Opa Blitz En De Zilveren Theelepeltjes

EO

‘Opa is tijdens de Tweede Wereldoorlog opgepakt met Oranje-propaganda. Samen met een compagnon. En die compagnon, die was de volgende dag weer thuis, maar opa is nooit meer teruggekomen.’ Veel meer had sportpsycholoog/auteur Peter Blitz, die in 2015 overleed, niet over zijn vader Simon te vertellen. Peters zoon David wil echter véél meer weten over de grootvader die hij nooit heeft gekend en gaat op zoek naar het verhaal achter Opa Blitz En De Zilveren Theelepeltjes (52 min.).

‘Het begint me duidelijk te worden dat er een vuil spelletje met je is gespeeld’, constateert David halverwege zijn reis door het verleden, waarvoor hij in een blitze auto langs de plekken rijdt die zijn grootvader op weg naar zijn dramatische einde heeft aangedaan. ‘Dat kan haast niet anders. Ik hoor allerlei verschillende toonaarden van hetzelfde liedje, dat eigenlijk niet verteld had mogen worden. Er is verraad in het spel, dat op de één of andere manier binnen de kringen van de familie een eigen leven is gaan leiden.’

Niemand wil eigenlijk weten wat er precies gebeurd is, concludeert David Blitz. Niemand, behalve hij. En dus gaat de filmmaker in deze traditionele egodocu het gesprek aan met z’n eigen broer, zijn neven en nichten en de tweede vrouw van zijn vader. Hij wil weten wat zij van dat familieverleden hebben meegekregen en confronteert hen met wat hij in de archieven heeft ontdekt over de lepeltjes van zijn opa, gemaakt van zilveren muntjes met een afbeelding van koningin Wilhelmina erop, en hoe die Simon Blitz uiteindelijk op 37-jarige leeftijd in Auschwitz fataal zijn geworden.

Dat klinkt als een redelijk stereotype oorlogsverhaal, waarin de protagonist het verleden van een familielid uitpluist en dan tot schokkende ontdekkingen komt. Zoals er elk jaar rond Bevrijdingsdag wel een paar van zulke verhalen (opnieuw) worden verteld. Toch is de toonzetting ditmaal anders: Davids centrale voice-over, met Amsterdamse tongval, is lekker los en bevat veel humor. Hij ondersteunt zijn relaas bovendien met bezigheden in het hier en nu, zoals mediteren en wielrennen. En het geheel wordt lekker tegendraads aangekleed met edgy songs van Massive Attack, Stiff Little Fingers, Herman Brood, Nina Hagen en Iggy & The Stooges, die Blitz’s verleden in allerlei (punk)bandjes verraden.

Een frisse interpretatie van een inmiddels vertrouwd thema, kortom, die actueel aanvoelt, geen moment topzwaar wordt en – als het tragische levensverhaal van Simon Blitz naar z’n onvermijdelijke climax gaat en zijn kleinzoon even alle reserve laat varen – toch verduiveld hard binnenkomt. En dan is er nog dat ene theelepeltje…

Six Dreams

Amazon Prime

Hoe een gelouterde profvoetballer uiteindelijk toch gewoon vader en voetbalfan blijkt te zijn. Nadat hij met zijn club Betis Sevilla met 5-0 is afgedroogd door FC Barcelona, neemt de Mexicaanse middenvelder Andrés Guardado zijn zoontje Máximo op de arm en gaat op weg naar de kleedkamer van de tegenstander. Messi, de beste speler van de wereld, heeft beloofd dat de peuter met hem op de foto mag. En die kans laat Guardado zich niet ontnemen.

De voormalige sterspeler van PSV is één van de hoofdpersonen van de zesdelige documentaireserie Six Dreams (358 min.) uit 2018, die tijdens het seizoen 2017-2018 worden gevolgd: Eduardo Berizzo, de nieuwe trainer van Betis’ stadgenoot en rivaal Sevilla. Middenvelder Saúl van Atletico Madrid. Iñaki Williams, spits van de zieltogende Baskische trots Athletic Bilbao. Amaia Gorostiza, de vrouwelijke voorzitter van de Baskische provincieclub Eibar. En de technisch directeur van het ambitieuze Girona, Quiquie Cárcel.

Gezamenlijk geven ze een heel aardig inkijkje in het wel en wee van de Primera Division, waar clubs die al jaren in de schaduw van Barcelona en Real Madrid opereren toch heel wat emotie losmaken. De filmmakers David Cabrera en Jordi Call zoomen zowel in op individuele thema’s (waaronder Guardado’s voortdurende strijd om fit te worden én blijven) als op zaken die de complete club aangaan (zoals de positie van de trainer, transfergeruchten en het in de kiem smoren van de onvermijdelijke crises).

Hoewel echt niet elke betrokkene steeds het achterste van zijn tong laat zien, komt Six Dreams verrassend dichtbij: bij teambesprekingen, tijdens onderhandelingen, op de tribune, bij commerciële plichtplegingen én in – het heilige der heiligen – de kleedkamer. Waar dik betaalde topvoetballers (en hun directe omgeving) dus ook maar gewone mensen blijken te zijn. Zoals Spaans international Saúl, die het echt niet droog houdt als zijn ploeggenoot en voorbeeld Fernando Torres afscheid neemt als voetballer.

Mister Soul – A Story About Donny Hathaway

Getty Images / VPRO

Kun je te veel talent hebben? De Amerikaanse soulzanger Donny Hathaway had misschien een gave, maar soms begonnen zijn hersenen te ‘kriebelen’. Zijn hele omgeving kreeg het op een gegeven moment in de gaten. Zijn echtgenote Eulaulah, natuurlijk. Manager Ed Howard. En zijn kibbelende broer en zussen. Als Donny zong, zag je het nauwelijks. Totdat je hem eens goed in zijn ogen keek.

Paranoïde schizofrenie, luidde uiteindelijk de diagnose. Voor de man die een grootheid in de zwarte muziek had moeten worden en die nu een stem krijgt, letterlijk, ingesproken door Frank Sheppard, in deze documentaire van David Kleijwegt. Mister Soul, zo heet Hathaways alter ego, een man in zwarte regenjas, die de zanger overal achtervolgde en elke mogelijke vorm kon aannemen.

Mister Soul – A Story About Donny Hathaway (85 min.) is geen traditionele biografie of routinematig carrièreoverzicht, maar een psychologisch portret van de vergeten zanger die steeds meer verstrikt raakte in zichzelf. Hoewel Kleijwegt allerlei essentiële personen uit diens leven spreekt, laat die zich ruim veertig jaar na zijn dood nog altijd niet in zijn ziel kijken. Donny Hathaway blijft een enigma.

Waarschijnlijk is dat precies de reden dat hij nog steeds tot de verbeelding spreekt van collega’s als zangeres Roberta Flack, met wie de zanger veelvuldig samenwerkte, en de befaamde dominee/politicus Jesse Jackson, die uiteindelijk ‘s mans grafrede zou uitspreken. Ze hebben nooit helemaal vat gekregen op het genie Donny Hathaway.

