijdagen van het kleine theater (ruim 1500 plekken) op met beeldbepalende figuren als Pharrell Williams, Smokey Robinson, Gladys Knight, Aretha Franklin, Jamie Foxx, Angela Bassett en Paul McCartney (die met de roomblanke Beatles optrad in het zwarte bolwerk). Het portretteren van een gebouw en z’n historie blijft echter een lastig verhaal, want de stenen zelf léven natuurlijk niet.

Williams vervlecht hedendaagse activiteiten in het theater, zoals repetities voor een eerbetoon aan Ella Fitzgerald en een rondleiding door de historicus van dienst, met hoogte- en dieptepunten uit de lange historie van het podium. De film krijgt daardoor een anekdotisch karakter. Als er al een duidelijke lijn is te ontdekken, dan zit die in de voortdurende emancipatoire strijd die zwart Amerika heeft moeten voeren en de manier waarop die werd en wordt uitgedrukt in kunst.

Dat levert overigens wel mooie verhalen op, bijvoorbeeld over het notitiesysteem van Frank Schiffman, die decennialang de scepter zwaaide in het Apollo-theater. Op 7 juni 1946 maakte hij bijvoorbeeld een cataloguskaartje aan voor Billie Holiday. ‘Vocalist. Zingt smartlappen’. Vijf jaar later: ‘Gaf een goede show. Zeer behulpzaam in de finale. Zong behoorlijk goed. Geen wangedrag.’ Op 14 augustus 1953 noteerde hij echter: ‘Verschrikkelijk! Ze was ziek, maar leek ook onder invloed van stimulerende middelen. Alleen een wonder kan dit meisje nog redden.’

Ook fraai: de bikkelharde competitie tijdens de zogenaamde ‘amateur nights’. In een, achteraf bezien, dolkomische scène wordt een piepjonge Lauryn Hill tijdens één van deze talentenavonden genadeloos uitgejouwd. Niet erg, lijkt de redenering. Daar wordt ze hard van. Als volgroeid artiest steelt Hill enkele jaren later inderdaad de show in een volgepakte zaal. De ongegeneerde kritiek heeft haar boven zichzelf doen uitstijgen.

Zo worden de mores van dit stukje heilige grond voor zwart Amerika aardig in beeld gebracht, waarbij ook de eerste Afro-Amerikaanse president natuurlijk niet mag ontbreken. In 2012, tijdens zijn herverkiezingscampagne, zong Barack Obama er een stukje van Al Greens Let’s Stay Together. Een grotere erkenning van en voor de zwarte cultuur was nauwelijks denkbaar.

In de parade van Apollo-sterren ontbreekt overigens comedian/presentator Bill Cosby, die diverse keren optrad in het kleine theater. Sinds hij in 2018 werd veroordeeld vanwege zedendelicten, is ‘Amerika’s favoriete zwarte huisvader’ echter geen man meer waarmee je als gemeenschap of podium wil pronken.

Four Horsemen

Leven we in het zesde en laatste stadium waarin elk wereldrijk ooit terechtkomt? Die vraag gooit de documentaire Four Horsemen (98 min.) met de nodige bravoure in de lucht. Elk rijk, in dit geval het vrije Westen, gaat ongeveer 250 jaar mee, zo stelt Sir John Glubb in zijn boek The Fate Of Empires. Zo’n tien generaties. En dan breekt de laatste fase aan, ‘the age of decadence’. Daar zitten we nu middenin. Als iconen van dit geperverteerde stadium voert regisseur Ross Ashcroft in deze pamflettistische film uit 2011 enkele bekende babyboomers op, zoals Bill Clinton, Silvio Berlusconi en een showman/ondernemer die dan nog op geen enkele manier in verband wordt gebracht met het Amerikaanse presidentschap.

De Britse filmmaker bouwt zijn linksige video-essay, gemaakt in de nasleep van de financiële crisis van 2008, vervolgens op rond vier hedendaagse varianten op de Bijbelse ‘ruiters van de apocalyps‘: een roofzuchtig financieel systeem, escalerend georganiseerd geweld, stuitende armoede bij miljarden mensen en het uitputten van de natuurlijke grondstoffen van de aarde. Ashcrofts pleidooi is helder: het vigerende maatschappij-paradigma moet op de helling. De dog-eat-dog samenleving heeft zijn langste tijd nu echt gehad.

