Fight Like Hell

Journeyman Pictures

Fight Like Hell (95 min.), roept de Amerikaanse president Donald Trump op 6 januari 2021 tegen zijn aanhang, als die op weg gaat naar het Capitool in Washington D.C. om daar z’n ongenoegen te laten blijken over de uitslag van de presidentsverkiezingen op dinsdag 3 november. De stemmen voor Trumps Democratische opponent Joe Biden mogen niet gecertificeerd worden, zo is de gedachte. Zodat de zittende president later alsnog aan zijn tweede termijn kan beginnen.

De tumultueuze periode tussen de presidentsverkiezingen van 2020 en Bidens inauguratie op 20 januari is, geheel terecht, al vaker onderwerp geweest van documentaires. Four Hours At The Capitol en January 6th documenteren bijvoorbeeld de bestorming van het Capitool, terwijl Shadowland en The Insurrectionist Next Door zicht proberen te krijgen op de motieven van de Trump-supporters die in de Amerikaanse hoofdstad het parlementsgebouw attaqueren.

In de documentaire Stopping The Steal blikken Republikeinse kopstukken verder terug op de onwezenlijke fase tussen de verkiezingen en de rellen op 6 januari, waarin steeds duidelijker wordt dat Donald Trump – en daarmee ook zijn achterban – geen genoegen neemt met de verkiezingsuitslag. Zijn voormalige campagnemedewerker Roger Stone, die in deze periode wordt gevolgd voor de documentaire A Storm Foretold, bedenkt een slogan voor de opgeklopte onvrede: Stop The Steal.

Behalve een geestelijk vader heeft de campagne echter ook een generaal nodig: de radicaal-rechtse politieke activist, influencer en complotdenker Ali Alexander. In deze found footage-film volgt documentairemaker Jon Long de grondoorlog die Alexander vrijwel direct na de verkiezingen opstart. Boze Trump-supporters die betrokken raken bij de schermutselingen scanderen regelmatig ‘1776’. Ze lijken ervan overtuigd dat zij een sleutelrol spelen in een tweede Amerikaanse revolutie.

Long toont deze gebeurtenissen, slechts vergezeld van basale feitelijke informatie en een unheimische soundtrack, volledig vanuit het perspectief van Trumps voetbalsoldaten en (gewapende) milities. In de eerste helft van z’n film laat hij zien hoe zij op het ‘juiste’ spoor worden gezet door ‘usual suspects’ zoals Infowars-crimineel Alex Jones, de deviante oud-generaal Michael Flynn, Amerika’s verknipte burgemeester Rudy Giuliani en de extreemrechtse influencer Nick Fuentes.

Halverwege schakelt Long door naar 6 januari zelf, een dramatische dag die hij begeleidt met berichtgeving in de media, speeches en heimelijke communicatie binnen de Republikeinse partij en Team Trump. De bijbehorende beelden zijn, vier jaar later, overbekend, maar wennen nooit. En toch lijken ze tegenwoordig voor bijna de helft van het Amerikaanse electoraat tot de voltooid verleden tijd te behoren. Ze vormen in elk geval geen beletsel om opnieuw te stemmen op Donald Trump.

‘And if you don’t fight like hell’, heeft die ook gezegd op die traumatische woensdag in januari 2021, in woorden die vier jaar later nog altijd nagalmen, ‘you’re not gonna have a country anymore.’

Sugarcane

National Geographic / Disney+

Ze werden beschouwd als wilden, die nodig geciviliseerd moesten worden. Vanaf 1894 stuurde de Canadese overheid inheemse kinderen dus naar katholieke kostscholen. Op de zwart-wit beelden die van deze speciale gesegregeerde scholen bewaard zijn gebleven, lijken de priesters en nonnen en de aan hen toevertrouwde jongens en meisjes een liefdevolle en godsvruchtige gemeenschap te vormen. In werkelijkheid ging ’t er vaak niet al te veel beter aan toe dan op veel christelijke kostscholen in pak ‘m beet Ierland, België en Nederland.

De St. Joseph’s Mission Residential School, die uiteindelijk werd gesloten in 1981, ving steeds weer nieuwe generaties van Canada’s oorspronkelijke bewoners op. En de verhalen daarover laten een tamelijk vertrouwd patroon van mishandeling en seksueel misbruik zien. Inheemse bewoners van de Sugarcane Indian Reserve in British Columbia werden er vaak onherstelbaar beschadigd. Met talloze zelfdodingen, soms vele decennia later, als tragisch gevolg. Want de verhalen over die verrotte tijd konden overlevenden doorgaans nauwelijks kwijt.

‘Niemand luisterde naar mij’, vertelt de oudere vrouw Rosalin Sam bijvoorbeeld in Sugarcane (107 min.). ‘Ik vertelde ’t aan mijn grootmoeder. Die wilde er niet van horen. Ik ging naar een non. Die zei me dat ik naar de priester moest gaan. Ik vertelde het aan de priester. Die verwees me door naar de Indianenagent. Ik deed mijn verhaal bij de Indianenagent. Die stuurde me naar de Royal Canadian Mounted Police. Die briefte ’t weer door aan mijn vader. En die timmerde me helemaal in elkaar. Toen kocht ik een fles wijn en besloot me te bezuipen.’

Rosalin, die net als veel lotgenoten een alcoholprobleem ontwikkelde, doet in deze even serene als krachtige documentaire van Julian Brave NoiseCat en Emily Kassie haar verhaal aan twee onderzoekers. Zij hebben zich ten doel gesteld om nog een ander aspect van het schrikbewind op de Indian Mission School bloot te leggen. Charlene Belleau en Whitney Spearing, die op een onvervalst true crime bord de foute broeders en hun wandaden in kaart proberen te brengen, zijn op zoek naar ongemarkeerde graven, waar vermiste kinderen zouden liggen.

Want de streken die witte begeleiders op de katholieke kostschool uithaalden met de inheemse meisjes die daar werden onderwezen, resulteerden nogal eens in kinderen. Zo werd Ed Archie NoiseCat, de vader van Julian, bijvoorbeeld geboren op St. Joseph’s. En het had weinig gescheeld, zo blijkt in de finale van deze documentaire, of hij had z’n eerste verjaardag nooit gehaald. Die tragische geschiedenis weegt vanzelfsprekend nog altijd zwaar door in zijn huidige leven – en dat van zijn zoon, de filmmaker. De priesters werden intussen gewoon overgeplaatst.

Met deze indringende film zijn nu alle misstanden voor zowel het nageslacht als de buitenwereld vereeuwigd. Sugarcane, opgeluisterd met fraaie Indiaanse gezangen en rituelen, laat tevens zien hoe de gemeenschap omgaat met al dat leed en de schaamte. De één zoekt naar verzoening tijdens een ontmoeting met paus Franciscus, een ander koelt juist zijn woede door het in brand steken van katholieke kerken. Het zijn de wrange uitlopers van een segregatiebeleid dat het leven van de oorspronkelijke inheemse bevolking van Canada heel lang min of meer onmogelijk heeft gemaakt.

Paradigma

Las Belgas

‘Er komt binnen enkele jaren een renaissance in dit land met elektronische journalistiek’, stelt een Amerikaanse deskundige, ergens in de jaren zeventig of tachtig, staand voor een boekenkast, ‘waarbij je op computers en machines gewoon je eigen verhalen kunt maken. En je hoeft helemaal geen techneut te zijn om dat te doen.’

‘Het kan natuurlijk gebruikt worden om de persvrijheid te verruimen’, sluit een andere man, uit min of meer hetzelfde tijdsgericht, daarop aan in het Belgische video-essay Paradigma (104 min.). ‘Als dat het geval is, juich ik dit vanzelfsprekend toe. Maar ik vrees dat ‘t opnieuw zal worden gebruikt om geld te verdienen. Als een hulpmiddel voor de hele rijken, om hun macht te vergroten over wat mensen denken, zien en horen. Zo bezien kan nieuwe technologie een ernstig gevaar voor de democratie betekenen.’

‘Het nieuws is nooit zomaar het nieuws’, vervolgt Paradigma’s vrouwelijke vertelstem, ingesproken door Meskerem Mees, bij beelden van de Franse president François Mitterand, omgeven door fotografen en cameramannen. ‘Om meer geld te genereren investeren banken in winstgevende bedrijfstakken. Ze kopen eveneens aandelen in mediabedrijven, want die kunnen weer als PR-tool gebruikt worden om hun investering terug te verdienen. Zij moeten ons ervan overtuigen dat hun belangen ook de onze zijn.’