Kleijwegt geeft Hathaways gedragen songs intussen een bijna mythisch karakter met sfeervolle beelden van de afro-Amerikaanse gemeenschap die hem ooit heeft voortgebracht en die enkele decennia later nog altijd sporen van hem herbergt. Al is het maar via de bevlogen zang van zijn broer en zussen, die zelf ook de schaduwzijden van het bestaan hebben leren kennen…

Mister Soul: A Story About Donny Hathaway is hier te bekijken.

Shangri-La

Rick Rubin

‘Het gaat om de artiesten, de conversaties die we daarmee hebben en het verhaal dat daaruit voortvloeit’, stelt Rick Rubin bij aanvang van de aan hem en zijn studio gewijde documentaireserie Shangri-La (219 min.). ‘In zekere zin is dit een vehikel om de processen te laten zien van de mensen waarmee we in gesprek gaan.’ De Amerikaanse sterproducer benadrukt het nog maar eens: ‘Het gaat zeker niet om mij.’

‘Het is net een spiegelpaleis’, constateert documentairemaker Morgan Neville (20 Feet From Stardom, Won’t You Be My Neighbor? en They’ll Love me When I’m Dead) vervolgens, terwijl de camera langs de spierwitte muren van Rubins studio in Malibu dwaalt. Er hangt niks aan de muur, schilderijen zouden het eigen voorstellingsvermogen maar in de weg zitten. ‘Als jij simpelweg reflecteert wat een artiest inbrengt’, stelt Neville. ‘Dan kijk ik dus weer naar een reflectie van een reflectie.’

En daarmee is deze even ambitieuze als onevenwichtige, veelvuldig aan speelfilms en filosofie refererende serie afgetrapt. De bedreven kijker weet inmiddels: dit wordt geen routinematig carrièreoverzicht van de bebaarde topproducer Rick Rubin, de punkrocker die ooit een enorme liefde opdeed voor hiphop, vervolgens aan de basis stond van de doorbraak van Run-DMC, Public Enemy en Red Hot Chili Peppers en later ervaren cracks als Johnny Cash, Joe Strummer en Neil Diamond in de herfst van hun carrière tot een grandioos slotakkoord inspireerde. ’s Mans roemruchte muziekgeschiedenis wordt slechts in de kantlijn aangedaan.

Shangri-La, een naam die verwijst naar het aardse paradijs, neemt de kijker mee naar een soort muzikaal retraitecentrum in Californië, waar The Band ooit opnam voor de legendarische concertfilm The Last Waltz. In een meditatief decor zwaait de relaxte gastheer Rick Rubin (lange grijze baard, witte kleding en altijd blootvoets) er tegenwoordig met zalvende woorden de scepter. Hij strooit met bemoedigende knikjes en diepe levenswijsheden. ‘The artist may not always be the maker’, luidt bijvoorbeeld het leidmotief van aflevering 1 van deze vierdelige serie. ‘It may be the person who sees the piece and recognizes the art in it.’

Je kunt er Rubins metersdiepe stem moeiteloos bij verzinnen. En je ziet hem er bijna bij liggen: ontspannen op zijn rug, de handen vredig ineen gevouwen en meebewegend met zijn kalende hoofd. Verstand op nul en dan nadenken, zoiets. De sterproducer neemt tevens plaats tegenover artiesten die onder zijn hoede aan nieuwe albums werken, zoals de indieband Vampire Weekend, singer-songwriter Benjamin Clementine of het onlangs, aan een overdosis overleden multitalent Mac Miller. Als een goedmoedige goeroe staat hij hen bij met zijn levensspreuken (waarvan er ook dagelijks één op zijn Twitter-account belandt). Hij zet daarmee de luiken open – en, zo nu en dan, ook de lachspieren aan het werk.

Met sleutelfiguren uit zijn loopbaan (Mike D van Beastie Boys, Public Enemy-voorman Chuck D., rapper LL Cool J, Red Hot Chili Peppers-bassist Flea, Robbie Robertson, meestergitarist Carlos Santana, Weezer-frontman Rivers Cuomo en filmmaker David Lynch) filosofeert hij bovendien over thema’s als identiteit, creativiteit en spiritualiteit. Rubin gaat daarnaast zelf te rade bij coaches, yogi’s en adviseurs. ‘Ik spreek met de artiest en dan luister ik echt heel goed’, zegt hij bijvoorbeeld op het strand tegen de spiritueel schrijver Kent Nerburn. ‘Het is in zekere zin de kunst van er niet zijn’, antwoordt deze. ‘Het is de kunst om uit de weg te gaan en de ruimte geven aan wat er ook komt.’

En dan komt er, als een onvervalste deus ex machina, een Californische natuurbrand die de rust in Rubins Shangri-La danig verstoort…

PS Getuige enkele gedramatiseerde scènes uit deze documentaireserie had Rick Rubin al op zéér jonge leeftijd een lange, grijze baard en leek hij in bepaalde fases van zijn leven zelfs te worden aangestuurd door een poppenspeler.

Waco: Madman Or Messiah

Een leider die alle antwoorden heeft en zelf toch één groot vraagteken blijft. Het is niet vreemd dat charismatische mannen als Bhagwan Sri Rajneesh, Jim Jones en Charles Manson een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefenen op zowel hun (voormalige) volgelingen als filmmakers. Na recente documentaires over de Bhagwan-beweging (Wild Wild Country), The Peoples Temple (Jonestown: Terror In The Jungle) en de Manson-familie (Inside The Manson Cult: The Lost Tapes) heeft Christopher Spencer nu de Waco-archieven uitgeplozen om met negen voormalige leden van de Branch Davidians en zijn tegenstanders een al even illustere sekteleider te portretteren: David Koresh.

Alle elementen voor een interessant en dramatisch verhaal dienen zich in 1993 als vanzelf aan rond de thuisbasis van diens religieuze gemeenschap op Mount Carmel, nabij Waco, Texas. De enigmatische leider die zich als vanzelfsprekend, omdat hij nu eenmaal een heilige plicht heeft, de (minderjarige) meisjes toe-eigent, gaat steeds meer in zichzelf geloven en zorgt zo intern voor spanningen. Het absolute Wij-gevoel, dat hij probeert af te dwingen, zorgt automatisch ook voor frictie met de buitenwereld. Waar Koresh zijn volgelingen de hemel op aarde leek bieden, leidt hij ze in werkelijkheid met vaste hand naar de poorten van de hel. Waar een eindconfrontatie van liefst Bijbelse proporties volgt. In het geval van Waco: de langste belegering uit de Amerikaanse historie. Met 82 dode leden, waaronder 23 kinderen, tot gevolg.