Zover is het natuurlijk nog niet. Met een dwingende voice-over en 23 vooraanstaande denkers, waaronder sociaal epidemioloog Richard Wilkinson, de Nobel Prijs-winnende econoom Joseph Stiglitz en filosoof (en vaste gast in dit soort films) Noam Chomsky, legt Ashcroft dus eerst de vinger op de zere plek. Bij een kapitalistische wereld die volgens hem in werkelijkheid neerkomt op ‘socialisme voor de rijken’. De overheid mag overal de brandjes blussen die door de zichzelf verrijkende elite zijn gesticht. Nadat hij die diagnose heeft gesteld, proberen de filmmaker en zijn pratende hoofden vervolgens een remedie te formuleren: samenwerking in plaats van competitie.

Four Horsemen is goed gedocumenteerd, bevat interessante sprekers en spoort echt aan om na te denken over de tijd en wereld waarin we leven. De film is zo nu en dan wel wat prekerig en wordt waarschijnlijk vooral in eigen parochie goed verstaan. Of we inderdaad in de nadagen van Het Moderne Rome leven, valt bovendien waarschijnlijk pas ná de eventuele val van het rijk vast te stellen. Al is het natuurlijk wel héél opmerkelijk dat Ross Ashcroft destijds, een jaar of vijf voordat hij zich verkiesbaar stelde voor een politiek ambt, al een icoon van deze decadente tijd herkende in die ene patserige zakenman met dat voluptueuze kapsel…

Missing Allen

Samen maakten ze zeven films. In 2001 zag de Duitse documentairemaker Christian Bauer zich echter genoodzaakt om een film te maken óver zijn Amerikaanse cameraman Allen Ross. Die was ruim vijf jaar eerder, eind 1995, plotseling van de aardbodem verdwenen.

Enkele jaren daarvoor had de zoeker Allen een mysterieuze nieuwe liefde opgedaan, ene Linda Greene (of Jennifer of Genevieve of…), en was hij van zijn geliefde geboortestad Chicago naar Oklahoma verhuisd. Van daaruit stuurde hij de Duitse regisseur ansichtkaarten met tot nadenken stemmende teksten als: ‘I seized the opportunity to seek answers for questions I had not been able to ask’. Of: ‘The masters will shut you up in a pen with others. Then it will be up to you to find a house to enter.’

Na Allens vertrek uit Chicago hadden ze nog een paar keer samen gedraaid, één keer zelfs met diens echtgenote erbij. Tijdens het filmen van een documentaire over de Mississippi-rivier in New Orleans had deze Linda erg opzichtig voor Allens camera gedanst, waarna haar echtgenoot, ogenschijnlijk gegeneerd, zich snel op andere activiteiten had geconcentreerd. Die gezamenlijke draaidag bleek achteraf de laatste keer dat Christian zijn vriend zou zien. Niet lang daarna was Ross weg. Voorgoed, zo leek het.

In Missing Allen (91 min.) probeert Christian Bauer, ondersteund door Allens tweelingbroer Brad, hoogbejaarde vader Laurids en vriendenkring, klaarheid te brengen in de raadselachtige verdwijningszaak. De film is gestructureerd als een zoektocht naar de waarheid. Naar wat er precies is gebeurd met Allen, maar zeker ook naar zijn enigmatische vrouw Linda, die ooit als verpleegster werkte in een hospice, maar liefst vijfmaal eerder getrouwd blijkt te zijn geweest en een eigen religieuze beweging, The Samaritan Foundation, schijnt te leiden.

In de documentaire schakelt Bauer soepel tussen zijn eigen herinneringen aan de cameraman Allen Ross, die daarmee opnieuw tot leven komt, en nieuwe ontwikkelingen in diens zaak, die hem steeds dieper het schaduwleven van zijn vermiste vriend insturen en tegelijkertijd langs enkele schokkende gebeurtenissen in het Amerika van de jaren negentig leiden. Het is een fascinerende tocht, niet voor niets diverse malen in de prijzen gevallen, die stelselmatig weigert om een hijgerige dertien-in-een-dozijn true crime-docu te worden.

Searching For Allen van NBC’s Dateline daarentegen is een typisch Amerikaanse crimestory. De aalgladde reportage uit 2005 geeft wel extra context bij Missing Allen en belicht bovendien wat er na het afronden van Christian Bauers documentaire nog duidelijk is geworden over het lot van Allen Ross. Te bekijken na de documentaire dus.