‘Meer oorlog betekent meer werk’, stelt een Vlaamse man, vermoedelijk ook uit de tachtiger jaren, daarna in deze collageachtige film van de Brusselse cineasten Jozef Devillé en Pablo Eekman. Hij wordt aangevuld door een land- en tijdgenoot die zich duidelijk zorgen maakt over de wapenwedloop in de wereld. ‘Over de ganse wereld zijn er ongeveer een half miljoen ingenieurs en wetenschappers constant bezig met het ontwikkelen van nieuwe en voortdurend verbeteren van oude wapensystemen.’

En doorrr… Naar de volgende gedachtenstap van deze onheilsprofetie, met een veelbetekende mixture van fragmenten, veelal uit de tweede helft van de twintigste eeuw. Uit België en de rest van de wereld. Met louter bestaand beeldmateriaal, bijeengehouden door die koele/coole vertelster en een licht vervreemdende soundtrack, belichten Devillé en Eekman de thema’s geld, rijkdom, gezag, democratie, waarheid, groei en succes. Zo schetsen ze een dystopisch portret van onze hedendaagse wereld.

De opzet van Paradigma doet enigszins denken aan de onnavolgbare visuele bouwwerken van de Britse filmmaker Adam Curtis – al is de verhaallijn nét wat conventioneler en de toon ook iets minder polemisch. De nadruk op oude beelden is eveneens opmerkelijk. Alsof de twee filmmakers het punt willen maken dat allerlei denkers, activisten en gewone burgers een kleine halve eeuw geleden al voorzagen in welke wereld we nu zouden leven – en dat we die hadden kunnen voorkomen.

We moeten de toekomst verlossen van het verleden, stellen Devillé en Eekman zelfs aan het eind van dit scherpe, ontregelende en soms ook grappige schotschrift tegen het huidige maatschappijmodel, nadat ze bij aanvang al ferm hebben geconstateerd: Tradition is just peer pressure from dead people.

Where Dragons Live

Cinema Delicatessen

In dit huis zijn ze altijd kind gebleven. Cumnor Place, nabij Oxford. Het landhuis van Jane en Oliver Impey. Hun ouders. Nu hun moeder in 2021 op 82-jarige leeftijd is overleden, nadat vaderlief vijftien jaar daarvoor al is weggevallen, staan de volwassen kinderen Impey voor de taak om dat huis leeg te ruimen. Daarmee sluiten ze hun bevoorrechte jeugd in een idyllische omgeving af en kunnen ze tevens in het reine komen met het verleden en hun eigenzinnige ouders.

Cumnor Place is volgens hen een plek waar draken wonen. Dat begon al direct met de aankoop ervan in 1966. Olivers moeder had Saint George and the Dragon verkocht, een veertiende eeuws schilderij van Rogier van der Weijden. Over Joris en de draak, juist. Die het onderspit delft, dat ook. Het kunstwerk bracht 220.000 pond op en behoort tegenwoordig tot de collectie van The National Gallery of Art in Washington. Met het verkoopbedrag kon destijds dit huis worden gekocht. Het was een bouwval, die helemaal moest worden opgeknapt door de Impeys. Zodat ze er ruim een halve eeuw konden wonen.

In Where Dragons Live (82 min.) beginnen hun zoons Edward, Lawrence en Matthew en enige dochter Harriet aan de ontmanteling van datzelfde leven. Een huishouden dat zonder twijfel werd bestierd door hun moeder Jane. Zij kon soms ongenadig vuur spuwen als iets haar niet zinde. Overal hangen nog ge- en verboden van de vrouw des huizes, een vooraanstaande wetenschapper. ‘Beware of…’ Of: ‘Do not…’ Gevolgd door een verbod. Via deze boodschappen is ze nog altijd prominent aanwezig in het huis dat nu klaar wordt gemaakt voor de verkoop.

Wat mag er weg en wat moet er blijven? Hier of elders. Het zijn bekende dilemma’s voor iedereen die ooit, overmand door gevoelens en herinneringen, een ouderlijk huis heeft moeten ontruimen. Het decor is in dit geval echter onvergetelijk – en wordt door regisseur Suzanne Raes en cameraman Victor Horstink ook ten volle uitgenut. Een sprookjesachtig, typisch Brits landhuis, net buiten het dorp en omgeven door een enorme tuin met allerlei vergeten hoekjes en een zwembad. Een plek om bij weg te dromen. Om doodsbang van te worden. Of wilde avonturen bij te verzinnen.

Met draken bijvoorbeeld. Vader Oliver, zoöloog en kunsthistoricus, zag ze overal. Hij verzon er zelfs Latijnse namen voor en praatte er volgens zijn kinderen over alsof ze echt bestonden. Het huis staat nog altijd vol met draken-parafernalia. En ze spelen natuurlijk de hoofdrol in verhalen. Ook in deze zinnenprikkelende film, via literaire fragmenten uit onder andere Beowulf, Harry Potter en Dragons World. De mythische dieren representeren voor Raes angsten, die onschadelijk moeten worden gemaakt of heroïsch kunnen worden gedood. Met de kracht van de rede of onze verbeelding.

Via herinneringen van de vier Impey-kinderen, en de avonturen van hun kroost in het bijzonder fotogenieke Cumnor Place en directe omgeving, pakt de Nederlandse filmmaakster kalm en methodisch, met behulp van fraaie familiefilmpjes, tevens de geschiedenis van deze upper class familie uit. Waarbij tussen de regels door kleine en grotere pijntjes aan de orde worden gesteld. Een vader die de ene zoon beduidend interessanter vond dan de andere bijvoorbeeld. Of de realisatie van sommige kinderen dat ze zich meer thuis voelden bij het kindermeisje dan bij hun eigen moeder.

In wezen gebeurt er verder weinig op het Britse landgoed, maar Raes zet de kleine gebeurtenissen in deze sfeervolle film vaardig naar haar hand. Van kleinkinderen die spelen in het zwembad – waarbij Orlando tot ‘waterdraak’ wordt gebombardeerd – maakt ze met beeld en tekst bijvoorbeeld een tot de verbeelding sprekend drakengevecht. En als de kinderen over het gras rennen, tekent er zich, hoog boven hen, zowaar even een schaduw af in de lucht. Zou ’t dan toch?

Sweet Bobby: My Catfish Nightmare

Netflix

Toegegeven: het woord ‘catfish’ zet de meeste kijkers al behoorlijk op het spoor. En met de wijsheid achteraf is het natuurlijk gemakkelijk oordelen. Kiran Assi, een marketeer van Keniaanse komaf uit West-Londen, stapt alleen wel héél naïef in haar relatie met Bobby Jandu, een man die eveneens afkomstig is uit de lokale sikh-gemeenschap en die ze dan al enkele jaren niet heeft gezien. Na een heftig schietincident in Kenia is hij, zwaargewond, opgenomen in een getuigenbeschermingsprogramma te New York. Ze kan hem dus niet ontmoeten. Hun enige contact verloopt via een net aangemaakt Facebook-account, waarbij ze hem, vanwege veiligheidsmaatregelen natuurlijk, ook nooit mag zien. Trouwplannen laten desondanks niet lang op zich wachten.

Dit klassieke good-woman-loves-bad-man verhaal – een verhaal is ‘t, overduidelijk; een gepolijste versie wat er zich waarschijnlijk echt, min of meer dan, heeft afgespeeld – heeft z’n geloofwaardigheid dan al een heel eind verloren. Het is overigens ook al eens eerder uitgeserveerd door Kiran, tevens radiomaakster, in de podcast Sweet Bobby, waarop deze docu-light van Lyttanya Shannon dan weer is gebaseerd. De liefdesgeschiedenis die zo idyllisch is begonnen – natuurlijk, zegt diezelfde sceptische stem, de hoofdpersonen van dit soort producties beleven altijd gróte liefdes en belanden nooit in suffe relaties – krijgt gaandeweg een naargeestig karakter. Bobby blijkt – verrassing! – een onvervalste creep en natuurlijk niet de man die hij zei te zijn.

Sweet Bobby: My Catfish Nightmare (82 min.) heeft zich dan al lang en breed gepositioneerd tussen Catfish-achtige hap-slik-weg producties zoals The Tinder SwindlerBad Vegan en The Puppet Master. Een gecompliceerde en tegelijk vederlichte vertelling over een jonge vrouw die zich op onnavolgbare wijze – en eerlijk gezegd toch vrij voorspelbaar – door een rasmanipulator in de luren laat leggen. Een beetje oplettende kijker ziet de ontknoping eigenlijk al wel een tijdje aankomen. Na afloop weet die desondanks nauwelijks wie of wat ie werkelijk heeft gezien. Want sommige personen in de docu zijn vanwege privacyoverwegingen vervangen door acteurs. Maar om wie ’t precies gaat en wat dit dan betekent voor het verhaal dat ons is voorgeschoteld?