Het tweeluik Waco: Madman Or Messiah (172 min.) vertelt in eerste instantie twee parallelle verhalen: de ontwikkeling van de Branch Davidiansen de getormenteerde jongeling Vernon Howell – net als Charles Manson een mislukte muzikant – die zich onder de naam David Koresh opwerpt als absolute leider van de religieuze gemeenschap. Én de aanloop naar de maandenlange belegering van de thuisbasis van de sekte in Waco, die in het tweede deel zal uitlopen op een bloedige confrontatie tussen zwaarbewapende sekteleden en de FBI. Waarbij de federale agenten de ene na de andere tactische blunder begaan en Koresh en de zijnen, in een slinkse mediaoorlog, rücksichtslos als niets minder dan de vijand portretteren. Dat zal alle betrokkenen duur komen te staan.

Behalve voormalige sekteleden komen in deze stevige film ook hun voormalige opponenten aan het woord: FBI-medewerkers, de undercoveragent die bij de Branch Dividians infiltreerde en onderhandelaars die een confrontatie met Koresh’ familie moesten zien te voorkomen. Bijbel-kenners proberen intussen vat te krijgen op de ideologie en profetieën van Koresh, terwijl zijn stiefbroer en tante de persoon achter de messias/madman proberen te duiden. De grote leider zelf laat van zich horen via 247 geluidsbanden die door de FBI zijn gemaakt tijdens de belegering. Die opnames maken tastbaar hoe de situatie in Waco steeds verder ontspoort en een dramatische ontknoping, met het bijbehorende martelaarschap voor David Koresh, onafwendbaar wordt.

Tegelijkertijd geven de tapes een inkijkje in het hoofd van deze zelfverklaarde heiland, die nog altijd diep onder de huid zit bij zijn voormalige volgelingen. Waarbij onvermijdelijk de vraag opspeelt: was de man echt in zichzelf gaan geloven of was alles, van de diepe vergezichten tot de vurige preken, onderdeel van één grote relishow die alleen nog met hel en verdoemenis kon eindigen?

Jiro Dreams Of Sushi

Jiro Dreams Of Sushi (82 min.) is een kleine film. Letterlijk. Het leeuwendeel van de documentaire speelt zich af op hooguit twintig vierkante meter. Zo groot is het restaurant van de 85-jarige Japanse sushimeester. Tien zitplekken, meer niet. En de wc is buiten. Lekker lang tafelen is er ook niet bij. Een snelle eter staat na een kwartier, en 30.000 Yen lichter, weer buiten. Toch is het, blijkbaar, een voorrecht om te mogen eten bij Jiro Ono in Tokyo. Hij is de oudste kok met drie Michelin-sterren.

Uiterste eenvoud schept zuiverheid, zoals een toonaangevende Japanse culinair journalist het omschrijft in deze fijne film van David Gelb uit 2011. De Japanse chef is een absolute ambachtsman, een relikwie van een verloren era waarin tijd en aandacht nog niet waren verdrongen door snel en voordelig. Jiro is tevens een strenge meester. Één van zijn leerlingen vertelt hoe hij eerst tweehonderd afgekeurde omeletten moest maken voordat er één goed werden bevonden. De tranen sprongen toen in z’n ogen.

De perfectionist Jiro werd automatisch een afwezige vader. Het lukte hem zelfs niet om op zondag thuis de vis aan te snijden. Hij was altijd aan het werk en droomde zelfs over sushi. Intussen zijn z’n beide zoons in zijn voetsporen getreden. Jongste zoon Takashi is elders een eigen restaurant begonnen. Oudste zoon Yoshikazu, vijftig inmiddels, staat nog altijd bij vader in de zaak. Hij wilde ooit straaljagerpiloot worden, maar wacht nu, geheel volgens de traditie, op zijn kans om de leiding over te nemen. Kan hij zijn onverslijtbare pa ooit overtreffen of zelfs maar evenaren?

In die zin vertelt Jiro Dreams Of Sushi, opgediend met ferme Philip Glass-muziek, een klassiek vader-zoon verhaal. Met de wisseling van de wacht dient zich straks ook onvermijdelijk het einde van een tijdperk aan. Dat tekent zich nu al af, getuige bijvoorbeeld het contrast tussen Jiro’s minieme restaurant en de enorme vismarkt, waar zijn oudste zoon tegenwoordig voor hem het neusje van de tonijn moet zien te vinden. Van een exclusief gerecht is sushi in de afgelopen jaren een massaproduct geworden. Een tekort aan kwaliteitsvis dreigt voor Jiro en zijn clientèle. Waardoor die uiteindelijk toch nog wel eens héél duur betaald zou kunnen worden.

The Central Park Five

Ava DuVernays vierdelige drama When They See Us, sinds kort te zien op Netflix, is zonder enige twijfel de meest geprezen televisieserie van 2019. Over hetzelfde onderwerp, de onterechte veroordeling van vijf donkere New Yorkse jongens vanwege een gewelddadige verkrachting, werd in 2012 ook al een prijswinnende documentaire gemaakt: The Central Park Five (118 min.).

Beide producties gaan terug naar die ene fatale dag in 1989, woensdag 19 april, toen een vrouwelijke jogger nagenoeg levenloos werd achtergelaten in het New Yorkse Central Park. Ze zou twaalf dagen in coma liggen. Enkele jongens, onderdeel van een grotere groep tieners die stenen naar auto’s had gegooid en een paar willekeurige parkbezoekers in elkaar had geslagen, werden gearresteerd voor de verkrachting.

Onder druk van de politie legden ze tijdens hun (gefilmde) verhoren een valse bekentenis af, die hen zou blijven achtervolgen. Ook al was er geen enkel fysiek bewijs – een situatie die herinneringen oproept aan de Puttense moordzaak. Toen in een andere zaak een erkende serieverkrachter als verdachte werd aangehouden, vond niemand het nodig om zijn DNA te testen. The Central Park Five zouden jarenlang achter de tralies zitten.

Met de vijf voormalige verdachten – één van hen wilde alleen niet in beeld – en advocaten, journalisten, burgerrechtenactivisten, psychologen en familieleden van de jongens nemen Ken BurnsDavid McMahon en Sarah Burns de zaak door, die kan worden gezien als de culminatie van raciale spanningen in het door een misdaadgolf en de crackepidemie overspoelde New York van de jaren zeventig en tachtig.

Het vergrijp speelde destijds perfect in op latent racisme. Een blanke vrouw verkracht? Daar kón alleen een zwart roofdier achter zitten. Vijf nog wel. Zelfs in 2016, toen de zaak al lang en breed was opgelost en de onschuldige verdachten allang op vrije voeten waren, bleef een zekere New Yorkse vastgoedman, die ook al eens een advertentie in de krant had geplaatst om de doodstraf te bepleiten voor de vijf, volhouden dat de jongens in wezen schuldig waren.

De uitspraken van deze Donald Trump geven dit dramatische verhaal over stuitend onrecht, dat door Burn, McMahon en Burns zonder effectbejag is opgetekend, een actuele draai. Datzelfde racisme steekt nog altijd de kop op in het hedendaagse Amerika, dat lang niet zo kleurenblind is als je zou hopen.

