Soldier’s Bones

Zeppers / vanaf donderdag 25 juni in de bioscoop

De Vietnamoorlog die iedereen allang spuugzat was, kon volgens de Amerikaanse generaal Julian Ewell wel degelijk nog gewonnen worden. Hij initieerde eind 1968 in het zuidwesten van Vietnam de omstreden operatie Speedy Express, die hemzelf de bijnaam ‘The Butcher Of The Delta’ opleverde. De militaire campagne van het Amerikaanse leger in de zogeheten Mekongdelta, die tot halverwege 1969 duurde, kostte naar verluidt bijna 11.000 Vietcong-strijders het leven. Toch werden er in totaal nog geen 750 wapens ingenomen.

Waren dit echt vijandelijke strijders? vroeg de 27-jarige Newsweek-journalist Alec Demitri Shimkin zich dus begin jaren zeventig af. Of had de Negende Infanterie Divisie van het Amerikaanse leger Ewells parool ‘kill anything that moves’ letterlijk genomen en gewone Vietnamezen vermoord? Shimkin beet zich vast in de zaak en verdween daarna van de aardbodem. Sinds 1972 werd er niets meer van hem vernomen. In de documentaire Soldier’s Bones (90 min.) neemt de Nederlandse documentairemaker Kasper Verkaik ruim vijftig jaar later het stokje van hem over.

Aan de hand van ingelezen brieven die Alec Shimkin tijdens zijn speurwerk naar het thuisfront stuurde reconstrueert hij diens diepgravende onderzoek. Verkaik weet ook getuigen op te sporen die nader licht werpen op Operation Speedy Express. Met Shimkins zus Eleanor, verloofde Mary Ann, nicht Barbara, beste vriend Bill en enkele collega’s in Vietnam probeert hij bovendien vat te krijgen op de idealistische Amerikaanse journalist, die eerst actief was in de burgerrechtenbeweging en later besloot om de omstreden oorlog in Zuidoost-Azië te gaan verslaan.

Deze kalme en sfeervolle reis door het hedendaagse Vietnam is aangekleed met huiveringwekkende beelden uit dat zwarte verleden en wordt zo meteen een hypnotische tocht naar het ‘heart of darkness’ van de oorlog – en het hart van een jonge man die weigerde om zich neer te leggen bij oorlogsmisdaden en die ervan overtuigd raakte dat hij een belangrijk verhaal op het spoor was gekomen. ‘Death is our business’, stond er volgens Shimkin op één van de Amerikaanse helikopters, die dood en verderf zaaiden in de Mekongdelta. ‘And business is good.’

In de Verenigde Staten zat, na de commotie rond het bloedbad in het dorpje My Lai in 1968, echter niemand te wachten op nóg een voorbeeld dat de oorlog in Vietnam niet deugde. Met Alec Shimkin verdween dus ook het verhaal van Operation Speedy Express in een nooit meer te openen bureaulade, die Kasper Verkaik nu vol overtuiging openrukt.

Strange Journey: The Story Of Rocky Horror

Kaleidoscope Entertainment

Erg fiducie hebben de mensen die Richard O’Brien begin jaren zeventig benadert niet in zijn idee. Een rockmusical, nog één? Zijn Jesus Christ Superstar, Hair en al die slappe aftreksels daarvan nog niet genoeg?

Met zijn eerste composities krijgt Richard regisseur Jim Sharman en muzikaal leider Richard Hartley nochtans direct aan z’n zijde, vertelt hij aan zijn zoon, filmmaker Linus O’Brien, in diens lekkere documentaire Strange Journey: The Story Of Rocky Horror (90 min.). They Came From Denton High kan ‘t helemaal gaan worden, maar moet dan nog wel een nieuwe titel krijgen: The Rocky Horror Picture Show.

De show is een doorslaand succes. Eerst in het theater in Engeland en later, verfilmd, wereldwijd in de bioscoop. Met zichtbaar plezier kijken de castleden Tim Curry, Susan Sarandon, Nell Campbell, Patricia Quinn en Barry Bostwick, direct betrokkenen zoals producer Lou Adler en kostuumontwerper Sue Blane en de bekende fans Jack Black en Trixie Mattel terug op de storm die ‘Rocky’ ontketende.

Daarachter schuilt nog een ander verhaal. De horrormusical werkt voor Richard O’Brien zelf bevrijdend. Geholpen door de populariteit van de androgyne helden David Bowie, Mick Jagger en Lou Reed durft hij ongegeneerd zijn liefde voor travestie te omarmen. Ook voor andere LHBTIQ+-ers werkt The Rocky Horror Picture Show emanciperend. Niet alleen vijftig jaar geleden, maar ook nu nog.

Bij openbare vertoningen van deze ultieme B-film is participatie bijna verplicht. Een geheel in stijl gekleed publiek blijft vooral niet op z’n stoel zitten, roept op vaste momenten iconische kreten naar het scherm en zingt natuurlijk luidkeels mee. Soms verschijnt er zelfs een schaduwcast op het podium, om de feestvreugde verder te verhogen. Want bij deze gelegenheden mag echt iedereen zichzelf zijn.

En dat is in de hedendaagse wereld niet meer zo vanzelfsprekend als ‘t een halve eeuw geleden leek te gaan worden, toen Richard O’Brien uit zijn binnenste een campy musical opdiepte, die allang niet meer van hem alleen is.

The Python Hunt

Artists Equity

Florida is tegenwoordig python-territorium. In het Everglades National Park zijn inmiddels meer Birmese wurgslangen te vinden dan goed is voor de biodiversiteit in het natuurgebied. Naar de reden daarvoor blijft het gissen: zijn de reptielen, die oorspronkelijk alleen in Zuidoost-Azië voorkwamen, na de orkaan Andrew ontsnapt bij een importeur van exotische dieren? Of hebben eigenaren hen gedumpt toen ze te groot werden? Feit is dat de pythons zich razendsnel hebben voortgeplant en dat ze ook een serieus gevaar kunnen opleveren voor mensen.

En Amerika zou Amerika niet zijn als deze uitdaging niet vooral wordt beschouwd als de ideale gelegenheid voor een wedstrijd. De plaatselijke overheid organiseert dus jaarlijks een challenge: wie kan er in tien dagen de meeste pythons vangen? Dat idee vormt meteen het startschot voor de documentaire The Python Hunt (92 min.) van Xander Robin, waarbij Lance Oppenheim als producer betrokken is. Dat is ook duidelijk herkenbaar: deze koortsdroom van een film doet qua personages, opbouw en sfeer onmiskenbaar denken aan Oppenheims producties Spermworld en Ren Faire.

Het is een donker land dat Robin toont. Letterlijk: een belangrijk deel van zijn film speelt zich af in het duister als jagers dagenlang, ogenschijnlijk doelloos, rondrijden door Florida’s moerasgebied, spiedend naar hun prooi in het struikgewas en gadegeslagen door de onvermijdelijke camera, ook van henzelf. Totdat er ineens ruw wordt geremd, iemand opgewonden ‘Python!’ roept en de jacht daadwerkelijk kan beginnen. En figuurlijk: de jacht op ‘the animal you love to hate’ haalt niet alleen het beste in de mensch boven. Sommige avonturiers willen vooral eens een wild dier doden.

Anne Stratton Hilts, een 82-jarige weduwe uit Tucson, vindt de jacht zelf bijvoorbeeld saai. Zij wil vooral een mes in de kop steken van zo’n beest, dat volgens haar de plaatselijke flora en fauna verziekt. Anne gaat in een motel zitten wachten, totdat gids Toby Benoit, een gemoedelijke ‘southerner’ die zich heeft opgeworpen als chroniqueur van deze wereld, haar de beloofde python levert. Docent Richard Perenyi is intussen alweer voor het derde jaar overgekomen uit Californië om deel te nemen aan de Python Challenge. Hij wil, zegt ie zelf, spijt hebben van wat hij wél heeft gedaan in zijn leven.

De jacht op de wurgslangen, een enerverend schouwspel, is ook niet slecht voor het lokale toerisme. Een bareigenaar organiseert zelfs een Python Festival en looft duizend dollar prijzengeld uit voor het langste exemplaar. Jimbo McCartney ziet de komst van al die buitenstaanders – er zijn zelfs hobbyjagers uit België – met lede ogen aan. Om hen te ontmoedigen legt hij enorme nepslangen in de struiken. Met zijn negentienjarige dochter Shannon probeert Jimbo intussen zelf ook pythons te vangen. De jacht is nu eenmaal – dat weten ze niet alleen in ‘America’s arsehole’, Florida – véél mooier dan de vangst.

