Travelin’ Band: Creedence Clearwater Revival At The Royal Albert Hall

CCR

‘Historici zullen deze gebeurtenis wellicht ooit duiden als een cruciaal punt in de ineenstorting van het Britse rijk’, stelt een verslaggever op 10 april 1970 met gevoel voor drama. ‘The Beatles gaan uit elkaar!’ Aan Creedence Clearwater Revival nu de opdracht, stelt verteller Jeff Bridges, om het predicaat van ‘grootste band ter wereld’ over te nemen. En dat treft: toevallig maakt de Amerikaanse rockgroep rond zanger/gitarist John Fogerty vier dagen later zijn debuut op Engelse bodem.

Dat cruciale concert is nooit eerder in z’n geheel uitgebracht en vormt nu het wild kloppende hart van Travelin’ Band: Creedence Clearwater At The Royal Albert Hall (82 min.). Zonder enige vorm van opsmuk zwoegen Fogerty (in toepasselijk houthakkershemd), zijn oudere broer Tom (gitaar), Stu Cook (bas) en Doug Clifford (drums) zich door een puike dwarsdoorsnede van hun eerste albums. Werkemansrock zoals het ooit was bedoeld: geen hoogdravende gedachtegangen, moeilijkdoenerij of valse pretenties, gewoon handen uit de mouwen en bloed, zweet en tranen geven.

Van tevoren belicht deze aangeklede concertfilm van Bob Smeaton de kennismaking van het viertal uit El Cerrito in Californië met de Europese steden Kopenhagen, Stockholm, Berlijn, Parijs en Rotterdam, waar ze als archetypische Amerikaanse toeristen rond lijken te banjeren. Daarna schetst hij hun jarenlange pogingen om door te breken, als achtereenvolgens The Blue Velvets, Tommy Fogerty and The Blue Velvets en The Golliwogs. Pas als The Beatles vanuit Engeland een beatrevolutie ontketenen vindt de band zijn uiteindelijke vorm als Creedence Clearwater Revival.

Met John Fogerty, en diens schuurpapieren stem, als blikvanger werpen ze zich op als glorieuze vertolkers van andermans werk (Suzie Q, I Put A Spell On You, The Midnight Special en I Heard It Through The Grapevine) en schrijven ze zelf songs die weer door anderen zullen worden geïnterpreteerd (Proud Mary, Fortunate Son en Have You Ever Seen The Rain?). CCR wordt een beeldbepalende band die, hoewel tegenwoordig enigszins in de vergetelheid geraakt, glorieert op het snijvlak van de jaren zestig en zeventig, de tijd van Vietnam, Woodstock en… radiorock.

Smeaton laat in deze docu vooral de bal het werk doen en vertrouwt erop dat Creedence Clearwater Revivals oorspronkelijke concertmateriaal, aangevuld met tamelijk obligate interviewtjes van tijdens de Europese tournee van 1970, de magie van weleer oproept. En dat werkt, inderdaad, héél aardig.

A Decade Under The Influence

IFC

Voor Easy Riders, Raging Bulls: How The Sex, Drugs And Rock ‘N’ Roll Generation Saved Hollywood, een verfilming van Peter Biskinds smeuïge boek over hoe een nieuwe lichting makers de Amerikaanse filmindustrie overnam in de jaren zeventig, moest documentairemaker Kenneth Bowser ‘t in 2003 doen zonder de beeldbepalende regisseurs Francis Ford Coppola (The Godfather/The Conversation), Martin Scorsese (Mean Streets/Taxi Driver), William Friedkin (The French Connection/The Exorcist) en Robert Altman (M*A*S*H/McCabe & Mrs. Miller).

In een andere documentaire uit datzelfde jaar over precies hetzelfde thema, A Decade Under The Influence (110 min.) van Ted Demme en Richard LaGravenese, lieten deze filmmakers zich wél interviewen. Probeerden ze zo wraak te nemen op Peter Biskind, die hun bijdragen aan zijn spraakmakende boek uit hun verband zou hebben getrokken en verminkt? Tegelijkertijd participeerden hun collega’s Arthur Penn (Bonnie And Clyde), Dennis Hopper (Easy Rider), Peter Bogdanovich (The Last Picture Show) en Paul Schrader (scenarist Taxi Driver) in beide films.

Heel veel verschil is er uiteindelijk niet tussen de twee producties over New Hollywood. Deze docu is wellicht wat smakelijker gemonteerd, maar in essentie bestaan de films uit een vergelijkbare combinatie van speelfilmfragmenten en herinneringen van direct betrokkenen. In deze productie zijn bijvoorbeeld de filmmakers Sydney Pollack (They Shoot Horses, Don’t They?), Sidney Lumet (Dog Day Afternoon), Milos Forman (One Flew Over The Cuckoo’s Nest) en John G. Avildsen (Rocky) en acteurs zoals Pam Grier, Jon Voight, Roy Scheider, Julie Christie en Bruce Dern vertegenwoordigd.

Met krasse anekdotes, meningen en bespiegelingen roepen zij het tijdperk op waarin de traditionele cinema een fikse opdoffer kreeg van een nieuwe tegendraadse generatie. Die wilde op de golven van de swingin’ sixties, gefrustreerd door de Vietnam-oorlog en aangejaagd door nieuwe maatschappelijke verhoudingen actuele, relevante en scherpe kunst maken en kreeg enkele jaren min of meer de vrije hand, met allerlei klassieke films (en excessen) tot gevolg. Totdat Hollywood ontdekte dat met escapistische kaskrakers zoals Jaws en Star Wars veel meer kon worden verdiend. 

‘Geef het volk brood en spelen’, zegt Peter Bogdanovich daarover berustend. ‘Mensen houden nu eenmaal van ontsnappen uit het dagelijks leven. Je kreeg mijn moeder ook nooit naar een trieste film. “Daar ga ik niet naartoe”, zei ze dan. “Ik heb al genoeg problemen van mezelf.”’ Mensen zoals zij zouden in de navolgende decennia op hun wenken worden bediend door Hollywood, dat de kassa liet rinkelen met een eindeloze stroom publieksfilms, sequels en franchises. Waarvan de honden dan soms weer geen brood lustten.

Easy Riders, Raging Bulls: How The Sex, Drugs And Rock ‘N’ Roll Generation Saved Hollywood

BBC

Vraag een willekeurige kenner van de Amerikaanse cinema om z’n favoriete periode te noemen en dikke kans dat ie met de seventies op de proppen komt, de jaren waarin regisseurs de macht grepen in Hollywood. Peter Biskind schreef daarover in 1998 een machtig interessant boekEasy Riders, Raging Bulls: How The Sex, Drugs And Rock ‘N’ Roll Generation Saved Hollywood (113 min.). Vijf jaar later volgde de bijbehorende documentaire van Kenneth Bowser.

Met de generatie die destijds de ommekeer bewerkstelligde in de filmwereld schetst Bowser hoe grote studio’s zoals Warner Brothers, Paramount en 20th Century Fox halverwege de jaren zestig de concurrentiestrijd met televisie leken te hebben verloren en op omvallen stonden. Uit pure noodzaak ontstond er vervolgens ruimte voor eigenzinnige filmmakers die, gevoed door Europese cinema en opgegroeid binnen het B-film circuit, de vastgelopen industrie daarna een gigantische opdonder verkochten.

Kaskrakers zoals Bonnie And Clyde, Easy Rider, Midnight Cowboy, The Wild Bunch, The Last Picture Show, The Godfather, American Graffiti, Mean Streets, The Exorcist, Chinatown, Taxi Driver en Raging Bull weerspiegelden perfect de tijdgeest en toonden aan dat eigenzinnige films, waarbij de regisseur ‘final cut’ had bedongen, wel degelijk een groot publiek konden bereiken. Met het succes kwamen echter ook de enorme ego’s, neuroses en verslavingen.