Bij een zaak met zulke grote maatschappelijke implicaties zou je bijna vergeten dat de gewelddadige verkrachting in eerste en laatste instantie een vrouwelijk slachtoffer had. Trisha Meili maakte zich in 2003 met een boek bekend als de Central Park-jogger, geeft zo nu en dan haar mening over de zaak rond de vijf ten onrechte veroordeelde jongens en schijnt tegenwoordig met andere slachtoffers van seksueel geweld te werken.

Running With Beto

Als Beto O’Rourke inderdaad een soort nieuwe Kennedy zou blijken te zijn, dan kan deze campagnedocu zijn eigen Primary worden, de film die JFK in 1960 in de volledige Verenigde Staten op de kaart zette. Running With Beto (91 min.), een positief ingestoken verslag van ‘s mans poging om in 2018 de senaatszetel van über-Texaan Ted Cruz te bemachtigen, komt in elk geval goed van pas nu de linkse Democraat zich kandidaat heeft gesteld voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2020.

De klassieke Democratische wonderjongen in hemdsmouwen, een Amerikaanse variant op onze eigen Jesse Klaver (nu mag u gerust even grinniken), staat in deze oerdegelijke documentaire voor de godsonmogelijke opdracht om het linkse smaldeel van de oerconservatieve lone star state ervan te overtuigen dat hij wel degelijk een kansrijke kandidaat is, die het de gedoodverfde Republikeinse winnaar Cruz moeilijk zou kunnen maken. En daarna moet hij die verduivelde verkiezingen nog zien te winnen ook!

Net als het thematisch verwante Knock Down The House, waarin de metamorfose van serveerster Alexandria Ocasio-Cortez tot linkse hoop in bange dagen (simpelweg AOC genaamd) in beeld werd gebracht, toont deze documentaire van David Modigliani zowel de vitaliteit van de Amerikaanse democratie als de geheel eigen mores daarvan, zoals het eindeloze gebedel om geld en aandacht. Cruz verlaat zich daarbij op een ouderwets negatieve campagne terwijl de ‘big government gun grabbing liberal’ O’Rourke stug probeert vast te houden aan een Obama-achtige hoopvolle boodschap.

De tweekamp speelt zich af op welbekend terrein: bij gewone Texanen aan de deur, tijdens zogenaamde town halls en op partijbijeenkomsten. De campagne komt tot een voorzichtige climax in een vinnig debat tussen de kemphanen, waarna het stemmen kan beginnen. De documentaire focust zich daarbij niet alleen op de kandidaat zelf en zijn vrouw en kinderen, maar volgt ook zijn campagneteam en vrijwilligers als er weer eens een school shooting plaatsvindt, het scheiden van illegale immigranten en hun kinderen aan de Amerikaanse grens een hot issue wordt of hun held ongenadig onder vuur wordt genomen in een Republikeinse mediacampagne.

Running With Beto benadert intussen nooit het niveau van klassieke campagnedocu’s als A Perfect Candidate, The War Room of Weiner. Het blijft allemaal tamelijk dertien-in-een-dozijn. Net als O’Rourke zelf, die ondanks zijn verleden als punkrocker oogt als een enigszins saaie brave borst die de echte ‘star power’ van Kennedy, Obama en AOC lijkt te ontberen. Het is dus maar de vraag of hij daarmee de Democratische concurrentie voor het presidentschap kan afschudden, zodat hij in 2020 hoogstpersoonlijk de strijd mag aangaan met hun aartsvijand, Donald J. Trump.

Nureyev

Ineens sta je, 23 jaar oud, op een keerpunt in je leven. 

Je bent geboren tijdens een reis van de Transsiberië Express, op weg naar Wladiwostock, waar je vader is gestationeerd met het Rode Leger. Je groeit op in bittere armoede en weet je via dans uiteindelijk aan je lot te onttrekken. Op je twintigste ben je uitgegroeid tot één van de sterren van het vermaarde Kirov-ballet en word je samen met astronaut Yuri Gagarin beschouwd als het trotse gezicht van de communistische heilstaat.

En dan is het ineens 16 juni 1961. Je hebt met veel succes een periode opgetreden in de decadentste stad van het westen, Parijs. Je hebt er het goede leven geleid en conflicten gehad. Tegen de regels in ga je daar om met gewone westerlingen. Je zou zelfs in homobarren zijn gezien. Dan bereikt je het bericht dat je wordt teruggeroepen naar de Sovjet-Unie.

Je hebt nauwelijks tijd om na te denken. Ga je terug, met het gevaar dat je carrière wellicht rigoureus wordt beëindigd? Óf kies je voor jezelf, in de wetenschap dat je je familie (voorlopig) niet meer ziet en dat zij zullen boeten voor de keuze die jij nu wilt maken? Breek zijn benen, zal de KGB er later geen misverstand over laten bestaan, als jij al hebt gekozen voor defectie.

Je bent 23 en gaat nog ruim dertig jaar leven. Een bestaan waarin je grootse triomfen zult vieren en behoorlijke tegenslagen moet overwinnen, maar waarin je nooit helemaal los zult komen van die ene keuze. Ruim 25 jaar na je dood op 6 januari 1993, aan de gevolgen van de veel gevreesde ziekte die huishoudt onder jou en de jouwen, is er de biopic Nureyev (109 min.).

Over jou, Rudolf. De filmmakers Jacqui en David Morris hebben de archieven helemaal uitgeplozen om jou in volle glorie te kunnen laten zien en bovendien nog ontbrekende sleutelmomenten uit je leven gereconstrueerd met speciaal voor de docu gemaakte moderne dansscènes van Russell Maliphant. En mensen die je hebben gekend of jouw oeuvre, als grootste balletdanser van je generatie, op waarde weten te schatten, geven je levensverhaal (off screen) context.

Je mag er trots op zijn, op die film. Die je laat zien als de wervelwind die je was. En toont hoe, als je dagen al zijn geteld, alsnog de kans komt om, al is het maar voor heel even, de klok terug te draaien.

Our Planet

Probeer als ongelovige Thomas maar eens vol te houden dat er géén opperwezen bestaat als je de uitbundige natuurpracht in Our Planet (399 min.) beziet. Letterlijk de hele wereld lijkt met zowel een holistische blik als een enorm oog voor detail te zijn samengesteld en is in deze groots opgezette documentaireserie bovendien op majestueuze wijze vereeuwigd. Neem bijvoorbeeld de mannelijke zwaluwstaart-manakins, felblauwe vogels met een oranje kop. In het tropische woud voeren ze als groep een paringsdans op voor een te bevruchten vrouwtje. Voor één van hen pakt het ritueel goed uit. Hij mag kortstondig samenzijn met de lieftallige dame. De anderen kijken belangstellend toe.