Het is ondertussen wel de vraag of die pythonpopulatie het werkelijk probleem is. Wordt Florida’s biodiversiteit niet veel meer bedreigd door vervuiling en het gebruik van pesticiden? Zulke vragen komen in de kantlijn aan de orde in deze broeierige film, vol kleurrijke personages en spannende scènes en afgetopt met een zinnenprikkelende soundtrack, die ook als alle pythons (niet) zijn gedood of gevangen nog wel een tijdje nazindert.

Law And Order

Zipporah Films

Het idee is sindsdien nog eindeloos uitgemolken, totdat het z’n oorspronkelijke kracht allang is kwijtgeraakt. Als de Amerikaanse documentairemaker Frederick Wiseman (1930-2026), die net de direct cinema-klassiekers Titicut Follies (1967) en High School (1968) heeft afgeleverd, in het najaar van 1968 voor het eerst instapt bij een dienstauto van de Kansas City Police Department, moet dat echter een opwindend uitgangspunt zijn geweest. Hoeveel machtsmisbruik zal hij, onderweg en op het bureau, met zijn observerende camera kunnen registreren?

Na vierhonderd uur in het gezelschap van veelal witte agenten moet Wiseman zijn mening toch enigszins bijstellen. Behalve klassieke ‘bad cops’, die nét iets te hardhandig verdachten in de boeien slaan en continu (zwarte) mensen afbekken op straat, ontmoet hij onderweg ook plaatselijke varianten op Oom Agent, die de helpende hand bieden na een ongeluk, bemiddelen tussen een taxichauffeur en zijn passagier over de precieze ritprijs of een zoekgeraakt klein meisje meenemen naar het bureau en haar daar snoep geven, in afwachting van de ouders.

Toch is de scène van Law And Order (80 min.) die uiteindelijk het meeste indruk maakt wel degelijk een klassiek voorbeeld van politiegeweld. Nadat een agent in burger een deur heeft ingestampt, trekt hij een Afro-Amerikaanse vrouw uit haar bed en neemt haar in een verstikkende wurggreep. En hoeveel ze ook hoest of naar adem hapt, hij wil maar niet loslaten. Het unheimische tafereel lijkt verdacht veel op de fatale arrestatie van Eric ‘I can’t breathe’ Garner, die een kleine halve eeuw later tot grootschalige Black Lives Matter-demonstraties zal leiden.

Met deze typische fly on the wall-film kijkt Wiseman op microniveau naar hoe staatsmacht in de praktijk werkt, waarbij gewone burgers worden geconfronteerd met mannen in blauw. Hij schetst zo meteen een beeld van zijn land dat, getuige de manier waarop de huidige president Donald Trump de federale politiedienst ICE inzet, nog altijd zeer actueel is. En als tegen het einde van de documentaire één van Trumps voorgangers, de typische Law & Order-politicus Richard Nixon, nog even mag speechen, gebruikt die zowaar de woorden ‘make America right again’.

Met een variant op die belofte zal een kleine halve eeuw later Trump zelf tot president worden gekozen, een man die deze staatsmacht zonder scrupules aanwendt voor zijn eigen persoonlijke agenda. Bij de aanblik van hoe ICE begin 2026 huishoudt in de straten van Amerika, moet Frederick Wiseman in zijn allerlaatste levensdagen toch heel even de aanvechting hebben gevoeld om opnieuw met draaiende camera aan te sluiten, om te (laten) zien wat er van zijn land is geworden.

Becoming Katharine Graham

Prime Video

Als Katharine Graham (1917-2001) nog de lakens had uitgedeeld bij The Washington Post, dan was het ondenkbaar geweest dat de Amerikaanse krant zo z’n oren had laten hangen naar de regering van Donald Trump als de huidige eigenaar Jeff Bezos in de afgelopen tijd heeft gedaan.

Toch wees in eerste instantie niets erop dat ‘Kay’ de toonaangevende krantenuitgeefster van haar tijd zou worden. Ze was weliswaar de dochter van eigenaar Eugene Meyer, die de krant in 1933 op een publieke veiling had gekocht voor de luttele som van 825.000 dollar, en werkte in haar jonge jaren ook daadwerkelijk op de redactie, maar papa vertrouwde de leiding van de krant toch liever toe aan zijn schoonzoon, Katherine’s echtgenoot Phil. Pas toen die in 1963 een einde aan zijn leven maakte, als gevolg van een veronachtzaamde bipolaire stoornis, kwam zij als vrouw in aanmerking voor de toppositie bij The Post.

Één foto – Becoming Katharine Graham (92 min.) is nog geen twintig minuten onderweg – verraadt de situatie waarin zij toen als werkende moeder terecht kwam: aan de bestuurstafel zitten 22 witte mannen in pak en welgeteld één vrouw, in een blauw jurkje. Van ‘doormat wife’ was Graham volgens eigen zeggen ineens een ‘working woman’ geworden. Een feministe avant la lettre, dat ook. Dit liet overigens onverlet dat ook zij, als werkgever bij een bedrijf waar vrouwen nog altijd vooral ondergeschikte functies bekleedden, een doelwit werd van de vrouwenbeweging. En daarvoor was de voormalige huismoeder zeker niet ongevoelig.

Toen Graham eind jaren zestig eenmaal in haar rol was gegroeid, toont deze gedegen biografie van George en Teddy Kunhardt, was ze ook klaar voor de grote uitdaging die op The Washington Post wachtte: Watergate. Samen met hoofdredacteur Ben Bradlee gaf zij de sterverslaggevers Bob Woodward en Carl Bernstein, die allebei ook participeren in deze film, rugdekking bij een stroom journalistieke onthullingen die de zittende president Richard Nixon steeds verder in het nauw brachten en in 1974 leidden tot zijn aftreden. ‘Tricky Dick’ had haar toen, getuige de geruchtmakende Nixon-tapes, allang tot staatsvijand verklaard.

Die geluidsopnames vormen, samen met archiefinterviews met Graham, passages uit haar Pulitzer Prize-winnende memoires Personal History en de herinneringen van haar kinderen Don en Lally, Post-medewerkers en intimi zoals Gloria Steinem en Warren Buffett, het geraamte van dit postume portret. Ruim een halve eeuw na dato zijn de tapes nog altijd schokkend. ‘She’s gonna get her tit caught in a big fat wringer’, liet Nixons campagnemanager bijvoorbeeld optekenen over de vrouw die later tot haar onvrede – was ze nu weer gepasseerd door kerels? – bleek te zijn weggesneden uit de Oscar-winnende film over Watergate, All The President’s Men (1976).

Zo kan ‘t er dus aan toe gaan als er in Het Witte Huis geen enkele morele code meer geldt. En zo dapper was Katharine Graham destijds, een leider met een héél rechte rug.

Tussen Broers

Een Van De Jongens / KRO-NCRV / vanaf donderdag 9 april in de bioscoop

Tien jaar na A Family Affair (2016) vervolgt Tom Fassaert het ontrafelen van zijn eigen familiegeschiedenis met Tussen Broers (105 min.). Deze persoonlijke film begint waar de vorige eindigde: bij het overlijden van zijn 97-jarige grootmoeder Marianne (1917-2015), een voormalige mannequin die een spoor van vernieling door die familie heeft getrokken en die ‘t vanuit haar laatste woonplaats in Zuid-Afrika ook haar kleinzoon erg lastig maakte met tamelijk bizar flirt- en claimgedrag.

‘De film is voorbij’, constateert Fassaerts vader, de psycholoog Rob Fassaert, bij de start van deze nieuwe documentaire. ‘Mijn moeders leven is voorbij. We gaan weer over tot de orde van de dag.’ Dat blijkt echter een voorbarige conclusie. In dat verleden liggen nog tal van prangende vragen verscholen, die om een antwoord vragen – of op z’n minst naar het zoeken daarnaar. Want wat is er geworden van de vader van Rob en diens oudere broer René, de oom van de filmmaker, die al heel lang buiten beeld is?