Verteller William H. Macy loopt dit interessante stuk filmgeschiedenis netjes door met anti-establishment filmmakers zoals Peter Bogdanovich, Dennis Hopper, Arthur Penn, Paul Schrader en John Milius (waarbij opvalt dat Francis Ford Coppola, Martin Scorsese, William Friedkin en Robert Altman ontbreken; zij zijn wél van de partij in een documentaire uit hetzelfde jaar over precies hetzelfde thema, A Decade Under The Influence). Verder laat hij de acteurs Cybill Shepherd, Peter Fonda, Ellen Burstyn, Richard Dreyfuss en Karen Black aan het woord over hun ervaringen en lardeert hun herinneringen met een stortvloed aan filmfragmenten.

Zo ontstaat een levendig beeld van de jaren waarin de filmgekken voor heel even het gesticht konden overnemen. Totdat Steven Spielberg en George Lucas – zo wil althans de Hollywood-versie van de gebeurtenissen – met respectievelijk Jaws en Star Wars korte metten maakten met de hoogtijdagen van de Amerikaanse auteurscinema en de tijd inluidden van de blockbuster, een nieuwe variant op de aloude B-film die met een gigantisch budget mocht worden gemaakt én gepromoot.

Pelosi In The House

Alexandra en Nancy Pelosi / HBO Max

‘Mam, waarom heb je dit leven gekozen?’ vraagt documentairemaakster Alexandra Pelosi bij de start van Pelosi In The House (109 min.) aan haar moeder. ‘Ik heb dit leven niet echt gekozen,’ antwoordt Nancy Pelosi, de Democratische leider in het Amerikaanse congres. ‘Het heeft mij gekozen.’

Daarvan is geen woord gelogen. Pelosi groeit op in een Democratisch gezin en krijgt politiek met de paplepel ingegoten. In 1987 wordt ze gekozen in het Huis van Afgevaardigden. Als ze twintig jaar later als eerste vrouw zelfs voorzitter wordt, verwelkomt de Republikeinse president George W. Bush (die in 2002 overigens door Alexandra werd geportretteerd in de campagnedocu Journeys With George) ‘madam speaker’ met een bijzonder gracieuze speech. In die functie zal ze een essentiële rol spelen in het door het parlement loodsen van de Affordable Care Act van de Democratische president Obama in 2010 en de verdediging daarvan in 2017 als diens Republikeinse opvolger Donald Trump de wet probeert te herroepen.

Zo staat Nancy Pelosi inmiddels ook bekend: als een begaafde politica, die het machtsspel als vrijwel geen ander in de vingers heeft. Een overlever ook, binnen een onvervalste mannenwereld die in de afgelopen decennia zienderogen is verhard. Haar dochter, getrouwd met de Nederlandse journalist Michiel Vos, probeert in deze observerende film de vrouw achter dat imago vandaan te halen, maar constateert al snel dat haar moeder een harde noot is om te kraken. Ook tegenover Alexandra blijft ze meestal in haar rol. Zelfs als die haar, nét voordat Donald Trumps State Of The Union-speech van 2020 begint, op kenmerkende jolige manier ‘je ziet er geweldig uit, schat!’ of ‘doe niets wat ik niet zou doen’ toeroept. Na die speech zal Pelosi overigens, voor het oog van de camera, met een uitgestreken gezicht Trumps speech verscheuren.

Het tumultueuze presidentschap van Trump, waarbij Nancy Pelosi zich opwerpt als diens voornaamste tegenspeler, vormt het hart van deze documentaire. Alexandra loopt met zevenmijlslaarzen door de jeugd en politieke opkomst van haar moeder, alsof die niet meer dan een aanloopje zijn geweest naar de cruciale rol die zij zal spelen als opponent van een man zonder ondergrens, voor wie alles geoorloofd is om te winnen. Met enkele privéscènes en achter de schermen-beelden van de mater familias van de Pelosi’s als politieke poppenspeler, bruggenbouwer of boevrouw werkt de documentairemaakster vervolgens toe naar de climax van deze film: 6 januari 2021, de dag waarop de Amerikaanse democratie serieus wankelt. Door Trump opgehitste bestormers van het Capitool gaan op zoek naar haar moeder en zij zelf staat met haar camera bovenop de actie.

Dit resulteert deze ‘Journeys With Nancy’ in enkele iconische scènes, waarin is te zien hoe speaker Pelosi als één van de weinigen het hoofd koel weet te houden op een dag dat het Amerikaanse politieke systeem dreigt te bezwijken onder bruut geweld. ‘Hoe kun je je ermee verzoenen dat er mensen zijn die je vanwege je werk willen vermoorden?’ wil Alexandra naderhand weten. Het is een vraag met een profetisch karakter. Als Nancy Pelosi anderhalf jaar later, op 17 november 2022, haar afscheid als leider van de Democratische congresleden aankondigt, is ze ook in haar privéleven geconfronteerd met die redeloze haat.

Een extreemrechtse complotdenker is enkele weken eerder haar huis binnengedrongen en heeft haar echtgenoot (en Alexandra’s vader) Paul Pelosi ernstig verwond. Deze schokkende aanslag komt echter alleen impliciet aan de orde in dit boeiende volgportret van een beeldbepalende Amerikaanse politica.

Narco Cultura

WNYC Studios

De statistieken zijn dodelijk:

2007: 320

2008: 1623

2009: 2754

2010: 3622

In de Mexicaanse grensgemeente Ciudad Juárez vloeit door de escalerende drugsoorlog steeds vaker bloed. Tegelijkertijd blijft de teller in El Paso, aan de andere kant van de Mexicaans-Amerikaanse grens, steken op vijf moorden per jaar. Daar lijkt die oorlog soms bijna een bron van vermaak. ‘Met een AK-47 maar zonder kogelvrij vest reed ik rond in mijn witte truck’, zingt Edgar Quintero, frontman van BuKnas de Culiacan, bijvoorbeeld geveinsd stoer. ‘Ik schoot er één neer. Mijn geweer schiet altijd raak. Met een goed oog en een goede hartslag vecht mijn school terug.’

Edgar schrijft op bestelling ‘narcocorrido’s’, typische Mexicaanse songs waarin de ‘helden’ van de karteloorlog worden bewierookt. Tijdens een optreden met zijn groep in El Paso laat hij doodleuk een bazooka zien. Waar doet die jullie aan denken? vraagt hij aan het verzamelde publiek, dat vervolgens hartstochtelijk meezingt: ‘Met een AK-47 en een bazooka op mijn schouder. Kruis mijn pad en ik hak je kop eraf. Wij zijn bloeddorstig, gek en moordlustig.’ Het is weer eens wat anders dan André Hazes – of La Bamba van Ritchie Valens. Een latino-variant op gangsterrap, zo je wilt.

Terwijl Edgar, als onderdeel van de zogenaamde Movimiento Alterado, vanaf de goede kant van de grens onbekommerd het kartelleven verheerlijkt, leeft forensisch onderzoeker Richi Soto daadwerkelijk te midden van die Narco Cultura (99 min.). Hij rijdt in deze grimmige film van Shaul Schwartz uit 2013 regelmatig met gillende sirene naar een plaats delict, waar achteloos een slachtoffer van de drugsoorlog is gedumpt. Als medewerker van de Mexicaanse justitie loopt Richi ook zelf gevaar – of zijn familieleden, want de drugskartels deinzen werkelijk nergens voor terug.

Gedurende de gehele documentaire alterneert Schwartz tussen de bittere realiteit van het desolate leven in de Mexicaanse grensstreek en de ‘cultuur’ – een parodie bijna, als het niet zo onsmakelijk was – die daarvan wordt gemaakt in de Verenigde Staten. ‘Het is goeie muziek, al ben ik tegen geweld’, zegt een jonge Amerikaanse vrouw in een sexy jurkje bijvoorbeeld, bij een optreden van de befaamde corrido-zanger Alfredo ‘El Komander’ Rios. Intussen houdt ze ferm een mitrailleur vast en benadrukt nog maar eens: ‘Het is heel erg wat er in Mexico gebeurt. Dus: stop het geweld.’