Kiran Assi wordt als hoofdrolspeelster intussen ook nadrukkelijk opgezet als een personage: de sikh-vrouw van dik in de dertig – aantrekkelijk en tot spijt van haar familie toch nog altijd ongehuwd – die nu eindelijk eens aan de man wil en die zich vervolgens negen jaar lang aan het lijntje laat houden door een kerel die ze nooit te zien krijgt. Het lijkt soms bijna alsof ze zichzelf acteert in het gelikte Catfish-verhaal dat hier van haar leven wordt gemaakt – en dat ze, daarvoor hoef je ziener te zien, nog héél vaak zal vertellen.

Apple Cider Vinegar

Cinema Delicatessen

Aan het begin van deze documentaire stelt de hoofdpersoon zich netjes voor. ‘Door de jaren heen heb ik zo’n beetje de hele wereld gehad’, beweert zij over haar werk als verteller van natuurdocu’s. ‘Ik vond dat ik klaar was met vertellen, besloot ermee op te houden en jullie schermen te verlaten.’ De oudere vrouw laat een korte stilte vallen. ‘En toch: hier ben ik weer. Ik heb nog één verhaal te vertellen.’ Over een vergeten wereld van steen. Die heeft ze leren kennen door haar eigen niersteen.

De vertelster, een soort vrouwelijke Richard Attenborough dus, roept in Apple Cider Vinegar (80 min.) – ofwel: appelazijn, naar het schijnt zowat de enige remedie tegen zo’n niersteen – de hulp in van de Britse mineralendetective Lorna Dawson, een vrouw die met behulp van zeer specifiek onderzoek allerlei misdrijven heeft opgelost. En zij doet een opmerkelijke ontdekking: de steen blijkt mineralen uit Antarctica te bevatten. Hoe komt die in ‘s hemelsnaam in haar lichaam terecht?

Die vraag is het startpunt van een intuïtieve exploratie van de stenen wereld en de verhalen die daarbij horen. Stenen waren eerder niet meer dan decorstukken voor de vertelster. Zeehonden gingen erop liggen luieren of vogels gebruikten ze om te gaan paren. En aan vulkanen, meteorieten, lavalandschappen en aardbevingen besteedde zij ook nooit al te veel aandacht. Laat staan dat ze als de eerste de beste geoloog stenen ging bekijken – of er zelfs een vakantie aan opofferde.

Er gaat nu een wereld open voor de vrouw, die haar ontdekkingstocht door die nieuwe wereld paart aan een opmerkelijke ‘guilty pleasure’: ze kan uren gebiologeerd naar webcams in de vrije natuur kijken. Het idee dat er altijd iets kan gebeuren… Een beer die behendig een vis vangt. De kat die zeer behoedzaam een spoorlijn oversteekt. Zoiets kan haar zielsgelukkig maken. In deze vertelling van de Belgische filmmaakster Sofie Benoot maakt ze de kijker graag deelgenoot van deze verrukking.

Intussen gaat ze ook overal ter wereld op zoek naar aardbewoners die leven voor, met of door de stenen. De Palestijnse steenhouwer Juma’a slaat bijvoorbeeld al een half leven lang rotsen stuk. Hij weet precies waar ze hard en zacht zijn – en waarom. De Amerikaanse vrouw Charlotte heeft dan weer last van chronische pijn. Haar lijf fungeert als een soort antenne voor onrustig gesteente. Haar man Glenn kampt daarnaast met zijn kortetermijngeheugen en kijkt elke avond dezelfde film.

En de Brit Rob verzamelt op het strand keien, die meer van plastic dan van steen zijn. Hij maakt er kunstwerken mee. Op die manier vraagt hij in deze losse en speelse vertelling aandacht voor de staat van de stenige aarde. Los en speels is ook de gekozen insteek. Want de vertelster die alle verhaallijntjes bijeenbrengt en verluchtigt met een grapje is natuurlijk – ’t mag geen verrassing meer zijn – een alter ego van Benoot zelf. Een fictief personage, vertolkt door de actrice Siân Phillips.

Zij zorgt ervoor dat dit stenen-essay geen moment taai of saai wordt. Tegelijkertijd tast de constatering dat die vertelling in wezen is gebouwd op drijfzand – een verzonnen hoofdpersoon en een al even bedachte niersteen – de geloofwaardigheid van deze documentaire toch ook wel een heel klein beetje aan. Verder is deze film – in woorden die de verstelster zelf, als ze had bestaan en dan ook nog in een woordspelige bui was geweest, had kunnen gebruiken – eigenlijk steengoed.

The Imposter

A&E Indie Films

Drie jaar en vier maanden na de plotselinge verdwijning van Nicholas Barclay op 13 juni 1994, krijgt de familie van de dertienjarige Texaanse jongen bericht uit Spanje: hun zoon is gevonden.

Het is een daverende verrassing, voor alle betrokkenen. Het bericht zorgt ook direct voor wantrouwen. De inmiddels zestienjarige tiener blijkt helemaal geen blond haar en blauwe ogen te hebben. En de jongen spreekt met een vreemd buitenlands accent. Iedereen die ’t wíl zien, constateert direct: geen Nick, maar een oplichter. ‘Hij leek helemaal niet op mij’, bekent de man, die zich voordeed als het verdwenen kind, ‘eerlijk’ in The Imposter (98 min.). Hij kijkt recht in de camera. ‘Het enige dat we met elkaar gemeen hebben, is dat we allebei vijf vingers aan elke hand hebben.’

En toch stapt Nicks zus Carey direct in het vliegtuig naar Spanje, om hem als een verloren zoon binnen te gaan halen. Deception comes home, zoals in 2012 de smeuïge tagline luidde van deze onheilszwangere mix van docu en drama. Want enige tijd later – de Britse regisseur Bart Layton gebruikt de reis huiswaarts van ‘broer’ en zus als een vehikel om de spanning danig op te voeren – wordt de jongen omhelsd door zijn moeder Beverly Dollarhide en de rest van de familie. Hij is weer thuis – of zoals ie dat zelf ziet: eindelijk thuis. Ergens. Ook al is het dan in de Barclay-familie.

Nick is – vertelt hij aan de andere leden van het gezin, die zijn verhaal grif overnemen in deze film – ontvoerd door buitenlandse militairen. Samen met andere kinderen. Meegenomen naar een ander land. Bedwelmd met chloroform. En elke avond misbruikt door officieren. Z’n handen zijn gebroken met een honkbalknuppel. Hij moest insecten eten. Kreeg naalden in z’n ogen. Een koptelefoon op, met keihard geschreeuw in vreemde talen. En een stem bleef zeggen: jij bent niet jij. Engels spreken werd bestraft. En zijn identiteit gemanipuleerd door het veranderen van z’n haarkleur en oogkleur.

En toen kon Nicholas, als door een wonder, ontsnappen door een deur die niet bleek te zijn afgesloten en ontdekte hij volgens eigen zeggen pas dat ie in Spanje was beland. Hij zocht er een opvang op en kreeg van daaruit contact met thuis. Tot zover het verhaal dat de bedrieger zijn familie en een kritische FBI-agente op de mouw speldt. Maar waarom heeft hij zich eigenlijk een vreemd gezin binnen gewurmd en – een al even prikkelende vraag – waarom heeft dat gezin hem, de drieëntwintigjarige man die duidelijk hun verdwenen tienerzoon niet is, in vredesnaam omarmd?

Aan de hand van deze vragen bouwt Layton zijn film op als een slinkse thriller, waarbij niets is wat het lijkt en niets lijkt wat het is. Vanaf het begin is desondanks duidelijk dat we met een oplichter van doen hebben. Sterker: gaandeweg blijkt ’t om de Franse beroepsoplichter Frédéric Bourdin, bijgenaamd De Kameleon, te gaan. Hij lijkt ook graag te participeren in deze vertelling. Alsof die niet meer dan een viering van zijn bedriegerscapaciteiten is. Een gelegenheid om nog eens te zwelgen in zijn eigen meestertruc, waarvoor hij als een gewetenloze method actor elke rol naar z’n hand zet.

Tegelijk blijft natuurlijk de vraag opspelen wat er dan wél met Nicholas is gebeurd.

I’m Not A Monster: The Lois Riess Murders

HBO Max

‘Ik hoop dat dit het juiste is om te doen’, zegt de hoofdpersoon bij de start van I’m Not A Monster: The Lois Riess Murders (165 min.). 

‘Wat zeg je?’ reageert Erin Lee Carr, de maakster van die tweedelige documentaire, nogal bruusk.

Lois Riess herhaalt geëmotioneerd: ‘Ik hoop dat dit het juiste is om te doen.’