Eerst concentreert Tom Fassaert zich echter op hoe zijn vader zich bekommert om zijn broer. René is volgens Rob ‘de verpersoonlijking van wat er in hun jeugd is misgegaan’. Hij zat vroeger in een besloten inrichting, maar heeft tegenwoordig een eigen woning. Die is alleen helemaal dichtgegroeid met spullen. Rob probeert hem te helpen om zijn huis op orde te krijgen. Zijn zoon observeert dat proces en kadert dit in met een intieme voice-over, waarin hij ook hun familiegeschiedenis reconstrueert.

Fassaert kan daarbij terugvallen op het beeldmateriaal dat zijn vader gedurende al die jaren maakte. Want dat filmen heeft hij niet van een vreemde. Rob heeft geen enkel detail van z’n eigen ‘doorsneegezin’ ongefilmd gelaten. Die beelden tonen volgens zijn zoon hun gezinsleven, ‘maar misschien vooral zijn onzichtbare verlangen naar iets wat hij zelf nooit gekend heeft’. Ieder op hun eigen manier, toont Tom Fassaert, houden de twee broers vast aan een verleden, dat hen voor het leven heeft getekend.

Deze intrigerende documentaire waadt zo door een ander deel van een woelige familiehistorie. Misschien niet op zo’n verrassende manier als in A Family Affair, maar net zo indringend en toch behoedzaam en subtiel. Een héél particulier en daardoor universeel en invoelbaar verhaal. En de film eindigt min of meer waar ie begon: bij wat er is geworden van die ene (groot)ouder, Richard Fassaert in dit geval, en wat die heeft achtergelaten. Is het mogelijk om de geschiedenis niet te herhalen? vraagt zijn kleinzoon Tom zich af.

Lettre D’Amour À Léopold L. Foulem

Ça Tourne Productions

Hij rommelt wat aan in en rond zijn zomerhuis in Caraquet, ontvangt er nieuwe en oude vrienden en probeert vooral in leven te blijven. De befaamde Canadese keramist Léopold Foulem slikt inmiddels zo’n vijftien pillen per dag, om de diabetes in toom te houden en z’n hartproblemen te bezweren. Zijn echtgenoot Richard en zus Marie-Paule fungeren daarbij als zijn linker- en rechterhand. Richard bedient de oven en maakt de foto’s van Léopolds werk. Marie-Paule, opgeleid als verpleegster, verzorgt haar broer en ondersteunt hem in de huishouding.

En nu heeft een dorpsgenoot, Renée Blanchar, het plan opgevat om een portret te maken van de vermaarde kunstenaar. Ze kwam vroeger als klein meisje al in Léopolds cadeaushop Le Royaume Du Cadeau. Voor haar was de winkel, vertelt ze geëmotioneerd aan hem, een eerste venster op wat de wereld verder nog te bieden had. ‘Het was alsof ik Ali Baba’s grot binnenging. Ik zag dingen die ik nog nooit eerder had gezien.’ En achter de toonbank stond een flamboyante jonge man zoals ze die nog niet eerder had gezien. Door hem, weet ze nu, is ze zelf later filmmaker geworden.

Haar film heeft dan allang het karakter aangenomen van een Lettre D’Amour À Léopold L. Foulem (52 min.). Geen gewone keramist overigens, maar een conceptuele keramist. Hij maakt geen decoraties, maar interpretaties van decoraties. ‘Het lijkt misschien een object’, vertelt Foulem aan galeriehouder John Leroux, die bij hem op bezoek komt. ‘Maar is in feite een abstractie ervan. Het object heeft z’n functie verloren.’ Dit misverstand wordt ook in de hand gewerkt door het materiaal waarmee Foulem werkt, keramiek. Daardoor lijkt het al snel alsof hij simpelweg gebruiksvoorwerpen maakt.

Iemand die beter kijkt, zoals Blanchar met haar camera, ziet echter de ideeënrijkdom, de grotere verhalen en de kleine details over pak ‘m beet religie, macht en seksualiteit. Beelden waarmee hij niet alleen haar raakt. ‘Lieve Léopold’, besluit zij dit kleine en huiselijke portret, als de keramist voor de rest van het jaar naar zijn andere huis in Montréal vertrekt, met een persoonlijke voice-over. ‘Je hebt mijn verbeelding verrijkt. Je voedde mijn eerste intuïtie over het bestaan van een wereld waarin je jezelf kunt uitvinden en kunt creëren op je eigen manier.’

Jodorowsky’s Dune

Sony Pictures Classics

Aan grote ideeën bepaald geen gebrek. De Chileens-Franse filmmaker, striptekenaar en acteur Alejandro Jodorowsky wil halverwege de jaren zeventig een film maken met een hallucinerend effect, vertelt hij een kleine dertig jaar later begeesterd. Hij wil een profeet creëren die alle jonge mensen in de wereld kan veranderen. Iets heiligs, iets vrijs. Waarmee de geest kan worden geopend. ‘Voor mij’, benadrukt Jodorowsky nog maar eens, ‘wordt Dune niets minder dan de komst van een God. Een artistieke, cinematografische God!’

Tot zover de theorie, de praktijk blijkt weer eens verdomd weerbarstig. Na het succes van de cultfilms El Topo (1970) en The Holy Mountain (1973) ligt de wereld aan Jodorowsky’s voeten. De (over)ambitieuze regisseur voelt nochtans de drang om zich te bevrijden uit zijn ‘eigen gevangenis’. Hij stapt echter regelrecht de kerker van de Amerikaanse filmindustrie in. ‘En toen begon ik het gevecht om Dune te maken’, trapt hij de documentaire Jodorowsky’s Dune (88 min.) van Frank Pavich uit 2013 definitief af. En een gevecht zal het worden om de befaamde sciencefictionroman van Frank Herbert te verfilmen!

In eerste instantie verloopt alles crescendo. Voor het storyboard vraagt Jodorowsky de befaamde Franse striptekenaar Jean Giraud (Blueberry), alias kunstenaar Moebius. Hij gaat in zee met de special effects-expert Dan O’Bannon en weet zelfs de Britse superband Pink Floyd te verleiden om de soundtrack te maken. En nadat de regisseur de Amerikaanse acteur David Carradine (Kung Fu) heeft gestrikt voor een belangrijke rol, volgen er nog enkele andere héle grote namen, zoals de befaamde Spaanse kunstenaar Salvador Dali, met zijn muze Amanda Lear. Mick Jagger. En, jawel, Orson Welles.

Totdat de machine plotsklaps tot stilstand komt. De filmstudio’s in Hollywood zijn eensgezind: het plan is super, maar ze hebben hun twijfels over de regisseur. ‘Dit systeem maakt slaven van ons’, reageert die venijnig. ‘Zonder waardigheid, zonder diepte. Met een duivel in onze zak.’ Waarna Alejandro Jodorowsky theatraal een stapeltje geldbiljetten tevoorschijn haalt. Einde verhaal! Regisseur Nicolas Winding Refn is de enige die de film ooit heeft gezien. In zijn hoofd, op bezoek bij Jodorowsky. Die liet hem z’n eigen Dune-boek zien en schetste daarbij de film. ‘En ik kan je vertellen: hij is geweldig!’

Sterker: Dune is waarschijnlijk de beste film die nooit is gemaakt. Dat wordt tenminste gezegd door Richard Stanley. Hij stond zelf ook aan het roer bij een gedoemde film, die uiteindelijk overigens wél is gemaakt: The Island Of Dr. Moreau (1996). En aan het rampzalige productieproces daarvan is ook weer een docu gewijd: Lost Soul: The Damned Journey Of Richard Stanley’s Island Of Dr. Moreau (2014). Vergeleken daarmee heeft Jodorowsky’s Dune echter een heel andere toon. Deze documentaire is vooral een ode aan wat had kunnen zijn – en aan een maker die z’n tijd nét iets te ver vooruit was.

Een groot kunstwerk dat altijd in het hoofd van de maker is blijven steken – en waarvan de ideeën, zo toont Pavich feilloos aan in de apotheose van deze terugblik, hun weg hebben gevonden naar andere Hollywood-hits. Dune wordt zelf overigens ook nog verfilmd. Door niemand minder dan David Lynch. ‘Het is een totale mislukking!’ constateert Jodorowsky met onverholen ‘schadenfreude’. Zeker niet de sciencefiction-klassieker die hij voor ogen had. Die wordt in 1977 wél gemaakt door George Lucas. En ook in Star Wars zijn onmiskenbaar ideeën van Jodorowsky te herkennen. Op Dune is ‘t dan nog wachten tot 2021, als het eerste deel van Denis Villeneuves epos verschijnt.