Truth is, tegelijkertijd, scarier than fiction: diezelfde karikaturale corrido’s, waardoor schoolmeisjes zomaar zeggen dat ze best een narco als vriendje willen hebben, gelden aan de andere kant van de grens, op het slagveld van de permanente drugsoorlog, inmiddels als een aankondiging of melding van alwéér een moord. Het normale leven raakt er volledig door ontspoord. Terwijl Richi Soto overweegt of hij toch maar naar de VS moet verkassen, maakt zijn tegenpool Edgar Quintero juist plannen om eens inspiratie op te gaan doen in de wereld waar al z’n songs zijn gesitueerd.

Het is de Narco Cultura in een notendop. Waar de drugsoorlog het leven van gewone rechtschapen Mexicanen ondraaglijk maakt, is die over de grens een bron van vermaak of inkomsten – of simpelweg een bijproduct van de niet te bevredigen behoefte aan narcotica.

“Sr.”

Netflix

‘Is het ooit alsof je in één van je films leeft?’ vraagt acteur Rober Downey Jr. aan zijn vader, de experimentele filmmaker. ‘Ja’, antwoordt “Sr.” (90 min.) grinnikend. ‘Nu.’ Junior debuteerde als vijfjarige jongen in een film van zijn vader, Pound uit 1970, met de zin ‘Heb je haar op je ballen?’

Nu willen de twee samen een film maken. Of allebei. Met hetzelfde materiaal, dat wel. En dus bevat deze visie van Robert Jr. op het leven en de carrière van zijn vader stukken met de benaming ‘Sr. Cut’, scènes die uit de koker van Robert Downey Sr. komen. De documentaire werd overigens geregisseerd door Chris Smith, die eerder al eens virtuoos tussen feit en fictie laveerde in de documentaire Jim & Andy: The Great Beyond, over hoe acteur/komiek Jim Carry zichzelf tijdens de opnames voor de speelfilm Man On The Moon vol-le-dig verloor in de rol van komiek Andy Kaufman.

Deze hybride van (ego)docu en drama, grotendeels in zwart-wit, gedijt uitstekend bij de wisselwerking tussen de twee Downeys. ‘Het ziet er heerlijk narcistisch uit’, reageert pa bijvoorbeeld gevat als zoonlief speciaal voor hem een Duits volksliedje zingt. ‘Zie je hier ruimte voor in onze montage?’ Tussen alle grappen, grollen en filmfragmenten door gaan ze het gesprek aan over wat het leven hen heeft opgeleverd en gekost. Parallellen tussen de twee zijn er genoeg: voordat Robert Jr. en plein public begon te worstelen met een drugsverslaving, was Robert Sr. jarenlang verslingerd aan cocaïne en marihuana. In die tijd, ‘vijftien jaar totale waanzin’ volgens eigen zeggen, was hij ook als filmmaker nauwelijks hanteerbaar.

Bij zijn eerste speelfilm voor een grote studio, Up The Academy uit 1980, dreigde Senior zelfs ontslagen te worden vanwege zijn dwarse gedrag. De producenten wilden hem uit zijn functie ontheffen. Hij zou hoe dan ook ‘the final cut’, de eindmontage van de film, niet meer mogen doen. ‘Ik zei: Oké, dat vind ik prima’, herinnert hij zich. ‘Zolang ik maar “the final cut” van de cocaïne krijg. Dat was bijna m’n einde daar.’ Zijn zoon kan het veertig jaar later nog altijd niet geloven: ‘Het kon je werkelijk geen reet schelen, hè?’ Zijn vader glimlacht eens en antwoordt ferm: ‘Nee.’

Getuige dit bijzonder liefdevolle, soms schurende en voortdurend lollige portret is Robert Downey Sr. op de één of andere manier tóch gracieus volwassen geworden. Samen met zijn zoon bereidt hij zich met deze filmische blik in de achteruitkijkspiegel voor op zijn afscheid van het bestaan. Of zoals Juniors therapeut ‘t treffend formuleert als het einde daadwerkelijk in zicht komt: jullie maken kunst van het leven.

Aurora’s Sunrise

Periscoop Film

Het is altijd een uitdaging geweest voor documentairemakers om het onverfilmbare tóch in beeld te brengen. Wat zich in het hoofd van personages afspeelt, waar de camera toevallig, of minder toevallig, niet bij kan zijn of wat simpelweg in een nét iets te ver verleden gebeurde. In de afgelopen jaren is animatie een steeds probater middel gebleken om het onverfilmde, in combinatie met interviews en échte beelden, tóch te incorporeren in een documentaire, met fraaie films zoals TowerFlee en Eternal Spring als sprekend voorbeeld.

In Aurora’s Sunrise (97 min.) volgt regisseur Inna Sahakyan min of meer hetzelfde procedé. Zij vertelt het verhaal van Arshaluys ‘Aurora’ Mardiganian (1901-1994), die als tiener de Armeense genocide overleefde. Op latere leeftijd gaf ze daarover nog enkele interviews, die nu als anker fungeren voor deze documentaire. In 1919 ging in New York echter al de stomme film Auction Of Souls in première. Dit was een verfilming van Aurora’s op schrift gestelde herinneringen aan de massamoord op haar volk: Ravished Armenia. Ze had hoogstpersoonlijk de hoofdrol op zich genomen.

Mettertijd verdwenen echter alle kopieën van de speelfilm. Voor Aurora’s Sunrise heeft Sahakyan de hand weten te leggen op fragmenten die pas na Arshaluys’ dood werden opgediept. In combinatie met de geanimeerde beelden krijgen die nu bijna een authentiek karakter, terwijl het toch echt gaat om een door Hollywood geënsceneerde werkelijkheid, waarbij de Armeense tiener gebeurtenissen uit haar eigen verleden naspeelt. ‘Veel van wat er wordt afgebeeld in de film is in werkelijkheid niet zo gebeurd’, tekent ze daarbij aan. ‘De realiteit was veel te grimmig voor het Amerikaanse publiek.’

De opnames waren nochtans traumatisch voor de jonge Armeense. Om aandacht te vragen voor wat haar volk was aangedaan, bleef Arshaluys de film desondanks aan de man brengen in de Verenigde Staten. Dit werd al snel een soort reprise van de helletocht die ze in haar eigen land had moeten maken. In Aurora’s Sunrise wordt die, aan de hand van verteller Arpi Petrossian, nog eens nauwkeurig opgeroepen. Zodat er beelden zijn – ook al dateren die in werkelijkheid van later datum – bij de onverfilmbare en onverfilmde verschrikkingen van de eerste volkerenmoord van de twintigste eeuw.

Sean Connery vs James Bond

Arte

Heeft Sean Connery James Bond gemaakt? wil interviewer F. Lee Bailey weten tijdens een bezoek aan de Schotse acteur in 1967. Of heeft James Bond Sean Connery gemaakt? In zijn antwoord neemt de man zelf het woord Frankenstein in mond. Bond, James Bond, was voor hem een monster van Frankenstein geworden, waarvan hij een groot deel van zijn carrière afstand probeerde te nemen. De immense aandacht voor de Britse superspion werkte verstikkend, stelt hij tegen Bailey. ‘Maar het heeft me er nooit van weerhouden om een nieuwe film te maken.’

