Hemelbestormers

Geertjan Lassche

Bij het beklimmen van een hooggebergte klimt de dood mee, zegt expeditie-organisator René de Bos in de documentaire Hemelbestormers (90 min.) uit 2014. Hij weet waar hij over praat: in 2009 stierf zijn beste vriend Dennis Verhoeve bij de Cho Oyu, de zusterberg van de Mount Everest. Als er toch gewoon weer een expeditie naar de bergtop wordt georganiseerd, sluit ook filmmaker Geertjan Lassche, altijd op zoek naar de grenzen van zijn personages en zichzelf, zich aan bij de groep van expeditieleider Wilco van Rooijen.

Van Rooijen en De Bos organiseren commerciële beklimmingen. ‘13.000 euro, exclusief uitrusting’, volgens Lassche in dit artikel over de helletocht naar de bergtop op zo’n 8000 meter hoogte, op de grens tussen Tibet en Nepal. Hij wil een klimfilm maken, die nu eens niet is gefinancierd door Red Bull of de outdoor-industrie, ‘waarbij de personages vaak als “helden” eindigen’. Samen met cameraman Frank Moll gaat de Nederlandse filmmaker de uitdaging aan. In het besef dat de berg de regie heeft en je zelf altijd, letterlijk, achter de feiten aanloopt.

Óók doordat de man met ervaring, de illustere Wilco van Rooijen, als puntje bij paaltje komt altijd voor zichzelf kiest. Terwijl de onervaren deelnemer Hugo alleen is achtergebleven, gaat hij bijvoorbeeld gewoon een poging ondernemen om de top te halen. ‘Wilco zal en moet als eerste op die top staan’, constateert een andere deelnemer, Bart, verontwaardigd. ‘Dit is geen eigenschap van een expeditieleider.’ Op eenzame hoogte is het echter ieder voor zich – en mag je als deelnemer aan een gevaarlijke expeditie, blijkbaar, niet rekenen op de begeleider die je zelf betaalt.

‘Ja, sorry, we zijn hier niet aan het spelen in de Alpen’, reageert die later laconiek. ‘Dit is gewoon de Himalaya. Je mag er toch van uitgaan dat iemand voor zichzelf kan zorgen? Ook een jongen van 24. En als je dan een keer een pak op je donder krijg, is dat hartstikke goed. Daar leer je van en die fout maak je nooit meer.’ Zijn klimkompaan Cas van de Gevel maakt zich er nóg minder druk om: ‘Het is ook nooit levensbedreigend geweest. Die gozer heb gewoon een kutnacht gehad. Dat is het gewoon. Volgende dag weer verder. Niks aan de hand.’

Het egoïsme ligt er duimendik bovenop, maar dat is wellicht ook noodzakelijk om de top te bereiken, niet alleen van de berg. Het is een constatering, die tevens doorklinkt in Lassches indringende vragen aan de expeditieleiders. Hemelbestormers is dan ook niet zozeer een klimfilm – al zijn de nietsontziende berg en z’n gevaren en ontberingen natuurlijk alom tegenwoordig in deze krachtige documentaire – maar een zoektocht naar wat dit soort gepassioneerde mensen werkelijk drijft en wat zij, en anderen, daarvoor moeten laten.

Voor Lassche, die in films als De Uitverkorenen, Niemand Kent Mij (over wielrenner Thomas Dekker) en De Mooiste Marathon al vaker het wezen van extreme winnaars probeerde te doorgronden, zou het ook wel eens een verkapt zelfportret kunnen zijn.

Hemelbestormers is hier te bekijken.

Touching The Void

Samen gaan ze de berg op. De Siula Grande in Peru, een ongenaakbare top in het Cordillera Huayhuash-gebergte. Dat vergt blind vertrouwen. In jezelf. Én die ander. Simon Yates en Joe Simpson zijn gezworen vrienden als ze in 1985 de Andes-top besluiten te beklimmen.

Samen vertellen ze ook het verhaal van hun tocht naar de top. In Touching The Void (106 min.), een bloedstollende klimfilm van Kevin Macdonald uit 2003, vullen ze elkaar netjes aan. Tótdat hun wegen zich noodgedwongen scheiden, ze voor een onmogelijk dilemma worden gesteld en het écht ieder voor zich wordt.

Macdonald heeft de herinneringen van Yates en Simpson overtuigend verfilmd met acteurs. Zo ontstaat een spannend docudrama, waarin zitinterviews met de hoofdrolspelers, die recht in de camera hun verhaal doen, naadloos samenvloeien met beelden van de nagespeelde beklimming en afdaling en de daarbij gecomponeerde soundtrack.