Fase 8: Femicide

Posh Productions / BNNVARA

Met terugwerkende kracht zijn de voorgaande zeven fasen vaak duidelijk te herkennen. Een gewelddadig relatieverleden, fase 1. Twee: love bombing. En de derde: dwingende controle. Gaandeweg ontspoort de situatie steeds verder. Al snel zijn de incidenten niet meer op de vingers van één hand te tellen. De laatste fase, nummer acht, kondigt zich dan al min of meer aan: dodelijk geweld.

Aan de hand van vierhonderd gevallen van partnerdoding constateerde de Britse crimonoloog Jane Monckton-Smith dat femicide zich doorgaans in acht opeenvolgende fasen voltrekt. De Nederlandse slachtofferadvocaat Ine Avontuur neemt ze in de tweede aflevering van de vierdelige serie Fase 8: Femicide (170 min.) van Henk van der Aa en Jessica Villerius stapsgewijs door. Enkele geanonimiseerde vrouwen voegen daar hun eigen ervaringen aan toe, met een ex die wellicht in staat is tot vrouwenmoord.

Sinds 2014 worden er elk jaar ruim veertig vrouwen vermoord in Nederland, stelt Marieke Liem, hoogleraar Veiligheid en Interventies aan de Universiteit Leiden. Zij houdt al ruim tien jaar een femicide monitor bij. Ongeveer zestig procent van de slachtoffers, om en nabij de 25 vrouwen dus, wordt vermoord door hun huidige of ex-partner. Dat cijfer is niet onomstreden: soms lijkt het misschien alsof een vrouw zelf een einde aan haar leven heeft gemaakt, maar zijn er ook aanwijzingen dat er iets anders is gebeurd.

Layla, de zus van Laura van Zaal, is er bijvoorbeeld van overtuigd dat Laura begin 2024 is vermoord. De advocaat van de verdachte, haar ex-partner, brengt daar tijdens de rechtszaak tegenin dat dit ‘bevestigingsdenken’ is: zodra de term ‘femicide’ valt, kleurt die alle bevindingen rond een sterfgeval. Tegelijk is er die andere pijnlijke constatering: aan gevallen van femicide gaan volgens hoogleraar Marieke Liem doorgaans 33 tot 35 meldingen van huiselijk geweld vooraf. En toch is fase 8 onafwendbaar gebleken.

Voor Claudia is het bijvoorbeeld niet de vraag óf het ooit misgaat, zegt ze, maar wánneer haar ex toeslaat. Zij begint haar verhaal anoniem, maar besluit daarna om dit toch herkenbaar te doen. Wat heeft ze te verliezen? Behalve met slachtoffers en nabestaanden spreken Van der Aa en Villerius ook met rechtbankverslaggever Saskia Belleman, advocaat Richard Korver, forensisch psycholoog Madeleine Rijckmans, speciaal officier ‘femicide’ Berte van Heemst en Alfred Folkeringa, coördinator Zorg & Veiligheid bij de politie.

Ze laten ook enkele onherkenbaar gemaakte daders aan het woord. ‘Kijk, een man die z’n vrouw vermoordt, hij doet dat niet voor niks, hoor’, stelt Hannes, die is veroordeeld voor huiselijk geweld, bijvoorbeeld bijna vergoelijkend. ‘Daar zit echt iets achter.’ ‘Ruben’ zit al jaren in een TBS-kliniek. Hij heeft geen ex vermoord, maar een vrouw waarop hij zijn zinnen had gezet. ‘Dat wil ik hebben’, dacht hij toen ie haar zag. Zij wilde alleen geen relatie met hem. Terugdenkend aan zijn daad zegt Ruben letterlijk wat je met daders van vrouwenmoord associeert: als ik je niet mag hebben, dan mag niemand je hebben.

In de veelheid aan slachtofferverhalen en medewerking van enkele mannen zit ook de meerwaarde van deze interviewdocuserie, die is aangekleed met donkere shots en stemmige muziek. Femicide wordt zo in al z’n facetten behandeld, als het eindstation van een inktzwarte dynamiek. Het verhaal daarna, van hoe het leven verder gaat als je dochter, zus of moeder is vermoord, komt ook nog even aan de orde. Dit thema werd onlangs overigens ook behandeld in de indringende documentaire Blauwdruk, waarin vier vrouwen vertellen over de impact van de moord op hun moeder op hun eigen levens.

Uit deze en andere producties over dit veelbesproken onderwerp blijkt steeds weer: er is geen profielschets voor dé dader. Aan iemands uiterlijk, achtergrond of cultuur valt niet af te lezen of hij wellicht in staat is om datgene te doen wat iedereen vreest en verafschuwt. Zijn gedrag, vervat in die acht tragische fasen, zou wel voorspellende waarde kunnen hebben.

Breakdown: 1975

Netflix

Ooit wisten Amerikanen het min of meer zeker: aan het eind winnen ‘the good guys’. In 1975 is dat echter bepaald niet meer zo vanzelfsprekend. Enkele politieke moorden, Watergate en de Vietnamoorlog hebben geknaagd aan het zelfvertrouwen van de trotse natie, die het jaar erop precies twee eeuwen zal bestaan. En dat gevoel wordt weerspiegeld in Hollywood. ‘1975 was het beste jaar om mensen een film met een slechte afloop te geven’, stelt acteur/komiek Patton Oswalt in het aantrekkelijke essay Breakdown: 1975 (91 min.) van Morgan Neville. ‘Ze gingen er massaal naartoe.’

Naar de rampenfilms The Towering Inferno en The Poseidon Adventure. ‘Revenge-o-matics’ zoals het omstreden Charles Bronson-verhikel Death Wish. De Blaxploitation-hits Shaft, Super Fly en Sweet Sweetback’s Baadasssss Song. Paranoiathrillers zoals The Conversation, Three Days Of The Condor en The Parallax View. En, natuurlijk, de hits van ‘New Hollywood’, toen de gekken zogezegd even het gesticht mochten runnen en zwartgeblakerde klassiekers afleverden zoals One Flew Over The Cuckoo’s Nest, Taxi Driver, Chinatown, All The President’s Men, Dog Day Afternoon en Network.

Aan de hand van de meest uitgesproken films van halverwege de jaren zeventig, slim met elkaar versneden en toegelicht door een combinatie van direct betrokkenen, beschouwers en liefhebbers zoals Martin Scorsese, Ellen Burstyn, Oliver Stone, Peter Biskind, Seth Rogen en Bill Gates doet Neville, via zijn verteller Jodie Foster, het verhaal van een samenleving die zogezegd in een ‘post-alles en pre-niets’-tijdperk verzeild was geraakt. Amerika bleek hard toe aan introspectie. Of, in de woorden van die tijd: de Verenigde Staten moesten gaan werken aan zichzelf. Tijd dus voor ‘De Mij-generatie’.

Breakdown: 1975 openbaart zich intussen als een film van grote ideeën, meeslepende verhalen en soms ook behoorlijk korte bochten. Gesitueerd in het jaar, waarin via een televisiepersonage zoals Archie Bunker (All In The Family), de Oscar-winnende documentaire Harlan County USA en de entree van de rozige tv-series Happy Days en Little House On The Prairie tevens de toekomst van Amerika zichtbaar begon te worden. In de vorm van pak ‘m beet cultuuroorlogen, een gedesillusioneerde arbeidersklasse en opperste nostalgie, het verlangen naar een land dat in werkelijkheid nooit had bestaan.

Het einde van dit kanteljaar in de Amerikaanse (film)historie werd natuurlijk ingeluid door – taada, tada, tada, tada, tada, taada! – Steven Spielbergs Jaws, de eerste van een lange rij blockbusters. Toen de beoogde recette in Hollywood definitief de overhand leek te krijgen op artistieke zeggingskracht. Tegelijk trok de Disney-versie van Amerika de zege naar zich toe. Ook de ‘goeien’ gingen dus weer winnen….

The Secrets We Bury

HBO Max

Vader George ging begin jaren zestig een spreekwoordelijk pakje sigaretten halen en kwam dus nooit meer terug. Moeder Dorothy verving hem al snel met een man uit de buurt, ene Richard Darress. Geen leuke vent, volgens haar kinderen. Ruim een halve eeuw later vragen Mike Carroll, zijn oudere broer Steve en hun zus Jean zich nog altijd af wat er toch is geworden van hun vader, de Korea-veteraan George Carroll. ‘Geen goeie kerel’, aldus hun moeder, de alom geliefde ‘Dotty’. Zij liet echter niet los of ze misschien toch meer wist over wat er met hem was gebeurd.