Riess, een ogenschijnlijk onopvallende Amerikaanse vrouw van middelbare leeftijd, is veroordeeld vanwege de moord op haar eigen echtgenoot Dave, een goedlachse kerel met één grote passie: vissen. Op 23 maart 2018 wordt hij aangetroffen in hun huis in Blooming Prairie, Minnesota, waar ze sinds 2005 samen een larvenkwekerij runnen. Het gemoedelijke koppel staat er eigenlijk goed bekend.

David Riess blijkt al een dag of tien dood in z’n eigen woning te liggen. En zijn echtgenote Lois is ervandoor gegaan. Snel daarna wordt er een ‘manhunt’ gestart. Op een vrouw van 56, dat wel. Geen jonge (en wilde) blom, maar volgens een kennis wel een ‘click-off’. Iemand waarbij je altijd al het gevoel had dat er iets mis was – en die nu in deze documentaire voor het eerst opening van zaken geeft.

Na de dood van haar echtgenoot heeft Lois Riess nog dagenlang gewoon haar leven geleid in hun gezamenlijke huis. Terwijl daar dus ook Dave lag, de man met wie ze al een half leven samen is en drie kinderen heeft. ‘Ik ben geen monster’, zegt ze desondanks tegen Carr. ‘Niemand weet wat ik heb meegemaakt.’ Want Dave had volgens haar een aanstekelijke lach, maar ook een heel kort lontje.

Feit is ook dat Lois Riess bepaald geen onbeschreven blad is. Ze is erfelijk belast, blijkt al snel. Lois stamt uit een gezin waar meerdere leden kampen met mentale problemen. Haar moeder werd bijvoorbeeld gediagnosticeerd met een bipolaire stoornis en maakte van hun huis een typische hoarderswoning. En ook haar dochter heeft zo haar issues: depressies, gokproblemen en – logisch – een geldtekort.

Haar echtgenoot blijkt gaandeweg een kwelgeest voor Lois. De ondertitel van dit tweeluik luidt alleen niet voor niets The Lois Riess Murders. Met een ‘s’. Meervoud. Na Daves gewelddadige dood kruist Lois zo het pad van een man die een karikatuur op een Amerikaanse politieagent was geweest als ie niet daadwerkelijk zo’n ‘all-American cop’ zou zijn: sheriff Carmine Marceno van Lee County, Florida.

‘Het laatste wat ik wilde’, zegt hij nu ferm, ‘was een seriemoordenaar op de vlucht.’ Binnen de kortste keren gaat Lois Riess door het leven als de ‘killer grandma’. Haar verhaal, zoals ‘t wordt verteld door Erin Lee Carr en een hele zwik kleurrijke personages, begint dan steeds absurdere vormen aan te nemen. Volgens een joviale barman die ze onderweg tegenkomt, gedraagt Lois zich zelfs ‘kierewiet’.

Met de mensen die zij tijdens haar vlucht heeft ontmoet schildert Erin Lee Carr losjes de (mentale) tocht die haar hoofdpersoon heeft afgelegd, van allemansvriend naar meervoudige moordenares. Die reis lijkt net zo belangrijk als de uiteindelijke bestemming: het in de kraag grijpen van dat monster (of, afhankelijk van je zienswijze, de verwarde vrouw die blijkbaar aan het moorden is geslagen).

Carr zet Riess zo nu en dan ook de duimschroeven aan – dit was natuurlijk al min of meer aangekondigd in de openingsscène – als ze in haar getuigenis de schuld al te gemakkelijk bij Dave neerlegt of een loopje met de waarheid lijkt te nemen. I’m Not A Monster blijft desondanks meer een karakterschets van een getroebleerde vrouw en haar entourage dan een traditionele true crime-docu.

Marjoe

Cinema 5 Distributing

Als zesjarige joch, door z’n ouders binnen de Amerikaanse Pentecostal Church geïntroduceerd als ‘de jongste evangelist ter wereld’, begroette hij vreemden met een ferme handdruk en een ingestudeerd praatje: hallo, meneer Smith, mijn naam is Marjoe Gortner en ik ben van plan om de Duivel twee blauwe ogen te bezorgen.

Dat jongetje is, als deze Oscar-winnende documentaire van Howard Smith en Sarah Kernochan in 1971 wordt opgenomen, inmiddels een volwassen man. Na zijn periode als kinderprediker, waarin hij miljoenen dollars zou hebben binnengehaald voor vader en moeder Gortner, begint Marjoe (88 min.) als twintiger zelf Mammon te dienen en puur voor de knaken te preken. Geloven doet hij allang niet meer. En daarover krijgt ie gaandeweg dan toch weer wroeging.

Marjoe besluit om de filmcrew van Smith en Kernochan toegang te geven tot zijn allerlaatste ronde langs Amerikaanse kerkgemeenschappen, om zo zijn eigen bedrog – en daarmee impliciet ook dat van talloze vakbroeders – aan de kaak te stellen. Wat gebeurt er als ze erachter komen dat ze voor de gek zijn gehouden? willen de filmmakers vooraf nog weten. ‘Ik hoop dat ze inzien dat het niet nodig is om al je geloof in handen van één willekeurige persoon te leggen.’

In de kleedkamer waar ze het opnameproces bespreken laat hij alvast zien hoe gemakkelijk ’t is om de uitzinnige prediker in zichzelf naar boven te halen. ‘For seven years I was a heroin addict, pill dropper, LSD tripper,’ begint Marjoe met gedragen stem aan één van zijn vaste riedels. ‘High ridin’ and then low slidin’, bustin’ heads, and droppin’ reds. Kickin’ in doors and bangin’ whores, settin’ tires and slashin’ fires. But then I met a man who was hung up, from my hang ups…’

Marjoe is ‘een geboren prediker’, vertelt zijn vader Vernon trots. Zijn zoon behoort tot de vierde generatie christelijke leidsmannen in de familie. Hij is intussen wel duidelijk een kind van zijn tijd: net zo goed beïnvloed door Mick Jagger als door Jezus. Marjoe maakt inderdaad indruk. Hij heeft onmiskenbaar de gave van het woord, maakt van elke dienst een meeslepend theaterstuk (inclusief handoplegging, healings en mietersveel Hallelujahs) en kan bovendien bedelen als de allerbeste.

Want, zo wordt ook al snel duidelijk: Amerikaanse predikers zoals Marjoe proberen overal een cent aan te verdienen. Ongegeneerd kloppen ze hun gehoor geld uit de broek. Na een performance – want dat is ‘t, niet meer of minder – worden de dollarbiljetten sans gêne op een stapeltje gelegd en vervolgens enthousiast geteld. Preken is een businessmodel, voor zogenaamd christelijke lieden die er geen been in zien om devote oude vrouwtjes van hun laatste tientje te ontdoen.

En Marjoe Gortner, of hij dat nu wil of niet, excelleert in dat métier. De scènes waarin hij als een jonge God, samen met enkele oudere collega’s, enkele (zwarte) kerken en ‘revival tenten’ op hun grondvesten laat schudden, hebben ruim een halve eeuw later niets aan kracht ingeboet. Het is en blijft topentertainment – ook al is er dan een charlatan aan het werk (die er blijkbaar ook geen moeite mee heeft om andere prekers voor eigen parochie te kijk te zetten).

Een fascinerend schouwspel, dat is ‘t.

Soundtrack To A Coup D’Etat

Imagine

Drie dagen voordat de onafhankelijkheid van de Belgische kolonie Congo wordt uitgeroepen op 30 juni 1960, privatiseert België nog gauw Union Minière, het mijnbedrijf dat wordt beschouwd als de motor van Congo’s economie. Patrice Lumumba, de eerste premier van het Afrikaanse land, houdt bij de officiële onafhankelijkheidsceremonie, ten overstaan van de Belgische koning Boudewijn, een vlammende speech over de spot, beledigingen en slaag die zijn volk heeft moeten doorstaan. ‘Omdat we n***** waren.’ Ruim een half jaar later is hij dood, vermoord onder nooit helemaal opgehelderde omstandigheden.

Om westerse economische belangen, in de vorm van Congo’s grondstoffen, te beschermen en geen land te verliezen in de Koude Oorlog met de communistische aartsrivaal, de Sovjet-Unie, probeert de Amerikaanse buitenlandse veiligheidsdienst CIA dan al enige tijd de onafhankelijkheidsstrijd van Congo te beïnvloeden. De Amerikanen willen de lastpost Lumumba neutraliseren en sluiten daarom al snel een geheime alliantie met zijn rivaal Joseph-Désiré Mobutu. Die zal vanaf 1965 ruim dertig jaar aan de macht zijn in het Afrikaanse land, dat dan op zijn gezag voortaan Zaïre wordt genoemd.