Touching The Void is zowel een eerbetoon aan menselijke veerkracht en overlevingsdrang als een exposé van onze werkelijke, dierlijke, aard. Zware tijden maken nu eenmaal geen ander mens van je, ze halen je werkelijke zelf naar boven. Én, dat ook, de aalgladde muziek van Boney M. En daarmee wil natuurlijk geen mens sterven…

In de korte nabrander Touching The Void What Happened Next is te zien wat er direct na de dramatische ontknoping van de documentaire gebeurde met de twee klimmers en hun entourage.

Man On Wire

In de Oscar-winnende documentaire Free Solo stelt Alex Honnold zijn leven in de waagschaal voor een zelf opgelegd bovenmenselijk doel. Zonder enige vorm van zekering, free solo, wil hij de negenhonderd meter hoge bergwand El Capitan beklimmen. Als hij daarin slaagt, valt hem eeuwige roem ten deel. Anders wacht de peilloze diepte en een roemloze dood.

Ruim veertig jaar eerder wilde Philippe Petit, de hoofdpersoon van de eveneens Oscar-winnende documentaire Man On Wire (94 min.) uit 2008, koste wat het kost een soortgelijke megalomane prestatie leveren. In 1974 probeerde hij als koorddanser de Twin Towers van het New Yorkse World Trade Center te bedwingen. Via een koord tussen de twee torens, op ruim vierhonderd meter hoogte, liep de Fransman van de ene naar naar de andere kant.

Omdat hoogmoed niet altijd voor de val hoeft te komen, kan hij het nog steeds navertellen. ‘Het feit dat koorddansen wordt omringd door de dood maakt het fantastisch’, zegt Petit, een man die zichzelf graag hoort spreken en grote woorden bepaald niet schuwt, in dat karakteristieke Engels met een Franse inslag. ‘Want daardoor moet je het héél serieus nemen. Een heel klein foutje of een fractie van een seconde niet opletten, kan je je leven kosten.’

Behalve de waaghals zelf komen in deze boeiende film ook enkele handlangers aan het woord. Zij faciliteerden ‘de coup’ en riskeerden daarmee problemen met de wet. Want legaal was het natuurlijk niet om van de ene naar de wolkenkrabber te dansen. En wat als het fout zou aflopen? Philippe Petit had echter geen keuze. Hij was voorbestemd voor de Twin Towers – of zij voor hem. ’Hij kon niet meer verder leven als hij niet had geprobeerd om die torens te veroveren’, zegt zijn vriendin Annie. ‘Het voelde alsof ze speciaal voor hem waren gebouwd.’

Marsh reconstrueert Petits briljante/bezopen actie, waarmee hij in de hele wereld verbazing en bewondering oogst. De filmmaker kan daarbij teruggrijpen op een heel arsenaal archiefmateriaal en vult dit aan met nieuw geschoten beelden. Met die bouwstenen, bijeengehouden door weelderige klassieke muziek, fabriceert hij zowel een overtuigende narratief over ‘the artistic crime of the century’ als een fascinerende karakterschets van een man met meer geldingsdrang dan eigenlijk goed voor hem is.

Zo bezien zijn er inderdaad opvallende parallellen tussen Man On Wire en Free Solo. Er is ook een belangrijk verschil: waar Honnold niets te verliezen lijkt te hebben, wil Petit heel nadrukkelijk winnen.

Losers

Bij een serie sportdocumentaires over ‘losers’ ga je automatisch bedenken wat Nederlandse bijdragen aan de reeks zouden kunnen zijn. Even vluchtig nadenken leverder al snel op: de onfortuinlijke debutant in het Nederlands elftal Marcel Peeper, schaatser Hilbert van der Duim die een ronde te vroeg dacht dat hij klaar was (commentator Leen Pfrommer: ‘Hilbert, jongen, je moet doorrijeh!’) en de spelers van het Feyenoord dat in 2010 met 10-0 werd afgedroogd door PSV.

In Losers, een pakkende titel waarbij de vlag de lading niet helemaal dekt, worden acht vergeten sportverhalen opgediept. Niet zozeer over verliezers als wel over sporters die werden geconfronteerd met diepe teleurstellingen of fikse ontberingen. Over een bokser die eigenlijk nooit de ring in wilde (en liever in Hollywood had gewerkt) en tegen een pijnlijke knockout oploopt. Een Brits voetbalteam, dat degradatie uit de allerlaagste divisie probeert te voorkomen en in het allesbeslissende duel wordt geconfronteerd met een bijtgrage politiehond. En een zwarte kunstschaatster uit Frankrijk die de volledig witte ijsdanswereld op zijn grondvesten doet schudden.