Jongste zoon Mike oogt tegenwoordig als een klassieke, nét iets te zware ‘all American guy’. Hij is altijd in het ouderlijk huis in Long Island blijven wonen, heeft daarvan een klassieke hoardersplek gemaakt en wordt nog steeds geplaagd door The Secrets We Bury (89 min.). Het zal uiteindelijk duren tot 31 oktober 2018 voordat er klaarheid komt in de zaak van hun vermiste vader. En ook dan staan er, zoals dat gaat in true crime-producties, nog heel wat vragen open. Over sommige antwoorden valt, zoveel jaar na dato, ook alleen te speculeren. Wie waarvan wist, bijvoorbeeld. En waar te graven.

Regisseur Patricia E. Gillespie loopt al deze kwesties gestructureerd af in deze gedegen docu, inclusief de rol van een helderziende in het ontdekken van wat er is gebeurd. Ze speelt ondertussen gedurig met spanning en verrassing, zet de ontwikkelingen in de zaak geroutineerd naar haar hand en ‘leukt’ de boel dan nog op met een spannend of stemmig muziekje. Gaandeweg wordt duidelijk dat het antwoord op alle vragen dicht bij huis is te vinden. Dan is ook al helder hoeveel schade het jeugdtrauma van de Carrolls, en de geheimen die daar nog achter vandaan komen, heeft veroorzaakt in hun levens.

Richard Pryor: Omit The Logic

Showtime

De enige die niet aan de kant voor hem ging toen hij brandend naar buiten kwam gerend, vertelt Richard Pryor in zijn onemanshow, was een ouwe dronkelap. ‘Die vroeg om een vuurtje.’ Zo geeft hij de verplichte komische draai aan de dag, maandag 9 juni 1980, waarop ‘t ook voor de buitenwereld glashelder wordt dat het helemaal mis is met de Afro-Amerikaanse stand-upcomedian. Tijdens het freebasen van cocaïne heeft Pryor zichzelf – al dan niet bewust – in brand gestoken. Bij dit crack-incident, waarbij een kleine veertig procent van zijn lichaam verbrand raakt, zal ‘t altijd de vraag blijven of het misschien toch een desolate zelfmoordpoging was.

Richard Pryor (1940-2005), de man die de weg bereidde voor zwarte entertainers zoals Eddie Murphy, Will Smith en Kevin Hart, stamt uit een familie van hoeren en pooiers in Peoria, Illinois. Die achtergrond op de grens van de boven- en onderwereld zou de rest van zijn onstuimige bestaan zichtbaar blijven. Zijn voormalige manager Sandy Gallin zag in de jaren zestig een ruwe diamant in hem. Als ik hem zover krijg dat hij twee zinnen zonder schuttingtaal erin achter elkaar kan zetten, dacht Gallin toen, wordt hij een grote ster. Pryor moest, kortom, een beetje meer Bill Cosby worden. Die gold toen nog, pré-#metoo, als een acceptabele zwarte ster.

Richard Pryor wilde echter niet alleen de populairste zwarte entertainer zijn, vertelt regisseur Paul Schrader in Richard Pryor: Omit The Logic (83 min.), maar ook de zwartste. Dat bracht hem in talloze Hollywood-hits én frontaal in botsing met televisieproducenten. Hij verzette tegelijk baanbrekend werk. ‘Als comedy is te vergelijken met een vrouw waarop ik verliefd ben, dan heeft Richard Pryor haar al in alle lichaamsopeningen genomen’, stelt Dave Chapelle, op z’n geheel eigen wijze, in deze krachtige documentaire van Marina Zenovich uit 2013. ‘Is er ook nog maar één plekje te vinden waar hij zijn pik niet in heeft gestoken?’

Daarover gesproken: Pryor hield er getuige dit portret ook een onstuimig relatieleven op na. Hij was negen keer getrouwd. Ongeveer. Waarbij moet worden aangetekend dat Jennifer Lee zowel vrouw 4 als 7 was. En Flynn Belaine nummertje 5 en 6. Pryor wilde per se getrouwd zijn, vertelt zijn ex-vriendin Patricia von Heitman, maar als hij eenmaal getrouwd was, was de magie weg. ‘Want dan had hij gewonnen.’ Zolang hij je wilde, had jij de macht in handen, vertelt een andere ex, Kathy McKee. ‘Die was direct weg als hij je had. Dan ging hij meteen achter een ander aan. Dat was zijn spel. En dan stelde hij alles in het werk om jou het huis uit te krijgen.’

Intussen werkte hij zich, vooral door overmatig drugsgebruik, steeds verder in de nesten. Totdat er geen redden meer aan was. ‘Soms is het beste wat je hebt niet goed genoeg’, zegt Pryors laatste manager Skip Brittenham, die afstand nam toen hij zag dat Pryor opnieuw het donkerste hoekje van zijn verslaving opzocht, geëmotioneerd in dit postume portret van een zelfverklaarde ‘ni**er’, die volstrekt grenzeloos leek te leven. ‘En dan kun je iemand niet meer redden van zichzelf.’

Cover-Up

Netflix

‘This son of a bitch is a son of a bitch’, zegt de Amerikaanse president Richard Nixon begin jaren zeventig, op geheime geluidsopnames, tegen zijn nationale veiligheidsadviseur Henry Kissinger. ‘But he’s usually right, isn’t he?’ Ze hebben ‘t over onderzoeksjournalist Seymour Hersh, die zich dan namens The New York Times in het Watergate-onderzoek heeft gemengd. De Amerikaanse krant loopt op dat moment gigantisch achter de feiten van The Washington Post aan, waar Bob Woodward en Carl Bernstein al de ene na de andere primeur hebben gehad. Zij zijn een complot op het spoor, dat Nixon in 1974 ten val zal brengen. Hersh kan daaraan uiteindelijk ook nog bijdragen met enkele onthullingen.

Hersh geldt dan al als een enorme lastpak, de spreekwoordelijke luis in de pels. Met onthullingen over een bloedbad dat Amerikaanse soldaten in 1968 hebben aangericht in het Vietnamese dorpje My Lai brengt hij de militaire top en regering ernstig in verlegenheid. Zoals hij 35 jaar later opnieuw zal doen met berichtgeving over marteling door Amerikaanse militairen in de Iraakse gevangenis Abu Ghraib in 2004. Op dat moment is ‘Sy’ overigens al weg bij The Times. Als hij besluit om het Amerikaanse bedrijfsleven onder de loep te nemen en daarbij ook onwelgevallig nieuws over hooggeplaatsten binnen de krant tegenkomt, heeft hij volgens eigen zeggen z’n langste tijd bij The New York Times gehad.

Want Seymour M. Hersh is ook een ‘character’. Dwars, zéér vasthoudend en met een bijtend gevoel voor humor. Ideaal documentairemateriaal, kortom. Regisseur Laura Poitras (Citizenfour en All The Beauty And The Bloodshed) had hem na het Abu Ghraib-schandaal al op de korrel voor een film. Het zou haar echter nog twintig jaar, veel overredingskracht en de hulp van coregisseur Mark Obenhaus, die eerder enkele onderzoeksfilms met Hersh heeft gemaakt, kosten om de hardkop zelf van het nut en de noodzaak daarvan te overtuigen. En dan moet de tegellichter uit Chicago ook nog zijn aantekeningen, stapels papier op een rommelig kantoortje, met hen delen. Terwijl bronbescherming zo’n beetje z’n hoogste goed is.

In Cover-Up (118 min.) belichten Poitras en Obenhaus via Seymour Hersh de hoogtijdagen van de Amerikaanse journalistiek. Ze hebben hun documentaire een onmiskenbare seventies-feel meegegeven, die herinneringen oproept aan filmklassiekers zoals The Parallax view, Three Days Of The Condor en – natuurlijk – de ultieme journalistenfilm All The President’s Men. Één van de hoofdrolspelers daarvan, Bob Woodward, doet overigens ook nog een bescheiden duit in het zakje voor deze film over zijn al even vermaarde concullega Hersh, die onderweg nog héél even aan een zijden draadje hangt als Sy, omdat ie nu eenmaal Sy is, voor een draaiende camera zijn medewerking aan de documentaire opzegt.