In Soundtrack To A Coup D’Etat (150 min.) paart documentairemaker Johan Grimonprez deze onverkwikkelijke geschiedenis aan de muziek van Amerikaanse jazzgrootheden zoals Dizzy Gillespie, Louis Armstrong, Duke Ellington, Nina Simone en Thelonious Monk. Zij vormen een brug naar de strijd die Malcolm X in die tijd voert om de maatschappelijke positie van Afro-Amerikanen te verbeteren. Die voelen zich op hun beurt gesteund door de ontwikkelingen in Afrika, dat zich lijkt te ontwikkelen tot een United States Of Africa waar zwarte mensen over hun eigen lot mogen beschikken.

Intussen worden Armstrong en zijn muzikale begeleiders in 1960 letterlijk op tournee naar Congo gestuurd als de spanningen daar hoog oplopen. Louis Armstrong voelt zich naderhand misbruikt in de strategische oorlogsvoering om Congo. Hij is ingezet als een bliksemafleider, om de aandacht weg te houden bij de machinaties van de Amerikaanse veiligheidsdiensten en om de Congolese bevolking gunstig te stemmen over de Verenigde Staten. Na afloop dreigt de vermaarde zanger, trompettist en bandleider zelfs om zijn Amerikaans staatsburgerschap in te leveren en te emigreren naar Ghana.

Grimonprez vervat al deze verwikkelingen in een soepele stroom van krantenkoppen, nieuwsbeelden, interviewfragmenten en citaten, waaronder voorgelezen fragmenten uit de boeken My Country, Africa van de Afrikaanse feministe Andrée Blouin, Congo Inc. van de Congolese schrijver In Koli Jean Bofane en To Katanga And Back van de speciale afgevaardigde van de Verenigde Naties voor Congo, Conor Cruise O’Brien. Zo ontstaat een uitstekend gedocumenteerde reconstructie van een staatsgreep, die ruim zestig jaar later nog altijd doorwerkt in het hedendaagse Congo.

Dampende jazzperformances geven de film een emotionele onderlaag, zorgen voor een soms broodnodig intermezzo of fungeren als slagroom op de lang niet altijd smakelijke taart in deze lange, maar zeer knap gemaakte film over een cruciale gebeurtenis in de recente Afrikaanse historie, die één van de lelijkste kanten van de Koude Oorlog blootlegt.

Israel & Gaza: Into The Abyss

Top Hat

Wat te zeggen over Israel & Gaza: Into The Abyss (90 min.)?

Dat de indringende en tegelijkertijd bijzonder moedeloos makende documentaire van de Britse regisseur Robin Barnwell (Mariupol: The People’s Story) met zes gewone Israëli’s en Palestijnen een afgewogen beeld probeert te schetsen van de terroristische aanslagen van Hamas op 7 oktober 2023 en de tegenaanval van het Israëlische leger in Gaza – die een jaar later nog altijd voortduurt?

Dat het lot van de Joodse vrouw Bat-Sheva – die bij de aanval van Hamas op de Nir Oz-kibboets haar echtgenoot Ohad gewond zag raken, waarna die werd meegenomen naar Gaza – net zo schrijnend is als dat van fotograaf Ibrahim uit het vluchtelingenkamp Jabalia in datzelfde Gaza – die bij Israëlische, veelal door hemzelf vastgelegde, acties zowel zijn huis als talloze familieleden kwijtraakte?

Dat de Israëlische tiener Agam – die samen met haar moeder en twee broers, als onderdeel van de in totaal 251 gegijzelden, werd ontvoerd naar Gaza, nadat eerder haar vader en zus al waren vermoord – net zo weinig hoopvol over de toekomst lijkt te zijn als het ooit zo vrolijke Palestijnse meisje Ghada – dat zichzelf en haar familie filmt, terwijl ze de ene na de andere ontbering moeten doorstaan?

Dat de Joodse moeder Gali uit de Nahal Oz-gemeenschap – die op 7 oktober een dochter verloor en daarna haar echtgenoot Tsachi ontvoerd zag worden – evenzeer haar begrip voor ‘de andere kant’ lijkt te zijn verloren als de Palestijnse dokter El-Ran – die als chirurg van een hospitaal probeerde te redden wie/wat er te redden was en later werd opgepakt omdat hij banden met Hamas zou hebben?

En dat het schier onoplosbare conflict, in deze film met niet eerder vertoonde privébeelden nog eens in al z’n ellendigheid opgeroepen, dat al zoveel Israëlisch en Palestijns bloed heeft gekost nog altijd ongenadig door ettert – sterker: aan beide kanten weer heel veel nieuwe wonden heeft geslagen, die moeten worden gelikt, verzorgd en vast ook gewroken?

Bij deze.

Bruin Jackson Superstar

NTR

Kunstenaar Bruin Parry heeft weer eens een onbezonnen idee. Als enorme fan van Michael Jackson heeft hij zich nu voorgenomen om diens opvolger te worden als ‘The King of Pop’: Bruin Jackson Superstar (50 min.). ‘Er zijn al te veel kunstenaars met het syndroom van Down’, zegt hij bij het ontbijt tegen zijn familieleden. ‘Maar muziek is mijn echte droom.’

Zijn broer Beau Parry heeft er z’n twijfels bij. ‘Ik vind dat Bruin geweldig veel talent heeft en dat ontzettend benut heeft in de afgelopen jaren’, zegt die. ‘Hij schildert, hij tekent, hij danst, hij kan heel goed fotograferen.’ Bruin is altijd creatief bezig en heeft daarmee ook veel succes. Zijn werk hangt in musea. En als ontwerper werkt hij voor bekende merken. Alleen bij dat zingen denkt Beau: is dat nou echt nodig? ‘Want ja, het is misschien niet zijn grootste talent.’

Zijn ouders Anja en Alain zijn vooral bang dat hun 24-jarige zoon straks op het podium zal worden uitgelachen. Bruin Parry’s vriend en werkgever, beeldend kunstenaar Jan Hoek, is ook niet zo overtuigd van zijn vocale talenten. Hij vindt wel dat Bruin die nauwelijks te definiëren ‘X-factor’ heeft. En Bruins tante Sandra Parry legt alle verwikkelingen rond haar neef, die inmiddels een manager, producer en choreograaf heeft gecharterd voor z’n muzikale carrière, vast op film.

Bruin wil daarnaast ook wel eens een vriendinnetje. Dat is bijna net zo belangrijk als de muzikale carrière, die in nauwe samenwerking met zijn ‘soulmate’ Hoek heel serieus in de steigers wordt gezet. Abel van Gijlswijk (Hang Youth) zegt z’n medewerking toe, Katja Schuurman draaft op in een videoclip en Stefano Keizers levert weer een alter ego (Donny Ronny). Met deze professionele entourage werkt Bruin Parry aan z’n officiële debuutalbum.

Naarmate de presentatie van Cowboy van de Jordaan in de Amsterdamse concertzaal de Melkweg dichterbij komt in de zomer van 2024, registreert tante Sandra echter hoe de spanning bij haar neef toeneemt. Is hij wel in de wieg gelegd voor het podium? En wat zou het meisje dat hij inmiddels op het oog heeft eigenlijk vinden van zijn muzikale verrichtingen? Zijn kompaan Jan Hoek maakt er echter een soort project van om Bruin naar de albumlancering te loodsen.

Dat is natuurlijk ook de vraag die boven deze film hangt: waar zou Bruin als kunstenaar zijn zonder de support van alle profi’s die hem volhartig ondersteunen? En wat is ‘t tegelijkertijd tof dat dat ene chromosoompje meer niet hoeft te betekenen dat je geen kunstenaar kunt worden – al gebiedt de eerlijkheid ook om te zeggen dat de Nederlandse King of Pop ’t inderdaad eerder van z’n creativiteit, charme en geestdrift moet hebben dan van zijn zangkwaliteiten.

Dat mag – en kan – de pret echter niet drukken.

Bloedband

Anaïs Lopez

Anaïs Lopez’s oma verdween tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze moest volgens Anaïs dus wel Joods zijn. ‘Hoe kom je daarbij?’ reageert haar moeder Carla verbaasd. ‘Nee, lijkt me heel onwaarschijnlijk.’ Veel meer dan dat ze in 1946 is vertrokken, weet Carla zelf overigens ook niet. ‘Ik heb ’t gewoon weggestopt’, zegt ze over de moeder, die haar als klein kind achterliet bij haar vader. ‘Ik wilde er niets over weten.’ Dat is echter buiten haar eigen dochter gerekend. ‘Ik wil weten hoe ’t zit’, zegt Anaïs stellig in de ferme voice-over waarmee ze deze persoonlijke film aanstuurt. ‘Voordat het te laat is.’