Meest in het oog springend is het relaas van de Italiaanse marathonloper Mauro Prosperi. Hij belandt tijdens de Marathon des Sables, een loodzware woestijnrace in Marokko, in een zandstorm, raakt vermist en moet noodgedwongen zijn eigen urine drinken en vleermuizen eten om te overleven. Het kost hem niet alleen bijna zijn leven. ’Met Indiana Jones leven is moeilijk omdat Indiana Jones er nooit is’, zegt zijn vrouw Cinzia met de nodige (zelf)spot. ‘En Indiana Jones denkt dat het hele leven uit avonturen bestaat. Maar het leven zelf is het avontuur.’

Deze achtdelige serie van Mickey Duzyj heeft een opzet die is te vergelijken met Andere Tijden Sport. In afleveringen van ongeveer een half uur wordt een vormende gebeurtenis uitgewerkt met de betrokken sporter, diens directe omgeving en enkele kenners van de desbetreffende sport. Het is een aanpak die bijna niet kan mislukken, al is-ie ook wat voorspelbaar. Alleen de geanimeerde scènes, waarmee herinneringen en gebeurtenissen uit het verleden worden verbeeld, geven Losers een eigen signatuur. In essentie zijn het echter gewoon verhalen, zoals die al veel vaker, soms beter en vaak slechter, zijn verteld. Over (jezelf) overwinnen – of niet.

En daarvan zijn er, zo lijkt het, nooit genoeg.

The Dawn Wall

Twee of drie weken zal het ze zeker kosten. De ‘Dawn Wall’ van El Capitan in het Amerikaanse Yosemite National Park. Een steile bergwand van negenhonderd meter hoogte. Ze hebben er jaren voor geoefend. Tot in detail uitgedokterd hoe de 32 pitches van de klim moeten worden genomen. En dan worden Tommy Caldwell en Kevin Jorgeson, als ze zowat halverwege zijn, ontdekt door de Amerikaanse media.

Die happen massaal toe als de bewezen klimmer Tommy, tegen alle verwachtingen in, voorbij de traverse van pitch 15 komt. Nieuwsanchors en verslaggevers beginnen te reppen over ‘the climb of the century’. Terwijl de relatief onervaren Kevin diezelfde pitch nog gewoon moet bedwingen, iets waarin hij tot dusver nooit is geslaagd. Voor het oog van de wereld blokkeert hij. De traverse lijkt een onneembare veste.

In de portaledge van het duo, een winderig tentje dat op honderden meters hoogte tegen de bergwand is gehangen, zullen ze moeten beslissen of Tommy wacht op zijn partner of alleen doorgaat naar de top van The Dawn Wall (100 min.) en daar geschiedenis probeert te schrijven. Een duivels dilemma, dat fungeert als emotioneel hart van deze boeiende documentaire van Josh Lowell en Peter Mortimer.

De filmmakers leggen de heroïsche tocht van het tweetal natuurlijk vast met monumentale beelden. Tegelijkertijd concentreren ze zich ook op het kleine verhaal dat daarachter steekt, van twee jongens die elkaar en – vooral – zichzelf iets proberen te bewijzen. Daarvoor verbinden ze de klim met de persoonlijke geschiedenis van Tommy. De kijker krijgt gedoseerd informatie gevoerd, zodat er steeds nog wat blijft te ontdekken.

Dit draagt bij aan de zeggingskracht van deze epische film, die ook in dat opzicht grote overeenkomsten vertoont met de grote klimdocu van 2018, Free Solo, waarin Tommy Caldwell toeziet (of moet toezien) hoe zijn collega-klimmer Alex Honnold El Capitan zonder enige vorm van zekering probeert te bedwingen.

Free Solo

Ben of word je medeplichtig als je iemand filmt die doelbewust zijn leven in de waagschaal stelt? Dat vraagt filmmaker Jimmy Chin zich af tijdens het portretteren van Alex Honnold. De Amerikaan doet aan ‘free solo’, vrij klimmen. Hij beklimt indrukwekkende bergwanden, zonder enige beveiliging. Één klein foutje is direct fataal. Of zoals Honnold het zelf stelt: ‘De kans dat ik naar beneden val is vrij klein, maar de consequenties zijn dan extreem groot.’