Het spreekt voor de makers ervan dat ze daarin ook Hersh’s grootste canard belichten – een intieme briefwisseling tussen president John F. Kennedy en het sekssymbool Marilyn Monroe, die gefingeerd blijkt te zijn – al hadden ze in feite geen keuze. Met prutsers die zulk nieuws over het hoofd zouden zien en dus van ‘speaking truth to power’ geen kaas hebben gegeten, zou Seymour M. Hersh ongetwijfeld niets van doen willen hebben.

Being Eddie

Netflix

Zijn generatiegenoten Michael Jackson, Prince en Whitney Houston hadden volgens hem allemaal ‘een zelfdestructief karakter’. ‘Mijn grootste zegen, de allergrootste, is niet m’n komische talent’, zegt Eddie Murphy precies halverwege de typisch Amerikaanse documentaire Being Eddie (103 min.), als hij plaats heeft genomen op een fauteuil in één van de kamers van zijn kolossale huis. ‘M’n grootste zegen is dat ik van mezelf hou en al heel vroeg wist wat ik wilde doen. En daarom ben ik niet in bepaalde vallen gelopen. Omdat ik in de basis van mezelf hou.’

Murphy houdt tegelijkertijd staande dat hij nooit heeft gedronken of cocaïne heeft gebruikt. De man die voor de camera van Angus Wall heeft plaatsgenomen, om zichzelf te (laten) portretteren, lijkt in wezen nauwelijks op de sexy, macho en vuil gebekte patser, liefst in een rood leren pak, van de bijzonder succesvolle one man shows Delirious en Raw, waarmee hij in de jaren tachtig naam maakte, of op de gisse geinponem die met 48 HoursTrading PlacesBeverly Hills CopComing To America en The Nutty Professor alsmaar Hollywood-hits bleef scoren.

Zijn jong gestorven vader was, zo gaat het verhaal, de gangmaker op elk feest. ‘Ik ben nooit de gangmaker’, vertelt Eddie en begint vervolgens te lachen. Hij doet ’t routinematig: grapje maken en er zelf om lachen. ’s Mans aanstekelijke lach behoort al sinds het begin van z’n carrière tot zijn vaste gimmicks. Hij lacht er in deze film van alles mee weg: zijn jeugdtrauma’s, de dwangstoornis die hij zegt te hebben en het idee dat hij nooit een Oscar heeft gewonnen – naar verluidt omdat hij zich tijdens een uitreiking kritisch heeft uitgelaten over de achterstelling van zwarte acteurs.

In deze film is echter vooral ruimte voor de loftrompet. Tussen allerlei filmfragmenten door laten collega’s zoals Dave Chappelle, Jerry Seinfeld, Arsenio Hall, Tracy Morgan, Chris Rock, Kevin Hart, Jamie Foxx en Adam Sandler ‘m uitbundig schallen voor de man die op de schouders van helden zoals Muhammad Ali en Richard Pryor ging staan en zo zelf ook een sleutelrol heeft gespeeld in de emancipatie van Afro-Amerikaanse acteurs en komieken. Being Eddie is daardoor geslaagder als portret van het fenomeen Eddie Murphy dan van de man die daarachter schuilgaat.

Aileen: Queen Of The Serial Killers

Netflix

Kun je compassie voelen met een seriemoordenaar? Bij Aileen Wuornos, toevallig ook de bekendste vrouwelijke seriemoordenaar, is het bijna onvermijdelijk dat ook haar achtergrond in beeld komt: de dochter van een tienermoeder en een veroordeelde seksdelinquent wordt door haar ouders achtergelaten bij hardhandige en drinkende grootouders, loopt als getroebleerde tiener weg van huis en leidt vervolgens een liftend bestaan als prostituee. Daarbij zou ze volgens eigen zeggen zeker dertig keer zijn verkracht, waaronder twee groepsverkrachtingen.

Natuurlijk is ze zo ernstig beschadigd geraakt. En is het dan vreemd dat zij uiteindelijk, in opperste wanhoop, blinde woede of puur om te overleven, heeft teruggeslagen? ‘Lee’ wordt begin 1991 opgepakt bij de biker bar The Last Resort in de Amerikaanse staat Florida, samen met haar geliefde Tyria Moore. De twee lesbiennes worden verdacht van zeven moorden binnen een jaar, in 1989 en 1990. De slachtoffers hebben een vergelijkbaar profiel: het gaat om plaatselijke witte mannen van middelbare leeftijd. De ‘hooker from hell’ legt ook al snel een volledige bekentenis af bij. Zoals ze later zegt: om haar vriendin Tyria vrij te pleiten. Die heeft haar er dan echter al rücksichtslos bij gelapt.

Het is de vraag of dit het complete verhaal is. Later zal Aileen: Queen Of The Serial Killers (104 min.) ook verklaren dat ze bruut is bedreigd en verkracht door haar eerste slachtoffer Richard Mallory, die zo een dodelijke dynamiek in gang heeft gezet. ‘Ze heeft een eerlijk proces gekregen en ze verdient de doodstraf’, zegt hoofdaanklager Jon Tanner desondanks met een stalen gezicht, als televisiejournalist Michele Gillen hem enkele jaren later confronteert met nieuwe informatie over Mallory. Die maakt aannemelijk dat Wuornos bij hem inderdaad uit zelfverdediging heeft gehandeld, zoals zij later ook consequent heeft verklaard. Ruim dertig jaar later is ’t nog altijd een ontluisterende scène.

Emily Turner zet de kwestie rond Aileen Wuornos – onderwerp van de film Monster en talloze documentaires, waaronder het geruchtmakende tweeluik Aileen Wurnos: The Selling Of A Serial Killer / Aileen: Life And Death Of A Serial Killer van Nick Broomfield – nog eens netjes op een rijtje. Onderdeel van dat verhaal is ook de mediahype die vrijwel direct ontstaat rond de ‘ultieme mannenhater’. Één van de bronnen die, buiten beeld, terugblikt is filmproducer Jackie Giroux. Met anderen strijdt zij om de rechten van Aileens levensverhaal. En politieman Steve Binegar, verantwoordelijk voor het onderzoek naar de moorden, krijgt het ene na het andere aanbod om zijn kant daarvan te delen.

Verder geeft Turner het woord aan Aileens christelijke ‘adoptiemoeder’ Arlene Pralle, medegedetineerde Deidre Hunt, rechter Gayle Graziano én de Australische filmmaker Jasmine Hirst. Als slachtoffer van seksueel geweld begint zij na Aileens arrestatie met haar te schrijven. Ze zoekt haar in 1997 ook met een cameraploeg op in de dodencel. ‘Jullie gaan hier miljoenen mee verdienen’, fluistert Wuornos haar dan toe, in een scène die wéér een ander licht op haar complexe persoonlijkheid schijnt. Emily Turner verlaat zich voor een belangrijk deel op dit gevangenisinterview en de reportage van Michele Gillen en serveert dat, in combinatie met nieuws- en rechtbankbeelden, tamelijk sec uit.

In weerwil van de toch wat smakeloze titel wordt Aileen: Queen Of The Serial Killers daardoor nu eens géén dik aangezette true crime-docu, waarbij de maker zich verlustigt aan de gruwelijke daden van een troebele geest. Sterker: Wuornos’ daden worden begrijpelijk gemaakt vanuit het leven dat ze heeft geleid en de situatie waarin ze is beland. Een vrouw die zowel erfelijk belast was als ernstig verminkt is geraakt en uiteindelijk nog maar één ding wil: verlossing.

1971

Maximum Pictures & Fork Films

Op maandag 8 maart bokst Muhammad Ali in de New Yorkse Madison Square Garden ‘The Fight Of The Century’ tegen Joe Frazier. 1971 (79 min.). Elders in de Verenigde Staten, in Media in de staat Pennsylvania om precies te zijn, vindt op die avond nóg een gevecht plaats. Om de waarheid.

Op maandagavond 8 maart 1971 komt namelijk ook The Citizens’ Commission To Investigate The FBI in actie. Een klein team van activisten breekt in bij een lokaal kantoor van J. Edgar Hoovers geliefde/gehate Federal Bureau of Investigation. De geheime informatie die zij buit maken leidt uiteindelijk tot het eerste officiële onderzoek van het Amerikaanse congres naar illegale activiteiten van de veiligheidsdiensten in 1975. J. Edgar Hoover (1895-1972), een bullebak die in totaal 37 jaar leiding gaf aan de FBI, is dan overigens al in het harnas gestorven.