In de documentaire Sean Connery vs James Bond (53 min.) buigen vrienden, collega’s en deskundigen, zoals collega-acteur Andy Garcia, regisseur John Boorman, biograaf Christopher Bray, auteur Lisa Funnell en producer Murray Grigor zich over Connery’s leven en loopbaan, die worden geïllustreerd met talloze filmfragmenten, (privé)foto’s en tv-interviews. James Bond wordt daarin gaandeweg een vloek waaraan hij echt niet kan ontsnappen. ‘Overal waar hij kwam werd hij aangesproken en meneer Bond genoemd’, vertelt historicus/biograaf Michael Feeney Callan. ‘Hij haatte dat.’

Toen hij de iconische geheimagent eindelijk van zich had afgeschud en allerlei andersoortige rollen had gespeeld (die toch aanmerkelijk minder gage bleken binnen te brengen), besloot Connery in 1983 in arren moede maar om zijn eigen Bondfilm te maken. ‘Het werkte op geen enkele manier’, zegt Feeney Callan daarover. ‘Het was visueel een rotzooitje, Sean zelf is waardeloos en die Fred Astaire-pruik lijkt net een koeienvlaai. Geen idee hoe hij daarmee dacht weg te komen.’ Never Say Never Again legde ’t ook qua inkomsten flink af tegen de officiële Bondfilm Octopussy met Connery’s opvolger Roger Moore.

Zijn faliekant mislukte terugkeer naar Bond werkt vreemd genoeg bevrijdend, laat deze interessante tv-biografie van Gregory Monro zien. ‘s Mans rollen worden beter en succesvoller. En met films als The Name Of The Rose, Indiana Jones And The Last Crusade en The Untouchables komt eindelijk ook de waardering voor hem als acteur. Sean Connery, een man die ook in verband is gebracht met seksisme en huiselijk geweld, krijgt zo het imago van een ‘wise old man’ aangemeten en kan daarmee de rest van zijn leven en carrière vooruit.

Brainwashed: Sex-Camera-Power

IDFA

Natuurlijk, dat Hollywood wordt gedicteerd door ‘The Male Gaze’, een term die werd gemunt door filmwetenschapper Laura Mulvey, kan nauwelijks een verrassing zijn. Regisseur Nina Menkes gaat echter nog een stuk verder in het scherp geformuleerde video-essay Brainwashed: Sex-Camera-Power (107 min.), dat weer is gebaseerd op haar eigen lezing Sex And Power: The Visual Language Of Oppression. Volgens Menkes is er een direct verband met de achtergestelde positie van vrouwen in de filmindustrie én het feit dat seksueel misbruik, daar en in de rest van de (westerse) wereld, zoveel voorkomt. Films hebben ons, zowel mannen als vrouwen, nu eenmaal op een bepaalde manier geprogrammeerd.

Om te beginnen richt Menkes zich op het verschil tussen subject en object. Als in: de kat (subject) eet de muis (object). In Hollywood is de man volgens haar al sinds jaar en dag subject (ofwel: protagonist) en de vrouw niet meer dan een object waarmee/-van hij iets wil. Ofwel: de man ziet de vrouw. The Male Gaze dus. Neem dat gerust letterlijk. Vrijwel alle speelfilms worden verteld vanuit mannelijk perspectief en vrouwen – en niet te vergeten: hun lichaam – worden daarin stelselmatig geobjectificeerd. Met een stortvloed aan fragmenten uit speelfilmklassiekers maakt Menkes in dit beeldtaalcollege overtuigend haar punt. Geen speld tussen te krijgen, eigenlijk.

Ze krijgt bovendien rugdekking van de wetenschapper Mulvey, psychoanalyticus Sachiko Taki-Reece en vrouwelijke filmmakers zoals Catherine Hardwicke (die de spraakmakende tienerfilm Thirteen regisseerde), Rosanna Arquette (die als actrice regelmatig slechte ervaringen had) en Amy Ziering (die het giftige man-vrouwklimaat in de entertainmentindustrie aankaartte in documentaires als Allen v. Farrow en On The Record). Zij kunnen getuigen over de lastige positie van vrouwen in Hollywood, waar mannen nog altijd onverminderd de dienst uitmaken. Het is daarom niet vreemd dat Amerikaanse films doorgaans, in de woorden van de non-binaire regisseur Joey Soloway (Transparent), propaganda voor het patriarchaat bedrijven.

Met het vlijmscherpe college Brainwashed, dat alleen aan het eind wat aan kracht inboet en dus wel wat korter had gekund, demonstreert Nina Menkes in elk geval duidelijk dat er echt een maatschappelijk belang is om dit te veranderen.

Is That Black Enough For You?!?

Netflix

Waarom zijn we eigenlijk gestopt met het maken van de zwarte speelfilms die in de jaren zeventig zo succesvol waren? vraagt regisseur Elvis Mitchell zich af bij de start van het video-essay Is That Black Enough For You?!? (135 min.), waarin hij de zwarte Amerikaanse filmhistorie doorlicht.

Aan de hand van een enorme verzameling filmfragmenten laat Mitchell eerst zien hoe (wit) Hollywood door de jaren heen Afro-Amerikanen heeft geportretteerd en vervolgens hoe er in jaren zestig, op de golven van de burgerrechtenbeweging, een zelfbewuste en diverse generatie zwarte filmmakers opstaat, die ruimte vindt voor de authentieke verhalen en personages uit hun eigen wereld.

Met als meest uitgesproken uitingsvorm: de Blaxploitation-films van de jaren zeventig, die kaskrakers als Shaft, Super Fly en Foxy Brown heeft voortgebracht. De benadering van zwarte regisseurs en scenarioschrijvers, de serieuze rollen die daaruit voortvloeien voor iconische acteurs en actrices én de muziek waarmee die verhalen worden aangekeild en begeleid, sijpelen vervolgens ook door naar het werk van witte regisseurs zoals Sergio Leone, Francis Ford Coppola en Quentin Tarantino.

Elvis Mitchell onderbreekt zijn persoonlijk ingestoken en met veel feitjes en weetjes gestutte betoog zo nu en dan voor herinneringen, observaties en constateringen van de prominente Afro-Amerikaanse acteurs en regisseurs Margaret Avery, Harry Belafonte, Samuel L. Jackson, Whoopi Goldberg, Laurence Fishburne, Sheila Frazier, Billy Dee Williams, Suzanne De Passe, Charles Burnett, Glynn Turman, Mario von Peebles Jr. en Zendaya.

In tegenstelling tot de stilistisch verwante essays Disclosure (transcultuur), Body Parts (vrouwbeelden) en Brainwashed: Sex-Camera-Power (het vrouwelijk lichaam) voelt Is That Black Enough For You?!?, mede door Mitchells overcomplete voice-over en het ondanks de aanzienlijke speelduur toch behoorlijk hoge verteltempo, alleen eerder als een op cinefielen gerichte verhandeling over een essentieel stuk filmgeschiedenis dan als een breed toegankelijke beschouwing op de representatie van zwart Amerikanen in film en de maatschappelijke gevolgen daarvan.

Body Parts

Frazer Bradshaw / NTR

Sinds jaar en dag vertellen films en televisie ons hoe te leven én hoe te vrijen. In het fascinerende filmessay Body Parts (86 min.), dat qua opzet en toonzetting doet denken aan The Celluloid Closet (over homoseksualiteit in film), Disclosure (over transmensen in film) en Brainwashed: Sex-Camera-Power (over de vrouw en haar lichaam als object), bekijkt Kristy Guevara-Flanagan met actrices, regisseurs, historici en een imposante hoeveelheid prikkelende film-, televisie- en seriefragmenten hoe Hollywood zich van die taak kwijt – en welke rol en positie seksscènes in het roemruchte verleden hadden.