American Jail


‘Hier noemde iemand me voor het eerst nikker’, herinnert Roger Ross Williams zich als hij zijn geboortestad Easton in Pennsylvania binnenrijdt. ‘Zijn moeder zei nog: “doe dat niet, anders branden die mensen ons huis plat”.’

Williams, die onlangs voor een Oscar werd genomineerd met het prachtige Life, Animated, onderzoekt in zijn nieuwe film American Jail (95 min.) het Amerikaanse justitiesysteem. Hij start daarvoor in zijn eigen jeugd. Terwijl hij zelf journalistiek ging studeren en zich ontwikkelde tot een gelauwerde documentairemaker, werden enkele van zijn jeugdvrienden vaste klant van de Amerikaanse gevangenisindustrie.

Hij reconstrueert bijvoorbeeld het verhaal van Tommy. Een goeie gast, aldus Williams. Na een onschuldig vergrijp belandde hij echter achter slot en grendel. De ene straf leidde vervolgens tot de andere. Al snel ging Tommy zich ook gedragen als een bajesklant. Door het systeem gereduceerd tot een soort ‘dead man walking’: een zwarte draaideurcrimineel die zijn eigen ondergang tegemoet gaat. Een verpletterde familie achterlatend.

American Jail is niet minder dan een pamflet. Tegen een inhumaan gevangenissysteem, volgens Williams gewoon een moderne variant op slavernij, dat zwarten ontmenselijkt en goedkope arbeidskrachten, slaven dus, van hen maakt. Onderdeel van een industrie, die zich inmiddels binnen en buiten de gevangenismuren heeft vertakt en overal tot wantoestanden leidt. Neem de man die vanwege een elektronische enkelband niet in aanmerking komt voor een baan, maar pas van die enkelband af mag als hij een baan heeft. Je zou van minder hoorndol worden – of gewoon in de cel belanden.

Het systeem moet rehabiliteren in plaats van criminaliseren. Zoals ze dat zo geweldig doen in Nederland, constateert Williams wat ongemakkelijk tijdens een bezoek aan ons land – zeker als je bedenkt dat deze, met fraaie animaties geïllustreerde film deels met een Nederlands team is gemaakt. Dat uitstapje naar ons land voelt een beetje als een fremdkörper in dit verder glasheldere betoog voor een humaner en kleurenblind Amerika.

Over de Amerikaanse war on drugs, gevangenis en opsluiting van een groot deel van de zwarte bevolking maakte Eugene Jarecki in 2012 al de indrukwekkende documentaire The House I Live In, die in zijn geheel op YouTube is te bekijken. Michelle Alexander schreef over dezelfde thema’s het indrukwekkende boek The New Jim Crow: Mass Incarceration In The Age Of Colorblindness.

Elián


Was het een wonder toen Elián Gonzalez tijdens Thanksgiving 1999 als drenkeling uit het water tussen Cuba en de VS werd gevist? Een vijfjarig jongetje uit Cardenas, aan de Noordzijde van het eiland Cuba, dat uiteindelijk Miami bereikte nadat zijn moeder op zee was verdronken.

In de documentaire Elián (108 min.) van Tim Golden en Ross McDonnell, worden zijn redding en de navolgende mediastorm gereconstrueerd. De filmmakers portretteren de tumultueuze ontwikkelingen rond het mediagenieke joch als de culminatie van het conflict tussen de Verenigde Staten en Fidel Castro’s Cuba.

In die zin is de film vergelijkbaar met OJ: Made in America, het vijfluik over OJ Simpson dat eerder dit jaar de Oscar voor beste documentaire in de wacht sleepte. Het ‘kleine’ verhaal van een kleuter, waaraan zowel vanuit Cuba (zijn vader) als Florida (andere familieleden) gigantisch wordt getrokken, is afgezet tegen het grote conflict: Fidels (vermeende) dictatuur versus de ‘vrijheid’ van Amerika.

De belangen van het kind raken al snel volledig ondergesneeuwd als pro- en anti-Castro activisten in de media alle ruimte krijgen om op hoge toon Eliáns terugkeer naar zijn geboorte-eiland of juist zijn gecontinueerde verblijf in het land van de onbegrensde mogelijkheden te bepleiten.

Het steekspel rond het jongetje zou zelfs, zo betoogt deze enerverende film, een doorslaggevende rol hebben gespeeld in de Amerikaanse verkiezingen van 2000, waarbij een paar honderd (Cubaanse) stemmen in Florida de Republikein George W. Bush president maakten. Over wonderen gesproken.