In deze film van Johanna Hamilton uit 2014 treden de inbrekers voor het eerst uit de anonimiteit. Zij kwamen voort uit de anti-oorlogsbeweging. Ze waren woedend over de Amerikaanse acties in Vietnam, geschokt door de moorden op Martin Luther King en Robert Kennedy in 1968 en bereid om over te schakelen op clandestiene acties. De FBI voerde al jaren een vuile oorlog tegen alles wat Hoover als on-Amerikaans beschouwt en was dus een ideaal doelwit voor de operatie, die in het diepste geheim werd voorbereid en uitgevoerd (en hier met acteurs wordt gereconstrueerd).

Zo werd voor het eerst zichtbaar, voor iedereen die ‘ t wilde zien, hoe de FBI als sterke arm fungeerde voor een nietsontziende directeur die al decennia boven de wet stond. En als het hem beliefde, wilde Hoover ook best optreden als de ‘attack dog’ van een wraakzuchtige leider zoals Richard Nixon. De toenmalige president zou ruim een jaar later overigens ook betrokken zijn bij een geruchtmakende inbraak: op 17 juni 1972, in het Watergate-gebouw. En die zorgde ervoor dat hij als eerste president in de Amerikaanse geschiedenis in 1974 moest aftreden.

Ze bedoelden ‘t goed, constateert Media-inbreker Bob Williamson ruim veertig jaar na The Citizens’ Commission, maar hebben ook bijgedragen aan het toegenomen cynisme in hun land. De kinderen van John en Bonnie Raines verbazen zich er dan weer over dat hun ouders destijds zo’n risico namen, ook met hún toekomst. Toen collega-activist Keith Forsyth kinderen kreeg, verdween het sterke verhaal over dat FBI-kantoor juist naar de achtergrond. Totdat hij zag dat het leven van hun grote inspirator, de befaamde natuurkundige en vredesactivist Bill Davidon, naar z’n einde liep.

Vóór zijn dood moest het verhaal over het échte gevecht van maandagavond 8 maart 1971 naar buiten worden gebracht. En dat was niet hoe Bill Frazier tijdens een epische match in Madison Square Garden Muhammad Ali versloeg.

Neil Young, The Reasons Of Wrath

NTR

Hij durft de strijd aan te binden met presidenten. Neil Young, wereldverbeteraar op zang, gitaar en mondharp. Hij geeft Richard Nixon er bijvoorbeeld van langs in Ohio, als die in 1970 de Nationale Garde afstuurt op een demonstratie op Kent State University, met vier dode studenten tot gevolg. Hij zingt Let’s Impeach The President nadat George W. Bush in 2003 Irak is binnengevallen. En hij schaart zich openlijk achter de Democraat Bernie Sanders als de Republikeinse kandidaat Donald Trump zich ongevraagd zijn hit Rockin’ In The Free World heeft toegeëigend als campagnelied.

In de tv-docu Neil Young – The Reasons Of Wrath (52 min.) loopt regisseur Thomas Boujut het leven en de loopbaan van de gedreven Canadese muzikant nog eens door, aan de hand van zijn liedjes en de sociale initiatieven die daaruit zijn voortgevloeid. Zo probeert Young bijvoorbeeld sinds halverwege de jaren tachtig, samen met Willy Nelson en John Mellencamp, Amerikaanse boeren een hart onder de riem te steken met het Farm Aid-festival. En hij verzet zich ook in woord en muziek tegen Monsanto, het dominante bedrijf in de landbouwsector dat menige boer het mes op de keel zet.

Young laat zich dan kennen als een eigenwijs en principieel man. Tegelijkertijd toont hij ook zijn zachte kant in dit rechttoe rechtaan portret, waarin een alwetende verteller links, connecties en dwarsverbanden vindt in oude interviews, concertfragmenten en ander archiefmateriaal van de protagonist. De loner Neil bijvoorbeeld die een zielsverwantschap voelt met een Old Man op het platteland. De familieman Neil die via modeltreinen contact legt met zijn ernstig gehandicapte kinderen. En de autoliefhebber Neil die zijn passie probeert te verenigen met zijn milieubewustzijn.

Het zijn niet meer dan willekeurige ijkpunten in een leven dat ten volle lijkt te zijn geleefd – en dat na tachtig jaar ogenschijnlijk nog altijd voluit wordt geleefd. Deze archieffilm, die buiten de vertelstem dus volledig uit al bestaand materiaal bestaat, werpt daarop geen nieuw licht en graaft ook niet al te diep, maar zet alles nog eens netjes achter elkaar. Neil Young, de man, muziek en missie.

The World According To Dick Cheney

Showtime

Het hele lijstje vragen wordt zonder problemen afgewikkeld. Zijn belangrijkste karaktereigenschap? Integriteit. Wat hij het meest waardeert in vrienden? Eerlijkheid. Zijn favoriete eten? Spaghetti. En dan valt ie toch even stil, de man die alles zo zeker weet. Bij de vraag wat zijn grootste fout is. ‘Daar denk ik eerlijk gezegd niet zoveel over na, moet ik eerlijk bekennen.’ En dan kan The World According To Dick Cheney (109 min.) daadwerkelijk van start.

Iedereen die vluchtig aan ‘de machtigste vicepresident die de Verenigde Staten ooit hadden’ denkt, roept bij die vraag waarschijnlijk meteen: de Amerikaanse inval in Irak. De respons van president George W. Bush op de terroristische aanslagen van 11 september 2001 – naar verluidt ingefluisterd door Dick Cheney en minister van Defensie Donald Rumsfeld, die nog een appeltje hadden te schillen met de Iraakse leider Saddam Hoessein – liep uit op een bloedige oorlog.

Gedrieën zouden ze zich ontwikkelen tot de kop van Jut voor links Amerika, de hardliners die hun land in alwéér een nodeloze oorlog hadden gestort, op basis van nepbewijs rond Hoesseins vermeende ‘weapons of mass destruction’. Intussen hadden ze in de Iraakse gevangenis Abu Ghraib en het strafkamp Guantanamo Bay ook nog alle mogelijke mensenrechten geschonden bij krijgsgevangenen. ‘Het was belangrijker om succesvol te zijn dan geliefd’, zegt Cheney over de periode na 911.

Op die turbulente jaren ligt vanzelfsprekend ook de nadruk in deze gedegen film van R.J. Cutler (A Perfect CandidateBelushi en Billie Eilish: The World’s A Little Blurry) uit 2013, waarin behalve de Republikeinse mastodont zelf ook zijn vrouw Lynne, enkele politieke vertrouwelingen en gezaghebbende duiders zoals Bob Woodward, Ron Suskind en Jo Becker aan het woord komen. Zij schetsen een politieke loopbaan waarin het doel vrijwel altijd de middelen lijkt te rechtvaardigen.

En ook zijn trouwe vriend Don Rumsfeld ontbreekt niet in dit politieke portret, waarvoor acteur Dennis Haysbert als verteller fungeert. Zij trokken al samen op in de regering van Richard Nixon, vormden later de zogeheten ‘Praetorian Guard’ van diens opvolger Gerald Ford (die tijdens het beschermen van de president zelf ook aanzienlijke macht verwierf) en fungeerden als kloppend hart van het kabinet van George W. Bush, dat hen tot Amerika’s meest gehate mannen zou maken.

In de halve eeuw voordat Donald Trump de macht greep in zijn partij speelde Dick Cheney (1941-2025) eigenlijk bij elke afzonderlijke Republikeinse regering een sleutelrol. En tussendoor was hij ook nog enkele jaren CEO van de oliegigant Halliburton. Een man met macht, statuur en tegenstanders. Het vertrouwde gezicht van (oer)conservatief Amerika, dat zelf vast ook niet had kunnen bedenken dat hij zich ooit niet meer thuis zou kunnen voelen binnen de Republikeinse partij.

Toch is dat precies wat er in de afgelopen jaren is gebeurd: in navolging van zijn dochter Liz, prominent congreslid, heeft Dick Cheney zich als ‘wise old man’ van de Republikeinse partij publiekelijk afgekeerd van de huidige president Trump. De twee hadden nochtans een gemeenschappelijke vijand: James Comey, de man die als onderminister van Justitie vicepresident Cheney de voet dwars zette, werd later als FBI-directeur een gezworen vijand van Donald Trump.