Zo ontvouwt zich, letterlijk voor de camera, een roerige familiegeschiedenis, waarin verzonnen verhalen de waarheid nog wel eens in de weg blijken te zitten. Maar of de naakte feiten nu werkelijk zijn te verkiezen boven de romantische fantasieën die je, zeker als kind, ook kunt koesteren bij het verleden, is nog maar de vraag. Want de zoektocht van Anaïs Lopez naar de waarheid rond haar grootmoeder Willy maakt in Bloedband (30 min.) nogal wat los. Ze zou een losbol zijn geweest, die bij Duitsers op schoot zat en op een zeker moment met een nazi naar Brazilië is gevlucht.

Het spoor leidt uiteindelijk naar Frankrijk, waar oma een nieuw leven heeft opgebouwd. En er moeten DNA-tests aan te pas komen om te bepalen wie van haar kinderen nu precies bij wie hoort. Met onvoorziene ontwikkelingen, die voor de camera moeten worden ondergaan, als gevolg. ‘Mijn God, wat heb ik gedaan?’ vraagt Anaïs zich dan af in deze inventieve en fraai vormgegeven weerslag van haar enerverende zoektocht door het verleden, waarvan niemand weet waarnaar die leidt. ‘Ik heb nooit stilgestaan bij de mogelijke consequenties. En nu heb ik de familie stukgemaakt.’

Intussen komt de filmmaakster wel degelijk dichter bij de kern van de geschiedenis waarvan ze met verve het stof heeft afgeblazen: het levensverhaal van haar oma, de keuzes die zij heeft gemaakt en de gevolgen daarvan die nog meerdere generaties doorwerken. En dat begint bij de beperkte bewegingsvrijheid die een vrouw toentertijd had, in de mannenwereld van halverwege de twintigste eeuw. Willy Schram – volgens Carla, met hedendaagse ogen bekeken, een eigenzinnige, geëmancipeerde vrouw – had achteraf bezien misschien wel helemaal geen keus.

Zo bouwt Anaïs Lopez tijdens het maken van deze korte documentaire, die een mooi rond verhaal bevat, toch iets van begrip op voor die onbegrijpelijke oma – en daarmee ook voor haar eigen moeder.

Carville: Winning Is Everything, Stupid

Janus Film / Altimeter Film

Ruim dertig jaar later draagt James Carville een vrijwel identieke sweater – met horizontale paarse, groene en gele strepen – als in de scène waarmee hij een onvergetelijk documentaire-personage werd in The War Room (1993). Toen, aan de vooravond van de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 1992, sprak hij als campagneleider van Bill Clinton nog eenmaal, onverwacht geëmotioneerd, zijn team toe. Het zou het onbetwiste hoogtepunt worden van zijn lange carrière als politieke strateeg: ‘zijn‘ kandidaat werd gekozen tot leider van de westerse wereld.

Nu er in 2024 opnieuw verkiezingen op het programma staan – een rematch tussen Biden en Trump, zo laat het zich dan nog aanzien – pakt regisseur Matt Tyrnauer (Studio 54, Where’s My Roy Cohn? en The Reagans) de draad op met de politieke insider uit Louisiana, die van zijn hart nooit een moordkuil maakt, altijd vast is blijven houden aan die kenmerkende ‘southern drawl’ en zowat elke zin doorspekt met één of meerdere krachttermen. Hij is één van de eersten binnen de Democratische partij die durft uit te spreken dat Joe Biden geen verkiesbare kandidaat is en moet wijken voor een ander. Ook al wil, halverwege 2023, werkelijk geen partijgenoot die boodschap horen.

Terwijl Cartwright de verwikkelingen rond Bidens kandidatuur volgt en zonder terughoudendheid becommentarieert, blikt Tyrnauer samen met ‘The Ragin’ Cajun’ en familie, vrienden, collega’s en opponenten terug op zijn veelbewogen bestaan in Carville: Winning Is Everything, Stupid (98 min.). De man die tegenwoordig wordt beschouwd als een politiek orakel won pas op z’n 42e zijn eerste verkiezingen. Enkele jaren later zou hij z’n grootste overwinning boeken tijdens de campagne van 1992: Bill Clinton versloeg niet alleen zijn Republikeinse tegenstander George H. Bush, James Carville kreeg bovendien een relatie met één van diens topmedewerkers, Mary Matalin.

Twee geloven op één kussen, daar slaapt de Duivel tussen. De gestaalde ‘liberal’ en Republikeinse spin doctor zijn echter nog altijd samen – al maken ze er ook geen geheim van dat ze een lastige periode doormaakten toen Matalin ging werken voor de regering van George W. Bush. Net als andere veteranen uit die gedenkwaardige ’92-campagne – George Stephanopoulos, Paul Begala, Mandy Grunwald en Bill Clinton zelf – slaat ook Carvilles vrouw permanent rake taal uit. Haar echtgenoot is ‘a two fisted shit catcher’. Begala, met wie hij al sinds halverwege de jaren tachtig dagelijks belt, noemt Carville verder ‘the smartest son of a bitch who has ever done this for a living’.

En die verzet zich als overtuigde Democraat dan weer stellig tegen woke en ‘preachy females’. Want daarmee, is zijn zoals altijd stellige overtuiging, verliest zijn partij mannelijke kiezers. En uiteindelijk telt voor James Carville – getuige dit voor politieke junks bijzonder smakelijke portret, waarin het de hoofdpersoon overigens geen moment moeilijk wordt gemaakt – maar één ding: verkiezingen winnen. Voor de goede zaak, welteverstaan. Of, zoals Carville zelf, die nog nét voor die verkiezingen van 2024 tachtig wordt, ‘t vervat in een kenmerkende oneliner: ‘Screw the argument, win the election.’

Money Electric: The Bitcoin Mystery

HBO Max

Het zou een naam kunnen zijn voor een James Bond-schurk: Satoshi Nakamoto. Een mysterieuze figuur met Keyser Söze-achtige allure wellicht: Satoshi Nakamoto. Een online-manifestatie van Sauron zelfs: Satoshi Nakamoto. Onthoud die naam – ook al houdt de persoon daarachter zich, natuurlijk, angstvallig schuil.

Dat onthouden zal overigens ook wel lukken na Money Electric: The Bitcoin Mystery (95 min.), want documentairemaker Cullen Hoback gebruikt de naam als een universeel wachtwoord om diep in de wereld van de Bitcoin te duiken. Want deze digitale munteenheid zou hij, Satoshi Nakamoto dus, hoogstpersoonlijk hebben bedacht. En hij zou ook triljonair (ja, met tr!) zijn geworden van Bitcoins.

Nu is Hoback dus vast van plan om voor deze docu te ontrafelen wie deze kwade genius/idealist/informele leider is. Zo’n missie is de filmmaker overigens wel toevertrouwd. In de docuserie Q: Into The Storm (2021) beweert hij, als een eigentijdse variant op Hercule Poirot of Miss Marple, de identiteit te hebben achterhaald van een al even groot mysterie, het Trumpistische orakel QAnon.

Verdachten genoeg in dit nieuwe onderzoek. Met illustere schuilnamen bovendien. Een Dr. Doom bijvoorbeeld, de econoom die de financiële crisis van 2008 voorspelde. Een Prins Philip van Servië, de gedroomde connectie om de virtuele ‘gouden wikkel’ van Sjakie (die van de chocoladefabriek) te vinden. En de Bitcoin Jesus (of is ‘t toch Bitcoin Judas?), een goedgeefse investeerder in digitale valuta.

Met al die uiteenlopende personages en tot de verbeelding sprekende termen als ‘blocksize war’, ‘cypherpunks’ en ‘Bitcoin-FOMO’ slaagt Hoback erin om een volstrekt ondoorzichtige wereld toch toegankelijk te maken en intussen belangrijke maatschappelijke thema’s aan te snijden, waarover doorgaans geen avonturenfilms worden gemaakt: geldsystemen, privacy en de cashloze samenleving.

Is Bitcoin het ideale antwoord op de problematische verbinding tussen die drie? Het elektronische geldsysteem ontstond in elk geval als reactie op de crisis van 2008, toen het gehele financiële systeem bankroet leek te gaan – en Jan Modaal met zich mee de afgrond in dreigde te trekken. En ook de almacht van Uncle Sams good ol’ dollar kan door de komst van de Bitcoin wel eens op de tocht komen te staan.

Vandaar ook de weerstand die de internetlegende oproept. Hij is intussen wel een zegen voor deze film. Met behulp van z’n prooi kan Cullen Hoback zich door, stiekem, best wel taaie materie worstelen. En als hij, zoals ‘t een archetypische protagonist van het kaliber Indiana Jones of Marty McFly betaamt, toch weer boven komt drijven, denkt hij ook nog eens het antwoord te hebben op die ene alles verterende vraag:

Wie is Satoshi Nakamoto?