Juist klauterend tegen zo’n steile wand, zonder vangnet op eenzame hoogte, voelt hij zich echter werkelijk vrij. ‘Volgens mij is iedereen die van ‘free soloing’ een belangrijk onderdeel van zijn leven maakte nu dood’, werpt medeklimmer Tommy Caldwell droog tegen. Honnolds nieuwe vriendin Sanny McCandless kan in de enerverende documentaire Free Solo (99 min.) ook maar niet begrijpen waarom hij zulke risico’s wil nemen. Zelf blijft de klimmer er stoïcijns onder. Wat heeft hij ook te verliezen?

Volgens eigen zeggen haalt Alex Honnold inspiratie uit zijn ‘bodemloze put van zelfhaat’. Hij refereert daarbij aan zijn ‘liefde’-loze jeugd. Thuis werd dat woord in elk geval nooit gebezigd. Moeder Dierdre, lerares Frans, zei op zijn best ‘je t’aime’. Ze sprak immers consequent Frans tegen haar kinderen. En Honnolds jong overleden vader sprak al helemaal nergens over. Achteraf bezien had hij volgens moeder waarschijnlijk een autismespectrumstoornis.

Hun volwassen kind Alex, dat zichzelf op latere leeftijd moest leren knuffelen, heeft zich nu in zijn hoofd gehaald dat hij als eerste free solo El Capitan, een negenhonderd meter hoge bergwand in het Yosemite National Park, moet beklimmen. Daarbij zal hij worden gevolgd door Chins cameraploeg van ervaren klimmers (die overigens wél goed zijn gezekerd). Verhoogt hun aanwezigheid de druk op Honnold? En in hoeverre heeft zijn nieuwe vriendin hem week gemaakt? Met andere woorden: staat er nu ineens wél wat op het spel voor hem?

Moeten Jimmy Chin en zijn co-regisseur Elizabeth Chai Vasarhelyi Alex Honnold tegen zichzelf in bescherming nemen en hem zijn snode plan uit het hoofd proberen te praten? Of mogen ze die beslissing bij hemzelf laten en ‘gewoon’ het hele proces – de loodzware trainingen, het al dan niet definitieve afscheid van Sanny en de adembenemende soloklim zelf – vastleggen? Deze zenuwslopende film vormt het uiteindelijk vanzelfsprekende antwoord.

Living To The Max

 

Hoeveel micromort staat er eigenlijk voor het schrijven van dit stukje? Één? Of toch gewoon nul? De wiskundige Ronald Howard bedacht de micromort als eenheid om mortaliteit aan te geven. Een micromort staat voor een kans van één op één miljoen dat je een activiteit met de dood bekoopt. Volgens de jongerendocu Living To The Max (48 min.) mogen we voor het lopen van een marathon 7 micromort rekenen, voor het roken van een pakje sigaretten 15 en voor het krijgen van een kind maar liefst 122.

Welkom in de wereld van de sensatiezoekers, waarin je wordt rondgeleid door maar liefst drie makers: Hansje van de BeekFrederick Mansell en Laurens Samsom. Zij zoeken enkele onvervalste daredevils op, bespreken de kick en verslavende werking van extreme sporten en leggen hen tevens een sensatietest voor, waarop ze op een tienpuntschaal opvallend hoog scoren: BMX-er Daniel Wedemeijer (9), freediver Jeanine Grasmeijer (7) en windsuit basejumper Jarno Cordia (9). Via vader Jos gooien ze bovendien een lijntje uit naar ’s lands bekendste thrill seeker, Max Verstappen. Hoe zou hij scoren?

Intussen vraagt het vlotte drietal zich af hoe het kan dat we, in een wereld waarin voortdurend voor gevaar wordt gewaarschuwd en waarin je je voor alle mogelijke risico’s kunt indekken, massaal filmpjes en foto’s liken van helden/dwazen die hun leven letterlijk in de waagschaal stellen voor een prestatie, truc of stunt met onnoemelijk veel micromorts? En in hoeverre spelen commerciële belangen nog een rol bij al die halsbrekende toeren? Met andere woorden: zorgen de sponsoren van allerlei spectaculaire evenementen voor extra druk om de menselijke grenzen nog eens verder op te rekken?

Van de Beek, Mansell en Samsom die zonder duidelijke rolverdeling opereren, afwisselend interviewen en camera of geluid doen en de boel lekker ruw hebben gemonteerd, zoeken duiding bij psychiater Damian Denys, schrijver Arjen van Veelen en neurowetenschapper Ruth van Holst, die deze vlotte en vermakelijke film van een serieuze onderlaag voorzien. ‘Voor wie de dood in de ogen kijkt’, stelt Denys bijvoorbeeld, ‘krijgt het leven meer betekenis.’