Ooit, in de beginjaren van de filmindustrie, speelden vrouwen daarbij bijvoorbeeld wel degelijk een vooraanstaande rol. Met allerlei vrouwelijke schrijvers en bekende actrices zoals Betty DavisMae West en Greta Garbo die zowaar spannend of ondeugend mochten zijn en hun eigen seksualiteit gerust konden inzetten. Daarna kwam er, onder druk van de filmkeuring, een nieuwe preutsheid over Hollywood. Vrouwen werden vervolgens lang gereduceerd tot eendimensionale objecten: de liefde van je leven. Moeder de vrouw. Of, voor zwarte actrices, de ideale hulp in huis. Liefst mollig en met een naam als Mammi of Millie.

En toen raakte ook de filmwereld langzaam in de greep van de sixties. Seks keerde in volle glorie terug op het witte doek, vaak ontdaan van elke vorm van romantiek. Wat al die tijd gelijk bleef: mannen zetten de toon. En vrouwen hadden zich daar maar naar te schikken, vertellen bekende actrices zoals Jane Fonda (die als/in Barbarella zou uitgroeien tot een sekssymbool), Rosanna Arquette (die zich als jong meisje een topless-scène liet aanpraten door regisseur Blake Edwards) en Rose McGowan (die met beschuldigingen tegen filmproducent Harvey Weinstein mede aan de basis zou staan van de #metoo-beweging).

‘Film is altijd geweest: mannen die andere mannen laten zien wat zij zien’, zegt regisseur Joey Soloway, die de inclusieve tv-serie Transparent creëerde, over de traditionele ‘male gaze’ van Hollywood. ‘We moeten goed voor ogen houden dat de censoren witte, cisgender, heteronormatieve mannen zijn’, vult Transparents transactrice Alexandra Billings aan over LHBTI-seks in films. ‘Die zeggen: als we dan toch naakt krijgen te zien dan het liefst twee vrouwen samen, want dat is kunst. Penissen zijn pornografie en tieten kunst.’ Én, ook dat was van meet af aan duidelijk, mensen met overgewicht of een (lichamelijke) beperking hebben sowieso geen seks. Tenminste, niet op camera.

Body Parts laat ook zien hoe ’t er praktisch aan toegaat op de filmset, met Hollywood-medewerkers waarvan niet iedereen het bestaan zal kennen: ‘body doubles’ die de naaktscènes van de grote sterren doorgaans overnemen (waaronder Marli Renfro, die zegt dat zij degene is die vooral in beeld is bij de legendarische douchescène uit Hitchcocks Psycho). Of de visual effects-maker die er een dagtaak aan heeft om de moedervlekken, buikjes of sproeten van wereldberoemde ‘hunks’ en femme fatales weg te retoucheren. En dan hebben we ’t niet eens over de ‘nudity rider’, schaamhaarpruiken en ‘Bikini Day’ (ofwel: audities voor jonge actrices).

Bij een beetje bijdetijdse productie loopt sinds The Deuce, David Simons serie over de erotische industrie van New York in de jaren zeventig en tachtig, ook een sekschoreograaf en intimiteitscoördinator rond. Actrice Emily Meade, die daarin de pornoster Lori Madison vertolkte, voelde zich toentertijd niet meer gemakkelijk tijdens naaktscènes en heeft nu weer het gevoel dat ze tijdens opnames de regie heeft over haar eigen lichaam. Het is illustratief voor de ontwikkeling die Hollywood heeft doorgemaakt en – getuige deze scherpzinnige, entertainende en zo nu en dan wrange film – ook móest doormaken om aansluiting te houden met de wereld van nu.

American Movie

Mark Borchardt (l) en Mike Schank (r)

Zijn hele omgeving moet eraan geloven. Mark Borchardt gaat een film maken. En daarbij kan de Amerikaanse slacker iedereen gebruiken: als acteur, crewlid, figurant óf (kleine) financier. Oom Bill bijvoorbeeld. Die zit alleen nogal op zijn centen. Als iemand hem kan overtuigen om tóch een serieuze donatie te doen, dan is het echter Mark. ‘Je komt op de aftiteling te staan als producer’, zegt de wannabe-filmmaker enthousiast, nadat hij zijn oom ook al lekker heeft proberen te maken met een fles rode wijn. Volgens zijn broer Alex kan Mark praten als Brugman. Erg veel fiducie heeft hij echter niet in diens filmcarrière. ‘Hij kan het beste in een fabriek gaan werken.’

Voor hun American Movie (102 min.) uit 1999 volgen Chris Smith en Sarah Price de gedreven filmfreak gedurende enkele jaren terwijl hij zijn pièce de résistance, een no-budget horrorfilm genaamd Northwestern, van de grond probeert te krijgen. Intussen ligt er ook nog een kleinere productie, Coven, om af te ronden. Borchardt laat zich niet uit het veld slaan door alle tegenslag, het gebrek aan geld en de openlijke twijfel vanuit zijn directe omgeving die het jarenlange productieproces begeleiden. Hij richt zich op de kleine geneugten van het filmbestaan. Een begraafplaats bijvoorbeeld, en de mensen die er liggen, als perfecte setting voor een geweldige scène. ‘Eerlijk gezegd dacht ik vroeger dat hij een stalker of seriemoordenaar zou worden’, bekent zijn broer Alex.

Via hun protagonist, die er ook nog drie kleine kinderen op na blijkt te houden en de kost verdient met stofzuigen bij een uitvaartcentrum, portretteren Smith en Price een kleine morsige gemeenschap in Milwaukee, Wisconsin, waarvan de leden met gemak kunnen worden weggezet als een stelletje losers. Neem bijvoorbeeld Marks jeugdvriend Mike Schank. ‘Als je aan de loterij meedoet, win je de ene keer en verlies je de andere keer’, vertelt de enigszins wereldvreemde ‘stoner kid’, die tevens de soundtrack voor deze documentaire heeft verzorgd en door zijn bijdrage aan American Movie een soort cultstatus zal krijgen. ‘Het is echter beter dan drugs of alcohol. Zeker drugs.’ Hij lacht ontwapenend. ‘Dan verlies je altijd.’

Op hun eigen manier leven Borchardt en Schank hun eigen gemankeerde versie van de ‘American dream’. De één weigert een reguliere baan te nemen en blijft compromisloos in zijn eigen droom geloven (hoe provisorisch die ook in leven moet worden gehouden) en de ander steunt hem door dik en dun, zoals een echte vriend doet. Deze cultfilm, die er op het Sundance Film Festival van 1999 met de Grand Jury Prize vandoor ging, wordt daardoor een tragikomisch eerbetoon aan de spreekwoordelijke ‘loser’ die, waarschijnlijk zonder dat hij ‘t zelf doorheeft, subiet ieders hart steelt.

The Last Movie Stars

HBO Max

‘Hoe was het om hen te zijn?’ vroeg acteur, regisseur en schrijver Ethan Hawke zich af toen hij als zestienjarige jongen op school in New Jersey het befaamde acteurskoppel Paul Newman (1925-2008) en Joanne Woodward (1930-…) zag lopen. Zij hadden daar ook een kind in de klas zitten. Paul Newman was zo’n beetje alles wat de jonge Hawke wilde zijn: knap, gelukkig, succesvol en bovendien gezegend met een goed hart.

Terwijl de halve wereld vanwege het Coronavirus in lockdown zit, wordt de volwassen Ethan Hawke door Newmans dochter Claire gevraagd om zich in het befaamde koppel te verdiepen. Hij valt bijna van zijn stoel als hij hoort dat Paul Newman zijn vriend Stewart Stern ooit heeft gevraagd om hem, Joanne en enkele sleutelfiguren uit hun leven te interviewen voor memoires, die uiteindelijk nooit zijn verschenen. De tapes daarvan zijn weliswaar vernietigd, maar de gesprekken blijken volledig te zijn uitgeschreven. Hawke begint te videobellen met bekende vrienden: wisten zij eigenlijk wel dat Paul…? En hadden ze enig idee dat Joanne…? Wat herinneren zij zich überhaupt nog van hen?