Het is deze natuurserie ten voeten uit: Our Planet mag dan een project van ongeëvenaarde schaal zijn, waarvoor 2,5 jaar is gefilmd op alle continenten. Van de producenten die eerder Blue Planet, Planet Earth en Frozen Planet (Alastair Fothergill) en African Cats en North America (Keith Scholey) afleverden. Uiteindelijk is deze achtdelige reeks echter eerst en vooral een aaneenschakeling van kleine en grotere verhalen over individuele en groepen dieren: luipaarden die elkaar kortstondig het hof maken, een bekerplant waar de mieren als vanzelf inregenen en – natuurlijk – de natuur op zijn wreedst: een groep kariboes die net zo lang door een roedel hongerige wolven wordt opgejaagd, totdat één van hen het niet meer kan bijbenen.

Bioloog, programmamaker en verteller David Attenborough, inmiddels dik in de negentig, neemt de weerloze mens in elke aflevering mee naar een ander soort leefgebied: van de jungle en het poolgebied tot de woestijn en de wondere wereld onder de zeespiegel. Met gevoel voor drama en kien oog voor detail. Grootse, bijna bombastische beelden van grote groepen dieren en verpletterend natuurgeweld worden voortdurend afgewisseld met kleine, intieme vertellinkjes over individuele dieren die het moeilijk hebben of juist floreren. Attenboroughs boeiende observaties, in combinatie met afwisselend subtiele en zwaar aangezette muziek, smeden al die losse elementen aaneen.

Our Planet, gemaakt in samenwerking met het Wereld Natuur Fonds, heeft zonder twijfel een alarmerende ondertoon: dit is de wereld zoals we hem nu kennen en waarvan we bepaalde delen nog altijd beter zouden moeten leren kennen, maar het is ook een wereld die aan het verdwijnen is. Door ingrijpen van de mens dreigen de biotopen van bepaalde diersoorten steeds kleiner te worden of zelfs te verdwijnen, zodat iconische schepsels als de ijsbeer, woestijnolifant en Siberische tijger (waarvan unieke beelden van het dier in zijn eigen territorium, de taiga, zijn te zien) serieus in hun voortbestaan worden bedreigd. Of, vroeg ik me even af, moeten we erop vertrouwen dat dat eventuele opperwezen het nooit zover zal laten komen met de wereld die hij in al zijn veelzijdigheid creëerde?

David Bowie: Finding Fame

The KonradsDavie Jones And The King Bees en The Lower Third. Ooit hadden deze popbands stuk voor stuk de pretentie om de wereld te veranderen. Ze stierven echter een stille dood, als willekeurige hobbygroepjes die het lokale jeugdhonk nooit ontstegen. De enige reden dat we ze, ruim een halve eeuw na dato, überhaupt zouden kunnen kennen is omdat één bandlid later alsnog wereldberoemd zou worden.

David Jones, een bijzonder ambitieuze jongeman uit Brixton, versleet negen bands in elf jaar. Op achttienjarige leeftijd had hij zichzelf bovendien een andere achternaam gegeven: Bowie. En daarmee zou het in 1973 ein-de-lijk lukken: met Ziggy Stardust werd David Bowie een ster en kregen bandjes als The Konrads, Davie Jones And The King Bees en The Lower Third alsnog een plek in de pophistorie toebedeeld. Net als bijvoorbeeld – popquizzz!!! – The GolliwogsOn A Friday of The Quarrymen.

De televisiedocumentaire David Bowie: Finding Fame (90 min.), ook wel The First Five Years getiteld, graast het terrein af dat Five Years en The Last Five Years, de twee andere Bowie-films van filmmaker Francis Whately, braak hadden laten liggen: de jaren waarin de Britse zanger nog gewoon één van die would be-popsterren was, met véél meer ambitie dan succes. ‘Amateuristisch klinkende zanger die de verkeerde noten en vals zingt’, noteerde een jurylid van het BBC-programma Pick Of The Pops over één van zijn bandjes. Een andere criticaster: ‘Een tandeloos, nietszeggend ensemble dat een zanger zonder karakter begeleidt.’

Met voormalige bandleden, producers, managers, jeugdvrienden en familieleden schetst Whately, die ook de hoofdpersoon zelf veelvuldig aan het woord laat, vaardig de turbulente jonge jaren van de zoeker die er nog geen idee van heeft dat hij een fenomeen zal worden: het liefdeloze gezin dat hem voortbracht, de klotebaantjes, zijn (mislukte) experimenten met andere kunstvormen, al die naamloze bandjes en projectjes én zijn eerste grote liefdes. Zo werd met veel pijn en moeite de bedding gelegd, waar de veelkleurige rivier David Bowie in de navolgende dikke veertig jaar doorheen kon stromen.

De Race – Hoe Bouw Je Een Quantum Computer?

‘Als je denkt dat je kwantummechanica begrijpt, dan begrijp je helemaal niets van kwantummechanica.’ Met dit citaat van Richard Feynman, het eerste van een hele serie wijsheden over de onbegrijpelijke wetenschap, trapt David Kleijwegt zijn documentaire De Race – Hoe Bouw Je Een Quantum Computer? (78 min.) af. Is het een waarschuwing?

Kleijwegt volgt de Delftse Nano-wetenschapper Leo Kouwenhoven, een aspirant-Nobelprijswinnaar als we deze film mogen geloven, in zijn pogingen om een kwantumcomputer, die bijvoorbeeld simulaties van levende organismen en gepersonaliseerde geneeskunde mogelijk moet maken, te fabriceren. Zijn team heeft een voorsprong op de internationale concurrentie omdat het als eerste de zogenaamde Majoranadeeltjes heeft waargenomen – als ik het allemaal goed heb begrepen (en daar zou ik zelf geen geld op durven te zetten).

Dat is tevens de grootste uitdaging van deze documentaire: de finesses van de ontwikkeling van de kwantumcomputer zijn verdomd lastig tastbaar te maken én in beeld te brengen. En dus richt Kleijwegt zich tevens op de persoon Kouwenhoven, zijn team van ambitieuze promovendi en ’s mans pogingen om erkenning en financiering te vinden voor hun onderzoeksproject.

Bij de presentatie van zijn nieuwe onderzoekscentrum QuTech moet Kouwenhoven bijvoorbeeld ook de pers te woord staan. ‘Ik heb me nog een beetje verdiept in de kwantumcomputer’, begint een redacteur die een item voorbereidt over die dekselse wondercomputer. ‘En waar voor ons het grootste probleem zou zitten is: is het begrijpelijk voor de kijkers?’ De topwetenschapper maakt van zijn hart geen moordkuil. ‘Dat is het punt. Want wij begrijpen het zelf ook niet, hè?’

’Wat zeg je?’, klinkt het verward aan de andere kant van de telefoonlijn. Kouwenhoven legt het nog één keer uit: ‘Wij begrijpen het zelf ook niet. De principes van de kwantumcomputer zijn onbegrijpbaar, maar als je dat accepteert kun je daar de meest fantastische dingen mee doen.’ Het optimisme van de wetenschapper wordt gaandeweg de film echter flink getemperd. Waar de supercomputer een pronkstuk voor de nabije toekomst leek, blijft hij door tegenslag vooralsnog buiten handbereik.