Adam Back, Craig Wright, Amir Taaki, Gavin Andresen, Hal Finney, Nick Szabo, Nouriel Roubini, Peter Todd of – bummer! – geen van allen?

The Last Of The Sea Women

Apple TV+

De Zuid-Koreaanse haenyeo-cultuur, van generatie op generatie doorgegeven en officieel erkend door Unesco, staat onder druk. Ooit waren er zo’n dertigduizend ‘haenyeo’ actief in de Oost-Chinese Zee bij het vulkanische eiland Jeju. Nu zijn er nog maar vierduizend van zulke vrouwelijke duikers over. En die blijken vrijwel allemaal boven de zestig. Als ‘beschermers van de zee’ gaan zij, zonder zuurstoffles, soms wel bijna twee minuten onder water, op zoek naar zee-egels, schelpen en zee-ananas. Echt vrouwenwerk, aldus de 72-jarige Soon Deok Yang. ‘Mannen kunnen dit helemaal niet aan.’

Gezond is alleen anders, stelt historica Soon-E Kim, die gespecialiseerd is in de haenyeo-cultuur, in de fraaie documentaire The Last Of The Sea Women (87 min.) van regisseur Sue Kim. Hoe dieper de vrouwen duiken, hoe hoger de waterdruk wordt. Alsof je elke dag een paar honderd keer ergens keihard tegenaan beukt met je hoofd. ‘Als ze een dode haenyeo aantreffen op zee’, vertelt zij, ‘zit haar net vreemd genoeg altijd vol met Haliotis-slakken en ander voedsel uit de zee.’ Een ziektekostenverzekering kunnen haenyeos alleen niet krijgen. Daarvoor is het beroep te gevaarlijk.

Niet vreemd dus dat jonge Koreaanse vrouwen bepaald niet staan te springen om het water in te duiken. Zeker omdat het aanbod daar, als gevolg van vervuiling en oplopende temperaturen, ook zienderogen verschraalt. Ruim 250 kilometer verderop, op het eiland Geoje, proberen twee jonge vrouwen het tij te keren met TikTok-filmpjes. Al dansend willen ze de aloude cultuur nieuw leven inblazen. En dan blijkt dat het nabijgelegen Japan van plan is om nucleair afval van de kernreactor in Fukushima te gaan dumpen in de Oost-Chinese Zee. Tot afgrijzen van de haenyeo.

The Last Of The Sea Women brengt hun (verdwijnende) wereld prachtig in beeld. De oudere vrouwen in hun oranje-zwarte wetsuits steken bijzonder mooi af tegen het blauw van de zee. Sue Kim heeft bovendien de beschikking over sfeervolle archiefbeelden en gaat zelf helemaal los bij een sjamanistisch ‘gut’-ritueel, op temperatuur gebracht met expressieve Koreaanse muziek, waarbij de haenyeo de hulp van goden en geesten inroepen om de Japanse plannen te dwarsbomen. Om het zekere voor het onzekere te nemen sturen ze Soon Deok Yang bovendien naar de Verenigde Naties in Genève.

Want wie wil er uit de zee eten als die straks grondig vervuild is geraakt? En welke toekomst hebben de haenyeo en hun roeping dan nog?

Six Schizophrenic Brothers

Firecracker

In de eerste vijftien jaar na de Tweede Wereldoorlog kregen Don en Mimi Galvin maar liefst tien zoons. Begin jaren zestig werd het Amerikaanse gezin op de valreep ook nog verrijkt met twee meisjes: Margaret en Mary. En die laatste, de jongste dus van in totaal twaalf kinderen, fungeert nu als verteller voor het tragische verhaal van haar familie. Mary Galvin wordt daarbij in de rug gesteund door enkele broers: nummer drie (John), zes (Richard) en acht (Mark). Samen verhalen ze over hun Six Schizophrenic Brothers (168 min.).

Deze vierdelige serie van Lee Phillips is gebaseerd op het indringende boek Hidden Valley Road: Inside The Mind Of An American Family (2020) van Robert Kolker. Over een gezin met een onmogelijk kruis om te dragen. Als na oudste zoon Donald ook nummer twee (Jim) en vier (Brian) als jongvolwassene ernstig gestoord gedrag beginnen te vertonen, wordt duidelijk dat er een genetische kwetsbaarheid zit in de familie Galvin. Uiteindelijk zullen zes zoons ten prooi vallen aan schizofrenie. Ze krijgen last van hallucinaties, horen stemmen en verliezen zich in onwerkelijke angsten.

In de jaren zeventig escaleert de situatie volledig bij het gezin dat z’n intrek heeft genomen in een huis aan Hidden Valley Road in Colorado Springs. De ene na de andere zoon ontspoort, soms onder invloed van het gebruik van softdrugs. Don, docent op de luchtmachtacademie, en zijn zorgzame vrouw Mimi kunnen hun zoons al snel niet meer de baas. Ze worden steeds gewelddadiger, een gevaar voor zichzelf en hun directe omgeving. Totdat het komt tot enkele huiveringwekkende incidenten, die een spoor van verwarring, pijn en verdriet door de Galvin-familie trekken.

Er valt best het nodige aan te merken op Six Schizophrenic Brothers. De miniserie wordt bijvoorbeeld enigszins ontsierd door opzichtige true crime-clichés (cliffhangers, duistere reconstructiebeelden en een onheilspellende soundtrack) en platte horror-esthetiek (gebroken spiegels en brandende foto’s bijvoorbeeld). Ook het idee om de zieke broers Don (één), Matthew (negen) en Peter (tien) te interviewen in een soort duistere parkeergarage, waarmee ze in wezen worden gelijkgeschakeld aan de eerste de beste creep uit een trashy crimedocu, getuigt bepaald niet van goede smaak.

Phillips kijkt in eerste instantie ook nauwelijks over de persoonlijke verhalen van de broers heen. Geen aandacht dus voor de mogelijke (erfelijke) oorzaak van de Galvin-problematiek.  De filmmaker concentreert zich liever op de drama’s en excessen; van mishandeling en seksueel misbruik tot zelfdoding en moord. Methodisch werkt hij die individuele verhalen vervolgens uit tot een familieportret, dat zo schrijnend is dat het toch niemand koud zal laten. En uiteindelijk plaatst hij alle gebeurtenissen weer in hun context, waarbij tevens het grotere verhaal, schizofrenie, in beeld komt.

Hoe tragisch ook, de familie Galvin is een zeer geschikt onderzoeksobject om de wetenschappelijke kennis over deze verpletterende aandoening verder uit te diepen. En dat houdt natuurlijk ook niet op bij de kinderen die Don en Mimi tussen 1945 en 1965 op de wereld hebben gezet. Hoe vergaat ’t bijvoorbeeld hun nageslacht? Deze serie, die ondanks al z’n gebreken tóch een indringende kijkervaring wordt, eindigt dan ook bij Mary Galvins kinderen: wat betekent ‘t voor hen, en hun geestesgesteldheid, om Zes Schizofrene Ooms te hebben?

Mary Galvin was bij nader inzien, getuige dit interview, toch niet zo tevreden over de insteek, toon en de vormgeving van de serie.

De Natuur Bestaat Niet

Moondocs

‘De eerste vraag is heel evident’, zegt de Vlaamse psychiater en relatietherapeut Dirk de Wachter tegen de mensen die bij hem op een rode leren bank, neergezet in een bosrijke omgeving, hebben plaatsgenomen. ‘Waar hebt ge de natuur leren kennen?’

De vraag is bedoeld als opmaat naar een gesprek over de verhouding tussen mens en natuur, die gaandeweg in een, jawel, relatiecrisis, is beland. Voordat hij in de documentaire De Natuur Bestaat Niet (58 min.) daarnaartoe wil, naar het moment waarop de relatie spaak is gelopen, wil De Wachter eerst de formatieve ervaringen van die omgang verkennen bij zijn vier gesprekspartners.

De tiener Jasmijn woont in een dorp en beschouwt de natuur als een vanzelfsprekendheid in haar leven. Monai, een Amerikaanse bloemiste die plantenworkshops geeft, houdt van de combinatie van groen en de stad. Akkerbouwer tegen wil en dank (en filosoof) Rinus runt zijn bedrijf tegenwoordig op een biologische manier. En jongeling Benjamin kreeg van jongs af aan liefde voor de natuur mee.