Die zoom-gesprekken met collega’s als Martin Scorsese, Sam Rockwell, Zoe Kazan, Richard Linklater, Karen Allen, Mark Ruffalo, Paul Schrader, Steve Zahn, Ewan McGregor, David Letterman, Sally Field en Vincent D’Onofrio vormen een terugkerend element in deze zesdelige serie, die demonstreert hoe Hollywood sindsdien (niets) is veranderd. Hawke en z’n vrinden spreken daarnaast ook indringend over of/hoe ze zich herkennen in Newman en Woodward en over acteren in het algemeen. En daarna stelt hij hen de vraag die al een tijd in de lucht hangt: hebben zij misschien zin om die uitgeschreven gesprekken – en daarmee ook The Last Movie Stars (360 min.) zelf – tot leven te brengen? 

En zo wordt George Clooney de klassieke Hollywood-ster Paul Newman, Laura Linney zijn al even gelauwerde grote liefde Joanne Woodward en pak ‘m beet Brooks Ashmanskas een lekker schmierende schrijver/acteur Gore Vidal. Met verve kleuren zij het archiefmateriaal rond de twee iconen en de talloze fraaie en strategisch ingezette fragmenten uit hun filmografie in. Tegelijkertijd gaat Hawke in gesprek met een dochter uit Newmans eerste huwelijk en de kinderen die hij later tijdens zijn relatie met Woodward kreeg. Zij kijken gezond kritisch terug op het leven van hun ouders, die weliswaar langdurig succes hadden maar ook moesten dealen met hun eigen demonen en gezamenlijke issues.

Met deze dubbelbiografie van epische proporties, waarmee hij weer mensen van vlees en bloed maakt van ooit onaantastbaar gewaande iconen, vertelt Ethan Hawke in wezen tegelijkertijd zijn eigen verhaal als acteur, beroemdheid en (ex-)partner van een grote ster. Zo laat hij bijvoorbeeld ook zijn acterende dochter Maya en echtgenote Ryan aan het woord. Met zijn vrouw, die tevens als producer van deze miniserie fungeert, bespreekt hij bijvoorbeeld kritiek op een voorlopige montage van de productie. Daarmee onderstreept Hawke de meta-visie op zijn onderwerp en vak, die hij wil neerleggen in deze serie. Een scène die niet werkt krijgt en passant een duw in de goede richting.

Hoewel The Last Movie Stars in totaal maar liefst zes uur beslaat – en Hawke daarin zelf een aanzienlijke positie claimt en zich het leven van zijn protagonisten soms ook toe-eigent – blijft de serie moeiteloos overeind. Het is een monument geworden voor twee (buiten)gewone mensen, aan wie je je kunt blijven vergapen en die tegelijkertijd zeer aanraakbaar worden.

Sidney

Apple TV+

Het zou de nodige jaren duren voordat acteur Sidney Poitier (1927-2022) als kind het concept ras, en de daarmee verbonden implicaties, zou begrijpen. In zijn jongste jaren, op Cat Island op de Bahama’s, was hij simpelweg nooit in aanraking gekomen met witte mensen – en de vooroordelen die zij hadden over mensen zoals hij. Eenmaal in de Verenigde Staten zou hij echter al snel leren wat het betekende om zwart te zijn.

Als Afro-Amerikaanse acteur nam hij later belangrijke barrières. Vóór hem werden zwarte acteurs vooral geacht om een grappig stereotype te spelen, vertelt hij in de ietwat brave biografie Sidney (112 min.). Zodat het veelal witte publiek eens goed kon lachen. Poitier tapte echter uit een ander vaatje: in zijn eerste belangrijke rol in No Way Out (1950) speelde hij een zwarte arts die tijdens zijn werk uiterst racistisch werd benaderd. En in de donkerste dagen van het McCarthyisme weigerde hij om een loyaliteitsverklaring te ondertekenen voor zijn rol in Blackboard Jungle (1955).

Gaandeweg groeide Sidney Poitier uit tot een icoon van de Afro-Amerikaanse cultuur. Voor The Defiant Ones (1958) kreeg hij als eerste ‘negro’ een Oscar-nominatie. Vijf jaar later volgde daadwerkelijk een Academy Award voor de hoofdrol in Lilies Of The Field. En weer vijf jaar later, in 1968, won In The Heat Of The Night, waarin hij met Rod Steiger de hoofdrol speelde, de Oscar voor beste film. Intussen onderscheidde Poitier zich, net als zijn vriend Harry Belafonte, ook binnen de Amerikaanse burgerrechtenbeweging.

Sidney Poitiers status als zwart icoon wordt misschien nog wel het beste geïllustreerd door de uitbundige gastenlijst van deze door Oprah Winfrey geproduceerde documentaire, met beeldbepalende Afro-Amerikanen als Morgan Freeman, Quincy Jones, Andrew Young, Spike Lee, Denzel Washington, Hale Berry, Louis Gossett Jr., Lenny Kravitz en Winfrey zelf (die zomaar emotioneel wordt bij de gedachte aan haar grote held). Verder draven witte collega’s als Barbra Streisand, Robert Redford en Lulu op om ‘s mans werk te duiden en schetsen Poitiers tweede echtgenote en zijn dochters de mens achter de superlatieven.

Regisseur Reginald Hudlin geeft de man zelf ruim baan om zijn leven en loopbaan via treffende anekdotes uit te serveren, stipt en passant ook de rafelrandjes van zijn bestaan aan en stut dat geheel weer met een fikse collectie filmfragmenten, smakelijke muziek en nieuwsbeelden van de grote maatschappelijke ontwikkelingen van zijn tijd. Behalve een lofzang op de man en het symbool Sidney Poitier wordt deze film zo ook een viering van de zwarte cultuur.

The Rossellinis

In zekere zin leven ze, ruim veertig jaar na ‘s mans overlijden, nog altijd in zijn schaduw. Daar, bij de uitvaart van Roberto Rossellini, begint ook deze documentaire van zijn oudste kleinzoon Alessandro. Al zijn nazaten begeleiden de grote regisseur, die sinds de film Roma Città Aperta (1945) werd beschouwd als een genie, in 1977 naar zijn laatste rustplaats. Volgens Alessandro lijden ze stuk voor stuk aan dezelfde aandoening: Rossellinitis.

‘Mensen zeiden tegen me: jij bent een Rossellini. Met jouw achternaam kun je geen ober worden’, vertelt Alessandro’s oom Robertino, ooit één van de meest begeerde mannen ter wereld, bijvoorbeeld treffend. ‘Ik mocht eigenlijk alleen maar een genie zijn.’ Tegenwoordig heeft hij zich teruggetrokken op een idyllische plek aan de Zweedse kust, in een huis dat ooit toebehoorde aan zijn moeder Ingrid Bergman, de befaamde actrice en tweede vrouw van zijn vader.

‘Wij waren bij onze geboorte al losers’, zegt Alessandro’s tante Ingrid, die het liefst buiten beeld blijft. ‘Hopeloos!’ Haar tweelingzus Isabella lijdt ogenschijnlijk nog het minst aan de familieziekte. Zij heeft een geslaagde carrière opgebouwd als fotomodel en actrice en voelt zich ook wat ongemakkelijk bij de vragen die haar neef in The Rossellinis (98 min.) op haar afvuurt en de onaantastbare status die hij haar, als rechtgeaarde opvolger van zijn grootvader, toedicht.

Tijdens zijn boeiende rondgang langs verschillende familieleden, doorsneden met filmfragmenten van de patriarch, komt Alessandro gaandeweg tot de conclusie dat hij, de zoon van Roberto Rossellini’s gedroomde opvolger Renzo en een zwarte vrouw, de kleinzoon die opzichtig worstelde met een drugsverslaving, de man ook van twaalf ambachten en dertien ongelukken, misschien wel het meest gebukt is gegaan onder die vermaledijde familienaam en de verpersoonlijking daarvan: zijn grootvader.