Die menselijke insteek, van persoonlijke ambities die moeten worden bijgesteld of zelfs worden geknakt, vormt het interessantste element van deze film, waarin Kleijwegt de kijker naar mijn smaak wat meer had mogen gidsen. Nu heeft De Race een behoorlijk hoog instapniveau en zal de film waarschijnlijk vooral ingang vinden bij een publiek dat de ontwikkelingen in de wetenschap sowieso al op de voet volgt.

Bros: After The Screaming Stops

‘Als ik een suggestie doe, wil ik ook dat we het uitproberen.’ Luke Goss probeert duidelijk een punt te maken vanachter zijn drumkit. ‘Als het shit is, kunnen we het altijd nog weggooien.’ Zijn tweelingbroer Matt, zanger en boegbeeld van Bros, kijkt hem moedeloos aan. Hij speelt al sinds jaar en dag de eerste viool. En dat zit Luke, die toch echt elf minuten ouder is, nog altijd niet lekker. Helemaal niet lekker zelfs.

De Britse gebroeders Goss lopen inmiddels tegen de vijftig en zijn verder gegaan met de rest van hun leven nadat hun tienerbandje in 1992 definitief implodeerde. Luke is tegenwoordig filmmaker in Los Angeles en draagt opvallend verantwoorde shirts van Green Day, CBGB en Soundgarden, Matt werkt als entertainer in Las Vegas. De broers hebben weinig contact met elkaar. Zodra ze hun groepje 25 jaar na dato reanimeren voor de verplichte reünietournee en samen met een groep sessiemuzikanten alvast oude magie proberen op te roepen in de repetitieruimte, speelt alle vroegere wedijver echter direct weer op. 

De filmmakers David Soutar en Joe Pearlman hebben zich vast stiekem staan te verkneukelen tijdens de opnames voor Bros: After The Screaming Stops (97 min.) over de lange tenen, het kinderachtige geruzie en de gekrenkte ego’s van de tweeling. Met terugwerkende kracht is het heel gemakkelijk voor te stellen dat Bros één van de meest gehate acts van het einde van de jaren tachtig was. Behalve bij The Brosettes natuurlijk, tienermeisjes die soms dagenlang bivakkeerden voor het ouderlijk huis van de Gossjes. Ook toen waren hoog oplopende emoties nooit ver weg.

Deze film markeert de tijdelijke terugkeer van de broers – Craig Logan, de oorspronkelijke bassist van Bros is in geen velden of wegen te bekennen – en oogt soms bijna als een mockumentary, waarbij ieder ogenblik David Brent voor de camera kan springen of Vanilla Ice zich (ongevraagd) meldt voor een cameo-rol. Terwijl het stadionconcert steeds dichterbij komt, lopen de spanningen tussen de tweelingbroers, die in de afgelopen jaren ook nog hun moeder hebben moeten afgeven, zienderogen op. Kunnen ze de ballast uit het verleden achter zich laten?

Iedereen die de regels van het spel kent, kan moeiteloos voorspellen of deze Spinal Tap voor boybands eindigt met een daverende ruzie of toch met een glorieuze verzoening. En daarna, dat staat ook op voorhand vast, is het tijd voor de onvermijdelijke climax, de wereldhit die zich al dertig jaar schuilhoudt in de voetnoten van de pophistorie: When Will I Be Famous?. Die klinkt als… – laten we zeggen – vanouds.

Trapped In The City Of A Thousand Mountains

 

‘China is niet vrij’, roept een groepje opgeschoten jongeren stoer naar de camera. ‘Maar hiphop kan dat veranderen.’ Heel even denk je dat ze het zelf geloven. Als de Chinese rappers in de korte documentaire Trapped In The City Of A Thousand Mountains (23 min.) wat serieuzer worden bevraagd, schetsen ze echter een subtieler beeld: ’In China weet je nooit precies wat er verboden is. Dat is een hele slimme tactiek; het maakt iedereen nog voorzichtiger.’

De onlangs aangescherpte regels van de Chinese autoriteiten, die netjes in openbare gelegenheden worden omgeroepen, laten aan duidelijkheid evenwel niets te wensen over. Als je je hebt afgekeerd van de partij mag je niet meer in het openbaar spreken, klinkt het dreigend. Net als figuren met een dubieuze reputatie. Smakeloze of vulgaire optreden mogen ook niet meer. Improvisatie is niet toegestaan. En de subcultuur van hiphop en tatoeages wordt op geen enkele manier meer gepromoot.

Zo probeert de overheid een ontluikende jeugdcultuur de kop in te drukken. Met die Chinese hiphop moest het maar eens afgelopen zijn, hebben de partijbonzen binnenskamers, ongetwijfeld opvallend eensgezind, besloten. De betrokken jongeren, met inderdaad kekke tattoos, proberen intussen hun weg te vinden binnen het labyrint van do’s en don’t dat rondom hen wordt opgetrokken. Ze laten zich vooralsnog in elk geval niet de mond snoeren.

David Verbeek volgt hen in nachtelijk Chongqing dat in deze gestileerde film, die is genomineerd voor de IDFA Award voor beste korte documentaire, oogt als een futuristische metropool. Het zinnenprikkelende geluidsdecor dat de regisseur daaraan toevoegt versterkt de vervreemdende kijkervaring nog eens. Chongqing, gelegen aan de rivier de Yangtze, wordt een overweldigende stad, waarin staatstoezicht aan de orde van de dag is. Het ideale toneel voor een vitale muziekscene, die zich vanuit de underground naar boven probeert te worstelen.

Three Identical Strangers

Hij voelde zich de populairste nieuwe leerling ooit. Op de allereerste schooldag op het Sullivan Country Community College werd Bobby Shafran onthaald als een oude bekende. ‘Hee, hoe is het met jou? Hoe was je zomer?’ Andere studenten gaven hem een high five of sloegen hem enthousiast op de schouder. Er waren zelfs meisjes die hem begroetten met een gepassioneerde zoen. ‘Ik ben zo blij dat je terug bent.’ Wel vreemd: iedereen noemde hem Eddy.

Bobby kon er niet over uit. Er moest sprake zijn van een persoonsverwisseling. Zijn nieuwe kamergenoot dacht er het zijne van. Toen hij vaststelde dat die okselfrisse leerling écht geen Eddy heette, had hij maar één vraag: ‘ben jij misschien geadopteerd?’ Nadat Bobby bevestigend had geantwoord en hij bovendien bleek te zijn geboren op 12 juli 1961, was er maar één conclusie mogelijk: de krullenbol had een tweelingbroer. De nieuwbakken kamergenoten snelden naar een telefooncel en besloten om de echte Eddy maar eens te bellen.

Het verhaal van de 19-jarige tweelingbroers Bobby en Eddy sprak natuurlijk tot de verbeelding. Plaatselijke media smulden ervan. Dat verhaal zou echter nóg mooier worden. Want via een artikel in The New York Post belandde het bij een derde geadopteerde 19-jarige jongen, ene David Kellman. Ook hij was geboren op 12 juli. Niet veel later was de mediagenieke drieling het snoepje van de week in de Amerikaanse media. Geen talkshow of spelprogramma, of Bobby, Eddy en David waren er te gast. Elkaars zinnen aanvullend. En in dezelfde kleding, natuurlijk.