Na afloop heeft Risicomijder Boeijen, die het schrijven van dit stukje (nul micromorts) zowaar blijkt te hebben overleefd, overigens zelf ook de sensatietest nog gedaan. Met de uitslag kan moeiteloos de kick en verslavende werking van de kijkbuis voor mij worden verklaard.

Bload Road

 

Op weg naar haar overleden vader leert ze zichzelf kennen. Dat had zomaar de tagline van de documentaire Blood Road (95 min.) kunnen zijn. In deze groots opgezette film van Nicholas Schrunk rijdt de Amerikaanse mountainbiker Rebecca Rusch de beruchte Ho Chi Minh Trail in Vietnam, op weg naar de plek waar in 1972 het vliegtuig van papa Steve crashte.

Ruim 1200 mijl door onherbergzaam terrein moeten Rebecca en haar Vietnamese gelegenheidspartner Huyen Nguyen, die natuurlijk ook haar eigen verhaal van liefde en verlies meebrengt, afleggen tijdens hun ontdekkingstocht. Die wordt vanuit alle hoeken en gaten vastgelegd, onder andere met prachtige droneshots vanuit de lucht.

De ontberingen van de twee tegenpolen worden door Schrunkversneden met de geschiedenis van de oorlog in Vietnam en het persoonlijke verhaal daarin van de Amerikaanse piloot Steve Rush, dat wordt verteld via interviews met familie, vrienden en collega-militairen en zijn eigen brieven naar vrouw en kinderen.

Terwijl zijn dochter, bijgenaamd ‘the queen of pain’, ruim twintig jaar na zijn dood haar lijf helemaal leeg trekt op de zogenaamde ‘blood road’, bloeit haar hart weer open. Intussen wordt er in deze overtuigende, hoewel licht voorspelbare film ook nog even een dikke streep gezet onder die verwoestende Vietnam-oorlog.

The Barkley Marathons: The Race That Eats Its Young

 

Ooit gehoord van The Barkley Marathons? Een bizarre ultramarathon, waarbij de deelnemers maar liefst 120 mijl moeten afleggen binnen maximaal 60 uur. Vrijwel niemand haalt de eindstreep. ‘Je kunt nu eenmaal niets bereiken’, zegt organisator Gary Cantrell met gevoel voor understatement in de bijbehorende documentaire. ‘Als er geen kans is dat het mislukt.’

Elk jaar zet Cantrell in de onherbergzame bossen van de Amerikaanse staat Tennessee, geïnspireerd door de tocht die de moordenaar van Martin Luther King ooit in hetzelfde gebied aflegde, een genadeloos parcours uit, dat nauwelijks wordt gemarkeerd. Behalve lopen, klimmen en ploegen moeten de maximaal veertig deelnemers dus ook kunnen navigeren en spoorzoeken.

Om te bewijzen dat ze daadwerkelijk alle tussenstations zijn gepasseerd, moeten de atleten bij de finishlijn boekpagina’s overleggen, die ze onderweg uit strategisch geplaatste klassiekers hebben gescheurd. Als ‘inschrijfgeld’ voor de ultramarathon dienen ze bovendien 1,60 dollar en een paar sokken of een flanellen blouse te overleggen. Waar Cantrell dat jaar toevallig behoefte aan heeft…

Het zijn zulke smeuïge details die The Barkley Marathons tot zo’n bijzondere race en deze documentaire (89 min.) tot zo’n vermakelijke film maken. Cantrell, de slimme broer van Gekke Gerrit, lacht snaaks: ‘Voor sommige mensen is alleen al levend terugkeren op het basiskamp het allermooiste wat ze kunnen bereiken.’

Losing Sight Of Shore

 

Deze enerverende documentaire van Sarah Moshman over moed, doorzettingsvermogen en vriendschap staat al even op Netflix, maar ik was er nog niet aan toegekomen om hem te bekijken.

In Losing Sight Of Shore (91 min.) gaat een groepje vrouwen de ultieme uitdaging aan: de zogenaamde Coxless Crew roeit over de Grote Oceaan, van San Francisco in de Verenigde Staten via Hawaï en Samoa naar Cairns in Australië.

In totaal moeten de vrouwen ruim 15.000 kilometer afleggen. Bijna driekwart jaar lang brengen ze met elkaar door, op een hele kleine boot. In een dodelijk ritme ploegen ze door: twee uur roeien, twee uur eten en slapen. Elke dag weer.

Het is een fysieke uitputtingsslag die ze aangaan, maar zeker ook een mentale en sociale uitdaging, die in deze fijne film met behulp van allerlei kleine camera’s treffend in beeld wordt gebracht.