Dat familiesysteem heeft hen elk op hun eigen manier gevormd. Daarom kan deze boeiende film eigenlijk ook slechts op één manier tot een (bevredigend) einde worden gebracht: met een gestileerde groepsfoto waarop elk afzonderlijk familielid zijn eigen plek binnen de Rossellinis probeert in te nemen. Zodat in één beeld zichtbaar wordt wat hen bindt én wat hen van elkaar onderscheidt. Alsof stamvader Roberto ze van gene zijde nog eenmaal netjes op hun plek heeft gezet.

One Day Since Yesterday – Peter Bogdanovich And The Lost American Film

Je hebt geen idee wie je bent, zei Orson Welles in de jaren zeventig tegen hem. En inderdaad, bevestigt filmregisseur Peter Bogdanovich in de documentaire One Day Since Yesterday – Peter Bogdanovich And The Lost American Film (59 min.) van Bill Teck uit 2014, in zijn gouden jaren voelde hij zich nooit op z’n plek. ‘Het was alsof iedereen me haatte of op een vreemde manier aankeek. Ik voelde me altijd ongemakkelijk. Behalve als ik alleen was met Cybill.’

De jonge, behoorlijk zelfvoldane Bogdanovich had werkelijk alles: succes, aandacht én Cybill Shepherd, de glamoureuze actrice die een groot deel van de seventies zijn muze en geliefde zou zijn. Bioscoopsuccessen stapelden zich intussen op: van Paper Moon en The Last Picture Show tot What’s Up, Doc?. En toen begon hij aan They All Laughed (1981), een film die door menigeen wordt beschouwd als de laatste film van de jaren zeventig, het decennium waarin eigenzinnige regisseurs de macht grepen in Hollywood en de ene na de andere messcherpe klassieker afleverden.

Tijdens de filmopnames werd Peter Bogdanovich (1939-2022) smoorverliefd op Dorothy Stratten, een beeldschone blondine die al Playboy’s Playmate Of The Year was geweest en nu een filmcarrière ambieerde. Nog vóór hun gezamenlijke project kon worden afgerond werd zij echter vermoord door haar voormalige echtgenoot Paul Snider. Daarna braken er inktzwarte jaren aan voor Bogdanovich, een periode waarin hij zichzelf en zijn carrière even helemaal kwijtraakte. Hij schreef wel een boek over zijn tragische liefde: The Killing Of The Unicorn.

Dit verhaal – van een leven en loopbaan die door een persoonlijk drama helemaal ontsporen – wordt geïllustreerd met veel speelfilmfragmenten en setfoto’s en vervolgens ingekaderd door de man zelf, zijn zus en z’n dochters, waarbij ook persoonlijke medewerkers, collega’s als Quentin Tarantino, Wes Anderson en Noah Baumbach en acteurs waarmee de filmmaker meermaals werkte, zoals Jeff Bridges, Ben Gazzara en Cybill Shepherd, hand- en spandiensten verrichten. Peter Bogdanovich wordt zo de held die zich niet klein laat krijgen. Net als in de film.

En dan blijkt Dorothy Stratten een jongere zus te hebben: Louise.

Basic Instinct: Sex, Death & Stone

NTR

Dat ene shot máákte zogezegd haar carrière. Toen de Amerikaanse actrice Sharon Stone de ondervragingsscène uit Basic Instinct voor het eerst terugzag, dacht ze echter dat die het einde van haar loopbaan zou inluiden. Waar Stone tijdens de opnames nog had gedacht dat er niets van haar naakte onderlijf was te zien toen ze uitdagend haar benen over elkaar sloeg, bleek er in de uiteindelijke film wel degelijk een heel klein beetje schaamhaar te zien.

En door zulke scènes dreigde de scandaleuze film van de Nederlandse regisseur Paul Verhoeven in 1992 door de Amerikaanse filmkeuring te worden geclassificeerd als tweederangs seksfilm. Niet veel later stond bovendien de LHBTIQ+-gemeenschap op z’n achterste poten toen bleek dat de vamp Stone een biseksuele lustmoordenaar vertolkte. Basic Instinct zou desondanks – of misschien ook wel een beetje daardoor – uitgroeien tot een enorme hit, een messcherpe, geile en superspannende film.

Drie jaar later maakte Verhoeven zo’n beetje de anti-Basic Instinct: de karikaturale strippersfilm Showgirls, een enorme flop die jarenlang werd beschouwd als één van de slechtste films aller tijden. Inmiddels is dit ‘masterpiece of shit’ vreemd genoeg toe aan een soort herwaardering. Die kreeg zijn weerslag in de essayistische documentaire You Don’t Nomi. En nu is ook die andere film, de kaskraker die wél sexy was, onderwerp van een eigen docu: Basic Instinct: Sex, Death & Stone (53 min.) van Jacinto Carvalho.

De opzet daarvan is een stuk bescheidener. Geen optelsom van eigenzinnige visies op de ongrijpbare cineast Verhoeven en wat hij met zijn werk zou kunnen hebben bedoeld, maar een interessante terugblik op het ontstaan, maken en uitbrengen van die ene controversiële Hollywood-klassieker. Met alle personen die ertoe doen, dat wel: Verhoeven zelf, scenarioschrijver Joe Eszterhas, cameraman Jan de Bont, editor Frank J. Urioste en de hoofdrolspelers Michael Douglas en Sharon Stone. 

En met name die laatste, de actrice die in eerste instantie te weinig ‘star quality’ leek te hebben en aan wie nog tijdens de opnames openlijk werd getwijfeld, heeft daarbij een intrigerende inbreng. Want haar seksueel geladen rol in Basic Instinct mag Stone dan ogenschijnlijk veel hebben gebracht. De film heeft haar, als vrouw die haar nek boven het maaiveld uitsteekt in een onvervalste mannenwereld, volgens eigen zeggen misschien nog wel meer gekost.

Hitler En De Macht Van Het Beeld

Heinrich Hoffmann / NOS

Al lang voordat hij een machtige leider was, werd Adolf Hitler al als zodanig geportretteerd. Dat was een weloverwogen keuze: als het beeld maar krachtig genoeg is, volgt de werkelijkheid vanzelf. Centraal in die bepalende beeldvorming was Heinrich Hoffmann, de fotograaf van de NSDAP, betoogt Hitler En De Macht Van Het Beeld (135 min.).

Hoffmann zorgde er bijvoorbeeld voor dat Hitler op foto’s altijd centraal in beeld stond, dan streng in de camera tuurde en zo overkwam als een sterke leider. Een echte staatsman, die achter de schermen stiekem op grote gebaren oefende. Beelden waarop de aanstaande Führer als een gewoon kwetsbaar mens was te zien werden natuurlijk zorgvuldig weggehouden van gewone Duitsers. Tegelijkertijd moest hij als een echte man van het volk worden geportretteerd.

Die delicate balanceeract vormt de kern van de eerste aflevering van dit interessante journalistieke drieluik, waarin de beeldonderzoekers Erik Somers en René Kok van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), die onlangs het boek Adolf Hitler, De Beeldbiografie uitbrachten, worden gevolgd bij hun pogingen om Hitlers beeldvoering te reconstrueren. Daarbij komen ook diverse historici, direct betrokkenen en overlevenden aan het woord.

Deel 2 van de miniserie van Mélinde Kassens en Arjan Nieuwenhuizen belicht de periode dat Hitler, na de door propagandaminister Joseph Goebbels gedirigeerde verkiezingscampagne Hitler Über Deutschland, aan de macht komt: de slinkse campagnes om de jeugd aan deze vader des vaderlands te binden, Richard Wagners bombastische muziek, het massamedium radio, de duivels knappe propagandafilms van Leni Riefenstahl en het ultieme witwasevenement, de Olympische Spelen van Berlijn.