Deze Belgische klimaatactivist heeft echter ook de keerzijde van die liefde leren kennen. Enkele jaren geleden overleed zijn vijftienjarige vriendin Rosa bij overstromingen in de Ardennen. Samen belandden ze in het water. Een vloedgolf dreef haar toen uit zijn armen. Drie dagen later werd ze zeven kilometer verderop gevonden. Benjamin heeft er een diepe waterangst aan overgehouden.

Om de crisis tussen mens en natuur te bezweren zet documentairemaakster (en kunstcurator) Nathalie Faber in deze speelse, inventieve en tragikomische film de kunstenaar P.J. Roggeband in. Hij moet weer verbinding tot stand brengen en probeert De Wachters gesprekspartners met geinige verbeeldingsoefeningetjes te verleiden om weer dichter bij die vermaledijde natuur te geraken.

‘Komt het ooit goed?’ vraagt Raymonde de Kuyper, die dienst doet als verteller met een duidelijke presence, zich nochtans tegen het einde van de film af. ‘We kunnen ons aanpassen, meebewegen als een school vissen of een zwerm vogels. De spanning blijft…’ Want de natuur beschikt, hoe je ’t ook wendt of keert, over destructieve kracht, zo ervaart ook Dirk de Wachter aan den lijve.

Volgens de relatietherapeut, die zelf kampt met ernstige gezondheidsproblemen, is het dan zaak om het menselijke vernuft ten volle te benutten om er iets tegen te doen. Tegelijkertijd is het ook een kwestie van – deemoedig, rustig en bescheiden, zegt hij zalvend – aanvaarden van wat onveranderbaar is.

Shadow World: Inside The Global Arms Trade

Dillywood / Louverture Films

‘Er zijn maar twee dingen die ertoe doen in de business: geld en seks’, stelt Riccardo Privitera van Talisman Europe Ltd. ‘De rest is onzin.’ De handelaar in wapens en militaire uitrusting zit niet om oneliners verlegen in Shadow World: Inside The Global Arms Trade (94 min.), een ontluisterend exposé over het zogenaamde militair-industrieel complex. ‘Politici zijn net prostituees’, stelt hij bijvoorbeeld unverfroren. ‘Alleen véél duurder.’

Het is een idee dat documentairemaker Johan Grimonprez verder uitwerkt in deze essayistische film uit 2016, die is gebaseerd op een boek van Andrew Feinstein over de verwevenheid van politiek en wapenindustrie. Die komt pijnlijk duidelijk naar voren in de jaren tachtig als de Amerikaanse president Ronald Reagan en de Britse premier Margaret Thatcher weliswaar met de mond belijden dat ze tegen terrorisme zijn, maar in werkelijkheid dubieuze wapendeals sluiten met de Saudi’s. En daarbij moet dan, onder de tafel, stevig worden betaald voor ‘consultancydiensten’. Ofwel: smeergeld.

Grimonprez belandt vervolgens bij een fragment van Reagan en Thatchers inspiratiebron: de econoom Milton Friedman. ‘Wat is hebzucht?’ houdt de eminente pleitbezorger van het ongebreidelde kapitalisme zijn gehoor voor bij een openbaar interview. ‘Wij zijn zélf natuurlijk niet hebberig’, zegt hij lachend. ‘Dat zijn al die anderen. De wereld draait nu eenmaal om allerlei individuen die hun eigen belang najagen.’ En als je die gedachte maar ver genoeg doortrekt, kan het idee van ‘nooit meer oorlog’ uitmonden in een permanente oorlog, waar Jan en alleman z’n voordeel mee doet.

Doordat we hebzucht tot het leidende principe van onze samenleving hebben gemaakt, stelt de Indiase historicus Vijay Prashad, gaat de wereld kapot. Leiders die een groot deel van hun budget willen besteden aan wapens en defensie maken in zijn ogen een morele keuze. ‘Militarisme is belangrijker dan het welzijn van de bevolking.’ Dit uitgangspunt wordt in deze docu van talloze gezichten voorzien. Van Bandar bin Sultan bijvoorbeeld, de Saudische prins die als oliemannetje fungeert bij talloze schimmige wapendeals, waarbij nogal eens wat aan de strijkstok blijft hangen.

Of de hautaine blik van de Amerikaanse minister van Defensie, Donald Rumsfeld. Hij wordt beschouwd als de architect van de Irak-oorlog die president George W. Bush in 2003 startte. Als er beelden van een zakelijk onderonsje tussen Rumsfeld en de Iraakse leider Saddam Hoessein van enkele jaren eerder worden getoond in een tv-programma, reageert hij als door een adder gebeten. ‘Waar heb je deze beelden vandaan?’ bijt hij de interviewer toe. ‘Van de Iraakse televisie zeker?’ Dit hebben we uit ons eigen archief gehaald, reageert die rustig. Rumsfeld: ‘Goh, wat toevallig! Daar zit ik dan…’

Dick Cheney, vicepresident van diezelfde Bush, is eveneens een icoon geworden van de vermenging van business en eh…, ja, oorlog. Hij maakte diverse keren gebruik van de draaideur tussen de Amerikaanse overheid en de wapenindustrie en kon, toen er weer strijd moest worden geleverd, zijn voormalige werkgever Halliburton dus allerlei lucratieve opdrachten toespelen. Het is, kortom, niet moeilijk om cynisch te worden van Shadow World, dat met kritische journalisten zoals Robert Fisk, Jeremy Scahill en Chris Hedges de strijd optekent van privilege en macht tegen gerechtigheid en waarheid.

Een episch gevecht, waarbij alleen meestal de bevoorrechte enkeling wint – en de rest maar blijft verliezen.

The Choice 2024: Harris Vs. Trump

PBS

Het is inmiddels een traditie van ruim dertig jaar. Sinds 1988 zet Frontline, het journalistieke documentaireprogramma van de Amerikaanse publieke omroep PBS, elke vier jaar de twee Amerikaanse presidentskandidaten tegenover elkaar in The Choice. Van pak ‘m beet George H. Bush versus Michael Dukakis (1988) via Barack Obama versus John McCain (2008) tot – driemaal is scheepsrecht – Donald Trump versus Hillary Clinton (2016), Joe Biden (2020) en Kamala Harris (2024).

Het contrast tussen de twee opponenten in The Choice 2024: Harris Vs. Trump (114 min.) kan bijna niet groter. De Republikein Trump, kind van een keiharde New Yorkse topondernemer, dominante kracht binnen zijn eigen partij in de afgelopen tien jaar en belichaming van de boze witte man. Tegenover de Democrate Harris, dochter van een alleenstaande moeder uit India (en een Jamaicaanse vader), tot voor kort relatief onbekend bij het grote publiek en archetypische strijdbare zwarte vrouw.

De opzet van dit gedegen dubbelportret van Michael Kirk voelt direct vertrouwd. De toon is neutraal, kritisch en gezaghebbend, waarbij verteller Will Lyman en diens imposante donkerbruine mannenstem een sleutelrol spelen. Die sturen de kijker op en neer tussen de twee hoofdrolspelers, de tegenpolen ‘The Donald’ en ‘The Female Obama’, en langs de hoogte- en dieptepunten in hun levens, met een afgewogen mix van archiefmateriaal en pratende hoofden.

Behalve de ‘usual suspects’ in dit soort politieke portretten – biografen, journalisten en politieke insiders – heeft Kirk bij Donald Trump bijvoorbeeld ook diens kritische nicht Mary, topmedewerkers van de Trump-organisatie, Donalds eigen Raspoetin Roger Stone, tv-dominee Paula White en David Marcus, de neef van Trumps leermeester en consigliere Roy Cohn, voor de camera gekregen. Cohns voornaamste les (speel nóóit volgens de regels!) zou Trump stevig in z’n oren knopen.

Bij Kamala Harris schetsen vriendinnen, medestudenten en medewerkers haar opmars als openbaar aanklager, procureur-generaal van de staat Californië en senator namens de ‘sunshine state’. Daarbij diept Kirk ook ongemakkelijke verhalen (Harris’ relatie met de dertig jaar oudere mannetjesmaker Willie Brown, die zelf ook nog een tijd burgemeester van San Francisco was) en pijnlijke episoden (de massale kritiek als ze in 2004, na de moord op agent Isaac Espinoa, niet de doodstraf eist) op.

In bijna alles lijken Donald Trump en Kamala Harris elkaars tegenpolen. Oud versus ‘jong’. Man versus vrouw. Wit versus zwart. Conservatief versus progressief. En loopje met de wet versus strikte handhaving ervan. Na The Choice 2024 lijkt de keuze helder bij de presidentsverkiezingen van dinsdag 5 november, die zomaar weer op een nek-aan-nekrace – en, in het slechtste geval en afhankelijk van de winnaar, op een burgeroorlog – kunnen uitlopen.