De wonderlijke ontmoeting tussen de drie ogenschijnlijk identieke jongens in 1981 vormt het startpunt van deze gewéldige film van Tim Wardle. Want meer dan een startpunt is het ook niet, het moment waarop drie afzonderlijke levens ogenschijnlijk toevallig samenkomen. Deze documentaire is echt wat ze een ‘gift that keeps on giving’ noemen. Steeds als de film uitzoomt, wordt er een nieuwe verhaallaag zichtbaar. Alsof je via een valluik steeds dieper in de geschiedenis van Bobby, David, Eddy en hun lotgenoten dondert.

Three Identical Strangers (96 min.) is geconstrueerd als een ingenieuze real life-thriller, waarbij Wardle als een rechtgeaarde erfgenaam van Hitchcock zeer gewiekst spanning opbouwt en steeds hints geeft over wat er nog gaat komen, die na verloop van tijd allemaal op hun plek vallen. Intussen stelt hij ook wezenlijke levensvragen. Over wie we zijn en waarom we zijn wie we zijn. Het resultaat is een documentaire die je voortdurend op het puntje van je stoel houdt en intussen ook doet nadenken over het bestaan. En, als je het mij vraagt, één van de absolute hoogtepunten van het filmjaar 2018.

The King

‘Oh, mán!’ Hij schiet helemaal vol als hij instapt. Een Rolls Royce uit 1963. De auto van Elvis Presley. The King (108 min.). ‘Oh, shit’, herpakt singer-songwriter John Hiatt zich. ‘Sorry.’ ‘Kwam het door iets wat ik zei?’ wil regisseur en bestuurder Eugene Jarecki weten. ‘Nee. Als je in deze auto gaat zitten, voel je gewoon hoe gevangen hij zat. Helemaal gevangen.’

Elvis was volgens John Hiatt een ‘poor mama’s boy from Mississippi’, die vast kwam te zitten bij een ‘kermistype’. Manager Colonel Parker heeft hem schaamteloos heeft geëxploiteerd en intussen zijn ziel afgenomen. Hoogstpersoonlijk zorgde Parker, de Nederlander Dries van Kuijk, ervoor dat Presley transformeerde van onbedorven – of zéér verdorven; tis maar hoe je het bekijkt – rock & roller tot volledig bedorven entertainer.

Elvis was de verpersoonlijking van de American Dream, zo betoogt deze caleidoscopische road trip door het hedendaagse Amerika met de ‘hot wheels’ van The King. En dus ook van de teloorgang van diezelfde droom. Waar Presley zijn ziel op Faustiaanse wijze aan de Duivel verkocht, veranderde het land van hoop en dromen gaandeweg in een soort megalomane versie van Las Vegas, de plek waar Elvis roemloos aan zijn einde kwam.

Ooit een baken van vrijheid, maar inmiddels allang verworden tot een symbool voor het ultieme kapitalisme. Al valt er op die droom, volgens de rapper Immortal Technique niet meer dan ‘de nachtmerrie van een dronkenlap’, ook wel één en ander af te dingen. Want dat was natuurlijk vooral een blank ideaalbeeld. Dat werd gepersonifieerd door Elvis, de zanger die zwarte muziek toegankelijk maakte voor wit Amerika.

‘Elvis was a hero to most, but he never meant shit to me’, rapte Chuck D. al in de Public Enemy-hit Fight The Power. ‘Straight up racist that sucker was.’ Hij mag ook zijn licht laten schijnen over The King, in de ogen van de rapper het symbool van hoe Wit Amerika Zwart Amerika ringeloorde, in deze lappendeken van een documentaire, waarin een hele stoet landgenoten het lot van Elvis met dat van zijn land verknoopt.

Van acteurs als Alec Baldwin, Ethan Hawke en Ashton Kutscher tot spin doctor James Carville, The Wire-bedenker David Simon en oud-anchorman Dan Rather. Intussen wordt er ook nog gloedvol gemusiceerd in die Rolls Royce, die vanuit de stilaan Vernederde Staten van Amerika linea recta ons collectieve hart binnenrijdt met deze eigenzinnige en ambitieuze film.

I Was A Yazidi Slave

 

Nadat het leeuwendeel van de mannen van de Koerdische Jezidi-gemeenschap in Noord-Irak in 2014 (letterlijk) een kopje kleiner is gemaakt, besluit de nieuwe bezetter van de stad Sinjar, Islamitische Staat, zijn politiek van de verschroeide aarde ook toe te passen op de vrouwen. Die dienen natuurlijk sowieso maar één doel: het behagen van de mannen.

In I Was A Jazidi Slave (59 min.) reconstrueren enkele vrouwen die in handen vielen van de bebaarde barbaren hun ervaringen als sexslavin. Dat doen ze, eenmaal opgevangen in Duitsland, in een therapeutische context. Zodat ze straks een nieuw leven kunnen opbouwen in Europa. Tegelijkertijd kunnen met hun gedetailleerde getuigenissen de verantwoordelijke IS’ers misschien worden aangeklaagd bij het Internationaal Strafhof in Den Haag.

Deze journalistieke documentaire van David Evans laat behalve de vrouwen zelf ook diverse hulpverleners en mensenrechtenactivisten aan het woord. Zij geven ‘de zaak tegen IS’ gewicht en context, maar zorgen er tevens voor dat de docu, die ook nog is voorzien van een eikenhouten voice-over, erg praterig wordt en uiteindelijk meer aan het hoofd dan aan het hart appelleert. Terwijl Islamitische Staat toch echt onuitsprekelijke ellende heeft aangericht…

My Generation

Ze zetten zich af tegen het land van hun ouders, waarin je klasse bepaalde wie je was en wie je zou kunnen zijn. Met liefde en plezier droegen ze het grote Britse rijk van weleer ten grave om een nieuw land te stichten. Rule, Britannia! werd zogezegd vervangen door My Generation (86 min.). En midden in die Britse vloedgolf bevond zich acteur Michael Caine. Of beter: Maurice Micklewhite, de zoon van een visboer en een poetsvrouw.

In de bedompte jaren na de tweede wereldoorlog vond hij zichzelf opnieuw uit. De aankomende filmster had een artiestennaam nodig, vertelt hij geroutineerd in deze aan hem opgehangen film over de roarin’ sixties. Bij een bioscoop zag de acteur volgens eigen zeggen een poster van zijn favoriete acteur Humphrey Bogart, The Caine Mutiny. ‘Als ik naar de volgende bioscoop was gelopen, had ik nu dus Michael 101 Dalmatiërs geheten.’