In het slot buigt Hitler En De Macht Van Het Beeld zich over de oorlogsjaren, als Adolf Hitler steeds meer een geïsoleerde leider wordt. Op de beelden van die tijd blijft hij echter het onbetwiste ‘Dreh- und Angelpunkt’ van de Duitse oorlogsmachine. Intussen is het onafwendbare verlies van nazi’s nooit te zien. Zulke beelden zijn pas achteraf, toen Hitlers nederlaag al was bezegeld, beschikbaar gekomen. En toen zou er nog veel meer bewijsmateriaal tegen de nazi’s boven tafel komen…

Als Der Führer zijn land, miljoenen mensen en zichzelf in de afgrond heeft gestort, krijgt zijn beeltenis ook zijn definitieve karakter: als verpersoonlijking van het kwaad. Deze miniserie drukt eenieder echter nog eens goed met de neus op de feiten: een leider die de media van zijn tijd beheerst, zowel letterlijk als figuurlijk, kan tot ongekende hoogten stijgen – of voorgaan in een afdaling richting de hel.

The Mystery Of Marilyn Monroe: The Unheard Tapes

Netflix

De vraag wordt vrijwel direct opgeworpen: was de dood van Marilyn Monroe op 4 augustus 1962 een onfortuinlijk ongeluk, zelfdoding of toch moord? Voordat regisseur Emma Cooper in The Mystery Of Marilyn Monroe: The Unheard Tapes (102 min.) op zoek gaat naar een antwoord, probeert ze eerst achter de schermen te kijken bij ‘het grootste sekssymbool van de twintigste eeuw’, in werkelijkheid een kwetsbare vrouw die haar hele leven op zoekt lijkt te zijn geweest naar (zelf)liefde en geborgenheid.

De Ierse onderzoeksjournalist Anthony Summers fungeert daarbij als bruggenhoofd. Voor de biografie Goddess: The Secret Lives Of Marilyn Monroe (1985) sprak hij met talloze bronnen uit de directe omgeving van de Amerikaanse actrice, die in werkelijkheid Norma Jeane Mortenson heette. De tapes daarvan, 650 in getal, zijn voor het eerst te horen in deze documentaire. Zo komen onder anderen regisseur John Huston (The Asphalt Jungle), actrice Jane Russell, Hollywood-agent Al Rosen, Monroe’s huishoudster Eunice Murray en regisseur Billy Wilder (Some Like It Hot) aan het woord, waarbij acteurs lipsynchroon – een enigszins onwerkelijke ervaring – voor de bijbehorende beelden zorgen.

Via Marilyn Monroe’s verhoudingen met beroemde mannen – zoals honkbalheld Joe DiMaggio, toneelschrijver Arthur Miller en de gebroeders Kennedy, president John en zijn minister van justitie Robert – koersen Cooper en Summers af op die fatale zaterdag in 1962, als hun protagonist op 36-jarige leeftijd overlijdt, als gevolg van een overdosis slaappillen. Daarbij zoomt de film nog eens nadrukkelijk in op Monroe’s relatie met de Kennedys en laat Anthony Summers primaire bronnen horen zoals hun zwager Peter Lawford, Robert Kennedy’s secretaresse Angie Novello, privédetective Fred Otash en diens medewerker John Danoff (die Monroe en de gebroeders Kennedy afluisterde in de slaapkamer).

Summers’ grootste troef vormen de vrouw en kinderen van Ralph Greenson, ‘de psychiater van de sterren’, bij wie Marilyn Monroe de laatste jaren van haar leven in behandeling was. Omdat zij regelmatig bij hen thuis kwam en een vriendschap met hen opbouwde, kunnen zij uit de eerste hand vertellen hoe de grote ster, opgegroeid in pleeggezinnen en weeshuizen, privé worstelde met wie ze voor menigeen was: ‘een stuk vlees’. Ze probeerde haar disbalans vervolgens onschadelijk te maken met pillen. Dat zijn geen nieuwe inzichten, zoals ook de exploitatie van vrouwen in het oude Hollywood geen verrassing mag zijn, maar deze stevige film slaagt er met iconische beelden en obscuur archiefmateriaal in om de levensloop van de bekoorlijke blondine treffend te verbeelden.

En over de tragische afloop daarvan – naakt op haar eigen bed, met een telefoonhoorn in de hand, in haar huis te Brentwoord, Californië – heeft The Mystery Of Marilyn Monroe bovendien een geloofwaardige hypothese – ook al is die bepaald niet nieuw. Summers en Cooper blijven daarmee uit de buurt van al te buitenissige complottheorieën.

This Much I Know To Be True

Piece Of Magic

De één gold een kleine veertig jaar geleden met de post-punkband The Birthday Party als de wildeman van de Australische muziek, de ander werd begin jaren negentig als voorman van het instrumentale trio The Dirty Three ‘de Hendrix van de viool’ genoemd. Toen Nick Cave in 1993 een violist nodig had voor een opname met zijn nieuwe band The Bad Seeds benaderde hij natuurlijk Warren Ellis. Die bleek een blijvertje.

‘Hij schikte zich in eerste instantie in een ondergeschikte rol en verfraaide gewoon wat we toch al deden’, vertelt Cave, ooit de ster van zijn eigen mockumentary 20.000 Days On Earth, in de (privé)concertfilm This Much I Know To Be True (105 min.) van Andrew Dominik. ‘En vervolgens heeft hij gewoon één voor één de leden van The Bad Seeds eruit gewerkt. Ik ben de volgende op zijn lijst. Hij begint tegenwoordig ook steeds meer te zingen.’

Van zulke meligheid is uiteindelijk geen woord gelogen: Warren Ellis speelt allang geen tweede viool meer. Hij speelt sowieso lang niet altijd viool. De twee zijn volwaardige samenwerkingspartners geworden: in The Bad Seeds en het zijproject Grinderman. Als filmcomponisten voor producties zoals The Proposition, Andrew Dominiks The Assassination Of Jesse James By The Coward Robert Ford en de prachtdocu The Velvet Queen.

En onder de noemer Nick Cave & Warren Ellis. In die laatste hoedanigheid zijn ze ook te zien in deze film van Dominik, die Cave in One More Time With Feeling (2016) al eens portretteerde toen die rouwde om zijn overleden zoon Arthur. Deze docu is geen logisch vervolg – er zit overigens ook een film tussen: Cave’s stemmige solo-performance Idiot Prayer – en heeft ook niet zo’n topzware lading, maar voelt toch wel vergelijkbaar.

This Much I Know To Be True bestaat voor het leeuwendeel uit een privé-optreden, opgenomen in het voorjaar van 2021, waarin het illustere duo op gezette tijden wordt bijgestaan door een strijkkwartet, drummer en achtergrondkoor. De locatie, in Brighton en Londen, is uiterst sfeervol. Net als de ‘in your face’-registratie. Dynamisch, fraai uitgelicht en héél intiem. Alsof de twee alleen voor jou, en mij, optreden.

Dominik lardeert dit bezwerende geheel, ogenschijnlijk lukraak, met enkele scènes (de entree en spoken word-performance van een inmiddels erg broze Marianne Faithfull bijvoorbeeld) en losse interviewfragmenten (waarin Cave bijvoorbeeld vertelt over The Red Hand Files, een website waarop hij uitgebreid en zeer persoonlijk ingaat op vragen van fans). Die zijn soms best aardig, maar het is toch echt de muziek die ’t moet doen.

Met een uitgelezen selectie songs van het Bad Seeds-album Ghosteen (2019) en de Cave/Ellis-collaboratie Carnage (2021) creëren Nick Cave en Warren Ellis een soort sacrale atmosfeer, de perfecte manier om in tijden van quarantaine en lockdowns – of als je niet zo nodig onderdeel wilt zijn van een mensenmassa – tóch onderdeel te worden van een concert.