Die heeft de huidige minister van Justitie onlangs opgedragen om Comey te laten vervolgen. En daar scheiden de wegen van de Republikeinse kopstukken. Want zulke acties lijken zelfs voor een ijzervreter zoals Dick Cheney toch echt een brug te ver.

Football’s Financial Shame: The Story Of The V11

BBC

Zijn ze gewoon slecht geadviseerd? Of toch keihard voorgelogen en opgelicht? Ooit speelden de leden van The V11 in The Premier League en wonnen ze kampioenschappen, bekers en internationale titels. Nu balanceren de Britse voetballers al jaren op de rand van de financiële afgrond.

Neem Danny Murphy (V7). De middenvelder speelde ruim vierhonderd duels voor clubs zoals Liverpool, Tottenham Hotspur en Fulham en schat in dat hij uiteindelijk zo’n vier tot vijf miljoen pond kwijt is geraakt aan beroerde investeringen. ‘Veel mensen vinden dat ik sowieso te veel betaald kreeg’, stelt de voormalige Engelse international in Football’s Financial Shame: The Story Of The V11 (94 min.). ‘Zo erg kan het dus niet zijn voor mij. Je was bevoorrecht en hebt er zelf een rotzooi van gemaakt, zeggen ze dan. En nu ben je net als wij. En ze denken dat ik nog wel een miljoen of vier heb liggen. Nou, niet dus.’

Murphy is één van de zogeheten V11, een ‘elftal’ oud-profs dat een groep van zo’n tweehonderd betaald voetballers vertegenwoordigt. Op advies van Kingsbridge Asset Management, de investeringsmaatschappij van David McKee en Kevin McMenamin, staken zij hun geld in speelfilms, aandelen en onroerend goed en gingen daarmee gigantisch het schip in. Bekende spelers zoals Michael ThomasRod Wallace en Brian Deane zitten daardoor al jaren op zwart zaad. Niet in het minst omdat ze, opgelicht of niet, daarna ook nog een kolossale aanslag van de belastingdienst ontvingen.

Regisseur Richard Milway volgt de oud-voetballers gedurende enkele jaren, waarin ze hun recht proberen te halen en ondertussen een faillissement – en de bijbehorende huisuitzettingen, echtscheidingen, verslavingen en/of depressies – proberen af te wenden. Zij worden bijgestaan door gedreven juristen en financieel deskundigen, die ervan overtuigd zijn geraakt dat hun cliënten doelbewust zijn getild door lieden die ze jarenlang tot hun dierbaarste vrienden rekenden. Variërend van ‘dit is in orde, teken maar bij het kruisje’ tot slinkse valsheid in geschrifte en doelbewuste oplichting.

Milway maakt zeer aannemelijk dat er inderdaad sprake is van kwade opzet. McKee en McMenamin laten zich daarover echter niet aan de tand voelen. Zij houden ’t bij een schriftelijke verklaring, die als een nogal laf weerwoord steeds terugkeert in deze schrijnende journalistieke docu. Ze werpen daarin alle beschuldigingen ver van zich. En ook de bekende Engelse trainer en oud-bondscoach Howard Wilkinson, die tot 2024 maar liefst 32 jaar voorzitter was van de invloedrijke League Managers Association en in die hoedanigheid warme contacten onderhield met Kingsbridge, geeft niet thuis.

De Britse politie is er intussen eveneens van overtuigd geraakt dat dit zaakje stinkt, maar daarmee is dat nog niet wettig en overtuigend bewezen. En dus staat het water sommige V11’ers – de V staat overigens, een mooi staaltje ‘wishful thinking, voor ‘victors’, overwinnaars – aan de lippen. Als eerste generatie Premier League-spelers, die vermoedelijk dachten dat hun geld nooit meer op zou raken, vielen zij ten prooi aan de haaien die grootverdieners nu eenmaal altijd omcirkelen. Football’s Financial Shame maakt van deze voormalige voetbalsterren weer kwetsbare mensen van vlees en bloed.

Nadat zij voor het oog van de wereld hun jongensdroom hadden waargemaakt, werden ze na hun sportcarrière onder een wel héél koude douche gezet.

Paid In Full: The Battle For Black Music

BBC

Tekenen bij het kruisje. Daar kwam het in de afgelopen honderd jaar vaak op neer voor Amerikaanse artiesten. Pas later bleek dan wat zo’n platencontract inhield – en dat het doorgaans niet de mensen die de muziek maakten waren die er rijk van werden. Dat gold dubbel zo hard voor zwarte performers, die soms op een wel heel geniepige manier werden uitgeknepen. Hun strijd om artistieke vrijheid en financiële onafhankelijkheid duurt, getuige Paid In Full: The Battle For Black Music (180 min.), nog altijd voort.

Toonaangevende artiesten zoals Bessie SmithBillie Holiday en Nina Simone kregen in de beginjaren van de muziekbusiness vaak nog een vast bedrag per opnamedag betaald. Als daar vervolgens een hit uitrolde, werd iedereen daar rijk van – de witte mannen voorop –behalve zij. En anders was er wel een louche manager, zoals bij Louis Armstrong, die z’n cliënt op slinkse wijze helemaal leeg trok. ‘What a wonderful world’, croont de jazzgigant met een kamerbrede glimlach tijdens een optreden, als de kwestie wordt aangesneden in deze boeiende driedelige serie van Guy Evans.

Exploitatie van zwarte artiesten is van alle tijden. We zijn zo blut als maar kan, meldt de succesvolle meidengroep TLC bijvoorbeeld na de uitreiking van de Grammy Awards in 1996. De manoeuvres om geld weg te sluizen blijken eindeloos. In de jaren vijftig worden bij de composities van rock & roll-held Chuck Berry bijvoorbeeld doodleuk ook andere rechthebbenden opgevoerd, die niets te maken hebben met het ontstaan van zijn songs. Voor de man zelf blijft er nog maar een klein deel van de opbrengsten over, waarvan de gemaakte, vaak flink opgevoerde kosten dan nog worden afgetrokken.

Andere truc: maak een beschaafde witte versie van een zwarte hit, zoals Pat Boones brave versie van de Little Richard-hit Tutti Frutti, en zet die vervolgens wél goed in de markt. Dan stroomt het geld – het is in feite steeds hetzelfde liedje – weer op de juiste plek binnen. Er zijn uitzonderingen: soulzanger Sam Cooke probeert in de sixties met een eigen platenlabel financiële autonomie te verwerven. Hij krijgt navolging via de zwarte labels MotownStax en Def Jam, die echter stuk voor stuk zullen worden uitgebuit, weggeconcurreerd of overgenomen door witte mannen met diepere zakken.

Artiesten zoals Smokey RobinsonGloria GaynorNile RodgersChaka KhanIce-T en een keur aan kenners van de muziekindustrie vertellen in deze serie ‘graag’ over de misstanden waarmee ook zij zijn geconfronteerd. Paid In Full is overigens meer dan één grote klaagzang. Ook de initiatieven van eigengereide en ondernemende artiesten zoals PrinceJay-ZKendrick LamarrStormzy en Jessie Reyez, die een nieuw zelfbewustzijn hebben laten zien, komen aan de orde. Master P vat die attitude heel aardig samen. ‘Als een witte man me een miljoen dollars biedt, hoeveel zou ik dan werkelijk waard zijn?’

De meeste verhalen in deze fijne miniserie, bijeengehouden door verteller Zawe Ashton, zijn al wel eens verteld, maar hier worden ze vanuit een heldere invalshoek – wie wordt er rijk van? – verteld en in een bredere historische context geplaatst, zowel van de ontwikkeling van de muziekbusiness als de emancipatie van zwarte Amerikanen. En de vertelling is natuurlijk gelardeerd met fijne performances van baanbrekende artiesten zoals Ruth Brown, The Supremes, Sam & Dave, Public Enemy en Lil Nas X.

In de afgelopen jaren heeft zich met het streamen van muziek, laat de slotaflevering zien, overigens alweer een nieuwe manier aangediend om (zwarte) artiesten te exploiteren. Naar hoe de grote platenlabels Warner, Universal en Sony daarmee omgaan en terugkijken op het beladen verleden, blijft het overigens gissen. Want die wilden documentairemaker Evans niet te woord staan en houden ’t bij een schriftelijke verklaring.