Als verteller laveert Caine in deze gelikte film soepeltjes tussen zijn eigen persoonlijke lotgevallen en het grotere verhaal van de opkomst en ondergang van Swinging Londen. Hij gaat bovendien in gesprek met generatiegenoten als Beatle Paul McCartney, model Twiggy, fotograaf David Bailey, Who-zanger Roger Daltrey, modeontwerper Mary Quant en zangeres Marianne Faithfull. Stuk voor stuk nieuwe helden van weleer, met een Cockney-achtergrond.

Die (off screen) gesprekken worden door regisseur David Batty geserveerd met een levendige cocktail van film, reclame, comedy, politiek en natuurlijk muziek uit de tijd dat Londen het epicentrum van de wereld was – of op zijn minst dacht te zijn. Alle ijkpunten van de veel bewierookte jaren zestig komen weer voorbij: de minirok, het gebruik van de pil en de onvermijdelijke confrontaties met het establishment. Dat gaat – onvermijdelijk – gepaard met het romantiseren van de eigen jeugd, waarmee de babyboomers volgende generaties meteen alle gelegenheid gaven en geven om daar weer tegen te rebelleren.

School Life

 

Hij lijkt een volledig verzuurde knorrepot, zij oogt als een wereldvreemde boekenwurm. Het echtpaar Leyden geeft al 46 jaar les op Headfort School, de enige Ierse kostschool voor kinderen van zeven tot en met twaalf jaar. Daarbij kun je je direct allerlei schrijnende taferelen voorstellen. Van kadaverdiscipline, volstrekte liefdeloosheid en rücksichtslose tucht. Om over het onvermijdelijke misbruik nog maar te zwijgen.

Niets van dat al! De amodieuze John mag dan voortdurend zogenaamde verwijten om zich heen strooien (‘dat waren alle goede noten, maar niet noodzakelijk in de juiste volgorde’) en Amanda kan volledig in vervoering raken van bepaalde poëzie, maar uit alles wat ze doen en zeggen spreekt oprechte betrokkenheid bij ‘hun’ pupillen. Om over de bijbehorende onderkoelde humor nog maar te zwijgen.

Het kettingrokende echtpaar Leyden maakt van de observerende documentaire School Life (97 min.), originele titel In Loco Parentis, een hartverwarmende film. De filmmakers Neasa Ní Chianáin en David Rane portretteren Headfort als een liefdevol tweede thuis, waar de Leydens zich als pedagogisch verantwoorde pseudo-ouders bekommeren om kinderen die vanuit alle windstreken naar het idyllische dorp Kells in County Meath zijn gekomen. Om van de extra aandacht die ze schenken aan enkele kids met uitdagingen nog maar te zwijgen.

Intussen nadert het afscheid voor John en Amanda Leyden, die in 1972 zijn getrouwd en sindsdien altijd hebben gewoond in de voormalige butlerwoning op het Headfort-terrein. Het moment waarop hun welverdiende ouwe dag begint komt zienderogen dichterbij. Om over het afscheid van al die opgroeiende jongens en meisjes nog maar te zwijgen.

Grey Gardens


Zeker drie keer eerder ben ik aan deze film begonnen. In lijstjes met de beste documentaires aller tijden neemt Grey Gardens (94 min.) uit 1975 meestal een prominente plek in, maar eerlijk gezegd was het mij nog nooit gelukt om hem uit te kijken. Na zo’n drie kwartier haakte ik steevast af. Verveeld, geïrriteerd en he-le-maal suf geluld.

Want kletsen konden de hoogbejaarde Edith Bouvier Beale en haar licht hysterische, inmiddels 56-jarige inwonende dochter Little Edie, zo constateerde ik opnieuw tijdens mijn meest recente kijkpoging. Rebbelen, roddelen en kibbelen. Ze raakten nooit uitgepraat. En tussen de regels door vertelden ze heel veel over zichzelf, elkaar, de high society die hen had voortgebracht en alles waar ze verder toevallig aan moesten denken.

Hoewel de vrouwen vrijwel onafgebroken praatten (of zongen, dansten en performden), ligt het verteltempo van deze documentaire van de legendarische gebroeders Albert en David Maysles (en Ellen Hovde en Muffie Meyer) erg laag. Zoals ze in de jaren zeventig sowieso in slow motion leken te leven. Aan de meeste scènes, waarvan je je afvraagt waarom ze überhaupt in de film moesten, lijkt werkelijk geen einde te komen. Ik heb ditmaal zelfs even overwogen om hem op dubbele snelheid te bekijken via YouTube. Maar zo ga je natuurlijk niet om met belangwekkende kunst.

Even wat achtergrondinformatie dan maar: moeder en dochter waren familie van de fameuze Jackie Kennedy en konden het ooit breed laten hangen, maar die dagen lagen ten tijde van de filmopnames allang achter hen. Net als het huwelijk van amateurzangeres Edith met de vader van Little Edie. Tijdens het filmen, dat een bezoeking moeten zijn geweest voor de Maysles (die steeds in allerlei gesprekken werden betrokken door de twee dames), woonden de twee Edies met een hele roedel katten in het vervallen en vervuilde landhuis Grey Gardens in North Hampton, waar ze ieder moment konden worden uitgezet.

In deze film kun je dus zowel katten als aapjes kijken, concludeerde ik met de nodige zelfvoldoening terwijl ik nogmaals een greep deed in de zak met borrelnootjes. Deze paradijsvogels mochten in elk geval uitbundig met hun veren pronken. Zoals televisieprogramma’s als Showroom, Jambers en Man Bijt Hond later met veel succes een podium zouden bieden aan alle buitenbeentjes, betweters en dorpsgekken die van zich wilden doen spreken. En dus vroeg ik me af: biedt deze klassieke (het volgende woord spreek ik met gefronste wenkbrauwen uit:) ‘documentaire’ werkelijk meer dan zulke veletisieportretjes?

Ik moet het antwoord na de zoveelste kijkbeurt – zo voelde dat soms wéér – opnieuw schuldig blijven. Ik heb de film wel uitgekeken. Uitroepteken. Of beter: uitgezeten. En inmiddels zie ik in Grey Gardens óók een intrigerende karakterstudie van een excentrieke moeder en dochter, een tragikomische ode aan levens in verval en een vergeeld portret van een verloren wereld. Maar om nu te zeggen dat ik deze keer anderhalf uur aan de beeldbuis gekluisterd heb gezeten…

De speelfilmversie van Grey Gardens uit 2009, met in de hoofdrollen Jessica Lange en Drew Barrymore als respectievelijk Big en Little Edie heb ik tot dusver dus schielijk gemeden. En daarin zal voorlopig ook geen verandering komen. Een mens heeft zo zijn grenzen. Maar tot mijn schrik hoorde ik onlangs dat er met ‘lost footage’ nóg een documentaire over het illustere duo Beale is gemaakt, de prequel That Summer (met cameo’s van niemand minder dan Mick Jagger, Truman Capote en Andy Warhol). Dat was even schrikken. Ga ik er straks weer aan beginnen? Moet dat? Kan ik dat eigenlijk wel?